2014-06-03 | BWBR0035203 | Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, lijfrente in de winstsfeer, verzamelbesluit

This commit is contained in:
Coornhert 2014-06-03 12:00:00 +00:00
parent 76a5e89cb9
commit e9f25e4693

View file

@ -13,68 +13,11 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, lijfrente in de winstsf
## 1. Inleiding
Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28 december 2004, nr. CPP2004/633M. De onderdelen 2 tot en met 7 betreffen aspecten van het regime onder de Wet IB 2001. Onderdeel 8 gaat in op lijfrenten die zijn bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve onder de regeling zoals die luidde tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2001. Onderdeel 9 behandelt enige aspecten van lijfrenten die zijn bedongen vóór 1 januari 1992.
De volgende onderdelen in dit besluit zijn nieuw (onderdelen 3.2.1., 3.2.2. en 9.6.5.), gewijzigd (onderdelen 3.1., 8., 9.1., 9.2. en 9.6.4.) of verduidelijkt (onderdelen 3.2., 6.3. en 6.6.) opgenomen:
Onderdeel 3.1. (Door)overdracht van de onderneming
Onderdeel 3.2. Overdracht van de lijfrenteverplichting
Onderdeel 3.2.1. Juridische splitsing (lijfrenten vanaf 2001)
Onderdeel 3.2.2. Juridische fusie (lijfrenten vanaf 2001)
Onderdeel 6.3. Stakingswinst exclusief de stakingsaftrek/MKB-winstvrijstelling
Onderdeel 6.6. Staking en meer dan één lijfrenteovereenkomst
Onderdeel 8. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve bedongen van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001: omzetting en overdracht
Onderdeel 9.1. Overdracht van een stamrecht aan een andere verzekeraar
Onderdeel 9.2. Juridische splitsing en fusie (stamrechten)
Onderdeel 9.6.4. Stamrecht. Uitstel ingangsdatum van 65 naar AOW-leeftijd plus 5
Onderdeel 9.6.5. Sanctie artikel 23a (oud) Wet Vpb, artikel 59a (oud) Wet IB 1964 en dubbele heffing
Verder zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd ten opzichte van de hiervoor genoemde besluiten.
Tenzij anders is aangegeven, zijn de in dit besluit opgenomen goedkeuringen gebaseerd op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule). Dit besluit is van overeenkomstige toepassing op gevallen waarin wordt gekozen voor een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet IB 2001, in plaats van een lijfrenteverzekering.
De volgende onderdelen van het besluit CPP2004/633M zijn aan te merken als helpdeskvraag, hebben een voorlichtend karakter of hebben door tijdsverloop het belang verloren en zijn zodoende niet in dit besluit opgenomen:
Onderdeel 2.3.4.b.
Onderdeel 3.2.4.
Onderdeel 5.1.6.
Onderdeel 5.1.7.
Onderdeel 5.1.8.
Onderdeel 5.1.10.
Onderdeel 7.2.1.
Onderdeel 7.2.2.
Onderdeel 7.5.5.
Waar in dit besluit sprake is van verzoeken die aan mij kunnen worden voorgelegd, kan men deze sturen naar:
Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen,
Postbus 20201,
2500 EE Den Haag
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
- *Andere-verzekeraarsanctie:* De sanctie van artikel 3.133, tweede lid onderdeel i, van de Wet IB 2001
- *AOW-leeftijd:* De pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
- *Artikel 19-stamrecht:* Stamrecht bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964
- *Artikel 44j-stamrecht:* Stamrecht bedongen met toepassing van artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964
- *AWR:*
Algemene wet inzake rijksbelastingen
- *Bv:* Besloten vennootschap
- *IB 64-sanctie:* De sanctie van artikel 59a (oud) van de Wet IB 1964
- *Invoeringswet:*
Invoeringswet Wet IB 2001
- *Omzetting oudedagsreserve:* De omzetting van een oudedagsreserve in een lijfrente op de voet van artikel 3.128 van de Wet IB 2001
- *Omzetting stakingswinst:* De omzetting van stakingswinst in een lijfrente op de voet van artikel 3.129 van de Wet IB 2001
- *Verzekeraar-overnemer:* De verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, 2°, van de Wet IB 2001
- *Vof:* Vennootschap onder firma
- *Vpb-sanctie:* De sanctie van artikel 23a (oud) van de Wet Vpb
- *Wet IB 1964:* Wet op de inkomstenbelasting 1964
- *Wet Vpb:*
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
- *Wet VPL:*
Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, Stb. 2005, 115
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## 2. Lijfrente bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; staking na AOW-leeftijd plus vijf; (tijdelijke) oudedagslijfrente
@ -126,60 +69,41 @@ Het staat belanghebbenden vrij situaties die niet overeenkomen met de hiervoor o
### 3.2. Overdracht van de lijfrenteverplichting
Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden onder andere in aanmerking genomen indien een lijfrenteverplichting geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, onderdeel b, of onderdeel d, Wet IB 2001 (andere-verzekeraarsanctie). Het moet dan gaan om de overgang van een lijfrenteverplichting als bedoeld in artikel 3.124 Wet IB 2001 waarvan de premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn gekomen.
Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden onder andere in aanmerking genomen indien een lijfrenteverplichting geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderdeel b, of onderdeel d, van de Wet IB 2001 (andere-verzekeraarsanctie). Het moet dan gaan om de overgang van een lijfrenteverplichting als bedoeld in artikel 3.124 van de Wet IB 2001 waarvan de premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn gekomen.
De wet geeft de Minister de bevoegdheid onder door hem te stellen voorwaarden te bepalen dat geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming van een verzekeraar-overnemer of een verzekeraar-voortzetter als bedoeld in artikel 3.131, tweede lid, Wet IB 2001 (artikel 3.134, zesde lid, Wet IB 2001). Gedacht kan dan worden aan de situatie waarin een natuurlijke persoon een onderneming overneemt waarbij de overdrager als tegenprestatie, onder meer, een lijfrente heeft bedongen. Vervolgens draagt de overnemende ondernemer de verkregen onderneming inclusief de lijfrenteverplichting over aan een door hem opgerichte bv.
De wet geeft de Minister de bevoegdheid onder door hem te stellen voorwaarden te bepalen dat geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming van een verzekeraar-overnemer of een verzekeraar-voortzetter als bedoeld in artikel 3.131, tweede lid, van de Wet IB 2001 (artikel 3.134, zesde lid, van de Wet IB 2001). Gedacht kan dan worden aan de situatie waarin een natuurlijke persoon een onderneming overneemt waarbij de overdrager als tegenprestatie, onder meer, een lijfrente heeft bedongen. Vervolgens draagt de overnemende ondernemer de verkregen onderneming inclusief de lijfrenteverplichting over aan een door hem opgerichte bv.
Verzoeken om toepassing van deze ontheffing kunnen worden voorgelegd aan de inspecteur. De inspecteur is gemachtigd onder de hierna genoemde voorwaarden ter zake van de overdracht van de lijfrenteverplichting de andere-verzekeraarsanctie achterwege te laten.
Hierna stel ik de voorwaarden vast waaronder de overdracht van de lijfrenteverplichting aan de overnemer van de onderneming kan plaatsvinden zonder toepassing van de andere-verzekeraarsanctie.
a) De overdracht van de lijfrenteverplichting vindt plaats op zakelijke basis, zulks ter beoordeling van de inspecteur.
b) De (soort) lijfrente ondergaat geen wijziging behoudens een gelijktijdige wijziging in een andere lijfrente als genoemd in artikel 3.125 Wet IB 2001.
c) De overdracht van het geheel van de lijfrenteverplichting vindt plaats in het kader van, dat wil zeggen samen met, de overdracht door de verzekeraar van zijn gehele onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001. Bij de toepassing van de vorige volzin geldt ook als onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 het aandelenbezit in een vennootschap die een onderneming drijft in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001, mits dit aandelenbezit ten minste 50% van de statutaire stemrechten in de vennootschap vertegenwoordigt en in alle gevallen recht geeft op ten minste 50% van de winst en ten minste 50% van het vermogen van die vennootschap.
d) De overnemer van de onderneming verklaart schriftelijk binnen twee maanden na de overdracht tegenover de inspecteur ermee akkoord te gaan te worden beschouwd als de verzekeraar in de zin van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, Wet IB 2001.
e) De overnemer van de onderneming voldoet aan de overige eisen van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wet IB 2001.
b) De (soort) lijfrente ondergaat geen wijziging behoudens een gelijktijdige wijziging in een andere lijfrente als genoemd in artikel 3.125 van de Wet IB 2001.
c) De overdracht van het geheel van de lijfrenteverplichting vindt plaats in het kader van, dat wil zeggen samen met, de overdracht van de gehele onderneming in de zin van artikel 3.2 van de Wet IB 2001.
d) De overnemer van de onderneming verklaart schriftelijk binnen twee maanden na de overdracht tegenover de inspecteur ermee akkoord te gaan te worden beschouwd als de verzekeraar in de zin van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet IB 2001.
e) De overnemer van de onderneming voldoet aan de overige eisen van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet IB 2001.
Uit de hiervoor genoemde voorwaarden blijkt dat ik van mening ben dat de wetgever de mogelijkheid tot ontheffing van de andere-verzekeraarsanctie heeft bedoeld te verlenen als de overdracht van de gehele onderneming van de verzekeraar plaatsvindt, dus inclusief het geheel van de lijfrenteverplichting. Een overdracht van een lijfrenteverplichting kwalificeert daarom niet in het geval alleen de lijfrenteverplichting wordt overgedragen aan een andere bv, bijvoorbeeld aan een pensioen-bv waarvan de gerechtigde aandeelhouder is. Bij een overdracht van een lijfrenteverplichting van een dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij omdat er tegenover de lijfrenteverplichting geen materiële onderneming meer in de dochtermaatschappij aanwezig is, geldt de goedkeuring om dezelfde reden evenmin.
Verzoeken om toepassing van deze goedkeuring kunnen worden voorgelegd aan de inspecteur. De inspecteur is gemachtigd onder de hiervoor genoemde voorwaarden ter zake van de overdracht van de lijfrenteverplichting de andere-verzekeraarsanctie achterwege te laten.
Er doen zich echter situaties voor die zodanig verwant zijn met waar de wetgever het oog op had, dat ontheffing ook daar als passend moet worden beschouwd. Zo ben ik ook bereid om te bezien of goedkeuring mogelijk is in situaties waarin slechts een enkel vermogensbestanddeel niet mee overgaat naar de nieuwe verzekeraar, omdat dit geen functie meer vervult in de onderneming: bijvoorbeeld een beleggingspand. Ook ben ik bereid om te bezien of en zo ja, onder welke voorwaarden, overdrachten zonder sanctie kunnen plaatsvinden in situaties waarbij het totaal van de lijfrenteverplichting(en) niet in zijn geheel wordt overgedragen aan dezelfde bv of natuurlijke persoon. Uitgangspunt daarbij is dat elke overdracht van een deel van de lijfrenteverplichting(en) vergezeld gaat van een evenredig deel van de onderneming (zie ook onderdeel 3.2.1. en 3.2.2.).
Uit de hiervoor genoemde voorwaarden blijkt dat ik van mening ben dat de wetgever slechts de mogelijkheid tot ontheffing van de andere-verzekeraarsanctie bedoelt te verlenen in geval de overdracht van de gehele onderneming van de verzekeraar plaatsvindt, dus inclusief het geheel van de lijfrenteverplichting. Een overdracht van een lijfrenteverplichting kwalificeert daarom niet in het geval alleen de lijfrenteverplichting wordt overgedragen aan een andere bv, bijvoorbeeld aan een pensioen-bv waarvan de gerechtigde aandeelhouder is. Bij een overdracht van een lijfrenteverplichting van een dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij omdat er tegenover de lijfrenteverplichting geen materiële onderneming meer in de dochtermaatschappij aanwezig is, geldt de goedkeuring om dezelfde reden evenmin.
In deze situaties of in andere gevallen die niet worden bestreken door de toestemming die hierboven de inspecteur is verleend, stuurt de inspecteur een verzoek om ontheffing, met een toelichting op de reden van doorzending, ter behandeling door naar Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Brieven en Beleidsbesluiten/VPB-Winst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Ik ben echter bereid om situaties te bezien waarin slechts een enkel vermogensbestanddeel dat geen functie meer vervult in de onderneming, niet mee overgaat naar de nieuwe verzekeraar. Een voorbeeld hiervan is een beleggingspand.
Tevens ben ik bereid om te bezien of en zo ja, onder welke voorwaarden overdrachten zonder sanctie kunnen plaatsvinden in situaties waarbij het totaal van de lijfrenteverplichting(en) niet in zijn geheel wordt overgedragen aan dezelfde bv of natuurlijke persoon. Uitgangspunt daarbij is dat elke overdracht van een deel van de lijfrenteverplichting(en) vergezeld gaat van een evenredig deel van de onderneming (zie ook onderdeel 3.2.1. en 3.2.2.).
Bovenstaande verzoeken kunnen aan mij worden voorgelegd.
#### 3.2.1. Juridische splitsing
In het kader van een juridische splitsing gaat het vermogen over onder algemene titel en is er voor de betrokken rechtsperso(o)n(en) en natuurlijke perso(o)n(en) een fiscale begeleiding mogelijk. Voor zover vermogensbestanddelen overgaan naar de verkrijgende rechtsperso(o)n(en) wordt de splitsende rechtspersoon geacht deze te hebben overgedragen (artikel 14a, eerste lid, onderdeel a, Wet Vpb). De natuurlijke perso(o)n(en)/aandeelhouder(s) word(t)(en) geacht zijn (hun) tot het ondernemingsvermogen behorende aandelen in of zijn (hun) schuldvorderingen op de splitsende rechtspersoon te hebben vervreemd (artikel 3.56, eerste lid, Wet IB 2001). Voor de toepassing van de inkomstenbelasting is er mijns inziens sprake van een andere verzekeraar, waardoor in beginsel de andere-verzekeraarsanctie in werking treedt. Deze sanctie blijft onder te stellen voorwaarden achterwege indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming (artikel 3.134, zesde lid, Wet IB 2001). Ik beoordeel dit vereiste verband naar de toestand ten tijde van het civielrechtelijk van kracht worden van de splitsing (zie artikel 2:334n, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De eventuele terugwerking van de splitsing voor de fiscale winstbepaling acht ik hierbij niet van belang. Deze terugwerking is een goedkeurende afwijking van het daadwerkelijke splitsingstijdstip (in de regel het tijdstip waarop de splitsing civielrechtelijk van kracht wordt).
In het kader van een juridische splitsing gaat het vermogen over onder algemene titel en is er voor de betrokken rechtsperso(o)n(en) en natuurlijke perso(o)n(en) een fiscale begeleiding mogelijk. Voor zover vermogensbestanddelen overgaan naar de verkrijgende rechtsperso(o)n(en) wordt de splitsende rechtspersoon geacht deze te hebben overgedragen (artikel 14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Vpb). De natuurlijke perso(o)n(en)/aandeelhouder(s) word(t)(en)) geacht zijn (hun) tot het ondernemingsvermogen behorende aandelen in of zijn (hun) schuldvorderingen op de splitsende rechtspersoon te hebben vervreemd (artikel 3.56, eerste lid, Wet IB 2001). Voor de toepassing van de inkomstenbelasting is er mijns inziens sprake van een andere verzekeraar, waardoor in beginsel de andere-verzekeraarsanctie in werking treedt. Deze sanctie blijft onder te stellen voorwaarden achterwege indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming (artikel 3.134, zesde lid, van de Wet IB 2001).
Bij de beoordeling of een lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van een onderneming wordt de achtergrond, het karakter van de overgang getoetst. Een dergelijke achtergrondtoets weegt naar zijn aard alleen de daadwerkelijke feiten en omstandigheden en gaat naar zijn aard voorbij aan een zuiver fictieve omstandigheid zoals de terugwerking.
Als bij de splitsing wordt voldaan aan alle voorwaarden genoemd in onderdeel 3.2. kan de inspecteur een verzoek om goedkeuring zelf afdoen, krachtens onderdeel 3.2.
De toestemming van onderdeel 3.2. geldt niet als de lijfrenteverplichting(en) van de splitsende rechtspersoon overgaan naar verschillende verkrijgende rechtspersonen. Met name wordt dan niet voldaan aan de eis dat kort gezegd de gehele verplichting overgaat tezamen met de gehele onderneming (voorwaarde c van onderdeel 3.2).
Niettemin acht ik goedkeuring dan toch passend in de situatie dat:
1. de splitsende rechtspersoon een onderneming drijft in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001; en
2. de splitsing van de lijfrenteverplichting(en) plaatsvindt in gelijke verhouding als de splitsing van de onderneming.
Vooral omdat in die situatie de band tussen onderneming en verplichting naar evenredigheid behouden blijft. Hierbij beschouw ik ook als onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 van de splitsende rechtspersoon het aandelenbezit in een vennootschap die een dergelijke onderneming drijft, mits dit aandelenbezit ten minste 50% van de statutaire stemrechten in de vennootschap vertegenwoordigt en in alle gevallen recht geeft op ten minste 50% van de winst en ten minste 50% van het vermogen van die vennootschap.
Ik verleen de inspecteur toestemming ook in de hiervoor bedoelde situatie ontheffing te verlenen van de andere-verzekeraarsanctie, met overeenkomstige toepassing van de voorwaarden genoemd in onderdeel 3.2. Bij de beoordeling van de evenredige verdeling van lijfrenteverplichting en onderneming in de zin van het hiervoor onder 2 vermelde vereiste, blijft buiten aanmerking dat deel van de lijfrenteverplichting dat binnen een door de inspecteur te bepalen redelijke termijn na de splitsing wordt overgedragen aan een professionele verzekeraar (een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, Wet IB 2001).
Ter illustratie van de evenredige verdeling bedoeld in de vorige volzin geef ik het volgende voorbeeld.
BV X wordt zuiver gesplitst. De aandeelhouders A en B, met ieder een belang van 50% in BV X, krijgen elk een eigen BV, respectievelijk A BV en B BV. Omdat BV X lijfrenteverplichtingen heeft tegenover A en B, leidt de splitsing tot de andere-verzekeraarsanctie. Men verzoekt om ontheffing. De vereiste onderneming is aanwezig en wordt over BV A en BV B gelijk verdeeld, waarbij iedere bv een ondernemingstak krijgt met een waarde in het economische verkeer van 500. De lijfrenteverplichtingen zijn echter in waarde ongelijk. De lijfrenteverplichting jegens A heeft een waarde in het economische verkeer van 100, die jegens B heeft een waarde van 50. Men wil de lijfrenteverplichting jegens A naar A BV laten gaan en de lijfrenteverplichting jegens B naar B BV. De inspecteur wijst dit af, want deze ongelijke verdeling (100:50) is niet evenredig aan de verdeling van de onderneming (500:500). Om toch ontheffing te krijgen, zullen de lijfrenteverplichtingen ook gelijk verdeeld moeten worden. Alleen dan blijft de verhouding tussen onderneming en lijfrenteverplichting (relatief) ongewijzigd. Een oplossing kan worden gevonden door de lijfrenteverplichting tegenover A ad 100 voor 50 af te storten bij een professionele verzekeraar, zodat gelijke waarden ontstaan (50:50). Een alternatieve oplossing is natuurlijk ook dat wordt aanvaard dat de lijfrenteverplichting jegens A toch gedeeltelijk, namelijk voor 25, overgaat naar B BV, zodat de lijfrenteverplichtingen net als de onderneming gelijk worden verdeeld (75:75). Aanpassing van de verdeling van de onderneming, zodat deze aansluit bij de (100/50) verdeling van de lijfrenteverplichting, is tot slot ook een manier om te voldoen aan de vereiste evenredige verdeling.
Verzoeken waarbij niet wordt voldaan aan de hiervoor vermelde voorwaarden worden door de inspecteur met een toelichting op de reden van doorzending ter behandeling doorgestuurd naar Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Brieven en Beleidsbesluiten/VPB-Winst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Voor de duidelijkheid vermeld ik over de verdere afhandeling van door de inspecteur doorgezonden verzoeken dat ik daarbij in ieder geval vasthoud aan het hierboven al vermelde principe: dat ontheffing alleen wordt verleend als een (in)directe band tussen de lijfrenteverplichting(en) en de onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 in stand blijft. Verder moet de verdeling van de lijfrenteverplichting(en) de verdeling van de gerechtigdheid tot de winst en het vermogen van genoemde onderneming op het tijdstip direct voorafgaand aan de splitsing weerspiegelen. Ter illustratie van dit principe verwijs ik naar het hierboven gegeven voorbeeld.
Ik ben bereid onder voorwaarden goed te keuren dat de sanctie niet in werking treedt. Als voorwaarde geldt in ieder geval dat een (in)directe band tussen de lijfrenteverplichting(en) en de onderneming in de zin van artikel 3.2 van de Wet IB 2001 in stand blijft. Verder moet de verdeling van de lijfrenteverplichting(en) de verdeling van de gerechtigdheid tot de winst en het vermogen van genoemde onderneming op het tijdstip direct voorafgaand aan de splitsing weerspiegelen. De inspecteur wordt verzocht verzoeken hiertoe naar mij door te zenden.
#### 3.2.2. Juridische fusie
Bij overgang van de lijfrenteverplichting in het kader van een juridische fusie is analoog aan de situatie bij splitsing in beginsel de andere-verzekeraarsanctie van toepassing. Juridische fusies waarbij wordt voldaan aan de voorwaarden van onderdeel 3.2. vallen onder de werking van dat onderdeel.
Bij een juridische fusie geldt in beginsel eenzelfde redenering als hiervoor weergegeven voor de juridische splitsing. Bij een juridische fusie heeft men echter veelal de keus om hetzij de bv met de lijfrenteverplichting(en) te laten optreden als verkrijgende rechtspersoon hetzij als verdwijnende rechtspersoon.
Aanvullende goedkeuring acht ik passend als de verdwijnende rechtspersoon geen onderneming drijft in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001, maar de verkrijgende rechtspersoon wel een dergelijke onderneming drijft. Dit vanwege het bijzondere karakter van een juridische fusie en de omstandigheid dat bij een juridische fusie men veelal de keus heeft om de bv met de lijfrenteverplichting(en) te laten optreden als hetzij de verkrijgende rechtspersoon hetzij de verdwijnende rechtspersoon.
Eventuele goedkeuring
Ik verleen de inspecteur toestemming ook in dergelijke situaties ontheffing van de andere-verzekeraarsanctie te verlenen, onder (overeenkomstige) toepassing van de in onderdeel 3.2. vermelde voorwaarden.
Verzoeken waarbij niet wordt voldaan aan de hiervoor vermelde voorwaarden worden door de inspecteur met een toelichting op de reden voor doorzending ter behandeling doorgestuurd naar Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Brieven en Beleidsbesluiten/VPB-Winst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Net als bij de juridische splitsing (zie onderdeel 3.2.1.) zullen in dit geval de voorwaarden (mede) zijn gericht op een bestendige band dan wel het tot stand brengen van een band tussen de lijfrenteverplichting(en) en de onderneming(en) in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001.
In deze situatie ben ik onder omstandigheden eveneens bereid goed te keuren dat de andere-verzekeraarsanctie niet in werking treedt. Net als bij de juridische splitsing (zie onderdeel 3.2.1.) zullen in dit geval de voorwaarden (mede) zijn gericht op een bestendige band dan wel het tot stand brengen van een band tussen de lijfrenteverplichting(en) en de onderneming(en) in de zin van artikel 3.2 van de Wet IB 2001. De inspecteur wordt verzocht verzoeken hiertoe naar mij door te zenden.
### 3.3. Overige
@ -199,15 +123,7 @@ Ik keur echter goed dat in deze situatie vader voor de stakingswinst ter zake va
#### 3.3.3. Verzekeraar; onderneming direct door middel van lease ter beschikking stellen aan een derde
Een ondernemer die zijn onderneming overdraagt aan een nieuw opgerichte bv terwijl de bv de onderneming door middel van lease ter beschikking gaat stellen aan een derde kan bij die bv geen lijfrente bedingen als tegenprestatie.
Indien sprake is van financial lease, kan dit feitelijk worden aangemerkt als directe (door)verkoop van de onderneming. Indien het voornemen daartoe al bestond ten tijde van het bedingen van de lijfrente, kwalificeert de bv niet als verzekeraar-overnemer in de zin van artikel 3.126 van de Wet IB 2001.
Indien sprake is van *operational* lease, kan worden gesteld dat in principe sprake is van een met verhuur overeenkomende wijze van ter beschikking stellen van de vermogensbestanddelen. Vereist is dat de verzekeraar een onderneming in materiële zin overneemt om te kwalificeren als verzekeraar-overnemer. Zie namelijk de eis gesteld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. In deze situatie wordt door de bv echter geen onderneming in materiële zin overgenomen (Hoge Raad 20 februari 2004, nr. 38168; gewezen inzake artikel 18 van de Wet IB 1964). Het voorgaande geldt niet indien de verhuurder van de onderneming wel als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 wordt aangemerkt (zie Hof Arnhem 22 oktober 2008, nr. 07/00340). In dat geval neemt de verzekeraar namelijk wel een onderneming in eerder genoemde zin over.
Dat een bv wordt geacht met het hele vermogen een onderneming te drijven (de fictie van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Vpb) doet daar niet aan af. Genoemde fictie veronderstelt weliswaar dat de bv in formele zin steeds een onderneming uitoefent, maar er is geen reden die bepaling door te laten werken naar artikel 3.126 van de Wet IB 2001.
Bovenstaand standpunt neem ik tevens in indien de overdrager de onderneming vóór de inbreng in de bv nog niet verhuurde maar ten tijde van het bedingen van de lijfrente de overnemer dit voornemen wel had.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## 4. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve vanaf 1 januari 2001; termijnen
@ -350,35 +266,13 @@ Zie het besluit van 13 juni 2012, BLKB2012/283M, onderdeel 4.5.1.
## 8. Lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve bedongen van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001: omzetting en overdracht
Dit onderdeel betreft lijfrenten bedongen voor de stakingswinst en de oudedagsreserve met toepassing van de regelingen zoals deze luidden van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001 (artikel 45a, vierde en vijfde lid, van de Wet IB 1964). Het regime van de Wet IB 2001W is van toepassing op deze lijfrenten (onderdeel T van de Invoeringswet). Dit betekent dat bij de omzetting van deze lijfrenten de wettelijke regels van dit regime gelden.
De overdracht van deze lijfrenteverplichtingen is, gelet op hiervoor genoemd onderdeel van de Invoeringswet, onder voorwaarden mogelijk zonder sanctie. Zie hiervoor onderdeel 3.2.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
## 9. Stamrechten bedongen vóór 1 januari 1992 (artikel 19 en 44j-Wet IB 1964)
### 9.1. Overdracht van een stamrecht aan een andere verzekeraar
Bij het niet-nakomen van de voorwaarden die zijn gesteld voor toepassing van de stamrechtvrijstelling in artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964 en voor de onbelaste afneming van de oudedagsreserve bij het bedingen van een stamrecht in artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964, was een sanctiebepaling van toepassing (IB 64-sanctie en Vpb-sanctie). Met ingang van 1 januari 1992 zijn artikel 19 (oud) en artikel 44j, derde lid (oud), van de Wet IB 1964 vervallen. Voor rechten op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop één van deze bepalingen is toegepast, bleven deze artikelen en tevens de met ingang van die datum vervallen IB 64-sanctie van toepassing (artikel 80b van de Wet IB 1964). Er is een overgangsbepaling opgenomen voor de heffing van inkomstenbelasting, zodat ook onder de Wet IB 2001 de sanctiebepaling van kracht blijft (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet).
Deze sanctiebepalingen treden onder meer in werking wanneer degene van wie het stamrecht is bedongen, de stamrechtverplichting overdraagt aan een derde. De overdrager voldoet dan namelijk niet langer aan de voorwaarde dat hij de verplichting tot het doen van uitkeringen geheel rekent tot zijn ondernemingsvermogen (artikel 59a (oud), eerste lid, van de Wet IB 1964 en artikel 23a (oud), eerste lid, Wet Vpb).
Regelmatig bereiken mij verzoeken om bovengenoemde sanctiebepalingen achterwege te laten, indien de door een natuurlijke persoon of een bv aangegane stamrechtverplichting geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen aan een (andere) bv. Hiertoe ben ik bevoegd op grond van het tweede lid van artikel 59a (oud) van de Wet IB 1964 en het tweede lid van artikel 23a (oud) Wet Vpb.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat de mij hier verleende ontheffingsbevoegdheid door de wetgever niet beperkt wordt tot situaties waarin kort gezegd de overdracht van de verplichting door de verzekeraar plaatsvindt in verband met de overdracht van zijn onderneming. Mijn ontheffingsbevoegdheid is hier dan ook uitdrukkelijk ruimer dan die mij is verleend in artikel 3.134, zesde lid, Wet IB 2001 voor kort gezegd stamrechten van na 1992 (hierboven beschreven in onderdeel 3.2).
Ik machtig de betrokken inspecteurs verzoeken in hiervoor vermelde situaties in te willigen, indien de overnemer de verplichting, voor zover deze bij hem is ondergebracht, rekent tot het vermogen van zijn binnen Nederland gedreven onderneming of van het binnen Nederland gedreven gedeelte van zijn onderneming.
De onderhavige machtiging geldt niet voor gevallen van overdracht van een stamrechtverplichting aan een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 Wet Vpb.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
a. De overdracht van de stamrechtverplichting vindt plaats op zakelijke basis, dit ter beoordeling van de inspecteur.
b. In de stamrechtverplichting als zodanig wordt bij de gehele of gedeeltelijke overdracht geen enkele wijziging aangebracht, behalve voor zover bij gelegenheid van een overdracht van een verplichting inzake een gerichte lijfrente aan een verzekeraar, die gerichte lijfrente op grond van de oorspronkelijke stamrechtovereenkomst wordt omgezet in een recht op een al dan niet direct ingaande lijfrente. Onder een gerichte lijfrente is daarbij te verstaan een lijfrenteverzekering waarbij de kring van gerechtigden is bepaald doch de grootte van de (nog niet ingegane) uitkeringen nog niet vaststaat. Een omzetting als bedoeld in onderdeel 9.3. van dit besluit is eveneens toegestaan.
c. De overnemende partij verklaart schriftelijk tegenover de inspecteur onder wie de overdragende partij ressorteert, ermee akkoord te gaan voor de toepassing van artikel 23a (oud) Wet Vpb juncto het vervallen artikel 19, derde lid, onderdeel d, van de Wet IB 1964 te worden beschouwd als degene van wie het desbetreffende stamrecht is bedongen voor zover de stamrechtverplichting bij haar is ondergebracht. Dit binnen een door de inspecteur te stellen termijn.
Voor de overige gevallen van overdracht van een stamrechtverplichting dienen belanghebbenden een eventueel verzoek om de heffing van belasting achterwege te laten, te richten aan Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen, Brieven en Beleidsbesluiten/VPB-Winst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Voor de duidelijkheid merk ik tot slot van dit onderdeel op dat de beschreven werkwijze meebrengt dat ook situaties waarin de overdracht van de verplichting geen onderdeel is van kort gezegd- de overdracht van een onderneming, door de inspecteur kunnen worden afgedaan (mits wordt voldaan aan de boven beschreven voorwaarden voor afdoening door de inspecteur). En dat dus anders dan voorheen dergelijke situaties niet voor nadere beoordeling en afdoening naar mij hoeven te worden doorgestuurd.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### 9.2. Juridische splitsing en juridische fusie
@ -388,96 +282,25 @@ Ook hier ben ik bereid in voorkomende gevallen te bezien of in afwijking van het
### 9.3. Omzetting van een artikel 19- of artikel 44j-stamrecht
Voor de sanctiebepalingen die van kracht zijn verwijs ik allereerst naar de eerste alinea van onderdeel 9.1 van dit besluit. In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet is een overgangsbepaling opgenomen over bestaande rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Deze houdt in dat onder bepaalde voorwaarden de regels voor het bepalen van het inkomen die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet IB 1964, van toepassing blijven voor zover het recht tot stand is gekomen op grond van premies die zijn betaald vóór 1 januari 2001.
De Vpb-sanctie zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991, is nog van toepassing ter zake van artikel 19- of artikel 44j-stamrechten (artikel 33a van de Wet Vpb).
De voorwaarden van artikel 19 (oud) en 44j (oud) van de Wet IB 1964 brengen mee dat een stamrecht in principe levenslang moet uitkeren, hetgeen inhoudt dat de termijnen slechts mogen eindigen bij overlijden van de gerechtigde (behoudens voor zover ze toekomen aan kinderen van de gerechtigde). Vanaf 1 januari 1992 is aftrek van het inkomen mogelijk voor premies inzake zogenoemde tijdelijke lijfrenten. Deze mogelijkheid is tot 1 januari 2006 in de Wet IB 2001 gehandhaafd.
Ongeacht de van toepassing zijnde regels voor de bepaling van het inkomen uit dergelijke stamrechten, keur ik goed dat een omzetting van een dergelijk stamrecht fiscaal geruisloos kan plaatsvinden, mits het gaat om een omzetting in een lijfrente die is opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 3.125 van de Wet IB 2001. De omzetting kan alleen fiscaal geruisloos plaatsvinden indien een (vergelijkbare) omzetting van een met toepassing van artikel 3.128 of 3.129 van de Wet IB 2001 bedongen lijfrente eveneens geruisloos zou kunnen plaatsvinden. Een omzetting van een al ingegane levenslange nabestaandenlijfrente in een uitgestelde (al dan niet tijdelijke) oudedagslijfrente is dus bijvoorbeeld niet toegestaan.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
a. De nieuwe lijfrente wordt aangemerkt als een artikel 19-stamrecht dan wel artikel 44j-stamrecht. De verzekeraar waar de nieuwe lijfrente is verzekerd, verklaart ermee akkoord te gaan te worden beschouwd als degene van wie het desbetreffende stamrecht is bedongen voor de toepassing van artikel 23a (oud) van de Wet Vpb dan wel artikel 59a (oud) van de Wet IB 1964.
b. De periodieke uitkeringen uit het nieuwe recht worden met toepassing van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet integraal aangemerkt als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.100 dan wel artikel 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001.
c. De nieuwe lijfrente voldoet aan de eisen van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel a, b of c van de Wet IB 2001.
d. Ter zake van de omzetting wordt geen aftrek op het inkomen toegepast.
e. De belastingplichtige verklaart zich binnen een door de inspecteur te stellen termijn akkoord met de onder a t/m d genoemde voorwaarden.
f. De verzekeraar verklaart zich binnen een door de inspecteur te stellen termijn akkoord met de voorwaarde genoemd onder a.
Verzoeken betreffende de hiervoor genoemde omzettingen dienen te worden voorgelegd aan de inspecteur. Deze is gemachtigd belastingheffing ter zake van de hiervoor genoemde omzettingen achterwege te laten onder de hiervoor genoemde voorwaarden.
De goedkeuring is niet van toepassing indien de omzetting tot gevolg heeft dat achteraf bezien een te hoge stamrechtvrijstelling is genoten.
X heeft in 1991 zijn onderneming gestaakt op de leeftijd van 48 jaar. Hij heeft met toepassing van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964 een bedrag van f 317.290 ten laste van de winst gebracht, omdat het een stamrecht betreft waarvan de aan X toekomende uitkeringen dadelijk zijn ingegaan (artikel 19 (oud), tweede lid, onderdeel b, ten tweede, van de Wet IB 1964).
Op de omzetting in een tijdelijke lijfrente waarvan de uitkeringen zijn uitgesteld, is de goedkeuring zoals opgenomen in dit besluit niet van toepassing. Als X direct een stamrecht had bedongen waarvan de uitkeringen waren uitgesteld, had hij namelijk slechts een bedrag van f 158.647 ten laste van de winst kunnen brengen.
### 9.4. Splitsing artikel 19- of 44j-stamrecht in verband met echtscheiding of scheiding van tafel en bed
Als een artikel 19- of 44j-stamrecht in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt gesplitst in twee stamrechten, of volledig aan een van de ex-partners wordt toegedeeld, voldoet het stamrecht (gedeeltelijk) niet meer aan de voorwaarden die aan de toekenning van het desbetreffende stamrecht zijn gesteld (artikel 19 (oud), derde lid, of van artikel 44j, derde lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidden op 31 december 1991). De (oude) wettelijke bepalingen waarin de voorwaarden zijn opgenomen blijven van kracht gelet op artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet juncto artikel 80b van de Wet IB 1964 . Dit zou meebrengen dat de IB 64-sanctie dan wel de Vpb-sanctie zou moeten worden toegepast. Daarnaast kan (ook) sprake zijn van een heffingsmoment in de zin van de Wet IB 2001.
Ik keur daarom goed dat de splitsing/toedeling van een artikel 19- of artikel 44j-stamrecht in verband met echtscheiding of scheiding van tafel en bed fiscaal geruisloos kan plaatsvinden.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
a. De nieuwe stamrechten worden voor de toepassing van de Wet IB 2001 aangemerkt als artikel 19- of artikel 44j-stamrechten, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1991 en die derhalve met toepassing van artikel I, onderdeel O, eerste lid, slotzin, van de Invoeringswet integraal worden aangemerkt als periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 3.100, dan wel 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001.
b. De verzekeraar van de rechten gaat ermee akkoord te worden beschouwd als de verzekeraar als bedoeld in artikel 59a (oud) van de Wet IB 1964, dan wel artikel 23a (oud) van de Wet Vpb.
c. Ter zake van de splitsing wordt door partijen geen aftrek op het inkomen geclaimd, ook niet met toepassing van artikel 6.3 en volgende van de Wet IB 2001.
d. Partijen verklaren zich akkoord met de onder a tot en met c genoemde voorwaarden, binnen een door de inspecteur te stellen termijn.
e. De gewezen echtgenoot aan wie de aanspraak op periodieke uitkeringen geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen, is binnenlands belastingplichtig.
### 9.5. Indexering van de bedragen van de stamrechtvrijstelling ex artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964
Als een belastingplichtige op grond van een vóór 1 januari 1992 gesloten overeenkomst voor zichzelf en voor zijn echtgenoot een winstrecht heeft bedongen, in die zin dat het winstrecht van de echtgenoot ingaat bij zijn vooroverlijden, zijn op deze aanspraken de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van toepassing (artikel 75, eerste lid, eerste volzin, van de Wet IB 1964). Dit betekent dat bij overlijden van de betrokken belastingplichtige de per 1 januari 1992 vervallen stamrechtvrijstelling van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964 nog van toepassing is naar de tekst van de regeling per 31 december 1991. De bedragen van de vrijstelling zijn op deze wijze echter blijvend verbonden aan het voor 1991 geldende niveau. In een indexering van de bedragen is wettelijk niet (meer) voorzien.
Op grond van artikel 3.129 van de Wet IB 2001 wordt het bedrag van de mogelijke lijfrentepremie-aftrek verhoogd bij staking van een onderneming.
Ik heb aanleiding gevonden goed te keuren dat er voor de bepaling van de hoogte van de per 1 januari 1992 vervallen stamrechtvrijstelling in enig jaar na 2001 wordt aangesloten bij de voor dat jaar geldende bedragen voor extra lijfrentepremie-aftrek op de voet van artikel 3.129 van de Wet IB 2001.
### 9.6. Overige
#### 9.6.1. Overdracht stamrecht. Toepassing sanctiebepalingen. Stamrecht bedongen vóór 1 januari 1973
De overdracht van een stamrecht bedongen vóór 1 januari 1973 kan zonder sanctie plaatsvinden. Indien een artikel 19- of artikel 44j-stamrecht wordt overgedragen aan een derde, omdat de verplichting tot het doen van uitkeringen dan niet langer wordt gerekend tot het ondernemingsvermogen, is de IB 64-sanctie of de Vpb-sanctie van toepassing. Deze artikelen zijn ingevoerd op 1 januari 1973.
Bij de invoering van de Brede Herwaardering op 1 januari 1992 zijn de artikelen 59a (oud) van de Wet IB 1964 en 23a (oud) van de Wet Vpb van toepassing gebleven door de werking van de artikelen 80b (oud) van de Wet IB 1964 en 33a van de Wet Vpb, met dien verstande dat in het tweede lid van beide laatstgenoemde artikelen is geregeld dat voor stamrechten die zijn bedongen vóór 1 januari 1973 de sanctie niet geldt.
Bij de invoering van de Wet IB 2001 is artikel 80b (oud) van de Wet IB 1964 van toepassing gebleven door de werking van artikel I, onderdeel N, van de Invoeringswet. Nu de IB 64-sanctie en de Vpb-sanctie niet gelden voor stamrechten die zijn bedongen vóór 1 januari 1973, is een beroep op onderdeel 9.1 van dit besluit niet nodig.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### 9.6.2. Artikel 19- of artikel 44j-stamrecht. Uitstel ingangsdatum van 55 jaar naar 60 jaar
De omzetting van een artikel 19-stamrecht, waarbij de ingangsdatum van de nog niet ingegane uitkeringen wordt verschoven van 55 naar 60-jarige leeftijd, kan zonder fiscale heffingen plaatsvinden.
Bij uitstel van de uitkeringen tot de 60-jarige leeftijd is in feite sprake van afkoop in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991 (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964). Vervolgens komt de vraag op of artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991, van toepassing is.
Nu het nieuwe stamrecht voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964, is geen sprake van een omzetting van een artikel 19-stamrecht in een ander stamrecht als bedoeld in artikel 32 (oud), tweede lid, van de Wet IB 1964. Door de toepassing van artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 blijft het een artikel 19-stamrecht waarop de IB 64-sanctie dan wel de Vpb-sanctie van toepassing is.
Bovenstaande is op dezelfde wijze ook van toepassing op artikel 44j-stamrechten.
#### 9.6.3. Omzetting direct ingaand in uitgesteld stamrecht
Op de omzetting van een artikel 19-stamrecht waarvan de termijnen direct zijn ingegaan, in een uitgestelde lijfrente zijn de regels zoals deze golden op 31 december 2000 nog van toepassing (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet). Omzetting van een artikel 19-stamrecht waarvan de termijnen direct zijn ingegaan, in een uitgestelde lijfrente dient fiscaal te worden gekwalificeerd als afkoop van dat recht gevolgd door de aankoop van een nieuw recht op (uitgestelde) periodieke uitkeringen. Artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964 brengt mee dat sprake is van inkomsten in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964. De stamrechtvrijstelling genoemd in artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is vanwege artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964 in casu niet van toepassing. De omzetting heeft immers tot gevolg dat een stamrecht is bedongen dat achteraf bezien niet kwalificeerde, aangezien twee stamrechten zijn bedongen te weten een direct ingaand tijdelijk stamrecht (welk recht niet is toegestaan) en een uitgesteld levenslang stamrecht (welk recht wel is toegestaan). Om deze reden dient het nieuwe stamrecht aangemerkt te worden als een *ander stamrecht *in de zin van artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964. Artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is dus niet van toepassing en de afkoopsom is belast.
Overigens ben ik van mening dat, indien gesteld zou worden dat geen sprake is van een *ander stamrecht* in de zin van artikel 32 (oud), tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964, de omzetting zonder heffing bij de stamrechtgenieter heeft plaatsgevonden. In dat geval stel ik mij op het standpunt dat, nu geruisloze omzetting van het ene stamrecht in het andere plaatsvindt zonder belastingheffing, in feite geen afkoop plaatsvindt in de zin van de Vpb-sanctie, terwijl het oorspronkelijke recht niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964. In dat geval is de Vpb-sanctie toepasbaar.
Bovenstaande is op dezelfde wijze ook van toepassing op artikel 44j-stamrechten.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### 9.6.4. Stamrecht. Uitstel ingangsdatum van 65 jaar naar AOW-leeftijd plus vijf
Het beleid in dit onderdeel betreft het wijzigen van de ingangsdatum van de uitkeringen van een artikel 19-stamrecht (gerichte lijfrente) van 65-jarige leeftijd naar de leeftijd die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd.
Het bedongen stamrecht moet voldoen aan de voorwaarde dat de uitkeringen niet later ingaan dan op 65-jarige leeftijd (artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964). Bij wijziging van de ingangsdatum van de uitkeringen is sprake van afkoop als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964, zoals deze bepaling luidde op 31 december 1991 (artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet juncto artikel 75 van de Wet IB 1964). De vraag is vervolgens of artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 (tekst 31 december 1991) van toepassing is.
Het nieuwe stamrecht voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964. Dit artikel bepaalt immers dat de uitkeringen niet later ingaan dan op 65-jarige leeftijd. Er is daardoor sprake van een omzetting van een artikel 19-stamrecht in een *ander**stamrecht* als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Wet IB 1964. Artikel 32, eerste lid, van de Wet IB 1964 is dus niet van toepassing en de afkoopsom is belast.
Onderdeel 9.3 van dit besluit waarin onder bepaalde voorwaarden de omzetting van een stamrecht in een tijdelijke lijfrente wordt toegestaan, is overigens niet van toepassing op de onderhavige situatie. De in dit onderdeel opgenomen goedkeuring ziet namelijk slechts op omzettingen in aangewezen tijdelijke lijfrenten. De levenslange lijfrente van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 is niet aangewezen.
Ik keur echter goed dat de wijziging van de ingangsdatum van de uitkeringen van een artikel 19-stamrecht is toegestaan onder de voorwaarden zoals opgenomen in onderdeel 9.3 van dit besluit, mits de uitkeringen niet later ingaan dan het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd en de wijziging geen invloed heeft op de hoogte van de (oorspronkelijke) aftrek met toepassing van artikel 19 (oud) van de Wet IB 1964. Dit geldt ongeacht of de uitkeringen al waren ingegaan dan wel nog moeten ingaan. Indien het verzoek tot omzetting plaatsvindt voordat de uitkeringen van het stamrecht zijn ingegaan, geldt als uiterste dag voor omzetting na de oorspronkelijke expiratiedatum de datum genoemd in artikel 3.133, derde lid, van de Wet IB 2001.
De volgende omstandigheid heeft bij deze goedkeuring een rol gespeeld. De hierin opgenomen ingangsdatum is volgens het huidige recht, ongeacht of sprake is van een omzetting in een levenslang dan wel tijdelijk recht, toegestaan mits het nieuwe recht een lijfrente is in de zin van artikel 3.125 van de Wet IB 2001 en de omzetting geen invloed heeft op de hoogte van de (oorspronkelijke) lijfrentepremie-aftrek (artikel 3.133, tweede lid onderdeel c, van de Wet IB 2001).
Bovenstaande is op dezelfde wijze ook van toepassing op artikel 44j-stamrechten.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### 9.6.5. Dubbele heffing; de IB 64-sanctie. De Vpb-sanctie