diff --git a/amvb/huisvestingsbesluit/BWBR0005893/README.md b/amvb/huisvestingsbesluit/BWBR0005893/README.md index 4fee0bfe0e8..40ec96b5add 100644 --- a/amvb/huisvestingsbesluit/BWBR0005893/README.md +++ b/amvb/huisvestingsbesluit/BWBR0005893/README.md @@ -56,17 +56,17 @@ Vervallen **1.** Voorzover de aanwijzing van woonruimten krachtens artikel 5 van de wet tot gevolg heeft dat personen die een zodanige woonruimte als huurder in gebruik nemen, daartoe een huisvestingsvergunning nodig hebben, neemt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening criteria voor vergunningverlening op, die betrekking hebben op de passendheid van de verhouding tussen de persoonlijke omstandigheden van de vergunningaanvrager en degenen die tot diens huishouden behoren enerzijds en de kenmerken van de woonruimte waarvoor een huisvestingsvergunning wordt aangevraagd anderzijds. -**2.** Criteria als bedoeld in het eerste lid strekken er in elk geval toe te bewerkstelligen dat bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voor het als huurwoning in gebruik nemen van woonruimten als bedoeld in dat lid met een rekenhuur als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, die gelijk is aan of lager is dan de aftoppingsgrens, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van die wet, zo veel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die een zodanig de gezamenlijke toetsingsinkomens, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de draagkracht, bedoeld in artikel 7 van die wet genieten, dat zij een beroep kunnen doen op een huurtoeslag in de zin van artikel 1, onderdeel e, van de Wet op de huurtoeslag. +**2.** Criteria als bedoeld in het eerste lid strekken er in elk geval toe te bewerkstelligen dat bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voor het als huurwoning in gebruik nemen van woonruimten als bedoeld in dat lid met een rekenhuur als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Huursubsidiewet, die gelijk is aan of lager is dan de aftoppingsgrens, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van die wet, zo veel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die een zodanig rekeninkomen als bedoeld in artikel 3 van die wet genieten, dat zij een beroep kunnen doen op huursubsidie in de zin van artikel 1, onderdeel e, van die wet. **3.** De gemeente kan het meest recente inkomen van de woningzoekende, en de actuele vraag naar en het actuele aanbod ter plaatse van woonruimten, betrekken bij de toepassing van de criteria, bedoeld in het eerste lid. -### Paragraaf 3. Bescherming van woningzoekenden die wegens omstandigheden als genoemd in de +### Paragraaf 3. Bescherming van woningzoekenden die wegens omstandigheden als genoemd in de artikelen 1623g, 1623h, 1623i, of 1623l van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, in verband met woningruil of in de hoedanigheid van personeel in dienst van ESTEC, een huisvestingsvergunning hebben aangevraagd ### Artikel 9 Voor zover de verordening bepaalt dat bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, of artikel 12, eerste lid, van de wet, voorziet de verordening erin dat de desbetreffende bepalingen buiten toepassing blijven, indien een huisvestingsvergunning wordt aangevraagd: -a. door degene die ingevolge artikel 266, eerste lid, of 267, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek medehuurder van de betrokken woonruimte was, indien deze de huurovereenkomst voortzet krachtens artikel 266, derde lid, 267, zesde lid, of 268, eerste lid, van Boek 7 van dat wetboek; +a. door degene die ingevolge artikel 1623*g*, eerste lid, of 1623*h*, eerste lid, van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek medehuurder van de betrokken woonruimte was, indien deze de huurovereenkomst voortzet krachtens artikel 1623*g*, derde lid, 1623*h*, zesde lid, of 1623*i*, eerste lid, van Boek 7A van dat wetboek; b. met het oog op een voorgenomen ruil van woonruimte; c. door personeel als bedoeld in artikel 6, onder *b*. @@ -94,7 +94,7 @@ Andere gronden tot weigering van een splitsingsvergunning of tot aanhouding van In de verordening kan worden bepaald dat een splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien: a. het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een of meer woonruimten bevat die verhuurd worden of die laatstelijk verhuurd zijn geweest, -b. de huurprijs van een of meer van die woonruimten een door de gemeenteraad in de verordening vast te stellen bedrag van ten hoogste een twaalfde deel van het bedrag, op het tijdstip van de vaststelling genoemd in artikel 16, eerste volzin, van de Wet individuele huursubsidie, dan wel het bedrag op het tijdstip van de vaststelling genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Huursubsidiewet dan wel de Wet op de huurtoeslag, niet te boven gaat, +b. de huurprijs van een of meer van die woonruimten een door de gemeenteraad in de verordening vast te stellen bedrag van ten hoogste een twaalfde deel van het bedrag, op het tijdstip van de vaststelling genoemd in artikel 16, eerste volzin, van de Wet individuele huursubsidie, dan wel het bedrag op het tijdstip van de vaststelling genoemd in artikel 13, eerste lid, onder *a*, van de Huursubsidiewet, niet te boven gaat, c. niet gewaarborgd is, dat die woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd blijven voor verhuur ter bewoning, en d. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad binnen de gemeente als geheel dan wel een deel daarvan, voor zover die woonruimtevoorraad voor verhuur is bestemd. @@ -102,7 +102,7 @@ d. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, kan in de verordening tevens worden bepaald dat een splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien: -a. het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, voor zover het geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 dan wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening, of met enig wettelijk voorschrift geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik is genomen, +a. het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, voor zover het geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, of met enig wettelijk voorschrift geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in gebruik is genomen, b. de huurprijs van een of meer der voormalige woonruimten lager is dan het krachtens het eerste lid, onder *b*, vastgestelde bedrag, c. niet gewaarborgd is, dat de voormalige woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur ter bewoning, en d. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad binnen de gemeente als geheel dan wel een deel daarvan, voor zover die woonruimtevoorraad voor verhuur is bestemd. @@ -115,21 +115,21 @@ d. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen In de verordening kan worden bepaald dat een splitsingsvergunning kan worden geweigerd, indien: -a. voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is, dan wel een ontwerp voor zodanig plan of voor een herziening daarvan in procedure is, -b. het ontwerp voor dat plan, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag om vergunning is ingediend, dan wel, indien de aanvraag krachtens het tweede lid is aangehouden, voordat die aanhouding is geëindigd, -c. de voorgenomen splitsing nadelige gevolgen kan hebben voor de met het plan nagestreefde of na te streven doeleinden, en -d. het belang dat de vergunningsaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de modernisering of vervanging. +a. voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing of een leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9 van die wet van kracht is, dan wel een ontwerp voor zodanig plan of een zodanige verordening of voor een herziening daarvan in procedure is, +b. het ontwerp voor dat plan of voor die verordening, dan wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag om vergunning is ingediend, dan wel, indien de aanvraag krachtens het tweede lid is aangehouden, voordat die aanhouding is geëindigd, +c. de voorgenomen splitsing nadelige gevolgen kan hebben voor de met het plan of de verordening nagestreefde of na te streven doeleinden, en +d. het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing. **2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, kan in de verordening tevens worden bepaald dat de beslissing op de aanvraag om een splitsingsvergunning wordt aangehouden, indien: -a. voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is met het oog op de voorbereiding van een stadsvernieuwingsplan of van een herziening daarvan, +a. voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht is met het oog op de voorbereiding van een stadsvernieuwingsplan of van een herziening daarvan, b. dat besluit is genomen voordat de aanvraag om vergunning werd ingediend, c. redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen nadelig kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen splitsing, en d. redelijkerwijs verwacht mag worden dat het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de stadsvernieuwing. -**3.** Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het tweede lid, wordt daarbij tevens bepaald dat de aanhouding niet langer duurt dan tot het tijdstip waarop het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen. +**3.** Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het tweede lid, wordt daarbij tevens bepaald dat de aanhouding niet langer duurt dan tot het tijdstip waarop het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vervallen. ### Paragraaf 4. Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning of tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om een vergunning, betrekking hebbend op het voorkomen van splitsing, indien de toestand van een gebouw uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud zich geheel of ten dele tegen splitsing verzet