diff --git a/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-investeringsaftrek/BWBR0034987/README.md b/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-investeringsaftrek/BWBR0034987/README.md index b5a1475d98a..7478e4789d6 100644 --- a/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-investeringsaftrek/BWBR0034987/README.md +++ b/beleidsregel/inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-investeringsaftrek/BWBR0034987/README.md @@ -12,7 +12,7 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. -*In dit besluit zijn de standpunten opgenomen op het gebied van de investeringsaftrek. Het is een actualisering van het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, Staatscourant 2009, 1405. Nieuwe versoepelingen in dit besluit zien op milieuvriendelijke voertuigen, op bedrijfsmiddelen die nog niet op de energie- of milieulijst staan, op de vervanging van asbesthoudende daken en op gevallen waarin niet tijdig is gekozen voor investeringsaftrek. Verder zijn enkele verduidelijkingen en redactionele verbeteringen aangebracht.* +*In dit besluit zijn de standpunten opgenomen op het gebied van de investeringsaftrek. Het is een actualisering van het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, Staatscourant 2009, 1405. Nieuwe versoepelingen in dit besluit zien op milieuvriendelijke voertuigen, op bedrijfsmiddelen die nog niet op de energie- of milieulijst staan, op de vervanging van asbesthoudende daken en op gevallen waarin niet tijdig is gekozen voor investeringsaftrek. Verder zijn enkele verduidelijkingen en redactionele verbeteringen aangebracht.* ## 1. Inleiding @@ -30,7 +30,7 @@ Tot slot zijn enkele verduidelijkingen en redactionele verbeteringen aangebracht ### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen -- *Aandelenvennootschap:* Een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld als bedoeld in artikel 8, achtste lid, onderdelen b of c, van de Wet VPB 1969 BFB, onderdeel 17: Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 18 december 2013, nr. BLKB2013/995M; onderdeel 17 behelst het beleid voor ambtshalve verminderen en teruggeven +- *Aandelenvennootschap:* Een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld als bedoeld in artikel 8, achtste lid, onderdelen b of c, van de Wet VPB 1969 BFB, onderdeel 17: Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 18 december 2013, nr. BLKB2013/995M; onderdeel 17 behelst het beleid voor ambtshalve verminderen en teruggeven - *Bedrijfsmiddelen:* Bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.40 van de Wet IB 2001 - *EIA: * Energie-investeringsaftrek - *Gelieerde aandelenvennootschap* Een andere aandelenvennootschap waarbij sprake is van een gelieerdheid als bedoeld in artikel 8, achtste lid, onderdelen b of c, van de Wet VPB 1969 @@ -55,19 +55,21 @@ Op grond van artikel 3:4 BW is een bestanddeel van een zaak: 1. al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, of 2. een zaak die met de hoofdzaak zodanig is verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder beschadiging van betekenis. -De jurisprudentie over deze materie geeft geen eenduidig antwoord. Onder verwijzing naar deze jurisprudentie concludeer ik dat het niet altijd zeker is dat bijvoorbeeld een zonneboiler, -collector, -paneel als onroerend – als onzelfstandig onderdeel van het gebouw – bestempeld kan worden. Daarbij moet nog worden onderkend dat er verschillen zijn in installaties. Zo zijn er zonnepanelen die als het ware 'los op de daken gelegd worden' en panelen die slechts met een viertal schroeven worden bevestigd. Daarvan kan in mijn optiek niet worden gesteld dat zij onroerend zijn geworden. Voor zonneboilers is dat standpunt ook verdedigbaar onder meer onder verwijzing naar Hof ’s-Gravenhage, 6 januari 1972, nr. 21/1971. +Volgens de jurisprudentie is bij de beoordeling of een zaak onroerend is, doorslaggevend of de zaak naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De wijze van bevestiging van bijvoorbeeld een zonneboiler, zonnecollector of zonnepaneel, doet daarbij niet ter zake. Ik keur echter voor de toepassing van de investeringsaftrek (artikel 3.40 e.v. van de Wet IB 2001) goed dat dergelijke zaken (met uitzondering van de zogenoemde geïntegreerde zonnepanelen) als een zelfstandig bedrijfsmiddel zijn aan te merken. -Gelet op het vorenstaande neem ik het standpunt in dat dergelijke zonneboilers, -collectoren en -panelen als afzonderlijke bedrijfsmiddelen kunnen worden aangemerkt, die geen onderdeel gaan uitmaken van de woning waarop of waaraan zij worden aangebracht. Operational lease is dan mogelijk. De uitsluiting van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel c (onderdeel d, tot 2014), van de Wet IB 2001 is dan niet van toepassing. +Ik keur voor de toepassing van de investeringsaftrek (artikel 3.40 e.v. van de Wet IB 2001) goed dat zonnepanelen (met uitzondering van de zogenoemde geïntegreerde zonnepanelen), zonneboilers of zonnecollectoren als een zelfstandig bedrijfsmiddel zijn aan te merken. -### 2.2. Onderdeel van een bedrijfsmiddel: toepassing grens van € 450 of € 2.500 (2014) +Wellicht ten overvloede merk ik op dat de uitsluiting van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel c (tot 2014: onderdeel d) van de Wet IB 2001 dan niet van toepassing is. -Bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 of € 2.500 (vanaf 2014) behoren voor de KIA respectievelijk EIA en MIA (vanaf 2014) niet tot de bedrijfsmiddelen (artikel 3.45, tweede en vierde lid, van de Wet IB 2001, tekst vanaf 2014). Deze uitsluitingsbepalingen gelden voor het investeringsbedrag dat betrekking heeft op een zaak die als een zelfstandig bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt. Daarnaast geldt de uitsluitingsbepaling voor verbeteringskosten van een bedrijfsmiddel. Als sprake is van een investering in een onzelfstandig onderdeel van een bedrijfsmiddel, geldt als investeringsbedrag voor eerdergenoemde uitsluitingsbepaling, het investeringsbedrag van het bedrijfsmiddel als geheel. Als het onderdeel niet gelijktijdig met het bedrijfsmiddel zelf is aangeschaft, zal een zelfstandige toets aan het hiervoor vermelde drempelbedrag noodzakelijk zijn. Het bovenstaande geldt voor de KIA (€ 450), de MIA en de EIA (beide € 2.500 vanaf 2014). +### 2.2. Onderdeel van een bedrijfsmiddel: toepassing grens van € 450 of € 2.500 (2014) -Een onderneming investeert in een nieuwe vrachtauto. Het investeringsbedrag bedraagt € 76.000. Tot het investeringsbedrag behoort een bedrag van € 375 voor een dakspoiler. De dakspoiler staat op de energielijst. De spoiler is op grond van jurisprudentie over het begrip bedrijfsmiddel niet aan te merken als een zelfstandig bedrijfsmiddel. +Bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 of € 2.500 (vanaf 2014) behoren voor de KIA respectievelijk EIA en MIA (vanaf 2014) niet tot de bedrijfsmiddelen (artikel 3.45, tweede en vierde lid, van de Wet IB 2001, tekst vanaf 2014). Deze uitsluitingsbepalingen gelden voor het investeringsbedrag dat betrekking heeft op een zaak die als een zelfstandig bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt. Daarnaast geldt de uitsluitingsbepaling voor verbeteringskosten van een bedrijfsmiddel. Als sprake is van een investering in een onzelfstandig onderdeel van een bedrijfsmiddel, geldt als investeringsbedrag voor eerdergenoemde uitsluitingsbepaling, het investeringsbedrag van het bedrijfsmiddel als geheel. Als het onderdeel niet gelijktijdig met het bedrijfsmiddel zelf is aangeschaft, zal een zelfstandige toets aan het hiervoor vermelde drempelbedrag noodzakelijk zijn. Het bovenstaande geldt voor de KIA (€ 450), de MIA en de EIA (beide € 2.500 vanaf 2014). -Het investeringsbedrag van € 375 is niet als bedrijfsmiddel uitgesloten van EIA op grond van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a (vóór 2014) of artikel 3.45, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 (vanaf 2014) omdat het bedrag onderdeel uitmaakt van de investering in één bedrijfsmiddel, waarvan het bedrag uitgaat boven, of gelijk is aan, € 2.500. Ik wijs er evenwel op dat vanaf 2014 voor de EIA en MIA de aanmelding van aangegane verplichtingen en gemaakte voortbrengingskosten bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (voorheen AgentschapNL) per melding ten minste € 2.500 moet bedragen. +Een onderneming investeert in een nieuwe vrachtauto. Het investeringsbedrag bedraagt € 76.000. Tot het investeringsbedrag behoort een bedrag van € 375 voor een dakspoiler. De dakspoiler staat op de energielijst. De spoiler is op grond van jurisprudentie over het begrip bedrijfsmiddel niet aan te merken als een zelfstandig bedrijfsmiddel. -Als de dakspoiler niet al bij de aanschaf van de vrachtauto was inbegrepen maar later wordt aangeschaft, dan zullen deze verbeteringskosten zijn uitgesloten als bedrijfsmiddel voor de EIA. De verbeteringskosten zijn immers lager dan € 2.500 (vanaf 2014) en € 450 (vóór 2014). +Het investeringsbedrag van € 375 is niet als bedrijfsmiddel uitgesloten van EIA op grond van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a (vóór 2014) of artikel 3.45, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 (vanaf 2014) omdat het bedrag onderdeel uitmaakt van de investering in één bedrijfsmiddel, waarvan het bedrag uitgaat boven, of gelijk is aan, € 2.500. Ik wijs er evenwel op dat vanaf 2014 voor de EIA en MIA de aanmelding van aangegane verplichtingen en gemaakte voortbrengingskosten bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (voorheen AgentschapNL) per melding ten minste € 2.500 moet bedragen. + +Als de dakspoiler niet al bij de aanschaf van de vrachtauto was inbegrepen maar later wordt aangeschaft, dan zullen deze verbeteringskosten zijn uitgesloten als bedrijfsmiddel voor de EIA. De verbeteringskosten zijn immers lager dan € 2.500 (vanaf 2014) en € 450 (vóór 2014). ### 2.3. Niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel; huur of lease gevolgd door aankoop en milieuvriendelijke voertuigen @@ -129,7 +131,7 @@ Ik neem het standpunt in dat exploitanten die gebruik maken van bovengenoemde mo ### 3.3. Timecharters -In zijn arrest van 22 mei 1991, nr. 26 935, heeft de Hoge Raad beslist dat het in reischarter geven van een schip voor de toepassing van de WIR niet kan worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van dat schip in de zin van artikel 61a, vijfde lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet IB 1964 (tekst 1983). +In zijn arrest van 22 mei 1991, nr. 26 935, heeft de Hoge Raad beslist dat het in reischarter geven van een schip voor de toepassing van de WIR niet kan worden aangemerkt als het ter beschikking stellen van dat schip in de zin van artikel 61a, vijfde lid, aanhef en onderdeel i, van de Wet IB 1964 (tekst 1983). Het in time-charter geven van een schip wordt voor de toepassing van de KIA eveneens niet als ter beschikking stellen in de zin van artikel 3.45, tweede lid, van de Wet IB 2001 aangemerkt. @@ -145,9 +147,9 @@ De drempels genoemd in artikel 3.42, derde lid, en artikel 3.42a, derde lid, van Ik keur goed dat bij samenwerkingsverbanden op gezamenlijk, ondertekend verzoek uitsluitend voor de vraag of het drempelbedrag wordt overschreden, de beoordeling geschiedt naar het totale bedrag van de investeringen van de gezamenlijke vennoten van het samenwerkingsverband. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, van een of meer vennoten onherroepelijk vaststaat. Daarbij verklaren de belastingplichtigen er mee in te stemmen dat bij vervreemding van het desbetreffende bedrijfsmiddel de toepassing van artikel 3.47, eerste lid, van de Wet IB 2001 voor de gezamenlijke vennoten plaatsvindt over de overdrachtsprijs van het bedrijfsmiddel. -#### 4.1.2. Investeringsbedrag per bedrijfsmiddel minder dan € 450 of €  2.500 (2014) +#### 4.1.2. Investeringsbedrag per bedrijfsmiddel minder dan € 450 of € 2.500 (2014) -Niet tot de bedrijfsmiddelen worden gerekend bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 (KIA) of € 2.500 (EIA, MIA vanaf 2014 (artikel 3.45 van de Wet IB 2001)). De beoordeling van deze uitsluiting dient plaats te vinden per bedrijfsmiddel en niet per ondernemer. Het is dus voor deze beoordeling niet van belang uit hoeveel vennoten een samenwerkingsverband bestaat. +Niet tot de bedrijfsmiddelen worden gerekend bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 (KIA) of € 2.500 (EIA, MIA vanaf 2014 (artikel 3.45 van de Wet IB 2001)). De beoordeling van deze uitsluiting dient plaats te vinden per bedrijfsmiddel en niet per ondernemer. Het is dus voor deze beoordeling niet van belang uit hoeveel vennoten een samenwerkingsverband bestaat. #### 4.1.3. KIA en de samentelbepaling bij samenwerkingsverbanden @@ -177,7 +179,7 @@ De inspecteur toetst of sprake is van een redelijke verdeling. In het algemeen k Omdat de kapitaalsverhouding pas kenbaar is na een tussentijdse afsluiting van de boeken, mag de kapitaalsverhouding volgens de eindbalans van het laatst afgesloten boekjaar als uitgangspunt worden genomen, mits die verdeling tot een redelijke uitkomst leidt. -Van een redelijke verdeling van een investering over de leden van het samenwerkingsverband is geen sprake als een investering geheel wordt toegerekend aan de beherende vennoten terwijl commanditaire vennoten/natuurlijke personen telijk zijn uitgesloten van de faciliteit. Bij een verdeling van de investering over uitsluitend de beherende vennoten wordt de uitsluiting van commanditaire vennoten voor de artikelen 3.42 en 3.42a van de Wet IB 2001 buiten werking gesteld. Een dergelijke verdeling is niet toegestaan. Tijdens de parlementaire behandeling is aandacht besteed aan investeringen binnen een commanditaire vennootschap in relatie tot de uitsluitingsbepalingen voor de commanditaire vennoot/natuurlijk persoon. Daarbij is aangegeven dat o.a. voor de investeringsaftrek alleen de ondernemers en rechtspersonen meetellen (Kamerstukken II 1999/2000, nr. 26 727, nr. 17, p. 62). Daardoor wordt over het deel van het investeringsbedrag dat niet aan de ondernemers en rechtspersonen in het samenwerkingsverband wordt toegerekend, geen investeringsaftrek genoten. +Van een redelijke verdeling van een investering over de leden van het samenwerkingsverband is geen sprake als een investering geheel wordt toegerekend aan de beherende vennoten terwijl commanditaire vennoten/natuurlijke personen telijk zijn uitgesloten van de faciliteit. Bij een verdeling van de investering over uitsluitend de beherende vennoten wordt de uitsluiting van commanditaire vennoten voor de artikelen 3.42 en 3.42a van de Wet IB 2001 buiten werking gesteld. Een dergelijke verdeling is niet toegestaan. Tijdens de parlementaire behandeling is aandacht besteed aan investeringen binnen een commanditaire vennootschap in relatie tot de uitsluitingsbepalingen voor de commanditaire vennoot/natuurlijk persoon. Daarbij is aangegeven dat o.a. voor de investeringsaftrek alleen de ondernemers en rechtspersonen meetellen (Kamerstukken II 1999/2000, nr. 26 727, nr. 17, p. 62). Daardoor wordt over het deel van het investeringsbedrag dat niet aan de ondernemers en rechtspersonen in het samenwerkingsverband wordt toegerekend, geen investeringsaftrek genoten. Van een onredelijke verdeling is geen sprake als het totale bedrag van de investeringsaftrek niet is gemaximeerd tot het bedrag dat bij een verdeling overeenkomstig de gerechtigdheid tot de (over)winst zou zijn genoten. @@ -189,15 +191,15 @@ Als de leden van een samenwerkingsverband onderling geen afspraken maken over de Als sprake is van een samenwerkingsverband tellen bij het bepalen van het maximale bedrag aan energie-investeringen op grond van artikel 3.42, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 alleen de energie-investeringen van de andere ondernemers en de belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting in het samenwerkingsverband mee. Commanditaire vennoten tellen dus niet mee. -Een samenwerkingsverband bestaat uit zes deelnemers, twee beherende vennoten en vier commanditaire vennoten. De totale energie-investering van het samenwerkingsverband bedraagt € 150.000.000. De beherende vennoten zijn ieder gerechtigd tot 40% van de energie-investering (ieder € 60.000.000), de commanditaire vennoten ieder tot 5%. Het plafond voor het desbetreffende kalenderjaar bedraagt € 118.000.000. Het voor ieder van de beherende vennoten geldende plafond wordt als volgt bepaald: +Een samenwerkingsverband bestaat uit zes deelnemers, twee beherende vennoten en vier commanditaire vennoten. De totale energie-investering van het samenwerkingsverband bedraagt € 150.000.000. De beherende vennoten zijn ieder gerechtigd tot 40% van de energie-investering (ieder € 60.000.000), de commanditaire vennoten ieder tot 5%. Het plafond voor het desbetreffende kalenderjaar bedraagt € 118.000.000. Het voor ieder van de beherende vennoten geldende plafond wordt als volgt bepaald: -60.000.000/120.000.000 x € 118.000.000 = € 59.000.000 +60.000.000/120.000.000 x € 118.000.000 = € 59.000.000 -(dus niet: 60.000.000/150.000.000 x € 118.000.000= € 47.200.000) +(dus niet: 60.000.000/150.000.000 x € 118.000.000= € 47.200.000) ### 4.2. Berekening investeringsaftrek en desinvesteringsbijtelling bij toepassing herinvesteringsreserve of ruilarresten -De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 december 1975, nr. 17 795, beslist dat bij aanwending van een vervangingsreserve de investeringsaftrek behoort te worden verleend over het met de vervangingsreserve verminderde investeringsbedrag (investeringsaftrek zoals die gold tot 24 mei 1978). Het door de Hoge Raad met betrekking tot de investeringsaftrek ingenomen standpunt heeft, naar uit het arrest blijkt, tot gevolg dat de eventuele desinvesteringsbijtelling voor het afgestane bedrijfsmiddel wordt berekend over de verkoopwaarde verminderd met de vervangingsreserve, welk bedrag gelijk is aan de boekwaarde van dat bedrijfsmiddel. In geval van ruil van bedrijfsmiddelen had de Hoge Raad reeds in deze geest geoordeeld (13 maart 1968, nr. 15 848 en 15 oktober 1969, nr. 16 194). +De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 december 1975, nr. 17 795, beslist dat bij aanwending van een vervangingsreserve de investeringsaftrek behoort te worden verleend over het met de vervangingsreserve verminderde investeringsbedrag (investeringsaftrek zoals die gold tot 24 mei 1978). Het door de Hoge Raad met betrekking tot de investeringsaftrek ingenomen standpunt heeft, naar uit het arrest blijkt, tot gevolg dat de eventuele desinvesteringsbijtelling voor het afgestane bedrijfsmiddel wordt berekend over de verkoopwaarde verminderd met de vervangingsreserve, welk bedrag gelijk is aan de boekwaarde van dat bedrijfsmiddel. In geval van ruil van bedrijfsmiddelen had de Hoge Raad reeds in deze geest geoordeeld (13 maart 1968, nr. 15 848 en 15 oktober 1969, nr. 16 194). Ik keur goed dat voor de berekening van de investeringsaftrek als vermeld in artikel 3.40 van de Wet IB 2001 als grondslag wordt genomen de kostprijs van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd, zonder dat deze is verminderd met de op voet van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 gevormde herinvesteringsreserve ter zake van het afgestane bedrijfsmiddel, onder de hierna vermelde voorwaarden. @@ -214,7 +216,7 @@ De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek v Zonder de bovenvermelde verklaring kan van de onderhavige goedkeuring geen gebruik worden gemaakt. Zie bijlage 1 bij dit besluit. -De hiervoor onder *b* genoemde voorwaarde alsmede de sancties hierop, strekken ertoe misbruik van bovenstaande regeling te voorkomen. Een dergelijk misbruik acht ik bijvoorbeeld aanwezig als de inruilprijs van het vervangen bedrijfsmiddel doelbewust wordt verhoogd teneinde voor het nieuw aangeschafte bedrijfsmiddel een hoge grondslag voor de berekening van investeringsaftrek te creëren. Dit geldt eveneens als bij de bepaling van de grondslag voor de berekening van investeringsaftrek doelbewust wordt uitgegaan van de – in vele branches gebruikelijke – zogenoemde bruto-adviesprijzen, zonder dat rekening gehouden wordt met de aldaar gebruikelijke kortingen die zouden worden verleend als geen sprake is van inruil. De kortingen worden dan verleend in de vorm van een hogere inruilprijs. Ik wijs hierbij op de uitspraken van Hof Leeuwarden van 11 februari 1983, nr. 915/82, en Hof Arnhem 8 februari 1989, nr. 2693/1987, gewezen onder de werking van artikel 61a van de Wet IB 1964. Ik acht het onjuist dat de grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek elementen bevat die op deze wijze leiden tot een te hoge investeringsaftrek. +De hiervoor onder *b* genoemde voorwaarde alsmede de sancties hierop, strekken ertoe misbruik van bovenstaande regeling te voorkomen. Een dergelijk misbruik acht ik bijvoorbeeld aanwezig als de inruilprijs van het vervangen bedrijfsmiddel doelbewust wordt verhoogd teneinde voor het nieuw aangeschafte bedrijfsmiddel een hoge grondslag voor de berekening van investeringsaftrek te creëren. Dit geldt eveneens als bij de bepaling van de grondslag voor de berekening van investeringsaftrek doelbewust wordt uitgegaan van de – in vele branches gebruikelijke – zogenoemde bruto-adviesprijzen, zonder dat rekening gehouden wordt met de aldaar gebruikelijke kortingen die zouden worden verleend als geen sprake is van inruil. De kortingen worden dan verleend in de vorm van een hogere inruilprijs. Ik wijs hierbij op de uitspraken van Hof Leeuwarden van 11 februari 1983, nr. 915/82, en Hof Arnhem 8 februari 1989, nr. 2693/1987, gewezen onder de werking van artikel 61a van de Wet IB 1964. Ik acht het onjuist dat de grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek elementen bevat die op deze wijze leiden tot een te hoge investeringsaftrek. @@ -230,13 +232,13 @@ Als in een boekjaar een door een calamiteit teloorgegaan net aangeschaft bedrijf Als in een boekjaar een door een calamiteit teloorgegaan net aangeschaft bedrijfsmiddel wordt vervangen, keur ik goed dat het teloorgegane bedrijfsmiddel niet meetelt voor de toepassing van de investeringsaftrek. De goedkeuring ziet op de investeringsaftrek; het is dus niet mogelijk gebruik te maken van de goedkeuring voor de toepassing van de KIA en tegelijk voor de toepassing van de MIA of EIA wèl uit te gaan van twee investeringen (als het bedrijfsmiddel op de energie- of milieulijst zou staan). -X koopt een vrachtwagen voor € 102.000. Een week na de aankoop gaat de vrachtwagen in vlammen op. Van de verzekeringspenningen wordt meteen daarna – opnieuw – een zelfde vrachtwagen gekocht. In het boekjaar wordt derhalve voor € 204.000 aan vrachtwagens gekocht. Overigens heeft X geen investeringen gedaan. De KIA bedraagt in dat jaar € 7.783. Was er geen brand geweest dan had de KIA € 15.470 bedragen (één vrachtwagen). Door de goedkeuring telt de eerste investering van € 102.000 niet mee. X krijgt KIA over € 102.000. +X koopt een vrachtwagen voor € 102.000. Een week na de aankoop gaat de vrachtwagen in vlammen op. Van de verzekeringspenningen wordt meteen daarna – opnieuw – een zelfde vrachtwagen gekocht. In het boekjaar wordt derhalve voor € 204.000 aan vrachtwagens gekocht. Overigens heeft X geen investeringen gedaan. De KIA bedraagt in dat jaar € 7.783. Was er geen brand geweest dan had de KIA € 15.470 bedragen (één vrachtwagen). Door de goedkeuring telt de eerste investering van € 102.000 niet mee. X krijgt KIA over € 102.000. ### 4.5. Vervanging asbesthoudende daken -Vanaf 2014 zijn woonhuizen en woonschepen niet langer uitgesloten van MIA. Beoogd is bedrijfsmatige verhuurders van woonruimte in aanmerking te laten komen voor MIA als zij asbesthoudende daken van woonhuizen vervangen. Bij de parlementaire behandeling heb ik toegezegd voor zoveel nodig goed te keuren dat bij de vervanging van asbesthoudende daken sprake is van een verbetering (investering) en niet van onderhoud (Kamerstukken II 2013/2014, 33 752, nr. 11, p. 73). Onderstaande goedkeuring voorziet daarin en geldt vanaf 2014 ook voor niet-woningen. +Vanaf 2014 zijn woonhuizen en woonschepen niet langer uitgesloten van MIA. Beoogd is bedrijfsmatige verhuurders van woonruimte in aanmerking te laten komen voor MIA als zij asbesthoudende daken van woonhuizen vervangen. Bij de parlementaire behandeling heb ik toegezegd voor zoveel nodig goed te keuren dat bij de vervanging van asbesthoudende daken sprake is van een verbetering (investering) en niet van onderhoud (Kamerstukken II 2013/2014, 33 752, nr. 11, p. 73). Onderstaande goedkeuring voorziet daarin en geldt vanaf 2014 ook voor niet-woningen. -Met ingang van 1 januari 2014 mag onder onderstaande voorwaarde de vervanging van asbesthoudende daken, dakgoten of gevels (milieulijst 2014 nummers F6390, C6400) voor de investeringsaftrek als investering worden aangemerkt. Er hoeft dus geen onderscheid te worden gemaakt tussen onderhoud en verbetering. De totale uitgave mag als investering worden aangemerkt. Dat betekent dat niet alleen MIA kan worden verkregen maar – als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan – ook KIA. +Met ingang van 1 januari 2014 mag onder onderstaande voorwaarde de vervanging van asbesthoudende daken, dakgoten of gevels (milieulijst 2014 nummers F6390, C6400) voor de investeringsaftrek als investering worden aangemerkt. Er hoeft dus geen onderscheid te worden gemaakt tussen onderhoud en verbetering. De totale uitgave mag als investering worden aangemerkt. Dat betekent dat niet alleen MIA kan worden verkregen maar – als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan – ook KIA. De voorwaarde luidt dat de belastingplichtige die gebruik maakt van de goedkeuring ook in zijn winstbepaling rekening moet houden met het feit dat de dakvervanging is aangemerkt als investering. De onderhoudscomponent mag dus niet ineens als kosten in mindering worden gebracht bij het bepalen van de winst, maar moet ook als investering worden behandeld. Op investeringen wordt afgeschreven, mogelijk kan de belastingplichtige gebruik maken van de Vamil. @@ -268,7 +270,7 @@ Het ontmoet bij mij geen bezwaar dat men, als een verplichting betrekking heeft Het moet gaan om reële verplichtingen tot betaling aangegaan tussen naaste verwanten voor de verwerving of verbetering van een bedrijfsmiddel. Schulden ter zake van de verwerving of verbetering van een bedrijfsmiddel aan de naaste verwant moeten met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Bovendien mag geen sprake zijn van een kennelijk vooruitlopen op een erfrechtelijke verkrijging (schuldig blijven zonder rekening te houden met bijvoorbeeld de leeftijd van de naaste verwant tegenover wie de verplichtingen worden aangegaan). Als een lening met het oog op de toepassing van de regeling van durfkapitaal (artikel 5.17, eerste lid, van de Wet IB 2001, tot 2013) is achtergesteld en voor het overige als tussen derden gebruikelijk kan worden beschouwd, komt de ondernemer/geldlener in aanmerking voor investeringsaftrek. -Als een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 28 november 2013, nr. BLKB2013/2197M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voornoemd besluit in het jaar van aangaan van de verplichtingen als disconteringsfactor toegepast. +Als een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 28 november 2013, nr. BLKB2013/2197M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voornoemd besluit in het jaar van aangaan van de verplichtingen als disconteringsfactor toegepast. Ter voldoening aan de verplichtingen tussen naaste verwanten voor de verwerving of verbetering van bedrijfsmiddelen kunnen bijvoorbeeld ook de daarop betrekking hebbende schulden aan derden worden overgenomen. Civielrechtelijk wordt dit aangeduid als passief-subjectieve novatie in de vorm van delegatie. Ook kan verrekening van een op de balans voorkomende vordering ter zake van achterstallig loon plaatsvinden. De verplichtingen moeten schriftelijk worden vastgelegd. @@ -322,7 +324,7 @@ Een erfgenaam die is onterfd en geen beroep doet op zijn legitieme portie en die Het moet gaan om reële verplichtingen tot betaling wegens overbedeling aangegaan jegens de overige erfgenamen. Het overnemen van schulden is in het kader van erfrechtelijke verkrijgingen niet het aangaan van verplichtingen voor de verwerving van een bedrijfsmiddel, aangezien bij erfrechtelijke verkrijgingen sprake is van een overgang onder algemene titel. Dit is anders bij het aangaan van verplichtingen tussen naaste verwanten alwaar door het overnemen van schulden invulling wordt gegeven aan de betalingsverplichting jegens deze naaste verwant. -Schulden ter zake van de overbedeling aan de overige erfgenamen moeten met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Als een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 5 december 2012, nr. BLKB2012/1865M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voormeld besluit in het jaar van aangaan van de verplichting, als disconteringsfactor toegepast. De verplichtingen behoren schriftelijk te worden vastgelegd. +Schulden ter zake van de overbedeling aan de overige erfgenamen moeten met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Als een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 5 december 2012, nr. BLKB2012/1865M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voormeld besluit in het jaar van aangaan van de verplichting, als disconteringsfactor toegepast. De verplichtingen behoren schriftelijk te worden vastgelegd. ##### 5.2.2.5. Verandering of niet-nakoming van verplichtingen @@ -533,9 +535,9 @@ Hierbij valt aan de volgende mogelijkheden te denken: − verhuur van de onderneming met een optierecht voor de huurder uit te oefenen na het overlijden van de verhuurder; − verlenen van een optierecht zonder verhuur van de onderneming, waarbij de toekomstige koper tegen een gedeelte van de winst de onderneming tot aan het tijdstip van uitoefening van het recht – namelijk bij overlijden – drijft; -− aangaan van een firma-overeenkomst met de koper waarbij de oorspronkelijke ondernemer zich de stille reserves voorbehoudt en waarbij pas na overlijden van deze firmant de onderneming aan de nieuwe firmant – bijvoorbeeld door middel van een overnemingsbeding – wordt geleverd (zie HR 5 november 1958, nr. 13 658); -− toekenning van een legaat – zijnde de onderneming – tegen inbreng (zie HR 17 januari 1964, NJ 1965/126 en Antwoord staatssecretaris Van den Berge in de vergadering van de Eerste Kamer van 9 december 1964, Handelingen, blz. 223 rk.); -− verkoop van de onderneming met uitstel van levering gedurende een bepaalde tijd en vervolgens of verhuur van de onderneming aan de koper, of het door de koper tegen een aandeel in de winst laten drijven van de onderneming, tot het leveringstijdstip. Het leveringstijdstip dient dan wel na de vermoedelijke overlijdensdatum te liggen om de overdrachtswinst als overlijdenswinst aan te merken (zie HR 29 oktober 1958, nr. 13 648, en Hof Amsterdam 20 april 1970, nr. 315/1969). +− aangaan van een firma-overeenkomst met de koper waarbij de oorspronkelijke ondernemer zich de stille reserves voorbehoudt en waarbij pas na overlijden van deze firmant de onderneming aan de nieuwe firmant – bijvoorbeeld door middel van een overnemingsbeding – wordt geleverd (zie HR 5 november 1958, nr. 13 658); +− toekenning van een legaat – zijnde de onderneming – tegen inbreng (zie HR 17 januari 1964, NJ 1965/126 en Antwoord staatssecretaris Van den Berge in de vergadering van de Eerste Kamer van 9 december 1964, Handelingen, blz. 223 rk.); +− verkoop van de onderneming met uitstel van levering gedurende een bepaalde tijd en vervolgens of verhuur van de onderneming aan de koper, of het door de koper tegen een aandeel in de winst laten drijven van de onderneming, tot het leveringstijdstip. Het leveringstijdstip dient dan wel na de vermoedelijke overlijdensdatum te liggen om de overdrachtswinst als overlijdenswinst aan te merken (zie HR 29 oktober 1958, nr. 13 648, en Hof Amsterdam 20 april 1970, nr. 315/1969). Als binnen een samenwerkingsverband de onderneming wordt overgedragen aan een of meer personen die de onderneming mede drijven kan geen gebruik worden gemaakt van bovengenoemde goedkeuring. In die gevallen kunnen de wettelijke mogelijkheden worden benut. @@ -551,7 +553,7 @@ De inspecteurs zijn gemachtigd zelfstandig te beslissen op de verzoeken. Een ondernemer die verplichtingen aangaat voor de aanschaffing of verbetering van bedrijfsmiddelen kan in aanmerking komen voor investeringsaftrek. In de wet staat dat voor investeringsaftrek moet worden gekozen bij de aangifte. Kiezen bij de aangifte kan uiterlijk tot het moment waarop de aanslag onherroepelijk vaststaat. Wie daarna kiest, komt niet in aanmerking voor ambtshalve vermindering (artikel 9.6 van de Wet IB 2001 jo. artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001 en het BFB, onderdeel 17). -Ik heb besloten gebruik te maken van de mogelijkheid een bijzondere regeling te treffen voor de investeringsaftrek (art 45aa, onderdeel c, uitvoeringsregeling IB 2001, BFB, onderdeel 17, § 12). In het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, was al een versoepeling aangebracht voor de EIA en MIA. Deze breid ik nu uit naar de KIA. De belastingplichtige die verzuimd heeft voor investeringsaftrek te kiezen bij de aangifte kan daardoor alsnog de inspecteur verzoeken om ambtshalve vermindering. Dat betekent dat binnen vijf jaren alsnog een verzoek om KIA, EIA of MIA kan worden gedaan. Daarbij geldt dat de termijn aanvangt na het einde van het jaar waarin de investeringsaftrek in aanmerking had kunnen worden genomen, ook al vond de investering in een eerder jaar plaats. Het verzoek om ambtshalve vermindering kan mede omvatten het verzoek om onder de investering te begrijpen de kosten van een energie-advies (artikel 3.42, vijfde lid, van de Wet IB 2001) of van een milieu-advies (artikel 3.42a, vierde lid, van de Wet IB 2001). +Ik heb besloten gebruik te maken van de mogelijkheid een bijzondere regeling te treffen voor de investeringsaftrek (art 45aa, onderdeel c, uitvoeringsregeling IB 2001, BFB, onderdeel 17, § 12). In het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, was al een versoepeling aangebracht voor de EIA en MIA. Deze breid ik nu uit naar de KIA. De belastingplichtige die verzuimd heeft voor investeringsaftrek te kiezen bij de aangifte kan daardoor alsnog de inspecteur verzoeken om ambtshalve vermindering. Dat betekent dat binnen vijf jaren alsnog een verzoek om KIA, EIA of MIA kan worden gedaan. Daarbij geldt dat de termijn aanvangt na het einde van het jaar waarin de investeringsaftrek in aanmerking had kunnen worden genomen, ook al vond de investering in een eerder jaar plaats. Het verzoek om ambtshalve vermindering kan mede omvatten het verzoek om onder de investering te begrijpen de kosten van een energie-advies (artikel 3.42, vijfde lid, van de Wet IB 2001) of van een milieu-advies (artikel 3.42a, vierde lid, van de Wet IB 2001). Ik heb daarbij onder meer overwogen dat bij deze faciliteit de aanwezigheid van een keuze minder belangrijk is, de investeringsaftrek vrijwel altijd voordelig is, de keuze niet doorwerkt naar anderen en dat enige soepelheid past bij het karakter van deze investeringsfaciliteit voor ondernemers. @@ -565,11 +567,11 @@ Voor gevallen waarin een verzoek om ambtshalve vermindering in verband met de KI ### 7.2. Aanmelding van de investering als energie- of milieulijst in de loop van het jaar wordt vastgesteld -Ingeval de energie- of milieulijst in de loop van een kalenderjaar met terugwerkende kracht tot en met 1 januari van dat jaar wordt vastgesteld, geldt een aangepaste meldingstermijn. De meldingstermijn begint in die situaties te lopen op de dag van de publicatie van de energie- of milieulijst. +Ingeval de energie- of milieulijst in de loop van een kalenderjaar met terugwerkende kracht tot en met 1 januari van dat jaar wordt vastgesteld, geldt een aangepaste meldingstermijn. De meldingstermijn begint in die situaties te lopen op de dag van de publicatie van de energie- of milieulijst. -X investeert op 15 januari in een bedrijfsmiddel. De milieulijst voor dat jaar wordt veertien dagen later, op 29 januari, vastgesteld en op 2 februari van dat jaar gepubliceerd. Het bedrijfsmiddel staat op die milieulijst. +X investeert op 15 januari in een bedrijfsmiddel. De milieulijst voor dat jaar wordt veertien dagen later, op 29 januari, vastgesteld en op 2 februari van dat jaar gepubliceerd. Het bedrijfsmiddel staat op die milieulijst. -De aanmeldingstermijn vangt aan op 2 februari van dat jaar. Dat betekent dat X de investering uiterlijk moet melden op 1 mei van datzelfde jaar (binnen drie maanden vanaf 2 februari). +De aanmeldingstermijn vangt aan op 2 februari van dat jaar. Dat betekent dat X de investering uiterlijk moet melden op 1 mei van datzelfde jaar (binnen drie maanden vanaf 2 februari). ### 7.3. Aanmelding van de investering bij fiscale eenheid @@ -595,7 +597,7 @@ c. Als een zelfstandig belastingplichtige vennootschap de aanmelding heeft verri ## 8. Ingetrokken regeling -Het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, Staatscourant 2009, 1405, is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken. +Het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, Staatscourant 2009, 1405, is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken. ## 9. Inwerkingtreding