2024-08-01 | BWBR0044212 | Wet voortgezet onderwijs 2020

This commit is contained in:
Coornhert 2024-08-01 12:00:00 +00:00
parent 0ba4910a92
commit eb3738a5b3

View file

@ -21,7 +21,7 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald,
- *basisberoepsopleiding:* basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES;
- *basisonderwijs:* onderwijs als bedoeld in artikel 2 WPO of artikel 2 WPO BES;
- *begeleide onderwijsuren:* begeleide onderwijsuren als bedoeld in artikel 7.2.7, zesde lid, WEB, of artikel 7.2.6, zesde lid, WEB BES, met dien verstande dat ten aanzien van het eerste en tweede leerjaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo onder «begeleide onderwijsuren» mede wordt verstaan «onderwijstijd» als bedoeld in artikel 2.38;
- *belangstellingsmeting:* belangstellingsmeting als bedoeld in artikel 4.6;
- *belangstellingsmeting:* belangstellingsmeting als bedoeld in artikel 4.6 of artikel 11.45b;
- *beroepscollege:* beroepscollege als bedoeld in artikel 1.3.2 van de WEB;
- *beroepsonderwijs:* onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, WEB, of artikel 1.2.1, tweede lid, WEB BES;
- *beroepsopleiding:* opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, WEB of artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES;
@ -70,7 +70,7 @@ c. een samenwerkingsschool: de stichting, bedoeld in artikel 3.22, die de school
- *onderwijsnummer:* door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer of administratienummer is verstrekt;
- *onderwijsprogramma:* geheel van vakken, al dan niet gecombineerd, als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2, schooleigen vakken en andere programmaonderdelen;
- *Onderwijsraad:* Onderwijsraad, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de Onderwijsraad;
- *Onze Minister:* Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;
- *Onze Minister:* Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;
- *openbare rechtspersoon:* openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4;
- *openbare school:* school, in stand gehouden door:
@ -630,8 +630,7 @@ Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding:
a. bestaat uit praktische bewegingsactiviteiten;
b. wordt gespreid verzorgd over alle leerjaren van het voortgezet onderwijs;
c. wordt gespreid verzorgd over de schoolweken; en
d. heeft een omvang en aandeel in de onderwijstijd die maken dat dit onderwijs voldoet aan de eisen op het gebied van kwaliteit, intensiteit en variëteit van de bewegingsactiviteiten die zijn neergelegd in kerndoelen en in examenprogrammas als bedoeld in artikel 2.54.
c. wordt gespreid verzorgd over de schoolweken.
**2.** Bij het geven van voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding wordt uitgegaan van de situatie die op 1 augustus 2005 voor het bewegingsonderwijs gold.
@ -803,7 +802,7 @@ Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door z
De ondersteuning wordt verzorgd door:
a. educatieve voorzieningen als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, WHW bij opname van een leerling in een academisch ziekenhuis; of
b. schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in artikel 180 WPO en artikel 166 WEC bij opname van een leerling in een niet-academisch ziekenhuis, of indien de leerling door ziekte thuis verblijft.
b. schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in artikel 185 WPO en artikel 164 WEC bij opname van een leerling in een niet-academisch ziekenhuis, of indien de leerling door ziekte thuis verblijft.
**3.** De ondersteuning kan ook bestaan uit het geven van onderwijs aan de leerling, indien daarover overeenstemming bestaat tussen de educatieve voorziening of de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven.
@ -882,7 +881,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.**
In afwijking van artikel 2.30, vierde lid, onderdelen a en b, artikel 2.43, eerste lid, en artikel 2.47, dertiende lid, kan het samenwerkingsverband regels stellen over:
In afwijking van artikel 2.30, tweede lid, onderdelen a en b, artikel 2.43, eerste lid, en artikel 2.47, dertiende lid, kan het samenwerkingsverband regels stellen over:
a. de criteria en de procedure om te beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs;
b. de duur van deze beoordeling.
@ -1658,7 +1657,7 @@ c. in voorkomend geval, welk onderwijs de school als contractactiviteit verzorgt
**2.** Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het eerste lid indien in de schoolsoort of de leerweg, bedoeld in het eerste lid, de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, liggen onder de normering, bedoeld in het vierde lid, die daarvoor geldt in vergelijking tot die leerresultaten over diezelfde schooljaren van dezelfde schoolsoorten of dezelfde leerwegen met een vergelijkbaar leerlingenbestand.
