2006-01-01 | BWBR0007746 | Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
This commit is contained in:
parent
2b58ec612e
commit
e8d7923f9e
1 changed files with 149 additions and 142 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekerin
|
|||
bwb_id: BWBR0007746
|
||||
type: wet
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2001-01-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2006-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0007746
|
||||
citeertitel: Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -28,18 +28,22 @@ c. loon: loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met daar
|
|||
4°. loon in de vorm van krachtens een publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken;
|
||||
5°. loon ter zake waarvan de belasting ingevolge artikel 31 van die wet wordt geheven van de inhoudingsplichtige;
|
||||
d. toetsloon: het in het desbetreffende hoofdstuk van deze wet opgenomen bedrag aan loon waarboven of waaronder de inhoudingsplichtige niet in aanmerking komt voor de in dat hoofdstuk voorziene afdrachtvermindering;
|
||||
e. vervallen;
|
||||
e. aangiftetijdvak: het tijdvak waarover krachtens artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de loonbelasting moet worden betaald;
|
||||
f. vervallen;
|
||||
g. ouderschapsverlof: het ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;
|
||||
h. zeeschip: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is, dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet en dat in het kader van een onderneming grotendeels op zee wordt geëxploiteerd, met uitzondering van:
|
||||
g. vervallen;
|
||||
h. zeeschip: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is, dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet en dat in het kader van een onderneming grotendeels op zee wordt geëxploiteerd voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee, het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, het verrichten van baggerwerkzaamheden of overige bij ministeriële regeling nader te bepalen activiteiten op zee, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
1°. een schip dat wordt gebruikt voor de loodsdienst;
|
||||
2°. een schip dat wordt gebruikt voor de zeilvaart;
|
||||
2°. een schip dat wordt gebruikt voor de zeilvaart, niet zijnde een schip dat voldoet aan de in het derde lid genoemde voorwaarden;
|
||||
2bis°. een schip dat wordt gebruikt voor de sportvisserij;
|
||||
3°. een schip in havensleepdienst als bedoeld in onderdeel ha;
|
||||
4°. een schip dat wordt gebruikt voor baggerwerkzaamheden dat niet over eigen voortstuwing beschikt of dat niet is ingericht voor het vervoer van lading over zee, en
|
||||
5°. een schip dat bestemd is of gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of van andere levende rijkdommen van de zee;
|
||||
ha. havensleepdienst: het geheel van werkzaamheden en activiteiten door een sleepboot als bedoeld in onderdeel hb grotendeels in en rond havens en op binnenwateren van de Europese Gemeenschap verricht, ten behoeve van het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing en die inkomen van of uitgaan naar zee;
|
||||
hb. sleepboot: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is, dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet en is bestemd voor het verrichten van sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee;
|
||||
i. zeevarende: degene die als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel werkzaam is op een zeeschip dat in Nederland is geregistreerd en de Nederlandse vlag voert;
|
||||
i. zeevarende: degene die als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel werkzaam is op een zeeschip dat in Nederland is geregistreerd en de Nederlandse vlag voert, tenzij hij werkzaam is op een schip dat een geregelde passagiersdienst onderhoudt tussen havens van de Europese Gemeenschap en hij niet de nationaliteit heeft van een van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap of de Europese Economische Ruimte;
|
||||
ia. zee: alle wateren die zich bevinden voorbij de laagwaterlijn van de kust van elk van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap. Indien een transport over zee plaatsvindt met inbegrip van transport over een vaarweg die voorkomt op de lijst van waterwegen van maritieme aard, zoals opgenomen in bijlage I van de verordening (EG) nr. 13/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 8 december 2003 (Pb EU, nr. L3), wordt het transport voor het gehele traject geacht transport over zee te zijn;
|
||||
ib. binnenwateren: wateren anders dan bedoeld in onderdeel ia;
|
||||
j. onderneming: een onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 of de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
|
||||
k. fiscale eenheid: een eenheid in de zin van de artikelen 15 en 15*a* van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
|
||||
l. S&O-inhoudingsplichtige:
|
||||
|
|
@ -47,17 +51,15 @@ l. S&O-inhoudingsplichtige:
|
|||
1°. een inhoudingsplichtige die tevens een onderneming drijft;
|
||||
2°. een inhoudingsplichtige die niet tevens een onderneming drijft, voor zover hij speur- en ontwikkelingswerk verricht krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met en voor rekening van een onderneming, een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven of een lichaam als bedoeld in de Wet op de bedrijfsorganisatie;
|
||||
m. S&O-belastingplichtige: een natuurlijke persoon die voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek, op de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe:
|
||||
n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op:
|
||||
|
||||
1°. fysieke producten;
|
||||
2°. onderdelen van fysieke producten;
|
||||
3°. fysieke productieprocessen;
|
||||
4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;
|
||||
5°. programmatuur of
|
||||
6°. onderdelen van programmatuur, of op het uitvoeren van een systematisch opgezette analyse van de technische haalbaarheid van het zelf verrichten van onderzoek of ontwikkeling zoals hiervoor in dit onderdeel bedoeld;
|
||||
1°. technisch-wetenschappelijk onderzoek;
|
||||
2°. de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of (onderdelen van) programmatuur;
|
||||
3°. het uitvoeren van een systematisch opgezette analyse van de technische haalbaarheid van het zelf verrichten van het speur- en ontwikkelingswerk, bedoeld onder 1°of 2°, of
|
||||
4°. het uitvoeren van een technisch onderzoek naar een substantiële wijziging van een productiemethode, indien de wijziging kan leiden tot een significante verbetering van het fysieke productieproces dat reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige, dan wel naar modellering van processen, indien deze kan leiden tot een significante verbetering van programmatuur die reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige.
|
||||
o. programmatuur: het niet-fysieke, logische deelsysteem van een informatiesysteem dat de structuur van de gegevens en van de verwerkingsprocessen bepaalt;
|
||||
p. Vervallen.
|
||||
q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 24 aan een S&O-inhoudingsplichtige of een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.
|
||||
q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of artikel 27 aan een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -68,20 +70,26 @@ b. voorzover ingevolge artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 het loon
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor toepassing van het eerste lid, onderdeel h, onder 2°, dient door de Nederlandse Inspectie Verkeer en Waterstaat voor het schip een nationaal veiligheidscertificaat met onbeperkt vaargebied te zijn afgegeven, waarin tevens staat vermeld dat het schip aan de volgende voorwaarden voldoet:
|
||||
|
||||
a. het schip is gebouwd volgens de Voorschriften voor Commercial Cruising Vessels, bedoeld in de krachtens artikel 5, tweede lid, van de Schepenwet uitgevaardigde Beleidsregel ontheffingsregeling voor een Commercial Cruising Vessel;
|
||||
b. het schip heeft een lengte van tenminste 24 meter, bepaald op basis van artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel n, wordt niet tot speur- en ontwikkelingswerk gerekend:
|
||||
|
||||
a. marktonderzoek;
|
||||
b. organisatorische en administratieve werkzaamheden;
|
||||
c. door Onze Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling aangewezen andere werkzaamheden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De in deze wet bedoelde ministeriële regelingen worden, voor zover niet anders is bepaald, uitgevaardigd door Onze Minister, wat betreft de regelingen bedoeld in:
|
||||
|
||||
a. de artikelen 6 en 16b in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
|
||||
a. artikel 6 in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
|
||||
b. artikel 14 in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
|
||||
c. de artikelen 17, 18 en 20 in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
|
||||
d. artikel 23 in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
c. de artikelen 17, 18 en 20 in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -99,16 +107,16 @@ d. artikel 23 in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
|
|||
|
||||
De inhoudingsplichtige kan de over een tijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verminderen, doch niet verder dan tot nihil, met:
|
||||
|
||||
a. de afdrachtvermindering lage lonen;
|
||||
a. vervallen;
|
||||
b. vervallen;
|
||||
c. de afdrachtvermindering onderwijs;
|
||||
d. vervallen;
|
||||
e. vervallen;
|
||||
f. de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof;
|
||||
f. vervallen;
|
||||
g. de afdrachtvermindering zeevaart;
|
||||
h. de S&O-afdrachtvermindering.
|
||||
|
||||
**2.** De afdrachtvermindering lage lonen, de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof en de S&O-afdrachtvermindering komen in mindering op de af te dragen loonbelasting. Uitsluitend voor de toepassing van de vorige volzin door de inhoudingsplichtige wordt af te dragen premie voor de volksverzekeringen gelijkgesteld met af te dragen loonbelasting.
|
||||
**2.** De S&O-afdrachtvermindering komt in mindering op de af te dragen loonbelasting. Uitsluitend voor de toepassing van de vorige volzin door de inhoudingsplichtige wordt af te dragen premie voor de volksverzekeringen gelijkgesteld met af te dragen loonbelasting.
|
||||
|
||||
**3.** De afdrachtvermindering onderwijs en de afdrachtvermindering zeevaart komen in mindering op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -122,7 +130,7 @@ Voor zover loon in aanmerking is genomen voor de toepassing van de S&O-afdrachtv
|
|||
|
||||
Met betrekking tot een werknemer met een volledige arbeidsduur bedraagt:
|
||||
|
||||
a. de afdrachtvermindering lage lonen per kalenderjaar: € 530;
|
||||
a. vervallen;
|
||||
b. vervallen;
|
||||
c. de afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14, eerste lid onderdelen a tot en met d en f, bedoelde werknemers: € 2 500 per kalenderjaar. De afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer: € 1 500 per kalenderjaar;
|
||||
|
||||
|
|
@ -130,7 +138,7 @@ c. de afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14
|
|||
|
||||
**3.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**4.** De afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VIA.
|
||||
**4.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**5.** De afdrachtvermindering zeevaart beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VII.
|
||||
|
||||
|
|
@ -138,7 +146,7 @@ c. de afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14
|
|||
|
||||
**7.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**8.** Ingeval de som van de afdrachtvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering onderwijs op de voet van de vorige leden meer dan € 3405 bedraagt, wordt de afdrachtvermindering lage lonen zodanig verlaagd dat de bedoelde som € 3405 bedraagt.
|
||||
**8.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**9.** De in het eerste lid opgenomen bedragen, alsmede het toetsloon, worden naar tijdsgelang verdeeld over de loontijdvakken van het kalenderjaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de werknemer wiens dienstbetrekking niet gedurende het gehele kalenderjaar heeft bestaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -146,7 +154,7 @@ c. de afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in artikel 5, eerste en achtste lid, opgenomen bedragen alsmede het toetsloon worden naar evenredigheid verminderd met betrekking tot:
|
||||
De in artikel 5, eerste lid, opgenomen bedragen alsmede het toetsloon worden naar evenredigheid verminderd met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de werknemer met een overeengekomen arbeidsduur die korter is dan de volledige arbeidsduur;
|
||||
b. de werknemer zonder overeengekomen vaste arbeidsduur.
|
||||
|
|
@ -161,7 +169,7 @@ b. de werknemer zonder overeengekomen vaste arbeidsduur.
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
De afdrachtvermindering lage lonen is van toepassing met betrekking tot de werknemer die de leeftijd heeft bereikt van 23 jaren en wiens loon in het desbetreffende loontijdvak niet meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering lage lonen bedraagt per kalenderjaar: € 17 805.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7a
|
||||
|
||||
|
|
@ -214,7 +222,7 @@ f. degene die bij de inhoudingsplichtige op basis van een leer-werkovereenkomst
|
|||
|
||||
**2.** De in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde persoon wordt voor de toepassing van deze wet en de krachtens deze wet uitgevaardigde regelingen, aangemerkt als werknemer met een volledige arbeidsduur.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 20 791 per kalenderjaar.
|
||||
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 20 882 per kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdelen b en c, is met betrekking tot een werknemer gedurende ten hoogste 48 maanden van toepassing. De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdeel d, is met betrekking tot een werknemer ten hoogste 24 maanden van toepassing. Indien artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot een werknemer toepassing vindt, wordt de termijn van 48 maanden onderscheidenlijk 24 maanden met betrekking tot deze werknemer naar evenredigheid verlengd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -255,53 +263,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 16b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof is van toepassing met betrekking tot het loon dat wordt doorbetaald tijdens het ouderschapsverlof van de werknemer, indien het doorbetaalde loon in het desbetreffende loontijdvak ten minste gelijk is aan diens toetsloon voor dat tijdvak en het recht op doorbetaling van ten minste het toetsloon is geregeld bij collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, dan wel geldt voor ten minste driekwart van de werknemers van de inhoudingsplichtige.
|
||||
|
||||
De afdrachtvermindering geldt ten hoogste voor het totale aantal uren verlof waarop de werknemer op grond van artikel 6:2 van de Wet arbeid en zorg recht heeft. De afdrachtvermindering beloopt 50 percent van het doorbetaalde loon met een maximum per werknemer per kalenderjaar van
|
||||
|
||||
| indien de werknemer de leeftijd heeft bereikt van | doch niet de leeftijd van | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| 15 jaren | 16 jaren: | € 3 403 |
|
||||
| 16 jaren | 17 jaren: | € 3 913 |
|
||||
| 17 jaren | 18 jaren: | € 4 480 |
|
||||
| 18 jaren | 19 jaren: | € 5 161 |
|
||||
| 19 jaren | 20 jaren: | € 5 955 |
|
||||
| 20 jaren | 21 jaren: | € 6 975 |
|
||||
| 21 jaren | 22 jaren: | € 8 223 |
|
||||
| 22 jaren | 23 jaren: | € 9 641 |
|
||||
| 23 jaren: | | € 11 342 |
|
||||
|
||||
Artikel 5, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het toetsloon voor de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof bedraagt per kalenderjaar
|
||||
|
||||
| indien de werknemer de leeftijd heeft bereikt van | doch niet de leeftijd van | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| 15 jaren | 16 jaren: | € 3 403 |
|
||||
| 16 jaren | 17 jaren: | € 3 913 |
|
||||
| 17 jaren | 18 jaren: | € 4 480 |
|
||||
| 18 jaren | 19 jaren: | € 5 161 |
|
||||
| 19 jaren | 20 jaren: | € 5 955 |
|
||||
| 20 jaren | 21 jaren: | € 6 975 |
|
||||
| 21 jaren | 22 jaren: | € 8 223 |
|
||||
| 22 jaren | 23 jaren: | € 9 641 |
|
||||
| 23 jaren: | | € 11 342 |
|
||||
|
||||
**3.** Op het toetsloon is artikel 6 niet van toepassing. Het toetsloon en het maximum van de afdrachtvermindering worden naar evenredigheid verminderd met betrekking tot de werknemer wiens ouderschapsverlof een kortere duur heeft dan de volledige arbeidsduur in de zin van artikel 6, tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Volgens bij ministeriële regeling te stellen regels worden de afspraken tussen inhoudingsplichtige en werknemer met betrekking tot het opnemen van betaald ouderschapsverlof en de hoogte van het doorbetaalde loon per kind waarvoor ouderschapsverlof wordt opgenomen, schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend. De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van deze overeenkomst bij de loonadministratie.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VII. Afdrachtvermindering zeevaart
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** De afdrachtvermindering zeevaart is van toepassing met betrekking tot zeevarenden. De afdrachtvermindering beloopt een bedrag ter grootte van het in het tweede lid genoemde percentage van het loon van de zeevarenden in het loontijdvak.
|
||||
**1.** De afdrachtvermindering zeevaart is van toepassing met betrekking tot zeevarenden. De afdrachtvermindering beloopt een bedrag ter grootte van het in het tweede lid genoemde percentage van het loon van de zeevarenden in het loontijdvak. Bij zeevarenden op schepen bestemd voor baggerwerkzaamheden, onderscheidenlijk schepen bestemd voor sleep- of hulpverleningswerkzaamheden wordt als loon niet in aanmerking genomen het gedeelte van het loon dat toerekenbaar is aan andere werkzaamheden dan vervoer van opgebaggerd materiaal over zee, onderscheidenlijk andere werkzaamheden dan sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -319,7 +287,7 @@ c. met betrekking tot de zeevarende die niet aan de loonbelasting is onderworpen
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Volgens bij ministeriële regeling te stellen regels maakt de inhoudingsplichtige per loontijdvak een berekening van het in artikel 17, eerste lid, bedoelde loon en van het bedrag van de afdrachtvermindering zeevaart.
|
||||
**1.** Volgens bij ministeriële regeling te stellen regels maakt de inhoudingsplichtige per loontijdvak een berekening van het in artikel 17, eerste lid, bedoelde loon alsmede het gedeelte van dat loon dat niet in aanmerking is genomen en van het bedrag van de afdrachtvermindering zeevaart.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -330,9 +298,11 @@ b. afschriften van zeebrieven als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebr
|
|||
|
||||
**3.** De inhoudingsplichtige legt vast met betrekking tot welke zeevarenden hij in het kalenderjaar de afdrachtvermindering zeevaart heeft toegepast, alsmede het schip of de schepen waarop die zeevarenden werkzaam zijn geweest onder vermelding van de periode waarin dit plaatsvond.
|
||||
|
||||
**4.** De inhoudingsplichtige bewaart de in het tweede lid bedoelde gegevens, alsmede de in het tweede lid bedoelde afschriften en de in het derde lid bedoelde vastleggingen, bij de loonadministratie.
|
||||
**4.** De inhoudingsplichtige legt met betrekking tot zeeschepen die zijn bestemd voor sleep-en hulpverleningswerkzaamheden op zee en die tevens, in en rond havens gelegen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap en op binnenwateren van de Europese Gemeenschap, worden ingezet voor het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die inkomen van of uitgaan naar zee en gebruik maken van eigen voortstuwing, de bedrijfstijd vast die is gemoeid met de onderscheidene werkzaamheden. De wachttijd mag evenredig worden toegedeeld aan de bedrijfstijd van de onderscheidene werkzaamheden.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in het tweede en derde lid genoemde verplichtingen.
|
||||
**5.** De inhoudingsplichtige bewaart de in het tweede lid bedoelde gegevens, alsmede de in het tweede lid bedoelde afschriften en de in het derde en vierde lid bedoelde vastleggingen, bij de loonadministratie.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in dit artikel genoemde verplichtingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
|
|
@ -346,107 +316,142 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een
|
|||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** De S&O-afdrachtvermindering is van toepassing met betrekking tot werknemers die direct betrokken zijn bij werk dat bij S&O-verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De afdrachtvermindering beloopt 42 percent van het loon dat door die werknemers in het kalenderjaar is genoten ter zake van bedoeld speur- en ontwikkelingswerk voor zover dat loon in totaal niet meer bedraagt dan € 110 000, en 14 percent van dat loon voor zover dat in totaal meer bedraagt dan € 110 000. Als loon bedoeld in de vorige volzin wordt in totaal niet meer in aanmerking genomen dan het bedrag dat in de S&O-verklaring is aangemerkt als ten hoogste in aanmerking te nemen loon. De S&O-afdrachtvermindering bedraagt over een kalenderjaar maximaal € 7 941 154 per inhoudingsplichtige dan wel, ingeval de inhoudingsplichtige, beoordeeld naar de op het tijdstip waarop hij om de S&O-verklaring verzoekt bekende feiten en omstandigheden, bij de aanvang van het tijdvak waarop het verzoek betrekking heeft deel uitmaakt van een fiscale eenheid, per fiscale eenheid. In het laatste geval bedraagt de afdrachtvermindering per inhoudingsplichtige ten hoogste het in de S&O-verklaring aangegeven deel van het maximum van € 7 941 154.
|
||||
**1.** De S&O-afdrachtvermindering is met betrekking tot een aangiftetijdvak van toepassing indien de S&O-inhoudingsplichtige beschikt over een ten name van hem afgegeven S&O-verklaring die betrekking heeft op een periode waarin het aangiftetijdvak eindigt. Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering beloopt het bij die S&O-verklaring ter zake vastgestelde bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid vermelde percentage van 42 wordt vervangen door 60 indien de inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven. Indien de voor rekening van de inhoudingsplichtige gedreven onderneming een voortzetting is van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat direct of indirect is gedreven door een met hem verbonden vennootschap in de zin van artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel voor rekening van een natuurlijk persoon die op het moment van aanvraag een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 heeft in de inhoudingsplichtige, wordt voor de toepassing van de eerste volzin een ten aanzien van de verbonden vennootschap, onderscheidenlijk natuurlijk persoon, reeds voor de voortzetting afgegeven S&O-verklaring aangemerkt als een ten aanzien van de inhoudingsplichtige afgegeven verklaring. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar.
|
||||
**2.** Per aangiftetijdvak wordt maximaal een evenredig deel van het bij de S&O-verklaring vastgestelde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering in aanmerking genomen. De evenredigheid is gerelateerd aan het aantal aangiftetijdvakken die vanaf het desbetreffende aangiftetijdvak nog eindigen in de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Op het in het eerste lid bedoelde loon is niet van toepassing artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, 2° en 4°, alsmede artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 5°, voorzover sprake is van loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling.
|
||||
|
||||
**4.** Bij wijze van voorlopige voorziening kan niet meer dan een tijdsevenredig gedeelte van het op de voet van het eerste lid ten hoogste te belopen bedrag aan S&O-afdrachtvermindering in mindering worden gebracht op de over de ten tijde van de dagtekening van de S&O-verklaring nog niet verstreken tijdvakken van het kalenderjaar af te dragen loonbelasting (voorlopige S&O-afdrachtvermindering). De voorlopige S&O-afdrachtvermindering kan de over het tijdvak af te dragen loonbelasting niet verder verminderen dan tot nihil.
|
||||
|
||||
**5.** De inhoudingsplichtige die deel uitmaakt van een fiscale eenheid en voor speur- en ontwikkelingswerk werknemers ter beschikking stelt van een onderneming binnen die fiscale eenheid, wordt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels als S&O-inhoudingsplichtige aangemerkt en wordt tevens geacht dat speur- en ontwikkelingswerk zelf te verrichten. De inhoudingsplichtige is gehouden voor zoveel nodig de bij deze wet opgelegde verplichtingen te doen uitvoeren door de onderneming ter beschikking waarvan de werknemers worden gesteld.
|
||||
**3.** Ingeval na afloop van de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft een nog niet verrekend bedrag aan S&O-afdrachtvermindering resteert, en er in een aangiftetijdvak dat is geëindigd in de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft nog ruimte voor afdrachtvermindering is, wordt het niet verrekende bedrag daar zoveel mogelijk mee verrekend. Voorzover toepassing van de eerste volzin tot gevolg heeft dat een nog niet verrekend bedrag met een reeds verstreken aangiftetijdvak wordt verrekend, wordt de aangifte over dat reeds verstreken tijdvak voor de toepassing van artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 aangemerkt als een onjuiste of onvolledige aangifte.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** De inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, doet binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar aangifte van het in artikel 21, eerste lid, bedoelde loon, van het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering en van de over het kalenderjaar toegepaste voorlopige S&O-afdrachtverminderingen.
|
||||
**1.** De S&O-inhoudingsplichtige kan voor een aaneengesloten periode van ten minste drie kalendermaanden en ten hoogste zes kalendermaanden vallende binnen één kalenderjaar en in totaal voor niet meer dan drie perioden per kalenderjaar, een S&O-verklaring aanvragen. Een kalendermaand waarop een aanvraag betrekking heeft kan niet meer worden betrokken in een latere aanvraag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien uit de in het eerste lid bedoelde aangifte blijkt dat het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen:
|
||||
De S&O-inhoudingsplichtige kan, in afwijking van het eerste lid, een aanvraag indienen voor een periode van een heel kalenderjaar als hij beschikt over een onderzoek- of een ontwikkelafdeling en:
|
||||
|
||||
a. meer bedraagt dan het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering, draagt de inhoudingsplichtige dit verschil op de aangifte af, waarbij de in artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen betalingstermijn van één maand wordt vervangen door vier maanden;
|
||||
b. minder bedraagt dan het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering, geldt de aangifte als verzoek om teruggaaf van belasting en geeft de inspecteur het verschil terug bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
a. aan de S&O-inhoudingsplichtige in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring is verstrekt, of
|
||||
b. indien de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, aan een ander binnen de fiscale eenheid in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring is verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de S&O-verklaring wordt afgegeven na afloop van het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft, doet de inhoudingsplichtige binnen vier maanden na de dagtekening van de verklaring aangifte van het in het eerste lid bedoelde loon en van het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering. De aangifte geldt als verzoek om teruggaaf en de inspecteur geeft het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering terug bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen omtrent de toepassing van de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring en de wijze waarop deze moet worden ingediend.
|
||||
|
||||
Indien een S&O-verklaring is gewijzigd, treedt voor de toepassing van dit hoofdstuk de gewijzigde S&O-verklaring in de plaats van de eerdere S&O-verklaring en worden de nog toe te passen voorlopige S&O-afdrachtverminderingen zodanig aangepast dat over het kalenderjaar het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen niet meer bedraagt dan het op de voet van artikel 21, eerste lid, ten hoogste te belopen bedrag aan S&O-afdrachtvermindering. Ingeval een zodanige aanpassing niet mogelijk is omdat het totaal der reeds toegepaste voorlopige S&O-afdrachtverminderingen meer bedraagt dan het ten hoogste te belopen bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, doet de inhoudingsplichtige, vooruitlopend op de in het eerste lid bedoelde aangifte, onverwijld aangifte van die gegevens en draagt hij gelijktijdig het verschil op de aangifte af. Hetgeen op deze wijze is afgedragen wordt tevens vermeld in de in het eerste lid bedoelde aangifte en komt in mindering op het totaal der in die aangifte aangegeven voorlopige S&O-afdrachtverminderingen. Ingeval de inhoudingsplichtige op het tijdstip waarop hij kennis neemt van de gewijzigde verklaring reeds aangifte heeft gedaan als bedoeld in het eerste of het derde lid, en
|
||||
|
||||
a. het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen vermeerderd met het door de inspecteur ingevolge het tweede lid, onderdeel *b*, of derde lid, teruggegeven bedrag en verminderd met de ingevolge het tweede lid, onderdeel *a*, afgedragen belasting meer bedraagt dan de S&O-afdrachtvermindering, doet hij van deze gegevens onverwijld aangifte en draagt hij gelijktijdig het verschil op de aangifte af;
|
||||
b. het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen vermeerderd met het door de inspecteur ingevolge het tweede lid, onderdeel *b*, of derde lid, teruggegeven bedrag en verminderd met de ingevolge het tweede lid, onderdeel *a*, afgedragen belasting minder bedraagt dan de S&O-afdrachtvermindering, doet hij van deze gegevens aangifte, geldt die aangifte als verzoek om teruggaaf en geeft de inspecteur het verschil terug bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een S&O-verklaring is ingetrokken, kan de inhoudingsplichtige geen S&O-afdrachtvermindering toepassen. Indien S&O-afdrachtvermindering of voorlopige S&O-afdrachtvermindering heeft plaatsgevonden, doet hij van deze gegevens onverwijld aangifte en draagt hij gelijktijdig de ten onrechte niet afgedragen belasting af.
|
||||
|
||||
**6.** De inhoudingsplichtige verstrekt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels een afschrift van de S&O-verklaring aan de inspecteur.
|
||||
|
||||
**7.** De inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot het verrichte speur- en ontwikkelingswerk, de daarbij betrokken werknemers en het door hen ter zake genoten loon.
|
||||
**4.** De aanvraag moet worden ingediend ten minste een kalendermaand voorafgaande aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na de aanvang van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling in het algemeen of voor groepen van gevallen, een latere datum vaststellen waarop de beslissing op de aanvraag uiterlijk moet zijn gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderingen en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kunnen bij ministeriële regeling de in artikel 21, eerste lid, vermelde percentages met ingang van 1 januari van enig jaar worden verhoogd tot ten hoogste 47,5 respectievelijk 25, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. Bij verlaging van de percentages wordt het in artikel 21, eerste lid, eerstvermelde percentage zo veel mogelijk ontzien. De nieuwe percentages gelden met betrekking tot loon dat wordt genoten op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt, behoudens voor zover dat loon reeds is betrokken in een S&O-verklaring welke betrekking heeft op een periode die is aangevangen voor de dag waarop de wijziging in werking treedt.
|
||||
**1.** Onze Minister van Economische Zaken verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een S&O-verklaring.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De S&O-verklaring bevat:
|
||||
|
||||
a. een omschrijving van het werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;
|
||||
b. de periode waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt;
|
||||
c. het aantal uren dat werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige in die periode aan het speur- en ontwikkelingswerk naar verwachting zullen besteden;
|
||||
d. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering met een berekening van dat bedrag.
|
||||
|
||||
**3.** Het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering beloopt 14 percent van het product van het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, en het gemiddelde uurloon als bedoeld in het vierde lid, vermeerderd met 28 percent van dat product voorzover dat product in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 110 000. De vermeerdering met 28 percent blijft achterwege voorzover die vermeerdering reeds toepassing heeft gevonden bij een S&O-verklaring betreffende een eerdere periode van het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige in 2004 gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in 2004 speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven, waarbij dit gemiddelde loon naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 5. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige in het kalenderjaar 2004 zodanig speur- en ontwikkelingswerk niet heeft verricht, wordt als gemiddelde uurloon genomen hetgeen hij naar verwachting in 2006 aan gemiddeld uurloon betaalt aan werknemers die het speur- en ontwikkelingswerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zullen verrichten met dien verstande dat geen hoger bedrag aan gemiddeld uurloon in aanmerking wordt genomen dan € 75. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken kunnen regels worden gesteld ter berekening van het gemiddelde uurloon.
|
||||
|
||||
**5.** Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering over een kalenderjaar bedraagt per S&O-inhoudingsplichtige maximaal € 8 000 000 dan wel, ingeval de inhoudingsplichtige deel uitmaakt of in een deel van het kalenderjaar heeft uitgemaakt, van een fiscale eenheid, per fiscale eenheid. In het laatste geval wordt in de S&O-verklaring vastgesteld welk deel van het bedrag van € 8 000 000, betrekking heeft op de S&O-inhoudingsplichtige.
|
||||
|
||||
**6.** De inhoudingsplichtige die deel uitmaakt van een fiscale eenheid en voor speur- en ontwikkelingswerk werknemers ter beschikking stelt aan een onderneming binnen die fiscale eenheid, wordt geacht dat speur- en ontwikkelingswerk zelf te verrichten. Op deze inhoudingsplichtige is het bij of krachtens deze wet bepaalde zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de inhoudingsplichtige de verplichtingen in voorkomende gevallen zal doen uitvoeren door de onderneming die het speur- en ontwikkelingswerk uitvoert.
|
||||
|
||||
**7.** Het in het derde lid vermelde percentage van 28 wordt vervangen door 46 indien de S&O-inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven. Indien de voor rekening van de inhoudingsplichtige gedreven onderneming een voortzetting is van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat direct of indirect is gedreven door een met hem verbonden vennootschap in de zin van artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel voor rekening van een natuurlijk persoon die op het moment van aanvraag een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 heeft in de inhoudingsplichtige, wordt voor de toepassing van de eerste volzin een ten aanzien van de verbonden vennootschap, onderscheidenlijk natuurlijk persoon, reeds voor de voortzetting afgegeven S&O-verklaring aangemerkt als een ten aanzien van de inhoudingsplichtige afgegeven verklaring. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
**1.** Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. Voorts wordt in de verklaring vermeld het bedrag van het vermoedelijke beloop van het in dat kalenderjaar te genieten loon voor zover dat betrekking zal hebben op speur- en ontwikkelingswerk en welk gedeelte daarvan, gelet op het in artikel 22, eerste lid, bedoelde maximum ten hoogste in aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van dat artikel. Indien de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, wordt in de verklaring tevens vermeld welk deel van het op de fiscale eenheid betrekking hebbende bedrag van € 7 941 154, genoemd in artikel 21, eerste lid, wordt toegerekend aan de S&O-inhoudingsplichtige.
|
||||
**1.** De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, houdt over de periode vermeld in de verklaring een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het werk dat in de verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.
|
||||
|
||||
**2.** Aan een S&O-belastingplichtige die voornemens is in een kalenderjaar ten minste 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** Een verzoek om een S&O-verklaring moet door een S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk een S&O-belastingplichtige worden ingediend uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het desbetreffende loon zal worden genoten onderscheidenlijk uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het speur- en ontwikkelingswerk door de S&O-belastingplichtige zal worden verricht. Een verzoek kan betrekking hebben op het eerste of het tweede kalenderhalfjaar, dan wel op een geheel kalenderjaar.
|
||||
De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven doet van het aantal uren dat zijn werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk in de periode waarop de verklaring betrekking heeft, mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken indien:
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van het verzoek en de wijze waarop het moet worden ingediend.
|
||||
a. het aantal bestede uren minder is dan 90% van het in de S&O-verklaring opgenomen aantal, of
|
||||
b. het product van het aantal bestede uren en het gemiddelde uurloon waarvan de S&O-verklaring uitgaat tenminste een bedrag van € 5 000 maal het aantal kalendermaanden waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, lager is dan het product bedoeld in artikel 23, derde lid.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister van Economische Zaken wijkt bij zijn beslissing op het verzoek wat betreft het begrip loon niet af van hetgeen in het verzoek is vermeld.
|
||||
**3.** De S&O-inhoudingsplichtige doet de mededeling, bedoeld in het tweede lid, binnen twee kalendermaanden na afloop van de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft en vermeldt daarbij het door zijn werknemers in de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft gerealiseerde aantal uren speur- en ontwikkelingswerk.
|
||||
|
||||
**6.** De beslissing op het verzoek wordt gegeven binnen negen weken na de aanvang van het tijdvak waarop het verzoek betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**7.** Een S&O-verklaring kan worden gewijzigd of ingetrokken indien blijkt dat te harer verkrijging verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest. Onjuistheid of onvolledigheid van gegevens of bescheiden die Onze Minister van Economische Zaken bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond opleveren voor wijziging of intrekking van een verklaring. Een S&O-verklaring kan tevens worden gewijzigd of ingetrokken indien blijkt dat de in artikel 25 bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde. De bevoegdheid tot het wijzigen of intrekken van een verklaring vervalt door verloop van vijf jaren na de dagtekening van de verklaring.
|
||||
|
||||
**8.** In afwijking van het derde lid onderscheidenlijk zesde lid kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken een latere datum worden vastgesteld waarop het verzoek uiterlijk moet zijn ingediend onderscheidenlijk de beslissing op het verzoek uiterlijk moet zijn gegeven. In samenhang daarmee kan de in artikel 23 bedoelde wijziging van percentages plaatsvinden na 1 januari, met terugwerkende kracht tot en met die datum.
|
||||
|
||||
**9.** Artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling en de indiening daarvan.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven.
|
||||
**1.** Onze Minister van Economische Zaken geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige die de in artikel 24, tweede lid, bedoelde mededeling deed, een correctie-S&O-verklaring af waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring vaststelt op basis van het volgens de mededeling niet gerealiseerde aantal uren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister van Economische Zaken geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring af met het bedrag dat op de S&O-verklaring ten onrechte is vermeld als bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, indien:
|
||||
|
||||
a. aannemelijk is dat ter verkrijging van de S&O-verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest;
|
||||
b. aannemelijk is geworden, dat de S&O-inhoudingsplichtige de verplichting bedoeld in artikel 24, tweede lid, niet is nagekomen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister van Economische Zaken kan, indien blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring afgeven tot een omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk zoals opgenomen in de S&O-verklaring, is verricht.
|
||||
|
||||
**4.** Een bedrag vastgesteld bij een correctie-S&O-verklaring komt zoveel mogelijk in mindering op het bij de S&O-verklaring waarop de correctie-S&O-verklaring betrekking heeft, vastgestelde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering dat nog niet in mindering is gebracht op de af te dragen belasting en premie. Voorzover dat niet mogelijk is, is sprake van een negatieve S&O-afdrachtvermindering welke er toe leidt dat de over het aangiftetijdvak waarin de correctie-S&O-verklaring is gedagtekend af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, wordt vermeerderd met dat bedrag aan negatieve S&O-afdrachtvermindering.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.** De in de artikelen 47 tot en met 51 en 53, eerste en vierde lid, tot en met 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen gelden mede jegens de door Onze Minister van Economische Zaken met betrekking tot de toepassing van dit hoofdstuk aangewezen ambtenaren.
|
||||
**1.** Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, eerste lid, bepaalde of indien sprake is van het geval bedoeld in artikel 25, tweede lid, onderdeel a, kan Onze Minister van Economische Zaken aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete opleggen ter hoogte van maximaal € 100 000, of, wanneer dat meer is, 20% van het in de S&O-verklaring als afdrachtvermindering vastgestelde bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 68, 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, tweede of derde lid, bepaalde, legt Onze Minister van Economische Zaken aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete op ter hoogte van het bedrag van de correctie-S&O-verklaring die is vastgesteld op de voet van artikel 25, tweede lid, onderdeel b. De Minister van Economische Zaken kan de boete lager vaststellen op grond van geringe ernst van de overtreding.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VIIIA. Arbo-afdrachtvermindering
|
||||
|
||||
### Artikel 26a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IX. Bestuurlijke boeten inzake speur- en ontwikkelingswerk
|
||||
**3.** Onze Minister van Economische Zaken brengt opgelegde boeten tot uitdrukking door deze op te nemen in een correctie-S&O-verklaring. Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
Indien over een kalenderjaar het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering met twintig percent of meer overschrijdt, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de inhoudingsplichtige een boete van ten hoogste € 4537 kan opleggen.
|
||||
**1.** Aan een S&O-belastingplichtige die voornemens is in een kalenderjaar ten minste 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken op aanvraag een S&O-verklaring af.
|
||||
|
||||
**2.** Aanvragen kunnen voor het laatst worden ingediend drie kalendermaanden voor het einde van het kalenderjaar. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na indiening van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De S&O-verklaring die ten name van een S&O-belastingplichtige wordt afgegeven, bevat:
|
||||
|
||||
a. een omschrijving van het werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;
|
||||
b. het kalenderjaar waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt.
|
||||
|
||||
**4.** De S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven en die in het kalenderjaar minder dan 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd heeft besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, doet daarvan binnen twee kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** Artikel 24, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Onze Minister van Economische Zaken trekt de S&O-verklaring in indien:
|
||||
|
||||
a. blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde;
|
||||
b. de S&O-belastingplichtige de mededeling, bedoeld in het vierde lid, deed, of aannemelijk is dat hij dat had behoren te doen;
|
||||
c. aannemelijk is dat ter verkrijging van de S&O-verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest.
|
||||
|
||||
**8.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag en de wijze waarop deze moet worden ingediend. Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling, bedoeld in het vierde lid, en de indiening daarvan.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
Indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat over een kalenderjaar het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering met twintig percent of meer overschrijdt, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur de inhoudingsplichtige een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van het verschil tussen het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen en het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering.
|
||||
**1.** De in de artikelen 47 tot en met 51 en 53, eerste en vierde lid, tot en met 56 van Algemene wet inzake rijksbelastingen jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen gelden mede jegens de door Onze Minister van Economische Zaken met betrekking tot de toepassing van in dit hoofdstuk aangewezen ambtenaren.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 68, 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
Indien het in artikel 27 en artikel 28 bedoelde verschil in belasting wordt nageheven, legt de inspecteur de in die artikelen bedoelde boeten op gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. In andere gevallen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van de boeten door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de S&O-afdrachtvermindering betrekking heeft.
|
||||
Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderingen en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken met ingang van 1 januari van enig jaar het in artikel 23, derde lid, vermelde percentage van 14, worden verhoogd tot ten hoogste 25, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld en kan het in artikel 23, derde lid en zevende lid, vermelde percentage van 28, worden verhoogd tot ten hoogste 33,5, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. Bij verlaging van de percentages wordt het percentage van 28 zo veel mogelijk ontzien. De nieuwe percentages gelden met betrekking tot S&O-verklaringen die betrekking hebben op een periode die aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IX. Bestuurlijke boeten inzake speur- en ontwikkelingswerk
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk X. Bijzondere bepalingen inzake beroep en bevoegdheden
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 67, is niet van toepassing met betrekking tot handelingen die worden verricht door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
|
||||
**1.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is niet van toepassing met betrekking tot handelingen die worden verricht door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister van Economische Zaken kan ontheffing verlenen van het in artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte verbod ter zake van de werkzaamheden bij de uitvoering van de artikelen 24 tot en met 26 van deze wet door hem of de door hem aangewezen ambtenaren.
|
||||
**2.** Onze Minister van Economische Zaken kan ontheffing verlenen van het in artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte verbod ter zake van de werkzaamheden bij de uitvoering van artikel 22 tot en met 29 van deze wet door hem of de door hem aangewezen ambtenaren.
|
||||
|
||||
**3.** Tegen een besluit genomen door een van de in het eerste lid, genoemde bestuursorganen, met uitzondering van de Centrale organisatie werk en inkomen, kan de belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
|
||||
|
||||
**4.** Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'loontijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer'.
|
||||
**4.** Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer'.
|
||||
|
||||
**5.** Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.
|
||||
|
||||
|
|
@ -454,23 +459,15 @@ Indien het in artikel 27 en artikel 28 bedoelde verschil in belasting wordt nage
|
|||
|
||||
### Artikel 30a
|
||||
|
||||
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, en achtste lid, vermelde bedragen vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding van het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel *a*, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zoals dat luidt bij het begin van het kalenderjaar tot dat bedrag zoals dat luidt op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan te brengen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt het in artikel 5, achtste lid, vermelde bedrag niet hoger vastgesteld dan het gemiddelde bedrag van de werkgeverslasten bestaande uit premies voor de sociale verzekeringswetten en soortgelijke regelingen, premies voor regelingen voor vervroegde uittreding, premies in verband met loondoorbetaling tijdens ziekte van de werknemers. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vaststelling van de hoogte van het gemiddelde bedrag van de werkgeverslasten.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 7, 14, derde lid, en 16b vermelde toetslonen en de in artikel 16b vermelde maximumbedragen van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof vervangen door andere.
|
||||
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 14, tweede lid, vermelde toetsloon vervangen door een ander toetsloon.
|
||||
|
||||
**2.** Het in artikel 7 vermelde toetsloon wordt gesteld op 110,5 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet.
|
||||
**2.** Het in artikel 14, derde lid, vermelde toetsloon wordt gesteld op 130 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel *a*, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
|
||||
|
||||
**3.** Het in artikel 14, derde lid, vermelde toetsloon wordt gesteld op 130 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel *a*, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet.
|
||||
|
||||
**4.** Het in artikel 16b, eerste lid, laatstvermelde bedrag wordt gesteld op 70 percent van het twaalfvoud van het in Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. De overige in artikel 16b, eerste lid, vermelde bedragen worden dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de desbetreffende krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde minimumjeugdlonen.
|
||||
|
||||
**5.** Het in artikel 16b, tweede lid, laatstvermelde bedrag wordt gesteld op 70 percent van het twaalfvoud van het in Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. De overige in artikel 16b, tweede lid, vermelde toetslonen worden dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de desbetreffende krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde minimumjeugdlonen.
|
||||
|
||||
**6.** Indien ingevolge een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het tweede tot en met vijfde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
|
||||
**3.** Indien ingevolge een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het tweede lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
|
|
@ -488,10 +485,10 @@ Ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet kunnen bij ministeriële r
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van het eerste lid bedraagt het toetsloon voor de afdrachtvermindering langdurig werklozen per kalenderjaar:
|
||||
|
||||
a. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt: € 20 025;
|
||||
b. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt: € 23 012.
|
||||
a. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt: € 20 111;
|
||||
b. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt: € 23 118.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het derde lid vermelde toetslonen vervangen door andere. Het in het derde lid, onderdeel a, vermelde toetsloon wordt gesteld op 125 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. Het in het derde lid, onderdeel b, vermelde toetsloon wordt gesteld op 144,5 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. Artikel 31, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het derde lid vermelde toetslonen vervangen door andere. Het in het derde lid, onderdeel a, vermelde toetsloon wordt gesteld op 125 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. Het in het derde lid, onderdeel b, vermelde toetsloon wordt gesteld op 144,5 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. Artikel 31, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
|
|
@ -539,7 +536,11 @@ Met betrekking tot werknemers voor wie de arbeidsovereenkomst voorziet in een ho
|
|||
|
||||
### Artikel 41a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De op 1 januari 2006 vervallen regeling inzake de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof blijft doorlopen tot uiterlijk 31 december 2006 met betrekking tot een werknemer die in het kalenderjaar 2006 ouderschapsverlof geniet waarbij loon wordt doorbetaald krachtens een op de laatste dag van het kalenderjaar 2005 bestaande:
|
||||
|
||||
a. collectieve arbeidsovereenkomst;
|
||||
b. regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan of
|
||||
c. regeling van de inhoudingsplichtige welke geldt voor ten minste driekwart van de werknemers van de inhoudingsplichtige.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
|
|
@ -565,7 +566,13 @@ De Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk wordt ingetrokken.
|
|||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
Met betrekking tot gevallen waarin een S&O-vermindering heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat luidde op 31 december 1995, blijven de bepalingen van de hoofdstukken IVA en VIA van die wet en van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk van kracht naar de tekst zoals die luidde op 31 december 1995.
|
||||
**1.** Met betrekking tot de toepassing van deze wet terzake van speur- en ontwikkelingswerk dat is verricht voor 1 januari 2006, blijven de bepalingen bij of krachtens de hoofdstukken VIII en IX zoals deze luidden voor de wijzigingen ingevolge het Belastingplan 2006, van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Aanvragen voor een S&O-verklaring met betrekking tot kalendermaanden in 2006 die zijn of worden ingediend op de voet van artikel 24, derde lid, zoals dat luidde voor de wijzigingen ingevolge het Belastingplan 2006, worden behandeld als aanvragen die zijn ingediend met inachtneming van artikel 22, eerste lid, of, indien de aanvrager een S&O-belastingplichtige is, artikel 27, tweede lid, zoals deze luiden na de wijzigingen ingevolge het Belastingplan 2006.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot aanvragen als bedoeld in het tweede lid, is voor de wijze van indiening en de inhoud van de aanvragen van toepassing hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 24 zoals dat luidde voor de wijzigingen ingevolge het Belastingplan 2006.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling in het kader van een soepele overgang van het regime van vóór 1 januari 2006 naar het regime met ingang van 1 januari 2006, aanvullende of zonodig afwijkende regels stellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
|
|
@ -581,7 +588,7 @@ Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
|||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
De Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk en de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk berusten op artikel 1, derde lid, onderdeel *c*, onderscheidenlijk de artikelen 24, vierde lid, en 25.
|
||||
De Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk en de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk berusten op artikel 1, derde lid, onderdeel *c*, onderscheidenlijk de artikelen 22, derde lid, en 24, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue