From eb079ab1e0246aa2f6f1a134f3a5ed504dae9f6a Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 15 Jul 2015 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2015-07-15 | BWBR0036628 | Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB --- .../BWBR0036628/README.md | 56 ++++++++++++++++++- 1 file changed, 54 insertions(+), 2 deletions(-) diff --git a/beleidsregel/beleidsregel-uitvoeringsregeling-rechtstreekse-betalingen-glb/BWBR0036628/README.md b/beleidsregel/beleidsregel-uitvoeringsregeling-rechtstreekse-betalingen-glb/BWBR0036628/README.md index f6ebce8a002..4810f44811d 100644 --- a/beleidsregel/beleidsregel-uitvoeringsregeling-rechtstreekse-betalingen-glb/BWBR0036628/README.md +++ b/beleidsregel/beleidsregel-uitvoeringsregeling-rechtstreekse-betalingen-glb/BWBR0036628/README.md @@ -20,11 +20,63 @@ c. indien het verschil groter is dan 20 procent, bedraagt de verlaging 3 procent ### Artikel 2 -*Gereserveerd* +**1.** Op grond van de beoordeling van de niet-naleving van de randvoorwaarde die, gelet op haar geringe ernst, omvang en duur, in naar behoren gemotiveerde gevallen geen aanleiding geeft tot een verlaging of uitsluiting, besluit de minister dat ten aanzien van de in het tweede lid genoemde niet-nalevingen van de randvoorwaarden, voor zover geen sprake is van een herhaling, sprake is van een niet-naleving waarvoor aan de landbouwer eerst een waarschuwing wordt gegeven als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013. + +**2.** + +De in het eerste lid bedoelde niet-nalevingen van de randvoorwaarden betreffen in ieder geval: + +a. artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren, in samenhang met artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling Diervoeders 2012, in samenhang met artikel 5, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel II onder 2a, 2b en 2e van Verordening (EG) nr.183/2005, voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; +b. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen juncto artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 8a, 8d en 8e van Verordening (EG) nr. 852/2004, voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; +c. artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen juncto artikel 4, eerste lid, en bijlage I, deel A, onderdeel III, onder 9a en 9c van Verordening (EG) nr. 852/2004, voor zover de registratie in geringe mate niet volledig is bijgehouden; +d. artikel 2.2, tiende lid, onderdeel l, subonderdeel 4˚, en onderdeel r, van de Wet dieren in samenhang met artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onder III, onder 8b, van Verordening (EG) nr. 852/2004, artikel 1.25 van het Besluit houders van dieren en artikel 3.1 van de Regeling houders van dieren, voor zover het register in geringe mate niet volledig is bijgehouden; +e. artikel 2, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, juncto artikel 4, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover de houder geen veeteelt bedrijft; +f. artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, eerste tot en met zesde gedachtestreepje, en derde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het register in geringe mate onvolledig is of zover de houder geen veeteelt bedrijft; +g. artikel 4, eerste, tweede en derde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, in samenhang met artikel 8, eerste lid, en artikel 12 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, alsmede artikel 104, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 10 in samenhang met artikel 11 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van het verlies van één oormerk bij maximaal 10 procent van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen en de identiteit van de runderen kan worden aangetoond; +h. artikel 7, eerste lid, eerste en tweede gedachtestreepje, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, in samenhang met artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het bedrijfsregister onvolledig is bijgehouden ten aanzien van maximaal 10 procent van de runderen tot het absolute aantal van 20 runderen, voor zover maximaal 3 mutaties niet zijn gemeld en de identiteit van de runderen kan worden aangetoond; +i. artikel 4, eerste en vierde lid, van Verordening (EG) nr. 21/2004 in samenhang met de artikelen 8, vijfde lid, 12, 12e en 12f van de Regeling identificatie en registratie van dieren, alsmede artikel 104, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, en artikel 10 in samenhang met artikel 11, 36 en 38 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, in het geval van het verlies van één identificatiemiddel bij maximaal 10 procent van de schapen of geiten tot het absolute aantal van 20 schapen en geiten; +j. de artikelen 38d en 38e van de Regeling identificatie en registratie van dieren, voor zover het maximaal 3 mutaties betreft of in het geval de houder geen veeteelt bedrijft; +k. artikel 2.33, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover de niet-naleving door een melkveehouder plaatsvindt, bij een gering aantal kalveren; +l. artikel 2.22, tweede lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover het materiaal incidenteel ontbreekt; +m. artikel 2.23, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, voor zover sprake is van incidenteel te weinig licht, en +n. artikel 2.10 van het Besluit houders van dieren, voor zover het register in geringe mate onvolledig is bijgehouden. + +**3.** De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet meer dan één keer gegeven voor niet-nalevingen van eenzelfde randvoorwaarde gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren, gerekend vanaf en inclusief het jaar waarin de niet-naleving is geconstateerd. + +**4.** In afwijking van het derde lid, kan voor de niet-naleving van de randvoorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen g en i, meer dan één keer een waarschuwing worden gegeven. + +**5.** Ingeval de niet-naleving van de randvoorwaarde, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de door de bevoegde autoriteit aan de landbouwer medegedeelde termijn is hersteld, wordt het totale bedrag van de in artikel 92 van Verordening (EG) nr. 1306/2013 bedoelde betalingen met terugwerkende kracht met 1 procent verlaagd voor het jaar waarin de niet-naleving waarop de waarschuwing is gebaseerd, heeft plaatsgevonden. ### Artikel 3 -*Gereserveerd* +**1.** Een niet-naleving is opzettelijk begaan indien de landbouwer de desbetreffende niet-naleving heeft beoogd of indien de landbouwer het risico heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten een niet-naleving tot gevolg heeft. + +**2.** + +Opzet wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: + +a. in de omschrijving van de betrokken randvoorwaarde wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd; +b. de mate van complexiteit van de randvoorwaarde; +c. de aanwezigheid van langdurig bestendig beleid; +d. de niet-naleving veronderstelt een actieve handeling dan wel het bewust nalaten van een handeling; +e. de omstandigheid dat de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de randvoorwaarde; +f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd. + +**3.** + +In het geval waarin een niet-naleving door een derde is begaan op de landbouwgrond of in het kader van het bedrijf van een landbouwer wordt desbetreffende niet-naleving aan de landbouwer toegerekend als een opzettelijke niet-naleving indien de landbouwer heeft beoogd of het risico heeft aanvaard dat de niet-naleving zou plaatsvinden blijkens: + +a. de keuze voor de derde, +b. het door de landbouwer op de derde uitgeoefende toezicht, of +c. de door de landbouwer aan de derde gegeven instructies. + +**4.** Indien een niet-naleving die heeft geleid tot een verlaging met 15 procent, nogmaals wordt geconstateerd als bedoeld in artikel 39, vierde lid, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 640/2014, bedraagt de verlaging voor die herhaling 20 procent, welk percentage voor elke volgende herhaling met 10 wordt verhoogd. + +**5.** Indien een met opzet begane niet-naleving als bedoeld in artikel 40 van Verordening (EU) nr. 640/2014 die heeft geleid tot een verlaging, nogmaals wordt geconstateerd, bedraagt de verlaging voor die herhaling een verlaging met het percentage dat overeenkomt met het daarop eerstvolgende tiental, welk percentage voor elke volgende herhaling met 10 wordt verhoogd. + +**6.** Indien een niet-naleving die vóór 2015 heeft geleid tot een verlaging met een percentage van meer dan 15 en niet zijnde een percentage uitgedrukt in een tiental, nogmaals wordt geconstateerd, bedraagt de verlaging voor die herhaling een verlaging met het percentage dat overeenkomt met het daarop eerstvolgende tiental, welk percentage voor elke volgende herhaling met 10 wordt verhoogd. + +**7.** In afwijking van de leden 4 tot en met 6 kan een grotere verlaging worden toegepast indien ernst, omvang of permanent karakter van de niet-naleving daar aanleiding toe geven. ### Artikel 4