**3.** Indien de leerresultaten van het onderwijs niet kunnen worden beoordeeld op grond van de regels die zijn gesteld bij of krachtens het vierde lid, heeft de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak», indien het bevoegd gezag ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, tekortschiet in de naleving van twee of meer regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld en het bevoegd gezag als gevolg daarvan tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen ofin het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 1.4.
**3.** Indien de leerresultaten van het onderwijs niet kunnen worden beoordeeld op grond van de regels die zijn gesteld bij of krachtens het vierde lid, heeft de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak», indien het bevoegd gezag ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, tekortschiet in de naleving van twee of meer regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld en het bevoegd gezag als gevolg daarvan tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen of in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 1.4.
**4.**
@ -1693,9 +1692,9 @@ b. tekortschiet in het zorgdragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artik
### Artikel 2.96
**1.** Indien de inspectie in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 WOT, tot het oordeel is gekomen dat de kwaliteit van het onderwijs «zeer zwak» is, als bedoeld in artikel 2.94, eerste of derde lid, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover in elk geval door hen de samenvatting van het inspectierapport toe te zenden die de inspectie heeft opgesteld en die gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld aan het bevoegd gezag. De toezending vindt plaats binnen vier weken nadat het inspectierapport is vastgesteld.
**1.** Indien de inspectie in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 WOT, tot het oordeel is gekomen dat de kwaliteit van het onderwijs «zeer zwak» is, als bedoeld in artikel 2.94, eerste of derde lid, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover in elk geval door hen de samenvatting van het inspectierapport toe te zenden die de inspectie heeft opgesteld en die gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld aan het bevoegd gezag. De toezending vindt plaats binnen twee weken nadat het inspectierapport is vastgesteld.
**2.** Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig aan deze informatieplicht voldoet, zendt Onze Minister de samenvatting van het inspectierapport in de vijfde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen.
**2.** Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig aan deze informatieplicht voldoet, zendt Onze Minister de samenvatting van het inspectierapport in de derde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen.
**3.** Indien de inspectie tot het oordeel komt, bedoeld in het eerste lid, dan betrekt het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school en de meerderjarige leerlingen bij de maatregelen die het bevoegd gezag voornemens is te treffen ter verbetering van de kwaliteit.
@ -1958,7 +1957,7 @@ e. bij een cursusduur van zes jaren ten minste 5.400 klokuren, waarvan ten minst
**1.** In afwijking van artikel 2.56, tweede lid, vallen het eerste en tweede tijdvak van het centraal examen, voor leerlingen die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgen, afhankelijk van de inrichting van de doorlopende leerroute vmbo-mbo door het bevoegd gezag, in het tweede of derde leerjaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo. Het bevoegd gezag kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het eerste leerjaar van de doorlopende leerroute vmbo-mbo centraal examen af te leggen in een of meer vakken van het eindexamen.
**2.** Het derde tijdvak van het centraal examen wordt afgenomen door het College voor toetsen en examens aansluitend aan het leerjaar waarin de kandidaat centraal examen heeft afgelegd in het eerste of tweede tijdvak.
**2.** Het derde tijdvak van het centraal examen wordt afgenomen aansluitend aan het leerjaar waarin de kandidaat centraal examen heeft afgelegd in het eerste of tweede tijdvak.
**3.** Het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 2, Paragraaf 5, is van overeenkomstige toepassing op het derde leerjaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo.
@ -2373,7 +2372,7 @@ Een rechtspersoon kan twee of meer scholen of scholengemeenschappen, die hij in
### Artikel 3.30
**1.** Voor de toepassing van de artikelen 3.30 tot en met 3.33 wordt verstaan onder fusie: een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.28 of een institutionele fusie als bedoeld in artikel 3.29.
**1.** Voor de toepassing van dit artikel en artikel 3.31 wordt verstaan onder fusie: een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.28 of een institutionele fusie als bedoeld in artikel 3.29.
**2.** Een fusie wordt alleen na instemming van Onze Minister tot stand gebracht.
@ -2770,6 +2769,8 @@ b. met inachtneming van artikel 4.2a, op de aanvraag als bedoeld in het eerste l
c. met inachtneming van artikel 4.3, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of het nieuw te vormen profiel met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of
d. met inachtneming van artikel 4.2, vierde lid, op een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid of tweede lid, of de openbare school of scholengemeenschap met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
**4a.** Indien Onze Minister de aanvraag op grond van de belangstellingsmeting in relatie tot de artikelen 4.2 of 4.2a afwijst, blijft het advies van de inspectie, bedoeld in het derde lid, achterwege.
**5.** Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien deze is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die voorafgaande aan de aanvraag een of meer scholen in stand heeft gehouden waarop artikel 2.95, eerste lid, van toepassing is geweest of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke school in stand heeft gehouden, welke toepassing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 2.95, eerste lid.
**6.** Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.
@ -2780,7 +2781,7 @@ d. met inachtneming van artikel 4.2, vierde lid, op een aanvraag als bedoeld in
**9.** Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het derde lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
**10.** Burgemeester en wethouders van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kunnen voor de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.
**10.** Burgemeester en wethouders van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kunnen voor 1 december, volgend op de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.
### Artikel 4.5a
@ -3016,7 +3017,7 @@ c. voor zover het gaat om het vbo, met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven
Onverminderd artikel 4.21, brengt Onze Minister voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen en indien nodig ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden. Een bevoegd gezag kan voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:
a. een vestiging die wordt verplaatst over hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats;
a. een vestiging die wordt verplaatst of een deel van het onderwijsaanbod van een vestiging dat wordt verplaatst naar een andere vestiging van dezelfde school, beide over hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats;
b. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap;
c. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofd- of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo indien niet binnen hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer een andere vestiging van de school is gelegen waaraan dit onderwijs wordt verzorgd;
d. onderwijs in de gemengde leerweg op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo, indien wordt voldaan aan voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld; of
@ -3243,7 +3244,7 @@ c. voor een bepaalde periode.
### Artikel 5.11
Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in de artikelen 179 WPO en 165 WEC ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister kan aan de beschikbaarstelling voorwaarden verbinden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in de artikelen 184 WPO en 163 WEC ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister kan aan de beschikbaarstelling voorwaarden verbinden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
### Artikel 5.12
@ -3273,19 +3274,19 @@ Het aantal leerlingen voor de bekostiging voor praktijkonderwijs, bedoeld in het
a. het aantal leerlingen op 1 oktober 2012 op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband dat is ingeschreven als leerling op een school voor praktijkonderwijs uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober 2012; en
b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
**5.** De bekostiging voor regionale ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit bedrag per leerling die is ingeschreven op een school of vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband.
**5.** De bekostiging voor regionale ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een bedrag per leerling die is ingeschreven op een school of vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband.
**6.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 4.8 of artikel 2.48, tweede lid, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.
**7.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.
**8.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste, vierde, vijfde en zesde lid vastgesteld.
**8.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste, vijfde, zesde en zevende lid vastgesteld.
### Artikel 5.14
**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.13, vijfde en zesde lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen, waarvan een of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.13, zesde en zevende lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen, waarvan een of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
**2.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat in mindering wordt gebracht wordt bepaald per school op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 5.13, vijfde en zesde lid.
**2.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat in mindering wordt gebracht wordt bepaald per school op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 5.13, zesde en zevende lid.
### Artikel 5.15
@ -3295,13 +3296,13 @@ b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen inges
**3.** Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.
**4.** Voor elke leerling die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, twaalfde lid, van de WEC toelaatbaar heeft verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs.
**4.** Voor elke leerling die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, twaalfde lid, van de WEC toelaatbaar heeft verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs.
**5.** Het bedrag, bedoeld in het derde lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en komt overeen met één van de bedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
**6.**
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen aan die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt staan ingeschreven op een school op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WEC, met dien verstande dat het bedrag, bedoeld in artikel 117, zevende lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van:
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt staan ingeschreven op een school op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WEC, met dien verstande dat het bedrag, bedoeld in artikel 119, derde lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van:
a. het samenwerkingsverband:
@ -3313,7 +3314,7 @@ b. het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont, indien de leer
### Artikel 5.16
**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
**2.** Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.
@ -3321,43 +3322,17 @@ b. het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont, indien de leer
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/109.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 5.19
**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.18, derde lid, eerste volzin, en vierde lid, de materiële bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.18, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de materiële bekostiging van alle scholen en scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
**2.** Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school dan wel school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.
Vervallen
### Artikel 5.20
**1.** In aanvulling op de bekostiging van artikel 5.18, ontvangt het samenwerkingsverband aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs en bekostiging voor regionale ondersteuning als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.
**2.**
De aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding voor leerwegondersteunend onderwijs bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling. Het aantal leerlingen wordt bepaald door:
a. het aantal leerlingen op 1 oktober 2012 op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband dat is ingeschreven als leerling die leerwegondersteunend onderwijs ontvangt uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober 2012; en
b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
**3.**
De aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding voor praktijkonderwijs bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling. Het aantal leerlingen wordt bepaald door:
a. het aantal leerlingen op 1 oktober 2012 op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband dat is ingeschreven als leerling op een school voor praktijkonderwijs uit te drukken in een percentage van het totaal aantal leerlingen ingeschreven op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober 2012; en
b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen op vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.
**4.** De bekostiging voor regionale ondersteuning bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling van de scholen en vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de vaststelling en uitkering van bekostiging voor regionale ondersteuning.
**5.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 4.8 of artikel 2.48, tweede lid, wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
**6.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
Vervallen
### Artikel 5.21
**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.20, vijfde en zesde lid, de bekostiging van materiële instandhouding van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van materiële instandhouding van alle scholen en scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.
**2.** Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt bepaald per school dan wel school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 of 4, voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband.
Vervallen
### Paragraaf 4. Rol gemeente
@ -3554,7 +3529,7 @@ Het bevoegd gezag kan de bekostiging die is verstrekt voor de kosten van persone
a. een andere school voor voortgezet onderwijs, met uitzondering van een school die niet uit s Rijks kas wordt bekostigd;
b. een samenwerkingsverband;
c. een scholengemeenschap waarvan een of meer scholen voor voortgezet onderwijs deel uitmaken;
c. een scholengemeenschap of verticale scholengemeenschap;
d. een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de WPO;
e. een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs; of
f. een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
@ -3887,7 +3862,7 @@ b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik do
**4.** Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid.
**5.** Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school en ook elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst voorschoolgebouwen, is nietig.
**5.** Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school en ook elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst voor schoolgebouwen, is nietig.
### Artikel 6.19
@ -4149,7 +4124,7 @@ b. andere leraren die daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt z
### Artikel 7.17
**1.** Ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die ten minste 180 studiepunten hebben behaald, of ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een universiteit, kunnen tijdelijk worden benoemd voor het geven van dat onderwijs waarvoor zij in opleiding zijn, voor ten hoogste vijf maanden.
**1.** Ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die ten minste 180 studiepunten hebben behaald, of ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een universiteit, kunnen tijdelijk worden benoemd voor het geven van dat onderwijs waarvoor zij in opleiding zijn, voor een periode die ten hoogste een arbeidstijd omvat die overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf maanden.
**2.** De benoemingsmogelijkheid geldt ook voor een ho-student in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die minder dan 180, maar ten minste 166 studiepunten heeft behaald indien de hogeschool heeft verklaard dat de ho-student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De tijdelijke benoeming vervalt in dat geval indien de ho-student niet binnen vier weken na begin van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt.
@ -4173,7 +4148,7 @@ b. andere leraren die daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt z
### Artikel 7.20
**1.** Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan voor elk personeelslid met een functie of werkzaamheden waarvoor bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 7.23, vierde lid, of artikel 7.24, tweede lid, zijn vastgesteld.
**1.** Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan voor elk personeelslid met een functie of werkzaamheden waarvoor bekwaamheidseisen als bedoeld in 7.10, eerste lid, artikel 7.23, vierde lid, of artikel 7.24, tweede lid, zijn vastgesteld.
**2.** Voor de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inrichting en wijze van ordening van de gegevens.
@ -4620,7 +4595,7 @@ c. indien aanwezig, zijn leerlingadministratienummer.
**2.** Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot schorsing schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de leerling bekend. Indien de leerling jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.
**3.** Het bevoegd gezag meldt een schorsing voor langer dan één dag schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de inspectie.
**3.** Het bevoegd gezag meldt een schorsing voor langer dan één dag schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering onverwijld aan de inspectie.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het schorsen van leerlingen.
@ -4630,17 +4605,19 @@ c. indien aanwezig, zijn leerlingadministratienummer.
**2.** Het bevoegd gezag verwijdert een leerling op wie de LPW of LPW BES van toepassing is pas definitief van de school nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de LPW of een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de LPW BES bereid is de leerling toe te laten.
**3.** Voordat het bevoegd gezag een leerling op wie de LPW of LPW BES van toepassing is definitief van school verwijdert, overlegt het met de inspectie. Ten tijde van dit overleg kan de leerling worden geschorst. In het overleg wordt ook nagegaan op welke manier de betrokken leerling onderwijs kan volgen.
**3.** Het bevoegd gezag besluit pas tot definitieve verwijdering van een leerling na deze en, indien de leerling jonger dan 18 jaar is, ook diens ouders, in de gelegenheid te hebben gesteld hierover te worden gehoord.
**4.** Het bevoegd gezag stelt de inspectie schriftelijk en gemotiveerd in kennis van een definitieve verwijdering.
**4.** Voordat het bevoegd gezag een leerling op wie de LPW of LPW BES van toepassing is definitief van school verwijdert, overlegt het met de inspectie. Ten tijde van dit overleg kan de leerling worden geschorst. In het overleg wordt ook nagegaan op welke manier de betrokken leerling onderwijs kan volgen.
**5.** Het bevoegd gezag van een bijzondere school maakt de beslissing tot verwijdering van een leerling schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de leerling bekend. Indien de leerling jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.
**5.** Het bevoegd gezag stelt de inspectie schriftelijk en gemotiveerd in kennis van een definitieve verwijdering.
**6.** Binnen zes weken na de bekendmaking kunnen de ouders bij het bevoegd gezag van een bijzondere school bezwaar maken tegen een beslissing tot verwijdering van een leerling.
**6.** Het bevoegd gezag van een bijzondere school maakt de beslissing tot verwijdering van een leerling schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de leerling bekend. Indien de leerling jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.
**7.** Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een leerling, beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare school betreft in afwijking van artikel 7:10 Awb, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de leerling in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Is de leerling jonger dan achttien jaar, dan komen deze rechten ook toe aan diens ouders.
**7.** Binnen zes weken na de bekendmaking kunnen de ouders bij het bevoegd gezag van een bijzondere school bezwaar maken tegen een beslissing tot verwijdering van een leerling.
**8.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van leerlingen.
**8.** Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een leerling, beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare school betreft in afwijking van artikel 7:10 Awb, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de leerling in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Is de leerling jonger dan achttien jaar, dan komen deze rechten ook toe aan diens ouders.
**9.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van leerlingen.
### Artikel 8.16
@ -4783,7 +4760,7 @@ c. organiseert en coördineert het de doorverwijzing en registratie, bedoeld in
### Artikel 8.28
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek:
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap voor hun schoolbezoek:
a. niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of
b. zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.
@ -4850,7 +4827,7 @@ c. krachtens een door dat verband vastgestelde code een regeling is getroffen vo
Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:
a. deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragraaf 7, de hoofdstukken 4 en 6, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6;
a. deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragrafen 7 en 10, de hoofdstukken 4, 6 en 9, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6;
b. artikel 1 LPW of artikel 1 LPW BES;
c. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet;
d. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 of artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering BES; en
@ -4878,9 +4855,9 @@ d. de wijze waarop en de criteria waarmee de effecten worden geëvalueerd die me
Indien scholen in een experiment samenwerken met scholen als bedoeld in de WPO, scholen of instellingen als bedoeld in de WEC, instellingen als bedoeld in de WEB of instellingen als bedoeld in de WHW, kan met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs, bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:
a. deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragraaf 7, de hoofdstukken 4 en 6, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6;
b. voor scholen als bedoeld in de WPO: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 7 en afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6 en 7 en afdeling 9, paragrafen 1 en 2, WPO;
c. voor scholen als bedoeld in de WPO BES: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en afdeling 2, artikelen 53 en 54 en titel III, afdeling 1, 2, 4 tot en met 6, afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, paragraaf 1, WPO BES;
d. voor scholen of instellingen als bedoeld in de WEC: titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, artikelen 146 tot en met 149 en 151, WEC;
b. voor scholen als bedoeld in de WPO: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragrafen 2, en afdeling 8, paragrafen 1 en 2, WPO;
c. voor scholen als bedoeld in de WPO BES: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en afdeling 2, artikelen 53 en 54 en titel III, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6 en 7, paragraaf 1, WPO BES;
d. voor scholen of instellingen als bedoeld in de WEC: titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, en 4, afdeling 5, paragraaf 1, afdeling 6, paragraaf 2, en afdeling 7 artikelen 133 tot en met 137 en artikel 140 WEC;
e. voor instellingen als bedoeld in de WEB: hoofdstuk 2, titel 2, en hoofdstukken 6 en 7 WEB;
f. voor instellingen als bedoeld in de WEB BES: hoofdstuk 2, titel 2, en de hoofdstukken 6 en 7 WEB BES; en
g. voor instellingen als bedoeld in de WHW: hoofdstuk 2, titel 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 6 en 7, hoofdstuk 9, titel 2, hoofdstuk 10, titel 3 en hoofdstuk 11, en paragraaf 4 WHW.
@ -5444,7 +5421,7 @@ b. deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen worden gekozen
### Artikel 11.38
De artikelen 3.30 tot en met 3.33 zijn niet van toepassing.
De artikelen 3.29 tot en met 3.32 zijn niet van toepassing.
### Artikel 11.39
@ -5521,6 +5498,8 @@ Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting juist en volledig is en be
a. met inachtneming van artikel 11.43, eerste, tweede en vierde lid, en 11.44, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid, of de school, scholengemeenschap, nevenvestiging of nieuw te vormen profiel met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht; of
b. met inachtneming van artikel 11.43, derde lid, op een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid of tweede lid, of de openbare school of scholengemeenschap met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
**4a.** Indien Onze Minister de aanvraag op grond van de belangstellingsmeting in relatie tot de artikelen 11.43 afwijst, blijft het advies van de inspectie, bedoeld in het derde lid, achterwege.
**5.** Van de besluiten, bedoeld in het vierde en achtste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
**6.** Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 11.45b, vijfde lid, onderdeel a, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer van een van de ouders en het kind waarop de ouderverklaring betrekking heeft.
@ -5529,7 +5508,7 @@ b. met inachtneming van artikel 11.43, derde lid, op een aanvraag als bedoeld in
**8.** Onze Minister kan de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een openbaar lichaam, die reeds een of meer scholen of scholengemeenschappen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen, welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.
**9.** Het bestuurscollege van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan voor de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.
**9.** Het bestuurscollege van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan voor 1 december, volgend op de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.
### Artikel 11.45a
@ -5658,7 +5637,7 @@ c. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een sch
### Artikel 11.48
Artikel 4.11 is niet van toepassing.
Vervallen
### Artikel 11.49
@ -6427,20 +6406,19 @@ Het tweede lid betreft algemene maatregelen van bestuur op grond van:
artikel 2.53, vierde lid, onderdelen a, d en e;
artikel 2.55, derde en vijfde lid;
artikel 2.56, eerste, vierde en achtste lid, onderdelen a en b;
artikel 2.58, vijfde lid, onderdeel c;
artikel 2.58, zesde lid, onderdeel c;
artikel 2.61, vierde lid;
artikel 2.92, derde lid;
artikel 2.106, onderdeel a;
artikel 5.33, eerste lid;
artikel 5.33, tweede lid;
artikel 7.10, eerste lid;
artikel 7.23, vierde lid;
artikel 7.24, tweede lid;
artikel 7.28, derde lid, onderdeel b;
artikel 7.28, achtste lid;
artikel 7.27, derde lid, onderdeel b, en achtste lid;
artikel 7.30, vierde lid; en
artikel 8.17, vijfde lid.
**4.** Indien de verdeling van de kosten, bedoeld in artikel 5.33, eerste lid, onderdeel c, wordt geregeld bij ministeriële regeling, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
**4.** Indien de verdeling van de kosten, bedoeld in artikel 5.33, tweede lid, onderdeel c, wordt geregeld bij ministeriële regeling, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
**5.** Een krachtens artikel 5.9, eerste lid, vast te stellen ministeriële regeling wordt, voor zover die betrekking heeft op aanvullende bekostiging voor geïsoleerde scholen of scholengemeenschappen, aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp. Indien een der Kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt de ministeriële regeling niet vastgesteld en kan niet eerder dan vier weken na het besluit van die Kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.
@ -6470,7 +6448,7 @@ Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2015, steeds na vijf jaar aan de
### Artikel 13.7
Onze Minister zendt binnen zes jaar na 1 augustus 2017 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 7.8 en 7.45 tot en met 7.64 in de praktijk.
Vervallen
### Artikel 13.8