From ef6b621372c2edb74b3d1c42420a18c39b891ef8 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Apr 2022 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2022-04-01 | BWBR0003420 | Wet op het primair onderwijs --- .../BWBR0003420/README.md | 1208 +++++++---------- 1 file changed, 490 insertions(+), 718 deletions(-) diff --git a/wet/wet-op-het-primair-onderwijs/BWBR0003420/README.md b/wet/wet-op-het-primair-onderwijs/BWBR0003420/README.md index 794f26ab324..26c2af35b2b 100644 --- a/wet/wet-op-het-primair-onderwijs/BWBR0003420/README.md +++ b/wet/wet-op-het-primair-onderwijs/BWBR0003420/README.md @@ -163,7 +163,7 @@ b. in het bezit is van: 1°. een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat ten aanzien van dat onderwijs of ten aanzien van een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen daartoe behorende onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 9 is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, van deze wet, of krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of 2°. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of -3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b, en +3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171, en c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten. **2.** @@ -331,7 +331,7 @@ e. een zorgaanbieder die geneeskundige geestelijke gezondheidszorg levert welke **7.** De toetsen, bedoeld in het zesde lid, voldoen aan het kwaliteitsoordeel van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke commissie betreffende inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften omtrent het leerling- en onderwijsvolgsysteem en de daaraan verbonden toetsen worden vastgesteld. -**8.** De scholen voorzien in een voortgangsregistratie omtrent de ontwikkeling van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, en omtrent leerlingen die onderwijs volgen als bedoeld in artikel 165. +**8.** De scholen voorzien in een voortgangsregistratie omtrent de ontwikkeling van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, en omtrent leerlingen die onderwijs volgen als bedoeld in artikel 158. **9.** @@ -702,7 +702,7 @@ h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeli De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde. De toezichthouder of het toezichthoudend orgaan is ten minste belast met: a. het goedkeuren van de begroting en het jaarverslag en, indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de school; -b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 171, eerste lid, onderdeel a, en de afwijkingen van die code; +b. het toezien op de naleving door het bestuur van wettelijke verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 165, eerste lid, onderdeel a, en de afwijkingen van die code; c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de school verkregen op grond van deze wet; d. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan, en e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met d, in het jaarverslag. @@ -726,7 +726,7 @@ Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen indien: a. met die totstandkoming van de samenwerkingsschool de continuïteit van het openbaar of bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven; en b. de betrokken scholen ten minste zes schooljaren zijn bekostigd. -**3.** Van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is sprake indien één van de betrokken scholen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen dat ten hoogste gelijk is aan de opheffingsnorm, bedoeld in artikel 154, verhoogd met de uitkomst van de formule 67,797 – (0,339 x de opheffingsnorm), met een maximum van 200 leerlingen. De uitkomst van de berekening wordt afgerond overeenkomstig artikel 154, tweede volzin. +**3.** Van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is sprake indien één van de betrokken scholen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen dat ten hoogste gelijk is aan de opheffingsnorm, bedoeld in artikel 140, verhoogd met de uitkomst van de formule 67,797 – (0,339 x de opheffingsnorm), met een maximum van 200 leerlingen. De uitkomst van de berekening wordt afgerond overeenkomstig artikel 140, tweede volzin. **4.** Samenwerkingsscholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing. @@ -744,7 +744,7 @@ b. de betrokken scholen ten minste zes schooljaren zijn bekostigd. **11.** In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit. -**12.** Artikel 159, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. +**12.** Artikel 148, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. **13.** Overdracht of fusie van de samenwerkingsschool is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is. @@ -774,7 +774,7 @@ Het samenwerkingsverband heeft in elk geval tot taak: a. het vaststellen van een ondersteuningsplan, b. het verdelen en toewijzen van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, -c. het beoordelen of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs, op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld in het tweede lid waar de leerling is aangemeld of ingeschreven, en +c. het beoordelen of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs of tot het speciaal onderwijs, op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld in het tweede lid waar de leerling is aangemeld of ingeschreven, en d. het adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld in het tweede lid waar de leerling is aangemeld of ingeschreven. **7.** Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de 4 jaar een ondersteuningsplan vast. Bij het vaststellen van het ondersteuningsplan kunnen door het samenwerkingsverband slechts beperkingen worden gesteld aan de door de school gewenste invulling van het schoolondersteuningsprofiel, indien dat voor het samenwerkingsverband met het oog op de beschikbare ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen een onevenredige belasting zou vormen. @@ -785,14 +785,14 @@ Het ondersteuningsplan omvat in elk geval: a. de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede lid, tweede volzin, waaronder tevens zijn begrepen de basisondersteuningsvoorzieningen die op alle vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband aanwezig zijn, b. de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, mede bezien in het perspectief van een meerjarenbegroting, -c. de procedure en criteria voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband en op scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, +c. de procedure en criteria voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs en op scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, d. de procedure en het beleid met betrekking tot de terugplaatsing of overplaatsing naar het basisonderwijs van leerlingen van scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor wie de periode waarop de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, tiende lid, van de Wet op de expertisecentra betrekking heeft, is verstreken, e. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging, -f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders, -g. de wijze waarop wordt bepaald of de situaties, bedoeld in de artikelen 118, vierde lid, en 124, zich voordoen, -h. de wijze waarop wordt vastgesteld wat het aandeel van de onderscheiden scholen is in de overdracht van de bekostiging voor materiële instandhouding in een situatie als bedoeld in artikel 124, zevende lid, of artikel 125, zesde lid, -i. de wijze waarop wordt bepaald of de situaties, bedoeld in artikel 125b zich voordoen, en -j. de wijze waarop wordt vastgesteld wat het aandeel van de onderscheiden scholen, bedoeld in het tweede lid, is in de overdracht van de bekostiging personeelskosten in een situatie als bedoeld in artikel 125b, derde lid. +f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders, en +g. de wijze waarop: + +1°. wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen met een door het samenwerkingsverband afgegeven toelaatbaarheidsverklaring in de zin van artikel 40, achtste en tiende lid, van de Wet op de expertisecentra, bij de bij het samenwerkingsverband aangesloten speciale scholen voor basisonderwijs respectievelijk scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de periode na 1 februari, waarbij de leerlingen die zijn geplaatst in een inrichting, accommodatie of residentiële inrichting, genoemd in artikel 40, zestiende lid, van de Wet op de expertisecentra buiten beschouwing blijven, en +2°. deze scholen tegemoet worden gekomen in de meer dan gemiddelde toename. **9.** Het ondersteuningsplan wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten en overleg heeft plaatsgevonden met het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarvan het gebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het gebied van het samenwerkingsverband. Het overleg met het college van burgemeester en wethouders vindt plaats overeenkomstig een procedure, vastgesteld door het samenwerkingsverband en het college van burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen. @@ -800,19 +800,19 @@ j. de wijze waarop wordt vastgesteld wat het aandeel van de onderscheiden schole **10a.** Het samenwerkingsverband kan, met het oog op de doelstelling, bedoeld in het tweede lid, een of meer orthopedagogisch-didactische centra inrichten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder een zodanige voorziening kan worden ingericht. -**11.** Het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat deskundigen in elk geval het samenwerkingsverband adviseren over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de aard van de noodzakelijke deskundigheid. +**11.** Het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat deskundigen in elk geval het samenwerkingsverband adviseren over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs of tot het speciaal onderwijs. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de aard van de noodzakelijke deskundigheid. -**12.** Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht in, die adviseert over bezwaarschriften betreffende besluiten van het samenwerkingsverband over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs. +**12.** Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht in, die adviseert over bezwaarschriften betreffende besluiten van het samenwerkingsverband over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs of tot het speciaal onderwijs. **13.** Het samenwerkingsverband is bevoegd gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken met betrekking tot leerlingen, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in het zesde lid, onderdelen b tot en met d. Het samenwerkingsverband verstrekt de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet aan derden, met uitzondering van het bevoegd gezag van de school waar de desbetreffende leerling is aangemeld of ingeschreven. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor het samenwerkingsverband en de deskundigen, bedoeld in het elfde lid. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens tot drie jaar na afloop van: -a. de beoordeling van de toelaatbaarheid van de leerling tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs, +a. de beoordeling van de toelaatbaarheid van de leerling tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs of tot het speciaal onderwijs, b. de advisering over de ondersteuningsbehoefte van de leerling aan het bevoegd gezag van de school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven, of c. de toewijzing van ondersteuningsmiddelen of ondersteuningsvoorzieningen aan de school, voor zover het voor die toewijzing nodig was gegevens van de leerling als bedoeld in de eerste volzin te verwerken. -**14.** Het samenwerkingsverband kent aan elke toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 40, tiende lid, van de Wet op de expertisecentra een volgnummer toe. Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als bedoeld in het dertiende lid, afschrift aan de ouders. +**14.** Het samenwerkingsverband kent aan elke toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 40, tiende lid, van de Wet op de expertisecentra en elke toelaatbaarheidsverklaring voor leerlingen op een speciale school voor basisonderwijs een volgnummer toe. Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als bedoeld in het dertiende lid, afschrift aan de ouders. **15.** Bevoegde gezagsorganen van tot dezelfde richting behorende scholen en scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra waaraan speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 wordt verzorgd kunnen aangesloten blijven of kunnen zich aansluiten bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in dit lid, zoals dat luidde vóór de datum van inwerkingtreding van dit lid zoals dat is komen te luiden met de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160). Op een landelijk samenwerkingsverband zijn het tweede tot en met het veertiende lid, met uitzondering van het derde lid en het vijfde lid, en het zestiende lid van overeenkomstige toepassing. Indien een bevoegd gezag scholen heeft met ten minste de richting van de scholen die behoren tot het landelijk samenwerkingsverband bepaalt het bevoegd gezag eenmalig of aansluiting bij het landelijk samenwerkingsverband wordt gevraagd. Het landelijk samenwerkingsverband beslist over de aansluiting. @@ -989,7 +989,7 @@ b. te voldoen aan de overige vereisten voor de te vervullen functie. **9.** De verklaring, bedoeld in het tweede lid, onder a.1°, artikel 3, eerste lid, onder a, en artikel 3a, eerste lid, onder a, die in verband met de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming wordt overgelegd, mag op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder zijn dan zes maanden. -**10.** Indien betrokkene in het bezit is van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor de eerste maal na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, tekent het feit en de datum van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming aan op die verklaring. +**10.** Indien betrokkene in het bezit is van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 171 vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor de eerste maal na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, tekent het feit en de datum van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming aan op die verklaring. **11.** Directeuren en adjunct-directeuren die zijn benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming voordat de Wet op de beroepen in het onderwijs in werking is getreden en bij hun benoeming of tewerkstelling zonder benoeming niet beschikten over een getuigschrift als bedoeld in het tweede lid, onder a.2°, zijn vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die wet benoembaar of tewerkstelbaar zonder benoeming als directeur respectievelijk adjunct-directeur indien zij in elk geval voldoen aan de vereisten van het tweede lid, onder a.1° en c. Het derde lid is niet van toepassing op deze directeuren en adjunct-directeuren. @@ -1092,7 +1092,7 @@ Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 33 te treffen regelingen, alsme ### Artikel 38a -**1.** Degene die beschikt over een in artikel 176b bedoelde geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat betrokkene benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 176g, eerste lid onder a, sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel 176c, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende vervangende voorziening. +**1.** Degene die beschikt over een in artikel 171 bedoelde geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat betrokkene benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 176, eerste lid, onder a, sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel 172, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende vervangende voorziening. **2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit van het daarin bepaalde. @@ -1376,9 +1376,18 @@ b. indien het bevoegd gezag de ouders bij de aanmelding verzoekt te verklaren da **7.** Indien de aanmelding een kind betreft dat niet is ingeschreven op een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en de beslissing over de toelating is 10 weken na de dag waarop het verzoek om toelating is gedaan nog niet genomen, wordt het kind met ingang van de dag volgend op bedoelde 10 weken, doch niet eerder dan de datum waarop het kind de leeftijd heeft bereikt om te kunnen worden toegelaten tot de school, tijdelijk geplaatst op de school en als leerling ingeschreven. Indien de leerling wordt toegelaten, wordt de tijdelijke plaatsing omgezet in een definitieve plaatsing. Indien de toelating van de leerling wordt geweigerd of een beslissing wordt genomen de aanmelding niet te behandelen, wordt de tijdelijke plaatsing beëindigd en wordt de leerling uitgeschreven met ingang van de dag die volgt op de dag waarop de toelating wordt geweigerd of de beslissing wordt genomen de aanmelding niet te behandelen. -**8.** Een leerling wordt niet toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs dan nadat het samenwerkingsverband waartoe de speciale school voor basisonderwijs behoort de leerling toelaatbaar heeft verklaard tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband. De beslissing over de toelaatbaarheid is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Het samenwerkingsverband neemt geen beslissing over de toelaatbaarheid van de leerling, indien de leerling afkomstig is van een basisschool waarvan het bevoegd gezag is aangesloten bij een ander samenwerkingsverband en dat samenwerkingsverband nog geen onherroepelijk geworden beslissing over de toelaatbaarheid heeft genomen. +**8.** -**9.** De toelating van een leerling van een basisschool tot een speciale school voor basisonderwijs van het samenwerkingsverband waaraan de basisschool deelneemt wordt niet geweigerd op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de leerling weigeren te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs van de school zullen respecteren. +Een leerling wordt slechts toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs nadat de leerling toelaatbaar is verklaard tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs. De beslissing over de toelaatbaarheid is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beslissing wordt genomen: + +a. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating was ingeschreven op een basisschool: door het samenwerkingsverband waartoe die school behoort; +b. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingeschreven op een basisschool: + +1°. door het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont; +2°. door het samenwerkingsverband waartoe de speciale school voor basisonderwijs, waarvoor toelating wordt verzocht behoort, indien de leerling buiten Nederland woont; +c. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingeschreven op een basisschool en de leerling was aangemeld bij een speciale school voor basisonderwijs, die behoort tot een landelijk samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid: door het landelijk samenwerkingsverband waartoe de speciale school voor basisonderwijs, waar de leerling was aangemeld, behoort. + +**9.** De toelating van een leerling van een basisschool tot een speciale school voor basisonderwijs wordt niet geweigerd op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de leerling weigeren te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs van de school zullen respecteren. **10.** @@ -1392,6 +1401,10 @@ c. uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezit en waarvan blijkens een schrif **12.** Indien tegen het besluit, bedoeld in het eerste lid, van het bevoegd gezag van een openbare school bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 4 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. +**13.** De toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in het achtste lid, heeft betrekking op een periode van één of meer schooljaren. Indien de toelaatbaarheidsverklaring in de loop van een schooljaar wordt gegeven, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode. + +**14.** In het laatste schooljaar waarop de toelaatbaarheidsverklaring betrekking heeft, draagt het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs er zorg voor dat terugplaatsing of overplaatsing van de leerling naar een basisschool plaatsvindt, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat voortgezet verblijf van de leerling in een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is en het samenwerkingsverband, bedoeld in het achtste lid, een nieuwe toelaatbaarheidsverklaring heeft verstrekt. + ### Artikel 40a **1.** @@ -1761,7 +1774,7 @@ a. *fusie:* institutionele fusie of bestuursoverdracht, b. *institutionele fusie:* fusie waarbij een school ontstaat door samenvoeging van twee of meer scholen, c. *bestuursoverdracht:* overdracht van een school door het bevoegd gezag dat deze in stand houdt aan een ander bevoegd gezag in de zin van deze wet of een andere onderwijswet. -**2.** Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op het instellen van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47, eerste lid, eerste volzin, de instandhouding van een of meer openbare scholen door een stichting als bedoeld in artikel 48, eerste lid, of de overdracht aan de gemeente van de instandhouding van een openbare school of openbare nevenvestiging, bedoeld in artikel 159, tweede lid. +**2.** Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op het instellen van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47, eerste lid, eerste volzin, de instandhouding van een of meer openbare scholen door een stichting als bedoeld in artikel 48, eerste lid, of de overdracht aan de gemeente van de instandhouding van een openbare school of openbare nevenvestiging, bedoeld in artikel 148, tweede lid. ### Artikel 64a @@ -1868,31 +1881,26 @@ zijn van toepassing de in artikel 33 bedoelde voorschriften en regels. ### Artikel 69 -**1.** De openbare en de bijzondere scholen worden door het Rijk bekostigd volgens de bepalingen van deze titel met uitzondering van afdeling 3. Geen bekostiging vindt plaats indien groepen van leerlingen van verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag gezamenlijk onderwijs ontvangen. De bedragen die de gemeente krachtens deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging verstrekt blijven ten laste van de gemeente. +**1.** Het Rijk bekostigt openbare en bijzondere scholen en samenwerkingsverbanden met inachtneming van deze titel, met uitzondering van afdeling 3. -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven ter uitvoering van het eerste lid. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in elk geval een regeling omtrent de termijnen binnen welke besluiten moeten worden genomen. +**2.** Geen bekostiging van scholen vindt plaats indien leerlingen van verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag gezamenlijk onderwijs ontvangen. -**3.** +**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid. De algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval de termijnen waarbinnen besluiten moeten worden genomen. -De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, bevat tevens: +**4.** Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken. -a. een regeling omtrent de betaling van de bedragen van de bekostiging voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voortvloeiende uit het gebruik door een school van voorzieningen die voor meer dan een school of voor andere doeleinden zijn bestemd; -b. een financiële regeling tussen het Rijk en de bevoegde gezagsorganen die personeel in dienst hebben dat niet door het Rijk wordt bekostigd ter zake van een korting op de bekostiging ter compensatie van de kosten van de voor dat personeel geldende rechtspositionele voorzieningen, voor zover deze ten laste van 's Rijks kas komen. +**5.** Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van scholen en samenwerkingsverbanden. -**4.** De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. +**6.** Een school of nevenvestiging die geen leerlingen heeft, komt niet voor bekostiging in aanmerking. -**5.** Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van scholen. +**7.** Het Rijk verstrekt jaarlijks aan de provincie Fryslân bekostiging voor het onderwijs in de Friese taal, bedoeld in artikel 9, vierde lid. De provincie Fryslân draagt zorg voor verdeling van de bekostiging over de betrokken scholen naar rato van het aantal leerlingen dat gebruik maakt van dat onderwijs. -### Artikel 69a +### Artikel 70 De op 31 juli 1998 uit de openbare kassen bekostigde scholen, uitgaande van de Stichting Muziekinstituut van de Kathedraal St. Bavo te Haarlem, onderscheidenlijk van de Stichting Nederlands Instituut voor Katholieke Kerkmuziek te Utrecht, ten behoeve waarvan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Lager-onderwijswet 1920 vergunning is verleend dat deze scholen minder dan 6 achtereenvolgende leerjaren omvatten, worden bekostigd als basisscholen, waarbij: a. op deze scholen de bepalingen van deze wet waar mogelijk van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat het onderwijs is bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks acht jaar; en -b. voor deze scholen voor de toepassing van artikel 153, eerste lid, als opheffingsnorm het getal 45 geldt. - -### Artikel 70 - -Onze Minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing. +b. voor deze scholen voor de toepassing van artikel 139, eerste lid, als opheffingsnorm het getal 45 geldt. ### Artikel 70a @@ -1904,7 +1912,11 @@ Vervallen ### Artikel 71 -Vervallen +**1.** Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, of de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar direct of indirect nodig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of de bevordering van deelname aan het onderwijs. + +**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid. + +**3.** De artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn op dit artikel van toepassing. ### Artikel 72 @@ -1955,7 +1967,7 @@ d. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg voor e. een meerjarenbegroting over de eerste drie schooljaren gebaseerd op de bekostiging die de school zal ontvangen gegeven het aantal te verwachten leerlingen in die periode; f. de verwachtingen met betrekking tot de huisvesting en de samenwerking met de kinderopvang; g. informatie over de hoogte van en het beleid ten aanzien van de vrijwillige geldelijke bijdrage die van de ouders zal worden gevraagd en het jaarlijks verwachte totaalbedrag van die bijdragen; -h. informatie over de wijze waarop het bevoegd gezag uitvoering zal geven aan de afspraken, bedoeld in artikel 167 en artikel 167a; en +h. informatie over de wijze waarop het bevoegd gezag uitvoering zal geven aan de afspraken, bedoeld in artikel 160 en artikel 161; en i. een beschrijving van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de Wet medezeggenschap op scholen. **4.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en kan een model voor de aanvraag worden vastgesteld. @@ -2024,9 +2036,9 @@ b. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tuss **3.** Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel a, juist en volledig is en besluit op basis van de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste en tweede lid, en de voor de school geldende stichtingsnorm, bedoeld in artikel 76, eerste lid, voor 1 juni of de school met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht. -**4.** Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid, afwijzen indien deze is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die voorafgaande aan de aanvraag een of meer scholen in stand heeft gehouden waarop artikel 164b, eerste lid, van toepassing is geweest of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke school in stand heeft gehouden, welke toepassing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 164b, eerste lid. +**4.** Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid, afwijzen indien deze is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die voorafgaande aan de aanvraag een of meer scholen in stand heeft gehouden waarop artikel 157, eerste lid, van toepassing is geweest of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke school in stand heeft gehouden, welke toepassing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 157, eerste lid. -**5.** Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 163b, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 163b, eerste lid. +**5.** Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 153, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 153, eerste lid. **6.** De bekostiging vangt aan op 1 augustus. De aanspraak op bekostiging vervalt indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school wordt gegeven. Indien door het bevoegd gezag een verzoek tot bekostiging is gedaan met ingang van 1 augustus van het eerste kalenderjaar na het besluit van Onze Minister vervalt de aanspraak op bekostiging voor dat schooljaar indien op de eerste schooldag geen onderwijs wordt gegeven. @@ -2046,9 +2058,9 @@ b. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tuss **1.** Het bevoegd gezag maakt met de belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, aannemelijk dat een school op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm. -**2.** Bij ministeriële regeling wordt voor elke gemeente een stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6 bedraagt van de voor de gemeente geldende opheffingsnorm berekend op grond van artikel 154. De uitkomst wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De stichtingsnorm bedraagt minimaal 200. +**2.** Bij ministeriële regeling wordt voor elke gemeente een stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6 bedraagt van de voor de gemeente geldende opheffingsnorm berekend op grond van artikel 140. De uitkomst wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De stichtingsnorm bedraagt minimaal 200. -**3.** De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, worden telkens voor een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële regeling aangepast. De ministeriële regeling wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant. +**3.** De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, worden telkens voor een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de opheffingsnormen op grond van artikel 139 bij ministeriële regeling aangepast. De ministeriële regeling wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant. **4.** In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 3 van de Wet algemene regels herindeling, stelt Onze Minister op de wijze als aangegeven in het tweede lid de nieuwe stichtingsnormen voor de betrokken gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen. De nieuwe stichtingsnormen treden in de plaats van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de stichtingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling. @@ -2106,7 +2118,7 @@ Onze Minister willigt een aanvraag in indien wordt voldaan aan voorwaarden die b a. het aantal leerlingen van de school op de teldatum in het jaar dat voorafgaat aan de aanvraag; b. het aantal leerlingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze de scholen die na de verzelfstandiging ontstaan, zal bezoeken; en -c. de wijze waarop op basis van de statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek aannemelijk wordt gemaakt dat op 1 januari van het elfde jaar na de aanvraag de school die na verzelfstandiging ontstaat, voldoet aan de stichtingsnorm en de bekostiging van het overblijvende deel van de school, met in achtneming van de artikelen 154 tot en met 156, gedurende ten minste 10 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet. +c. de wijze waarop op basis van de statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek aannemelijk wordt gemaakt dat op 1 januari van het elfde jaar na de aanvraag de school die na verzelfstandiging ontstaat, voldoet aan de stichtingsnorm en de bekostiging van het overblijvende deel van de school, met in achtneming van de artikelen 140 tot en met 142, gedurende ten minste 10 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet. **3.** Artikel 75, eerste lid, tweede volzin, derde tot en met zevende, tiende en elfde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -2116,8 +2128,8 @@ c. de wijze waarop op basis van de statistische gegevens, onder meer verstrekt d De bekostiging van een nevenvestiging van een school neemt een aanvang met ingang van 1 augustus indien: -a. de nevenvestiging overeenkomstig artikel 158 voldoet aan een der normen voor bekostiging, genoemd in dat artikel en, voor zover het een nevenvestiging betreft die voor bekostiging in aanmerking komt op grond van het eerste lid, onder e, van dat artikel, op die grond aan alle scholen van het bevoegd gezag of, bij toepassing van artikel 157, derde lid, de samenwerkende bevoegde gezagsorganen, niet meer nevenvestigingen worden verbonden dan het verschil tussen het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 260 en het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 290, waarbij de quotiënten naar beneden worden afgerond op een geheel getal, -b. de nevenvestiging niet wordt verbonden aan een school die met toepassing van artikel 157 in stand wordt gehouden of aan een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 10a, eerste en vierde lid, +a. de nevenvestiging overeenkomstig artikel 146 voldoet aan een der normen voor bekostiging, genoemd in dat artikel en, voor zover het een nevenvestiging betreft die voor bekostiging in aanmerking komt op grond van het eerste lid, onder e, van dat artikel, op die grond aan alle scholen van het bevoegd gezag of, bij toepassing van artikel 143, derde lid, de samenwerkende bevoegde gezagsorganen, niet meer nevenvestigingen worden verbonden dan het verschil tussen het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 260 en het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 290, waarbij de quotiënten naar beneden worden afgerond op een geheel getal, +b. de nevenvestiging niet wordt verbonden aan een school die met toepassing van artikel 143 in stand wordt gehouden of aan een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 10a, eerste en vierde lid, c. 1°. de nevenvestiging, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van de bekostiging als nevenvestiging, werd bekostigd als zelfstandige school, of 2°. de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking kwam als nevenvestiging van de voormalige school bedoeld onder 1°, d. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en @@ -2408,8 +2420,9 @@ c. de urgentiecriteria, d. de prognosecriteria, e. de termijn bedoeld in artikel 99, f. de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik van ruimten voor het onderwijs, -g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van artikel 110, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te maken staat van onderhoud, en -h. de gegevens bedoeld in artikel 112. +g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van artikel 110, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te maken staat van onderhoud, +h. de gegevens bedoeld in artikel 112, en +i. de wijze waarop het aantal groepen leerlingen, bedoeld in de artikelen 126 en 127, voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs wordt vastgesteld. **2.** De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt. @@ -2640,614 +2653,376 @@ Vervallen Het bevoegd gezag van een niet door de desbetreffende gemeente in stand gehouden school is gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze afdeling noodzakelijk achten. -#### Afdeling 4. Materiële instandhouding - ### Artikel 113 -**1.** +**1.** Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de exploitatie waarop de bekostiging, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen e, f, en k, betrekking heeft. -Bij ministeriële regeling worden eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober programma's van eisen vastgesteld die de grondslag vormen voor de bekostiging van de voorzieningen, bedoeld in het derde lid. De programma's van eisen gelden voor de vijf jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden. In de programma's van eisen wordt een extra bekostiging opgenomen voor de gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband of, indien van een samenwerkingsverband geen speciale school voor basisonderwijs deel uitmaakt, voor een samenwerkingsverband. +**2.** Het bevoegd gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden en dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met het college van burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt. -Elk programma van eisen omvat: +**3.** Het bevoegd gezag dat eigenaar is van een schoolgebouw kan met een bevoegd gezag dat gebruikmaakt van dat schoolgebouw overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag een deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt. -a. een omschrijving van de in aanmerking genomen componenten waaruit de voorzieningen zijn opgebouwd, -b. de daarvoor noodzakelijk geachte bedragen en -c. de wijze waarop de voor elke voorziening vast te stellen bekostiging wordt berekend. +**4.** Indien de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school of het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden, met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt. -**2.** De programma's van eisen voldoen aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school, onverminderd het vierde tot en met negende lid, en houden rekening met de bruto vloeroppervlakten die op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 92, tweede lid, worden voorgeschreven. - -**3.** Programma's van eisen worden vastgesteld voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van de scholen, daaronder niet begrepen de ruimten voor het onderwijs in lichamelijke oefening. - -**4.** Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de overeenkomstig het zesde lid, aangepaste bedragen vastgesteld. De aldus vastgestelde bedragen zijn de definitieve bedragen, geldend voor het jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden. - -**5.** Onze Minister kan bij de vaststelling van de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, wijzigingen in de programma's van eisen aanbrengen indien de toestand van 's Rijks schatkist of onderwijskundige ontwikkelingen dat noodzakelijk maken. Aan de eerste volzin kan slechts toepassing worden gegeven indien de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, voor de in dat lid bedoelde datum wordt vastgesteld. - -**6.** De aanpassing, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats door de bedragen op basis van de werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld, aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het eerstbedoelde jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar, alsmede aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld en het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld. - -**7.** De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd. - -**8.** Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan, bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden bekendgemaakt in de Staatscourant. - -### Artikel - -Vervallen +**5.** Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de exploitatie waarop de bekostiging, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen g en h, betrekking heeft. ### Artikel 114 -De programma's van eisen, bedoeld in artikel 113, derde lid, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent: +De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is onderworpen aan een of meer der in artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen. -a. onderhoud van en aanpassingen aan het gebouw en het terrein, -b. energie- en waterverbruik, -c. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van de belastingen ter zake van onroerende zaken, -d. middelen, en -e. administratie, beheer en bestuur. - -### Artikel - -Vervallen - -### Artikel - -Vervallen +#### Afdeling 4. Grondslag bekostiging scholen ### Artikel 115 -**1.** De bekostiging, bedoeld in artikel 113, eerste lid derde volzin, voor de materiële instandhouding bestaat voor de gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband uit een bedrag vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. Het Rijk verdeelt deze bekostiging over de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband naar rato van het aantal leerlingen van elke speciale school voor basisonderwijs op die datum. - -**2.** Indien alle bevoegde gezagsorganen van de scholen in het samenwerkingsverband ermee instemmen dat van het samenwerkingsverband geen speciale school voor basisonderwijs deel uitmaakt, bestaat de bekostiging, bedoeld in artikel 113, eerste lid, derde volzin, voor de materiële instandhouding uit een bedrag vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. Het Rijk verstrekt deze bekostiging aan het samenwerkingsverband. - -### Artikel 116 - -**1.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding. - -**2.** Indien bijzondere bekostiging op grond van artikel 123 wordt toegekend, kan Onze Minister bepalen dat, voor de periode waarvoor die bijzondere bekostiging wordt toegekend, tevens aanvullende bekostiging voor de materiële instandhouding wordt toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld. - -**3.** Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld. - -### Artikel 116a - -Vervallen - -### Artikel - -Vervallen - -### Artikel - -Vervallen - -### Artikel 117 - -**1.** - -Het college van burgemeester en wethouders stelt na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal klokuren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste - -a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of -b. voor bekostiging voor de materiële instandhouding van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt. - -**2.** Het aantal klokuren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste 1,5 voor basisscholen en ten minste 2,25 voor speciale scholen voor basisonderwijs. - -**3.** - -Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte vast van - -a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, en -b. de bekostiging voor de vaste kosten van de materiële instandhouding van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school. - -**4.** Bij de vaststelling, bedoeld in het derde lid, kan onderscheid worden gemaakt naar gelang de oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten voor de exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving bekostiging wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is. - -### Artikel 118 - -**1.** Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging toegekend voor materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de ondersteuningsstructuur. - -**2.** De in het eerste lid bedoelde bekostiging is afhankelijk van het aantal leerlingen op de vestigingen van de basisscholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. - -**3.** De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks vastgesteld bij ministeriële regeling. Deze ministeriële regeling wordt tezamen met de ministeriële regelingen, bedoeld in artikel 113, zevende lid, binnen 4 weken na de vaststelling bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Artikel 113, zevende lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. - -**4.** Indien op 1 oktober het aantal leerlingen van de gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan 2% van het aantal leerlingen op de vestigingen van de scholen in het samenwerkingsverband, draagt het samenwerkingsverband voor elke leerling van een speciale school voor basisonderwijs boven voornoemde 2% het in artikel 115 bedoelde bedrag over aan de speciale school voor basisonderwijs. - -**5.** In het ondersteuningsplan wordt vastgelegd welk deel van de bekostiging voor de materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de ondersteuningsstructuur voor zover na toepassing van het vierde lid en artikel 118a die bekostiging nog resteert, op welke basisschool in het samenwerkingsverband wordt ingezet. - -**6.** Bij de berekening op grond van het vierde lid wordt 2% van het aantal leerlingen op de vestigingen van de scholen in het samenwerkingsverband rekenkundig afgerond op een geheel getal. - -**7.** De overdracht op grond van het vierde lid door het samenwerkingsverband heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de in het vierde lid bedoelde teldatum en vindt ten hoogste plaats voor de aan het samenwerkingsverband op grond van het eerste lid toegekende bekostiging van de materiële instandhouding die samenhangt met de ondersteuningsstructuur. - -**8.** Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging voor materiële instandhouding toegekend in aanvulling op de in het eerste lid bedoelde bekostiging. - -**9.** De in het achtste lid bedoelde bekostiging bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling voor het aantal leerlingen op de vestigingen van de scholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. - -**10.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs wordt een bedrag in mindering gebracht op de in het achtste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, tiende lid, van de Wet op de expertisecentra toelaatbaar heeft verklaard tot het speciaal onderwijs. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en komt overeen met één van de normbedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld. - -**11.** - -Het tiende lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen aan wie op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt onderwijs werd gegeven op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, met dien verstande dat het normbedrag, bedoeld in artikel 117, zevende lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van: - -a. het samenwerkingsverband: - -1°. dat verantwoordelijk is voor de bekostiging tijdens de inschrijving op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of -2°. waartoe de vestiging van de school behoort waar de leerling was ingeschreven en bekostigd onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, of -b. het samenwerkingsverband in het gebied waarvan de leerling woonachtig is, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling niet was ingeschreven op een school of school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra. - -**12.** Artikel 116 is van overeenkomstige toepassing op het samenwerkingsverband. - -### Artikel 118a - -Indien artikel 125 van toepassing is, wordt door het samenwerkingsverband tevens een bij het zorgplan bepaald gedeelte van de bekostiging bedoeld in artikel 118 overgedragen aan de speciale school voor basisonderwijs. De in de eerste volzin bedoelde overdracht vindt plaats voor zover nog niet het maximum van de op grond van artikel 118, eerste lid, aan het samenwerkingsverband toegekende bekostiging van de materiële instandhouding die samenhangt met de inrichting van de zorgstructuur op grond van artikel 118, vierde lid, is overgedragen. - -### Artikel 118b - -Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 118, tiende lid, eerste volzin, en elfde lid, de bekostiging voor materiële instandhouding van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 118, achtste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de materiële bekostiging van alle scholen en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school dan wel school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband. - -### Artikel 119 - -**1.** Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, onder a, b en c, betrekking hebben. - -**2.** Het bevoegd gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden en dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met het college van burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt. - -**3.** Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan met een bevoegd gezag dat gebruik maakt van de voorziening in de huisvesting van het eerstgenoemde bevoegd gezag, overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt. - -**4.** Ingeval de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden, met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt. - -**5.** Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, onder d en e, betrekking hebben. - -#### Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten - -### Artikel 119a - -De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 120, 124, 125 en 132, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken. - -### Artikel 120 - -**1.** Voor de bekostiging van personeel wordt een bedrag per leerling toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool respectievelijk nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt geopend, wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar van de leraren van basisscholen respectievelijk van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. +**1.** De bekostiging van een school is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van die school. **2.** -De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen in elk geval verschillend worden vastgesteld voor leerlingen: - -a. van een basisschool in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar; -b. van een basisschool in de leeftijd van 8 jaar en ouder; en -c. van speciale scholen voor basisonderwijs. - -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten kan worden toegekend. In ieder geval wordt aanvullende bekostiging toegekend voor kleine basisscholen, schoolleiding, de bestrijding van onderwijsachterstanden, groei van het aantal leerlingen van basisscholen gedurende het schooljaar en indien onderwijs wordt gegeven in een of meer nevenvestigingen van een basisschool. De omvang van de aanvullende vergoeding wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld. - -**4.** De gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband, ofwel, indien van het samenwerkingsverband geen speciale school voor basisonderwijs deel uitmaakt, het samenwerkingsverband, ontvangen respectievelijk ontvangt tevens een bekostiging voor ondersteuningsvoorzieningen. De in de eerste volzin bedoelde bekostiging is gebaseerd op 2% van het aantal leerlingen van alle scholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, rekenkundig afgerond op een geheel getal. Het aantal leerlingen, bedoeld in de tweede volzin, wordt aan de afzonderlijke speciale scholen voor basisonderwijs toegerekend naar rato van het aantal leerlingen van elk van die scholen op die datum. De speciale school voor basisonderwijs ontvangt voor elke van de aan die school toegerekende leerling een bedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van die school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Indien alle bevoegde gezagsorganen van de scholen in het samenwerkingsverband ermee instemmen dat van het samenwerkingsverband geen speciale school voor basisonderwijs deel uitmaakt, ontvangt het samenwerkingsverband voor de leerlingen, bedoeld in de tweede volzin, een bedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. - -**5.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste lid en het vierde lid vastgesteld. Het bedrag per leerling en het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag. - -**6.** Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen dan wel speciale scholen voor basisonderwijs, en worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de vaststelling van de in het eerste en het vierde lid bedoelde gewogen gemiddelde leeftijd en geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd. Indien aanvullende bekostiging wordt toegekend voor een bepaalde categorie personeel kan in afwijking van de eerste volzin rekening worden gehouden met de genormeerde gemiddelde personeelslasten van die categorie personeel. - -**7.** De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, en de bekostiging voor kleine basisscholen, schoolleiding, groei van het aantal leerlingen van een basisschool gedurende het schooljaar en een of meer nevenvestigingen van een basisschool, bedoeld in de tweede volzin van het derde lid, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school. - -### Artikel 121 - -**1.** Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, geldt het aantal leerlingen van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. - -**2.** Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar geldt het aantal leerlingen van de school op 1 oktober volgende op de opening. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een afdeling als bedoeld in artikel 85a, eerste lid. - -**3.** Voor de toepassing van artikel 120, eerste lid, geldt ingeval van samenvoeging van scholen het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, voor elke school vastgesteld volgens het eerste lid, en de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van alle bij de samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. - -**4.** Op het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, van het overblijvende deel van de school, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b, wordt het aantal leerlingen in mindering gebracht dat op grond van het tweede lid meetelt voor de bekostiging van een nieuwe school die op grond van artikel 84a voor bekostiging in aanmerking is gebracht. - -**5.** Indien van het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, van een nieuwe school die voor bekostiging in aanmerking is gebracht, een substantieel aantal leerlingen afkomstig is van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag, worden die leerlingen niet meegeteld voor de bekostiging van die andere scholen op grond van het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de omvang van dat aantal leerlingen bepaald, die voor categorieën van scholen kan verschillen. - -### Artikel 122 - -De Overgangswet WBO zoals die luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op aanspraken die op die datum op grond van artikel E 17 of E 18 van die wet bestonden. - -### Artikel 123 - -**1.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van bijzondere bekostiging voor personeelskosten. - -**2.** In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag van een basisschool onder door hem op te leggen verplichtingen bijzondere bekostiging voor personeelskosten verstrekken. - -**3.** Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend ten hoogste vier maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. Onze Minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van een in het tweede lid bedoelde aanvraag. - -**4.** Onze Minister kan in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld. - -### Artikel 124 - -**1.** Indien op 1 februari het aantal leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het aantal leerlingen van die scholen op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het samenwerkingsverband voor het verschil per leerling een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale scholen voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. - -**2.** Indien op 1 februari het aantal leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan 2% van het aantal leerlingen op de vestigingen van de scholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het samenwerkingsverband voor elke leerling van een speciale school voor basisonderwijs boven voornoemde 2% per leerling een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale scholen voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat afhankelijk is van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. - -**3.** Bij de vaststelling ingevolge het eerste en tweede lid van het aantal leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband op de overeenkomstig artikel 18a, achtste lid, onderdeel g, vastgestelde peildatum, worden leerlingen voor wie op grond van artikel 125 al een overdracht plaatsvindt vanuit een ander samenwerkingsverband buiten beschouwing gelaten. De uitkomst van de berekening van 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op grond van het tweede lid wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. - -**4.** Vervallen. - -**5.** De overdracht op grond van het eerste en tweede lid heeft betrekking op het schooljaar dat volgt op de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde peildatum. - -**6.** Vervallen. - -**7.** Indien de in artikel 132, eerste lid, bedoelde bekostiging niet voldoende is om daaruit de verplichtingen, bedoeld in dit artikel na te komen, dragen de bevoegde gezagsorganen van de gezamenlijke basisscholen in het samenwerkingsverband de ontbrekende bekostiging over aan het samenwerkingsverband. Het aandeel van de onderscheiden basisscholen in de overdrachtsverplichting, bedoeld in de eerste volzin, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die daarvoor op grond van artikel 18a, achtste lid, onderdeel h, in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband is opgenomen. - -**8.** Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste en het tweede lid, en het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. - -**9.** In afwijking van het eerste en het tweede lid kan het samenwerkingsverband besluiten dat in plaats van met de landelijk gewogen leeftijd, wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de desbetreffende speciale school voor basisonderwijs. - -### Artikel 125 - -**1.** - -Het samenwerkingsverband draagt per leerling een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag over aan de speciale school voor basisonderwijs, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs indien - -a. de speciale school voor basisonderwijs een leerling toelaat van een basisschool in het desbetreffende samenwerkingsverband, -b. de speciale school geen deel uitmaakt van het desbetreffende samenwerkingsverband, en -c. het samenwerkingsverband heeft bepaald dat de leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen. - -**2.** Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste lid, en het vermenigvuldigingsbedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd en de genormeerde gemiddelde personeelslast van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, kan voor de verschillende schooljaren en afhankelijk van het moment van de toelating tot de speciale school voor basisonderwijs een verschillende hoeveelheid formatie worden vastgesteld. - -**3.** De in het eerste lid bedoelde overdracht vindt voor het eerst plaats voor het schooljaar volgend op het schooljaar van de toelating tot de speciale school voor basisonderwijs. - -**4.** De in het eerste lid bedoelde overdracht vindt niet plaats als de toelating plaatsvindt binnen 6 maanden voor of na een verhuizing van de ouders van een woning buiten het gebied van het samenwerkingsverband van de speciale school voor basisonderwijs naar een woning binnen dat gebied. - -**5.** De overdracht, bedoeld in het eerste lid, eindigt met ingang van het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin de leerling de speciale school voor basisonderwijs verlaat. - -**6.** Artikel 124, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op de overdrachtsverplichting, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat ook speciale scholen voor basisonderwijs een aandeel kunnen hebben in de overdrachtsverplichting. - -### Artikel 125a - -Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 132, vierde lid, eerste volzin, en vijfde lid, de personeelsbekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 132, tweede lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de personele bekostiging van alle scholen en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school dan wel school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband. - -### Artikel 125b - -**1.** - -Indien op 1 februari het aantal leerlingen dat door het samenwerkingsverband toelaatbaar is verklaard tot het speciaal onderwijs en is ingeschreven op scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra meer bedraagt dan op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het samenwerkingsverband voor het verschil per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag is de som van: - -a. een bedrag dat afhankelijk is van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en dat overeenkomt met één van de normbedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld, en -b. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag dat afhankelijk is van de leeftijd van de leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van scholen voor speciaal onderwijs. - -**2.** De overdracht op grond van het eerste lid heeft betrekking op het schooljaar dat volgt op de in het eerste lid bedoelde peildatum. - -**3.** Indien de in artikel 132, tweede lid, bedoelde bekostiging niet voldoende is om daaruit de verplichtingen, bedoeld in dit artikel na te komen, dragen alle scholen en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband, de ontbrekende bekostiging over aan het samenwerkingsverband. Het aandeel van de onderscheiden scholen en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in de eerste volzin, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die daarvoor op grond van artikel 18a, achtste lid, onderdeel j, in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband is opgenomen. - -### Artikel 126 - -**1.** Aan de school wordt in verband met de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling en de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet bekostiging verstrekt. - -**2.** De in het eerste lid bedoelde bekostiging is verwerkt in de bedragen en in de vermenigvuldigingsbedragen van de verhoging, bedoeld in de artikelen 120, 123, 124, 125 en 132. - -### Artikel 127 - -Vervallen - -### Artikel 128 - -Vervallen - -#### Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid - -### Artikel 129 - -**1.** Bij ministeriële regeling wordt de grondslag vastgesteld voor de omvang van de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. Deze grondslag kan verschillend worden vastgesteld voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs en voor groepen van basisscholen. De omvang van de bekostiging is in ieder geval afhankelijk of mede afhankelijk van het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in artikel 121, en de samenstelling van het leerlingenbestand. Bij het vaststellen van de bekostiging wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen dan wel speciale scholen voor basisonderwijs. - -**2.** Met inachtneming van het eerste lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen bekostiging ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid. - -### Artikel 130 - -Vervallen - -### Artikel 131 - -Vervallen - -#### Afdeling 7. Personeelsbekostiging samenwerkingsverbanden - -### Artikel 132 - -**1.** Aan het samenwerkingsverband wordt personeelsbekostiging toegekend voor ondersteuningsvoorzieningen. De grondslag voor de berekening van de personeelsbekostiging voor ondersteuningsvoorzieningen is een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling voor het aantal leerlingen op vestigingen van basisscholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. - -**2.** Aan het samenwerkingsverband wordt personeelsbekostiging toegekend in aanvulling op de in het eerste lid bedoelde bekostiging. - -**3.** De in het tweede lid bedoelde bekostiging bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling voor het aantal leerlingen op vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. - -**4.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt was ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, wordt een bedrag in mindering gebracht op de in het tweede lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, tiende lid, van de Wet op de expertisecentra toelaatbaar heeft verklaard tot het speciaal onderwijs. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en komt overeen met één van de normbedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld. - -**5.** - -Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen aan wie op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt onderwijs werd gegeven op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, met dien verstande dat het normbedrag, bedoeld in artikel 117, zevende lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van: - -a. het samenwerkingsverband: - -1°. dat verantwoordelijk is voor de bekostiging tijdens de inschrijving op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of -2°. waartoe de vestiging van de school behoort waar de leerling was ingeschreven en bekostigd onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, of -b. het samenwerkingsverband in het gebied waarvan de leerling woonachtig is, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling niet was ingeschreven op een school of school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra. - -**6.** De bedragen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslast van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. Bij de bedragen, bedoeld in het derde lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslast van de leraren van de scholen voor speciaal onderwijs, de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en de scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. - -**7.** Artikel 123 is van overeenkomstige toepassing op het samenwerkingsverband. - -#### Afdeling 8. Wijze van bekostiging - -##### Paragraaf 1. Huisvesting - -### Artikel 133 - -De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is onderworpen aan een of meer der in artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen. - -##### Paragraaf 2. Materiële instandhouding - -### Artikel 134 - -**1.** Behoudens het tweede lid verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag bekostiging ten behoeve van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, betrekking hebben, waarbij voor het bevoegd gezag geldt dat indien toepassing is gegeven aan artikel 119, tweede lid, dan wel indien geen overeenkomst als bedoeld in artikel 119, derde of vierde lid tot stand is gekomen, dit bevoegd gezag de bekostiging aan de gemeente dan wel aan het desbetreffende bevoegd gezag overdraagt voor zover deze de materiële instandhouding verzorgt. - -**2.** Het Rijk verstrekt jaarlijks aan de provincie Fryslân bekostiging ten behoeve van de materiële instandhouding, voor zover het betreft het onderwijs in de Friese taal, bedoeld in artikel 9, vierde lid. De provincie Fryslân draagt zorg voor verdeling van de bekostiging over de betrokken scholen naar rato van het aantal leerlingen dat gebruik maakt van dat onderwijs. - -**3.** Grondslag voor de bekostiging van de in het eerste en tweede lid bedoelde kosten zijn de voor het desbetreffende jaar vastgestelde bedragen. +De bekostiging wordt in ieder geval verstrekt voor de kosten van: + +a. de salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor het personeel; +b. de bijdragen voor het pensioen voor het personeel en dat van de nagelaten betrekkingen; +c. de schoolbegeleiding; +d. het vervanging van het personeel, de werkloosheidsuitkeringen van het personeel, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid en de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet; +e. het onderhoud van het gebouw en het terrein; +f. het energie- en waterverbruik; +g. de middelen; +h. de administratie, het beheer en het bestuur; +i. de loopbaanoriëntatie en -begeleiding; +j. de schoonmaak van het gebouw en het terrein; en +k. de publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van belastingen inzake onroerende zaken. + +**3.** Het bevoegd gezag wendt de bekostiging aan voor de kosten, bedoeld in het tweede lid. **4.** -Grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, voor basisscholen zijn: +Het bevoegd gezag kan de bekostiging ook aanwenden voor de kosten, bedoeld in het tweede lid, van: -a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69, normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waarbij rekening wordt gehouden met de samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur, en -b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal. +a. een centrale dienst, een samenwerkingsverband of een andere school; +b. een centrale dienst dan wel een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst dan wel een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. -**5.** +**5.** Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd. -Voor nieuwe basisscholen zijn gedurende de periode van 1 augustus tot 1 januari volgend op de opening, grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113: +**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid. -a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69, normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode, waarbij rekening wordt gehouden met de samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur, en -b. het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal. +**7.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten. -**6.** In afwijking van het vierde lid wordt het aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b, waarop de bekostiging, bedoeld in het vierde lid, gebaseerd is, gedurende de in het vijfde lid bedoelde periode verminderd met het aantal leerlingen dat op grond van dat lid meetelt voor de bekostiging van een nieuwe school die op grond van artikel 84a, eerste lid, voor bekostiging in aanmerking is gebracht. +### Artikel 116 -**7.** Indien van het aantal leerlingen als bedoeld in artikel 121, tweede lid van een nieuwe school die voor bekostiging in aanmerking is gebracht, een substantieel aantal leerlingen afkomstig is van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag, worden die leerlingen gedurende de in het vijfde lid bedoelde periode niet meegeteld voor de bekostiging van die andere scholen als bedoeld in dit artikel. Bij een algemene maatregel van bestuur wordt de omvang van dat aantal leerlingen bepaald die voor categorieën van scholen kan verschillen. +**1.** Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging voor een school vast. -**8.** +**2.** De bekostiging voor een school bestaat uit een bedrag per school en een bedrag per leerling. -Indien op 1 maart van het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, het aantal leerlingen met ten minste een bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69, vastgesteld aantal is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen, zoals dat luidt na de verhoging overeenkomstig het vierde lid onder b, en toepassing van de in dit lid bedoelde grondslag niet tot een lagere bekostiging zou leiden, zijn grondslag voor de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, voor basisscholen: +**3.** Het bedrag per school kan in ieder geval verschillend worden vastgesteld voor speciale scholen voor basisonderwijs en voor scholen van verschillende grootte. -a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69, normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, waarbij rekening wordt gehouden met de samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur, en -b. het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt. +**4.** -**9.** Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 januari en 1 oktober daaropvolgend, wordt de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de samenvoeging plaatsvond. +Onze Minister kan extra bekostiging toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gevallen waarin, de voorwaarden waaronder en het bedrag dat aan extra bekostiging kan worden toegekend. In ieder geval wordt extra bekostiging toegekend: -**10.** Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 oktober en 1 januari daaropvolgend, wordt de bekostiging ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de samenvoeging plaatsvond, en wordt de bekostiging van de uitgaven voor die voorzieningen voor het jaar volgend op de samenvoeging, gebaseerd op de bekostiging van de uitgaven voor die voorzieningen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, zoals die golden op 1 oktober van het jaar van samenvoeging. +a. aan kleine basisscholen; +b. aan basisscholen met een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs; +c. aan basisscholen voor de groei van het aantal leerlingen gedurende het schooljaar; +d. voor de omstandigheid dat onderwijs wordt gegeven op een of meer nevenvestigingen van een school; +e. voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. -**11.** Het Rijk verstrekt jaarlijks aan het samenwerkingsverband bekostiging ten behoeve van de materiële instandhouding. +**5.** Onze Minister stelt de hoogte van de bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, en de bekostiging, bedoeld in artikel 121, zodanig vast dat zij voldoet aan de redelijke behoefte van een in normale omstandigheden verkerende school. -### Artikel 135 +**6.** Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, vastgesteld, worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan. -**1.** Jaarlijks voor 1 maart kan Onze Minister verhoging van de bekostiging worden gevraagd, indien op grond van bijzondere omstandigheden van de school in dat jaar het totale bedrag niet voldoende is voor de noodzakelijke uitgaven van de school. +**7.** De bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, gelden voor het kalenderjaar volgend op het tijdstip van de vaststelling. -**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gedaan door het bevoegd gezag voor zover het betreft de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, betrekking hebben. In afwijking van de vorige volzin kan ingeval artikel 119, tweede, derde of vierde lid, is toegepast, het bevoegd gezag dat dan wel de gemeente die de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt, de aanvraag indienen. +**8.** Indien met toepassing van artikel 84a een nevenvestiging, of een deel van een school of nevenvestiging als school voor bekostiging in aanmerking is gebracht, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het overblijvende deel van de school bedoeld in artikel 84a, vierde lid, onderdeel b. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de berekening van het bedrag. + +**9.** Bij de vaststelling of tussentijdse aanpassing van de bedragen, bedoeld in het eerste en vijfde lid, worden de loonontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van ’s Rijks financiën zich daartegen verzet. + +**10.** Voor de kosten, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen e, f, g, h, j en k, wordt jaarlijks voor 1 oktober eenmalig de prijsontwikkeling verwerkt in de bedragen, bedoeld in het eerste en vijfde lid. De prijsontwikkeling geldt voor het jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling plaatsvindt. + +**11.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de berekening van de prijsontwikkeling, bedoeld in het tiende lid. In ieder geval worden de bedragen aangepast op basis van de ramingen van het Centraal planbureau overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële overheidsconsumptie. + +### Artikel 117 + +**1.** In geval van samenvoeging van basisscholen, waarbij een of meer basisscholen worden opgeheven en sprake is van een minimale instroom van leerlingen in de samengevoegde basisschool, wordt de bekostiging, bedoeld in artikel 116, van alle betrokken basisscholen gehandhaafd tot het einde van het kalenderjaar waarin de basisscholen zijn samengevoegd. + +**2.** In geval van samenvoeging van speciale scholen voor basisonderwijs, waarbij een of meer speciale scholen voor basisonderwijs worden opgeheven en sprake is van een minimale instroom van leerlingen in de samengevoegde speciale school voor basisonderwijs, wordt de bekostiging, bedoeld in artikel 116 en 121, van alle betrokken speciale scholen voor basisonderwijs gehandhaafd tot het einde van het kalenderjaar waarin de speciale scholen voor basisonderwijs zijn samengevoegd. + +**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de samenvoeging, bedoeld in het eerste en tweede lid, waaronder in ieder geval de minimale instroom. + +### Artikel 118 + +**1.** Bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 116, eerste lid, gaat Onze Minister uit van het aantal leerlingen van de school op 1 februari van het voorafgaande kalenderjaar. + +**2.** + +Voor een school die voor het eerst wordt bekostigd, gaat Onze Minister bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 116, eerste lid: + +a. voor de resterende maanden van het kalenderjaar waarin de school wordt geopend, uit van het aantal leerlingen op 1 oktober volgende op de opening en +b. voor het daaropvolgende kalenderjaar, uit van het aantal leerlingen van de school op 1 februari volgende op de opening. + +**3.** In geval van samenvoeging van scholen, bedoeld in artikel 117, eerste lid, gaat Onze Minister bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 116, eerste lid, uit van het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, voor elke school vastgesteld volgens het eerste lid. + +**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid tot en met het derde lid. + +### Artikel 119 + +**1.** In geval van bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs, kan Onze Minister in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 116 bekostiging verstrekken. + +**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. + +**3.** Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling. + +### Artikel 120 + +**1.** In geval van bijzondere omstandigheden van een school, kan Onze Minister in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in de artikelen 116 en 119 bekostiging verstrekken aan deze school. + +**2.** + +De aanvullende bekostiging vindt plaats: + +a. op aanvraag van het bevoegd gezag; +b. indien nodig, onder het opleggen van verplichtingen aan het bevoegd gezag, en +c. voor een bepaalde periode. + +**3.** De aanvraag wordt niet eerder ingediend dan 16 weken voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het kalenderjaar waarin die omstandigheden zich hebben voorgedaan. + +**4.** Onze Minister beslist binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag. Onze Minister kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 28 weken verlengen. + +**5.** Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling. + +### Artikel 121 + +**1.** In aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 116, ontvangt het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs een bedrag per leerling voor wie een samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs. + +**2.** Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld. + +#### Afdeling 5. Bekostiging samenwerkingsverbanden + +### Artikel 122 + +**1.** Onze Minister verstrekt aan het samenwerkingsverband bekostiging voor de inrichting van de ondersteuningsstructuur en voor de ondersteuningsvoorzieningen voor de lichte ondersteuning. De bekostiging bestaat uit een bedrag per leerling. + +**2.** Onze Minister gaat bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, uit van het aantal leerlingen op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt op de vestigingen van de basisscholen die op 1 januari zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband. + +**3.** Voor elke leerling die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een speciale school voor basisonderwijs wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, achtste lid, toelaatbaar heeft verklaard tot een speciale school voor basisonderwijs. + +**4.** Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het eerste en derde lid, vastgesteld. + +**5.** De artikelen 115, 119 en 120 zijn van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 123 + +**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 122, derde lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 122, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle basisscholen waarvan een of meer vestigingen zijn aangesloten bij het samenwerkingsverband. + +**2.** Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per basisschool bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband. + +### Artikel 124 + +**1.** Onze Minister verstrekt aan het samenwerkingsverband bekostiging voor de inrichting van de ondersteuningsstructuur en voor de ondersteuningsvoorzieningen voor de zware ondersteuning. De bekostiging bestaat uit een bedrag per leerling. + +**2.** Onze Minister gaat bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, uit van het aantal leerlingen op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt op de vestigingen van de scholen die op 1 januari zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband. + +**3.** Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld. + +**4.** Voor elke leerling die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft het daaraan verzorgde speciaal onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, tiende lid, van de Wet op de expertisecentra toelaatbaar heeft verklaard tot het speciaal onderwijs of het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. + +**5.** Het bedrag, bedoeld in het vierde lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld. + +**6.** + +Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen in residentiële instellingen, met uitzondering van de residentiële instellingen, bedoeld in artikel 116, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, die op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt staan ingeschreven op een school op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, met dien verstande dat het bedrag, bedoeld in artikel 119, vierde lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van: + +a. het samenwerkingsverband: + +1°. dat verantwoordelijk is voor de bekostiging tijdens de inschrijving op een school voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven op een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of +2°. waartoe de vestiging van de school behoort waar de leerling was ingeschreven en bekostigd onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, of +b. het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, niet was ingeschreven en bekostigd op een school of, een school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra. + +**7.** De artikelen 115, 119 en 120 zijn van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 125 + +**1.** Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 124, vierde lid, en artikel 124, zesde lid, de bekostiging bedoeld in artikel 124, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband. + +**2.** Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband. + +#### Afdeling 6. Lichamelijke oefening en gemeentelijk beleid + +##### Paragraaf 1. Lichamelijke oefening + +### Artikel 126 + +**1.** + +Het college van burgemeester en wethouders stelt na overleg met de bevoegde gezagen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal uren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste: + +a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of +b. voor bekostiging voor de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt. + +**2.** Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste twee uren voor basisscholen en ten minste twee uren voor speciale scholen voor basisonderwijs. **3.** -Onze Minister wijst de aanvraag in elk geval af indien: +Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte vast van: -a. in het jaar waarvoor de programma's van eisen zijn vastgesteld, het totaal van de noodzakelijke uitgaven voor de materiële instandhouding van de school, niet ten minste 5% meer zal bedragen dan het totaal van de uit 's Rijks kas daarvoor te verstrekken inkomsten, -b. de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven omstandigheid of afwijking van de omvang van de componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de bijzondere omstandigheden zouden bestaan, -c. de bijzondere omstandigheid het gevolg is van een verschil tussen het prijsniveau in enig jaar en de op grond van artikel 113 vastgestelde of aangepaste bedragen, of -d. het bevoegd gezag dat of de gemeente die de aanvraag heeft ingediend, niet aantoont dat het de bijzondere omstandigheden niet op enigerlei wijze had kunnen voorkomen. +a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en +b. de bekostiging voor de vaste kosten van de exploitatie van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school. -**4.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van de juistheid van de gegevens die bij de aanvraag zijn gevoegd. +**4.** De hoogte van de bekostiging, bedoeld in het derde lid, kan verschillend worden vastgesteld, afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte en of de ruimte mede wordt bekostigd door het Rijk. -**5.** Dit lid is nog niet in werking getreden. - -**6.** Onze Minister besluit binnen drie maanden. Indien technisch onderzoek zulks noodzakelijk maakt, kan Onze Minister deze termijn eenmaal met ten hoogste zes maanden verdagen. - -**7.** Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde verhoging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld. - -### Artikel 136 +### Artikel 127 **1.** De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente -a. een bekostigingsbedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 117 en het derde lid, en -b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vast te stellen bekostigingsbedrag. +a. een bedrag dat wordt bepaald ingevolge het derde lid en artikel 126, en +b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vastgesteld bedrag. -**2.** Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 117, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bekostigingsbedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 117, eerste lid onder b, en derde lid onder a, en het derde lid. +**2.** Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 126, eerste lid, onderdeel a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 126, eerste lid, onderdeel b, en derde, lid, onderdeel a. -**3.** Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 134, vierde lid onder a, vijfde lid onder a, en achtste lid onder a, en de ter uitvoering daarvan vastgestelde algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat groepen waarvoor van rijkswege bekostiging wordt verstrekt voor de kosten van de materiële instandhouding van een speellokaal niet in aanmerking worden genomen. +**3.** Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 102, eerste lid, onderdeel i. -**4.** Het aantal groepen leerlingen voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt berekend door het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt te delen door 15 en de uitkomst rekenkundig af te ronden op een geheel getal. +##### Paragraaf 2. Gemeentelijk beleid -##### Paragraaf 3. Personeel +### Artikel 128 -### Artikel 137 - -**1.** Met inachtneming van de artikelen 120 en 121 verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag een bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeelskosten. - -**2.** In geval van het verstrekken van een bijzondere bekostiging als bedoeld in artikel 123 verstrekt het Rijk aan het desbetreffende bevoegd gezag het bedrag van deze bekostiging. - -**3.** Het Rijk verstrekt jaarlijks aan het samenwerkingsverband een bedrag ten behoeve van de personeelskosten. - -**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot het betalen van het in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bedrag. - -**5.** Op het in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bedrag worden op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze in mindering gebracht de inkomsten die het bevoegd gezag dan wel het samenwerkingsverband direct of indirect geniet vanwege uitkeringen of toelagen waarop door het personeel aanspraak kan worden gemaakt. - -### Artikel 138 - -**1.** Op de bekostiging, bedoeld in artikel 137, worden in mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan van personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft uitgeoefend aan een school van het bevoegd gezag, voor zover laatstbedoeld personeel in het genot is van een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering of een andere ontslaguitkering en direct aan die uitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt, indien het betreft openbaar onderwijs, onder «school van het bevoegd gezag» verstaan elke binnen de desbetreffende gemeente gelegen school, met uitzondering van de binnen die gemeente gelegen nevenvestigingen waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen. - -**2.** Op de bekostiging worden eveneens in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op een daartoe strekkende aanvraag van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin. - -**3.** Het eerste lid is eveneens van toepassing, indien de benoeming heeft plaatsgevonden in aansluiting op een benoeming in tijdelijke dienst in dezelfde functie. - -**4.** Met gewezen personeel dat in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld personeel aan wie op grond van het leerlingenverloop op of na 1 februari ontslag is of zal worden aangezegd, op grond van welk ontslag recht op wachtgeld of een andere ontslaguitkering zou kunnen ontstaan. In afwijking van de eerste volzin kan voor een periode tot uiterlijk de datum van ingang van het recht op wachtgeld of op een andere ontslaguitkering in een vacature worden voorzien zonder dat de vermindering, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt. - -**5.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen vermindering als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt. - -**6.** Onze Minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële regeling bedoeld in het vijfde lid, wegens gewichtige redenen op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten dat de vermindering van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, niet zal plaatsvinden. Onze Minister besluit binnen 4 maanden na ontvangst van de aanvraag. Uitsluitend op grond van door het bevoegd gezag aangevoerde bijzondere omstandigheden kan Onze Minister bepalen dat het besluit, bedoeld in de eerste volzin, betrekking heeft of mede betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de datum waarop het bevoegd gezag de aanvraag heeft ingediend. - -### Artikel 139 - -**1.** Artikel 138 is van overeenkomstige toepassing indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in artikel 138, eerste en vierde lid, van de rechtspersoon of van een bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, dan wel niet handelt overeenkomstig het bepaalde in laatstgenoemde artikelleden. Van het gewezen personeel, bedoeld in de eerste volzin, is uitgezonderd het personeel van het bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, waarvan de dienstbetrekking is beëindigd op een tijdstip dat meer dan twee jaar ligt voor de aanvang van de dienstverlening. - -**2.** In geval van toepassing van het eerste lid wordt het in mindering te brengen bedrag in gelijke mate verdeeld over de scholen waarvoor diensten worden verricht. - -**3.** - -Artikel 138 is eveneens van overeenkomstige toepassing - -a. indien een bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, en -b. indien een bevoegd gezag waarvoor geen diensten meer worden verricht, in het tijdvak van vijf jaar na beëindiging van de dienstverlening personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in onderdeel a. - -**4.** Artikel 138, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, personeel ontslaat zonder voorafgaande instemming van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, met dien verstande dat het in mindering te brengen bedrag in gelijke mate wordt verdeeld over de bevoegde gezagsorganen waarvan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, uitgaat. - -##### Paragraaf 4. Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen - -### Artikel 140 - -**1.** Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor basisonderwijs in stand houden of openbare basisscholen onderscheidenlijk openbare speciale scholen voor basisonderwijs ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 142 tot en met 147 niet van toepassing. +**1.** Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor basisonderwijs in stand houden of openbare basisscholen onderscheidenlijk openbare speciale scholen voor basisonderwijs ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 130 tot en met 134 niet van toepassing. **2.** De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs naar dezelfde maatstaf. -**3.** De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden basisschool onderscheidenlijk speciale school voor basisonderwijs kunnen worden aangevraagd en de procedure voor het doen van een aanvraag. +**3.** De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden basisschool onderscheidenlijk speciale school voor basisonderwijs kunnen worden aangevraagd en de aanvraagprocedure. -**4.** De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kan aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen 1 week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft besloten, wordt de aanvulling gelijk gesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft. +**4.** De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kan aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft besloten, wordt de aanvulling gelijk gesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft. -**5.** Vervallen. +**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer van de in de regeling genoemde voorzieningen. -**6.** Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening, bedoeld in het eerste lid, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met inachtneming van de in die verordening gestelde regels, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer van de in de regeling genoemde voorzieningen. +**6.** Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid. -**7.** Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van de op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid, toegekende voorzieningen. - -### Artikel 140a - -Vervallen - -### Artikel 141 +### Artikel 129 **1.** Indien een gemeente zelf een of meer openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor basisonderwijs in stand houdt en zij uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een regeling vaststellen. -**2.** Artikel 140, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing. +**2.** Artikel 128, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing. -##### Paragraaf 5. Overschrijdingsregeling +#### Afdeling 7. Overschrijding en betaling -### Artikel 142 +##### Paragraaf 1. Overschrijdingsregeling -**1.** Indien een gemeente ten behoeve van een of meer door haar in stand gehouden basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs meer uitgaven doet voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd, wordt met inachtneming van de artikelen 142 tot en met 147 aan het bevoegd gezag van de in die gemeente gevestigde, niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs om de vijf jaar een overschrijdingsbedrag verstrekt. Voor de toepassing van de eerste volzin worden ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid, tweede volzin, gelijk gesteld met ontvangsten van het Rijk. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen basisschool onderscheidenlijk speciale school voor basisonderwijs in stand houdt, wordt het overschrijdingsbedrag in afwijking van die volzin uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat tijdstip waarop de gemeente niet langer een school in stand houdt, toegekend. +### Artikel 130 -**2.** Voor de toepassing van de artikelen 142 tot en met 147 worden uitgaven ten behoeve van een nevenvestiging aangemerkt als uitgaven ten behoeve van de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is verbonden. Indien ten behoeve van een school of nevenvestiging uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente, worden deze uitgaven aangemerkt als uitgaven van de gemeente op wier grondgebied de hoofdvestiging is gelegen. In het geval bedoeld in de vorige volzin worden de besluiten ingevolge het vierde lid en de artikelen 143 tot en met 147 genomen door het college van burgemeester en wethouders van laatstbedoelde gemeente en hebben deze mede betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten. +**1.** Indien een gemeente voor een of meer door haar in stand gehouden basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs meer uitgaven worden gedaan dan door het Rijk worden bekostigd, wordt met inachtneming van deze paragraaf aan het bevoegd gezag van de in die gemeente gevestigde, niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs om de vijf jaar een overschrijdingsbedrag verstrekt. -**3.** Voor de toepassing van de artikelen 142 tot en met 147 wordt een nevenvestiging in een andere gemeente dan waarin de hoofdvestiging is gelegen, aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. +**2.** Voor de toepassing van het eerste lid worden ontvangsten op grond van artikel 69, zevende lid, gelijk gesteld met ontvangsten van het Rijk. -**4.** Het college van burgemeester en wethouders kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten dat met betrekking tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die de gemeente doet ten behoeve van een door haar in stand gehouden school buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in de artikelen 143 en 144. +**3.** Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in het eerste lid geen basisschool onderscheidenlijk speciale school voor basisonderwijs in stand houdt, wordt het overschrijdingsbedrag in afwijking van het eerste lid uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat tijdstip waarop de gemeente niet langer een school in stand houdt, toegekend. -### Artikel 143 +**4.** Voor de toepassing van deze paragraaf worden uitgaven voor een nevenvestiging aangemerkt als uitgaven voor de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is verbonden. Indien voor een school of nevenvestiging uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente, worden deze uitgaven aangemerkt als uitgaven van de gemeente op wier grondgebied de hoofdvestiging is gelegen. In het geval bedoeld in de vorige volzin worden de besluiten ingevolge het zesde lid en de artikelen 131 tot en met 134 genomen door het college van burgemeester en wethouders van de laatstbedoelde gemeente en hebben deze mede betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten. -**1.** Het college van burgemeester en wethouders stelt, onderscheiden al naar gelang het basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks vast in welke mate het ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen meer dan wel minder uitgaven zal doen voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd. Deze vaststelling geschiedt voor het komende begrotingsjaar en het resterende deel van het vijfjarig tijdvak, bedoeld in artikel 142, eerste lid. +**5.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een nevenvestiging in een andere gemeente dan waarin de hoofdvestiging is gelegen, aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. -**2.** Indien voor het komende begrotingsjaar meer uitgaven zullen worden gedaan voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd, verleent het college van burgemeester en wethouders in dat begrotingsjaar aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de gemeente een voorschot op het te verwachten overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 142, eerste lid. Indien uit het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de hiervoor bedoelde meer-uitgaven in de resterende jaren van het vijfjarig tijdvak geheel of ten dele worden gecompenseerd door minder uitgaven, wordt hiermee rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van het voorschot. +**6.** Het college van burgemeester en wethouders kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten dat voor een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die de gemeente doet voor een door haar in stand gehouden school buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in de artikelen 131 en 132. -**3.** Indien uit de jaarlijkse voorlopige vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 144, eerste lid, blijkt dat, in afwijking van hetgeen is vastgesteld bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste lid, meer uitgaven zijn gedaan voor personeel en materiële instandhouding dan door het Rijk worden bekostigd, verleent het college van burgemeester en wethouders alsnog een voorschot aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de gemeente. Bij de bepaling van de hoogte van het voorschot is de tweede volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing. +### Artikel 131 -### Artikel 144 +**1.** Het college van burgemeester en wethouders stelt, onderscheiden al naar gelang het basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks vast in welke mate zij voor de door de gemeente in stand gehouden scholen meer dan wel minder uitgaven zullen doen dan door het Rijk worden bekostigd. Deze vaststelling geschiedt voor het komende begrotingsjaar en het resterende deel van het vijfjarig tijdvak, bedoeld in artikel 130, eerste lid. + +**2.** Indien voor het komende begrotingsjaar meer uitgaven zullen worden gedaan dan door het Rijk worden bekostigd, verleent het college van burgemeester en wethouders in dat begrotingsjaar aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de gemeente een voorschot op het te verwachten overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 130, eerste lid. + +**3.** Indien uit het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de meeruitgaven, bedoeld in het tweede lid, in de resterende jaren van het vijfjarig tijdvak geheel of ten dele worden gecompenseerd door minder uitgaven, wordt hiermee rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van het voorschot. + +**4.** Indien uit de jaarlijkse voorlopige vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 132, eerste lid, blijkt dat, in afwijking van hetgeen is vastgesteld bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste lid, meer uitgaven zijn gedaan dan door het Rijk worden bekostigd, verleent het college van burgemeester en wethouders alsnog een voorschot aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de gemeente. + +**5.** Bij de bepaling van de hoogte van het voorschot, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid van overeenkomstige toepassing. + +### Artikel 132 **1.** -Indien een gemeente een of meer scholen in stand houdt, stelt het college van burgemeester en wethouders, onderscheiden al naar gelang het basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks voorlopig vast: +Indien een gemeente een of meer scholen in stand houdt, stelt het college van burgemeester en wethouders voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs jaarlijks voorlopig vast: -a. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de personeelskosten, -b. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid als bedoeld in artikel 129 en ten behoeve van schoolbegeleiding, -c. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de materiële instandhouding, -d. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in de artikelen 116 en 137, in het voorafgaande kalenderjaar, -e. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens artikel 129, tweede lid, ten behoeve van personeels- en arbeidsmarktbeleid en die ten behoeve van schoolbegeleiding voor het kalenderjaar zijn vastgesteld, -f. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens artikel 113 voor de voorzieningen voor de materiële instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld, -g. het totaal van de aanvullende ontvangsten waaronder worden verstaan de bedragen die krachtens artikel 135 voor de voorzieningen ten behoeve van de materiële instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld, -h. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 68, -i. het totaal van de ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid, tweede volzin, en -j. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen. +a. het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 115 die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven; +b. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in de artikelen 115, 116, 117, 119 en 120, in het voorafgaande kalenderjaar; +c. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven voor de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 68, +d. het totaal van de ontvangsten op grond van artikel 69, zevende lid, en +e. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld voor de door de gemeente in stand gehouden scholen. -**2.** Indien de gemeente een deel van de ontvangsten bedoeld, in het eerste lid onder d of een deel van de ontvangsten, bedoeld in dat lid onder e, f, g en i, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid onder a, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld in dat lid onder b, c en h. Indien de gemeente ten behoeve van de personeelskosten, de nascholingskosten, de kosten voor materiële instandhouding of de kosten voor de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 68, bedragen aan een voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten als bedoeld in het eerste lid onder d, e of f. +**2.** Indien de gemeente een deel van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid, onderdeel a, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld in dat lid, onderdeel c. Indien de gemeente voor de personeelskosten, de nascholingskosten, de exploitatiekosten of de kosten voor de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 68, bedragen aan een voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. **3.** -Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder c, f, g en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en ontvangsten voor: +Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en ontvangsten voor: -a. administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 114 , onder e, -b. de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke oefening en -c. de materiële instandhouding in verband met de toepassing van artikel 165. +a. administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdeel h; +b. de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, en +c. de toepassing van artikel 158. -**4.** Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven ten behoeve van personeel dat door de gemeente met toepassing van artikel 165, aan een openbare school wordt verbonden. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b, c en h, worden voorts buiten beschouwing gelaten de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten van bedragen die door derden zijn betaald, de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten op grond van een besluit als bedoeld in artikel 140, zesde lid, tweede volzin, en de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel 141, eerste lid, een aanvraag bij de gemeente kon indienen en wel gedurende de periode waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b, c en h, blijven de uitgaven ten behoeve van een basisschool buiten beschouwing tot het bedrag dat de gemeente voor die school overdraagt op grond van artikel 118, artikel 124 of artikel 125. +**4.** De ontvangsten, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, worden genormeerd vastgesteld op 0,65 procent van de bekostiging, bedoeld in artikel 116. -**4a.** Bij het vaststellen van de bedragen bedoeld in het eerste lid, onder c, mogen voorzieningen die volgens de desbetreffende rijksbekostiging een afschrijvingstermijn van ten minste 20 jaar hebben, over ten hoogste 20 jaar worden aangemerkt als jaarlijkse uitgaven op grond van rente op basis van een fictieve lening met een looptijd van ten hoogste 20 jaar en een lineaire aflossing. +**5.** Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven die door de gemeente met toepassing van artikel 158, aan een openbare school wordt verbonden. -**5.** Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor uitgaven voor personeel en kosten voor materiële instandhouding overdraagt aan een ander bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of onderdeel c. Indien door een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeelskosten en kosten voor materiële instandhouding aan de gemeente wordt overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, of onderdeel f. +**6.** -**6.** Om de vijf jaar stelt het college van burgemeester en wethouders, voorlopig vast het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepaalt het college van burgemeester en wethouders tevens het bedrag van de overschrijding. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen school in stand houdt, stelt het college van burgemeester en wethouders, in afwijking van die volzin zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig vast het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het aan dat tijdstip voorafgaande deel van de periode van vijf jaar, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is aangegeven. +Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, worden buiten beschouwing gelaten: -**7.** Na sluiting van de rekening van de gemeente stelt het college van burgemeester en wethouders, de in het eerste en zesde lid bedoelde bedragen, zo nodig gewijzigd, vast. In het geval, bedoeld in het zesde lid, tweede volzin, drukt het college van burgemeester en wethouders vervolgens het bedrag van de overschrijding uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid onder d tot en met g en i. Het percentage wordt afgerond tot twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan 5, en naar boven indien deze decimaal ten minste 5 bedraagt. +a. de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten van bedragen die door derden zijn betaald, +b. de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten op grond van een besluit als bedoeld in artikel 128, zesde lid, +c. de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel 129, eerste lid, een aanvraag bij de gemeente kon indienen en gedurende de periode waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan. -### Artikel 145 +**7.** Indien de gemeente een deel van de bekostiging overdraagt aan een ander bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Indien door een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging aan de gemeente wordt overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. -**1.** In het jaar volgend op de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 144, zevende lid, wordt het overschrijdingsbedrag vastgesteld waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, die gedurende een of meer jaren van het desbetreffende tijdvak in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Dit overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld door het percentage, bedoeld in artikel 144, zevende lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens de artikelen 113 en 137 voor het desbetreffende tijdvak zijn vastgesteld, met dien verstande dat bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in voorgaande volzin, buiten beschouwing blijven de ontvangsten op grond van de programma's van eisen voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 114, onder e, voor de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke oefening en in verband met de toepassing van artikel 165. +**8.** Om de vijf jaar stelt het college van burgemeester en wethouders het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren voorlopig vast, zoals in het eerste tot en met zevende lid is aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepaalt het college van burgemeester en wethouders tevens het bedrag van de overschrijding. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen school in stand houdt, stelt het college van burgemeester en wethouders, in afwijking van die volzin, zo spoedig mogelijk na dat tijdstip het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten voorlopig vast in het aan dat tijdstip voorafgaande deel van de periode van vijf jaar, zoals in het eerste tot en met zesde lid is aangegeven. -**2.** Indien aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school een deel van de bekostiging voor personeelskosten is overgedragen door een ander bevoegd gezag, wordt bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dat deel bij genoemde school wel en bij de school van laatstgenoemd bevoegd gezag niet aangemerkt als ontvangsten. +**9.** Na sluiting van de rekening van de gemeente stelt het college van burgemeester en wethouders de bedragen, bedoeld in het eerste en zevende lid, zo nodig gewijzigd, vast. In het geval, bedoeld in het zevende lid, tweede volzin, drukt het college van burgemeester en wethouders vervolgens het bedrag van de overschrijding uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d. Het percentage wordt afgerond tot twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan 5, en naar boven indien deze decimaal ten minste 5 bedraagt. -**3.** Indien een gemeente voor een niet door de gemeente in stand gehouden school het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, onder a, b en c, betrekking hebben, geheel of gedeeltelijk verzorgt, wordt een overeenkomstig deel van de ontvangsten in mindering gebracht op het totaal van de ontvangsten voor de betrokken school waarover ingevolge het eerste lid het overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld. +### Artikel 133 -**4.** Indien een gemeente gedurende een gedeelte van het desbetreffende tijdvak een of meer basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in stand houdt, wordt voor het vaststellen van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van het desbetreffende tijdvak. +**1.** In het jaar volgend op de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 132, negende lid, wordt het overschrijdingsbedrag vastgesteld waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, die gedurende een of meer jaren van het desbetreffende tijdvak in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. -### Artikel 146 +**2.** Het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgeste1ld door het percentage, bedoeld in artikel 132, negende lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens de artikelen 115 en 116 voor het desbetreffende tijdvak zijn vastgesteld, met dien verstande dat bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in voorgaande volzin, de ontvangsten, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdeel h, voor de exploitatie van ruimen voor het onderwijs in lichamelijke oefening en in verband met de toepassing van artikel 158 buiten beschouwing blijven. -Vervallen +**3.** Indien aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school een deel van de bekostiging is overgedragen door een ander bevoegd gezag, wordt bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het tweede lid, dat deel bij genoemde school wel en bij de school van laatstgenoemd bevoegd gezag niet aangemerkt als ontvangsten. -### Artikel 147 +**4.** Indien een gemeente voor een niet door de gemeente in stand gehouden school het deel van de bekostiging, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen e, f en k, betrekking hebben, geheel of gedeeltelijk verzorgt, wordt een overeenkomstig deel van de ontvangsten in mindering gebracht op het totaal van de ontvangsten voor de betrokken school waarover het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld. -Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt een afschrift gezonden van de besluiten van het college van burgemeester en wethouders tot vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder uitgaven worden gedaan, bedoeld in artikel 143, eerste lid, tot verlening van het voorschot, bedoeld in artikel 143, tweede of derde lid, en tot voorlopige en definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 144, zesde en zevende lid. Daarbij is opgenomen een staat van voorzieningen als bedoeld in artikel 144, eerste lid onder j, waarin per kalenderjaar wordt aangegeven het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen. De toezending geschiedt binnen 2 weken na de dag waarop het college van burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in de eerste volzin heeft genomen. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan tegen een besluit als bedoeld in de eerste volzin administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten. +**5.** Indien een gemeente gedurende een gedeelte van het desbetreffende tijdvak een of meer basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in stand houdt, wordt voor het vaststellen van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van het desbetreffende tijdvak. -##### Paragraaf 6. Bestedingsmogelijkheden en financieel beheer +### Artikel 134 -### Artikel 148 +**1.** Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt een afschrift gezonden van de besluiten van het college van burgemeester en wethouders tot vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder uitgaven worden gedaan, bedoeld in artikel 131, eerste lid, tot verlening van het voorschot, bedoeld in artikel 131, tweede of derde lid, en tot voorlopige en definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 132, achtste en negende lid. De besluiten bevatten een staat van voorzieningen als bedoeld in artikel 132, eerste lid, onderdeel e, waarin per kalenderjaar het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen wordt aangegeven. -**1.** Het bevoegd gezag wendt het totaal van de in de artikelen 129, 134 en 137 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en de personeelskosten uitsluitend aan voor kosten voor materiële instandhouding, personeelskosten van de school of personeelskosten in verband met benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van personeel, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel mede voor die kosten van een van de andere scholen van dat bevoegd gezag. +**2.** De toezending, bedoeld in het eerste lid, geschiedt binnen twee weken na de dag waarop het college van burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen. -**2.** +**3.** Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan tegen een besluit als bedoeld in de eerste lid administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten. -Het bevoegd gezag kan de in de artikelen 129, 134, 137 en 180a bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en voor de personeelskosten mede aanwenden voor de in het eerste lid bedoelde kosten van: +##### Paragraaf 2. Betaling -a. een centrale dienst, een samenwerkingsverband of een andere school; -b. een centrale dienst of een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst dan wel een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. - -**3.** De verstrekte overschrijdingsbedragen worden ten behoeve van het onderwijs aan de scholen van het bevoegd gezag aangewend. - -**4.** De op grond van artikel 140 of artikel 141 verstrekte vergoeding wordt besteed aan het doel waarvoor zij is verstrekt. - -**5.** Het samenwerkingsverband wendt het totaal van de in de artikelen 118 en 132 bedoelde bedragen voor de kosten voor de materiële instandhouding en de personeelskosten uitsluitend aan voor kosten voor materiële instandhouding en personeelskosten van het samenwerkingsverband voor ondersteuningsvoorzieningen. - -### Artikel 148a - -Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten. - -### Artikel 148b - -Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd. - -##### Paragraaf 7. Betaling van de bekostiging - -### Artikel 149 +### Artikel 135 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven voor de verlening van voorschotten op de bekostiging en voor de verrekening van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan. -### Artikel 150 +### Artikel 136 Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een school met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet. -#### Afdeling 9. Beëindiging van de bekostiging +#### Afdeling 8. Beëindiging bekostiging ##### Paragraaf 1. Basisscholen -### Artikel 151 +### Artikel 137 In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool. -### Artikel 152 +### Artikel 138 Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal. -### Artikel 153 +### Artikel 139 -**1.** De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 8 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 76, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. In afwijking van de tweede volzin eindigt de bekostiging van een in die volzin bedoelde bijzondere school en wordt een openbare school opgeheven met ingang van het vijfde schooljaar indien het aantal leerlingen van een school als bedoeld in de tweede volzin in het vierde schooljaar van de bekostiging niet ten minste de helft van de stichtingsnorm bedraagt. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84. +**1.** De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 140 en 141, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 8 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 76, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. In afwijking van de tweede volzin eindigt de bekostiging van een in die volzin bedoelde bijzondere school en wordt een openbare school opgeheven met ingang van het vijfde schooljaar indien het aantal leerlingen van een school als bedoeld in de tweede volzin in het vierde schooljaar van de bekostiging niet ten minste de helft van de stichtingsnorm bedraagt. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84. -**2.** De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 154, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, tezamen met bij die regeling op grond van artikel 155 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant. +**2.** De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 140, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, tezamen met bij die regeling op grond van artikel 141 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant. **3.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 8 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 8 schooljaren. -**4.** Indien het aantal leerlingen van een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het derde schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van 5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. +**4.** Indien het aantal leerlingen van een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het derde schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van 5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel 149, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. **5.** Indien binnen 10 km van een school waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, wordt de eerstgenoemde school niet opgeheven op grond van dit artikel. @@ -3256,9 +3031,9 @@ Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal le Het vierde lid is niet van toepassing, indien: a. de school meer dan een richting heeft; of -b. indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging op grond van het derde lid zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 170, derde lid, tenzij die melding voortvloeide uit een omzetting van bijzonder onderwijs naar openbaar onderwijs. +b. indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging op grond van het derde lid zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 164, derde lid, tenzij die melding voortvloeide uit een omzetting van bijzonder onderwijs naar openbaar onderwijs. -### Artikel 154 +### Artikel 140 Voor iedere gemeente wordt, op basis van de leerlingdichtheid in die gemeente, een opheffingsnorm vastgesteld aan de hand van de formule: @@ -3266,54 +3041,54 @@ Opheffingsnorm = 0,6 x (leerlingdichtheid : (0,15 + 0,0027 x leerlingdichtheid)) De uitkomst van de berekening wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en waarbij de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De opheffingsnorm bedraagt minimaal 23 en maximaal 200. De leerlingdichtheid is de uitkomst van het aantal inwoners van 4 tot en met 11 jaar in die gemeente gedeeld door het aantal km^2 grondoppervlakte van die gemeente. Indien het aantal km^2 van de gemeente minder bedraagt dan 10 km^2, wordt voor de berekening van de leerlingdichtheid uitgegaan van 10 km^2. De leerlingdichtheid bedraagt maximaal 500. -### Artikel 155 +### Artikel 141 **1.** Het college van burgemeester en wethouders kan, indien elk bevoegd gezag dat een of meer scholen in de gemeente in stand houdt schriftelijk heeft verklaard daarmee in te stemmen, besluiten dat het grondgebied van de gemeente in twee bij dat besluit vastgestelde delen wordt gesplitst in verband met aanzienlijke verschillen in bebouwingskarakter en bevolkingsdichtheid tussen die delen. De grenzen van de delen van de gemeente die zijn ontstaan als gevolg van toepassing van de eerste volzin, vallen samen met grenzen van gebieden in die gemeente die zijn opgenomen in de jaarlijkse publikatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek «De landelijke wijk- en buurtindeling». Het besluit is gedurende 20 jaar van kracht behoudens het gestelde in het vijfde lid. -**2.** Het college van burgemeester en wethouders brengt Onze Minister binnen vier weken na het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte van dat besluit, waarbij tevens mededeling wordt gedaan van de begrenzing van de beide gebiedsdelen, de oppervlakte daarvan en het aantal 4- tot en met 11-jarigen dat daarbinnen woonachtig is. Na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij ministeriële regeling voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vastgesteld. De opheffingsnorm voor elk deel wordt vastgesteld op de wijze als aangegeven in artikel 154, met dien verstande dat bij het bepalen van de leerlingdichtheid wordt uitgegaan van het aantal km^2 grondoppervlakte van het desbetreffende deel en dat de vijfde volzin van artikel 154 niet van toepassing is. De ministeriële regeling wordt overeenkomstig artikel 153, tweede lid, bekendgemaakt en is voor de eerste maal van toepassing met ingang van 1 augustus, volgend op die bekendmaking. +**2.** Het college van burgemeester en wethouders brengt Onze Minister binnen vier weken na het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte van dat besluit, waarbij tevens mededeling wordt gedaan van de begrenzing van de beide gebiedsdelen, de oppervlakte daarvan en het aantal 4- tot en met 11-jarigen dat daarbinnen woonachtig is. Na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij ministeriële regeling voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vastgesteld. De opheffingsnorm voor elk deel wordt vastgesteld op de wijze als aangegeven in artikel 140, met dien verstande dat bij het bepalen van de leerlingdichtheid wordt uitgegaan van het aantal km^2 grondoppervlakte van het desbetreffende deel en dat de vijfde volzin van artikel 140 niet van toepassing is. De ministeriële regeling wordt overeenkomstig artikel 139, tweede lid, bekendgemaakt en is voor de eerste maal van toepassing met ingang van 1 augustus, volgend op die bekendmaking. -**3.** Indien niet elk bevoegd gezag een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid eerste volzin wenst te verstrekken, kan het college van burgemeester en wethouders Onze Minister verzoeken een besluit tot splitsing als bedoeld in het eerste lid te nemen. Met betrekking tot de aanvraag is het tweede lid eerste volzin van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders eveneens de ontvangen instemmende verklaringen overlegt, alsmede een opgave van de scholen waarvan het bevoegd gezag geen instemmende verklaring wenste te verstrekken. Indien Onze Minister tot splitsing van de gemeente besluit zijn op dit besluit de tweede tot en met vierde volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing. +**3.** Indien niet elk bevoegd gezag een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid eerste volzin wenst te verstrekken, kan het college van burgemeester en wethouders Onze Minister verzoeken een besluit tot splitsing als bedoeld in het eerste lid te nemen. Met betrekking tot de aanvraag is het tweede lid eerste volzin van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders eveneens de ontvangen instemmende verklaringen overleg, alsmede een opgave van de scholen waarvan het bevoegd gezag geen instemmende verklaring wenste te verstrekken. Indien Onze Minister tot splitsing van de gemeente besluit zijn op dit besluit de tweede tot en met vierde volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing. **4.** Van een besluit van het college van burgemeester en wethouders inhoudende een weigering om tot splitsing van de gemeente, als bedoeld in het eerste lid, over te gaan en van een besluit van het college van burgemeester en wethouders, inhoudende een weigering om een aanvraag tot een zodanige splitsing bij Onze Minister in te dienen, kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die daardoor rechtstreeks in zijn belang is getroffen, bij de Kroon in beroep komen. Met een weigering om tot splitsing van de gemeente over te gaan, wordt gelijk gesteld het niet nemen van een besluit met betrekking tot splitsing binnen 6 maanden na verzending van de laatste instemmende verklaring van de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in het eerste lid. Met een weigering om een aanvraag tot splitsing bij Onze Minister in te dienen, wordt gelijkgesteld het niet nemen van een besluit binnen 6 maanden na verzending van een aanvraag daartoe aan het college van burgemeester en wethouders door een bevoegd gezag dat een of meer scholen in de gemeente in stand houdt. Het beroep wordt ingesteld binnen 30 dagen nadat het besluit openbaar is gemaakt of ter kennis is gebracht van degene jegens wie het besluit is genomen dan wel binnen 30 dagen na het verstrijken van de termijn van 6 maanden bedoeld in de tweede of derde volzin. **5.** Op grond van bijzondere omstandigheden die voortvloeien uit de ruimtelijke ordening en die op het moment dat het besluit tot splitsing als bedoeld in het eerste of derde lid werd genomen niet voorzienbaar waren, kan de gemeenteraad binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 20 jaar een besluit nemen tot wijziging of beëindiging van de splitsing. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Een besluit van de gemeenteraad tot wijziging of beëindiging van de splitsing behoeft de goedkeuring van Onze Minister. -### Artikel 156 +### Artikel 142 -**1.** In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 3 van de Wet algemene regels herindeling, stelt Onze Minister op de wijze als aangegeven in artikel 154 en artikel 155, tweede lid, de nieuwe opheffingsnormen voor de betrokken gemeenten onderscheidenlijk delen van gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van artikel 153, tweede lid, en artikel 155 bepaalde opheffingsnormen. +**1.** In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 3 van de Wet algemene regels herindeling, stelt Onze Minister op de wijze als aangegeven in artikelen 140 en 141, tweede lid, de nieuwe opheffingsnormen voor de betrokken gemeenten onderscheidenlijk delen van gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van artikel 139, tweede lid, en artikel 141 bepaalde opheffingsnormen. -**2.** Indien het college van burgemeester en wethouders binnen 3 maanden na de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling, een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 155, eerste lid eerste, tweede en vierde volzin en tweede lid eerste en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing. +**2.** Indien het college van burgemeester en wethouders binnen 3 maanden na de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling, een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 141, eerste lid eerste, tweede en vierde volzin en tweede lid eerste en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing. -**3.** Artikel 155, derde lid, eerste, derde en vierde volzin, en vierde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het vierde lid voor «6 maanden» wordt gelezen: 3 maanden. +**3.** Artikel 141, derde lid, eerste, derde en vierde volzin, en vierde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het vierde lid voor «6 maanden» wordt gelezen: 3 maanden. -**4.** De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde opheffingsnormen treden in de plaats van de op grond van artikel 153, tweede lid, en artikel 155 bepaalde opheffingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de opheffingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling. +**4.** De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde opheffingsnormen treden in de plaats van de op grond van artikel 139, tweede lid, en artikel 141 bepaalde opheffingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de opheffingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling. -### Artikel 157 +### Artikel 143 -**1.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Indien het bevoegd gezag dat bij die mededeling aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84. +**1.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 141 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 139 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 149, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Indien het bevoegd gezag dat bij die mededeling aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84. -**2.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dat bij de mededeling, bedoeld in de eerste volzin, aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte en het gewogen gemiddelde niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De derde volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84. +**2.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 141 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 139 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 149, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dat bij de mededeling, bedoeld in de eerste volzin, aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte en het gewogen gemiddelde niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De derde volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84. **3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien een bevoegd gezag met ten minste 1 ander bevoegd gezag een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, waarbij voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: -a. alle scholen van elk bevoegd gezag dat aan de overeenkomst deelneemt, bevinden zich in een gebied van aan elkaar grenzende gemeenten, dan wel delen van gemeenten als bedoeld in artikel 155; +a. alle scholen van elk bevoegd gezag dat aan de overeenkomst deelneemt, bevinden zich in een gebied van aan elkaar grenzende gemeenten, dan wel delen van gemeenten als bedoeld in artikel 141; b. de overeenkomst is aangegaan voor een termijn van ten minste 10 jaren en c. in de overeenkomst is in elk geval opgenomen de verplichting voor elk bevoegd gezag om geen personeel te benoemen met voorbijgaan van personeel van een der scholen waarvan het bevoegd gezag aan de overeenkomst deelneemt en dat -1°. werkzaam is met gebruikmaking van bekostiging, die is toegekend op grond van artikel 123, tweede lid, wegens samenvoeging van scholen, dan wel +1°. werkzaam is met gebruikmaking van bekostiging, die is toegekend op grond van artikel 120, eerste lid, wegens samenvoeging van scholen, dan wel 2°. voor zover zich geen geval voordoet als bedoeld onder 1° in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag. **4.** De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, kan bepalen dat geen verplichting als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, onder 2°, bestaat in gevallen, genoemd in de ministeriële regeling bedoeld in artikel 138, vijfde lid, en in gevallen waarin Onze Minister op grond van artikel 138, zesde lid, heeft besloten dat de vermindering van de bekostiging, bedoeld in artikel 138, eerste lid, niet zal plaatsvinden. -**5.** Indien de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, voor afloop van de termijn bedoeld in het derde lid, onder b, door een bevoegd gezag wordt beëindigd, wordt de bekostiging van een bijzondere school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, werd bekostigd, beëindigd, dan wel een openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, in stand werd gehouden, opgeheven overeenkomstig artikel 153 met dien verstande dat de bekostiging niet wordt beëindigd onderscheidenlijk de school niet wordt opgeheven voor 1 augustus volgend op de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. Bij een beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst voor afloop van de termijn, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt op de bekostiging van het Rijk voor de school of scholen van elk bevoegd gezag dat aan de samenwerkingsovereenkomst deelnam een bedrag ingehouden, waarvan de hoogte door middel van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regeling wordt bepaald. +**5.** Indien de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, voor afloop van de termijn bedoeld in het derde lid, onder b, door een bevoegd gezag wordt beëindigd, wordt de bekostiging van een bijzondere school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, werd bekostigd, beëindigd, dan wel een openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 139, eerste tot en met derde lid, in stand werd gehouden, opgeheven overeenkomstig artikel 139 met dien verstande dat de bekostiging niet wordt beëindigd onderscheidenlijk de school niet wordt opgeheven voor 1 augustus volgend op de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. Bij een beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst voor afloop van de termijn, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt op de bekostiging van het Rijk voor de school of scholen van elk bevoegd gezag dat aan de samenwerkingsovereenkomst deelnam een bedrag ingehouden, waarvan de hoogte door middel van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regeling wordt bepaald. **6.** Een bevoegd gezag kan slechts deelnemen aan 1 samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid. Bij deelname aan meer dan 1 samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid, is voor de toepassing van dit artikel uitsluitend de eerst gesloten samenwerkingsovereenkomst van belang. -### Artikel 157a +### Artikel 144 -**1.** Het bevoegd gezag van een school die op grond van de gemiddelde schoolgrootte, bedoeld in artikel 157, eerste, tweede of derde lid, in stand wordt gehouden dan wel wordt bekostigd, en die vervolgens op de teldatum 1 oktober minder dan 23 leerlingen telt, kan Onze Minister verzoeken in afwijking van artikel 153, eerste, tweede en derde lid, die bijzondere school te blijven bekostigen of die openbare school in stand te houden voor een door Onze Minister te bepalen termijn. Een besluit tot instandhouding wordt in elk geval niet genomen indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 10, of geen perspectief bestaat op structurele toename van het aantal leerlingen van de school tot het aantal van ten minste 23 op 1 oktober voorafgaand aan de datum waarop de door Onze Minister te bepalen termijn eindigt. Het al dan niet aanwezig zijn van basisscholen in de omgeving van de school kan Onze Minister eveneens betrekken bij zijn besluit. +**1.** Het bevoegd gezag van een school die op grond van de gemiddelde schoolgrootte, bedoeld in artikel 143, eerste, tweede of derde lid, in stand wordt gehouden dan wel wordt bekostigd, en die vervolgens op de teldatum 1 oktober minder dan 23 leerlingen telt, kan Onze Minister verzoeken in afwijking van artikel 139, eerste, tweede en derde lid, die bijzondere school te blijven bekostigen of die openbare school in stand te houden voor een door Onze Minister te bepalen termijn. Een besluit tot instandhouding wordt in elk geval niet genomen indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 10, of geen perspectief bestaat op structurele toename van het aantal leerlingen van de school tot het aantal van ten minste 23 op 1 oktober voorafgaand aan de datum waarop de door Onze Minister te bepalen termijn eindigt. Het al dan niet aanwezig zijn van basisscholen in de omgeving van de school kan Onze Minister eveneens betrekken bij zijn besluit. **2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid moet voor 1 februari voorafgaand aan de datum van de beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing schriftelijk worden ingediend bij Onze Minister. De aanvraag gaat vergezeld van gegevens ter onderbouwing van het perspectief, bedoeld in het eerste lid, een beredeneerde leerlingprognose en gegevens over de ligging van de school ten opzichte van de dichtstbijzijnde basisscholen. @@ -3328,11 +3103,11 @@ b. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de b **5.** Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing voor openbare scholen die als gevolg van een besluit van Onze Minister op grond van artikel II van de Wet van 28 oktober 2010 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met onder meer een discretionaire bevoegdheid van de minister ten aanzien van kwalitatief goede scholen met minder dan 23 leerlingen met perspectief op hoger aantal leerlingen (Stb. 2010, 755) in stand zijn gehouden of voor bijzondere scholen waarvan als gevolg van een besluit van Onze Minister op grond van artikel II van de hiervoor genoemde wet de bekostiging is voortgezet. -### Artikel 157b +### Artikel 145 -Indien de instandhouding van een openbare school of de bekostiging van een bijzondere school niet mogelijk is op grond van de artikelen 153 tot en met 157a, kan Onze Minister in bijzondere gevallen op aanvraag van het bevoegd gezag voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd. +Indien de instandhouding van een openbare school of de bekostiging van een bijzondere school niet mogelijk is op grond van de artikelen 139 tot en met 144, kan Onze Minister in bijzondere gevallen op aanvraag van het bevoegd gezag voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd. -### Artikel 158 +### Artikel 146 **1.** @@ -3342,13 +3117,13 @@ a. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen b. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van 3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven, c. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 5 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven, d. binnen 10 km van de openbare nevenvestiging over de weg gemeten, is geen andere school aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, of -e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met toepassing van artikel 157 en onder vervanging van het getal 290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking komen. +e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met toepassing van artikel 143 en onder vervanging van het getal 290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking komen. **2.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere nevenvestiging of de opheffing van een openbare nevenvestiging geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. **3.** Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat op de teldatum 1 oktober wordt voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid en het de nevenvestiging in het op die datum volgende schooljaar wil handhaven, deelt het dit voor 1 februari voorafgaand aan dat schooljaar onder de gemotiveerde vermelding van de voorwaarde die het betreft schriftelijk mede aan Onze Minister. Indien deze mededeling niet tijdig wordt gedaan, wordt de nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid te voldoen, tenzij het eerste lid, onder d, van toepassing is. -**3a.** Indien de nevenvestiging meer dan een richting heeft of indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 170, derde lid, wordt die nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdeel b of c te voldoen. +**3a.** Indien de nevenvestiging meer dan een richting heeft of indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 164, derde lid, wordt die nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdeel b of c te voldoen. **4.** @@ -3358,21 +3133,21 @@ a. de nevenvestiging naar zijn oordeel gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren b. de nevenvestiging naar zijn oordeel niet voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid maar, gelet op het eerste lid, de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan worden gehouden, of c. de nevenvestiging naar zijn oordeel voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid, zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan, dan wel dient te worden gehouden. -### Artikel 158a +### Artikel 147 **1.** De bekostiging van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een bijzondere school wordt beëindigd of een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen van de afdeling gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober telkens minder dan 30 bedraagt. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de afdeling het aantal leerlingen op de afdeling, minder dan 80 bedraagt. **2.** De beëindiging van de bekostiging van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een bijzondere school of de opheffing van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een bijzondere school of de opheffing van een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de afdeling, het eerste lid, tweede volzin van toepassing was, geschiedt met ingang van 1 augustus volgende op die 5 schooljaren. -**3.** Artikel 160, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. +**3.** Artikel 149, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. -### Artikel 159 +### Artikel 148 **1.** De gemeenteraad kan besluiten tot vermindering van het aantal door de gemeente in stand gehouden openbare scholen en nevenvestigingen. **2.** De openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 47, of de stichting, bedoeld in artikel 17 of 48, kan besluiten tot opheffing van een door die openbare rechtspersoon of stichting in stand gehouden openbare school of nevenvestiging. Een besluit tot opheffing wordt uiterlijk op 1 augustus van het schooljaar voorafgaand aan de beoogde datum van opheffing medegedeeld aan de gemeenteraad. Indien de gemeenteraad voor 1 februari daaropvolgend besluit dat hij de school in stand wenst te houden, wordt deze niet opgeheven, maar wordt de instandhouding daarvan overgedragen aan de gemeente. -**3.** In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, eerste volzin, vindt opheffing van een openbare school of nevenvestiging niet plaats in de gevallen, bedoeld in artikel 153, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 158, eerste lid, onder d. +**3.** In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, eerste volzin, vindt opheffing van een openbare school of nevenvestiging niet plaats in de gevallen, bedoeld in artikel 139, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 146, eerste lid, onder d. **4.** @@ -3383,11 +3158,11 @@ b. de gemeenteraad uiterlijk op 1 februari volgend op die mededeling besluit om **5.** Indien het besluit, bedoeld in het tweede lid, na 1 januari van het schooljaar voorafgaand aan de beoogde datum van opheffing wordt medegedeeld aan de gemeenteraad, dan wordt de school of nevenvestiging niet opgeheven op grond van dat besluit. -### Artikel 160 +### Artikel 149 **1.** Indien naar het oordeel van Onze Minister de bekostiging van een bijzondere school dient te worden beëindigd of een openbare school dient te worden opgeheven, maakt Onze Minister dit voor 1 januari voorafgaand aan de datum van beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk opheffing van de school bekend aan het bevoegd gezag. -**2.** Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 153, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 157, deelt het bevoegd gezag dit voor 1 februari voorafgaand aan de datum voor de beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing schriftelijk mede aan Onze Minister. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens bij deze mededeling worden overgelegd. +**2.** Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 139, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 143, deelt het bevoegd gezag dit voor 1 februari voorafgaand aan de datum voor de beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing schriftelijk mede aan Onze Minister. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens bij deze mededeling worden overgelegd. **3.** @@ -3398,25 +3173,21 @@ b. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de b **4.** Indien Onze Minister niet voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een bekendmaking als bedoeld in het derde lid heeft gedaan, wordt met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school voortgezet of dient de openbare school met ingang van laatstgenoemde datum in stand te worden gehouden. -### Artikel 161 - -Vervallen - ##### Paragraaf 2. Speciale scholen voor basisonderwijs -### Artikel 162 +### Artikel 150 -Artikel 159, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen daarvan. +Artikel 148, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen daarvan. ##### Paragraaf 3. Overige bepalingen -### Artikel 163 +### Artikel 151 **1.** Indien de bekostiging van een bijzondere school of nevenvestiging wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de school of nevenvestiging beslist, dan wel een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, of artikel 89, tweede lid, toepassing heeft gevonden, wordt opgeheven, eindigt het recht op het gebouw en terrein en worden alle roerende zaken, behalve die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan de gemeente op wier grondgebied het gebouw en terrein zijn gelegen, overgedragen. **2.** Artikel 110, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de verklaring ingevolge het eerste lid en het besluit ingevolge het tweede lid als datum waarop het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein voor de school te gebruiken, zal worden genoemd de datum waarop de bekostiging is geëindigd dan wel zal eindigen. -### Artikel 163a +### Artikel 152 **1.** Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de desbetreffende overheidskas. @@ -3424,7 +3195,7 @@ Artikel 159, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige to **3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend. -### Artikel 163b +### Artikel 153 **1.** Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de rechtspersoon die de school in stand houdt dan wel het samenwerkingsverband een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven. @@ -3450,7 +3221,7 @@ a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en c. stelt Onze Minister de rechtspersoon dan wel het samenwerkingsverband vervolgens vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de aanwijzing naar voren te brengen. -### Artikel 163c +### Artikel 154 **1.** Indien naar het oordeel van Onze Minister het samenwerkingsverband zijn taak ernstig verwaarloost, kan tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. @@ -3458,15 +3229,15 @@ c. stelt Onze Minister de rechtspersoon dan wel het samenwerkingsverband vervolg **3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in artikel 18a, tweede lid, niet of niet tijdig voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in genoemd artikel. -### Artikel 164 +### Artikel 155 -**1.** Indien het bevoegd gezag van een school dan wel het samenwerkingsverband in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder tevens wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 163b, kan Onze Minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort. +**1.** Indien het bevoegd gezag van een school dan wel het samenwerkingsverband in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, waaronder tevens wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 153, kan Onze Minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school dan wel het samenwerkingsverband of het personeel van een samenwerkingsverband in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. **3.** Onze Minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen. -### Artikel 164a +### Artikel 156 **1.** Indien het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 10, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen. @@ -3476,7 +3247,7 @@ c. stelt Onze Minister de rechtspersoon dan wel het samenwerkingsverband vervolg **4.** Het eerste tot en met het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband en de kwaliteit van het bestuur van het samenwerkingsverband. -### Artikel 164b +### Artikel 157 **1.** Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, kan Onze Minister besluiten dat met ingang van een in dat besluit bepaalde datum een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd. @@ -3495,23 +3266,19 @@ Op een basisschool die minder dan 2 jaar wordt bekostigd en waarvan de kwaliteit a. tekortschiet in de naleving van drie of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en dientengevolge b. tekortschiet in het zorgdragen voor de veiligheid op de school als bedoeld in artikel 4c, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid. -#### Afdeling 10. Onderwijsachterstandenbeleid +#### Afdeling 9. Onderwijsachterstandenbeleid -### Artikel 165 +### Artikel 158 Indien het college van burgemeester en wethouders in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van de scholen, activiteiten ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal op scholen wil verrichten met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, wordt het onderwijs zodanig ingericht dat deze activiteiten plaatsvinden geheel of gedeeltelijk gedurende dan wel buiten het aantal uren onderwijs dat leerlingen op grond van artikel 8 tenminste ontvangen. Een leerling neemt slechts deel aan deze activiteiten als nadat de ouders van de leerling hun instemming schriftelijk kenbaar hebben gemaakt aan het bevoegd gezag. -### Artikel 166 +### Artikel 159 -**1.** Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat er in een gemeente voldoende voorzieningen in aantal en spreiding zijn waar kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal, als bedoeld in artikel 167, eerste lid, deel kunnen nemen aan voorschoolse educatie die voldoet aan de bij of krachtens artikel 1.50b van de Wet kinderopvang vastgestelde bepalingen. +**1.** Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat er in een gemeente voldoende voorzieningen in aantal en spreiding zijn waar kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal, als bedoeld in artikel 160, eerste lid, deel kunnen nemen aan voorschoolse educatie die voldoet aan de bij of krachtens artikel 1.50b van de Wet kinderopvang vastgestelde bepalingen. **2.** Dit lid is nog niet in werking getreden. -### Artikel 166a - -Vervallen - -### Artikel 167 +### Artikel 160 **1.** @@ -3535,9 +3302,9 @@ Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken. **3.** Een houder van een kindercentrum verwerkt persoonsgegevens met als doel de bevordering van een goede doorstroom naar het basisonderwijs. De gegevens die een houder van een kindercentrum verplicht overdraagt aan het bevoegd gezag van een basisschool over leerlingen die op de basisschool zijn ingeschreven, zijn het programma van voorschoolse educatie dat een leerling heeft gevolgd en de duur van het programma dat is gevolgd. Houders van kindercentra maken afspraken met de basisscholen binnen een gemeente over de wijze van gegevenslevering. De bewaartermijn voor de overgedragen gegevens is twee jaar nadat het kind het kindercentrum heeft verlaten. -### Artikel 167a +### Artikel 161 -**1.** Het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang, bedoeld in de Wet kinderopvang in de gemeente voeren tenminste jaarlijks overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt. Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die – alvorens de afspraken tot stand komen – aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijft het college van burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij het initiatieven neemt tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vraagt het college van burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie brengt binnen 4 weken aan het college van burgemeester en wethouders dan wel aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies uit. Het college van burgemeester en wethouders maakt dit advies bekend aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang, bedoeld in de Wet kinderopvang in de gemeente. +**1.** Het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang, bedoeld in de Wet kinderopvang in de gemeente voeren tenminste jaarlijks overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt. Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die – alvorens de afspraken tot stand komen – aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijft het college van burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij het initiatieven neemt tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vraagt het college van burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie brengt binnen 4 weken aan het college van burgemeester en wethouders dan wel aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies uit. Het college van burgemeester en wethouders maakt dit advies bekend aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de kinderopvang, bedoeld in de Wet kinderopvang in de gemeente. **2.** Onze Minister stelt een geschillencommissie in. @@ -3545,29 +3312,25 @@ Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken. **4.** De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van 4 jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend. -### Artikel 168 +### Artikel 162 -Indien niet binnen een redelijke termijn met alle partijen, bedoeld in artikel 167, tweede lid, afspraken als bedoeld in artikel 167, eerste lid, zijn gemaakt, kan het college van burgemeester en wethouders de werkingssfeer van de gemaakte afspraken, voor zover noodzakelijk voor een samenhangend onderwijsachterstandenbeleid, uitbreiden naar de partijen, bedoeld in artikel 167, tweede lid, waarmee geen afspraken zijn gemaakt. +Indien niet binnen een redelijke termijn met alle partijen, bedoeld in artikel 160, tweede lid, afspraken als bedoeld in artikel 160, eerste lid, zijn gemaakt, kan het college van burgemeester en wethouders de werkingssfeer van de gemaakte afspraken, voor zover noodzakelijk voor een samenhangend onderwijsachterstandenbeleid, uitbreiden naar de partijen, bedoeld in artikel 160, tweede lid, waarmee geen afspraken zijn gemaakt. -### Artikel 168a +### Artikel 163 -**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 165, 166 en 167, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per kalenderjaar verstrekt. +**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten van de uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 158, 159 en 160, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per kalenderjaar verstrekt. **2.** Het college van burgemeester en wethouders verstrekt de middelen die de gemeente als specifieke uitkering uit ’s Rijks kas ontvangt voor de verplichtingen bedoeld in het eerste lid aan de rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen. **3.** Onze Minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien de uitkering niet is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden criteria vastgesteld op basis waarvan de minister tot terugvordering kan overgaan. -**4.** Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, die een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid bedoeld in de artikelen 165, 166 en 167, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd. +**4.** Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, die een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid bedoeld in de artikelen 158, 159 en 160, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd. **5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en omtrent de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het vierde lid. -### Artikel 169 +#### Afdeling 10. Verslaglegging en informatieverstrekking -Vervallen - -#### Afdeling 11. Verslaglegging en informatieverstrekking - -### Artikel 170 +### Artikel 164 **1.** Voor 1 mei van het kalenderjaar volgend op het besluit, bedoeld in artikel 75, derde lid, meldt het bevoegd gezag aan Onze Minister of de school uitgaat van een grondslag en zo ja, welke grondslag. @@ -3579,7 +3342,7 @@ Vervallen **5.** Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de melding, bedoeld in het eerste en derde lid. -### Artikel 171 +### Artikel 165 **1.** @@ -3616,7 +3379,7 @@ c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binn **8.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt. -### Artikel 172 +### Artikel 166 **1.** Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, alsmede over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. @@ -3624,21 +3387,17 @@ c. afstemming met en verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binn **3.** Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het samenwerkingsverband bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de desbetreffende boeken en bescheiden gedurende een periode van zeven jaren. -### Artikel 173 +### Artikel 167 **1.** Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat het beschikt over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het onderwijs, bedoeld in deze wet, en verleent desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd. **2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid. -### Artikel 173a +### Artikel 168 -Vervallen +De voorschriften, bedoeld in artikel 165, derde lid, artikel 166, tweede lid, en artikel 167, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, bedoeld in artikel 182, tweede lid. -### Artikel 174 - -De voorschriften, bedoeld in artikel 171, derde lid, artikel 172, tweede lid, en artikel 173, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, bedoeld in artikel 178a, tweede lid. - -### Artikel 175 +### Artikel 169 **1.** Onverminderd de bevoegdheid van de inspectie op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school. @@ -3646,7 +3405,7 @@ De voorschriften, bedoeld in artikel 171, derde lid, artikel 172, tweede lid, en **3.** Onze minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging. -**4.** Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 171, eerste lid, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of evident ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht. +**4.** Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 165, eerste lid, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 165, vierde lid, of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of evident ondoelmatig is aangewend, kan Onze minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht. **5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging als bedoeld in het vierde lid. @@ -3654,30 +3413,26 @@ De voorschriften, bedoeld in artikel 171, derde lid, artikel 172, tweede lid, en **7.** Een in het tweede lid bedoelde correctie wordt indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in het derde lid, door Onze minister betaald. -### Artikel 176 +#### Afdeling 11. Zij-instroom in het beroep -Vervallen - -#### Afdeling 11A. Zij-instroom in het beroep - -### Artikel 176a +### Artikel 170 In deze afdeling wordt verstaan onder: a. instelling voor hoger onderwijs: een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; b. instellingsbestuur: het instellingsbestuur, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met dien verstande dat voor zover het openbare instellingen betreft, de artikelen 9.2, tweede lid, 10.9, tweede lid, en 11.1, tweede lid, van die wet van overeenkomstige toepassing zijn. -### Artikel 176b +### Artikel 171 -**1.** Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 176c voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat moet worden geacht binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot leraar met goed gevolg deel te nemen aan het in artikel 176f bedoelde bekwaamheidsonderzoek, geeft het bestuur van een instelling die op grond van artikel 176e is erkend, een geschiktheidsverklaring af. +**1.** Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 172 voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat moet worden geacht binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot leraar met goed gevolg deel te nemen aan het in artikel 175 bedoelde bekwaamheidsonderzoek, geeft het bestuur van een instelling die op grond van artikel 174 is erkend, een geschiktheidsverklaring af. **2.** Bij ministeriële regeling wordt een model voor de geschiktheidsverklaring vastgesteld. **3.** Op 31 juli 2006 nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs, gelden vanaf 1 augustus 2006 als te zijn afgegeven op grond van het eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest. -### Artikel 176c +### Artikel 172 -**1.** Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die op grond van artikel 176e is erkend. Dat instellingsbestuur betrekt bij het geschiktheidsonderzoek het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of indien betrokkene de aanvraag zelf indient, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met betrokkene is uitgenodigd. +**1.** Het geschiktheidsonderzoek wordt op aanvraag van het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of op aanvraag van betrokkene zelf, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die op grond van artikel 174 is erkend. Dat instellingsbestuur betrekt bij het geschiktheidsonderzoek het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen of tewerktestellen zonder benoeming, of indien betrokkene de aanvraag zelf indient, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met betrokkene is uitgenodigd. **2.** @@ -3705,15 +3460,15 @@ b. leraren in het desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde personeelsleden v **6.** Ten behoeve van het uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek is de aanvrager aan de instelling die het onderzoek zal verrichten, een bij ministeriële regeling vast te stellen bijdrage verschuldigd. -### Artikel 176d +### Artikel 173 -**1.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 176g, eerste lid, onder a, is partij bij de in artikel 38a, eerste lid, bedoelde overeenkomst. +**1.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 176, eerste lid, onderdeel a, is partij bij de in artikel 38a, eerste lid, bedoelde overeenkomst. **2.** Indien na het sluiten van die overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft dat instellingsbestuur tijdig een toereikende vervangende voorziening. -### Artikel 176e +### Artikel 174 -**1.** Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek. Erkenning vindt plaats indien het bestuur in zijn aanvraag ten genoegen van Onze Minister aantoont dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin, waaronder regels over de behandeling en beoordeling van de aanvraag. Een erkende instelling heeft tevens de bevoegdheid tot het verstrekken van geschiktheidsverklaringen op grond van het geschiktheidsonderzoek en tot het doen van voorstellen over de noodzakelijke scholing en begeleiding, met inachtneming van artikel 176c, tweede lid, onder c. +**1.** Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek. Erkenning vindt plaats indien het bestuur in zijn aanvraag ten genoegen van Onze Minister aantoont dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin, waaronder regels over de behandeling en beoordeling van de aanvraag. Een erkende instelling heeft tevens de bevoegdheid tot het verstrekken van geschiktheidsverklaringen op grond van het geschiktheidsonderzoek en tot het doen van voorstellen over de noodzakelijke scholing en begeleiding, met inachtneming van artikel 172, tweede lid, onderdeel c. **2.** Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan Onze Minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verlangen van het bestuur van de instelling. @@ -3721,17 +3476,17 @@ b. leraren in het desbetreffende vak of vakgebied, niet zijnde personeelsleden v **4.** Instellingen voor hoger onderwijs die op 31 juli 2006 op grond van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs bevoegd waren tot het verrichten van een geschiktheidsonderzoek worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in het eerste lid. -### Artikel 176f +### Artikel 175 Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar voldoet aan de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld. -### Artikel 176g +### Artikel 176 **1.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs die opleidt voor het voldoen aan bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, en die zich daartoe bij Onze Minister heeft gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot: -a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 176c, tweede lid, onder c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of +a. het verzorgen of doen verzorgen van de in artikel 172, tweede lid, onderdeel c, bedoelde scholing en begeleiding, voor zover deze verband houden met opleidingen die de instelling verzorgt, of b. het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van bekwaamheidsonderzoek, voor zover de instelling opleidt voor het desbetreffende getuigschrift, dan wel c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten. @@ -3741,15 +3496,15 @@ c. zowel de onder a als de onder b bedoelde activiteiten. **4.** Een melding, gedaan voor 1 augustus 2006 onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 juli 2006, geldt als te zijn gedaan op grond van het eerste lid. -### Artikel 176h +### Artikel 177 -**1.** Het in artikel 176e en het in artikel 176g bedoelde bestuur dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. +**1.** Het in artikel 174 en het in artikel 176 bedoelde bestuur dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. -**2.** Onze Minister kan een instelling een of meer van de in artikel 176e of artikel 176g, eerste lid, bedoelde bevoegdheden ontnemen indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en krachtens deze wet bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ontneming. +**2.** Onze Minister kan een instelling een of meer van de in artikel 174 en artikel 176, eerste lid, bedoelde bevoegdheden ontnemen indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, dan wel indien niet of niet meer wordt voldaan aan het terzake bij en krachtens deze wet bepaalde. Artikel 6.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ontneming. -### Artikel 176i +### Artikel 178 -**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van artikel 176c, tweede lid onder b, en vierde lid. +**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van artikel 172, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid. **2.** @@ -3761,15 +3516,15 @@ c. de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en voor afgift **3.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. -### Artikel 176j +### Artikel 179 -Het in artikel 176e en het in artikel 176g bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze afdeling. Op verzoek van de inspectie zendt het bestuur een overzicht van afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen. +Het in artikel 174 en het in artikel 176 bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze afdeling. Op verzoek van de inspectie zendt het bestuur een overzicht van afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen. -#### Afdeling 11B. Experimenten +#### Afdeling 12. Experimenten -### Artikel 176k +### Artikel 180 -**1.** Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 7, afdeling 8, paragrafen 2, 3, 6 en 7 en afdeling 9 paragrafen 1 en 2, van de wet. +**1.** Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdelingen 1, 2, 4, 5, afdeling 6, paragraaf 1, afdeling 7, paragraaf 2 en afdeling 8, paragrafen 1 en 2, van de wet. **2.** @@ -3788,13 +3543,13 @@ d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogd **6.** In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969. -**7.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, of een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden afgeweken van titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en titel IV, afdelingen 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7 van de Wet op de expertisecentra, en titel II, afdeling I, hoofdstuk I en titel III, afdeling II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking. +**7.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, of een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij samenwerking met een school of instelling kan voor die school of instelling respectievelijk worden afgeweken van titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en titel IV, afdeling 4, afdeling 5, paragraaf 1 en afdeling 6, paragraaf 2 van de Wet op de expertisecentra, en titel II, afdeling I, hoofdstuk I en titel III, afdeling II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking. **8.** De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. -#### Afdeling 12. Overige bepalingen +#### Afdeling 13. Overige bepalingen -### Artikel 177 +### Artikel 181 **1.** Onze Minister kan bepalen dat geen of slechts een gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag. @@ -3804,11 +3559,7 @@ d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogd **4.** Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben. -### Artikel 178 - -Vervallen - -### Artikel 178a +### Artikel 182 **1.** Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het verkeer met de leerling op wie het nummer betrekking heeft, of met de ouders van deze leerling. @@ -3838,51 +3589,33 @@ Vervallen **14.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het elfde tot en met het dertiende lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen. -### Artikel 178b - -Vervallen - -### Artikel 178c - -Vervallen - -### Artikel 178d - -Vervallen - -### Artikel 178e +### Artikel 183 Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling uitsluitend ten behoeve van een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969. -### Artikel 179 +### Artikel 184 Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school. -### Artikel 180 +### Artikel 185 **1.** Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 9a. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin. **2.** Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het eerste lid, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in artikel 9a in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, zoals dat artikel luidde op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen. -### Artikel 180a +### Artikel 186 -**1.** Het Rijk verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een school, bekostiging die kan worden besteed ten behoeve van schoolbegeleiding. +**1.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade. -**2.** De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor elk schooljaar berekend door het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober van het voorafgaande schooljaar te vermenigvuldigen met een bedrag dat jaarlijks bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. - -### Artikel 181 - -**1.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade. - -**2.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het college van burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade. +**2.** Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het college van burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade. **3.** Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. -### Artikel 182 +### Artikel 187 Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden. -### Artikel 183 +### Artikel 188 **1.** Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het samenwerkingsverband is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel. @@ -3896,23 +3629,23 @@ Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskass **6.** Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing. -### Artikel 183a +### Artikel 189 **1.** -De rechtspersoon, bedoeld in artikel 183, kan het burgerservicenummer van het personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, en van degene die het personeelslid tijdelijk vervangt, uitsluitend in het kader van het doel, bedoeld in artikel 183, eerste lid, onderdeel a, gebruiken in het verkeer met: +De rechtspersoon, bedoeld in artikel 188, kan het burgerservicenummer van het personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, en van degene die het personeelslid tijdelijk vervangt, uitsluitend in het kader van het doel, bedoeld in artikel 188, eerste lid, onderdeel a, gebruiken in het verkeer met: a. het personeelslid onderscheidenlijk degene die het personeelslid tijdelijk vervangt, b. het bevoegd gezag van de school dan wel het samenwerkingsverband waar de in onderdeel a bedoelde personen werkzaam zijn, c. Onze Minister, -d. de instantie, bedoeld in artikel 184, vijfde lid, of +d. de instantie, bedoeld in artikel 190, vijfde lid, of e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. **2.** Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon aan die rechtspersoon verstrekt door het bevoegd gezag van de school dan wel het samenwerkingsverband waar het personeelslid dat bij afwezigheid wordt vervangen, werkzaam is. **3.** Indien dat ten behoeve van het jaarverslag, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, noodzakelijk is, worden gegevens daarin slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon kunnen worden ontleend, tenzij het betreft de controle op de juistheid van de gegevens in het kader van de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van door de rechtspersoon gedane uitgaven. Daarbij kunnen de burgerservicenummers worden vergeleken met de burgerservicenummers die door andere daartoe bij of krachtens de wet bevoegde instanties zijn verstrekt. -### Artikel 184 +### Artikel 190 **1.** Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst onderscheidenlijk het samenwerkingsverband is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet ten behoeve van gewezen personeel. @@ -3920,32 +3653,32 @@ e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van **3.** Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. -**4.** Het bestuur van de rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een aanvraag van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst onderscheidenlijk het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 138, tweede lid. Indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt het bestuur van de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van de aanvraag. +**4.** Het bestuur van de rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een aanvraag van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst onderscheidenlijk het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 115, tweede lid. Indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt het bestuur van de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van de aanvraag. **5.** Indien het bestuur van de rechtspersoon de aanvraag heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt, de kosten van die uitkeringen of suppleties. -**6.** Indien een werkloosheidsuitkering, een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet van gewezen personeel van een school of een centrale dienst voortvloeit uit de inzet of een wijziging van de inzet van de in artikel 120, vierde lid, en artikel 132 bedoelde bekostiging ten opzichte van voorafgaande schooljaren, zijn de bevoegde gezagsorganen van alle scholen van het desbetreffende samenwerkingsverband hoofdelijk aansprakelijk voor het aan de rechtspersoon vergoeden van de kosten van de werkloosheidsuitkering, de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk de uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. +**6.** Indien een werkloosheidsuitkering, een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet van gewezen personeel van een school of een centrale dienst voortvloeit uit de inzet of een wijziging van de inzet van de in artikel 122, eerste lid, en artikel 124 bedoelde bekostiging ten opzichte van voorafgaande schooljaren, zijn de bevoegde gezagsorganen van alle scholen van het desbetreffende samenwerkingsverband hoofdelijk aansprakelijk voor het aan de rechtspersoon vergoeden van de kosten van de werkloosheidsuitkering, de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk de uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. **7.** Tegen een besluit van de rechtspersoon kan beroep worden ingesteld door het bevoegd gezag, het bestuur van de centrale dienst onderscheidenlijk het samenwerkingsverband. **8.** Op de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing. -### Artikel 184a +### Artikel 191 **1.** -De rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, kan het burgerservicenummer van het gewezen personeelslid, uitsluitend in het kader van het doel, bedoeld in artikel 184, eerste lid, gebruiken in het verkeer met: +De rechtspersoon, bedoeld in artikel 190, kan het burgerservicenummer van het gewezen personeelslid, uitsluitend in het kader van het doel, bedoeld in artikel 190, eerste lid, gebruiken in het verkeer met: a. het gewezen personeelslid, b. het bevoegd gezag van de school, het bestuur van de centrale dienst dan wel het samenwerkingsverband waar de in onderdeel a bedoelde persoon werkzaam was, c. Onze Minister, of -d. de instantie, bedoeld in artikel 184, vijfde lid. +d. de instantie, bedoeld in artikel 190, vijfde lid. **2.** Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon aan die rechtspersoon verstrekt door het bevoegd gezag van de school, het bestuur van de centrale dienst dan wel het samenwerkingsverband waar het gewezen personeelslid werkzaam was. **3.** Indien dat ten behoeve van het jaarverslag, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, noodzakelijk is, worden gegevens daarin slechts zodanig openbaar gemaakt dat daaraan geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon kunnen worden ontleend, tenzij het betreft de controle op de juistheid van de gegevens in het kader van de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van door de rechtspersoon gedane uitgaven. Daarbij kunnen de burgerservicenummers worden vergeleken met de burgerservicenummers die door andere daartoe bij of krachtens de wet bevoegde instanties zijn verstrekt. -### Artikel 184b +### Artikel 192 **1.** Onze Minister verstrekt bekostiging voor het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 50, eerste en tweede volzin, aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens zijn statuten ten doel stelt het geven van onderwijs als bedoeld in artikel 50, eerste lid, eerste en tweede volzin, voor zover dit wordt gegeven door leraren als bedoeld in artikel 51. @@ -3955,7 +3688,7 @@ d. de instantie, bedoeld in artikel 184, vijfde lid. ## Hoofdstuk II. Andere vormen van basisonderwijs -### Artikel 185 +### Artikel 193 **1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven, onderscheidenlijk voorwaarden gesteld, voor de bekostiging van scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden, naar bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven onderscheidingen. @@ -3963,17 +3696,13 @@ d. de instantie, bedoeld in artikel 184, vijfde lid. **3.** De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Als dan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend. -## Hoofdstuk III. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in +## Hoofdstuk III. Bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in de -### Artikel 186 +### Artikel 194 -Vervallen +**1.** Instemming van Onze Minister is vereist ten aanzien van de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 188, alsmede ten aanzien van wijziging van die statuten. -### Artikel 187 - -**1.** Instemming van Onze Minister is vereist ten aanzien van de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 183, alsmede ten aanzien van wijziging van die statuten. - -**2.** Onze Minister is bevoegd tot intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 183. +**2.** Onze Minister is bevoegd tot intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 188. **3.** @@ -3987,7 +3716,7 @@ c. de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon. Krachtens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorschriften kan Onze Minister subsidie verlenen aan de rechtspersoon ten behoeve van: -a. bedragen die, gedurende een vooraf vastgestelde periode en tot een vooraf vastgestelde maximale hoogte, strekken ter vervanging van de vergoeding ten behoeve van de kosten voor vervanging, bedoeld in artikel 126, eerste lid, en de bijdrage, bedoeld in artikel 183, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling, +a. bedragen die, gedurende een vooraf vastgestelde periode en tot een vooraf vastgestelde maximale hoogte, strekken ter vervanging van de bijdrage bedoeld in artikel 188, tweede lid, voor zover die betrekking heeft op de kosten van vervanging van personeel wegens voorschriften gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling, b. een bijdrage aan de kosten van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon, en c. een bijdrage ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader van de bedrijfsgezondheidszorg. @@ -3997,35 +3726,39 @@ c. een bijdrage ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader **7.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. -### Artikel 188 +### Artikel 195 -**1.** Artikel 187 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184. +**1.** Artikel 194 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 190. -**2.** Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de werkzaamheden van die rechtspersoon. +**2.** Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 190, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de werkzaamheden van die rechtspersoon. -### Artikel 188a +### Artikel 196 -Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a en 164b, en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 10a en 164b in de praktijk. +Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a en artikel 157, en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 10a en artikel 157 in de praktijk. -### Artikel 188b +### Artikel 197 Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet College voor examens in verband met de invoering van een centrale eindtoets, de invoering van een leerling- en onderwijsvolgsysteem en invoering van bekostigingsvoorschriften voor minimumleerresultaten voor speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (centrale eindtoets en leerling- en onderwijsvolgsysteem primair onderwijs) (Stb. 2014, 13) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van artikel 8, zesde lid, en artikel 9b van de wet in de praktijk. -### Artikel 188c +### Artikel 198 Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van enige onderwijswetten in verband met het invoeren van de verplichting voor scholen om zorg te dragen voor de veiligheid op school (Stb. 238) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de artikelen 4c en 13, eerste lid, onderdeel n, in de praktijk. -### Artikel 188d +### Artikel 199 -Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van artikel 178a, elfde tot en met veertiende lid, in de praktijk. +Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van artikel 182, elfde tot en met veertiende lid, in de praktijk. -### Artikel 188e +### Artikel 200 Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de gewijzigde systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe scholen in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie. +### Artikel 201 + +Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES en de Wet op het voortgezet onderwijs vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (vereenvoudiging bekostiging po, Stb. 2021, 171) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wijzigingen in hoofdstuk I, titel IV, in de praktijk. + ## Hoofdstuk IV. Overgangsbepalingen -### Artikel 189 +### Artikel 202 **1.** Aan degene die de bevoegdheid tot het geven van onderwijs krachtens artikel 4 van de Wet op het basisonderwijs (Stb. 1984, 2) voor 17 april 1982 heeft verloren en deze bevoegdheid niet voordien onvoorwaardelijk is teruggegeven, is deze bevoegdheid alsnog teruggegeven op 17 april 1987. @@ -4033,7 +3766,7 @@ Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de **3.** Onze Minister kan in bijzondere gevallen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, die krachtens de in het eerste lid bedoelde bepalingen is verloren en voor 17 april 1987 niet is teruggegeven, al dan niet onder voorwaarden, op schriftelijk verzoek van de betrokkene alsnog teruggeven. Deze voorwaarden vervallen vijf jaar na het verlies van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. -### Artikel 190 +### Artikel 203 **1.** De vergoeding voor een schoolterrein die voor 1 juni 1992 is aangevangen en plaatsvindt met toepassing van artikel 98, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs, of artikel E 29, E 32 of E 43 van de Overgangswet WBO, zoals die voorschriften luidden op 31 mei 1992, wordt met ingang van 1 juni 1992 gewijzigd in een vergoeding ter grootte van twee-derde deel van de rente op basis van een fictieve lening voor de noodzakelijk geachte kosten, met een lineaire aflossing en, gerekend vanaf het tijdstip waarop voor het eerst een vergoeding voor het schoolterrein werd verleend, een looptijd van 40 jaar. Bij de toepassing van de eerste volzin wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de tweede volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de tweede volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen. @@ -4041,11 +3774,11 @@ Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de **3.** Bij de toepassing van het tweede lid wordt gerekend met het rentepercentage dat zou gelden voor een lening met een lineaire aflossing en een looptijd van 20 jaar, uitgaande van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren waarin vergoeding werd verleend. Onze Minister is bevoegd om in verband met de rentestand tot bijstelling van een ingevolge de eerste volzin geldend rentepercentage over te gaan. Indien Onze Minister tot bijstelling van het rentepercentage is overgegaan, wordt in afwijking van de eerste volzin uitgegaan van een herziening van het rentepercentage telkens per 1 januari volgend op een periode van 20 kalenderjaren sinds die bijstelling, het kalenderjaar waarin die bijstelling plaatsvond daarbij inbegrepen. -### Artikel 191 +### Artikel 204 -De school voor openbaar en protestants-christelijk onderwijs in Earnewâld wordt niet voor een bij koninklijk besluit te bepalen datum opgeheven, tenzij deze school indien zij als nevenvestiging onderdeel zou vormen van een andere school wegens het niet voldoen aan een van de normen voor bekostiging van een nevenvestiging, genoemd in artikel 158, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs zou moeten worden opgeheven. Indien deze school op een bij koninklijk besluit te bepalen datum voldoet aan de criteria voor het voortbestaan als zelfstandige school, kan de bekostiging van deze school met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum worden voortgezet zolang na laatstgenoemde datum geen opheffing op grond van de artikelen 153 tot en met 160 van de Wet op het primair onderwijs behoeft plaats te vinden. +De school voor openbaar en protestants-christelijk onderwijs in Earnewâld wordt niet voor een bij koninklijk besluit te bepalen datum opgeheven, tenzij deze school indien zij als nevenvestiging onderdeel zou vormen van een andere school wegens het niet voldoen aan een van de normen voor bekostiging van een nevenvestiging, genoemd in artikel 146, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs zou moeten worden opgeheven. Indien deze school op een bij koninklijk besluit te bepalen datum voldoet aan de criteria voor het voortbestaan als zelfstandige school, kan de bekostiging van deze school met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum worden voortgezet zolang na laatstgenoemde datum geen opheffing op grond van de artikelen 139 tot en met 149 van de Wet op het primair onderwijs behoeft plaats te vinden. -### Artikel 192 +### Artikel 205 **1.** Besparingen voor het Rijk als gevolg van de vermindering van het aantal basisscholen door de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen en de wet van 15 december 1993, Stb. 716, worden, voor zover deze een extra bijdrage aan het Gemeentefonds, bedoeld in artikel 3 van de Financiële-verhoudingswet 1984, in verband met extra uitgaven op grond van artikel 45 van de Wet op het basisonderwijs als gevolg van die vermindering overstijgen, door het Rijk besteed ten behoeve van het basisonderwijs. @@ -4067,7 +3800,7 @@ per 1 augustus 1996 en daaropvolgende jaren 8356 basisscholen. **4.** Over de besteding van de besparingen vindt overleg plaats met de landelijke organisaties van schoolbesturen, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de landelijke organisaties van ouders en de landelijke organisaties van onderwijspersoneel -### Artikel 193 +### Artikel 206 **1.** Ten aanzien van de bijdrage die een gemeente in de ontslaguitkeringskosten dient te verstrekken bij of krachtens artikel 102 van de Wet op de onderwijsverzorging zoals die voorschriften luidden op 31 december 1997, blijven die voorschriften van kracht gedurende de periode waarover ontslaguitkeringen worden uitgekeerd. @@ -4078,21 +3811,17 @@ Een schoolbegeleidingsdienst dient aan Onze Minister op diens verzoek de kosten a. voor zover het betreft uitkeringen die zijn ontstaan voor 1 januari 1998: indien die kosten bij of krachtens de artikelen 90 en 102 van de Wet op de onderwijsverzorging zoals die voorschriften luidden op 31 december 1997, zouden worden ingehouden op de rijksvergoeding aan die schoolbegeleidingsdienst, en b. voor zover het betreft uitkeringen die zijn ontstaan na 31 december 1997: indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 114b van de Wet op het basisonderwijs, zoals die bepaling luidde ten tijde van deze uitkeringen, op een daartoe strekkend verzoek van het bestuur van de schoolbegeleidingsdienst, voorafgaand aan het ontslag niet heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden. -### Artikel 194 +### Artikel 207 **1.** Met betrekking tot de op 31 december 1997 door het Rijk nog niet vastgestelde of uitgekeerde bedragen, blijven van toepassing de bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften die betrekking hebben op de schoolbegeleidingsdiensten, bedoeld in Hoofdstuk II, Titel II, van die wet. **2.** Met betrekking tot de op 31 december 2001 door het Rijk nog niet vastgestelde of uitgekeerde bedragen, blijven van toepassing de bij of krachtens artikel V, Titel A, van de wet van 15 mei 1997, Stb. 252, gegeven voorschriften. -### Artikel 194a - -Vervallen - -### Artikel 194b +### Artikel 208 Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van de gemeente inzake bouwkundige aanpassingen die zijn genomen voor de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 7 mei 2014 houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES in verband met de overheveling van taak en budget voor aanpassingen in onderwijshuisvesting van gemeente naar school (Stb. 175) op grond van bepalingen bij of krachtens hoofdstuk I, titel IV, afdeling 3, van deze wet, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van artikel I van die wet, blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid. -### Artikel 194c +### Artikel 209 **1.** Aanvragen als bedoeld in artikel 94 van deze wet, voor zover betreft voorzieningen als bedoeld in artikel 92, eerste lid, onderdeel b, van deze wet zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 7 mei 2014 houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES in verband met de overheveling van taak en budget voor aanpassingen in onderwijshuisvesting van gemeente naar school (Stb. 175), die worden ingediend na de inwerkingtreding van artikel I van die wet, blijven buiten behandeling. @@ -4100,7 +3829,7 @@ Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de **3.** De programma’s huisvestingsvoorzieningen die op grond van artikel 95 van deze wet zijn vastgesteld voor de jaren voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 7 mei 2014 houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES in verband met de overheveling van taak en budget voor aanpassingen in onderwijshuisvesting van gemeente naar school (Stb. 175) worden volledig uitgevoerd. -### Artikel 194d +### Artikel 210 **1.** Een school voor bijzonder onderwijs die op of na 1 juni 2006 is samengevoegd met een school voor openbaar onderwijs dan wel een school voor openbaar onderwijs die op of na 1 juni 2006 is samengevoegd met een school voor bijzonder onderwijs kan voor bekostiging in aanmerking worden gebracht als samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 17d. @@ -4110,7 +3839,7 @@ Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de **4.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 augustus van het vijfde schooljaar na inwerkingtreding van de in het tweede lid genoemde wet. -### Artikel 194e +### Artikel 211 **1.** Na inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) vindt nog één maal vaststelling plaats van een plan van scholen conform titel IV, afdeling 2, zoals luidend direct voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van genoemde wet. @@ -4122,15 +3851,58 @@ Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de **5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere uitvoeringsvoorschriften worden gesteld. -### Artikel 194f +### Artikel 212 **1.** Op aanvragen die voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) zijn ingediend op grond van artikel 64b blijft artikel 64c zoals dat artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van die wet, van toepassing. **2.** Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 64a zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze gelden de dag voor deze wet in werking treedt. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid. +### Artikel 213 + +De Overgangswet WBO zoals die luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op aanspraken die op die datum op grond van artikel E 17 of E 18 van die wet bestonden. + +### Artikel 214 + +**1.** De bekostiging voor een school, berekend op grond van artikel 116, met uitzondering van het derde lid, onderdelen b en d, en artikel 121, wordt voor de eerste drie jaren na de inwerkingtreding van dit artikel per jaar vermeerderd met het bedrag, berekend volgens het tweede tot en met het vierde lid, als de uitkomst van die berekening positief is. Ingeval de uitkomst negatief is, wordt de bekostiging met het berekende bedrag verminderd. + +**2.** + +Het bedrag van de vermeerdering of vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt allereerst bepaald aan de hand van de formule (A – B) x C x T, waarbij: + +A = (D + H) / E x F gedeeld door het aantal leerlingen op 1 februari voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel; + +B = de bekostiging voor de school berekend op grond van artikel 116, met uitzondering van het derde lid, onderdelen b en d, en artikel 121 gedeeld door het aantal leerlingen op de teldatum van 1 februari voor het betreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 118; + +C = 75% in het eerste jaar, 50% in het tweede jaar en 25% in het derde jaar na inwerkingtreding van dit artikel; + +D = de bekostiging voor een school op basis van de telgegevens van 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel op grond van artikel 120, met uitzondering van het vierde lid, en de aanvullende bekostiging voor groei van het aantal leerlingen van basisscholen gedurende het schooljaar, zoals bedoeld in het derde lid, artikel 129 en artikel 134 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, zoals deze luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop dit artikel in werking zijn getreden, en de daarop gebaseerde bedragen; + +E = de bekostiging voor een school op grond van de telgegevens van 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel op grond van artikel 116, met uitzondering van het derde lid, onderdelen b en d, en artikel 121 en op grond van de bedragen zoals die zouden zijn bij een teldatum van 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel en de daarop gebaseerde lagere regelgeving; + +F = de bekostiging voor een school op grond van artikel 116, met uitzondering van het derde lid, onderdelen b en d, en artikel 121 en op grond van de telgegevens op 1 februari voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel; + +H = het bedrag bedoeld in artikel 115, eerste lid, plus het bedrag bedoeld in artikel 120, vierde lid, zoals deze luidden op de dag direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de artikelen 116 en 121 in werking zijn getreden, vermenigvuldigd met het aantal leerlingen van de speciale school voor basisonderwijs op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel; + +T = het aantal leerlingen op de teldatum van 1 februari voor het betreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 118. + +**3.** Indien de uitkomst van de berekening, zoals bepaald in het tweede lid, positief is, wordt de vermeerdering zodanig vastgesteld dat de uitkomst van de formule [(B x T) + vermeerdering bedoeld in het tweede lid – (A x T)] / (A x T), in de eerste drie jaren na inwerkingtreding van dit artikel achtereenvolgens niet minder is dan -1%, -2% en -3%, waarbij A, B en T zijn vastgesteld volgens het tweede lid. + +**4.** Indien de uitkomst van de berekening, zoals bepaald in het tweede lid, negatief is, wordt de vermindering zodanig vastgesteld dat de uitkomst van de formule [(B x T) + vermindering bedoeld in het tweede lid – (A x T)] / (A x T), in de eerste drie jaren na inwerkingtreding achtereenvolgens niet meer is dan 1%, 2% en 3%, waarbij A, B en T zijn vastgesteld volgens het tweede lid. + +**5.** Indien de som van de bekostiging voor de scholen van het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, minus de uitkomst van de formule A x T, bedoeld in het tweede lid, in het vierde jaar na de inwerkingtreding van dit artikel gedeeld door de uitkomst van de formule A x T in de eerste drie jaren na de inwerkingtreding van dit artikel, voor die scholen minder is dan -3% en daardoor aantoonbare financiële problemen ontstaan, kan het bevoegd gezag in het vierde jaar na inwerkingtreding aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 120, aanvragen. + +**6.** Bij de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, is artikel 116, zesde tot met tiende lid, van overeenkomstige toepassing. + +**7.** + +Dit artikel is niet van toepassing op het bevoegd gezag van een school: + +a. indien de school in het schooljaar dat eindigt in het jaar waarin dit artikel in werking is getreden op grond van de destijds geldende regelgeving niet voor bekostiging in aanmerking kwam en; +b. vanaf het kalenderjaar dat er voor de school gedurende de eerste drie jaren na de inwerkingtreding van dit artikel sprake is van een samenvoeging met een andere school als bedoeld in artikel 117. + ## Hoofdstuk V. Slotbepalingen -### Artikel 195 +### Artikel 215 Deze wet wordt aangehaald als «Wet op het primair onderwijs».