2017-07-01 | BWBR0036702 | Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015

This commit is contained in:
Coornhert 2017-07-01 12:00:00 +00:00
parent 59aa8f98b5
commit ecf59fe386

View file

@ -22,8 +22,10 @@ Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan
*Autoriteit Consument en Markt:* Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;
*basisrentelening:* lening met een vaste contractrente vermeerderd met een opslag die periodiek door de instantie die die lening verstrekt wordt herzien, welke voldoet aan de eisen voor het verstrekken van borging als opgenomen in de standaardleningovereenkomst van de borgingsvoorziening;
*beleggingen:* door toegelaten instellingen of dochtermaatschappijen uitgezette middelen die tijdelijk niet benodigd zijn om aan hun lopende financiële verplichtingen te voldoen, met uitzondering van financiële derivaten;
*beleggingen:* door toegelaten instellingen of dochtermaatschappijen uitgezette middelen die tijdelijk niet benodigd zijn om aan hun lopende financiële verplichtingen te voldoen, met uitzondering van collegiale leningen en financiële derivaten;
*bewonersorganisaties:* in het belang van huurders van woongelegenheden van toegelaten instellingen werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f respectievelijk g, van de Wet op het overleg huurders verhuurder;
*blijvend gereguleerde woongelegenheid:* woongelegenheid met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, niet kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag;
*collegiale leningen:* door toegelaten instellingen aan andere toegelaten instellingen verstrekte leningen;
*complex:* een verzameling van meer dan één in elkaars nabijheid gelegen woongelegenheden welke financieel, administratief, bouwkundig of anderszins een eenheid vormen;
*daeb-tak:* administratief afzonderlijk ingericht deel van de toegelaten instelling, dat werkzaamheden verricht die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang;
*financiële derivaten:*
@ -33,6 +35,7 @@ b. onderdelen van financiële contracten die, op zichzelf beschouwd, financiële
*financiële onderneming:* onderneming die in een lidstaat het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen;
*fuserende toegelaten instelling:* toegelaten instelling of instellingen die, al dan niet gezamenlijk met andere bij een fusie betrokken rechtspersonen of vennootschappen, een verzoek om goedkeuring van een door haar of hen voorgenomen fusie indient of indienen, of die indiening voorbereiden;
*fusie:* fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
*geliberaliseerde woongelegenheid:* woongelegenheid die is verhuurd of laatstelijk was verhuurd tegen een huurprijs die hoger is dan het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag;
*gemengd complex:* complex waarvan zowel woongelegenheden deel uitmaken met betrekking tot welke de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, kan leiden tot een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, als woongelegenheden deel uitmaken met betrekking tot welke die waardering kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag;
*gemengd geliberaliseerd complex:* gemengd complex waarin met betrekking tot minder dan 10% van de daarvan deel uitmakende woongelegenheden de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, kan leiden tot een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag;
*gemengd gereguleerd complex:* gemengd complex waarin met betrekking tot 10% of meer van de daarvan deel uitmakende woongelegenheden de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, kan leiden tot een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag;
@ -236,8 +239,8 @@ d. professionele beleggers als bedoeld in artikel 1:1, begripsomschrijving van p
In afwijking van het eerste lid, onderdelen b en c, zijn de categorieën van instellingen, bedoeld in artikel 21c, eerste lid, van de wet:
a. banken als bedoeld in de onderdelen c en d met ten minste een single A-rating of een daarmee vergelijkbare rating, afgegeven door ten minste twee van de bij ministeriële regeling te noemen ratingbureaus, indien de transacties betrekking hebben op beleggingen of financiële derivaten;
b. banken als bedoeld in de onderdelen c en d met een lagere dan single B-rating of zonder rating indien de transacties uitsluitend betrekking hebben op het aantrekken van leningen.
a. banken als bedoeld in de onderdelen b en c met ten minste een single A-rating of een daarmee vergelijkbare rating, afgegeven door ten minste twee van de bij ministeriële regeling te noemen ratingbureaus, indien de transacties betrekking hebben op beleggingen of financiële derivaten;
b. banken als bedoeld in de onderdelen b en c met een lagere dan single B-rating of zonder rating indien de transacties uitsluitend betrekking hebben op het aantrekken van leningen.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen andere daarbij te bepalen categorieën van instellingen worden aangewezen, indien zonder die aanwijzing het aangaan van financiële transacties door toegelaten instellingen op een wijze zou worden belemmerd die strijdig is met het belang van de volkshuisvesting.
@ -268,7 +271,7 @@ Onze Minister betrekt bij een besluit tot het nemen waarvan hij ingevolge de wet
De inkomensgrens in de zin van artikel 1, eerste lid, van de wet is:
a. € 36.165 ten aanzien van ten minste 80% van haar woongelegenheden, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet, en
b. totdat de eerste vijf volle kalenderjaren na het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden zijn verstreken: € 40.349 ten aanzien van een zodanig percentage van haar zodanige woongelegenheden, dat wordt voldaan aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet, waarbij, indien van toepassing, het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage in aanmerking wordt genomen.
b. totdat de eerste vijf volle kalenderjaren na het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden zijn verstreken: € 40.349 ten aanzien van een zodanig percentage van haar zodanige woongelegenheden, dat wordt voldaan aan artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet, waarbij, indien van toepassing, het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage in aanmerking wordt genomen.
**2.** De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden met ingang van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd met het percentage waarmee per gelijke datum het in artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag wordt gewijzigd. De bedragen, genoemd in de in artikel 36a, vierde lid, van de wet bedoelde ministeriële regeling, worden met ingang van elk kalenderjaar, voor het eerst op 1 januari 2017, bij ministeriële regeling vervangen door de bedragen zoals die op 1 januari van het daaraan voorafgaande jaar overeenkomstig de eerste volzin zijn gewijzigd.
@ -294,7 +297,7 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met het oog op de toepas
**4.** Onze Minister beoordeelt de geschiktheid van een bestuurder of commissaris op basis van diens opleiding, diens werkervaring en de competenties, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit.
**5.** Onze Minister beoordeelt de betrouwbaarheid van een bestuurder of commissaris op basis van diens handelen of nalaten of voornemens daartoe en uit de antecedenten, genoemd in bijlage 2 bij dit besluit. Artikel 20 is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Onze Minister beoordeelt de betrouwbaarheid van een bestuurder of commissaris op basis van diens handelen of nalaten of voornemens daartoe en uit de antecedenten, genoemd in bijlage 2 bij dit besluit. De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister op zijn verzoek de gegevens die naar zijn oordeel noodzakelijk zijn voor de toepassing van de vorige volzin.
**6.** Een commissaris of bestuurder wordt niet benoemd of herbenoemd zonder dat Onze Minister daarover een positieve zienswijze heeft uitgebracht.
@ -366,7 +369,7 @@ Indien de borgingsvoorziening niet of niet volledig binnen de gestelde termijn v
## Hoofdstuk IV. Rechtsvorm en organisatie van toegelaten instellingen
### Paragraaf 1. Voorschriften omtrent de geschiktheid van personen voor het lidmaatschap van het bestuur en de raad van toezicht, en de betrouwbaarheid van die personen
### Paragraaf 1. Voorschriften omtrent de geschiktheid van personen voor het lidmaatschap van het bestuur en de raad van commissarissen, en de betrouwbaarheid van die personen
### Artikel 19
@ -383,9 +386,9 @@ b. de betrouwbaarheid van de beoogde bestuurder of commissaris, blijkend uit die
### Artikel 20
De rijksbelastingdienst verstrekt Onze Minister op zijn verzoek de gegevens die naar zijn oordeel noodzakelijk zijn om ten aanzien van de beoogde bestuurder of commissaris te kunnen beoordelen of sprake is van een fiscaal-bestuursrechtelijk antecedent als bedoeld in bijlage 2, onder 5, bij dit besluit.
Vervallen
### Paragraaf 2. Goedkeuring door de raad van toezicht van besluiten van het bestuur
### Paragraaf 2. Goedkeuring door de raad van commissarissen van besluiten van het bestuur
### Artikel 21
@ -436,7 +439,7 @@ d. de vervreemding van een gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming he
2°. aan degene die het direct voorafgaand aan die vervreemding huurde indien de vervreemding plaatsvindt tegen een prijs van ten minste de getaxeerde leegwaarde of de WOZ-waarde;
e. de vervreemding van een andere onroerende zaak dan een woongelegenheid of een gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet of
f. de vestiging van een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een andere gebouwde onroerende zaak dan een woongelegenheid, een gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet, of op onbebouwde grond, of overdracht van de economische eigendom van een zodanige onroerende zaak;
g. de vestiging van een recht van opstal of vruchtgebruik op een woongelegenheid in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen.
g. de vestiging van een recht van opstal of vruchtgebruik op een woongelegenheid of op een zaak die zich in of nabij een woongelegenheid bevindt, in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen.
### Artikel 25
@ -452,7 +455,7 @@ c. een verklaring als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorde
**3.**
In geval van vervreemding van een woongelegenheid niet voor eigen gebruik, of aan een andere rechtspersoon dan een toegelaten instelling, of in geval van vervreemding van een gemengd gereguleerd complex, gaat het verzoek tevens vergezeld van:
In geval van vervreemding van een woongelegenheid niet voor eigen gebruik, of aan een andere rechtspersoon dan een toegelaten instelling, of in geval van vervreemding van een gemengd complex, gaat het verzoek tevens vergezeld van:
a. de zienswijze van de gemeente waar die woongelegenheid of dat complex is gelegen en van de betrokken bewonersorganisatie;
b. een verklaring van de beoogde verkrijger dat hij zich als een sociale verhuurder zal gedragen;
@ -481,11 +484,11 @@ c. tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toe
### Artikel 25a
**1.** Artikel 25, derde lid, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing in geval van vervreemding van een woongelegenheid die is verhuurd of laatstelijk was verhuurd tegen een huurprijs die hoger is dan het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag.
**1.** Artikel 25, derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing in geval van vervreemding van een geliberaliseerde woongelegenheid.
**2.**
Artikel 25, derde lid, onderdelen a en b, zijn tevens niet van toepassing in geval van vervreemding van een potentieel te liberaliseren woongelegenheid, of in geval van vervreemding van een gemengd geliberaliseerd complex, met dien verstande dat:
Artikel 25, derde lid, onderdeel a, is tevens niet van toepassing in geval van vervreemding van een potentieel te liberaliseren woongelegenheid, of in geval van vervreemding van een gemengd geliberaliseerd complex, met dien verstande dat:
a. de zienswijze, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel a, alleen dan niet bij de aanvraag hoeft te worden overlegd, indien:
@ -493,28 +496,18 @@ a. de zienswijze, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel a, alleen dan niet
2°. die woongelegenheid wordt vervreemd onder het beding dat zij ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van de vervreemding voor verhuur met een huurprijs van ten hoogste € 850, bestemd blijft;
b. dat uit de bescheiden, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel d, in dat geval niet hoeft te blijken dat die woongelegenheid, indien zij verhuurd is, gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde.
**3.** Artikel 25, derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing in geval van vervreemding van een geliberaliseerde woongelegenheid, een potentieel te liberaliseren woongelegenheid of een gemengd geliberaliseerd complex.
**4.** In geval van vervreemding van een geliberaliseerde woongelegenheid, een potentieel te liberaliseren woongelegenheid of een gemengd geliberaliseerd complex hoeft uit de bescheiden, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel d, niet te blijken dat die woongelegenheid, indien zij verhuurd is, gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder en aan andere toegelaten instellingen tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik of de WOZ-waarde.
### Artikel 26
**1.**
Onze Minister keurt een besluit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet uitsluitend goed, indien:
Onze Minister keurt een besluit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, uitsluitend goed, indien:
a. in geval van een vervreemding van een potentieel te liberaliseren woongelegenheid niet voor eigen gebruik, of in geval van vervreemding van een gemengd gereguleerd complex aan een andere rechtspersoon dan een toegelaten instelling:
1°. indien de betrokken woongelegenheid niet verhuurd is: zij wordt vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde en
2°. indien de betrokken woongelegenheid verhuurd is: zij wordt vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde en onder het beding dat zij gedurende ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van die vervreemding voor verhuur bestemd blijft;
b. in geval van vervreemding van een gemengd gereguleerd complex:
1°. voor zover de betrokken woongelegenheden niet verhuurd zijn: zij worden vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde en
2°. voor zover de betrokken woongelegenheden verhuurd zijn: zij worden vervreemd overeenkomstig onderdeel a, onder 2°;
c. in geval van een vervreemding van:
1°. een potentieel te liberaliseren woongelegenheid niet voor eigen gebruik, of een andere woongelegenheid aan een andere rechtspersoon dan een toegelaten instelling,
2°. een gemengd geliberaliseerd complex aan een andere rechtspersoon dan een toegelaten instelling, of
3°. een gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet:
de betrokken woongelegenheid of het betrokken gebouw wordt vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde, of
d. in geval van vervreemding van een gemengd geliberaliseerd complex: alle woongelegenheden in dat complex worden vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde.
a. in geval van vervreemding van een blijvend gereguleerde woongelegenheid niet voor eigen gebruik of van een gemengd gereguleerd complex: die woongelegenheid of dat complex wordt vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde en onder het beding dat die woongelegenheid of de van dat complex deel uitmakende woongelegenheden ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van die vervreemding voor verhuur bestemd blijven;
b. in geval van vervreemding van een geliberaliseerde of potentieel te liberaliseren woongelegenheid niet voor eigen gebruik, van een gemengd geliberaliseerd complex, of van een gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet: die woongelegenheid, dat complex of dat gebouw wordt vervreemd tegen een prijs van ten minste de getaxeerde marktwaarde of de WOZ-waarde.
**2.**
@ -559,16 +552,16 @@ d. degene aan wie wordt vervreemd hem geen verklaring omtrent het gedrag als bed
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid, onderdelen a en b.
### Paragraaf 5. Bepalingen in verband met de taakvervulling door de raad van toezicht
### Paragraaf 5. Bepalingen in verband met de taakvervulling door de raad van commissarissen
### Artikel 29
**1.**
Voor zover het bestuur van de toegelaten instelling Onze minister niet reeds schriftelijk mededeling heeft gedaan omtrent de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende omstandigheden, stelt de raad van toezicht Onze Minister schriftelijk op de hoogte van zijn werkzaamheden ter uitoefening van zijn taak:
Voor zover het bestuur van de toegelaten instelling Onze minister niet reeds schriftelijk mededeling heeft gedaan omtrent de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende omstandigheden, stelt de raad van commissarissen Onze Minister schriftelijk op de hoogte van zijn werkzaamheden ter uitoefening van zijn taak:
a. indien naar zijn oordeel of dat van Onze Minister sprake is van door de betrokken toegelaten instelling berokkende schade of mogelijke schade aan het belang van de volkshuisvesting die zij niet binnen een afzienbare termijn kan herstellen respectievelijk voorkomen;
b. indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen het bestuur en de raad van toezicht van de toegelaten instelling, tussen individuele leden van de raad van toezicht van de toegelaten instelling onderling, of tussen de toegelaten instelling en een dochtermaatschappij;
b. indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen het bestuur en de raad van commissarissen van de toegelaten instelling, tussen individuele leden van de raad van commissarissen van de toegelaten instelling onderling, of tussen de toegelaten instelling en een dochtermaatschappij;
c. indien naar zijn oordeel twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het handelen of nalaten, de governance of de integriteit van beleid en beheer van de toegelaten instelling, en het bestuur die twijfel niet heeft weggenomen of
d. indien sprake is van liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen in de toegelaten instelling of een dochtermaatschappij van die toegelaten instelling.
@ -595,12 +588,13 @@ j. artikel 391 lid 1 vijfde volzin vanaf «gesteld»;
k. artikel 392 lid 1 onder a en e, en leden 3, 4 en 5;
l. artikel 394 lid 1 tweede volzin, zinsnede «of, als dat niet is vervaardigd, een exemplaar in het Frans, Duits of Engels,», en lid 4 eerste volzin, zinsnede «de zelfde taal of» en tweede volzin, zinsnede «a,»,
m. artikel 395 lid 2 vierde volzin;
n. artikel 396;
o. artikel 397 lid 7, zinsnede «en lid 3,»;
p. artikel 398 leden 3 en 5;
q. artikel 406 leden 3, 4 en 5;
r. artikel 408 lid 1 onder d en e en
s. artikel 414 lid 5.
m. artikel 395a;
o. artikel 396;
p. artikel 397 lid 7, zinsnede «en lid 3,»;
q. artikel 398 leden 3 en 5;
r. artikel 406 leden 3, 4 en 5;
s. artikel 408 lid 1 onder d en e en
t. artikel 414 lid 5.
**2.**
@ -774,19 +768,21 @@ f. haar voornemens met betrekking tot de huisvesting van de categorieën van per
### Artikel 41
Artikel 44c van de wet is niet van toepassing op:
De goedkeuring, bedoeld in artikel 44c, van de wet, is niet vereist voor:
a. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel b, van de wet die niet behoren tot diensten van algemeen economisch belang, met uitzondering van werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van herstructurering;
b. herstructurering, waarvan de gemiddelde investeringskosten per woning minder bedragen dan of gelijk zijn aan het in als bedoeld in artikel 3 Besluit vermindering verhuurderheffing 2014 laatstgenoemde bedrag;
c. het verwerven van voor permanent verblijf bedoelde woongelegenheden en hun onroerende en infrastructurele aanhorigheden indien de toegelaten instelling daar contractueel toe gehouden is jegens een derde aan wie de toegelaten instelling deze eerder heeft vervreemd;
d. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel h, van de wet;
e. het verhuren van gebouwen als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel a, van de wet en van gebouwen als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel g, van de wet, alsmede, voor zover daarmee verband houdende, de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel i, van de wet;
f. de werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang bestaan uit het verwerven van gebouwen die een bedrijfsmatige gebruiksbestemming hebben van een andere toegelaten instelling en,
f. de werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, die bestaan uit het verwerven van onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang van een andere toegelaten instelling en waarbij,
1°. per investering het bruto-vloeroppervlak van die gebouwen niet meer bedraagt dan 10% van het bruto-vloeroppervlak van alle van die investering deel uitmakende onroerende zaken, tot welk oppervlak mede behoort het vloeroppervlak van de bij die gebouwen of zaken behorende overdekte parkeervoorzieningen en de oppervlakte van de bij die gebouwen of zaken behorende overige parkeervoorzieningen, en,
1°. per investering het bruto-vloeroppervlak van die onroerende zaken niet meer bedraagt dan 10% van het bruto-vloeroppervlak van alle van die investering deel uitmakende onroerende zaken, tot welk oppervlak mede behoort het vloeroppervlak van de bij die onroerende zaken behorende overdekte parkeervoorzieningen en de oppervlakte van de bij die onroerende zaken behorende overige parkeervoorzieningen, en,
2°. de andere van de investering deel uitmakende onroerende zaken verband houden met werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang,
in welk geval de mededeling, bedoeld in artikel 44c, eerste lid, onderdeel f, van de wet, dient te zijn gedaan onverwijld na de toepassing van onderdeel a van dat lid.
in welk geval de mededeling, bedoeld in artikel 44c, eerste lid, onderdeel f, van de wet, dient te zijn gedaan onverwijld na de toepassing van onderdeel a van dat lid;
g. het vervreemden van woongelegenheden als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel a, of gebouwen als bedoeld in onderdeel d of g, van de wet;
h. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel j, van de wet.
### Artikel 42
@ -840,6 +836,16 @@ c. bij het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 44c, eerste lid,
Een verbonden onderneming voldoet in een kalenderjaar aan artikel 45, eerste lid, tweede volzin, van de wet, indien zij over dat jaar een percentage van haar omzet genereert uit werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting, dat ten minste gelijk is aan het percentage van haar aandelen dat een toegelaten instelling in haar houdt.
### Artikel 46a
De werkzaamheden, genoemd in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet:
a. worden door een toegelaten instelling niet verricht ten aanzien van de in die onderdelen bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming;
b. worden door een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verricht ten aanzien van de in dat onderdeel bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een andere verbonden onderneming:
1°. indien en zolang alle aandelen in die andere verbonden onderneming door toegelaten instellingen worden gehouden, of
2°. indien en zolang toegelaten instellingen of een of meer van de met hen verbonden ondernemingen alleen of samen alle bestuurders van de verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan.
### Artikel 47
**1.**
@ -869,18 +875,20 @@ Diensten als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel c, van de wet mogen ui
a. bewoners van eigen woongelegenheden;
b. bewoners van woongelegenheden van een toegelaten instelling;
c. leden van verenigingen van eigenaars als bedoeld in artikel 112 lid 1 onder e van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;
d. bewoners van woongelegenheden die bouwkundig een geheel vormen met de eigen woongelegenheden of de woongelegenheden van een toegelaten instelling, of
e. indien de diensten worden geleverd door een aan een toegelaten instelling verbonden onderneming, bewoners van woongelegenheden van een verbonden onderneming waarvan alle aandelen door toegelaten instellingen worden gehouden.
d. bewoners van woongelegenheden die bouwkundig een geheel vormen met de eigen woongelegenheden of de woongelegenheden van een toegelaten instelling;
e. indien de diensten worden geleverd door een aan een toegelaten instelling verbonden onderneming, bewoners van woongelegenheden van een verbonden onderneming waarvan alle aandelen door toegelaten instellingen worden gehouden;
f. bewoners van woongelegenheden als bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de wet.
### Artikel 48
**1.**
De toegelaten instelling kan uitsluitend financiële middelen ter beschikking stellen in de vorm van:
De toegelaten instelling stelt uitsluitend financiële middelen ter beschikking in de vorm van:
a. tegemoetkomingen in de kosten van activiteiten die door de bewoners van haar woongelegenheden worden georganiseerd in het belang van het behoud of de verbetering van die woongelegenheden of de direct daaraan grenzende omgeving;
b. reserveringen voor leden van wooncoöperaties met een huishoudinkomen dat niet hoger is dan de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, in verband met het onderhoud aan hun woongelegenheden, of
c. tegemoetkomingen in het blijkens een geldleningsovereenkomst te betalen bedrag aan rente over een hypothecaire geldlening, overeenkomstig het tweede lid.
c. tegemoetkomingen in het blijkens een geldleningsovereenkomst te betalen bedrag aan rente over een hypothecaire geldlening, overeenkomstig het tweede lid;
d. tegemoetkomingen ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, derde lid.
**2.**
@ -915,10 +923,10 @@ b. in geval van andere zodanige gebouwen: die gebouwen naar zijn oordeel behoren
**3.**
Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verwerven van andere gebouwen met een maatschappelijke gebruiksbestemming dan die, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na het tijdstip van indiening van dat verzoek die gebouwen:
Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verwerven van andere gebouwen met een maatschappelijke gebruiksbestemming dan die, bedoeld in het eerste lid, alsmede het verhuren van zodanige gebouwen of gedeelten daarvan aan personen die daar op het tijdstip van indiening van dat verzoek huurder van zijn, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na dat tijdstip die gebouwen:
a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen als bedoeld in het eerste lid of onder toepassing van artikel 52, eerste lid, of
b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang.
a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting, of
b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.
**4.** De werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet, en de werkzaamheden ten aanzien van welke Onze Minister toepassing heeft gegeven aan het tweede lid, behoren alle tot de diensten van algemeen economisch belang.
@ -934,7 +942,11 @@ Het bijdragen aan de leefbaarheid houdt uitsluitend in:
a. woonmaatschappelijk werk, met inbegrip van het leveren van een bijdrage aan uitvoering van achter-de-voordeur-programmas onder verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties en uitsluitend ten behoeve van de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling;
b. aanleg en onderhoud van kleinschalige infrastructuur in de directe nabijheid van woongelegenheden of andere onroerende zaken van de toegelaten instelling en
c. bijdragen aan de uitvoering van plannen ter bevordering van een schone woonomgeving, ter voorkoming van overlast en ter bevordering van de veiligheid.
c. bijdragen aan de uitvoering van plannen:
1°. ter bevordering van een schone woonomgeving,
2°. ter voorkoming van overlast, en
3°. ter bevordering van de veiligheid.
**2.** Het bedrag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel f, onder 2°, van de wet, is € 127,01, tenzij in de afspraken, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet een ander bedrag is overeengekomen, in welk geval het bedrag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel f, onder 2°., het aldus afgesproken bedrag bedraagt. Het in de eerste volzin genoemde bedrag wordt met ingang van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd met het in januari van het daaraan voorafgaande kalenderjaar in de Staatscourant bekendgemaakte percentage waarmee de consumentenprijzen (alle huishoudens) ten opzichte van het aan die bekendmaking voorafgaande jaar zijn gewijzigd.
@ -958,16 +970,125 @@ b. het verhuren van onroerende zaken die deel uitmaken van gebouwen die kantoorr
**3.** Artikel 45, vierde lid, onderdeel a, van de wet is niet van toepassing op de onroerende zaken, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
**3.**
Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verwerven van andere gebouwen met een bedrijfsmatige gebruiksbestemming dan die, bedoeld in het eerste lid, alsmede het verhuren van zodanige gebouwen of gedeelten daarvan aan personen die daar op het tijdstip van indiening van dat verzoek huurder van zijn, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na dat tijdstip die gebouwen:
a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting, of
b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.
### Artikel 52a
Tot de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 45, tweede lid, onderdeel i, en 47, eerste lid, onderdeel g, van de wet, behoren niet transacties die zijn gericht op het wijzigen van eigendomsverhoudingen en zakelijke rechten zonder dat er sprake is van feitelijke overdracht van bezit, behalve indien die transacties noodzakelijk zijn om werkzaamheden als bedoeld in de andere onderdelen van die artikelleden te kunnen verrichten.
### Artikel 52b
De diensten, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel j, van de wet:
a. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een met die toegelaten instelling verbonden onderneming, indien en zolang laatstgenoemde verbonden onderneming:
1°. een dochtermaatschappij van die toegelaten instelling is, of
2°. een verbonden onderneming is waarvan die toegelaten instelling of een of meer met haar verbonden ondernemingen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders kunnen benoemen of ontslaan;
b. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een verbonden onderneming van een andere toegelaten instelling, indien en zolang:
1°. meer dan de helft van de aandelen in laatstgenoemde verbonden onderneming door toegelaten instellingen wordt gehouden, of
2°. toegelaten instellingen of een of meer met hen verbonden ondernemingen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders van laatstgenoemde verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan, en
3°. zij ook diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van die andere toegelaten instelling verleent.
### Artikel 52c
De diensten, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel k, van de wet, worden door een toegelaten instelling of een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de administratie van een in dat onderdeel bedoelde huurdersorganisatie of bewonderscommissie:
a. die de belangen van de huurders van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming behartigt, of
b. waarvan de achterban mede bestaat uit huurders van woongelegenheden van de dienstverlenende toegelaten instelling of verbonden onderneming.
### Artikel 52d
**1.** Een toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap verricht de werkzaamheden, genoemd in artikel 45, zevende lid, van de wet, uitsluitend nadat Onze Minister daarvoor toestemming heeft verleend.
**2.**
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. het de werkzaamheden, genoemd in artikel 45, zevende lid, onderdeel b, betreft, die de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap verricht voor een vereniging van eigenaars in welke zij de meerderheid van stemmen heeft in de vergadering van eigenaars en
b. deze werkzaamheden worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden.
### Artikel 52e
**1.**
Onze minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het verhuren van woongelegenheden en aanhorigheden van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet indien:
a. het verhuren betrekking heeft op complexen waarin voor ten minste 90% van de woongelegenheden een overeenkomst van huur en verhuur wordt aangegaan:
1°. met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, bedoeld in artikel 1 van de wet, of
2°. met categorieën van personen als bedoeld in artikel 57, en
3°. tegen een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag;
b. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft, en
c. de gebouwen en aanhorigheden ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht van de derde worden gehuurd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet.
**2.**
Onze minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het in stand houden van en treffen van kleinschalige voorzieningen aan gebouwen van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel b, van de wet indien:
a. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft;
b. de werkzaamheden die zijn gericht op het geschikt maken van het gebouw voor bewoning, een investering vergen van ten hoogste € 25.000, per beoogde verhuureenheid;
c. de gebouwen en aanhorigheden ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht van de derde worden gehuurd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet of indien ten aanzien van de gebouwen en aanhorigheden tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet, en
d. voor zover de werkzaamheden worden verricht in gebouwen en aanhorigheden, ten aanzien waarvan tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c van de wet worden uitgevoerd, de werkzaamheden worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden.
**3.**
Onze Minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het huren van gebouwen van derden, bedoeld in artikel 45 zevende lid, onderdeel c, van de wet indien:
a. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft;
b. de toegelaten instelling, de met haar verbonden onderneming of de samenwerkingsvennootschap aantoont het voornemen te hebben deze gebouwen te gaan verhuren op grond van artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet;
c. de ontwerphuurovereenkomst tussen de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap en de derde, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden, en
d. er voldoende vermogen beschikbaar is om de verplichtingen die volgen uit de overeenkomst te kunnen opvangen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit lid.
**4.**
Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verwerven van andere gebouwen met een bedrijfsmatige gebruiksbestemming dan die, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na het tijdstip van indiening van dat verzoek die gebouwen:
Onze Minister verleent toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, voor het verlenen van diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet indien:
a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen onder toepassing van het eerste lid of als bedoeld in artikel 49, eerste lid, of
b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang.
a. in het gebouw voor ten minste 90% van de woongelegenheden een overeenkomst van huur en verhuur is aangegaan:
1°. met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, of
2°. met categorieën van personen als bedoeld in artikel 57, en
3°. tegen een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarbij met ten minste 95% van de huishoudens als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de wet een huurprijs is overeengekomen van ten hoogste de huurprijs als bedoeld in dat lid;
b. de in artikel 52g, eerste lid, bedoelde schriftelijke verklaring is afgegeven, indien het de voorgenomen werkzaamheden van een toegelaten instelling of een samenwerkingsvennootschap betreft;
c. de diensten worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en
d. de ontwerpovereenkomst van opdracht, bedoeld in onderdeel c, voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden.
**5.** Onze Minister verleent geen toestemming als bedoeld in artikel 52d, eerste lid, indien naar zijn oordeel de aan het verrichten van de werkzaamheden verbonden financiële risicos of de financiële positie van de toegelaten instelling, de met haar verbonden onderneming of de samenwerkingsvennootschap zodanig zijn, dat het onverantwoord is dat zij deze uitvoert. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit lid.
### Artikel 52f
Bij de aanvraag verstrekt de toegelaten instelling, de met haar verbonden onderneming of de samenwerkingsvennootschap de in artikel 52e, vierde lid, onderdeel d, bedoelde ontwerpovereenkomst. De toegelaten instelling of de samenwerkingsvennootschap verstrekt daarnaast tevens de verklaring, bedoeld in artikel 52g, eerste lid.
### Artikel 52g
**1.** Tenzij het de voorgenomen werkzaamheden van een verbonden onderneming betreft, verklaart het college van de gemeente op wier grondgebied de woongelegenheid, de aanhorigheid of het gebouw waar de werkzaamheden, bedoeld in artikel 52e, eerste lid, betrekking op hebben, zich bevindt, schriftelijk dat het voornemen tot het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de wet, tenminste vier weken van tevoren langs elektronische weg algemeen bekend is gemaakt. Voor de verklaring maakt het college gebruik van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier.
**2.**
De bekendmaking bevat in ieder geval:
a. de naam en contactgegevens van degene in wiens opdracht de werkzaamheden worden uitgevoerd;
b. de aanvang en looptijd van de opdracht;
c. een omschrijving van de woongelegenheid, de aanhorigheden of het gebouw waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; en
d. de wijze waarop en de toestand waarin de woongelegenheid, de aanhorigheden of het gebouw na afloop van de werkzaamheden dienen te worden opgeleverd.
**3.** Het eerste lid is, met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van overeenkomstige toepassing op het orgaan dat in die openbare lichamen met het dagelijkse bestuur is belast.
### Artikel 52h
Onze Minister kan de verleende toestemming, bedoeld in artikel 52e, eerste lid, intrekken indien blijkt dat:
a. niet langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van toestemming wordt voldaan;
b. de aan het verrichten van de werkzaamheden verbonden financiële risicos of de financiële positie van de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap tijdens de looptijd van de werkzaamheden zodanig zijn geworden dan het niet langer verantwoord is dat zij deze uitvoert.
### Artikel 53
Tot de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 45, tweede lid, onderdeel i, en 47, eerste lid, onderdeel g, van de wet, behoren niet transacties die zijn gericht op het wijzigen van eigendomsverhoudingen en zakelijke rechten zonder dat er sprake is van feitelijke overdracht van bezit, behalve indien die transacties noodzakelijk zijn om werkzaamheden als bedoeld in de andere onderdelen van die artikelleden te kunnen verrichten.
Door vernummering vervallen.
### Afdeling 2a. Werkzaamheden ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders
@ -1075,31 +1196,33 @@ b. vreemdelingen die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde ti
**1.**
De toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, geeft slechts toepassing aan het bepaalde bij en krachtens artikel 46, tweede lid, van de wet, nadat degene die als huurder een woongelegenheid waarop dat bepaalde van toepassing is wenst te betrekken, ten behoeve van de vaststelling of hij in de zin van dat bepaalde in aanmerking komt voor een huurtoeslag in de zin van de Wet op de huurtoeslag, aan haar heeft overgelegd:
De toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, geeft toepassing aan het bepaalde bij en krachtens artikel 46, tweede lid, van de wet, overeenkomstig bijlage 5 bij dit besluit. Zij geeft hieraan slechts toepassing nadat degene die als huurder een woongelegenheid waarop dat bepaalde van toepassing is wenst te betrekken, ten behoeve van de vaststelling of hij in de zin van dat bepaalde in aanmerking komt voor een huurtoeslag in de zin van de Wet op de huurtoeslag, aan haar heeft overgelegd:
a. een door hem opgestelde en ondertekende verklaring over de samenstelling van zijn huishouden, en
b. gegevens waaruit het huishoudinkomen blijkt, of op grond waarvan dat inkomen zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk kan worden geschat.
**2.** De toegelaten instelling voegt in haar administratie, onverwijld na de toepassing, bedoeld in het eerste lid, bij de in verband daarmee afgegeven verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, een door haar ondertekende verklaring dat zij geen redenen heeft om aan de juistheid van de eerstbedoelde verklaring te twijfelen.
**3.**
Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing:
a. indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken uitsluitend vreemdelingen zijn die in Nederland rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000 en behoren tot de groep verblijfsgerechtigden die in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de taakstelling overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014;
b. indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken uitsluitend, en ten hoogste twee, personen zijn die studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, en degene die als huurder de woongelegenheid wenst te betrekken bewijzen daarvan aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, heeft overgelegd, en
c. indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken van buiten Nederland afkomstige personen zijn, die zich hebben ingeschreven bij een instelling voor hoger onderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en bewijzen daarvan of verklaringen ter zake aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, zijn overgelegd.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken uitsluitend vreemdelingen zijn die in Nederland rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van de Vreemdelingenwet 2000 en behoren tot de groep verblijfsgerechtigden die in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de taakstelling overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.
**4.**
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn, behoudens het vijfde en zesde lid:
Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing:
a. in geval van vreemdelingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a: een inkomstenverklaring, welke niet langer dan zes maanden voordat de overeenkomst van huur en verhuur zou moeten ingaan is afgegeven door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, of
b. in geval van andere personen dan zodanige vreemdelingen: de aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting of de inkomensgegevens, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van ieder van die personen, over een van de twee kalenderjaren die direct voorafgaan aan het kalenderjaar waarin de overeenkomst van huur van verhuur zou moeten ingaan.
a. indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken uitsluitend, en ten hoogste twee, personen zijn die studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, en degene die als huurder de woongelegenheid wenst te betrekken bewijzen daarvan aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, heeft overgelegd, en
b. indien degenen die de woongelegenheid wensen te betrekken van buiten Nederland afkomstige personen zijn, die zich hebben ingeschreven bij een instelling voor hoger onderwijs in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en bewijzen daarvan of verklaringen ter zake aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, zijn overgelegd.
**5.**
Voor zover gegevens als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, niet beschikbaar zijn blijkens een schriftelijke verklaring van een functionaris van de rijksbelastingdienst die bij regeling van de Minister van Financiën als inspecteur is aangewezen, zijn de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voorts:
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn, behoudens het zesde en zevende lid:
a. in geval van vreemdelingen als bedoeld in het derde lid: een inkomstenverklaring, welke niet langer dan zes maanden voordat de overeenkomst van huur en verhuur zou moeten ingaan is afgegeven door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
b. in geval van personen die algemene bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet: een bewijs van toekenning van algemene bijstand;
c. in geval van andere personen dan de personen, bedoeld in de onderdelen a en b: de aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting of de inkomensgegevens, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van ieder van die personen, over een van de twee kalenderjaren die direct voorafgaan aan het kalenderjaar waarin de overeenkomst van huur van verhuur zou moeten ingaan.
**6.**
Voor zover gegevens als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, niet beschikbaar zijn blijkens een schriftelijke verklaring van een functionaris van de rijksbelastingdienst die bij regeling van de Minister van Financiën als inspecteur is aangewezen, zijn de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voorts:
a. die verklaring en
b. indien een van degenen die de betrokken woongelegenheid wensen te betrekken dusdanig kort een inkomen in Nederland geniet of dusdanig recent een inkomen in Nederland genoten heeft, dat dat inkomen nog niet bekend is bij de rijksbelastingdienst:
@ -1107,27 +1230,27 @@ b. indien een van degenen die de betrokken woongelegenheid wensen te betrekken d
1°. een door degene die als huurder die woongelegenheid wenst te betrekken opgestelde en ondertekende inkomensverklaring waarin ten minste het door hem geschatte huishoudinkomen is opgenomen en, indien die verklaring melding maakt van het benutten van fiscale aftrekposten of van winst uit onderneming, stukken die aantonen dat die verklaring met betrekking tot die aspecten juist en volledig is, en
2°. hetzij een jaaropgave van de werkgever of werkgevers van degenen, bedoeld in de aanhef, over het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de overeenkomst ter zake van een verhuur als bedoeld in artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet zou moeten ingaan, dan wel een jaaropgave over eerstbedoeld kalenderjaar van de instantie of instanties die aan diegenen een uitkering verstrekken, hetzij loonstroken of uitkeringsspecificaties van die werkgever of werkgevers respectievelijk die instantie of instanties met betrekking tot één kalendermaand, welke maand geen eerdere is dan de zesde kalendermaand voorafgaand aan de dagtekening van de verklaring, bedoeld onder 1°.
**6.**
**7.**
De huurder kan de toegelaten instelling of een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, verzoeken om andere gegevens dan de gegevens, bedoeld in het vierde lid, te gebruiken voor de vaststelling van het huishoudinkomen indien uit de gegevens, bedoeld in het vierde lid, een huishoudinkomen blijkt dat:
a. hoger is dan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a of b, van de Wet op de huurtoeslag, terwijl naar het oordeel van degene die als huurder de betrokken woongelegenheid wenst te betrekken het huishoudinkomen niet hoger is dan dat bedrag, of
b. lager of gelijk is aan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a of b, van de Wet op de huurtoeslag, terwijl naar het oordeel van degene die als huurder de betrokken woongelegenheid wenst te betrekken het huishoudinkomen hoger is dan dat bedrag.
In deze gevallen overlegt de huurder dat oordeel met een onderbouwing daarvan aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, in welk geval de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voorts zijn de gegevens overeenkomstig het vijfde lid, onderdeel b, onder 1° en 2°.
In deze gevallen overlegt de huurder dat oordeel met een onderbouwing daarvan aan de toegelaten instelling of aan een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 54, derde lid, in welk geval de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voorts zijn de gegevens overeenkomstig het zesde lid, onderdeel b, onder 1° en 2°.
**7.** In afwijking van het eerste lid kan een rechtspersoon of vennootschap als eerstbedoeld in artikel 54, derde lid, overeenkomsten ter zake van verhuur als bedoeld in artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet aangaan zonder dat daaraan voorafgaand een verklaring en gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn overgelegd, indien degene die als huurder een woongelegenheid waarop het bepaalde bij en krachtens artikel46, tweede lid, eerste volzin, van de wet van toepassing is, wenst te betrekken een onderdaan is van een lidstaat en voor het verrichten van arbeid in Nederland verblijft. Aan de eerste volzin kan slechts toepassing worden gegeven door een rechtspersoon of vennootschap die beschikt over een keurmerk van de Stichting keurmerk internationale arbeidsbemiddeling of van de Stichting normering flexwonen en bij het aangaan van de betrokken overeenkomst van huur en verhuur een bewijs van de toekenning van dat keurmerk aan de toegelaten instelling overlegt.
**8.** In afwijking van het eerste lid kan een rechtspersoon of vennootschap als eerstbedoeld in artikel 54, derde lid, overeenkomsten ter zake van verhuur als bedoeld in artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet aangaan zonder dat daaraan voorafgaand een verklaring en gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijn overgelegd, indien degene die als huurder een woongelegenheid waarop het bepaalde bij en krachtens artikel46, tweede lid, eerste volzin, van de wet van toepassing is, wenst te betrekken een onderdaan is van een lidstaat en voor het verrichten van arbeid in Nederland verblijft. Aan de eerste volzin kan slechts toepassing worden gegeven door een rechtspersoon of vennootschap die beschikt over een keurmerk van de Stichting keurmerk internationale arbeidsbemiddeling of van de Stichting normering flexwonen en bij het aangaan van de betrokken overeenkomst van huur en verhuur een bewijs van de toekenning van dat keurmerk aan de toegelaten instelling overlegt.
**8.**
**9.**
De rechtspersoon of vennootschap, eerstbedoeld in artikel 54, derde lid, legt op de laatste dag van elk kalenderkwartaal ten aanzien van de huurders, bedoeld in het zevende lid, met wie in dat kwartaal een overeenkomst van huur en verhuur is aangegaan aan de toegelaten instelling over:
De rechtspersoon of vennootschap, eerstbedoeld in artikel 54, derde lid, legt op de laatste dag van elk kalenderkwartaal ten aanzien van de huurders, bedoeld in het achtste lid, met wie in dat kwartaal een overeenkomst van huur en verhuur is aangegaan aan de toegelaten instelling over:
a. het adres van de woongelegenheid die de huurder, bedoeld in het zevende lid, heeft betrokken;
a. het adres van de woongelegenheid die de huurder, bedoeld in het achtste lid, heeft betrokken;
b. de naam van de huurder en de datum waarop de huurder de woongelegenheid heeft betrokken;
c. een verklaring over de samenstelling van het huishouden van de huurder, en
d. gegevens waaruit het huishoudinkomen van de huurder blijkt, of op grond waarvan dat inkomen zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk kan worden geschat.
**9.** Aan het eerste lid, onderdeel b, en het achtste lid, onderdeel d, wordt toepassing gegeven overeenkomstig bijlage 5 bij dit besluit. In die bijlage wordt met ingang van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling de factor waarmee het verzamelinkomen als vastgesteld door de rijksbelastingdienst wordt vermenigvuldigd om tot het huishoudinkomen te komen gewijzigd met het percentage waarmee per gelijke datum het in artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag wordt gewijzigd. Bij ministeriële regeling worden over de kalenderjaren 2014 en eerder zodanige factoren vastgesteld, voor zover dat voor de toepassing van dit artikel noodzakelijk is, welke vaststelling zodanig geschiedt dat dezelfde factoren zouden zijn vastgesteld in het geval dat in die kalenderjaren de tweede volzin van toepassing was geweest.
**10.** De in bijlage 5 genoemde index I1 en index I2 worden bij ministeriële regeling vastgesteld en jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd met het percentage waarmee per gelijke datum het in artikel 18, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag wordt gewijzigd.
### Afdeling 4. Diensten van algemeen economisch belang
@ -1135,7 +1258,7 @@ d. gegevens waaruit het huishoudinkomen van de huurder blijkt, of op grond waarv
### Artikel 57
De categorieën van personen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet, zijn:
De categorieën van personen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet, zijn:
a. de categorieën van personen, genoemd in artikel 54, tweede lid, onderdelen a en b;
b. personen die zijn of worden gehuisvest op grond van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor:
@ -1175,7 +1298,7 @@ Het verzoek, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, eerste volzin, van de wet, omvat
a. het gebied waarin de verzoekende toegelaten instelling of instellingen een lager percentage dan 90 van toepassing willen laten zijn, en welk percentage dat zou moeten zijn;
b. het gebied waarin de in het verzoek te noemen andere toegelaten instelling of instellingen een hoger percentage dan 90 van toepassing willen laten zijn, en welk percentage dat zou moeten zijn;
c. voor hoeveel jaren dat lagere en hogere percentage van toepassing zouden moeten zijn, welk aantal jaren ten hoogste 4 is, en
d. de wijze waarop gedurende die jaren wordt bewerkstelligd dat na die jaren zal worden voldaan aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet.
d. de wijze waarop gedurende die jaren wordt bewerkstelligd dat na die jaren zal worden voldaan aan artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet.
**2.** Voordat Onze Minister op het verzoek beslist, stelt hij de gemeenten die gelegen zijn in de gebieden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, en waar een of meer van de bij het verzoek betrokken toegelaten instellingen feitelijk werkzaam zijn, in de gelegenheid hun zienswijzen daarop aan hem kenbaar te maken. Die gemeenten kunnen die zienswijzen binnen vier weken aan hem doen toekomen.
@ -1274,8 +1397,8 @@ kan Onze Minister die overcompensatie, uitsluitend terstond nadat hij heeft vast
Indien:
a. het percentage woongelegenheden, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet, met betrekking tot welke de toegelaten instelling overeenkomsten van huur en verhuur heeft aangegaan in gevallen dat het huishoudinkomen niet hoger is dan de betrokken inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, in een boekjaar lager is dan 85, dan wel meer dan 5 procentpunt lager is dan het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage;
b. de toegelaten instelling gedurende twee achtereenvolgende boekjaren niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet, waarbij, indien van toepassing, het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage in aanmerking wordt genomen of
c. het percentage woongelegenheden, bedoeld in onderdeel a, in een boekjaar 85 of hoger is en lager is dan 90, dan wel minder dan 5 procentpunt lager is dan het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage, en in het daaropvolgende boekjaar niet zodanig hoger is dan 90 dan wel het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage, dat over de twee betrokken boekjaren gezamenlijk bezien voldaan is aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet,
b. de toegelaten instelling gedurende twee achtereenvolgende boekjaren niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet, waarbij, indien van toepassing, het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage in aanmerking wordt genomen of
c. het percentage woongelegenheden, bedoeld in onderdeel a, in een boekjaar 85 of hoger is en lager is dan 90, dan wel minder dan 5 procentpunt lager is dan het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage, en in het daaropvolgende boekjaar niet zodanig hoger is dan 90 dan wel het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage, dat over de twee betrokken boekjaren gezamenlijk bezien voldaan is aan artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet,
kan Onze Minister de compensatie, uitsluitend terstond nadat hij heeft vastgesteld dat een geval als bedoeld in onderdeel a, b of c zich heeft voorgedaan, terugvorderen, voor zover deze te hoog is gebleken.
@ -1283,7 +1406,7 @@ kan Onze Minister de compensatie, uitsluitend terstond nadat hij heeft vastgeste
### Artikel 63
**1.** Onze Minister kan in een geval als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onderdeel a, b of c, uitsluitend terstond nadat hij heeft vastgesteld dat een zodanig geval zich heeft voorgedaan, bepalen dat een toegelaten instelling, zolang zij niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet, geen compensatie toekomt in de vorm, bedoeld in artikel 1, eerste lid, begripsomschrijving van compensatie, onderdeel a of c, van de wet, voor werkzaamheden met betrekking tot welke na zijn besluit uit schriftelijke, uitsluitend op die werkzaamheden betrekking hebbende, stukken komt te blijken dat wordt beoogd daarmee een aanvang te maken. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt, indien van toepassing, het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage in aanmerking genomen. Artikel 62, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**1.** Onze Minister kan in een geval als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onderdeel a, b of c, uitsluitend terstond nadat hij heeft vastgesteld dat een zodanig geval zich heeft voorgedaan, bepalen dat een toegelaten instelling, zolang zij niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet, geen compensatie toekomt in de vorm, bedoeld in artikel 1, eerste lid, begripsomschrijving van compensatie, onderdeel a of c, van de wet, voor werkzaamheden met betrekking tot welke na zijn besluit uit schriftelijke, uitsluitend op die werkzaamheden betrekking hebbende, stukken komt te blijken dat wordt beoogd daarmee een aanvang te maken. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt, indien van toepassing, het overeenkomstig artikel 60 vastgestelde percentage in aanmerking genomen. Artikel 62, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Onze Minister kan, indien de toegelaten instelling compensatie heeft verkregen in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste lid, die compensatie terugvorderen.
@ -1446,7 +1569,7 @@ e. de balans van de toegelaten instelling zoals zij die na de goedkeuring van di
In de toelichting op het voorstel voor de voorgenomen administratieve scheiding wordt in elk geval opgenomen:
a. de motieven voor het bij die scheiding toepassing geven aan artikel II, derde lid, derde volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, waarbij in elk geval wordt ingegaan op het door de toegelaten instelling na die toepassing kunnen naleven van artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet;
a. de motieven voor het bij die scheiding toepassing geven aan artikel II, derde lid, derde volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, waarbij in elk geval wordt ingegaan op het door de toegelaten instelling na die toepassing kunnen naleven van artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet;
b. een overzicht van haar werkzaamheden, baten, lasten, activa en passiva, bedoeld in artikel II, derde lid, derde volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, die zij voornemens is in de niet-daeb-tak onder te brengen, welk overzicht wat betreft haar woongelegenheden en gebouwen is uitgesplitst per gemeente waar zij gelegen zijn, en waarin zijn opgenomen de modelmatige marktwaarde van die woongelegenheden en gebouwen, alsmede de huurprijs en de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, van die woongelegenheden;
c. een uiteenzetting over de financiële relaties die als gevolg van die scheiding tussen de daeb-tak en de niet-daeb-tak zullen bestaan;
d. een uiteenzetting over de beoogde prestaties op het terrein van de volkshuisvesting van de daeb-tak en de niet-daeb-tak na die scheiding, inhoudende een uiteenzetting over de wijze waarop de toegelaten instelling toepassing zal geven aan artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet;
@ -1477,7 +1600,7 @@ c. de meest recente beoordeling van zijn kredietwaardigheid door de borgingsvoor
Onze Minister keurt een voorgenomen administratieve scheiding niet goed, indien:
a. de uitvoering van de daarin vervatte voornemens ertoe zou leiden dat de toegelaten instelling niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet of
a. de uitvoering van de daarin vervatte voornemens ertoe zou leiden dat de toegelaten instelling niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet of
b. de zienswijze van een college als bedoeld in artikel 73, eerste lid, daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft.
#### Paragraaf 5. Overdracht van daeb-werkzaamheden binnen de toegelaten instelling
@ -1499,8 +1622,8 @@ b. de aan die woongelegenheden toe te rekenen gedeelten van de verplichtingen, b
Een verzoek als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet kan uitsluitend betrekking hebben op werkzaamheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b tot en met f, van de wet met betrekking tot:
a. woongelegenheden met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag;
b. woongelegenheden met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarvan de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, niet kan leiden tot een huurprijs die hoger is dan dat bedrag, indien die woongelegenheden deel uitmaken van een gemengd geliberaliseerd complex;
a. potentieel te liberaliseren woongelegenheden;
b. blijvend gereguleerde woongelegenheden, indien die woongelegenheden deel uitmaken van een gemengd geliberaliseerd complex;
c. woongelegenheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
d. gebouwen als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet, of
e. gebouwen ten aanzien van welke Onze Minister toepassing heeft gegeven aan artikel 49, tweede lid,
@ -1518,7 +1641,7 @@ b. de zienswijze van de betrokken gemeenten op het verzoek.
Onze Minister willigt het verzoek niet in, indien:
a. de uitvoering van de daarin vervatte voornemens er naar zijn oordeel toe zou leiden dat de toegelaten instelling niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet of
a. de uitvoering van de daarin vervatte voornemens er naar zijn oordeel toe zou leiden dat de toegelaten instelling niet voldoet aan artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet of
b. een zienswijze als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft.
**4.** Artikel 79, tweede lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.
@ -1606,8 +1729,8 @@ In de toelichting op het voorstel voor de voorgenomen juridische scheiding wordt
a. de motieven voor die scheiding;
b. de motieven voor het bij die scheiding toepassing geven aan artikel 50a, tweede lid, tweede volzin, van de wet, waarbij in elk geval wordt ingegaan op:
1°. het door de toegelaten instelling na die toepassing kunnen naleven van artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet en
2°. het door die toepassing bijdragen aan het beschikbaar komen van woongelegenheden met een huurprijs die hoger is dan het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag voor huishoudens met een huishoudinkomen dat hoger is dan de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel a;
1°. het door de toegelaten instelling na die toepassing kunnen naleven van artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet en
2°. het door die toepassing bijdragen aan het beschikbaar komen van geliberaliseerde woongelegenheden voor huishoudens met een huishoudinkomen dat hoger is dan de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel a;
c. een overzicht van haar werkzaamheden, baten, lasten, activa en passiva, bedoeld in artikel 50a, tweede lid, tweede volzin, van de wet, die zij voornemens is in de woningvennootschap onder te brengen, waarin zijn opgenomen de huurprijs en de waardering van de kwaliteit, bedoeld in artikel 5 van het Besluit huurprijzen woonruimte, van de betrokken woongelegenheden;
d. een uiteenzetting over de organisatorische, bestuurlijke en financiële relaties die als gevolg van die scheiding tussen de toegelaten instelling en de woningvennootschappen zullen bestaan;
e. een uiteenzetting over de beoogde prestaties op het terrein van de volkshuisvesting van de toegelaten instelling en de woningvennootschappen na die scheiding, inhoudende een uiteenzetting over de wijze waarop de toegelaten instelling toepassing zal geven aan artikel 42, eerste lid, eerste volzin, van de wet;
@ -1721,7 +1844,7 @@ Op verzoek van Onze Minister verstrekt de fuserende toegelaten instelling hem na
### Artikel 98
**1.** Onze Minister keurt de voorgenomen fusie niet goed, indien naar zijn oordeel de lokale binding van de verkrijgende toegelaten instelling niet voldoende gewaarborgd zal zijn, of door die fusie in strijd zal worden gekomen met artikel 41c, eerste lid, van de wet.
**1.** Onze Minister keurt de voorgenomen fusie niet goed, indien naar zijn oordeel de lokale binding van de verkrijgende toegelaten instelling niet voldoende gewaarborgd zal zijn.
**2.** Het percentage, bedoeld in artikel 53, vierde lid, onderdeel c, van de wet, is 50.
@ -1763,60 +1886,63 @@ Het percentage, bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet, is een bij minist
### Artikel 103
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, wordt vastgesteld door het bestuur. Het is onderworpen aan de goedkeuring van de raad van toezicht en Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de tweede volzin.
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, wordt vastgesteld door het bestuur. Het is onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen en Onze Minister. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de tweede volzin.
### Artikel 104
**1.** Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, bevordert dat het financiële beleid en beheer van de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij dienstbaar is aan het bereiken van haar doelstellingen op het terrein van de volkshuisvesting en gericht is op het waarborgen van haar financiële continuïteit. Het reglement bevordert voorts het optimaal beheersen van financiële risicos en het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van wettelijke voorschriften.
**1.** Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, bevordert dat het financiële beleid en beheer van de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, dienstbaar is aan het bereiken van haar doelstellingen op het terrein van de volkshuisvesting en gericht is op het waarborgen van haar financiële continuïteit. Het reglement bevordert voorts het optimaal beheersen van financiële risicos en het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van wettelijke voorschriften.
**2.**
Het reglement bepaalt:
a. de doelstellingen van het financiële beleid en beheer en de samenhang tussen die doelstellingen en de doelstellingen van de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij op het terrein van de volkshuisvesting;
b. dat de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij beschikt over een meerjarenbegroting voor ten minste de vijf kalenderjaren volgend op het laatst afgesloten boekjaar;
c. de voor die kalenderjaren te hanteren streefwaarden en prestatieindicatoren, die betrekking hebben op de in die jaren verwachte financiële situatie en financiële risicos, en in elk geval het verwachte kasstroomsaldo, de verwachte liquiditeitspositie, de verwachte solvabiliteit en de verwachte financieringsbehoefte van de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij betreffen, en
d. de, door de raad van toezicht vast te stellen, bedragen die ten hoogste met een besluit van het bestuur gemoeid mogen zijn zonder dat het onderworpen is aan goedkeuring van de raad van toezicht, en de criteria voor die goedkeuring.
a. de doelstellingen van het financiële beleid en beheer en de samenhang tussen die doelstellingen en de doelstellingen van de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, op het terrein van de volkshuisvesting;
b. dat de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, beschikt over een meerjarenbegroting voor ten minste de vijf kalenderjaren volgend op het laatst afgesloten boekjaar;
c. de voor die kalenderjaren te hanteren streefwaarden en prestatieindicatoren, die betrekking hebben op de in die jaren verwachte financiële situatie en financiële risicos, en in elk geval het verwachte kasstroomsaldo, de verwachte liquiditeitspositie, de verwachte solvabiliteit en de verwachte financieringsbehoefte van de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, betreffen;
d. dat de toegelaten instelling in het jaarverslag, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze melding maakt van de met haar verbonden ondernemingen, en
e. de, door de raad van commissarissen vast te stellen, bedragen die ten hoogste met een besluit van het bestuur gemoeid mogen zijn zonder dat het onderworpen is aan goedkeuring van de raad van commissarissen, en de criteria voor die goedkeuring.
**3.** Het reglement omvat nadere bepalingen voor beleggingen door toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen, overeenkomstig bij ministeriële regeling daaromtrent te geven voorschriften.
**3.** Het reglement omvat nadere bepalingen voor collegiale leningen en beleggingen, overeenkomstig bij ministeriële regeling daaromtrent te geven voorschriften.
### Artikel 105
**1.**
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, omvat voorts, steeds mede ten aanzien van het aantrekken en gebruiken van financiële derivaten en ten aanzien van beleggingsactiviteiten:
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, omvat voorts, steeds mede ten aanzien van het aantrekken en gebruiken van financiële derivaten ten aanzien van collegiale leningen en ten aanzien van beleggingsactiviteiten:
a. de bepaling dat de administratie zodanig wordt ingericht, dat het bestuur steeds op de hoogte kan zijn van de ontwikkeling van de waarden en indicatoren, bedoeld in artikel 104, tweede lid, onderdeel c, en daarover de raad van toezicht kan inlichten;
a. de bepaling dat de administratie zodanig wordt ingericht, dat het bestuur steeds op de hoogte kan zijn van de ontwikkeling van de waarden en indicatoren, bedoeld in artikel 104, tweede lid, onderdeel c, en daarover de raad van commissarissen kan inlichten;
b. de bepaling dat de beheersing van financiële risicos wordt geïntegreerd in de bedrijfsvoering;
c. de bepaling dat de wijze van beheersing van financiële risicos en hetgeen daaromtrent van de daarmee belaste functionarissen wordt verwacht wordt vastgelegd in proces- en functiebeschrijvingen, welke aan dat reglement worden gehecht;
d. voorschriften omtrent de organisatiestructuur met betrekking tot het financiële beleid en beheer, waaronder in elk geval voorschriften omtrent bevoegdheden en mandatering daarvan en omtrent de betrokkenheid daarbij van de raad van toezicht en degene aan wie hij de opdracht, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, heeft gegeven;
d. voorschriften omtrent de organisatiestructuur met betrekking tot het financiële beleid en beheer, waaronder in elk geval voorschriften omtrent bevoegdheden en mandatering daarvan en omtrent de betrokkenheid daarbij van de raad van commissarissen en degene aan wie hij de opdracht, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, heeft gegeven;
e. bepalingen met betrekking tot de financiële functie en de controlfunctie, die in elk geval inhouden:
1°. dat hetzij een lid van het bestuur hetzij een lid van de directie voor die functies eindverantwoordelijk is;
2°. dat die functies steeds betrokken zijn bij voorgenomen besluiten met verstrekkende financiële gevolgen;
3°. dat de controlfunctie mede de aspecten van de interne bedrijfsvoering alsmede de effectiviteit en de efficiency van de organisatie omvat;
4°. dat de controlfunctie bij een toegelaten instelling of dochtermaatschappij die meer dan 2.500 woongelegenheden en gebouwen in eigendom heeft in een afzonderlijke organisatie-eenheid is opgenomen en zowel gevraagd als ongevraagd het bestuur en de raad van toezicht kan adviseren omtrent in het kader van het financiële beleid en beheer te nemen maatregelen;
f. voorschriften die waarborgen dat de raad van toezicht voldoende kennis heeft van financieel beleid en beheer;
g. de bepaling dat de raad van toezicht van een toegelaten instelling die meer dan 10.000 woongelegenheden in eigendom heeft, uit zijn midden een auditcommissie instelt;
h. de bepaling dat de belangrijkste financiële risicos ten minste twee maal per jaar worden besproken door het bestuur en de raad van toezicht, aan de hand van een door het bestuur opgestelde rapportage waarin inzicht wordt gegeven in de aard, waarschijnlijkheid, mogelijke omvang en financiële gevolgen van die risicos, alsmede in genomen of mogelijk te nemen maatregelen ten aanzien van die risicos;
i. de bepaling dat het de raad van toezicht is toegestaan om de financiële risicos zonder dat het bestuur daarbij aanwezig of vertegenwoordigd is te bespreken met degene aan wie hij de opdracht, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, heeft gegeven en met de functionarissen die met de beheersing van die risicos belast zijn;
j. de bepaling dat het bestuur het financiële jaarplan ter goedkeuring aan de raad van toezicht voorlegt en
k. de bepaling dat de raad van toezicht jaarlijks, na overleg met het bestuur en, indien deze geen lid van het bestuur is, de persoon, bedoeld in onderdeel e, onder 1°, in samenspraak met degene aan wie de raad van toezicht de opdracht, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, heeft gegeven, de controleaanpak en de speciale aandachtspunten voor de controle vaststelt.
4°. dat de controlfunctie bij een toegelaten instelling of dochtermaatschappij die meer dan 2.500 verhuureenheden in eigendom heeft in een afzonderlijke organisatie-eenheid is opgenomen en zowel gevraagd als ongevraagd het bestuur en de raad van commissarissen kan adviseren omtrent in het kader van het financiële beleid en beheer te nemen maatregelen;
f. voorschriften die waarborgen dat de raad van commissarissen voldoende kennis heeft van financieel beleid en beheer;
g. de bepaling dat de raad van commissarissen van een toegelaten instelling die meer dan 10.000 woongelegenheden in eigendom heeft, uit zijn midden een auditcommissie instelt;
h. de bepaling dat de belangrijkste financiële risicos ten minste twee maal per jaar worden besproken door het bestuur en de raad van commissarissen, aan de hand van een door het bestuur opgestelde rapportage waarin inzicht wordt gegeven in de aard, waarschijnlijkheid, mogelijke omvang en financiële gevolgen van die risicos, alsmede in genomen of mogelijk te nemen maatregelen ten aanzien van die risicos;
i. de bepaling dat het de raad van commissarissen is toegestaan om de financiële risicos zonder dat het bestuur daarbij aanwezig of vertegenwoordigd is te bespreken met degene aan wie hij de opdracht, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, heeft gegeven en met de functionarissen die met de beheersing van die risicos belast zijn;
j. de bepaling dat het bestuur het financiële jaarplan ter goedkeuring aan de raad van commissarissen voorlegt en
k. de bepaling dat de raad van commissarissen jaarlijks, na overleg met het bestuur en, indien deze geen lid van het bestuur is, de persoon, bedoeld in onderdeel e, onder 1°, in samenspraak met degene aan wie de raad van commissarissen de opdracht, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet, heeft gegeven, de controleaanpak en de speciale aandachtspunten voor de controle vaststelt.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel.
**2.** Het aantal verhuureenheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 4, wordt bepaald overeenkomstig de bepaling daarvan voor de toepassing van de bij de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting 2014 behorende tabel.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel.
### Artikel 106
**1.**
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, bepaalt dat:
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, bepaalt dat de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij:
a. de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij inzake financiële derivaten en beleggingen geen rentevisie hanteert;
a. de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, inzake financiële derivaten, collegiale leningen en beleggingen geen rentevisie hanteert;
b. het aantrekken en afstoten van financiële derivaten en beleggingsactiviteiten uitsluitend ten doel hebben om risicos van het financiële beleid en beheer te beperken;
c. het vervreemden van financiële derivaten, anders dan het sluiten van derivaatposities, niet is toegestaan en
d. het lenen van gelden met het doel deze uit te zetten bij dezelfde of een andere partij niet is toegestaan.
**2.** Het reglement bepaalt voorts dat in of ten aanzien van financiële derivaten geen clausules worden gehanteerd, die op enigerlei wijze de uitoefening van het toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen kunnen belemmeren, en dat een toegelaten instelling die op het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden een derivatenportefeuille heeft die financiële derivaten met zodanige clausules bevat, een plan van aanpak heeft dat is gericht op het zo spoedig mogelijk afstoten van die derivaten.
**2.** Het reglement bepaalt voorts dat in of ten aanzien van financiële derivaten geen clausules worden gehanteerd, die op enigerlei wijze de uitoefening van het toezicht op toegelaten instellingen, dochtermaatschappijen en verbonden ondernemingen waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan kunnen belemmeren, en dat een toegelaten instelling die op het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden een derivatenportefeuille heeft die financiële derivaten met zodanige clausules bevat, een plan van aanpak heeft dat is gericht op het zo spoedig mogelijk afstoten van die derivaten.
**3.** Onze Minister kan nadere eisen stellen aan het plan van aanpak, bedoeld in het tweede lid, en de te hanteren termijn voor het in dat lid bedoelde afstoten van financiële derivaten.
@ -1824,14 +1950,14 @@ d. het lenen van gelden met het doel deze uit te zetten bij dezelfde of een ande
**1.**
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, bepaalt voorts dat de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij:
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, bepaalt voorts dat de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan,:
a. geen andere financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, begripsomschrijving van financiële derivaten, onderdeel a, aantrekt dan rentecaps of payer swaps ter hedging van variabele leningen die voor of tegelijk met het tijdstip van aantrekken van dat derivaat zijn aangetrokken, welke payer swaps geen langere looptijd hebben dan 10 kalenderjaren, waarvan het kalenderjaar waarin zij worden aangetrokken het eerste is, en
b. geen andere financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, begripsomschrijving van financiële derivaten, onderdeel b, aantrekt dan basisrenteleningen, indien dat geschiedt in het kader van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 106, tweede lid.
**2.**
Het reglement bepaalt voorts dat de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij:
Het reglement bepaalt voorts dat de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan,:
a. uitsluitend financiële derivaten aantrekt, indien de instelling van welke zij die derivaten aantrekt haar heeft aangemerkt als een niet-professionele belegger als bedoeld in artikel 4:18d van de Wet op het financieel toezicht;
b. uitsluitend financiële derivaten aantrekt, nadat zij met de instelling van welke zij die derivaten aantrekt een raamovereenkomst, overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model daarvoor, heeft gesloten;
@ -1846,9 +1972,9 @@ d. uitsluitend financiële derivaten aantrekt, die luiden in euros.
Het reglement, bedoeld in artikel 55a, tweede lid, van de wet, bepaalt voorts dat:
a. toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen die financiële derivaten gebruiken daartoe een liquiditeitsbuffer aanhouden van een zodanige omvang, dat daaruit, met inachtneming van redelijkerwijs voorzienbare beroepen daarop in verband met andere bedrijfsrisicos dan dat gebruik, aan de uit dat gebruik voortvloeiende liquiditeitsverplichtingen ten gevolge van een daling van de vaste rente in de markt van rentederivaten met 2%-punt kan worden voldaan;
b. indien die liquiditeitsbuffer een geringere omvang heeft dan ingevolge onderdeel a vereist, de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij dat terstond aan Onze Minister meedeelt en na overleg met hem maatregelen vaststelt om die situatie op te heffen en
c. de toegelaten instelling en de dochtermaatschappij geen payer swaps aantrekt, indien en zolang de omvang van die liquiditeitsbuffer zodanig gering is, dat niet kan worden voldaan aan de uit het gebruik van financiële derivaten voortvloeiende liquiditeitsverplichtingen ten gevolge van een daling van de vaste rente in de markt van rentederivaten met 1%-punt.
a. toegelaten instellingen, dochtermaatschappijen en verbonden ondernemingen waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan die financiële derivaten gebruiken daartoe een liquiditeitsbuffer aanhouden van een zodanige omvang, dat daaruit, met inachtneming van redelijkerwijs voorzienbare beroepen daarop in verband met andere bedrijfsrisicos dan dat gebruik, aan de uit dat gebruik voortvloeiende liquiditeitsverplichtingen ten gevolge van een daling van de vaste rente in de markt van rentederivaten met 2%-punt kan worden voldaan;
b. indien die liquiditeitsbuffer een geringere omvang heeft dan ingevolge onderdeel a vereist, de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, dat terstond aan Onze Minister meedeelt en na overleg met hem maatregelen vaststelt om die situatie op te heffen en
c. de toegelaten instelling, de dochtermaatschappij en de verbonden onderneming waarvan de toegelaten instelling meer dan de helft van de bestuurders kan benoemen of ontslaan, geen payer swaps aantrekt, indien en zolang de omvang van die liquiditeitsbuffer zodanig gering is, dat niet kan worden voldaan aan de uit het gebruik van financiële derivaten voortvloeiende liquiditeitsverplichtingen ten gevolge van een daling van de vaste rente in de markt van rentederivaten met 1%-punt.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid, onderdeel a.
@ -1870,7 +1996,7 @@ Het reglement, bedoeld in artikel 55b, derde lid, van de wet, is het voorbeeldre
**1.**
De aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet gaat in elk geval vergezeld van:
De aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, door de toegelaten instelling die niet beschikt over de financiële middelen om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten, gaat in elk geval vergezeld van:
a. een analyse van de oorzaken die hebben geleid tot de situatie dat de toegelaten instelling niet beschikt over de financiële middelen om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten;
b. een overzicht en een analyse van de financiële situatie van de toegelaten instelling op het tijdstip van indiening van die aanvraag, waaronder in elk geval haar balans, haar liquiditeits- en solvabiliteitspositie, een aan die posities gerelateerde en naar baten en lasten gespecificeerde meerjarenanalyse van de door haar verwachte kasstromen, en een analyse van haar leningportefeuille;
@ -1899,7 +2025,9 @@ b. een overzicht van de maatregelen die de toegelaten instelling neemt of zal ne
c. de uitkomsten van overleg met personen en instanties die betrokken zijn bij de financiering of de werkzaamheden van de toegelaten instelling over het door hen financieel bijdragen aan de uitvoering van het saneringsplan en
d. een raming, in relatie tot de meerjarenanalyse, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, van de benodigde subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, alsmede de gewenste vorm van die subsidie en het gewenste tijdstip of de gewenste tijdstippen van uitbetaling van die subsidie.
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van de stukken, bedoeld in het eerste lid.
**6.** Indien op grond van het saneringsplan uitsluitend een of meerdere andere toegelaten instellingen dan de toegelaten instelling, bedoeld in het eerste lid, een subsidie als bedoeld in dat lid zullen aanvragen, dan zendt de laatstbedoelde toegelaten instelling zo spoedig mogelijk na de goedkeuring van het saneringsplan de stukken, bedoeld in dat lid, aan Onze Minister ten behoeve van de behandeling van de aanvragen van een of meerdere van die andere toegelaten instellingen, met dien verstande dat het tijdstip, bedoeld in onderdeel b van dat lid, het tijdstip van verzending van die stukken betreft.
**7.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van de stukken, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 112
@ -2050,28 +2178,18 @@ b. de helft van het ingevolge de tweede volzin van het eerste lid begrote bedrag
### Artikel 122
Onze Minister stelt de betrokken raden van toezicht en besturen van dochtermaatschappijen op de hoogte van:
Onze Minister stelt de betrokken raden van commissarissen en besturen van dochtermaatschappijen op de hoogte van:
a. zijn voornemens om toepassing te geven aan artikel 19, vierde lid, 48, zevende lid, 61d, 61g, eerste, tweede of derde lid, 61h, eerste lid, 104a, eerste lid, 105, eerste lid, of 120b van de wet, alsmede zijn besluiten daartoe;
b. zijn voornemens om een goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, 27, eerste lid, 41b, eerste lid, 44c, eerste lid, 50b, eerste lid, of 53, tweede lid, eerste volzin, van de wet, of in artikel II, derde lid, eerste volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, niet te verlenen, alsmede zijn besluiten daartoe;
c. zijn activiteiten en voorgenomen activiteiten jegens toegelaten instellingen ten aanzien van welke een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet of 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet van toepassing is;
d. de saneringsplannen die hij heeft goedgekeurd;
e. zijn oordeel over de stukken, bedoeld in artikel 38, eerste, tweede en derde lid, van de wet, indien daaruit kan worden opgemaakt dat hij van oordeel is dat de betrokken toegelaten instellingen schade aan het belang van de volkshuisvesting hebben berokkend, en
f. zijn andere activiteiten, besluiten en voornemens daartoe, in de gevallen waarin hij van oordeel is dat kennisneming daarvan door de betrokken raden van toezicht of besturen van dochtermaatschappijen uit het oogpunt van een goede uitvoering van hun toezicht noodzakelijk is.
f. zijn andere activiteiten, besluiten en voornemens daartoe, in de gevallen waarin hij van oordeel is dat kennisneming daarvan door de betrokken raden van commissarissen of besturen van dochtermaatschappijen uit het oogpunt van een goede uitvoering van hun toezicht noodzakelijk is.
### Artikel 123
**1.** Onze Minister verleent de autoriteit mandaat van zijn bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk III, paragrafen 1, 3 en 4, hoofdstuk IV en hoofdstuk V, met uitzondering van de artikelen 18b, vierde en vijfde lid, 18f, 35, 36, 37 en 40.
**2.** Onze Minister verleent de autoriteit voorts mandaat van de toepassing van artikel 121, met uitzondering van de toepassing van het zesde lid van dat artikel met betrekking tot de ingevolge artikel 61h, eerste lid, van de wet genomen maatregelen.
**3.**
Onze Minister verleent de autoriteit voorts mandaat van:
a. de toepassing van artikel 122, onderdeel a, met uitzondering van die toepassing ten aanzien van de voornemens en besluiten om toepassing te geven aan artikel 19, vierde lid, van de wet of artikel 61h, eerste lid, van de wet;
b. de toepassing van artikel 122, onderdelen b en e, en
c. de toepassing van artikel 122, onderdeel f, voor zover die toepassing verband houdt met bevoegdheden waarvan de autoriteit anderszins mandaat wordt verleend.
Vervallen
## Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen inzake toegelaten instellingen
@ -2103,7 +2221,7 @@ c. wordt bij de verslaglegging over het uitvoering geven aan het bepaalde bij en
**3.** Toegelaten instellingen kunnen tot 1 januari 2021, ten aanzien van 25% van het bruto-vloeroppervlak van de gebouwen, genoemd in de tweede volzin, het aangaan van overeenkomsten van huur en verhuur in de daeb-tak onderbrengen, indien het voornemen daartoe is opgenomen in het overzicht, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet over het jaar 2017. De gebouwen, bedoeld in de eerste volzin, zijn de gebouwen waarin na 31 december 2011 zorg is verleend door een instelling die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen en die is toegelaten voor de zorgvorm verblijf als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken AWBZ zoals dat luidde op 31 december 2014, in combinatie met een of meer van de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding als bedoeld in dat besluit, en voor welke zorg de Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in artikel 3 van de Wet marktordening gezondheidszorg, een vergoeding voor kapitaallasten heeft vastgesteld op grond van artikel 57 van die wet. Tot het bruto-vloeroppervlak, bedoeld in de eerste volzin, behoort mede het vloeroppervlak van de bij die gebouwen behorende overdekte parkeervoorzieningen en de oppervlakte van de bij die gebouwen behorende overige parkeervoorzieningen.
**4.** Tot en met 31 december 2015 behoren tot de categorieën van personen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, eerste volzin, van de wet, personen die worden gehuisvest op grond van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 1 van het Zorgindicatiebesluit zoals dat luidde op 31 december 2014, voor persoonlijke verzorging als bedoeld in artikel 4 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ zoals dat luidde op die datum, verpleging als bedoeld in artikel 5 van dat besluit zoals dat luidde op die datum, of individuele begeleiding als bedoeld in artikel 6 van dat besluit zoals dat luidde op die datum, in welk indicatiebesluit ten minste 10 uur zorg per week wordt toegekend, en welk indicatiebesluit een geldigheidsduur heeft van ten minste een jaar of, indien het is afgegeven in de periode van 28 juli 2014 tot en met 31 december 2014, van ten minste zes maanden.
**4.** Tot en met 31 december 2015 behoren tot de categorieën van personen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, derde volzin, van de wet, personen die worden gehuisvest op grond van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 1 van het Zorgindicatiebesluit zoals dat luidde op 31 december 2014, voor persoonlijke verzorging als bedoeld in artikel 4 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ zoals dat luidde op die datum, verpleging als bedoeld in artikel 5 van dat besluit zoals dat luidde op die datum, of individuele begeleiding als bedoeld in artikel 6 van dat besluit zoals dat luidde op die datum, in welk indicatiebesluit ten minste 10 uur zorg per week wordt toegekend, en welk indicatiebesluit een geldigheidsduur heeft van ten minste een jaar of, indien het is afgegeven in de periode van 28 juli 2014 tot en met 31 december 2014, van ten minste zes maanden.
**5.** Artikel 52, eerste lid, zoals dat luidde op 30 juni 2016, blijft van toepassing op werkzaamheden, als bedoeld in dat artikel waarmee voor die datum een aanvang is gemaakt, of met betrekking tot welke uit schriftelijke, uitsluitend op die werkzaamheden betrekking hebbende, stukken blijkt dat het maken van die aanvang voor die datum werd beoogd.
@ -2219,18 +2337,14 @@ Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesti
## Bijlage 5. bij
Toelichting:
Aan de hand van de volgende twee stroomschemas kan de toegelaten instelling het huishoudinkomen, bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV 2015; passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag) bepalen.
Aan de hand van de volgende twee stroomschemas kan de toegelaten instelling het huishoudinkomen bepalen, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV 2015; passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag).
Schema A betreft toetsing aan de hand van gegevens van de Belastingdienst.
Schema A. betreft toetsing aan de hand van gegevens van de Belastingdienst.
Schema B. moet worden toegepast indien Belastingdienst gegevens ontbreken of indien uitgegaan wordt van het actuele inkomen, in de gevallen bedoeld in artikel 56, zesde lid, onder a. of b.
Schema B moet worden toegepast indien Belastingdienst gegevens ontbreken of indien uitgegaan wordt van het actuele inkomen, in de gevallen bedoeld in artikel 56, zesde lid, onder a. of b.
De toetsing voor de passende toewijzing voor de huurtoeslag dient vanaf 1 januari 2016 plaats te vinden. Deze toets kan, tezamen met de inkomenstoets voor de DAEB, die per 1 juli 2015 is vereist, in één administratieve handeling worden uitgevoerd. Indien het huishoudinkomen valt binnen de inkomensgrenzen voor passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag, staat daarmee tevens vast dat het betreffende huishouden behoort tot de 80% doelgroep in het kader van de DAEB.
De eisen die gesteld worden aan de over te leggen documentatie zijn neergelegd in het hiervoor genoemde artikel. Het vaststellen van het huishoudinkomen aan de hand van een Inkomenverklaring) of een (voorlopige) aanslag IB van de Belastingdienst is verplicht, tenzij de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in het BTIV 2015 zich voordoen (zie ook hierna).
De passendheidstoets is uitsluitend van toepassing op woningen waarvoor in principe huurtoeslag mogelijk is, dus waarvan de huurprijs is gelegen op of onder het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Hierdoor hebben zowel de inkomenstoets voor de DAEB als de inkomenstoets voor passende toewijzing betrekking op hetzelfde huursegment.
Ter bepaling van het huishoudinkomen dienen de verzamelinkomens uit het jaar 2015 respectievelijk 2014 te worden geïndexeerd met index I1 (1,0119) respectievelijk index I2 (1,0359). Deze indices betreffen de factor als bedoeld in artikel 56, negende lid, van het BTIV 2015, waarmee het verzamelinkomen zoals dat door de Belastingdienst wordt vastgesteld dient te worden vermenigvuldigd gelet op de gemiddelde inkomensstijging in 2015, respectievelijk 2014.
De hoogte van I1 en I2 worden jaarlijks bij ministeriële regeling gepubliceerd.
De eisen die gesteld worden aan de over te leggen documentatie zijn neergelegd in het hiervoor genoemde artikel. Het vaststellen van het huishoudinkomen aan de hand van een Inkomenverklaring of een (voorlopige) aanslag IB van de Belastingdienst is verplicht, tenzij de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in het BTIV 2015 zich voordoen (zie ook hierna). Ter bepaling van het huishoudinkomen dienen de verzamelinkomens uit het jaar t-1 respectievelijk t-2 te worden vermenigvuldigd met index I1, respectievelijk index I2. De hoogte van index I1 en index I2 wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld en gepubliceerd (artikel 56, tiende lid, van het BTIV).