2005-01-01 | BWBR0006338 | Bekostigingsbesluit WHW
This commit is contained in:
parent
75b0931409
commit
e8f4d30b50
1 changed files with 67 additions and 47 deletions
|
|
@ -175,7 +175,7 @@ De landelijke component basisvoorziening onderwijs voor een begrotingsjaar is ge
|
|||
|
||||
### Artikel 2.6d
|
||||
|
||||
De landelijke bedragen ten behoeve van de numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, worden over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van die bedragen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar.
|
||||
De landelijke bedragen ten behoeve van de numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde, de werkplaats tandheelkunde en de numerus fixus klinische technologie, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, worden over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van die bedragen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.6e
|
||||
|
||||
|
|
@ -585,7 +585,7 @@ b. 1 oktober voor de studiejaren vanaf het studiejaar 1993/1994.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.3a
|
||||
|
||||
**1.** In dit artikel en in artikel 3.3b wordt onder opleiding verstaan: een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst, dan wel een groep van die opleidingen. Bij ministeriële regeling wordt de indeling van de groepen van opleidingen vastgesteld.
|
||||
**1.** In dit artikel wordt onder opleiding verstaan: een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst, dan wel een groep van die opleidingen. Bij ministeriële regeling wordt de indeling van de groepen van opleidingen vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -604,42 +604,32 @@ A: het aantal personen aan wie blijkens het Centraal register inschrijving een g
|
|||
|
||||
### Artikel 3.3b
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling kan voor de in artikel 3.3a bedoelde opleidingen een limiet worden gesteld aan het aantal te bekostigen eerstejaarsstudenten per opleiding. Onder eerstejaarsstudent wordt verstaan: de student die, na de inschrijving voor een opleiding, op de peildatum voor het eerst voldoet aan onderdeel I van artikel 3.3a, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien krachtens het eerste lid voor een opleiding zowel voor het begrotingsjaar als voor het voorafgaande begrotingsjaar een limiet is vastgesteld, en indien de som van de aantallen eerstejaarsstudenten van het begrotingsjaar en het voorafgaande begrotingsjaar groter is dan de som van de limieten van het begrotingsjaar en het voorafgaande begrotingsjaar, wordt de onderwijsvraag volgens het tweede lid van artikel 3.3a verminderd met anderhalf maal het verschil van de som van de aantallen eerstejaarsstudenten en de som van de limieten.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.3 wordt de onderwijsvraag voor de opleidingen lerarenopleidingen speciaal onderwijs, de opleidingen hogere kaderopleiding pedagogiek, de voortgezette opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken, de tweedegraads lerarenopleiding verpleegkunde, de opleiding tot verpleegkundige in de maatschappelijke gezondheidszorg en de opleiding van kader in de gezondheidszorg, bepaald op het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar.
|
||||
In afwijking van artikel 3.3 wordt de onderwijsvraag voor de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder b, en artikel 17a.10a van de wet, bepaald op het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.4a
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.3 is de onderwijsvraag voor de in artikel 7.4, vijfde lid, van de wet bedoelde voortgezette kunstopleidingen en de voortgezette opleidingen bouwkunst, per opleiding gelijk aan het aantal studenten op 1 oktober van het aan het begrotingsjaar voorafgaande kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks per opleiding bepaald hoeveel de volgens het eerste lid vastgestelde onderwijsvraag ten hoogste bedraagt.
|
||||
In afwijking van artikel 3.3 wordt de onderwijsvraag voor de tweedegraads lerarenopleidingen verpleegkunde, de opleidingen tot verpleegkundige in de maatschappelijke gezondheidszorg en de opleidingen van kader in de gezondheidszorg bepaald op het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.5
|
||||
|
||||
Voor de bepaling van de onderwijsvraag van een opleiding die:
|
||||
|
||||
a. in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het begrotingsjaar voor het eerst in het Centraal register opleidingen is opgenomen, en
|
||||
b. geen voortzetting vormt van een studierichting of opleiding, wordt de onderwijsvraagfactor gesteld op de landelijk gemiddelde onderwijsvraagfactor. Deze berekening wordt toegepast tot en met het tweede begrotingsjaar volgend op het begrotingsjaar waarin de eerste getuigschriften, gelet op de studielast, kunnen worden uitgereikt.
|
||||
b. geen voortzetting vormt van een opleiding met gelijke studielast, wordt de onderwijsvraagfactor gesteld op de landelijk gemiddelde onderwijsvraagfactor. Deze berekening wordt toegepast tot en met het tweede begrotingsjaar volgend op het begrotingsjaar waarin de eerste getuigschriften, gelet op de studielast, kunnen worden uitgereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
Voor de bepaling van de onderwijsvraag van een opleiding waarvan de registratie wordt beëindigd overeenkomstig artikel 6.15 van de wet en ten aanzien waarvan artikel 3.5 niet van toepassing is, wordt met betrekking tot de begrotingsjaren volgend op het derde begrotingsjaar waarin geen studenten zich voor het eerst inschrijven aan die opleiding, de laatstelijk voor deze opleiding vastgestelde onderwijsvraagfactor aangehouden, totdat de registratie is beëindigd.
|
||||
Voor de bepaling van de onderwijsvraag van een opleiding waarvan de registratie wordt beëindigd overeenkomstig artikel 6.15 van de wet, ten aanzien waarvan artikel 3.5 niet van toepassing is en die niet wordt voortgezet in een opleiding met gelijke studielast, wordt met betrekking tot de begrotingsjaren volgend op het derde begrotingsjaar waarin geen studenten zich voor het eerst inschrijven aan die opleiding, de laatstelijk voor deze opleiding vastgestelde onderwijsvraagfactor aangehouden, totdat de registratie is beëindigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
**1.** Het exploitatiedeel van een hogeschool is de som van de exploitatiedelen van de door de desbetreffende hogeschool aangeboden opleidingen.
|
||||
**1.** Het exploitatiedeel van een hogeschool is de som van de exploitatiedelen van de door de desbetreffende hogeschool aangeboden opleidingen. Het exploitatiedeel van een hogeschool met opleidingen op het gebied van de kunst, lerarenopleidingen op het gebied van de kunst of opleidingen op het gebied van de gezondheidszorg kan worden verhoogd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het exploitatiedeel van een opleiding wordt berekend door de uit de artikelen 3.3 tot en met 3.6 dan wel 5.3 voor de desbetreffende opleiding voortvloeiende onderwijsvraag te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag. Daarbij worden:
|
||||
|
||||
a. voor de onder de artikelen 3.3, 3.4, 3.5 of 3.6 vallende opleidingen twee niveaus onderscheiden;
|
||||
b. voor de onder de artikelen 3.3a of 5.3 vallende opleidingen ten hoogste vier niveaus onderscheiden, waarbij een van deze niveaus gelijk is aan het hoogste van de onder a bedoelde niveaus;
|
||||
c. voor de onder artikel 3.4a vallende opleidingen ten hoogste vier niveaus onderscheiden.
|
||||
**2.** Het exploitatiedeel van een opleiding wordt berekend door de uit de artikelen 3.3 tot en met 3.6 voor de desbetreffende opleiding voortvloeiende onderwijsvraag te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag. Daarbij worden twee niveaus onderscheiden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de som van de exploitatiedelen van de hogescholen afwijkt van het landelijk beschikbare exploitatiedeel, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, worden door Onze minister voor het desbetreffende begrotingsjaar de exploitatiedelen van de afzonderlijke hogescholen vermenigvuldigd met een factor, zodanig dat de som van de exploitatiedelen van de hogescholen en het landelijk beschikbare exploitatiedeel aan elkaar gelijk zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -683,7 +673,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting, wordt jaarlijks door Onze minister de omvang vastgesteld van het landelijk voor de hogescholen beschikbare huisvestingsdeel.
|
||||
|
||||
**2.** Het landelijk beschikbare huisvestingsdeel wordt over de hogescholen verdeeld op basis van de in vierkante meters uitgedrukte ruimtebehoefte per hogeschool in het betreffende begrotingsjaar. De ruimtebehoefte wordt jaarlijks berekend door de onderwijsvraag van de hogeschool in het desbetreffende begrotingsjaar, bedoeld in de artikelen 3.3 tot en met 3.6 en 5.3 te vermenigvuldigen met de ruimtebehoeftenorm van de hogeschool. Bij ministeriële regeling wordt de ruimtebehoeftenorm per hogeschool vastgesteld.
|
||||
**2.** Het landelijk beschikbare huisvestingsdeel wordt over de hogescholen verdeeld op basis van de in vierkante meters uitgedrukte ruimtebehoefte per hogeschool in het betreffende begrotingsjaar. De ruimtebehoefte wordt jaarlijks berekend door de onderwijsvraag van de hogeschool in het desbetreffende begrotingsjaar, bedoeld in de artikelen 3.3 tot en met 3.6 te vermenigvuldigen met de ruimtebehoeftenorm van de hogeschool. Bij ministeriële regeling wordt de ruimtebehoeftenorm per hogeschool vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -788,13 +778,7 @@ In afwijking van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 wordt het landelijk beschikbare de
|
|||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.3a, tweede lid, wordt de onderwijsvraag per opleiding in het begrotingsjaar 2002 en 2003 vastgesteld op het aantal studenten dat op 1 oktober 2000, respectievelijk 2001 aan de desbetreffende opleiding is ingeschreven. Daarbij worden studenten die op een peildatum tussen 1 augustus 1991 en 1 september 2000 bij de desbetreffende hogeschool voor enige opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst als student ingeschreven zijn geweest, niet meegeteld.
|
||||
|
||||
**2.** De onderwijsvraag die volgens het eerste lid is vastgesteld voor het begrotingsjaar 2003, wordt verhoogd met het aantal personen als omschreven in onderdeel A van artikel 3.3a, tweede lid, gedeeld door twee.
|
||||
|
||||
**3.** In de begrotingsjaren 2002 en 2003 wordt de differentiatie film en televisie van de opleiding beeldende kunst en vormgeving van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten voor de toepassing van dit besluit beschouwd als opleiding in de zin van artikel 3.3a, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** In de begrotingsjaren 2002 tot en met 2005 wordt de onderwijsvraag die volgens het eerste en tweede lid, dan wel volgens artikel 3.3a is vastgesteld, verhoogd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -802,32 +786,17 @@ Vervallen.
|
|||
|
||||
### Artikel 5.5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt voor de vernieuwing van de opleidingen tot leraar basisonderwijs een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag toegekend.
|
||||
|
||||
In dit artikel wordt onder «vernieuwingsproject» verstaan:
|
||||
|
||||
a. een project, gericht op de vernieuwing van de opleiding tot leraar basisonderwijs met behulp van informatie- en communicatietechnologie, of
|
||||
b. een project, gericht op de algemene vernieuwing van het gemeenschappelijk curriculum van de opleiding tot leraar basisonderwijs.
|
||||
|
||||
Vernieuwingsprojecten kunnen betrekking hebben op leerpraktijken, centra voor leertechnologie, computernetwerken, deskundigheidsbevordering van personeel, curriculumontwikkeling, algemene professionalisering en samenwerking.
|
||||
|
||||
**2.** Vernieuwingsprojecten worden vormgegeven in samenwerking tussen hogescholen waaraan een opleiding tot leraar basisonderwijs is verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het jaar 1997 wordt ten aanzien van de opleidingen tot leraar basisonderwijs het op grond van artikel 3.7, tweede lid, voor de desbetreffende opleiding vastgestelde bedrag verhoogd met een bedrag van f 1170 ten behoeve van vernieuwingsprojecten.
|
||||
|
||||
**4.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt ten aanzien van de opleidingen tot leraar basisonderwijs het op grond van artikel 3.7, tweede lid, voor de desbetreffende opleiding vastgestelde bedrag verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag ten behoeve van vernieuwingsprojecten. Bij ministeriële regeling worden regels gegeven omtrent de voorwaarden waaronder de verhoging wordt toegekend.
|
||||
|
||||
**5.** Toepassing van het vierde lid wat betreft de vernieuwingsprojecten, bedoeld in het eerste lid onder a, vindt uitsluitend plaats, indien een informatie- en communicatietechnologiebeleidsplan voor die opleiding is ingediend. In dit plan wordt rekening gehouden met de behoeften van scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan voorzieningen op het gebied van de communicatie- en informatietechnologie. Bij ministeriële regeling worden voor elke categorie vernieuwingsprojecten, bedoeld in het eerste lid, aanvullende criteria vastgesteld voor de verhoging, bedoeld in het vierde lid.
|
||||
**2.** Dit bedrag wordt verdeeld over de hogescholen evenredig met de onderwijsvraag voor de opleidingen tot leraar basisonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.6
|
||||
|
||||
**1.** Beschikkingen die Onze minister heeft genomen op basis van de Bonus-malus-regeling hoger beroepsonderwijs 1996, zoals deze gold op 31 december 2000, blijven hun geldigheid behouden.
|
||||
|
||||
**2.** Het totaal van de malus-bedragen die Onze minister int op grond van de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, wordt verdeeld over de hogescholen naar evenredigheid van het berekende exploitatiedeel, bedoeld in artikel 3.7.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.7
|
||||
|
||||
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kan Onze minister in afwijking van de op grond van artikel 3.13 berekende ruimtebehoefte extra ruimtebehoefte toekennen indien strikte toepassing van artikel 3.13 met het oog op een voldoende huisvesting als gevolg van de overgang naar de nieuwe systematiek leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -991,7 +960,58 @@ Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2004 aan het bedrag
|
|||
|
||||
**2.** Artikel 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5
|
||||
### Paragraaf 5. Afwijkingen bekostiging universiteiten vanaf 2005
|
||||
|
||||
### Artikel 5.27
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag ten behoeve van de numerus fixus van de rijksbijdrage van de onder a tot en met h genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
a. de openbare universiteit te Leiden 2,687,
|
||||
b. de openbare universiteit te Utrecht 2,651,
|
||||
c. de openbare universiteit te Groningen 4,680,
|
||||
d. de openbare universiteit te Rotterdam 4,394,
|
||||
e. de openbare universiteit te Maastricht 2,880,
|
||||
f. de openbare universiteit te Amsterdam 2,595,
|
||||
g. de bijzondere universiteit te Amsterdam 2,588, en
|
||||
h. de bijzondere universiteit te Nijmegen 2,974.
|
||||
|
||||
**2.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht 1,170 miljoen euro toegevoegd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met d genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd:
|
||||
|
||||
a. de openbare universiteit te Groningen 0,253,
|
||||
b. de openbare universiteit te Amsterdam 0,176,
|
||||
c. de bijzondere universiteit te Amsterdam 0,176, en
|
||||
d. de bijzondere universiteit te Nijmegen 0,352.
|
||||
|
||||
**4.** Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2005 aan het bedrag voor de numerus fixus klinische technologie van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Enschede een bedrag van 1,935 miljoen euro toegevoegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.28
|
||||
|
||||
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden in afwijking van artikel 2.6c de getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aangemerkt als getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, indien uit het Centraal register inschrijving blijkt
|
||||
|
||||
a. dat een student voor een ongedeelde opleiding was ingeschreven in een van de vijf studiejaren die voorafgaan aan het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, en
|
||||
b. dat aan die student in het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, en in de vijf daaraan voorafgaande studiejaren geen getuigschrift van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs of van een kandidaatsexamen in het wetenschappelijk onderwijs is uitgereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.29
|
||||
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bevat de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht, de openbare universiteit te Enschede en de openbare universiteit te Rotterdam naast de onderdelen, bedoeld in artikel 2.4, een onderdeel internationaal onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt door Onze minister in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting ten behoeve van de universiteiten de omvang vastgesteld van de landelijk voor het deel internationaal onderwijs van de rijksbijdrage van de universiteiten beschikbare middelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.30
|
||||
|
||||
Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden de bedragen voor de universiteiten, bedoeld in artikel 5.29, door Onze minister vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.31
|
||||
|
||||
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bevat de rijksbijdrage van de Open Universiteit naast de onderdelen, bedoeld in artikel 4.1, een onderdeel internationaal onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip stelt Onze minister ten behoeve van het eerstvolgende kalenderjaar voor de Open Universiteit de omvang vast van het deel internationaal onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.32
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue