2025-01-01 | BWBR0008659 | Huursubsidiewet
This commit is contained in:
parent
6cc4ddbd7e
commit
ec7ecdb147
1 changed files with 32 additions and 46 deletions
|
|
@ -27,7 +27,7 @@ c. huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning
|
|||
d. huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning;
|
||||
e. huurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;
|
||||
f. onderhuurder: persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
|
||||
g. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
|
||||
g. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
|
||||
h. rekenhuur: de rekenhuur, bedoeld in artikel 5;
|
||||
i. rekeninkomen: de gezamenlijke toetsingsinkomens, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, die in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de draagkracht, bedoeld in artikel 7 van die wet;
|
||||
j. standplaats: kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
|
||||
|
|
@ -48,10 +48,8 @@ l. woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats e
|
|||
|
||||
In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. eenpersoonshuishouden: het huishouden van een huurder die, afgezien van een eventuele onderhuurder en de tot het huishouden van de onderhuurder behorende personen, als enige een woning bewoont, en die op 1 januari van het berekeningsjaar jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
|
||||
b. meerpersoonshuishouden: het huishouden van een huurder die samen met diens partner of een of meer medebewoners een woning bewoont, indien geen van deze personen op 1 januari van het berekeningsjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;
|
||||
c. eenpersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een huurder die, afgezien van een eventuele onderhuurder en de tot het huishouden van de onderhuurder behorende personen, als enige een woning bewoont, en die op 1 januari van het berekeningsjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;
|
||||
d. meerpersoonsouderenhuishouden: het huishouden van een huurder die samen met diens partner of een of meer medebewoners een woning bewoont, indien een of meer van deze personen op 1 januari van het berekeningsjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
|
||||
a. eenpersoonshuishouden: het huishouden van een huurder die, afgezien van een eventuele onderhuurder en de tot het huishouden van de onderhuurder behorende personen, als enige een woning bewoont;
|
||||
b. meerpersoonshuishouden: het huishouden van een huurder die samen met diens partner of een of meer medebewoners een woning bewoont.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
|
|
@ -150,13 +148,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Geen huurtoeslag wordt toegekend als de rekenhuur:
|
||||
|
||||
a. hoger is dan € 879,66 per maand als:
|
||||
a. hoger is dan € 900,07 per maand als:
|
||||
|
||||
1º. de huurder, diens partner of een van de medebewoners 23 jaar of ouder is, dan wel de woning deelt met een kind of pleegkind van de huurder, diens partner of een medebewoner of
|
||||
2º. de huurder, diens partner of de medebewoner jonger dan 23 jaar is, en een handicap heeft
|
||||
|
||||
of
|
||||
b. hoger is dan € 454,47 per maand in andere gevallen dan bedoeld onder a.
|
||||
b. hoger is dan € 477,20 per maand in andere gevallen dan bedoeld onder a.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -178,12 +176,12 @@ c. na overschrijding van de bedragen, genoemd in het eerste lid, als de huurder
|
|||
|
||||
Het norminkomen bedraagt:
|
||||
|
||||
a. € 27.725 bij een eenpersoonshuishouden;
|
||||
b. € 37.625 bij een meerpersoonshuishouden;
|
||||
c. € 26.486,12 bij een eenpersoonsouderenhuishouden;
|
||||
d. € 35.061,14 bij een meerpersoonsouderenhuishouden.
|
||||
a. € 28.375 bij een eenpersoonshuishouden;
|
||||
b. € 38.500 bij een meerpersoonshuishouden;
|
||||
c. € 27.100,60 bij een eenpersoonsouderenhuishouden;
|
||||
d. € 35.784,56 bij een meerpersoonsouderenhuishouden.
|
||||
|
||||
**2.** Het norminkomen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt vermeerderd met het bedrag van de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, per kalenderjaar, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, onderscheidenlijk twee maal dat bedrag, en verder vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk € 1 462.
|
||||
**2.** Het norminkomen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk € 1 462.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
|
||||
|
||||
|
|
@ -205,19 +203,17 @@ De basishuur is het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van de huurder b
|
|||
|
||||
Het minimum-inkomensijkpunt wordt verkregen door:
|
||||
|
||||
a. voor een eenpersoonshuishouden: de uitkomst van 81% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te vermeerderen met € 572;
|
||||
b. voor een meerpersoonshuishouden: de uitkomst van 108% van het twaalfvoud van het bedrag per maand, bedoeld in onderdeel a, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te vermeerderen met € 144;
|
||||
c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, en de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van die wet, per kalenderjaar, zoals die inkomensondersteuning naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 340;
|
||||
d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: de uitkomst van twee maal het bedrag van het bruto-ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, en twee maal de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van die wet, per kalenderjaar, zoals die inkomensondersteuning naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 512.
|
||||
a. voor een eenpersoonshuishouden: de uitkomst van het bedrag van het bruto- ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 340;
|
||||
b. voor een meerpersoonshuishouden: de uitkomst van twee maal het bedrag van het bruto- ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, vermeerderd met het bedrag van de bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, zoals dat bedrag naar redelijke verwachting in het berekeningsjaar zal luiden, te herrekenen naar een jaarinkomen in het berekeningsjaar en dat jaarinkomen te vermeerderen met € 2 512.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het minimum-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 226,67.
|
||||
**2.** Bij het minimum-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 238,01.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De normhuur, bedoeld in het tweede lid, wordt verlaagd met:
|
||||
|
||||
a. € 1,82 als sprake is van een eenpersoonsouderenhuishouden, en
|
||||
b. € 3,63 als sprake is van een meerpersoonsouderenhuishouden.
|
||||
a. € 1,82 als sprake is van een eenpersoonshuishouden, en
|
||||
b. € 3,63 als sprake is van een meerpersoonshuishouden.
|
||||
|
||||
**4.** Het in het tweede lid genoemde bedrag wordt met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
|
||||
|
||||
|
|
@ -227,25 +223,19 @@ b. € 3,63 als sprake is van een meerpersoonsouderenhuishouden.
|
|||
|
||||
Het referentie-inkomensijkpunt bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor een eenpersoonshuishouden: € 30.550;
|
||||
b. voor een meerpersoonshuishouden: € 39.700;
|
||||
c. voor een eenpersoonsouderenhuishouden: € 30.575;
|
||||
d. voor een meerpersoonsouderenhuishouden: € 39.875.
|
||||
a. voor een eenpersoonshuishouden: € 32.625;
|
||||
b. voor een meerpersoonshuishouden: € 42.475.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het derde lid en van artikel 19, tweede lid, worden de bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, vermeerderd met € 665 onderscheidenlijk € 1 462.
|
||||
**2.** Bij het referentie-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 483,78.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het referentie-inkomensijkpunt behoort een normhuur van € 460,74.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
De normhuur, bedoeld in het tweede lid, wordt verlaagd met:
|
||||
|
||||
De normhuur, bedoeld in het derde lid, wordt verlaagd met:
|
||||
a. € 2,27 als sprake is van een eenpersoonshuishouden; en
|
||||
b. € 4,54 als sprake is van een meerpersoonshuishouden.
|
||||
|
||||
a. € 1,82 als sprake is van een eenpersoonshuishouden;
|
||||
b. € 2,27 als sprake is van een eenpersoonsouderenhuishouden;
|
||||
c. € 3,63 als sprake is van een meerpersoonshuishouden en
|
||||
d. € 4,54 als sprake is van een meerpersoonsouderenhuishouden.
|
||||
|
||||
**5.** De in het eerste en derde lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
|
||||
**4.** De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
|
|
@ -271,14 +261,14 @@ Y: het rekeninkomen.
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** De kwaliteitskortingsgrens is € 454,47 per maand.
|
||||
**1.** De kwaliteitskortingsgrens is € 477,20 per maand.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De aftoppingsgrens is:
|
||||
|
||||
a. € 650,43 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat;
|
||||
b. € 697,07 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat.
|
||||
a. € 682,96 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat;
|
||||
b. € 731,93 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden met ingang van 1 januari van elk jaar gewijzigd overeenkomstig artikel 27.
|
||||
|
||||
|
|
@ -292,15 +282,11 @@ De hoogte van de huurtoeslag wordt als volgt bepaald:
|
|||
|
||||
a. het deel van de rekenhuur boven de basishuur tot aan de kwaliteitskortingsgrens wordt voor 100 procent gesubsidieerd;
|
||||
b. het deel van de rekenhuur boven de kwaliteitskortingsgrens tot aan de aftoppingsgrens wordt voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage gesubsidieerd;
|
||||
c. het deel van de rekenhuur boven de aftoppingsgrens wordt voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage gesubsidieerd:
|
||||
|
||||
1º. als de huurder, diens partner of één van de medebewoners de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt;
|
||||
2º. als het een eenpersoonshuishouden betreft, of
|
||||
3º. als de huurder een woning bewoont of betrekt waarin aanpassingen zijn aangebracht in en rond de woning, die noodzakelijk zijn in verband met een handicap van de huurder, diens partner of een medebewoner.
|
||||
c. het deel van de rekenhuur boven de aftoppingsgrens wordt voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage gesubsidieerd.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, als de basishuur op of boven de kwaliteitskortingsgrens ligt, het deel van de rekenhuur boven de basishuur tot aan de aftoppingsgrens voor het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gesubsidieerd.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid wordt, als de basishuur op of boven de aftoppingsgrens ligt, het deel van de rekenhuur boven de basishuur voor het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gesubsidieerd, in de gevallen, bedoeld in dat onderdeel.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid wordt, als de basishuur op of boven de aftoppingsgrens ligt, het deel van de rekenhuur boven de basishuur voor het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gesubsidieerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
|
|
@ -366,17 +352,17 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** Naast de wijziging op grond van het eerste lid kan het bedrag, genoemd in artikel 14, eerste lid (norminkomen), bij ministeriële regeling worden gewijzigd ter voorkoming van onbedoelde gevolgen van maatregelen met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden, met ingang van 1 januari van elk jaar, de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid, onderdeel b (maximale huurgrens), 17, tweede lid (bij minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), 18, derde lid (bij referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), en 20, eerste en tweede lid (kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrenzen), gewijzigd met het percentage van de huurprijsontwikkeling, zoals die naar redelijke verwachting in het tijdvak dat loopt van 1 juli van het aan het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 juli van het berekeningsjaar zal plaatsvinden.
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden, met ingang van 1 januari van elk jaar, de bedragen, genoemd in de artikelen 13, eerste lid, onderdeel b (maximale huurgrens), 17, tweede lid (bij minimum-inkomensijkpunt behorende normhuur), 18, tweede lid (bij referentie-inkomensijkpunt behorende normhuur), en 20, eerste en tweede lid (kwaliteitskortingsgrens en aftoppingsgrenzen), gewijzigd met het percentage van de huurprijsontwikkeling, zoals die naar redelijke verwachting in het tijdvak dat loopt van 1 juli van het aan het berekeningsjaar voorafgaande jaar tot 1 juli van het berekeningsjaar zal plaatsvinden.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling wordt elk jaar, na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de hoogte vastgesteld van de bedragen, zoals die met ingang van 1 januari krachtens artikel 17, eerste lid, als minimum-inkomensijkpunten gelden.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van elk jaar de bedragen, genoemd in artikel 18, eerste lid (referentie-inkomensijkpunten), gewijzigd met het percentage, waarmee de in het berekeningsjaar verwachte corresponderende bedragen krachtens artikel 17, eerste lid, onderdelen a en b, en de in het berekeningsjaar verwachte corresponderende bedragen en tegemoetkomingen krachtens de onderdelen c en d van dat artikellid (minimum-inkomensijkpunten), afwijken van de corresponderende bedragen en tegemoetkomingen die in het daaraan voorafgaande berekeningsjaar gelden krachtens de in dat artikellid genoemde wetten. Van dit percentage kan worden afgeweken, voor zover de wijziging van de in artikel 17, eerste lid, bedoelde jaarinkomens onbedoeld afwijkt van de wijziging welke naar verwachting plaats zal vinden met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt.
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden met ingang van 1 januari van elk jaar de bedragen, genoemd in artikel 18, eerste lid (referentie-inkomensijkpunten), gewijzigd met het percentage, waarmee de in het berekeningsjaar verwachte corresponderende bedragen krachtens artikel 17, eerste lid, onderdelen a en b (minimum-inkomensijkpunten), afwijken van de corresponderende bedragen die in het daaraan voorafgaande berekeningsjaar gelden krachtens de in dat artikellid genoemde wetten. Van dit percentage kan worden afgeweken, voor zover de wijziging van de in artikel 17, eerste lid, bedoelde jaarinkomens onbedoeld afwijkt van de wijziging welke naar verwachting plaats zal vinden met betrekking tot de inkomens boven het minimum-inkomensijkpunt.
|
||||
|
||||
**6.** De bedragen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden naar boven afgerond op hele eurocenten, met uitzondering van de norminkomens, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b (maximum inkomen bij een- en meerpersoonshuishoudens), die naar boven worden afgerond op een veelvoud van € 25. De bedragen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, en de som van de bedragen, genoemd in artikel 14, eerste lid, onderdelen c of d, en bedoeld in artikel 14, tweede lid (maximum inkomen bij een- en meerpersoonsouderenhuishoudens), worden naar boven afgerond op een veelvoud van € 25. Bij een volgende wijziging van de norminkomens en de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, wordt uitgegaan van de bedragen zoals die waren, voordat zij werden afgerond.
|
||||
|
||||
**7.** De overeenkomstig het eerste tot en met zesde lid vastgestelde, vanaf 1 januari geldende minimum-inkomensijkpunten, referentie-inkomensijkpunten, maximale inkomensgrenzen, normhuren, de als gevolg daarvan voor de onderscheiden typen huishouden gewijzigde factoren, bedoeld in artikel 19, tweede lid, maximale huur-, kwaliteitskortings- en aftoppingsgrenzen, worden elk jaar uiterlijk op 1 november daaraan voorafgaand in de Staatscourant bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
**8.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen, genoemd in de artikelen 5, derde lid, onderdelen a, b, c, en d (maximum service-kosten), 16 (verhoging van de normhuur), 17, eerste lid, onderdelen c en d (ouderentoeslag bij minimum-inkomensijkpunt), en derde lid, onderdelen a en b (verlaging van de normhuur bij minimum-inkomensijkpunt), en 18, vierde lid, onderdelen a, b, c en d (verlaging van de normhuur bij referentie-inkomensijkpunt), hoger of lager worden gesteld.
|
||||
**8.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen, genoemd in de artikelen 5, derde lid, onderdelen a, b, c, en d (maximum service-kosten), 16 (verhoging van de normhuur), 17, eerste lid, onderdelen a en b (toeslag bij minimum-inkomensijkpunt), en derde lid, onderdelen a en b (verlaging van de normhuur bij minimum-inkomensijkpunt), en artikel 18, derde lid, onderdelen a en b (verlaging van de normhuur bij referentie-inkomensijkpunt), hoger of lager worden gesteld.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Hulp- en informatiepunten
|
||||
|
||||
|
|
@ -516,7 +502,7 @@ De Dienst Toeslagen verstrekt op verzoek aan burgemeester en wethouders de voor
|
|||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 21, eerste lid, en 27, achtste lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging acht weken zijn verstreken.
|
||||
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 21, eerste lid, en 27, achtste lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging vier weken zijn verstreken.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue