2022-01-01 | BWBR0026494 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in de Nederlandse Antillen
This commit is contained in:
parent
3c6fcb2334
commit
ef7ad24309
1 changed files with 87 additions and 52 deletions
|
|
@ -4,7 +4,7 @@ titel: Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 20
|
|||
bwb_id: BWBR0026494
|
||||
type: circulaire
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2017-03-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2021-12-08'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0026494
|
||||
citeertitel: Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap
|
||||
2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten
|
||||
|
|
@ -12,6 +12,8 @@ citeertitel: Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlandersc
|
|||
|
||||
# Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten
|
||||
|
||||
## . Algemeen
|
||||
|
||||
## 1
|
||||
|
||||
Geen.
|
||||
|
|
@ -44,6 +46,18 @@ De geboortedatum van een optant of verzoeker om naturalisatie dient in eerste in
|
|||
|
||||
Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de PIVA leidend is. Dit betekent dat indien in de PIVA alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.
|
||||
|
||||
### 1-1-c. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder moeder: de vrouw tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.**
|
||||
|
||||
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW/BW-CM). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’. Dit valt ook op te maken uit de parlementaire stukken van de Wet conflictenrecht adoptie [28 457, nr. 3, p. 12], die later is opgenomen in Boek 10 BW.
|
||||
|
||||
### 1-1-d. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.**
|
||||
|
||||
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c RWN.
|
||||
|
||||
### 1-1-e. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vreemdeling: hij die de Nederlandse nationaliteit niet bezit.**
|
||||
|
|
@ -843,7 +857,7 @@ Geen.
|
|||
|
||||
Per 1 april 2003 zijn in het toenmalige artikel 5 RWN de woorden ‘de adoptief-vader of adoptief-moeder’ gewijzigd in: ‘ten minste één der adoptiefouders’, zulks in verband met de mogelijkheid van adoptie door personen van hetzelfde geslacht. Verder zijn op die datum de termijnen in het toenmalige eerste en derde lid van artikel 5 RWN aangepast aan de per 1 januari 2002 gewijzigde termijnen voor beroep en cassatie in verzoekschriftprocedures (zie artikel 358 respectievelijk artikel 426 WBRv).
|
||||
|
||||
Op 1 januari 2004 is artikel 5 RWN vervangen door de artikelen 5, 5a, 5b en 5c RWN (zie Stb. 2003, 284). Vernummering van artikel 5 RWN, zoals dat artikel gold vanaf 1 oktober 1998 (Stb. 1998, 303), werd nodig geacht in verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283).
|
||||
Op 1 januari 2004 is artikel 5 RWN vervangen door de artikelen 5, 5a, 5b en 5c RWN (zie Stb. 2003, 284). Vernummering van artikel 5 RWN, zoals dat artikel gold vanaf 1 oktober 1998 (Stb. 1998, 303), werd nodig geacht in verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283).
|
||||
|
||||
Omstreeks 1997 is geoordeeld dat ook sprake is van verwerving van het Nederlanderschap door de minderjarige, indien door een Nederlandse rechter een verklaring voor recht werd afgegeven, inhoudende dat een buiten het Koninkrijk totstandgekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft, én ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was op het moment van de verklaring voor recht. Dit standpunt is met ingang van 1 oktober 1998 verlaten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -851,23 +865,25 @@ Voor buitenlandse adopties van vóór 1 oktober 1998 geldt het volgende.
|
|||
|
||||
Op grond van artikel 5 RWN, zoals dit artikel luidde tot 1 oktober 1998, heeft ook het Nederlanderschap verkregen de minderjarige vreemdeling ten aanzien van wie (cumulatief):
|
||||
|
||||
– vóór 1 oktober 1998; én
|
||||
– een verklaring voor recht door een Nederlandse rechter is gegeven
|
||||
– inhoudende dat de buiten het Koninkrijk tot stand gekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft; én
|
||||
– waarbij op het moment van de afgifte van de verklaring voor recht ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was.
|
||||
− vóór 1 oktober 1998; én
|
||||
− een verklaring voor recht door een Nederlandse rechter is gegeven
|
||||
− inhoudende dat de buiten het Koninkrijk tot stand gekomen adoptie rechtswerking binnen het Nederlandse recht heeft; én
|
||||
− waarbij op het moment van de afgifte van de verklaring voor recht ten minste één van de adoptiefouders Nederlander was.
|
||||
|
||||
Per 1 april 2003 is de wijze van vaststelling van de dag, waarop het Nederlanderschap door adoptie verkregen wordt, anders geformuleerd. Vóór 1 april 2003 was bepaald, dat het Nederlanderschap verkregen werd op de dag dat de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde had gekregen. De huidige, daarvan afwijkende, formulering houdt verband met het feit dat, sinds het procesrecht in zaken van personen- en familierecht op 1 april 1995 gewijzigd is, een adoptiebeschikking strikt genomen niet meer in kracht van gewijsde gaat, aangezien er altijd een kleine kans bestaat dat een onbekende belanghebbende alsnog hoger beroep instelt.
|
||||
|
||||
Het in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten bij rechterlijke uitspraak geadopteerde kind van vreemde nationaliteit verkrijgt het Nederlanderschap indien het op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig is en tenminste één van de adoptiefouders Nederlander is:
|
||||
|
||||
– op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg, of
|
||||
– indien hoger beroep is ingesteld: op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, of
|
||||
– indien beroep in cassatie is ingesteld: op de dag van de uitspraak in cassatie.
|
||||
− op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg, of
|
||||
− indien hoger beroep is ingesteld: op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, of
|
||||
− indien beroep in cassatie is ingesteld: op de dag van de uitspraak in cassatie.
|
||||
|
||||
Afhankelijk van de omstandigheden verkrijgt het kind het Nederlanderschap op één van de dagen, genoemd achter de bovenstaande aandachtstekens. Dit is de datum waarop de rechterlijke uitspraak in het algemeen niet meer open staat voor beroep.
|
||||
|
||||
Zou na het tijdstip van verkrijging van het Nederlanderschap alsnog tegen de adoptiebeschikking met succes beroep of beroep in cassatie worden ingesteld (door een destijds onbekende belanghebbende), dan gaat, mits het kind dan nog minderjarig is, in principe het verkregen Nederlanderschap verloren op grond van artikel 14, zesde (tot 1 maart 2017 tweede lid), RWN (zie voor verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend, de toelichting bij artikel 14, zesde lid).
|
||||
|
||||
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
|
||||
|
||||
## 5a
|
||||
|
||||
RWN: artikel 14.2
|
||||
|
|
@ -901,6 +917,10 @@ In de praktijk worden buitenlandse adopties niet erkend door de Nederlands-Antil
|
|||
|
||||
In Europees Nederland kan dezelfde buitenlandse adoptie wellicht onmiddellijk van rechtswege worden erkend, als wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 6 of 7 Wet conflictenrecht adoptie (Wcad), die niet van toepassing is in Curaçao en Sint Maarten. Op 1 januari 2012 is de Wcad vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL van toepassing. Alsdan verkrijgt het kind van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5b RWN. De RWN is een rijkswet, wat inhoudt dat het geadopteerde kind ook in Curaçao en Sint Maarten als Nederlander moet worden beschouwd. De tot 1 januari 2012 geldende (Europees Nederlandse) Wet conflictenrecht adoptie is echter geen rijkswet. De afstamming of familierechtelijke betrekking van het kind met de adoptieouder(s) wordt daarom niet zonder meer erkend in Curaçao en Sint Maarten want de Nederlands-Antilliaanse rechter moet zich eerst uitspreken over de afstamming. Met andere woorden: het geadopteerde kind wordt in Curaçao en Sint Maarten niet van rechtswege beschouwd als kind van Nederlandse ouders maar ontleent alvast wel aan hen het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW/BWNA). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’. Dit valt ook op te maken uit de parlementaire stukken van de Wet conflictenrecht adoptie [28 457, nr. 3, p. 12], die later is opgenomen in Boek 10 BW.
|
||||
|
||||
Als een adoptie de oorspronkelijk bestaande juridische afstammingsband volledig verbreekt en in de plaats daarvan een nieuwe juridische afstammingsband vestigt met de adoptiefouder dan wordt dat een sterke adoptie genoemd. Gebeurt dat niet, dan wordt de adoptie een zwakke adoptie genoemd.
|
||||
|
||||
1. Op 1 januari 2004 is artikel 5b RWN in de wet ingevoegd (Stb. 2003, 284 en 456). Dit hield verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283), die op 1 januari 2012 is vervallen en niet van toepassing is in Curaçao en Sint Maarten. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL van toepassing. Artikel 5b RWN bepaalt de gevolgen die artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL meebrengt voor zover het betreft de erkenning van een buitenlandse niet-verdragsadoptie en de verkrijging van het Nederlanderschap door de geadopteerde minderjarige.
|
||||
2. *Verhouding met Haags adoptieverdrag 1993*
|
||||
|
||||
|
|
@ -916,14 +936,14 @@ Artikel 10:103 BW-NL tot en met artikel 10:112 BW-NL kent twee wijzen waarop een
|
|||
|
||||
Erkende ‘zwakke’ adopties kunnen via de rechter worden omgezet. De omzetting is nodig voor de verkrijging van het Nederlanderschap. De artikelen 10:107 BW-NL tot en met 10:111 BW-NL zijn als bijlage opgenomen bij dit artikel.
|
||||
|
||||
*Te onderscheiden zijn:*
|
||||
Te onderscheiden zijn:
|
||||
|
||||
4.1 *Artikel 10:108 BW-NL (eerder artikel 6 Wcad): van rechtswege erkenning binnen de Nederlandse rechtsorde.*
|
||||
|
||||
Er is sprake van automatische werking binnen de Nederlandse rechtsorde van de buitenlandse adoptie als wordt voldaan aan de eisen gesteld in artikel 10:108 BW-NL.
|
||||
|
||||
Bij artikel 10:108 BW-NL geldt dat het moet gaan om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) buiten Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor uitleg hoe deze van rechtswege erkenning in de praktijk moet worden beoordeeld, zie hieronder bij 5.3.
|
||||
4.2 *Artikel 10:109 BW-NL (eerder artikel 7 Wcad): de erkenning door de Nederlandse rechter volgens de procedure van boek 1:26 BW-NL.*
|
||||
4.2 * Artikel 10:109 BW-NL (eerder artikel 7 Wcad): de erkenning door de Nederlandse rechter volgens de procedure van boek 1:26 BW-NL.*
|
||||
|
||||
Bij artikel 10:109 BW-NL geldt dat het altijd gaat om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) in Europees Nederland.
|
||||
|
||||
|
|
@ -934,7 +954,7 @@ Er is een procedure in Europees Nederland nodig om de buitenlandse adoptie te er
|
|||
*Bewijsstuk erkenning: de rechterlijke verklaring*
|
||||
|
||||
Alsdan beschikt betrokkene over een van een Nederlandse rechter afkomstige verklaring inhoudende een last tot toevoeging van een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke stand. Inschrijving van de adoptie in de registers van de burgerlijke stand is pas mogelijk nadat de verklaring ex artikel 1:26 BW-NL is verkregen.
|
||||
4.3 *Artikel 10:111 BW-NL (eerder artikel 9 Wcad): de omzetting door de rechter van een erkende buitenlandse adoptie naar Europees Nederlands recht*
|
||||
4.3 * Artikel 10:111 BW-NL (eerder artikel 9 Wcad): de omzetting door de rechter van een erkende buitenlandse adoptie naar Europees Nederlands recht*
|
||||
|
||||
De mogelijkheid bestaat dat een adoptie die van rechtswege (artikel 10:108 BW-NL) dan wel door middel van een verklaring voor recht op grond van artikel 1:26 BW-NL (artikel 10:109 BW-NL) binnen de Nederlandse rechtsorde is erkend niet tot rechtsgevolg heeft (gehad, naar vreemd recht) dat de bestaande familierechtelijke betrekkingen tussen het adoptiefkind en de oorspronkelijke ouder(s) verbroken zijn. Dit wordt een ‘zwakke adoptie’ genoemd. De erkenning in Europees Nederland (op grond van artikel 10:108 BW-NL dan wel artikel 10:109 BW-NL) wijzigt niets in de omstandigheid dat het een ‘zwakke adoptie’ is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -963,9 +983,14 @@ Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad), die niet van toepas
|
|||
|
||||
In Curaçao en Sint Maarten kunnen verklaringen van recht worden afgegeven.
|
||||
|
||||
Kern van artikel 5b, eerste lid (en onder b) RWN is dat de buitenlandse adoptie leidde tot verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen. Dit wordt een ‘sterke adoptie’ genoemd. Of sprake is (geweest) van een ‘sterke adoptie’ volgt uit het van toepassing zijnde vreemde familierecht. Is dit niet het geval geweest: lees verder bij artikel 5b, tweede lid RWN.
|
||||
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
|
||||
|
||||
5.1 Kern artikel 5b, eerste lid RWN: ‘sterke adoptie’
|
||||
|
||||
Kern van artikel 5b, eerste lid (en onder b) RWN is dat de buitenlandse adoptie leidde tot verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen. Dit wordt een ‘sterke adoptie’ genoemd. Of sprake is (geweest) van een ‘sterke adoptie’ volgt uit het van toepassing zijnde vreemde familierecht. Is dit niet het geval geweest: lees verder bij artikel 5b, tweede lid RWN. Landeninformatie uit 2019 over buitenlandse adopties is te vinden in de overzichtslijst Simple and full adoption van het International Reference Centre fort he Rights of Children Deprived of their Family, International Social Service (ISS/IRC); www.iss-ssi.org.
|
||||
|
||||
Het moet niet alleen gaan om een ‘sterke adoptie’. De adoptie moet ook in aanmerking komen voor erkenning in Europees Nederland, op grond van hetzij artikel 10:108 BW-NL of artikel 10:109 BW-NL. Onderscheiden naar artikel 10:108 BW-NL en artikel 10:109 BW-NL volgen hieronder twee overzichten met de voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap. Voor de voorwaarden van artikel 10:108 BW-NL: zie onder 5.2, en zie voor de voorwaarden van artikel 10:109 BW-NL onder 5.4.
|
||||
5.2 *Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap als artikel 10:108 BW-NL in het spel is, zijn:*
|
||||
|
||||
• er is een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag);
|
||||
• door deze adoptie is de familierechtelijke band tussen het kind en de oorspronkelijke ouder(s) verbroken;
|
||||
|
|
@ -976,6 +1001,9 @@ Het moet niet alleen gaan om een ‘sterke adoptie’. De adoptie moet ook in aa
|
|||
Nogmaals: bij artikel 10:108 BW-NL geldt dat het moet gaan om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) buiten Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
|
||||
Het kind wordt Nederlander op de dag dat de buitenlandse adoptie niet langer (naar het recht van het adoptieland) vatbaar is voor aantasting door middel van het instellen van een rechtsmiddel tegen de adoptie.
|
||||
5.3 *Uitleg beoordeling erkenning van rechtswege van buitenlandse adoptie ex artikel 10:108 BW-NL.*
|
||||
|
||||
Criteria beoordeling
|
||||
|
||||
De erkenningsvraag in geval van artikel 10:108 BW-NL zal doorgaans worden beantwoord door de ambtenaar van de burgerlijke stand, door de ambtenaar van de basisregistratie personen (BRP) of door de consulaire ambtenaar bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland. Wordt die vraag positief beantwoord dan is inschrijving van de desbetreffende registers mogelijk zonder dat een gerechtelijke erkennings- of exequaturprocedure nodig is. Wordt de inschrijving geweigerd, dan kan verzoeker zich tot de rechter wenden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -983,13 +1011,17 @@ Leidraad bij de erkenning op grond van artikel 10:108 BW-NL is het afschrift van
|
|||
|
||||
Ook moet met (als nodig: gelegaliseerde) bescheiden de gewone verblijfplaats van betrokkenen te worden aangetoond zowel op het moment van indiening van het adoptieverzoek als het moment van totstandkoming van de adoptie.
|
||||
|
||||
Tenzij er aanwijzingen zijn voor fraude, zal de ambtenaar zich, behalve genoemde bescheiden, geen andere bescheiden van andere buitenlandse bij de adoptie betrokken instanties behoeven te laten overleggen (nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, 28 457, 2002–2003, nr. 6, pp. 7 en 8.).
|
||||
Tenzij er aanwijzingen zijn voor fraude, zal de ambtenaar zich, behalve genoemde bescheiden, geen andere bescheiden van andere buitenlandse bij de adoptie betrokken instanties behoeven te laten overleggen (nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, 28 457, 2002-2003, nr. 6, pp. 7 en 8.).
|
||||
|
||||
Situaties artikel 10:108 BW-NL
|
||||
|
||||
Als vermeld: bij de toepassing van artikel 10:108 BW-NL gaat het altijd om adoptiefouder(s) die, op het moment van de adoptie, gewone verblijfplaats heeft (hebben) (gehad) buiten Europees Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Onderstaand volgen twee overzichten met de voorwaarden voor de erkenning van rechtswege, onderscheiden naar gewone verblijfplaats van adoptiefouder(s) én adoptiefkind:
|
||||
|
||||
• op het moment van de indiening van het adoptieverzoek alsook,
|
||||
• op het moment van de totstandkoming van de buitenlandse adoptie-uitspraak.
|
||||
|
||||
Overzicht situatie 1: alle betrokkenen woonachtig in het land waar de adoptie plaatsvond
|
||||
|
||||
Erkenning van rechtswege van een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag) geschiedt in het geval dat adoptiefouders én adoptiefkind hun gewone verblijfplaats hebben (gehad) in het land waar de adoptie plaatsvond als de adoptie is uitgesproken door de tot adoptie-uitspraken bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
Het moet altijd gaan om een in het desbetreffende buitenland tot het uitspreken van adopties bevoegde instantie.
|
||||
|
|
@ -1002,6 +1034,8 @@ Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats al
|
|||
• aan de adoptie-uitspraak kennelijk geen behoorlijke rechtspleging ten grondslag ligt; of
|
||||
• de erkenning van de adoptie kennelijk in strijd met de openbare orde zou zijn. Dit is in elk geval zo als de adoptie een kennelijke schijnhandeling betreft.
|
||||
|
||||
Overzicht situatie 2: adoptiefouders wonen in het ene vreemde land, het kind in het andere vreemde land
|
||||
|
||||
Voorwaarden voor erkenning van rechtswege van een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag) als de adoptie is uitgesproken in het land waar òf de adoptiefouder(s) zijn/hun gewone verblijfplaats heeft/hebben (gehad), òf het kind zijn gewone verblijfplaats heeft (gehad), zijn:
|
||||
|
||||
• de adoptie is in den vreemde uitgesproken door de tot adoptie-uitspraken bevoegde autoriteit. Het moet altijd gaan om een in het desbetreffende buitenland tot het uitspreken van adopties bevoegde instantie;
|
||||
|
|
@ -1015,6 +1049,7 @@ Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats al
|
|||
• de adoptie die in de staat van herkomst van het kind is uitgesproken, niet erkend is in de staat waarin de adoptiefouder(s) zowel op het moment van het adoptieverzoek als op het moment van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden; of
|
||||
• de adoptie die in de staat van de gewone verblijfplaats van de adoptiefouder(s) is uitgesproken, niet is erkend in de staat waar het kind zowel op het moment van het adoptieverzoek als op het moment van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had; of
|
||||
• de erkenning van de adoptie kennelijk in strijd met de openbare orde zou zijn. Dit is in elk geval zo als de adoptie een kennelijke schijnhandeling betreft.
|
||||
5.4 Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap als artikel 10:109 BW-NL in het spel is, zijn:
|
||||
|
||||
• er is een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag);
|
||||
• door deze adoptie is de familierechtelijke band tussen het kind en de oorspronkelijke ouder(s) verbroken;
|
||||
|
|
@ -1026,6 +1061,12 @@ Nogmaals: bij artikel 10:109 BW-NL geldt dat het altijd gaat om adoptiefouder(s)
|
|||
|
||||
Het kind verkrijgt het Nederlanderschap met ingang van de datum waarop de Nederlandse rechter een verklaring op grond van artikel 1:26 BW-NL heeft afgegeven. Deze verklaring is een constitutief vereiste voor de erkenning van de buitenlandse adoptie.
|
||||
|
||||
*Voorbeeld*
|
||||
|
||||
Mevrouw A heeft de Nederlandse nationaliteit en vestigt zich in 2012 in Malawi. In 2015 adopteert A volgens Malawisch recht kind B, geboren in Malawi in 2012. Malawi is in 2015 geen partij bij het Haags adoptieverdrag. Dit betekent dat artikel 5a RWN niet op deze adoptie van toepassing is, maar artikel 5b RWN. Uit de overgelegde stukken blijkt dat aan de adoptiebeslissing een behoorlijk onderzoek en een behoorlijke rechtspleging vooraf is gegaan. Ook blijkt dat de adoptie de namen van de minderjarige heeft gewijzigd (het kind heeft de geslachtsnaam van de adoptiefouder gekregen), dat de minderjarige een nieuwe geboorteakte heeft gekregen (daarop staat de adoptiefmoeder vermeld als moeder) en dat de adoptie is geregistreerd in het adoptieregister van Malawi. Er blijkt echter ook dat een adoptie naar Malawisch recht niet de erfrechtelijke band tussen het geadopteerde kind en zijn geboorte-ouder(s) verbreekt. De band blijft in tact voor zover die op het moment van de adoptie bestaat. Wel ontstaat er naar Malawisch recht een erfrechtelijke band met de adoptiefouders.
|
||||
|
||||
Omdat onder ‘familierechtelijke betrekkingen’ in artikel 5a RWN en 5b RWN moet worden verstaan: de ‘juridische afstammingsrelatie met de ouder’, en niet meer dan dat, is de conclusie dat hier sprake is van een sterke adoptie en van toepasbaarheid van artikel 5b, eerste lid RWN. Dit betekent dat het kind in dit geval de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Dit voorbeeld is tot stand gekomen aan de hand van een uitspraak van de Rechtbank Den Haag, van 22 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:14082).
|
||||
|
||||
### 5b-2. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel 111 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands recht, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:**
|
||||
|
|
@ -2336,15 +2377,7 @@ In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is va
|
|||
|
||||
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks dat één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
|
||||
|
||||
Op grond van het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 11 december 2013 is vanwege de bestaande politieke situatie in Syrië besloten dat bij het afleggen van een optieverklaring tot 1 april 2015 een in Syrië geboren vreemdeling niet een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeft te overleggen.
|
||||
|
||||
Het ambtsbericht Syrië geeft aan dat civiele registers vernietigd zijn dan wel niet meer volledig functioneren. Deze vrijstelling is verlengd tot 1 oktober 2018.
|
||||
|
||||
Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte/uittreksel van de geboorteakte overleggen, dan wordt deze opgenomen in het optiedossier.
|
||||
|
||||
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij brief de Tweede Kamer geïnformeerd (TK 2014-2015, 19 637 nr. 1928 d.d. 21 november 2014) dat Syriërs tijdelijk geen geldig Syrisch paspoort hoeven te overleggen. Een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Het is dus in veel gevallen op dit moment niet mogelijk voor Syrische onderdanen om aan het paspoortvereiste te voldoen. Ook deze vrijstelling is verlengd tot 1 oktober 2018.
|
||||
|
||||
Dit betekent dat tot 1 oktober 2018 optieverklaringen kunnen worden afgelegd zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens als op de optieverklaring na 1 oktober 2018 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek.
|
||||
Tot 1 augustus 2023 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2021 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een te instabiele situatie, waardoor het verkrijgen van documenten niet gevergd kan worden.
|
||||
|
||||
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zij in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2362,21 +2395,21 @@ Deze verklaring op zich is niet voldoende om bewijsnood aan te tonen. Het zou im
|
|||
|
||||
##### 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
|
||||
|
||||
###### 2.3.1. Bevoegdheid gezaghebber
|
||||
###### 2.3.1. Bevoegdheid Gouverneur
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 13, eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de Gouverneur uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
|
||||
Ingevolge artikel 19, eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de Gouverneur uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
|
||||
|
||||
Dit betreft de hoofdregel: optieverklaringen dienen te worden afgelegd bij de Gouverneur van het eilandgebied waar de optant als ingezetene is ingeschreven in de PIVA. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in dat eilandgebied hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de Gouverneur van het eilandgebied van inschrijving van de minderjarige bevoegd. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger in de PIVA van een ander eilandgebied is ingeschreven.
|
||||
Dit betreft de hoofdregel: optieverklaringen dienen te worden afgelegd bij de Gouverneur van het Land waar de optant als ingezetene is ingeschreven in de PIVA. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in dat Land hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de autoriteit bevoegd behorende bij de plaats van inschrijving van de minderjarige. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger ergens anders is ingeschreven.
|
||||
|
||||
Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet in de PIVA van een eilandgebied zijn ingeschreven, maar wel hun hoofdverblijf hebben in dat eilandgebied. Zij kunnen de optieverklaring afleggen bij de Gouverneur van hun hoofdverblijf (artikel 13, tweede lid, BVVN). Dit betreft dan in het bijzonder personen die lid zijn van diplomatieke zendingen of consulaire posten of tot het administratieve of technische personeel behoren, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de PIVA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Al deze vreemdelingen dienen hun optieverklaring af te leggen bij de Gouverneur van de plaats van hun hoofdverblijf. Overigens zal de eis van toelating die voor de meeste opties geldt, meestal in de weg staan aan de bevestiging van een optieverklaring afgelegd door een persoon als bedoeld in artikel 7, tweede lid, BVVN. Een bevestiging is wel mogelijk bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008).2RRWN van 27 juni 2008, stb. 270. Zie voor de inhoud van deze optieregeling ook de toelichting op artikel 6, eerste lid onder c, RWN, sub 6.
|
||||
Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet in de PIVA van een Land zijn ingeschreven, maar wel hun hoofdverblijf hebben in dat Land. Zij kunnen de optieverklaring afleggen bij de Gouverneur van hun hoofdverblijf (artikel 19, tweede lid, BVVN). Dit betreft dan in het bijzonder personen die lid zijn van diplomatieke zendingen of consulaire posten of tot het administratieve of technische personeel behoren, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de PIVA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Al deze vreemdelingen dienen hun optieverklaring af te leggen bij de Gouverneur van de plaats van hun hoofdverblijf. Overigens zal de eis van toelating die voor de meeste opties geldt, meestal in de weg staan aan de bevestiging van een optieverklaring afgelegd door een persoon als bedoeld in artikel 19, tweede lid, BVVN. Een bevestiging is wel mogelijk bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008).1RRWN van 27 juni 2008, stb. 270. Zie voor de inhoud van deze optieregeling ook de toelichting op artikel 6, eerste lid onder c, RWN, sub 6.
|
||||
|
||||
Deze personen zijn zogenaamde passanten. Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat het aantal passanten beperkt is en voor de meeste opties als voorwaarde geldt dat de optant (al geruime tijd) zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, zal niet vaak sprake zijn van een situatie als hier bedoeld. De situatie kan zich voordoen bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN enartikel II RRWN (2008). De Gouverneur van het eilandgebied waar een passant verblijf heeft neemt de optieverklaring van de passant in ontvangst (artikel 13, derde lid, BVVN).
|
||||
Deze personen zijn zogenaamde passanten. Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat het aantal passanten beperkt is en voor de meeste opties als voorwaarde geldt dat de optant (al geruime tijd) zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, zal niet vaak sprake zijn van een situatie als hier bedoeld. De situatie kan zich voordoen bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008). De Gouverneur van het Land waar een passant verblijf heeft neemt de optieverklaring van de passant in ontvangst (artikel 19, derde lid, BVVN).
|
||||
|
||||
Optieverklaringen van andere personen dan hierboven genoemd, worden niet door de Gouverneur in ontvangst genomen (artikel 13, vijfde lid, BVVN). Zo mogelijk deelt de Gouverneur aan de optant mee bij welk eilandgebied of diplomatieke post in het buitenland de verklaring wel in persoon kan worden afgelegd.
|
||||
Optieverklaringen van andere personen dan hierboven genoemd, worden niet door de Gouverneur in ontvangst genomen (artikel 19, vijfde lid, BVVN). Zo mogelijk deelt de Gouverneur aan de optant mee bij welk Land of diplomatieke post in het buitenland de verklaring wel in persoon kan worden afgelegd.
|
||||
|
||||
###### 2.3.2. Ontvangstbevestiging
|
||||
|
||||
Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 13, zesde lid, BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 13, vierde lid, BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de inontvangstneming van de optieverklaring te worden beslist of de optieverklaring al dan niet wordt bevestigd. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd (artikel 6, vijfde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de Gouverneur door tussenkomst van de Minister van Algemene Zaken aan de Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt om verificatie van gegevens in het buitenland. Als de Gouverneur verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit schriftelijk aan de optant mee. De Gouverneur is niet verplicht om de reden van de verlenging te vermelden.
|
||||
Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 19, zesde lid, BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 19, vierde lid, BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de in ontvangstneming van de optieverklaring te worden beslist of de optieverklaring al dan niet wordt bevestigd. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd (artikel 6, vijfde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de Gouverneur door tussenkomst van de Minister van Algemene Zaken aan de Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt om verificatie van gegevens in het buitenland. Als de Gouverneur verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit schriftelijk aan de optant mee. De Gouverneur is niet verplicht om de reden van de verlenging te vermelden.
|
||||
|
||||
###### 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
|
||||
|
||||
|
|
@ -3387,11 +3420,9 @@ In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is va
|
|||
|
||||
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks dat één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
|
||||
|
||||
Op grond van het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 11 december 2013 is vanwege de bestaande politieke situatie in Syrië besloten dat in de naturalisatieprocedure tot 1 april 2015 een in Syrië geboren vreemdeling niet een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeft te overleggen. Het ambtsbericht Syrië geeft aan dat civiele registers vernietigd zijn dan wel niet meer volledig functioneren. Deze vrijstelling is verlengd tot 1 oktober 2018. Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte/uittreksel van de geboorteakte overleggen, dan wordt deze opgenomen in het naturalisatiedossier.
|
||||
Tot 1 augustus 2023 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2021 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een te instabiele situatie, waardoor het verkrijgen van documenten niet gevergd kan worden.
|
||||
|
||||
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij brief de Tweede Kamer geïnformeerd (TK 2014-2015, 19 637 nr. 1928 d.d. 21 november 2014) dat Syriërs tijdelijk geen geldig Syrisch paspoort hoeven te overleggen. Een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Het is dus in veel gevallen op dit moment niet mogelijk voor Syrische onderdanen om aan het paspoortvereiste te voldoen. Ook deze vrijstelling is verlengd tot 1 oktober 2018.
|
||||
|
||||
Dit betekent dat tot 1 oktober 2018 naturalisatieverzoeken kunnen worden gedaan zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens in het geval dat op het naturalisatieverzoek na 1 oktober 2018 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek.
|
||||
Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte hebben, dan wordt deze door de bevoegde autoriteiten, na de gebruikelijke controle en akkoordbevinding, geregistreerd in de desbetreffende bevolkingsbasisregistratie.
|
||||
|
||||
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -6191,7 +6222,9 @@ Deze bepaling is opgenomen om aan te geven dat er geen reden is het kind (het zo
|
|||
|
||||
**Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.**
|
||||
|
||||
Uit dit artikellid volgt dat de man of vrouw die een kind heeft geadopteerd ook voor dat kind op dezelfde wijze als voor een eigen kind kan verzoeken om medeverlening64 Met ‘eigen kind’ wordt hier bedoeld het kind van de moeder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, RWN en het kind van de vader als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.. De adoptie moet dan wel in overeenstemming met de regels van internationaal privaatrecht tot stand zijn gekomen en de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen moeten zijn verbroken.
|
||||
Uit dit artikellid volgt dat de man of vrouw die een kind heeft geadopteerd ook voor dat kind op dezelfde wijze als voor een eigen kind kan verzoeken om medeverlening 2) Met ‘eigen kind’ wordt hier bedoeld het kind van de moeder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, RWN en het kind van de vader als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.. De adoptie moet dan wel in overeenstemming met de regels van internationaal privaatrecht tot stand zijn gekomen en de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen moeten zijn verbroken.
|
||||
|
||||
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
|
||||
|
||||
## 12
|
||||
|
||||
|
|
@ -6361,14 +6394,14 @@ Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zi
|
|||
|
||||
| Tariefgroep | Tarief(code) | Bedrag |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| optie; enkelvoudig | A | Naf. 390 |
|
||||
| optie; gemeenschappelijk | B | Naf. 666 |
|
||||
| optie; medeopterende minderjarige | C | Naf. 44 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | D | Naf. 1839 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | E | Naf. 2348 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | F | Naf. 1368 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | G | Naf. 1879 |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | H | Naf. 272 |
|
||||
| optie; enkelvoudig | A | Naf. 417 |
|
||||
| optie; gemeenschappelijk | B | Naf. 714 |
|
||||
| optie; medeopterende minderjarige | C | Naf. 47 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | D | Naf. 2013 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | E | Naf. 2569 |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | F | Naf. 1497 |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | G | Naf. 2055 |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | H | Naf. 296 |
|
||||
|
||||
#### 1
|
||||
|
||||
|
|
@ -6505,26 +6538,26 @@ De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel i
|
|||
|
||||
Artikel 8 BON bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. De Gouverneur draagt zorg voor een rechtstreekse afdracht aan Onze Minister. Tevens regelt artikel 8 BON de hoogte van het bedrag dat de Gouverneur behoudt en op welke wijze de afdracht aan Onze Minister geschiedt. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de Gouverneur aan Onze Minister, wordt de Gouverneur nader geïnformeerd met een brief van de IND.
|
||||
|
||||
De Gouverneur behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie Naf. 390, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (Naf. 1449 bij standaard tarief en Naf. 978 bij verlaagd tarief).
|
||||
De Gouverneur behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie Naf. 417, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (Naf. 1596 bij standaard tarief en Naf. 1080 bij verlaagd tarief).
|
||||
|
||||
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de Gouverneur Naf. 666 eveneens ongeacht of standaard of verlaagd tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen Onze Minister (Naf. 1682 bij het standaard tarief en Naf. 1213 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN behoudt de Gouverneur Naf. 44 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (Naf. 228) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de Gouverneur die de leges geïnd heeft het bedrag dat niet afgedragen hoeft te worden en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
|
||||
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de Gouverneur Naf. 714 eveneens ongeacht of standaard of verlaagd tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen Onze Minister (Naf. 1855 bij het standaard tarief en Naf. 1341 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN behoudt de Gouverneur Naf. 47 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (Naf. 249) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de Gouverneur die de leges geïnd heeft het bedrag dat niet afgedragen hoeft te worden en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
|
||||
|
||||
De afdracht geschiedt rechtstreeks aan Onze Minister zonder tussenkomst van de landen Curaçao of Sint Maarten.
|
||||
|
||||
Vanaf 1 januari 2021 gelden de volgende afdrachtcodes:
|
||||
Vanaf 1 januari 2022 gelden de volgende afdrachtcodes:
|
||||
|
||||
| Tariefgroep | af te dragen bedrag | afdrachtcode |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| optie; enkelvoudig | nvt | nvt |
|
||||
| optie; gemeenschappelijk | nvt | nvt |
|
||||
| optie; medeopterende minderjarige | nvt | nvt |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | Naf. 1449 | 210-NA |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | Naf. 978 | 211-NA |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | Naf. 1682 | 213-NA |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | Naf. 1213 | 214-NA |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | Naf. 228 | 215-NA |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | Naf. 1596 | 220-NA |
|
||||
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | Naf. 1080 | 221-NA |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | Naf. 1855 | 223-NA |
|
||||
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | Naf. 1341 | 224-NA |
|
||||
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | Naf. 249 | 225-NA |
|
||||
|
||||
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de Gouverneur verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Team Financiële Administratie van de Directie Bedrijfsvoering, afdeling Financiën en Business Informatie van de IND, Postbus 85449, 2508 CC Den Haag. Als het verzoek van de Gouverneur door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de Gouverneur een bedrag van Naf. 390 voor een enkelvoudig verzoek en Naf. 666 voor een gemeenschappelijk verzoek.
|
||||
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de Gouverneur verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Team Financiële Administratie van de Directie Bedrijfsvoering, afdeling Financiën en Business Informatie van de IND, Postbus 85449, 2508 CC Den Haag. Als het verzoek van de Gouverneur door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de Gouverneur een bedrag van Naf. 417 voor een enkelvoudig verzoek en Naf. 714 voor een gemeenschappelijk verzoek.
|
||||
|
||||
### 13-2. Toelichting ad
|
||||
|
||||
|
|
@ -7104,6 +7137,8 @@ De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft n
|
|||
|
||||
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
|
||||
|
||||
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5b-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5b RWN.
|
||||
|
||||
#### 2. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
Ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN 2000 heeft artikel 14, zesde lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid, en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue