2021-02-01 | BWBR0003420 | Wet op het primair onderwijs

This commit is contained in:
Coornhert 2021-02-01 12:00:00 +00:00
parent 0ab09bbd85
commit efa9f759d6

View file

@ -648,7 +648,7 @@ Vervallen
**1.** De instandhouding van een of meer openbare en een of meer bijzondere scholen kan worden opgedragen of overgedragen aan een stichting die met dit doel wordt onderscheidenlijk is opgericht. De besluitvorming van de zijde van de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.
**2.** Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer richtingen in afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder onderwijs.
**2.** Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs in afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder onderwijs.
**3.** De stichting oefent alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.
@ -810,7 +810,7 @@ c. de toewijzing van ondersteuningsmiddelen of ondersteuningsvoorzieningen aan d
**14.** Het samenwerkingsverband kent aan elke toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 40, tiende lid, van de Wet op de expertisecentra een volgnummer toe. Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als bedoeld in het dertiende lid, afschrift aan de ouders.
**15.** Bevoegde gezagsorganen van tot dezelfde richting behorende scholen en scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra waaraan speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 wordt verzorgd, kunnen een landelijk samenwerkingsverband oprichten. Een landelijk samenwerkingsverband omvat alle in Nederland gelegen en tot dezelfde richting behorende scholen als bedoeld in de eerste volzin. Op een landelijk samenwerkingsverband zijn het tweede tot en met veertiende lid, met uitzondering van het derde en vijfde lid, en het zestiende lid van overeenkomstige toepassing. Indien een bevoegd gezag scholen heeft met meer dan een richting bepaalt het bevoegd gezag eenmalig op basis van welke richting de aansluiting bij het samenwerkingsverband plaatsvindt.
**15.** Bevoegde gezagsorganen van tot dezelfde richting behorende scholen en scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra waaraan speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 wordt verzorgd kunnen aangesloten blijven of kunnen zich aansluiten bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in dit lid, zoals dat luidde vóór de datum van inwerkingtreding van dit lid zoals dat is komen te luiden met de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160). Op een landelijk samenwerkingsverband zijn het tweede tot en met het veertiende lid, met uitzondering van het derde lid en het vijfde lid, en het zestiende lid van overeenkomstige toepassing. Indien een bevoegd gezag scholen heeft met ten minste de richting van de scholen die behoren tot het landelijk samenwerkingsverband bepaalt het bevoegd gezag eenmalig of aansluiting bij het landelijk samenwerkingsverband wordt gevraagd. Het landelijk samenwerkingsverband beslist over de aansluiting.
**16.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de samenwerkingsverbanden.
@ -1788,7 +1788,7 @@ j. een advies van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten over de
### Artikel 64c
**1.** Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, zowel in het opzicht van richting en pedagogisch-didactische aanpak binnen het voedingsgebied van de te fuseren scholen of rechtspersonen, op significante wijze wordt belemmerd.
**1.** Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod binnen het voedingsgebied van de te fuseren scholen of rechtspersonen, op significante wijze wordt belemmerd.
**2.** Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, adviseren door een onafhankelijke adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld in de eerste volzin.
@ -1908,203 +1908,189 @@ In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool.
### Artikel 74
**1.** De bekostiging van een openbare en een bijzondere school kan slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen. De bekostiging van een nevenvestiging neemt slechts een aanvang op grond van artikel 85. De artikelen 74, tweede lid, tot en met 83 zijn niet van toepassing op nevenvestigingen, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde openbare school of omgekeerd, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde bijzondere school van een andere richting, bij uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen, en bij de totstandkoming van een samenwerkingsschool. De bekostiging kan slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.
**1.** Het bevoegd gezag dient bij Onze Minister een aanvraag in voor bekostiging van een openbare en een bijzondere school. Deze aanvraag vermeldt of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft en wat de beoogde plaats van vestiging van de school is.
**2.** De gemeenteraad stelt het plan, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, al dan niet in samenwerking met de raad van een of meer andere gemeenten, elk jaar voor 1 augustus vast. Het plan bestrijkt 3 achtereenvolgende schooljaren volgende op het jaar van de vaststelling en vermeldt in elk geval welke scholen bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen. Het plan vermeldt verder van elke school de plaats van vestiging en de te verwachten omvang. Het plan behoeft de goedkeuring van Onze Minister, bedoeld in artikel 79.
**2.**
**3.** Bij de goedkeuring van Onze Minister van het plan, treden voor de toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht burgemeester en wethouders in de plaats van het bevoegd gezag van de bijzondere scholen.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een belangstellingsmeting als bedoeld in artikel 74a;
b. een beschrijving van het voorgenomen beleid ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school zal worden gevoerd, voor zover dit betreft de uitwerking van de wettelijke voorschriften voor:
1° de inhoud van het onderwijs, bedoeld in artikel 8, derde lid;
2° leerlingen die extra ondersteuning behoeven, bedoeld in artikel 8, vierde lid;
3° de inrichting van het onderwijs, bedoeld in artikel 8, eerste lid en een leerling- en onderwijsvolgsysteem als bedoeld in artikel 8, zesde tot en met achtste lid;
4° de inrichting van het onderwijs, bedoeld in artikel 8, negende lid;
5° de inhoud van het onderwijs, die dekkend zal zijn voor de kerndoelen, bedoeld in artikel 9, en de referentieniveaus, bedoeld in artikel 2 van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen; en
6° de scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, bedoeld in artikel 17a en 17b en, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 30a, een beschrijving van de over te dragen taken;
c. een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school, het samenwerkingsverband en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en vestigingen binnen het voedingsgebied van de school zijn gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging; en
d. een verklaring omtrent het gedrag afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op het tijdstip van het doen van de aanvraag niet ouder is dan zes maanden, van de personen die het bestuur en het intern toezicht vormen.
**3.**
De aanvraag bevat tevens:
a. een beschrijving van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;
b. een beschrijving van de beoogde samenstelling van de formatie van de school;
c. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van leraren en degenen die onderwijsondersteunende of leidinggevende werkzaamheden verrichten;
d. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen op school;
e. een meerjarenbegroting over de eerste drie schooljaren gebaseerd op de bekostiging die de school zal ontvangen gegeven het aantal te verwachten leerlingen in die periode;
f. de verwachtingen met betrekking tot de huisvesting en de samenwerking met de kinderopvang;
g. informatie over de hoogte van en het beleid ten aanzien van de vrijwillige geldelijke bijdrage die van de ouders zal worden gevraagd en het jaarlijks verwachte totaalbedrag van die bijdragen;
h. informatie over de wijze waarop het bevoegd gezag uitvoering zal geven aan de afspraken, bedoeld in artikel 167 en artikel 167a; en
i. een beschrijving van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de Wet medezeggenschap op scholen.
**4.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en kan een model voor de aanvraag worden vastgesteld.
### Artikel 74a
**1.** De belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel a, wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij ouderverklaringen dan wel, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, een marktonderzoek.
**2.**
De belangstellingsmeting:
a. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid; en
b. vindt plaats binnen het voedingsgebied dat een gebied omvat dat bestaat uit viercijferige postcodegebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen een straal van zes kilometer van de beoogde plaats van vestiging van de school.
**3.**
Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:
a. in het geval van keuze voor de ouderverklaring geldt:
y = aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar van wie in de ouderverklaring is aangegeven belangstelling te hebben voor de school in de aanvraag;
x = totaal aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar op 1 januari van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan, in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid, onder b;
w = het totaal aantal kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar, vermeerderd met 30 procent van het aantal kinderen in de leeftijd van 12 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek;
z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor;
b. in het geval van keuze voor het marktonderzoek geldt:
y = aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar ten aanzien van wie in het marktonderzoek is aangegeven dat er belangstelling is voor de school in de aanvraag;
x = totaal aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar ten aanzien van wie in het marktonderzoek is deelgenomen;
w = het totaal aantal kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar vermeerderd met 30 procent van het aantal kinderen in de leeftijd van 12 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek;
z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor.
De aanvraag bevat de berekeningen die tot de uitkomst van de formules, bedoeld onder a en b, hebben geleid.
**4.** De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één kind in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.
**5.**
Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid:
a. heeft betrekking op kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar;
b. wordt afgenomen onder de ouders van kinderen, bedoeld in onderdeel a, op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek;
c. wordt uitgevoerd aan de hand van een aselecte steekproef uit de kinderen, bedoeld in onderdeel a, die aantoonbaar representatief is voor die kinderen; en
d. mag niet ouder zijn dan 24 maanden voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de aanvraag.
**6.** Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de betrokken postcodegebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de kinderen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal kinderen in het overlappende voedingsgebied, worden de aantallen van de kinderen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal kinderen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal kinderen in het overlappende voedingsgebied.
**7.**
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:
a. de wijze waarop de belangstellingsmeting wordt uitgevoerd; en
b. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tussen de verschillende onderdelen van de formule voor de belangstellingsmeting, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
### Artikel 75
**1.**
**1.** De aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid, wordt ingediend voor 1 november. De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel b.
Een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, gaat vergezeld van:
**2.** Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister voor 1 juli voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.
a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,
b. de beschrijving van het voedingsgebied,
c. de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven en
d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging.
**3.** Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel a, juist en volledig is en besluit op basis van de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste en tweede lid, en de voor de school geldende stichtingsnorm, bedoeld in artikel 76, eerste lid, voor 1 juni of de school met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
**2.** Burgemeester en wethouders dienen in elk geval een voorstel in indien ten minste 50 verschillende ouders van kinderen tot en met de leeftijd van 12 jaar voor 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van het plan schriftelijk hebben verklaard dat er behoefte bestaat aan het volgen van openbaar onderwijs en dat in die behoefte niet of onvoldoende wordt voorzien.
**4.** Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid, afwijzen indien deze is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die voorafgaande aan de aanvraag een of meer scholen in stand heeft gehouden waarop artikel 164b, eerste lid, van toepassing is geweest of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke school in stand heeft gehouden, welke toepassing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 164b, eerste lid.
**3.** Een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47, of een stichting als bedoeld in artikel 17 of 48, kan voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het plan bij de gemeenteraad een aanvraag indienen tot opneming in het plan van een of meer openbare scholen. De aanvraag vermeldt de naam en het adres van het bevoegd gezag en gaat vergezeld van de gegevens genoemd in het eerste lid. Indien de door het bevoegd gezag, verstrekte gegevens onvoldoende zijn om de aanvraag te beoordelen, delen burgemeester en wethouders voor 1 maart volgend op de in de eerste volzin van dit lid genoemde datum aan het bevoegd gezag mede dat de gegevens voor 1 april daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien de aangevulde gegevens niet voor 1 april zijn verstrekt, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten.
**5.** Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in artikel 74, eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 163b, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 163b, eerste lid.
**4.** De gemeenteraad neemt een openbare school in elk geval in het plan op, indien binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat. De gemeenteraad neemt een openbare school voorts in het plan op, indien op grond van de bij het voorstel of de aanvraag overgelegde gegevens aannemelijk is, dat zij voldoet aan de normen van artikel 77, eerste lid.
**6.** De bekostiging vangt aan op 1 augustus. De aanspraak op bekostiging vervalt indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school wordt gegeven. Indien door het bevoegd gezag een verzoek tot bekostiging is gedaan met ingang van 1 augustus van het eerste kalenderjaar na het besluit van Onze Minister vervalt de aanspraak op bekostiging voor dat schooljaar indien op de eerste schooldag geen onderwijs wordt gegeven.
**5.**
**7.** In afwijking van het zesde lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven.
De in het eerste lid bedoelde prognose:
**8.** Dit artikel is niet van toepassing bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde openbare school of omgekeerd en bij de totstandkoming van een samenwerkingsschool.
a. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen voor elk jaar van het tijdvak waarop de prognose betrekking heeft,
b. is gebaseerd op statistische gegevens over een tijdvak van 5 jaar en
c. vermeldt de berekeningen die tot de uitkomsten hebben geleid.
**9.** Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 74a, vierde lid, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, van een van de ouders en het kind waarop de ouderverklaring betrekking heeft.
De prognose bevat gegevens omtrent:
**10.** Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden besluiten, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, gepubliceerd in de Staatscourant.
1°. het voedingsgebied,
2°. de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven,
3°. de bevolking in het voedingsgebied van 0 tot en met 14 jaar, verdeeld in leeftijdsgroepen van 1 jaar,
4°. de te verwachten instroom naar en uitstroom uit die bevolking,
5°. het te verwachten aantal levendgeborenen en
6°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het openbaar basisonderwijs in een vergelijkbare gemeente, of
7°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de openbare school of scholen binnen de gemeente.
**11.** Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
De prognose kan tevens gegevens bevatten naar aanleiding van de directe meting.
**6.** Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het eerste lid. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.
**12.** Burgemeester en wethouders van de beoogde plaats van vestiging van de school kunnen voor de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.
### Artikel 76
**1.** Een aanvraag tot opneming in het plan van een bijzondere school moet voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan bij de gemeenteraad worden ingediend.
**2.**
De aanvraag vermeldt de richting van de school en naam en adres van het bevoegd gezag en gaat vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, vijfde lid, met dien verstande dat in afwijking van artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, vijfde lid, onderdeel c, onder 6° en 7°, de prognose gegevens bevat omtrent:
a. indien het betreft een richting waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente, of
b. indien het betreft een school van een richting waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de school of scholen van die richting binnen de gemeente.
Indien de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens onvoldoende zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen, delen burgemeester en wethouders voor 1 maart volgend op de in het eerste lid genoemde datum aan het bevoegd gezag mede dat de gegevens voor 1 april daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien de aanvullende gegevens niet voor 1 april zijn verstrekt, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten.
### Artikel 77
**1.** De gemeenteraad neemt een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij de aanvraag overgelegde gegevens aannemelijk is dat zij binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.
**1.** Het bevoegd gezag maakt met de belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, aannemelijk dat een school op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.
**2.** Bij ministeriële regeling wordt voor elke gemeente een stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6 bedraagt van de voor de gemeente geldende opheffingsnorm berekend op grond van artikel 154. De uitkomst wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De stichtingsnorm bedraagt minimaal 200.
**3.** De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, zijn in afwijking van het tweede lid, eerste volzin, voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële regeling aangepast. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant.
**3.** De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, worden telkens voor een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële regeling aangepast. De ministeriële regeling wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant.
**4.** In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 3 van de Wet algemene regels herindeling, stelt Onze Minister op de wijze als aangegeven in het tweede lid de nieuwe stichtingsnormen voor de betrokken gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen. De nieuwe stichtingsnormen treden in de plaats van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de stichtingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.
**4.** In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 3 van de Wet algemene regels herindeling, stelt Onze Minister op de wijze als aangegeven in het tweede lid de nieuwe stichtingsnormen voor de betrokken gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen. De nieuwe stichtingsnormen treden in de plaats van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de stichtingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.
**5.** In het geval van een wijziging van de naam van een gemeente of een wijziging van het gemeentenummer past Onze Minister de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, of de bijlage, bedoeld in het derde lid, dienovereenkomstig aan.
**5.** In het geval van een wijziging van de naam van een gemeente of een wijziging van het gemeentenummer past Onze Minister de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, dienovereenkomstig aan.
### Artikel 77
**1.** Indien uit schriftelijke verklaringen van ten minste 50 verschillende ouders van kinderen tot en met de leeftijd van 12 jaar behoefte blijkt te bestaan aan het volgen van openbaar onderwijs en dat in die behoefte niet of onvoldoende wordt voorzien, onderzoeken burgemeester en wethouders of uit de belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel a, voldoende belangstelling blijkt.
**2.** Indien uit de belangstellingsmeting voldoende belangstelling is gebleken, dienen burgemeester en wethouders een aanvraag als bedoeld in artikel 74, eerste tot en met derde lid, in, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging.
**3.** Voor een openbare school wordt in elk geval door burgemeester en wethouders een aanvraag als bedoeld in artikel 74 ingediend, indien binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat.
**4.** Indien binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waar openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, brengt Onze Minister een openbare school waarvoor een aanvraag is gedaan voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de voorschriften van artikel 74, eerste en tweede lid.
### Artikel 78
Bij de berekening van het aantal leerlingen dat een openbare of een bijzondere school zal bezoeken, worden niet meegeteld leerlingen die wonen binnen redelijke afstand van een openbare school, onderscheidenlijk van een bijzondere school van de desbetreffende richting of richtingen en voor wie op die school plaatsruimte aanwezig is.
Vervallen
### Artikel 79
**1.** Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de aanvragen die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. In het plan wordt aangegeven op welke wijze artikel 78 ten aanzien van de op het plan geplaatste scholen is toegepast. Deze stukken worden door de gemeenteraad binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle aanvragers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze Minister is gezonden. Het plan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd in het gemeentehuis.
**2.** Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze Minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde aanvragen en de stukken genoemd in het eerste lid. Indien de bij de aanvraag gevoegde gegevens onvoldoende zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen, deelt Onze Minister voor 15 september volgend op de in de eerste volzin bedoelde datum aan burgemeester en wethouders mede dat de gegevens voor 15 oktober daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien de aanvullende gegevens niet voor 15 oktober zijn verstrekt, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten.
**3.** Onze Minister besluit voor 1 januari voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van het besluit wordt binnen 2 weken aan de gemeenteraad gezonden. Indien Onze Minister niet voor 1 januari heeft besloten, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.
**4.**
Onze Minister onthoudt zijn goedkeuring voor zover:
a. de in artikel 75, vierde lid, eerste volzin, omschreven situatie zich voordoet en geen openbare school in het plan werd opgenomen;
b. 1°. op grond van de bij de aanvraag tot goedkeuring overgelegde gegevens niet aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78 zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77 vereiste aantal leerlingen, dan wel
2°. indien het in een zodanig geval betreft een openbare school de stichting daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, vierde lid, eerste volzin, omschreven situatie zich niet voordoet;
c. 1°. wegens een in het plan opgenomen andere school of een in een plan van een andere gemeente opgenomen school, die voor bekostiging in aanmerking zal worden gebracht, niet aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78 zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77 vereiste aantal leerlingen, dan wel
2°. indien het in een zodanig geval betreft een openbare school de stichting daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, vierde lid, eerste volzin, omschreven situatie zich niet meer zal voordoen;
d. niet is voldaan aan het bij en krachtens deze wet bepaalde met betrekking tot de prognoses;
e. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses, of
f. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode.
**5.** Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder a, draagt Onze Minister de gemeenteraad op alsnog een openbare school in het plan op te nemen. Indien goedkeuring wordt onthouden op grond van het vierde lid onder f draagt Onze Minister de gemeenteraad op in het plan alsnog te vermelden dat de betrokken school bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komt.
**6.** Indien ten gevolge van een besluit van Onze Minister op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, maakt Onze Minister dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indiener van de aanvraag tot opneming in het plan van de betrokken school.
**7.** Indien tegen een besluit van Onze Minister als bedoeld in het zesde lid beroep is ingesteld en de uitspraak dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van Onze Minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad de school op in het na de uitspraak onderscheidenlijk het besluit vast te stellen plan.
**8.** Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, maakt Onze Minister dit bekend aan het bevoegd gezag.
Vervallen
### Artikel 80
**1.** Indien de gemeenteraad een aanvraag tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet heeft ingewilligd, kunnen de aanvragers administratief beroep instellen bij Onze Minister.
**2.** Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van Onze Minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het besluit vast te stellen plan.
Vervallen
### Artikel 81
**1.** Scholen die gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren in het plan zijn opgenomen en niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, brengt de gemeenteraad voor het daaropvolgende schooljaar voor bekostiging in aanmerking.
**2.** Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 79, zevende lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste schooljaar van het plan waarin de school was opgenomen. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 80, tweede lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste schooljaar van het plan waarvoor de aanvraag werd ingediend.
Vervallen
### Artikel 82
**1.**
Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de scholen uit het voorgaande plan opgenomen die:
a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, of
b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.
**2.**
Uit het voorgaande plan wordt een school niet opgenomen:
a. indien de indiener van een aanvraag heeft gevraagd de school te laten vervallen;
b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen bij aanvang van het tweede schooljaar volgend op het schooljaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuwe aanvraag overgelegde gegevens gerechtvaardigd is, of
c. indien zich naar het oordeel van de gemeenteraad omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren, en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben geleid.
**3.** Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing indien een school ingevolge het tweede lid onder c niet in een volgend plan wordt opgenomen.
Vervallen
### Artikel 83
**1.**
De vaststelling van een plan blijft achterwege indien:
a. geen aanvragen tot opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen aanvragen voor inwilliging in aanmerking komt,
b. stichting van een openbare school niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, vierde lid, eerste volzin, omschreven situatie zich niet voordoet en
c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking komen.
**2.** Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft uitsluitend de goedkeuring van Onze Minister, indien in het voorafgaande jaar een zelfde besluit werd genomen en daarvoor geen goedkeuring is gevraagd. Het goed te keuren besluit wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode aan Onze Minister gezonden. Artikel 79, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** Indien een onherroepelijk geworden besluit van Onze Minister of een naar aanleiding van het besluit van Onze Minister in beroep als bedoeld in artikel 71 gegeven beslissing strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een openbare school, neemt de gemeenteraad de school op in het na het onherroepelijk geworden besluit onderscheidenlijk de in dat beroep gegeven beslissing vast te stellen plan.
**4.** Aan de indieners van de niet ingewilligde aanvragen bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode, afschrift gezonden van het desbetreffende raadsbesluit.
Vervallen
### Artikel 84
**1.** Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt omgezet, als bedoeld in artikel 74, eerste lid derde volzin, of waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met onderwijs van een of meer andere richtingen dan wel een school die tot stand komt als samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 17d, eerste lid. Artikel 74, eerste lid, vierde volzin, is niet van toepassing op een school die wordt omgezet als bedoeld in artikel 74, eerste lid, derde volzin.
**1.** Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt omgezet van een bijzondere school in een openbare school of omgekeerd dan wel een school die tot stand komt als samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 17d, eerste lid. Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.
**2.** Onze Minister kan besluiten toe te staan dat een bekostigde school een andere plaats van vestiging binnen de gemeente krijgt. Onze Minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.
**2.** Indien het bevoegd gezag een school binnen een gemeente verplaatst binnen een straal van 3 kilometer van het huidige vestigingsadres, blijft de aanspraak op bekostiging bestaan.
**3.** Een aanvraag van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid gaat vergezeld van een motivering en de gegevens, bedoeld in artikel 75, eerste lid.
**4.**
Onze Minister willigt de aanvraag in ieder geval in, indien:
a. de school, als deze in een plan van scholen zou zijn opgenomen, bij toepassing van de artikelen 77 tot en met 79 door hem zou worden goedgekeurd;
b. het een omzetting in een openbare school of een verplaatsing van een school waaraan openbaar onderwijs wordt gegeven betreft, binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat;
c. de bekostiging van de school, als daaraan het onderwijs wordt uitgebreid met onderwijs van een of meer andere richtingen, van uitsluitend een of meer op te heffen scholen, met inachtneming van de artikelen 154 tot en met 156 gedurende ten minste 20 achtereenvolgende jaren zou kunnen worden voortgezet; of
d. een samenwerkingsschool met inachtneming van artikel 17d tot stand zou kunnen komen.
**5.**
Onze Minister willigt een aanvraag niet in, indien:
a. als gevolg van het inwilligen van de aanvraag een andere school dreigt te worden opgeheven of niet meer te worden bekostigd en het bevoegd gezag van die andere school daarmee niet schriftelijk heeft ingestemd; of
b. het overeenkomstig artikel 152 berekende aantal leerlingen van de school, daaronder niet begrepen het aantal leerlingen van een nevenvestiging, op 1 oktober van het schooljaar waarin de aanvraag is ingediend minder bedraagt dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school is gelegen en de school, na inwilliging van het verzoek, uitsluitend op grond van artikel 153, vierde lid, voor bekostiging in aanmerking kan blijven komen of in stand kan worden gehouden.
**3.** Indien het bevoegd gezag een school verplaatst buiten een straal van 3 kilometer van het huidige vestigingsadres, zijn de artikelen 74, 74a, 75 en 76 van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden een school voor bekostiging in aanmerking blijven brengen zonder dat de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat de school op 1 januari van het elfde jaar na de verplaatsing zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm, bedoeld in artikel 76, eerste lid.
### Artikel 84a
**1.** Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden een nevenvestiging, of een deel van een school of nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school of nevenvestiging, als school voor bekostiging in aanmerking brengen.
**1.** Het bevoegd gezag kan op de wijze als aangegeven in artikel 74, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel a, en artikel 75, eerste lid, eerste volzin en tweede lid, bij Onze Minister een aanvraag indienen om een nevenvestiging, of een deel van een school of nevenvestiging die zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school, te verzelfstandigen en als school voor bekostiging in aanmerking te brengen.
**2.**
Een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:
Onze Minister willigt een aanvraag in indien wordt voldaan aan voorwaarden die bij ministeriële regeling zijn vastgesteld. Deze voorwaarden hebben in elk geval betrekking op:
a. voor zover het betreft de nieuwe school, de gegevens, bedoeld in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, vijfde lid, of de gegevens, bedoeld in artikel 76, tweede lid,
b. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen op het overblijvende deel van de school met uitzondering van nevenvestigingen, of, indien van toepassing, op het overblijvende deel van de nevenvestiging, en
c. een opgave van het aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaand aan de aanvraag daadwerkelijk onderwijs volgde op het deel van de school waarop de aanvraag betrekking heeft.
a. het aantal leerlingen van de school op de teldatum in het jaar dat voorafgaat aan de aanvraag;
b. het aantal leerlingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze de scholen die na de verzelfstandiging ontstaan, zal bezoeken; en
c. de wijze waarop op basis van de statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek aannemelijk wordt gemaakt dat op 1 januari van het elfde jaar na de aanvraag de school die na verzelfstandiging ontstaat, voldoet aan de stichtingsnorm en de bekostiging van het overblijvende deel van de school, met in achtneming van de artikelen 154 tot en met 156, gedurende ten minste 10 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet.
**3.** Bij de berekening van het aantal leerlingen dat de nieuwe school zal bezoeken, wordt artikel 78 niet toegepast, voor zover het plaatsruimte betreft op de nieuwe school.
**4.**
Onze Minister willigt de aanvraag slechts in, indien:
a. aannemelijk is dat de nieuwe school gedurende 15 jaar na aanvang van de bekostiging zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de stichtingsnorm, bedoeld in artikel 77, tweede lid, en
b. aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de school, met inachtneming van de artikelen 154 tot en met 156, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet, of
c. indien van toepassing aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de nevenvestiging, met inachtneming van artikel 158, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.
**3.** Artikel 75, eerste lid, tweede volzin, derde tot en met zevende, tiende en elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 85
@ -2113,7 +2099,7 @@ c. indien van toepassing aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende
De bekostiging van een nevenvestiging van een school neemt een aanvang met ingang van 1 augustus indien:
a. de nevenvestiging overeenkomstig artikel 158 voldoet aan een der normen voor bekostiging, genoemd in dat artikel en, voor zover het een nevenvestiging betreft die voor bekostiging in aanmerking komt op grond van het eerste lid, onder e, van dat artikel, op die grond aan alle scholen van het bevoegd gezag of, bij toepassing van artikel 157, derde lid, de samenwerkende bevoegde gezagsorganen, niet meer nevenvestigingen worden verbonden dan het verschil tussen het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 260 en het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 290, waarbij de quotiënten naar beneden worden afgerond op een geheel getal,
b. de nevenvestiging niet wordt verbonden aan een school die met toepassing van artikel 157 in stand wordt gehouden,
b. de nevenvestiging niet wordt verbonden aan een school die met toepassing van artikel 157 in stand wordt gehouden of aan een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 10a, eerste en vierde lid,
c. 1°. de nevenvestiging, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van de bekostiging als nevenvestiging, werd bekostigd als zelfstandige school, of
2°. de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking kwam als nevenvestiging van de voormalige school bedoeld onder 1°,
d. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en
@ -2824,7 +2810,7 @@ c. van speciale scholen voor basisonderwijs.
**4.** Op het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, van het overblijvende deel van de school, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b, wordt het aantal leerlingen in mindering gebracht dat op grond van het tweede lid meetelt voor de bekostiging van een nieuwe school die op grond van artikel 84a voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
**5.** Indien van het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, van een nieuwe school die op grond van een plan van scholen als bedoeld in artikel 74 voor bekostiging in aanmerking is gebracht, een substantieel aantal leerlingen afkomstig is van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag, worden die leerlingen niet meegeteld voor de bekostiging van die andere scholen op grond van het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de omvang van dat aantal leerlingen bepaald, die voor categorieën van scholen kan verschillen.
**5.** Indien van het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, van een nieuwe school die voor bekostiging in aanmerking is gebracht, een substantieel aantal leerlingen afkomstig is van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag, worden die leerlingen niet meegeteld voor de bekostiging van die andere scholen op grond van het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de omvang van dat aantal leerlingen bepaald, die voor categorieën van scholen kan verschillen.
### Artikel 122
@ -2987,7 +2973,7 @@ b. het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode, verhoogd met 3% daarvan, w
**6.** In afwijking van het vierde lid wordt het aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b, waarop de bekostiging, bedoeld in het vierde lid, gebaseerd is, gedurende de in het vijfde lid bedoelde periode verminderd met het aantal leerlingen dat op grond van dat lid meetelt voor de bekostiging van een nieuwe school die op grond van artikel 84a, eerste lid, voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
**7.** Indien van het aantal leerlingen als bedoeld in artikel 121, tweede lid van een nieuwe school die op grond van een plan van scholen als bedoeld in artikel 74 voor bekostiging in aanmerking is gebracht, een substantieel aantal leerlingen afkomstig is van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag, worden die leerlingen gedurende de in het vijfde lid bedoelde periode niet meegeteld voor de bekostiging van die andere scholen als bedoeld in dit artikel. Bij een algemene maatregel van bestuur wordt de omvang van dat aantal leerlingen bepaald die voor categorieën van scholen kan verschillen.
**7.** Indien van het aantal leerlingen als bedoeld in artikel 121, tweede lid van een nieuwe school die voor bekostiging in aanmerking is gebracht, een substantieel aantal leerlingen afkomstig is van andere scholen van hetzelfde bevoegd gezag, worden die leerlingen gedurende de in het vijfde lid bedoelde periode niet meegeteld voor de bekostiging van die andere scholen als bedoeld in dit artikel. Bij een algemene maatregel van bestuur wordt de omvang van dat aantal leerlingen bepaald die voor categorieën van scholen kan verschillen.
**8.**
@ -3237,17 +3223,22 @@ Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal le
### Artikel 153
**1.** De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 77, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
**1.** De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 8 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 76, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. In afwijking van de tweede volzin eindigt de bekostiging van een in die volzin bedoelde bijzondere school en wordt een openbare school opgeheven met ingang van het vijfde schooljaar indien het aantal leerlingen van een school als bedoeld in de tweede volzin in het vierde schooljaar van de bekostiging niet ten minste de helft van de stichtingsnorm bedraagt. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
**2.** De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 154, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, tezamen met bij die regeling op grond van artikel 155 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in de Staatscourant.
**3.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 5 schooljaren.
**3.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 8 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 8 schooljaren.
**4.** Indien het aantal leerlingen van een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het derde schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van 5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.
**5.** Indien binnen 10 km van een school waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, wordt de eerstgenoemde school niet opgeheven op grond van dit artikel.
**6.** Het vierde lid is niet van toepassing indien de school eerder is omgezet als bedoeld in artikel 84, eerste lid, tenzij bij die omzetting is voldaan aan artikel 84, vierde lid. Het vierde lid is evenmin van toepassing op de richting of richtingen waarmee het onderwijs aan een school is uitgebreid als bedoeld in artikel 84, eerste lid, tenzij bij die uitbreiding is voldaan aan artikel 84, vierde lid.
**6.**
Het vierde lid is niet van toepassing, indien:
a. de school meer dan een richting heeft; of
b. indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging op grond van het derde lid zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 170, derde lid, tenzij die melding voortvloeide uit een omzetting van bijzonder onderwijs naar openbaar onderwijs.
### Artikel 154
@ -3281,9 +3272,9 @@ De uitkomst van de berekening wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaa
### Artikel 157
**1.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Indien het bevoegd gezag dat bij die mededeling aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 5 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
**1.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Indien het bevoegd gezag dat bij die mededeling aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
**2.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dat bij de mededeling, bedoeld in de eerste volzin, aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte en het gewogen gemiddelde niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 5 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De derde volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
**2.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dat bij de mededeling, bedoeld in de eerste volzin, aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte en het gewogen gemiddelde niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 8 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De derde volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
**3.**
@ -3319,6 +3310,10 @@ b. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de b
**5.** Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing voor openbare scholen die als gevolg van een besluit van Onze Minister op grond van artikel II van de Wet van 28 oktober 2010 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met onder meer een discretionaire bevoegdheid van de minister ten aanzien van kwalitatief goede scholen met minder dan 23 leerlingen met perspectief op hoger aantal leerlingen (Stb. 2010, 755) in stand zijn gehouden of voor bijzondere scholen waarvan als gevolg van een besluit van Onze Minister op grond van artikel II van de hiervoor genoemde wet de bekostiging is voortgezet.
### Artikel 157b
Indien de instandhouding van een openbare school of de bekostiging van een bijzondere school niet mogelijk is op grond van de artikelen 153 tot en met 157a, kan Onze Minister in bijzondere gevallen op aanvraag van het bevoegd gezag voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd.
### Artikel 158
**1.**
@ -3326,8 +3321,8 @@ b. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de b
De bekostiging van een bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of een openbare nevenvestiging wordt opgeheven indien de nevenvestiging gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
a. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 2 km bevindt zich geen school,
b. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van 3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting of richtingen onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,
c. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 5 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting of richtingen onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,
b. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van 3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,
c. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 5 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,
d. binnen 10 km van de openbare nevenvestiging over de weg gemeten, is geen andere school aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, of
e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met toepassing van artikel 157 en onder vervanging van het getal 290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking komen.
@ -3335,6 +3330,8 @@ e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou d
**3.** Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat op de teldatum 1 oktober wordt voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid en het de nevenvestiging in het op die datum volgende schooljaar wil handhaven, deelt het dit voor 1 februari voorafgaand aan dat schooljaar onder de gemotiveerde vermelding van de voorwaarde die het betreft schriftelijk mede aan Onze Minister. Indien deze mededeling niet tijdig wordt gedaan, wordt de nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid te voldoen, tenzij het eerste lid, onder d, van toepassing is.
**3a.** Indien de nevenvestiging meer dan een richting heeft of indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop de bekostiging zou worden beëindigd, een melding is gedaan als bedoeld in artikel 170, derde lid, wordt die nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdeel b of c te voldoen.
**4.**
Onze Minister maakt voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school bekend dat
@ -3473,6 +3470,13 @@ a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de
b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en
c. stelt Onze Minister het bevoegd gezag vervolgens vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen opheffing of de voorgenomen beëindiging van de bekostiging naar voren te brengen.
**3.**
Op een basisschool die minder dan 2 jaar wordt bekostigd en waarvan de kwaliteit van het onderwijs in deze periode zeer zwak is als bedoeld in artikel 10a, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag:
a. tekortschiet in de naleving van drie of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, en dientengevolge
b. tekortschiet in het zorgdragen voor de veiligheid op de school als bedoeld in artikel 4c, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel in het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid.
#### Afdeling 10. Onderwijsachterstandenbeleid
### Artikel 165
@ -3543,11 +3547,19 @@ Indien niet binnen een redelijke termijn met alle partijen, bedoeld in artikel 1
Vervallen
#### Afdeling 11. Verslaglegging en informatieverstrekking
### Artikel 170
Vervallen
**1.** Voor 1 mei van het kalenderjaar volgend op het besluit, bedoeld in artikel 75, derde lid, meldt het bevoegd gezag aan Onze Minister of de school uitgaat van een grondslag en zo ja, welke grondslag.
#### Afdeling 11. Verslaglegging en informatieverstrekking
**2.** Voor scholen die direct voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) reeds werden bekostigd, geldt als grondslag de op die datum geldende richting van de school.
**3.** Indien de school op enig moment alsnog uitgaat van een grondslag of indien de grondslag van de school wijzigt, wordt daarvan binnen vier weken melding gedaan aan Onze Minister.
**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de nevenvestiging indien die van een andere grondslag uitgaat dan de school.
**5.** Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de melding, bedoeld in het eerste en derde lid.
### Artikel 171
@ -3991,7 +4003,7 @@ Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 no
### Artikel 188e
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de gewijzigde systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe scholen in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.
## Hoofdstuk IV. Overgangsbepalingen
@ -4080,6 +4092,24 @@ Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de
**4.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 augustus van het vijfde schooljaar na inwerkingtreding van de in het tweede lid genoemde wet.
### Artikel 194e
**1.** Na inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) vindt nog één maal vaststelling plaats van een plan van scholen conform titel IV, afdeling 2, zoals luidend direct voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van genoemde wet.
**2.** Een school die is vermeld op het laatste plan van scholen dat is vastgesteld en door Onze Minister is goedgekeurd voor inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet en ten aanzien waarvan op dat tijdstip nog niet is beslist over aanvang van de bekostiging of die is vermeld op het plan van scholen dat is vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt aangemerkt als een school waarvoor Onze Minister op grond van artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de in het eerste lid genoemde wet heeft beslist dat zij voor bekostiging uit s Rijks kas in aanmerking wordt gebracht. Artikel 75, zesde, zevende en achtste lid, is van toepassing.
**3.** Op geschillen die in beroep aanhangig zijn of binnen de beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten die zijn genomen door Onze Minister op grond van het eerste lid of op grond van titel IV, afdeling 2, en daarop berustende bepalingen zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van de in het eerste lid genoemde wet blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 80 zoals luidend voor de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet strekt tot opneming van een school in het plan van scholen, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. De eerste volzin is hangende het, beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
**4.** Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op geschillen die betrekking hebben op de toepassing van artikel 84a, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van de in het eerste lid genoemde wet.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere uitvoeringsvoorschriften worden gesteld.
### Artikel 194f
**1.** Op aanvragen die voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) zijn ingediend op grond van artikel 64b blijft artikel 64c zoals dat artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van die wet, van toepassing.
**2.** Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 64a zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze gelden de dag voor deze wet in werking treedt. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
## Hoofdstuk V. Slotbepalingen
### Artikel 195