From ef764e4c795acc826a7dd630472a100cbe102bc8 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 11 Jul 2008 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2008-07-11 | BWBR0002515 | Wet op de dividendbelasting 1965 --- wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md | 6 +++--- 1 file changed, 3 insertions(+), 3 deletions(-) diff --git a/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md b/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md index 7a239b9755f..d1b80116a5a 100644 --- a/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md +++ b/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md @@ -92,7 +92,7 @@ b. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige deel uitmaken van dezelfde Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, indien de opbrengstgerechtigde een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd lichaam is en aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige hebben één van de in de bijlage bij de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (*PbEG* L 225), opgenomen, of een bij ministeriële regeling aangewezen rechtsvorm; -2°. de opbrengstgerechtigde is op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld voor ten minste 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de inhoudingsplichtige of heeft op dat tijdstip een belang in de inhoudingsplichtige waarop artikel 13, vijfde of veertiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, van toepassing zou zijn zo hij in Nederland zou zijn gevestigd; +2°. de opbrengstgerechtigde heeft op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld, een belang in de inhoudingsplichtige waarop de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing zou zijn zo hij in Nederland zou zijn gevestigd; 3°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige zijn in de lidstaat van vestiging zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van die richtlijn; 4°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige worden in de lidstaat van vestiging niet geacht volgens een met een derde Staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten van de Europese Unie te zijn gevestigd; @@ -104,7 +104,7 @@ tenzij op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opg **5.** Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van de opbrengsten van aandelen in, winstbewijzen ten laste van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verstrekt aan aangewezen kredietinstellingen en beleggingsinstellingen als bedoeld in de artikelen 5.14, 5.15 en 5.18a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 dan wel participatiemaatschappijen als bedoeld in artikel 5.18 van de Wet Inkomstenbelasting 2001. -**6.** Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 of als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001. +**6.** Bij een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 mag inhouding van de belasting achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 3.116a, derde lid, of artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001. **7.** @@ -223,7 +223,7 @@ Ingeval de in de tweede volzin bedoelde beleggingsinstelling een belang houdt in **2.** Aan een in Nederland gevestigde lichaam als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, en aan een niet in Nederland gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van de in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze belasting is ingehouden op opbrengsten van aandelen, winstbewijzen of geldleningen, die voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van de opbrengstgerechtigde en die aandelen, winstbewijzen of geldleningen wel deel uitmaken van het vermogen van een in Nederland gedreven onderneming, indien deze belasting meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe het lichaam niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn. -**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en die, ware hij in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot rechtspersonen die een vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. +**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd lichaam dat aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot lichamen die een vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. ### Artikel 11