2023-07-01 | BWBR0020871 | Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen

This commit is contained in:
Coornhert 2023-07-01 12:00:00 +00:00
parent 96a42a678c
commit ef4f2a9af6

View file

@ -26,11 +26,7 @@ b. fonds:
### Artikel 1a
**1.** De risicohouding van een fonds, bedoeld in artikel 102a van de Pensioenwet dan wel artikel 109a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is de mate waarin een fonds, na overleg met de vertegenwoordigers van werkgevers of werkgeversverenigingen, werknemers of werknemersverenigingen of beroepspensioenverenigingen en na overleg met de organen van het fonds, bereid is beleggingsrisicos te lopen om de doelstellingen van het fonds te realiseren en de mate waarin het fonds beleggingsrisicos kan lopen gegeven de kenmerken van het fonds.
**2.** De risicohouding van het fonds voldoet aan de prudent person regel en komt voor een uitkeringsovereenkomst of uitkeringsregeling voor de lange termijn tot uitdrukking in de door het fonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets en voor de korte termijn in de hoogte van het vereist eigen vermogen of een bandbreedte hiervoor.
**3.** Voor een premieovereenkomst, premieregeling of een variabele uitkering komt de risicohouding van het fonds tot uitdrukking in de door het fonds gekozen maximaal aanvaardbare afwijking van het pensioen in een pessimistisch scenario ten opzichte van het verwachte pensioen in een verwacht scenario. In de opbouwfase gaat het hierbij om het verwachte pensioen op pensioendatum; in de uitkeringsfase om afwijking van het pensioen van jaar op jaar. De risicohouding van het fonds voldoet aan de prudent person regel. De risicohouding wordt per toedelingskring vastgelegd.
Vervallen
### Paragraaf 1b. Afgescheiden vermogens
@ -58,25 +54,7 @@ Voor zover het vermogen van een fonds een afgescheiden vermogen bij een algemeen
### Artikel 4
**1.** De actuarieel benodigde premie in verband met de pensioenverplichtingen wordt berekend overeenkomstig artikel 2.
**2.**
In afwijking van het eerste lid kan een fonds, met het oog op demping van de premie, voor de berekening, bedoeld in het eerste lid, uitgaan van:
a. een voortschrijdend gemiddelde van de rente met een maximumperiode van tien jaar; of
b. indien aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid wordt voldaan, een vastgestelde verwachte waarde van het toekomstig rendement.
**3.**
De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn:
a. het fonds houdt in de premie rekening met toeslagverlening ter hoogte van ten minste de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, tenzij sprake is van een eindloonregeling waarbij de pensioenaanspraken jaarlijks onvoorwaardelijk worden verhoogd op basis van het laatstverdiende loon; en
b. het rendement op vastrentende waarden, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel f en g, wordt vastgezet voor vijf jaar op basis van de actuele marktrente bij aanvang van deze periode.
**4.** Voor de toepassing van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt bij voorwaardelijke toeslagverlening berekend welke opslag in de premie nodig is voor de toeslagverlening. Is deze opslag hoger dan de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorend vereist eigen vermogen dan wordt dit meerdere in de kostendekkende premie opgenomen.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het derde lid, onderdeel b.
Vervallen
### Paragraaf 4. Eigen vermogen
@ -175,6 +153,14 @@ De Nederlandsche Bank kan tegen de op verzekering gebaseerde verlaging van het m
a. de aard of de kwaliteit van de overdracht uit hoofde van verzekering sinds het afgelopen boekjaar sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks of geen risico-overdracht plaatsvindt uit hoofde van verzekering.
### Artikel 11a
**1.** Een fonds dat pensioenregelingen uitvoert waarbij door het fonds geen beleggingsrisico wordt gelopen, beoordeelt op 31 december van ieder jaar of voldaan wordt aan de vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen.
**2.** Indien het fonds op 31 december niet voldoet aan de vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen, beoordeelt het fonds of het gemiddeld per het einde van de afgelopen twaalf kalendermaanden voldeed aan deze vereisten.
**3.** Een fonds dat zowel op 31 december als gemiddeld per het einde van de afgelopen twaalf kalendermaanden niet voldeed aan de vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen neemt direct maatregelen zodat het op 31 december voldoet aan de vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen.
### Artikel 12
**1.**
@ -228,6 +214,8 @@ j. het actief beheer.
**7.** Onder een gereglementeerde markt als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: een multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van die markt tot de handel zijn toegelaten, en dat regelmatig en overeenkomstig de geldende regels inzake de vergunningverlening en het doorlopende toezicht werkt.
**8.** Onder blootstelling aan beleggingsrisico wordt verstaan; de effectieve blootstelling aan zakelijke waardenrisico. Zakelijke waarden zijn alle beleggingen die niet onder kredietrisicovrije vastrentende waarden vallen, waarbij voor vastrentende waarden met kredietrisico een systematiek van mapping toegepast wordt op basis van de tabel, bedoeld in artikel 23a, vijfde lid.
### Artikel 13a
**1.** Een fonds stelt voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, van het fonds en is gebaseerd op gedegen onderzoek.
@ -480,7 +468,7 @@ De aanvangshaalbaarheidstoets laat zien:
a. dat het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau boven de door het fonds te kiezen ondergrens voor dit pensioenresultaat blijft;
b. dat het premiebeleid over de gehele berekeningshorizon voldoende realistisch en haalbaar is;
c. dat het fonds voldoende herstelcapaciteit heeft om naar verwachting vanuit de situatie dat aan de vereisten voor het minimaal vereist eigen vermogen wordt voldaan, binnen de looptijd van het herstelplan aan de vereisten voor het vereist eigen vermogen te voldoen; en
c. indien van toepassing dat het fonds voldoende herstelcapaciteit heeft om naar verwachting vanuit de situatie dat aan de vereisten voor het minimaal vereist eigen vermogen wordt voldaan, binnen de looptijd van het herstelplan aan de vereisten voor het vereist eigen vermogen te voldoen; en
d. dat het pensioenresultaat op fondsniveau in het slechtweerscenario niet teveel afwijkt van het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau, waarbij het fonds hiervoor de maximale afwijking vaststelt.
**4.** De toetsing van het derde lid, onderdelen a, b, en d, wordt gedaan vanuit de feitelijke financiële positie van het fonds. De toetsing van het derde lid, onderdelen a en b wordt ook gedaan vanuit een dekkingsgraad waarbij aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan.
@ -531,37 +519,23 @@ e. het ertoe bijdragen dat het risicobeheer doeltreffend wordt toegepast.
### Artikel 23
**1.** Er is een Commissie Parameters, hierna te noemen de commissie.
**2.** De commissie heeft tot taak Onze Minister over iedere voorgenomen wijziging van de regels, die bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld op grond van artikel 144 van de Pensioenwet of artikel 139 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, haar oordeel te geven voordat daartoe een voordracht als bedoeld in genoemde artikelen wordt gedaan.
**3.** Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de benoeming en het ontslag van de leden en de werkwijze van de commissie.
Vervallen
### Artikel 23a
**1.**
Een fonds gaat voor de berekeningen, bedoeld in de artikelen 126, 128, 137, 138, 139, 140 en 143 van de Pensioenwet en de artikelen 121, 123, 132, 133, 134, 135 en 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, uit van:
Bij toepassing van de regels, bedoeld in artikel 144, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b en c, van de Pensioenwet dan wel artikel 139, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b en c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling gaat een fonds uit van:
a. minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het prijs- en loonindexcijfer van 1,9% respectievelijk 2,3% per jaar;
b. een verwacht bruto meetkundig rendement op beursgenoteerde aandelen van maximaal 5,8% met daarbij een uniforme kostenafslag voor beleggingskosten van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 20%;
c. een verwacht bruto meetkundig rendement op overige zakelijke waarden van maximaal 7,5% met daarbij een uniforme kostenafslag van 190 basispunten en een standaarddeviatie van 25%;
d. een verwacht bruto meetkundig rendement op grondstoffen van maximaal 3,5% met daarbij een uniforme kostenafslag van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 20%;
e. een verwacht bruto meetkundig rendement op niet beursgenoteerd vastgoed van maximaal 4,8% met daarbij een uniforme kostenafslag van 70 basispunten en een standaarddeviatie van 15%;
f. een maximaal verwacht bruto meetkundig rendement op risicovrije vastrentende waarden conform de toekomstige rentetermijnstructuur met daarbij een uniforme kostenafslag van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 8% daarbij rekening houdend met de looptijd van de vastrentende waarden; en
g. een maximaal verwacht meetkundig rendement voor vastrentende waarden met kredietrisico als een combinatie van het rendement op kredietrisicovrije vastrentende waarden en het rendement op aandelen op basis van de tabel, bedoeld in het vijfde lid, met daarbij een uniforme kostenafslag en een standaarddeviatie eveneens gebaseerd op deze tabel.
a. minimale verwachtingswaarden voor de prijs- en looninflatie van 2% respectievelijk 2,4% per jaar;
b. een verwacht bruto meetkundig rendement op beursgenoteerde aandelen van maximaal 5,4% met daarbij een kostenafslag voor beleggingskosten van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 20%;
c. een verwacht bruto meetkundig rendement op overige zakelijke waarden van maximaal 7% met daarbij een kostenafslag van 180 basispunten en een standaarddeviatie van 25%;
d. een verwacht bruto meetkundig rendement op grondstoffen van maximaal 3,5% met daarbij een kostenafslag van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 20%;
e. een verwacht bruto meetkundig rendement op niet-beursgenoteerd vastgoed van maximaal 4,4% met daarbij een kostenafslag van 60 basispunten en een standaarddeviatie van 15%;
f. een maximaal verwacht bruto meetkundig rendement op risicovrije vastrentende waarden conform de toekomstige rentetermijnstructuur met daarbij een kostenafslag van 20 basispunten en een standaarddeviatie van 8% daarbij rekening houdend met de looptijd van de vastrentende waarden; en
g. een maximaal verwacht meetkundig rendement voor vastrentende waarden met kredietrisico als een combinatie van het rendement op risicovrije vastrentende waarden en het rendement op beursgenoteerde aandelen op basis van de tabel, bedoeld in het vijfde lid, met daarbij een kostenafslag en een standaarddeviatie eveneens gebaseerd op deze tabel.
**2.**
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedragen de minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het prijs- en loonindexcijfer voor het:
a. jaar van vaststelling: het prijs- en loonindexcijfer op basis van de meest recente gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek van het voorgaande jaar waarbij, indien nog geen gegevens voor het betreffende jaar beschikbaar zijn, het prijs- en loonindexcijfer volgens de raming van het Centraal Planbureau voor het voorgaande jaar gebruikt wordt;
b. jaar 1: het prijs- en loonindexcijfer op grond van de meest recente door het Centraal Planbureau vastgestelde raming hiervan;
c. jaar 2: 0,75 x de raming, bedoeld in onderdeel b, + 0,25 x 1,9% respectievelijk 2,3%;
d. jaar 3: 0,5 x de raming, bedoeld in onderdeel b, + 0,5 x 1,9% respectievelijk 2,3%;
e. jaar 4: 0,25 x de raming, bedoeld in onderdeel b, + 0,75 x 1,9% respectievelijk 2,3%.
De groeivoeten van het prijs- en loonindexcijfer, bedoeld in onderdeel a en b, worden door De Nederlandsche Bank bekend gemaakt.
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedragen de minimale verwachtingswaarden voor de prijs- en looninflatie voor de hele looptijd van de ramingen de door het Centraal Planbureau meest recente vastgestelde ramingen van de prijs- en looninflatie.
**3.** Een fonds kan na instemming van De Nederlandsche Bank afwijken van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, indien de specifieke omstandigheden van het fonds dat noodzakelijk maken.
@ -579,23 +553,23 @@ De tabel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, luidt als volgt:
| BBB | 80% | 20% |
| High Yield | 40% | 60% |
Vastrentende waarden waaraan fondsen geen rating hebben toegekend hebben geen aparte gewichten. Voor kortlopende vorderingen en liquide middelen geldt het gewicht van de AAA-rating. Voor overige vastrentende waarden waaraan fondsen geen rating hebben toegekend geldt het gewicht van de High Yield-rating.
Vastrentende waarden zonder rating hebben geen aparte gewichten. Deze waarden worden verdeeld over twee andere categorieën: de kortlopende vorderingen en liquide middelen worden toegekend aan de categorie AAA en de overige vastrentende waarden zonder rating aan de categorie High Yield.
**6.**
Voor het omrekenen van rendementen naar het portefeuillerendement wordt gebruik gemaakt van onderstaande tabel met correlatieparameters. Voor de omrekening van het meetkundig naar het rekenkundig gemiddelde geldt de formule: rekenkundig gemiddelde = meetkundig gemiddelde + ½ σ^2:
Voor het omrekenen van rendementen naar het portefeuillerendement wordt gebruik gemaakt van onderstaande correlatietabel. Voor de omrekening van het meetkundig naar het rekenkundig gemiddelde geldt de formule: rekenkundig gemiddelde = meetkundig gemiddelde + ½ σ^2:
| *Categorie* | *1* | *2* | *3* | *4* | *5* |
| Categorie | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| *1 Vastrentende waarden* | 1 | 0 | 0 | ½ | ½ |
| *2 Aandelen beursgenoteerd* | 0 | 1 | ¾ | ½ | ½ |
| *1 Vastrentende waarden* | 1 | 0 | 0 | ½ | 0 |
| *2 Beursgenoteerde aandelen* | 0 | 1 | ¾ | ½ | ½ |
| *3 Overige zakelijke waarden* | 0 | ¾ | 1 | ½ | ½ |
| *4 Niet-beursgenoteerd vastgoed* | ½ | ½ | ½ | 1 | ½ |
| *5 Grondstoffen* | ½ | ½ | ½ | ½ | 1 |
| *5 Grondstoffen* | 0 | ½ | ½ | ½ | 1 |
### Artikel 23b
Fondsen gebruiken voor de haalbaarheidstoets uniforme scenariosets die door De Nederlandsche Bank beschikbaar worden gesteld.
Fondsen gebruiken voor uitvoering van een scenario-analyse een uniforme set met 10.000 economische scenarios die door De Nederlandsche Bank beschikbaar wordt gesteld.
### Artikel 23c
@ -625,9 +599,13 @@ j. de systematiek van de vaststelling van de parameters, zoals die op grond van
De beschrijving van de financiële opzet, bedoeld in artikel 24, onderdeel h, bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten ten aanzien van:
a. de technische voorzieningen, het minimaal vereist eigen vermogen en het vereist eigen vermogen, bedoeld in de artikelen 126, 131 en 132 van de Pensioenwet of de artikelen 121, 126 en 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. het premiebeleid, bedoeld in de artikelen 128 en 129 van de Pensioenwet of de artikelen 123 en 124 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. het premiebeleid;
c. het beleggingsbeleid en het aangaan van leningen, bedoeld in de artikelen 135 en 136 van de Pensioenwet of de artikelen 130 en 131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
d. het beleid inzake voorwaardelijke toeslagverlening, bedoeld in artikel 137 van de Pensioenwet dan wel artikel 132 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
d. het beleid inzake voorwaardelijke toeslagverlening, bedoeld in artikel 137 van de Pensioenwet dan wel artikel 132 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
e. het beleid inzake de toedelingsregels rondom beschermingsrendementen en de overrendementen;
f. het beleid aangaande de uitgangspunten, regels en procedures welke gelden ten aanzien van een solidariteitsreserve of een risicodelingsreserve;
g. het beleid aangaande de uitgangspunten, regels en procedures welke gelden ten aanzien van een compensatiedepot als bedoeld in artikel 150f van de Pensioenwet of artikel 145e van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en
h. het beleid waarin invulling wordt gegeven aan het projectierendement of de vaste daling, bedoeld in artikel 63a van de Pensioenwet of artikel 75a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
**2.** Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de overige verplichtingen van het fonds.
@ -653,7 +631,7 @@ Voor zover risicos zijn overgedragen of verzekerd kunnen de beschrijvingen, b
### Artikel 29
De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat op grond van de artikelen 24 tot en met 28 zijn zodanig dat De Nederlandsche Bank op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan komen over de wijze waarop voldaan wordt aan de artikelen 25, 126 tot en met 137 en 143 van de Pensioenwet of de artikelen 35, 121 tot en met 132 en 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat op grond van de artikelen 24 tot en met 28 zijn zodanig dat De Nederlandsche Bank op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan komen over de wijze waarop voldaan wordt aan artikel 25 en de financieel normerende artikelen binnen de Pensioenwet of artikel 35 en de financieel normerende artikelen van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
### Artikel 29a
@ -676,7 +654,7 @@ f. een beschrijving van de wijze waarop bij het inzetten van maatregelen op even
**1.**
De door een fonds op grond van de artikelen 147, derde lid, en artikel 203, derde en vierde lid, van de Pensioenwet en op grond van de artikelen 142, derde lid en artikel 197, derde en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling te verstrekken gegevens hebben uitsluitend betrekking op:
De staten en de door een fonds op grond van artikel 203, derde en vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 197, derde en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling te verstrekken gegevens hebben betrekking op:
a. het fonds en zijn organisatie met betrekking tot:
@ -697,7 +675,7 @@ c. de balans, bestaande uit een enkelvoudige balans en, indien van toepassing, e
2°. een specificatie van de passiva met betrekking tot gespecificeerde reserves, het aandeel van derden in geval van een geconsolideerde balans, andere voorzieningen en overige verplichtingen;
3°. informatie over ontvangen en gestelde zekerheden en garanties;
4°. informatie over grote posten binnen de beleggingen; en
5°. specificatie van de beleggingen met betrekking tot de valuta, de risicoklassen, derivatenposities, beleggingsrendementen en indien sprake is van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, de z-score;
5°. specificatie van de beleggingen met betrekking tot de valuta, de risicoklassen, derivatenposities, beleggingsrendementen, ESG-kenmerken en indien sprake is van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, de z-score;
d. de financiële relaties en transacties van het fonds met:
1°. bijdragende ondernemingen;
@ -733,13 +711,21 @@ l. verzekering, met betrekking tot:
2°. risicoverzekering; en
3°. kapitaalcontracten.
m. verplichtingen van het fonds voor risico van de deelnemers;
n. informatie over een herstelplan;
n. informatie over een herstelplan of overbruggingsplan;
o. informatie over de haalbaarheidstoets;
p. informatie over toeslagverlening;
q. informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten;
r. uitvoering van een VUT-regeling;
s. uitvoering van een inkoopregeling als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004;
t. een besluit tot wijziging van een pensioenregeling in de verslagperiode met betrekking tot de kenmerken van de pensioenregeling.
q. informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en pensioenvermogens of kapitalen;
r. uitvoering van een inkoopregeling als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004;
s. een besluit tot wijziging van een pensioenregeling in de verslagperiode met betrekking tot de kenmerken van de pensioenregeling;
t. informatie over de risicohouding;
u. informatie over het projectierendement of de vaste daling voor de vaststelling van de hoogte van het pensioen in de uitkeringsfase en de spreidingstermijn;
v. informatie over beschermings- en overrendement;
w. informatie over de solidariteits- of risicodelingsreserve;
x. informatie over het compensatiedepot en andere voorzieningen;
y. informatie over de risicobereidheid van het fonds ten aanzien van onderscheidenlijke risicocategorieën alsmede over opgetreden overschrijdingen daarvan;
z. informatie over opgetreden incidenten als bedoeld in artikel 19a, alsmede over de analyse en afhandeling daarvan;
aa. informatie over bedreigingen van de beheerste en integere bedrijfsvoering, alsmede over geplande en uitgevoerde risico- en dreigingsanalyses;
ab. informatie over geplande evaluaties en over uitgevoerde evaluaties door de interne auditfunctie zoals bedoeld in artikel 22a.
**2.**
@ -811,19 +797,19 @@ Vervallen
### Artikel 36
Een fonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, en artikel II, onderdeel N, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader gezien de beleidsdekkingsgraad niet beschikt over het vereist eigen vermogen, kan eenmalig het strategisch beleggingsbeleid aanpassen in afwijking van artikel 16, vierde en vijfde lid, mits ten tijde van de aanpassing gezien de beleidsdekkingsgraad ten minste wordt beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen.
**1.** Een fonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel P, en artikel II, onderdeel N, van de Wet aanpassing financieel toetsingskader gezien de beleidsdekkingsgraad niet beschikt over het vereist eigen vermogen, kan eenmalig het strategisch beleggingsbeleid aanpassen in afwijking van artikel 16, vierde en vijfde lid, mits ten tijde van de aanpassing gezien de beleidsdekkingsgraad ten minste wordt beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen.
**2.** Onverminderd het eerste lid kan een fonds dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen gezien de beleidsdekkingsgraad niet beschikt over het vereist eigen vermogen, eenmalig, na dit in het implementatieplan, bedoeld in artikel 150i van de Pensioenwet dan wel artikel 145h van de Wet verplichte beroepspensioenregeling te hebben onderbouwd, het strategisch beleggingsbeleid aanpassen in afwijking van artikel 16, vierde en vijfde lid, mits dit past bij de risicohoudingen per cohort die voor het implementatieplan zijn vastgesteld.
**3.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt een aanpassing van het strategisch beleggingsbeleid op grond van artikel 47, vijfde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling aangemerkt als aanpassing op grond van het tweede lid.
### Artikel 36a
Vervallen
Het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit toekomst pensioenen of het Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege vaststelling van de parameters vanaf inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Stb. 2023, 219), blijft van toepassing tot het tijdstip dat de pensioenuitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling, maar uiterlijk tot 1 januari 2027. In afwijking van de vorige zin zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdelen E, G, K en L van het Besluit toekomst pensioenen of het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van het Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege vaststelling van de parameters vanaf inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen van toepassing Stb. 2023, 219: het verval van de artikelen 15c en 23, en de artikelen 23a, 23b, 36, 36a en 36b.
### Artikel 36b
**1.** Tot het tijdstip, bedoeld in artikel IV van de Wet verbeterde premieregeling, kan bij de weergave van de risicohouding, bedoeld in artikel 1a, derde lid, in afwijking van artikel 7e van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, in plaats van een pessimistisch en verwacht scenario de maximaal aanvaardbare afwijking van het pensioen weergegeven worden op basis van twee rendementen.
**2.** De opgave van de hoogte van de uitkeringen en het risico heeft betrekking op de pensioendatum en tien jaar na de pensioendatum.
**3.** De Nederlandsche Bank stelt de scenarios voor de vaststelling van de twee rendementen beschikbaar.
Een fonds dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 22 juni 2023 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling vanwege vaststelling van de parameters vanaf inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Stb. 2023, 219) het rendement op vastrentende waarden, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdelen f en g, heeft vastgezet voor een periode van vijf jaar op basis van de actuele marktrente bij aanvang van deze periode kan eenmalig, in afwijking van artikel 4, derde lid, onderdeel b, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit toekomst pensioenen, voor de premievaststelling vanaf het jaar 2024 het rendement op vastrentende waarden opnieuw vastzetten voor een periode van vijf jaar op basis van de actuele marktrente bij aanvang van deze periode.
### Artikel 37