2008-01-01 | BWBR0007746 | Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
This commit is contained in:
parent
8ddf5c8a86
commit
eefbd1b403
1 changed files with 31 additions and 28 deletions
|
|
@ -29,9 +29,10 @@ c. loon: loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met daar
|
|||
5°. loon ter zake waarvan de belasting ingevolge artikel 31 van die wet wordt geheven van de inhoudingsplichtige;
|
||||
d. toetsloon: het in het desbetreffende hoofdstuk van deze wet opgenomen bedrag aan loon waarboven of waaronder de inhoudingsplichtige niet in aanmerking komt voor de in dat hoofdstuk voorziene afdrachtvermindering;
|
||||
e. aangiftetijdvak: het tijdvak waarover krachtens artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de loonbelasting moet worden betaald;
|
||||
f. vervallen;
|
||||
g. vervallen;
|
||||
h. zeeschip: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is, dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet en dat in het kader van een onderneming grotendeels op zee wordt geëxploiteerd voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee, het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, het verrichten van baggerwerkzaamheden of overige bij ministeriële regeling nader te bepalen activiteiten op zee, met uitzondering van:
|
||||
f. assistent in opleiding: degene die tijdelijk is aangesteld bij een universiteit teneinde zich door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek alsmede door het volgen van onderwijs verder te bekwamen tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper;
|
||||
g. onderzoeker in opleiding: degene die na een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen bij een universiteit dan wel een afsluitend examen bij een instelling voor hoger beroepsonderwijs, in tijdelijke dienst is aangesteld teneinde zich door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek alsmede door het volgen van onderwijs verder te bekwamen tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper;
|
||||
ga. promovendus: degene die tijdelijk is aangesteld bij een universiteit teneinde zich door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek alsmede door het volgen van onderwijs verder te bekwamen tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper;
|
||||
h. zeeschip: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is, dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet en dat in het kader van een onderneming grotendeels op zee wordt geëxploiteerd voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee, het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, het verrichten van sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, het verrichten van baggerwerkzaamheden of overige bij ministeriële regeling nader te bepalen activiteiten op zee, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
1°. een schip dat wordt gebruikt voor de loodsdienst;
|
||||
2°. een schip dat wordt gebruikt voor de zeilvaart, niet zijnde een schip dat voldoet aan de in het derde lid genoemde voorwaarden;
|
||||
|
|
@ -42,10 +43,10 @@ h. zeeschip: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassi
|
|||
ha. havensleepdienst: het geheel van werkzaamheden en activiteiten door een sleepboot als bedoeld in onderdeel hb grotendeels in en rond havens en op binnenwateren van de Europese Gemeenschap verricht, ten behoeve van het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing en die inkomen van of uitgaan naar zee;
|
||||
hb. sleepboot: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is, dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet en is bestemd voor het verrichten van sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee;
|
||||
i. zeevarende: degene die als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel werkzaam is op een zeeschip dat in Nederland is geregistreerd en de Nederlandse vlag voert, tenzij hij werkzaam is op een schip dat een geregelde passagiersdienst onderhoudt tussen havens van de Europese Gemeenschap en hij niet de nationaliteit heeft van een van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap of de Europese Economische Ruimte;
|
||||
ia. zee: alle wateren die zich bevinden voorbij de laagwaterlijn van de kust van elk van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap. Indien een transport over zee plaatsvindt met inbegrip van transport over een vaarweg die voorkomt op de lijst van waterwegen van maritieme aard, zoals opgenomen in bijlage I van de verordening (EG) nr. 13/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 8 december 2003 (Pb EU, nr. L3), wordt het transport voor het gehele traject geacht transport over zee te zijn;
|
||||
ia. zee: alle wateren die zich bevinden voorbij de laagwaterlijn van de kust. Indien een transport over zee plaatsvindt met inbegrip van transport door een waterweg van maritieme aard in de zin van verordening (EG) nr. 13/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 8 december 2003 (Pb EU, nr. L3), wordt het transport voor het gehele traject geacht transport over zee te zijn;
|
||||
ib. binnenwateren: wateren anders dan bedoeld in onderdeel ia;
|
||||
j. onderneming: een onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 of de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
|
||||
k. fiscale eenheid: een eenheid in de zin van de artikelen 15 en 15*a* van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
|
||||
k. fiscale eenheid: een eenheid in de zin van de artikelen 15 en 15a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
|
||||
l. S&O-inhoudingsplichtige:
|
||||
|
||||
1°. een inhoudingsplichtige die tevens een onderneming drijft;
|
||||
|
|
@ -136,10 +137,10 @@ a. vervallen;
|
|||
b. vervallen;
|
||||
c. de afdrachtvermindering onderwijs met betrekking tot de:
|
||||
|
||||
1°. in artikel 14, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, bedoelde werknemers: € 2500 per kalenderjaar;
|
||||
2°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer: € 3000 per kalenderjaar;
|
||||
3°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel g, bedoelde werknemer: € 1200 per kalenderjaar;
|
||||
4°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, bedoelde werknemer: € 300 per procedure erkenning verworven competenties (EVC-procedure).
|
||||
1°. in artikel 14, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, bedoelde werknemers: € 2566 per kalenderjaar;
|
||||
2°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer: € 3079 per kalenderjaar;
|
||||
3°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel g, bedoelde werknemer: € 1232 per kalenderjaar;
|
||||
4°. in artikel 14, eerste lid, onderdeel h, bedoelde werknemer: € 308 per procedure erkenning verworven competenties (EVC-procedure).
|
||||
|
||||
**2.** Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -221,8 +222,8 @@ In aanvulling op artikel 1, eerste lid, onderdeel c, wordt voor de toepassing va
|
|||
De afdrachtvermindering onderwijs is van toepassing met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven;
|
||||
b. de werknemer aangesteld als assistent in opleiding als bedoeld in artikel 9.60, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, bij een universiteit, dan wel aangesteld als onderzoeker in opleiding als bedoeld in de artikelen 15.5 en 16.17 van het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek, bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek onderscheidenlijk de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen of als onderzoeker in opleiding in dienst van een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling, een en ander op de grondslag van een overeenkomst tussen de universiteit of een van de genoemde onderzoekorganisaties dan wel een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling enerzijds en een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO anderzijds ter zake van de financiering van de loonkosten van de werknemer door de desbetreffende privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO;
|
||||
c. de werknemer van een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO met een loon overeenkomstig dat van een assistent in opleiding als bedoeld in artikel 9.60, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die een promotie-onderzoek verricht op de grondslag van een overeenkomst tussen die privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO enerzijds en een universiteit anderzijds ter zake van de begeleiding van het promotie-onderzoek van de werknemer;
|
||||
b. de werknemer aangesteld als assistent in opleiding of als promovendus bij een universiteit, dan wel aangesteld als onderzoeker in opleiding bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek onderscheidenlijk de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen of als onderzoeker in opleiding in dienst van een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling, een en ander op de grondslag van een overeenkomst tussen de universiteit of een van de genoemde onderzoekorganisaties dan wel een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling enerzijds en een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO anderzijds ter zake van de financiering van de loonkosten van de werknemer door de desbetreffende privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO;
|
||||
c. de werknemer van een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO met een loon overeenkomstig dat van een assistent in opleiding of promovendus die een promotie-onderzoek verricht op de grondslag van een overeenkomst tussen die privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO enerzijds en een universiteit anderzijds ter zake van de begeleiding van het promotie-onderzoek van de werknemer;
|
||||
d. de werknemer die in het kader van zijn initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek op de grondslag van een onderwijsarbeidsovereenkomst, gesloten tussen de hogeschool, de werkgever en hemzelf, op zijn opleiding aansluitende arbeid verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen bedrijfssector en tevens niet is ingeschreven als student voor het volgen van in voltijdse vorm verzorgd onderwijs;
|
||||
e. de werknemer die een bij ministeriële regeling vast te stellen vorm van scholing volgt die gericht is op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen;
|
||||
f. degene die bij de inhoudingsplichtige op basis van een leer-werkovereenkomst het buitenschoolse praktijkgedeelte volgt van een leer-werktraject, een en ander als bedoeld in artikel 10b1 en 10b3 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
|
|
@ -231,7 +232,7 @@ h. degene die een EVC-procedure volgt waarvoor een verklaring is afgegeven door
|
|||
|
||||
**2.** De in het eerste lid, onderdelen f en h, bedoelde personen worden voor de toepassing van deze wet en de krachtens deze wet uitgevaardigde regelingen, aangemerkt als werknemer met een volledige arbeidsduur.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 21 422 per kalenderjaar.
|
||||
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 22 142 per kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdelen b en c, is met betrekking tot een werknemer gedurende ten hoogste 48 maanden van toepassing. De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdeel d, is met betrekking tot een werknemer ten hoogste 24 maanden van toepassing. Indien artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot een werknemer toepassing vindt, wordt de termijn van 48 maanden onderscheidenlijk 24 maanden met betrekking tot deze werknemer naar evenredigheid verlengd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -278,13 +279,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** De afdrachtvermindering zeevaart is van toepassing met betrekking tot zeevarenden. De afdrachtvermindering beloopt een bedrag ter grootte van het in het tweede lid genoemde percentage van het loon van de zeevarenden in het loontijdvak. Bij zeevarenden op schepen bestemd voor baggerwerkzaamheden, onderscheidenlijk schepen bestemd voor sleep- of hulpverleningswerkzaamheden wordt als loon niet in aanmerking genomen het gedeelte van het loon dat toerekenbaar is aan andere werkzaamheden dan vervoer van opgebaggerd materiaal over zee, onderscheidenlijk andere werkzaamheden dan sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee.
|
||||
**1.** De afdrachtvermindering zeevaart is van toepassing met betrekking tot zeevarenden. De afdrachtvermindering beloopt een bedrag ter grootte van het in het tweede lid genoemde percentage van het loon van de zeevarenden in het loontijdvak. Bij zeevarenden op schepen bestemd voor baggerwerkzaamheden, onderscheidenlijk schepen bestemd voor sleep- en hulpverleningswerkzaamheden wordt als loon niet in aanmerking genomen het gedeelte van het loon dat toerekenbaar is aan andere werkzaamheden dan vervoer van opgebaggerd materiaal over zee, onderscheidenlijk andere werkzaamheden dan sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:
|
||||
|
||||
a. met betrekking tot de in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wonende zeevarende die aan de loonbelasting is onderworpen of premieplichtig is voor de volksverzekeringen: 40 percent;
|
||||
a. met betrekking tot de in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wonende zeevarende: 40 percent;
|
||||
b. met betrekking tot de niet in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte wonende zeevarende die aan de loonbelasting is onderworpen of premieplichtig is voor de volksverzekeringen: 10 percent.
|
||||
|
||||
**3.** Op het in het eerste lid bedoelde loon is niet van toepassing artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, 2° en 4°, alsmede artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 5°, voorzover sprake is van loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling.
|
||||
|
|
@ -343,7 +344,7 @@ b. indien de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, aan
|
|||
|
||||
Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen omtrent de toepassing van de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring en de wijze waarop deze moet worden ingediend.
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring en de wijze waarop deze moet worden ingediend, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de aanvraag uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
**4.** De aanvraag moet worden ingediend ten minste een kalendermaand voorafgaande aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na de aanvang van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling in het algemeen of voor groepen van gevallen, een latere datum vaststellen waarop de beslissing op de aanvraag uiterlijk moet zijn gegeven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -362,7 +363,7 @@ d. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering met een berekening van dat bedrag.
|
|||
|
||||
**3.** Het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering beloopt 14 percent van het product van het aantal uren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, en het gemiddelde uurloon als bedoeld in het vierde lid, vermeerderd met 28 percent van dat product voorzover dat product in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 110 000. De vermeerdering met 28 percent blijft achterwege voorzover die vermeerdering reeds toepassing heeft gevonden bij een S&O-verklaring betreffende een eerdere periode van het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige over 2005 gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in 2005 speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor hij over een S&O-verklaring beschikt, waarbij dit gemiddelde loon naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 5. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige in het kalenderjaar 2005 zodanig speur- en ontwikkelingswerk niet heeft verricht, geldt als het gemiddelde uurloon een bedrag van € 28.
|
||||
**4.** Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige over 2005 gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in 2005 speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor hij over een S&O-verklaring beschikt, waarbij dit gemiddelde loon wordt vermenigvuldigd met de factor 1,02 en vervolgens naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 5. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige in het kalenderjaar 2005 zodanig speur- en ontwikkelingswerk niet heeft verricht, geldt als het gemiddelde uurloon een bedrag van € 29.
|
||||
|
||||
**5.** Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering over een kalenderjaar bedraagt per S&O-inhoudingsplichtige maximaal € 8 000 000 dan wel, ingeval de inhoudingsplichtige deel uitmaakt of in een deel van het kalenderjaar heeft uitgemaakt, van een fiscale eenheid, per fiscale eenheid. In het laatste geval wordt in de S&O-verklaring vastgesteld welk deel van het bedrag van € 8 000 000, betrekking heeft op de S&O-inhoudingsplichtige.
|
||||
|
||||
|
|
@ -381,13 +382,15 @@ De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven doet van het
|
|||
a. het aantal bestede uren minder is dan 90% van het in de S&O-verklaring opgenomen aantal, of
|
||||
b. het product van het aantal bestede uren en het gemiddelde uurloon waarvan de S&O-verklaring uitgaat tenminste een bedrag van € 10 000 maal het aantal kalendermaanden waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, lager is dan het product bedoeld in artikel 23, derde lid.
|
||||
|
||||
**3.** De S&O-inhoudingsplichtige doet de mededeling, bedoeld in het tweede lid, binnen drie kalendermaanden na afloop van de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft of, indien dat later is, binnen drie maanden na de afgifte van de S&O-verklaring. De S&O-inhoudingsplichtige vermeldt daarbij het door zijn werknemers in de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft gerealiseerde aantal uren speur- en ontwikkelingswerk.
|
||||
**3.** De S&O-inhoudingsplichtige doet de mededeling, bedoeld in het tweede lid, gezamenlijk voor alle op een kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de in dat lid bedoelde S&O-verklaringen betrekking hebben of, indien dat later is, binnen drie kalendermaanden na de afgifte van de laatste S&O-verklaring die betrekking heeft op dat kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling en de indiening daarvan.
|
||||
**4.** Bij het eindigen van de inhoudingsplicht vóór het tijdstip, bedoeld in het derde lid, wordt in afwijking van dat lid de mededeling gedaan binnen één kalendermaand nadat de inhoudingsplicht is geëindigd.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling en de indiening daarvan, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de mededeling uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Economische Zaken geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige die de in artikel 24, tweede lid, bedoelde mededeling deed, een correctie-S&O-verklaring af waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring vaststelt op basis van het volgens de mededeling niet gerealiseerde aantal uren.
|
||||
**1.** Onze Minister van Economische Zaken geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige die de in artikel 24, tweede lid, bedoelde mededeling deed, een correctie-S&O-verklaring af voor alle op het kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen gezamenlijk, waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring, gespecificeerd per S&O-verklaring, vaststelt op basis van het volgens de mededeling niet gerealiseerde aantal uren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -398,7 +401,7 @@ b. aannemelijk is geworden, dat de S&O-inhoudingsplichtige de verplichting bedoe
|
|||
|
||||
**3.** Onze Minister van Economische Zaken kan, indien blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring afgeven tot een omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk zoals opgenomen in de S&O-verklaring, is verricht.
|
||||
|
||||
**4.** Een bedrag vastgesteld bij een correctie-S&O-verklaring komt zoveel mogelijk in mindering op het bij de S&O-verklaring waarop de correctie-S&O-verklaring betrekking heeft, vastgestelde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering dat nog niet in mindering is gebracht op de af te dragen belasting en premie. Voorzover dat niet mogelijk is, is sprake van een negatieve S&O-afdrachtvermindering welke er toe leidt dat de over het aangiftetijdvak waarin de correctie-S&O-verklaring is gedagtekend af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, wordt vermeerderd met dat bedrag aan negatieve S&O-afdrachtvermindering.
|
||||
**4.** Een bedrag vastgesteld bij een correctie-S&O-verklaring komt zoveel mogelijk in mindering op het bij één of meer S&O-verklaringen waarop de correctie-S&O-verklaring betrekking heeft, vastgestelde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering dat nog niet in mindering is gebracht op de af te dragen belasting en premie. Voorzover dat niet mogelijk is, is sprake van een negatieve S&O-afdrachtvermindering welke er toe leidt dat de over het aangiftetijdvak waarin de correctie-S&O-verklaring is gedagtekend of het daaropvolgende aangiftetijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, wordt vermeerderd met dat bedrag aan negatieve S&O-afdrachtvermindering.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
@ -421,7 +424,7 @@ De S&O-verklaring die ten name van een S&O-belastingplichtige wordt afgegeven, b
|
|||
a. een omschrijving van het werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;
|
||||
b. het kalenderjaar waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt.
|
||||
|
||||
**4.** De S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven en die in het kalenderjaar minder dan 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd heeft besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, doet daarvan binnen twee kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
**4.** De S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven en die in het kalenderjaar minder dan 500 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd heeft besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, doet daarvan binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -453,9 +456,9 @@ Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderin
|
|||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is niet van toepassing met betrekking tot handelingen die worden verricht door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
|
||||
**1.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is niet van toepassing met betrekking tot de uitvoering van deze wet door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister van Economische Zaken kan ontheffing verlenen van het in artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte verbod ter zake van de werkzaamheden bij de uitvoering van artikel 22 tot en met 29 van deze wet door hem of de door hem aangewezen ambtenaren.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van de artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betreffende de uitvoering van deze wet door Onze Minister van Economische Zaken of de door hem aangewezen ambtenaren, treedt Onze Minister van Economische Zaken in de plaats van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Tegen een besluit genomen door een van de in het eerste lid, genoemde bestuursorganen, met uitzondering van de Centrale organisatie werk en inkomen, kan de belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -467,15 +470,15 @@ Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderin
|
|||
|
||||
### Artikel 30a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 5, onderdeel c, genoemde bedragen vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding van het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zoals dat luidt bij het begin van het kalenderjaar tot dat bedrag zoals dat luidt op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar, en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan te brengen.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 14, derde lid, vermelde toetsloon vervangen door een ander toetsloon.
|
||||
|
||||
**2.** Het in artikel 14, derde lid, vermelde toetsloon wordt gesteld op 130 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel *a*, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
|
||||
**2.** Het in artikel 14, derde lid, vermelde toetsloon wordt gesteld op 130 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
|
||||
|
||||
**3.** Indien ingevolge een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het tweede lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
|
||||
**3.** Indien ingevolge een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het tweede lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
|
|
@ -496,7 +499,7 @@ Voor de toepassing van het eerste lid bedraagt het toetsloon voor de afdrachtver
|
|||
a. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt: € 20 111;
|
||||
b. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt: € 23 118.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het derde lid vermelde toetslonen vervangen door andere. Het in het derde lid, onderdeel a, vermelde toetsloon wordt gesteld op 125 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. Het in het derde lid, onderdeel b, vermelde toetsloon wordt gesteld op 144,5 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. Artikel 31, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het derde lid vermelde toetslonen vervangen door andere. Het in het derde lid, onderdeel a, vermelde toetsloon wordt gesteld op 125 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. Het in het derde lid, onderdeel b, vermelde toetsloon wordt gesteld op 144,5 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
|
|
@ -596,7 +599,7 @@ Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
|
|||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
De Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk en de Uitvoeringsregeling administratieve voorschriften Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk berusten op artikel 1, derde lid, onderdeel *c*, onderscheidenlijk de artikelen 22, derde lid, en 24, eerste lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue