2026-01-01 | BWBR0049842 | Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
This commit is contained in:
parent
37812ed56a
commit
ef9b3447d8
1 changed files with 103 additions and 111 deletions
|
|
@ -46,6 +46,10 @@ b. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, p
|
|||
c. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend; of
|
||||
d. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.4
|
||||
|
||||
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Zero-emissie mobiliteit
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.1. Waterstof in mobiliteit
|
||||
|
|
@ -422,7 +426,8 @@ b. een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, e
|
|||
De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.2.3, eerste lid, per laadstation:
|
||||
|
||||
a. € 19.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 200 kW tot 350 kW;
|
||||
b. € 43.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 350 kW.
|
||||
b. € 43.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 350 kW tot 550 kW;
|
||||
c. € 80.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 550 kW.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid is de subsidiehoogte bij een modulair systeem, waarbij sprake is van een fysieke scheiding tussen laadstations en vermogenskast, gebaseerd op de som van het geïnstalleerd vermogen dat parallel maximaal geleverd kan worden door de vermogenskast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -437,7 +442,8 @@ b. € 43.000 voor een laadstation met een vermogen vanaf 350 kW.
|
|||
Het subsidieplafond bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor het jaar 2024 € 15.000.000;
|
||||
b. voor het jaar 2025 € 15.000.000.
|
||||
b. voor het jaar 2025 € 15.000.000;
|
||||
c. voor het jaar 2026 € 14.500.000.
|
||||
|
||||
**2.** De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -455,7 +461,8 @@ b. toekenning van deze aanvragen ertoe leidt dat gedurende de looptijd van de re
|
|||
Een aanvraag tot subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend:
|
||||
|
||||
a. van 1 oktober 2024, 9.00 uur tot en met 31 december 2024, 12.00 uur;
|
||||
b. van 13 mei 2025, 9.00 uur tot en met 19 december 2025, 12.00 uur.
|
||||
b. van 13 mei 2025, 9.00 uur tot en met 19 december 2025, 12.00 uur;
|
||||
c. van dinsdag 3 februari 2026, 9.00 uur tot en met vrijdag 18 december 2026, 12.00 uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.9
|
||||
|
||||
|
|
@ -476,19 +483,18 @@ d. de coördinaten van de ingang;
|
|||
e. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie voor dezelfde laadlocatie;
|
||||
f. offerte met merk, type en specificaties van de laadstations en van de installatiekosten waaruit het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken;
|
||||
g. indien van toepassing bevat de aanvraag een overzicht van de overige subsidiabele kosten ten behoeve van de aanleg van laadinfrastructuur;
|
||||
h. de meest recente factuur van de netbeheerder waaruit blijkt wat het huidige aansluitvermogen en gecontracteerde transportvermogen is op de laadlocatie;
|
||||
i. een document waaruit blijkt dat de laadlocatie reeds over een netaansluiting van minimaal 600 kVA beschikt;
|
||||
j. een onderbouwing waaruit blijkt dat de laadlocatie bereikbaar is via een verharde toegangsweg die vanaf de afrit over de gehele lengte minstens zes meter breed is, waarbij de berm niet meetelt als onderdeel van de toegangsweg, en:
|
||||
h. de meest recente factuur van de netbeheerder waaruit blijkt wat het huidige aansluitvermogen en gecontracteerde transportvermogen is op de laadlocatie of een schriftelijke bevestiging van de netbeheerder die maximaal 3 maanden oud is, waaruit blijkt dat er binnen twee jaar na verlening van subsidie een netaansluiting van ten minste 100 kVA aanwezig is;
|
||||
i. een onderbouwing waaruit blijkt dat de laadlocatie bereikbaar is via een verharde toegangsweg die vanaf de afrit over de gehele lengte minstens zes meter breed is, waarbij de berm niet meetelt als onderdeel van de toegangsweg, en:
|
||||
|
||||
i. ligt op een bedrijventerrein, te weten een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied; of
|
||||
ii. ligt op maximaal een kilometer rijafstand van een A- of N-weg, waarbij deze afstand met een algemeen aanvaarde routeplanner wordt gemeten vanaf het einde van de dichtstbijzijnde afrit tot aan de ingang;
|
||||
k. documenten waaruit blijkt dat alle laadstations binnen twee jaar na de subsidieverlening volledig beschikbaar zijn voor gebruik door zwaar elektrisch wegvervoer, waarbij de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
|
||||
l. documenten waaruit blijkt dat de aanvrager aantoonbaar toestemming heeft van de eigenaar van de locatie voor het plaatsen en exploiteren van publiek toegankelijke elektrische laadstations die geschikt zijn voor zware voertuigen; en
|
||||
m. toestemming de laadlocatie en het aantal laadpunten van de aanvraag anoniem te publiceren.
|
||||
j. documenten waaruit blijkt dat alle laadstations binnen twee jaar na de subsidieverlening volledig beschikbaar zijn voor gebruik door zwaar elektrisch wegvervoer, waarbij de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
|
||||
k. documenten waaruit blijkt dat de aanvrager aantoonbaar toestemming heeft van de eigenaar van de locatie voor het plaatsen en exploiteren van publiek toegankelijke elektrische laadstations die geschikt zijn voor zware voertuigen; en
|
||||
l. toestemming de laadlocatie, het aantal laadstations, het aantal laadpunten, het totale vermogen op de laadlocatie en indien van toepassing de opslagcapaciteit van de stationaire batterij van de aanvraag anoniem te publiceren.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het vierde lid, onderdeel k, hoeft de aanvrager niet te onderbouwen dat de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdeel d, indien de laadlocatie:
|
||||
In afwijking van het vierde lid, onderdeel j, hoeft de aanvrager niet te onderbouwen dat de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdeel d, indien de laadlocatie:
|
||||
|
||||
a. op een bedrijventerrein ligt; of
|
||||
b. een bestaand tankstation of laadstation betreft dat geschikt is voor zware voertuigen.
|
||||
|
|
@ -587,97 +593,73 @@ Deze paragraaf heeft tot doel het stimuleren van investeringen gericht op versne
|
|||
|
||||
### Artikel 2.3.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor:
|
||||
|
||||
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
|
||||
b. investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
|
||||
**1.** De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
|
||||
De laadinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
|
||||
|
||||
a. het huidig elektriciteitsverbruiksprofiel van de locatie, en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
|
||||
b. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation dat past bij de laadvraag van het elektrisch wagenpark passend bij de bedrijfsvoering en de verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur, uitgewerkt als de totale kosten voor het laden waarin ook operationele kosten zijn meegenomen;
|
||||
c. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
|
||||
d. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
|
||||
a. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of
|
||||
b. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**3.** De Minister kan in combinatie met de subsidie, bedoeld in het eerste lid, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt.
|
||||
|
||||
De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
|
||||
|
||||
a. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of
|
||||
b. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien:
|
||||
|
||||
a. de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt; en
|
||||
b. de benodigde netcapaciteit voor de te realiseren laadstations meer dan 50% is van het maximaal beschikbare vermogen op de huidige aansluiting, zoals blijkt uit het contract bedoeld in artikel 2.3.12, eerste lid, onderdeel f.
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid geldt het maximum van 1.000 kWh niet indien de aanvrager OV-concessiehouder is.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De stationaire batterij, bedoeld in het vierde lid, heeft een maximale hardwarematige C-waarde van 0,25, tenzij:
|
||||
De stationaire batterij, bedoeld in het derde lid, heeft een maximale hardwarematige C-waarde van 0,50, tenzij:
|
||||
|
||||
a. deze is geïntegreerd in het laadstation; of
|
||||
b. de subsidie wordt aangevraagd door OV-concessiehouders.
|
||||
a. deze is geïntegreerd in het DC laadstation; of
|
||||
b. de aanvrager OV-concessiehouder is.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.4
|
||||
|
||||
**1.** Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door een onderneming die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan een samenwerkingsverband van ondernemingen als bedoeld in het eerste lid subsidie aanvragen voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid geldt dat voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, indien de investering de aanleg van een laadstation betreft met een vermogen vanaf 600 kW, alleen een OV-concessiehouder subsidie kan aanvragen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste en tweede lid kan geen subsidie worden aangevraagd door:
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan geen subsidie worden aangevraagd door:
|
||||
|
||||
a. een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen;
|
||||
b. een exploitant van laadinfrastructuur.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het vierde lid, onderdeel b, kan een exploitant van laadinfrastructuur subsidie aanvragen indien de aanvraag realisatie van laadinfrastructuur voor eigen voertuigen of voertuigen van de eigen werknemers betreft.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, kan een exploitant van laadinfrastructuur subsidie aanvragen indien de aanvraag realisatie van laadinfrastructuur voor eigen voertuigen of voertuigen van de eigen werknemers betreft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.5
|
||||
|
||||
**1.** Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, zijn subsidiabel de kosten van het advies.
|
||||
**1.** Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste of derde lid, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid komen investeringskosten als bedoeld in artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor on-site productie van hernieuwbare elektriciteit niet voor subsidie in aanmerking.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid komen investeringskosten als bedoeld in artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor on-site productie van hernieuwbare elektriciteit niet voor subsidie in aanmerking.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.6
|
||||
|
||||
**1.** De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 3.500, met dien verstande dat de subsidie per aanvrager, of indien meerdere aanvragers tot dezelfde groep behoren, per groep, maximaal € 10.000 per kalenderjaar bedraagt.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid:
|
||||
|
||||
a. voor een grote onderneming het maximum per laadstation bedoeld in bijlage 5;
|
||||
b. voor een mkb-onderneming het maximum per laadstation bedoeld in bijlage 5.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
|
||||
Onverminderd het eerste lid is de subsidiehoogte:
|
||||
|
||||
a. voor een grote onderneming het maximum per laadstation bedoeld in bijlage 5;
|
||||
b. voor een mkb-onderneming het maximum per laadstation bedoeld in bijlage 5.
|
||||
a. bij AC laadstations gebaseerd op het vermogen aan het laadpunt;
|
||||
b. bij DC laadstations gebaseerd op het totale vermogen van het laadstation.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd het tweede lid is de subsidiehoogte bij een modulair systeem, waarbij sprake is van een fysieke scheiding tussen laadstations en vermogenskast, gebaseerd op de som van het geïnstalleerd vermogen dat parallel maximaal geleverd kan worden door de vermogenskast.
|
||||
|
||||
**4.** De subsidie voor aanvragen als bedoeld in artikel 2.3.11 wordt verminderd met 11,25% forfaitaire milieu-investeringsaftrek over de gemelde in aanmerking komende investeringskosten bedoeld in artikel 2.3.11, tweede lid, onderdeel i.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
**5.** In aanvulling op het tweede en derde lid bedraagt de subsidie per aanvrager maximaal € 350.000 per kalenderjaar.
|
||||
De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, derde lid:
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het vijfde lid geldt geen maximum indien de aanvrager OV-concessiehouder is.
|
||||
a. voor een grote onderneming € 60 per kWh opslag;
|
||||
b. voor een mkb-onderneming € 85 per kWh opslag.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid:
|
||||
|
||||
a. voor een grote onderneming € 70 per kWh opslag;
|
||||
b. voor een mkb-onderneming € 100 per kWh opslag.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
Onverminderd het tweede en zevende lid bedraagt de subsidie ten hoogste:
|
||||
Onverminderd het eerste en vierde lid bedraagt de subsidie ten hoogste:
|
||||
|
||||
a. 40% van de subsidiabele kosten voor een mkb-onderneming;
|
||||
b. 20% van de subsidiabele kosten voor een grote onderneming.
|
||||
|
|
@ -731,7 +713,20 @@ b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid: € 10.400.000,
|
|||
|
||||
### Artikel 2.3.7b
|
||||
|
||||
Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2026.
|
||||
**1.** Voor OV-concessiehouders en touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste en derde lid, voor het jaar 2026 € 9.000.000.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2026:
|
||||
|
||||
a. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid: € 60.000.000
|
||||
b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, derde lid: € 18.500.000.
|
||||
|
||||
**3.** De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij geldt dat aanvragen als bedoeld in artikel 2.3.7a, vijfde lid, voorrang hebben op overige aanvragen.
|
||||
|
||||
**4.** Voor een volledige aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.11 die in 2026 is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond is bereikt, en die na de loting bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluit geen subsidie ontvangt, geldt als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het derde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat een subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.7c
|
||||
|
||||
|
|
@ -747,41 +742,21 @@ Gereserveerd voor subsidieplafonds voor het jaar 2028.
|
|||
|
||||
**2.** Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 25 maart 2025, 9.00 uur tot en met 19 december 2025, 12.00 uur voor het subsidieplafond bedoeld in artikel 2.3.7a.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanvraag tot subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 20 januari 2026, 9.00 uur tot en met 18 december 2026, 12.00 uur voor het subsidieplafond bedoeld in artikel 2.3.7b.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.9
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvrager kan bij de Minister een aanvraag om subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvrager kan voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, per laadlocatie een aanvraag indienen.
|
||||
|
||||
**3.** Een aanvrager kan voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, per laadlocatie een aanvraag per kalenderjaar indienen.
|
||||
**2.** Een aanvrager kan voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste of derde lid, per laadlocatie een aanvraag per kalenderjaar indienen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een aanvraag voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, bevat in afwijking van artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. naam en adres van de aanvrager;
|
||||
b. het bankrekeningnummer;
|
||||
c. adresgegevens van de locatie waarvoor het laadadvies wordt opgesteld;
|
||||
d. contactpersoon met contactgegevens;
|
||||
e. inschrijfnummers bij de Kamer van Koophandel van de aanvrager en de onderneming bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
f. de doelgroep waartoe de beoogde gebruikers van de laadinfrastructuur behoren;
|
||||
g. het opgestelde advies;
|
||||
h. factuur en betaalbewijs voor het advies bedoeld in onderdeel g;
|
||||
i. de-minimisverklaring.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag wordt ingediend door de penvoerder van het samenwerkingsverband bevat deze:
|
||||
|
||||
a. naam en adres van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
|
||||
b. contactpersoon met contactgegevens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;
|
||||
c. inschrijfnummer van de deelnemers aan het samenwerkingsverband bij de Kamer van Koophandel.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.11
|
||||
|
||||
**1.** Indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de aanvraag voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, ingediend binnen 13 weken na de datum waarop de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd.
|
||||
**1.** Indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, ingediend in hetzelfde kalenderjaar of binnen 13 weken na de datum waarop de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -793,15 +768,14 @@ c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het tele
|
|||
d. de doelgroep waartoe de gebruikers van de laadinfrastructuur behoren;
|
||||
e. de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur is aangelegd;
|
||||
f. een factuur voor de aanleg van de laadstations, voorzien van merk, type en specificaties van de laadstations, waaruit het aantal laadpunten, het vermogen aan het laadpunt en het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt op welke datum de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd;
|
||||
g. de-minimisverklaring;
|
||||
h. een document waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken; en
|
||||
i. hoogte van de gemelde in aanmerking komende investeringskosten op grond van de MIA.
|
||||
g. de-minimisverklaring; en
|
||||
h. een document waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.12
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de aangevraagde subsidie ten minste € 25.000 bedraagt, bevat een aanvraag tot subsidieverlening voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, naast de in artikel 10 van het Kaderbesluit genoemde gegevens ten minste:
|
||||
Indien de aangevraagde subsidie ten minste € 25.000 bedraagt, bevat een aanvraag tot subsidieverlening voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, naast de in artikel 10 van het Kaderbesluit genoemde gegevens ten minste:
|
||||
|
||||
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer;
|
||||
b. een mkb-verklaring indien de aanvrager een mkb-onderneming is;
|
||||
|
|
@ -819,18 +793,22 @@ h. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In aanvulling op eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid:
|
||||
In aanvulling op eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, derde lid:
|
||||
|
||||
a. een document waaruit blijkt dat de benodigde netcapaciteit voor de te realiseren laadstations meer dan 50% is van het gecontracteerde transportvermogen dat blijkt uit het contract bedoeld in het eerste lid, onderdeel f;
|
||||
b. een offerte met opslagcapaciteit, vermogen en C-waarde van de stationaire batterij, waaruit tevens blijkt dat de batterij communiceert met het laadstation waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
|
||||
- een offerte met opslagcapaciteit, vermogen en C-waarde van de stationaire batterij, waaruit tevens blijkt dat de batterij communiceert met het laadstation waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een OV-concessiehouder:
|
||||
|
||||
a. overlegt niet de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f, en het tweede lid;
|
||||
b. vermeldt de datum van de gunning van de concessie waaruit blijkt dat hij batterij-elektrische bussen inzet.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.13
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf.
|
||||
|
||||
**2.** In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onder a, indien de adviseur tot dezelfde groep of onderneming behoort als de aanvrager.
|
||||
|
||||
**3.** In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie voor activiteiten bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onder b, indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 2.500.
|
||||
**2.** In aanvulling op het eerste lid beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie voor activiteiten bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 2.500.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.14
|
||||
|
||||
|
|
@ -847,7 +825,12 @@ In aanvulling op artikel 17 van het Kaderbesluit is de subsidieontvanger verplic
|
|||
a. binnen 24 maanden na de subsidieverlening het project af te ronden en de laadinfrastructuur in gebruik te nemen;
|
||||
b. gedurende ten minste 24 maanden na vaststelling van de subsidie de laadinfrastructuur in te zetten als private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** In aanvulling op het eerste lid is de subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid, verplicht gedurende ten minste 24 aaneengesloten maanden na vaststelling van de subsidie de stationaire batterij, zonder overdracht aan derden, in eigendom te hebben en deze in te zetten ten behoeve van de laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.3.3, derde lid, is verplicht:
|
||||
|
||||
a. gedurende ten minste 24 aaneengesloten maanden na vaststelling van de subsidie de stationaire batterij, zonder overdracht aan derden, in eigendom te hebben en deze in te zetten ten behoeve van de laadinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid;
|
||||
b. ervoor zorg te dragen dat ten minste 70% van het aantal kWh dat uit de stationaire batterij wordt ontladen, wordt geleverd aan laadstations.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.16
|
||||
|
||||
|
|
@ -859,7 +842,7 @@ Indien de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, verstrekt de Minister
|
|||
|
||||
**2.** De subsidieontvanger kan bij de Minister een eenmalig verzoek doen tot uitstel van ten hoogste 12 maanden van de indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, indien hij kan aantonen dat de benodigde tijd voor de realisatie van de laadinfrastructuur langer is dan de periode, genoemd in artikel 2.3.15.
|
||||
|
||||
**3.** In aanvulling op artikel 24, derde lid, van het Kaderbesluit bevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, in elk geval de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur op het elektriciteitsnet is aangesloten.
|
||||
**3.** In aanvulling op artikel 24, derde lid, van het Kaderbesluit bevat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, in elk geval de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur op het elektriciteitsnet is aangesloten.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3.17a
|
||||
|
||||
|
|
@ -869,14 +852,10 @@ Indien de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, verstrekt de Minister
|
|||
|
||||
### Artikel 2.3.18
|
||||
|
||||
**1.** Subsidie voor de activiteiten bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, wordt verleend op basis van de de-minimisverordening.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Subsidie voor de activiteiten bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, wordt:
|
||||
Subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste of derde lid, wordt:
|
||||
|
||||
a. verleend op basis van de de-minimisverordening indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt;
|
||||
b. in andere gevallen verleend op basis van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
|
||||
b. in andere gevallen verleend op basis van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.4. Emissieloze touringcars
|
||||
|
||||
|
|
@ -928,9 +907,19 @@ b. met 30 procentpunten verhoogd voor subsidie aan een kleine onderneming, tot
|
|||
|
||||
### Artikel 2.4.7
|
||||
|
||||
**1.** Het subsidieplafond voor aanvragers als bedoeld in artikel 2.4.4, onderdeel a, bedraagt voor het jaar 2025: € 3.500.000.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Het subsidieplafond voor aanvragers als bedoeld in artikel 2.4.4, onderdeel b, bedraagt voor het jaar 2025: € 3.500.000
|
||||
Het subsidieplafond voor aanvragers als bedoeld in artikel 2.4.4, onderdeel a, bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor het jaar 2025: € 3.500.000;
|
||||
b. voor het jaar 2026: € 2.290.000.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het subsidieplafond voor aanvragers als bedoeld in artikel 2.4.4, onderdeel b, bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor het jaar 2025: € 3.500.000;
|
||||
b. voor het jaar 2026: € 10.000.000.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid voor dat jaar ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de bedragen aangevuld met de voor dat jaar onaangesproken middelen gereserveerd op grond van het tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -942,7 +931,10 @@ b. met 30 procentpunten verhoogd voor subsidie aan een kleine onderneming, tot
|
|||
|
||||
### Artikel 2.4.8
|
||||
|
||||
Een aanvraag tot subsidieverlening op grond van deze regeling kan in 2025 van 11 februari 2025, 9.00 uur tot en met 30 mei 2025, 12.00 uur worden ingediend.
|
||||
Een aanvraag tot subsidieverlening op grond van deze paragraaf kan worden ingediend:
|
||||
|
||||
a. in 2025 van 11 februari 2025, 9.00 uur tot en met 30 mei 2025, 12.00 uur;
|
||||
b. in 2026 van 10 februari 2026, 9.00 uur tot en met 30 november 2026, 17.00 uur.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4.9
|
||||
|
||||
|
|
@ -1050,4 +1042,4 @@ Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mob
|
|||
|
||||
De tweecijferige postcode betreft de eerste twee cijfers van de postcode
|
||||
|
||||
## Bijlage 5. bij
|
||||
## Bijlage 5. behorend bij
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue