From f0adec4c35db105326545a61ff6f78f3ab3557cd Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Tue, 1 Jan 2002 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2002-01-01 | BWBR0011826 | Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren --- .../BWBR0011826/README.md | 103 ++++++++++-------- 1 file changed, 57 insertions(+), 46 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-bovenwettelijke-uitkeringen-bij-werkloosheid-van-rechterlijke-ambtenaren/BWBR0011826/README.md b/amvb/besluit-bovenwettelijke-uitkeringen-bij-werkloosheid-van-rechterlijke-ambtenaren/BWBR0011826/README.md index 03f20aa0695..b198a00f0a2 100644 --- a/amvb/besluit-bovenwettelijke-uitkeringen-bij-werkloosheid-van-rechterlijke-ambtenaren/BWBR0011826/README.md +++ b/amvb/besluit-bovenwettelijke-uitkeringen-bij-werkloosheid-van-rechterlijke-ambtenaren/BWBR0011826/README.md @@ -19,37 +19,42 @@ citeertitel: Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlij In dit besluit wordt verstaan onder -- aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk 3; -- aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk 2; -- AOW-gerechtigde leeftijd: de leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene ouderdomswet, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat; -- arbeidsongeschiktheidsuitkering: een ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekende uitkering; -- betrokkene: +a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie; +b. betrokkene: -1°. de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in vaste dienst die ten gevolge van een ontslag, niet zijnde een disciplinair strafontslag dan wel een ontslag wegens flexibel pensioen en uittreden, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, -2°. de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in vaste dienst die ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet; +1°. de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in vaste dienst en de rechterlijk ambtenaar in opleiding in vaste dienst die ten gevolge van een ontslag, niet zijnde een disciplinair strafontslag dan wel een ontslag wegens flexibel pensioen en uittreden, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, +2°. de niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar in vaste dienst en de rechterlijk ambtenaar in opleiding in vaste dienst die ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet; 3°. de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die ten gevolge van een ontslag op grond van artikel 46c, tweede en derde lid, artikel 46l, eerste en tweede lid, danwel artikel 46m van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet; 4°. de voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar die ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet. -- bovenwettelijke uitkering: aanvullende en aansluitende uitkering; -- dagloon: het dagloon, bedoeld in de artikelen 1b en 44 van de Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van de maximum loongrens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, verminderd met de tegemoetkoming van de werkgever strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering; -- diensttijd voor zover gelegen vóór 1 januari 1996:de tijd zoals die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene Burgerlijke Pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995;voor zover gelegen op of na 1 januari 1996:de tijd gedurende welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP; in beide gevallen met uitzondering van de tijd: +c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk 2; +d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk 3; +e. bovenwettelijke uitkering: aanvullende en aansluitende uitkering; +f. dagloon: het dagloon, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46 van de Werkloosheidswet, evenwel zonder toepassing van de maximum dagloongrens van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, verminderd met de tegemoetkoming van de werkgever strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering; +g. pensioenreglement: het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP; +h. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; +i. pensioen: het pensioen in de zin van het pensioenreglement; +j. diensttijd voor zover gelegen vóór 1 januari 1996:de tijd zoals die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene Burgerlijke Pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995;voor zover gelegen op of na 1 januari 1996:de tijd gedurende welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP; in beide gevallen met uitzondering van de tijd: 1°. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een wachtgeld of van een uitkering ter zake van onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid; 2°. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd door ontslag van langer dan één jaar; 3°. bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement; bij de bepaling van de diensttijd wordt in voorkomend geval de diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals dat luidde op 31 december 1995, mede in aanmerking genomen; het verzoek, bedoeld in artikel D2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet wordt daarbij geacht te zijn gedaan; indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van de bovenwettelijke uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van de bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten; -- minimumloon: het minimumloon, bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; -- Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; -- pensioen: het pensioen in de zin van het pensioenreglement; -- pensioenreglement: het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. +k. suppletie: een suppletie krachtens de suppletieregeling, bedoeld in artikel 33 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. -**2.** Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag een korting wordt toegepast op grond van artikel 6, 8d of 8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, wordt voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde korting. +**2.** Indien op het salaris van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag een inhouding wordt toegepast op grond van artikel 38a of de artikelen 38b en 38c van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, wordt voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitgegaan van het dagloon zoals dat zou zijn vastgesteld indien geen sprake was geweest van bedoelde inhouding. ### Artikel 2 -**1.** De uitkeringsduur van de bovenwettelijke uitkering bedraagt drie maal de uitkeringsduur zoals vastgesteld op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 4, van de Werkloosheidswet. +**1.** -**2.** De uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, indien het moment van ontslag maximaal acht jaar ligt voor de op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd en hij direct voorafgaand aan het ontslag een voor pensioen geldige diensttijd van ten minste tien jaar heeft volbracht. +Met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat wordt de duur van de uitkering vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene: + +a. die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een periode gelijk aan 18% van de diensttijd; +b. die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmend met 1,5%; +c. die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd. + +**2.** De duur van de uitkering van betrokkene die ten tijde van het ontslag 55 jaar of ouder is en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van tenminste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn, welke op basis van het eerste lid is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. ## Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid @@ -57,35 +62,31 @@ bij de bepaling van de diensttijd wordt in voorkomend geval de diensttijd, bedoe **1.** De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan op de dag waarop het ontslag in werking treedt. -**2.** Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3, alsmede de artikelen 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing. +**2.** Op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, zijn de afdelingen I van hoofdstukken IIA en IIB, alsmede de artikelen 47, tweede en derde lid, 75, 76 en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing. -**3.** In afwijking van het tweede lid, is artikel 41 van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, en is artikel 47a van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering voor zover de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen. +**3.** In afwijking van het tweede lid, is artikel 41 van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, bedoeld in het eerste lid, en zijn de artikelen 34 en 35 van de Werkloosheidswet slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering voor zover de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen. ### Artikel 4 -**1.** De uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt aangevuld tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon. +**1.** Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van artikel 2, ten minste gelijk is aan de duur van de uitkering, berekend op basis van de artikelen 42, 49 dan wel 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet gedurende de eerste 12 maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en gedurende de daaropvolgende periode tot 70% van het voor betrokkene geldende dagloon aangevuld. -**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet steeds geacht door betrokkene onverminderd te zijn genoten. +**2.** Indien de duur van de uitkering, berekend op basis van artikel 2, korter is dan de duur van de uitkering, berekend op basis van de artikelen 42, 49 dan wel 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering krachtens de artikelen 42 en 52g van de Werkloosheidswet gedurende de eerste twaalf maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld. Gedurende de vervolguitkering, bedoeld in artikel 49 van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet tot 100% van het minimumloon aangevuld, met dien verstande dat dit nooit meer bedraagt dan 70% van het dagloon. + +**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Werkloosheidswet steeds geacht door betrokkene onverminderd te zijn genoten. ### Artikel 5 **1.** Indien de betrokkene gedurende de periode dat hij recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, wegens ziekte verhinderd wordt arbeid te verrichten en deswege een uitkering geniet krachtens de Ziektewet wordt de uitkering krachtens de Ziektewet zolang een uitkering krachtens de Ziektewet wordt genoten, aangevuld tot de percentages van het dagloon bedoeld in artikel 4, met inachtneming van de daaraan voorafgaande termijn waarover betrokkene recht op een aanvullende uitkering heeft gehad. -**2.** Indien het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet na afloop van de periode, waarin de Ziektewet op betrokkene van toepassing is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn waarin de Ziektewet op hem van toepassing is geweest met inachtneming van hetgeen hieromtrent in artikel 43, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet is bepaald, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4. +**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering krachtens de Ziektewet die betrokkene in verband met haar bevalling heeft gedurende zestien weken na de dag waarop de bevalling plaatsvond, verminderd met het aantal dagen waarover ziekengeld is uitgekeerd of door toepassing van artikel 31, tweede lid, van de Ziektewet geen ziekengeld is ontvangen, in de periode vanaf de eerste dag waarop de bevalling binnen zes weken was te verwachten tot en met de vermoedelijke datum van die bevalling of, indien eerder gelegen tot en met de werkelijke datum van de bevalling, aangevuld tot 100% van het voor haar geldende dagloon. -**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten. +**3.** Indien het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet na afloop van de periode, waarin de Ziektewet op betrokkene van toepassing is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan deze periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn waarin de Ziektewet op hem van toepassing is geweest met inachtneming van hetgeen hieromtrent in artikel 43, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet is bepaald, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4. -### Artikel 5a - -**1.** Indien de betrokkene gedurende de periode dat zij recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie onderscheidenlijk het opnemen van een pleegkind in het genot komt van een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg, wordt de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg gedurende de periode waarin de betrokkene in het genot hiervan is, aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon. - -**2.** Indien het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet na afloop van de periode waarin de betrokkene in het genot van een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg is geweest, herleeft, tellen zowel de termijn waarover betrokkene voorafgaand aan die periode recht heeft gehad op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet als de termijn gedurende welke krachtens de Wet arbeid en zorg een uitkering is genoten, mee voor het vaststellen van de hoogte van de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 4. - -**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten. +**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de uitkering krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten. ### Artikel 6 -**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de uitkering, bedoeld in artikel 35 of 36 van de Ziektewet aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon. +**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt de uitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet aangevuld tot 100% van het voor betrokkene geldende dagloon. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de uitkering krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten. @@ -99,29 +100,31 @@ Indien ten aanzien van de uitkering die betrokkene krachtens de Werkloosheidswet **1.** Indien op het moment van ontslag de duur van de uitkering berekend op basis van artikel 2, langer is dan de duur van de uitkering berekend op basis van de Werkloosheidswet, heeft de betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet heeft bereikt, met ingang van dat moment recht op een aansluitende uitkering, met dien verstande dat de verloren arbeidsuren waarvoor hij geen betrokkene is, geen aanspraak geven op een uitkering krachtens dit besluit. -**2.** Op de aansluitende uitkering zijn hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 3 en de artikelen 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing. +**2.** Op de aansluitende uitkering zijn afdeling I van hoofdstuk IIA en de artikelen 75, 76 en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing. **3.** In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op een aansluitende uitkering niet voor zover de betrokkene: -a. recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Werkloosheidswet; of +a. recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b, van de Werkloosheidswet; of b. geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a of b van de Werkloosheidswet vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de in artikel 19 van de Werkloosheidswet genoemde wetten is geëindigd; of c. niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden in verband met een situatie als bedoeld in onderdeel a of b. -**4.** In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdeel h, en 20, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste lid. +**4.** In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdeel i, en 20, eerste lid, onderdeel e, van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste lid. -**5.** Het recht op een aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, doch uiterlijk op de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. +**5.** Het recht op een aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, doch uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. ### Artikel 9 -De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2, verminderd met de ter zake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet. +De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2, eerste en tweede lid, verminderd met de ter zake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet. ### Artikel 10 -**1.** De aansluitende uitkering bedraagt 70% van het voor betrokkene geldende dagloon. +**1.** De aansluitende uitkering bedraagt voor de betrokkene gedurende de eerste twaalf maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75%, en vervolgens 70% van het voor hem geldende dagloon. Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, tweede lid, is de uitkering gelijk aan 70% van het dagloon. -**2.** Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering is artikel 1b, van de Werkloosheidswet van toepassing. +**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de termijn waarin betrokkene eerst recht heeft gehad op een aanvullende uitkering. + +**3.** Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering zijn de artikelen 45 en 47, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet en artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en de daarop gebaseerde dagloonregels van toepassing. ### Artikel 11 @@ -133,11 +136,17 @@ De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende ### Artikel 12 -Vervallen +**1.** Voor de betrokkene, die ter zake van een zelfde ontslag recht op een bovenwettelijke uitkering en recht op een suppletie heeft, komt gedurende de termijn dat hij recht heeft op die suppletie het recht op een bovenwettelijke uitkering niet tot uitbetaling. + +**2.** De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, heeft met ingang van de eerste dag volgende op die waarop de suppletie is geëindigd, recht op een bovenwettelijke uitkering, voor de periode dat de duur van de bovenwettelijke uitkering, waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij geen recht op suppletie zou hebben gehad, langer is dan de duur van de suppletie. + +**3.** Ter bepaling van de hoogte van de bovenwettelijke uitkering wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid. + +**4.** De bovenwettelijke uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de bovenwettelijke uitkering. ### Artikel 13 -**1.** De betrokkene, die recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer dan wel een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, of ingevolge hoofdstuk 6 of 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% waardoor recht ontstaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Indien de in de eerste volzin bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen wordt het recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. +**1.** De betrokkene, die recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% waardoor recht ontstaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Indien de uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedoeld in de eerste volzin, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen wordt het recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. **2.** Ter bepaling van de duur van de bovenwettelijke uitkering krachtens artikel 2 wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid. @@ -163,9 +172,11 @@ Vervallen **5.** De aanvraag om loonaanvulling wordt binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking ingediend. De loonaanvulling wordt door middel van een beschikbaar gesteld formulier aangevraagd. Bij overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag werd ingediend. +**6.** De loonaanvulling telt niet mee voor de berekening van het pensioen. + ### Artikel 16 -Aan de betrokkene, die buiten de rijksdienst arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, kan op zijn aanvraag ter zake van de kosten, die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een eenmalige tegemoetkoming worden toegekend van € 1 361 onder verrekening van een tegemoetkoming in verhuiskosten uit anderen hoofde. +Aan de betrokkene, die buiten de rijksdienst arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, kan op zijn aanvraag ter zake van de kosten, die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een eenmalige tegemoetkoming worden toegekend van € 1 361 onder verrekening van een tegemoetkoming in verhuiskosten uit anderen hoofde. ### Artikel 17 @@ -173,19 +184,19 @@ Op aanvraag van de betrokkene kan het recht op de bovenwettelijke uitkering voor ### Artikel 18 -In afwijking van de artikelen 4 en 10 bedraagt het percentage 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) op de betrokkene van toepassing is. +In afwijking van de artikelen 4 en 10 bedraagt het percentage 77% in plaats van 80%, 72% in plaats van 75%, 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) op de betrokkene van toepassing is. ### Artikel 19 **1.** Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een algemeen neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien na overleg met de Sectorcommissie rechterlijke macht, genoemd in artikel 50, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren anders wordt overeengekomen, binnen zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene, vanaf de datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. -**2.** Indien in het overleg, bedoeld in het eerste lid, een geschil ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging, in afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan de commissie, bedoeld in artikel 51, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. +**2.** Indien in het overleg, bedoeld in het eerste lid, een geschil ontstaat, wordt de doorvoering van de neerwaartse wijziging, in afwijking van het eerste lid, opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil voor advies dan wel arbitrale uitspraak is voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 53 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. -**3.** Indien de in het tweede lid bedoelde commissie blijkens zijn advies of arbitrale uitspraak geen bedenkingen heeft tegen doorvoering van de neerwaartse wijziging, wordt de maatregel op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene vanaf de datum van inwerkingtreding daarvan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. Indien de datum van inwerkingtreding van de bedoelde maatregel is gelegen op een tijdstip vóór het uitbrengen van het advies dan wel vóór de arbitrale uitspraak, vindt de doorvoering plaats vanaf de eerste dag na de maand waarin het advies is uitgebracht dan wel de arbitrale uitspraak is gedaan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. +**3.** Indien de Advies- of Arbitragecommissie blijkens zijn advies of arbitrale uitspraak geen bedenkingen heeft tegen doorvoering van de neerwaartse wijziging, wordt de maatregel op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene vanaf de datum van inwerkingtreding daarvan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. Indien de datum van inwerkingtreding van de bedoelde maatregel is gelegen op een tijdstip vóór het uitbrengen van het advies dan wel vóór de arbitrale uitspraak, vindt de doorvoering plaats vanaf de eerste dag na de maand waarin het advies is uitgebracht dan wel de arbitrale uitspraak is gedaan, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is geplaatst. ### Artikel 20 -Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris, van de vakantieuitkering en van de eindejaarsuitkering van rechterlijke ambtenaren, met ingang van de dag waarop die wijziging van het salaris, de vakantieuitkering respectievelijk de eindejaarsuitkering van kracht wordt. +Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantie-uitkering van rechterlijke ambtenaren, met ingang van de dag waarop de salariswijziging respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering van kracht wordt. ### Artikel 21 @@ -193,7 +204,7 @@ Wijzigt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. ### Artikel 22 -**1.** Ontslaguitkeringen die aan de betrokkene zijn toegekend krachtens artikel 39, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren zoals dat luidde vóór het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, blijven gehandhaafd voor de duur van de uitkering. +**1.** Ontslaguitkeringen die aan de betrokkene zijn toegekend krachtens artikel 39, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren zoals dat luidde vóór het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, blijven gehandhaafd voor de duur van de uitkering, met dien verstande dat bedoelde uitkeringen vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 54 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, uitsluitend worden gehandhaafd wat betreft: a. de hoogte en de duur; b. de anti-cumulatie, mits betrokkene in de zes maanden voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit gedurende tenminste drie maanden neveninkomsten uit arbeid of bedrijf heeft genoten. De anti-cumulatie blijft alsdan gehandhaafd gedurende ten hoogste tien jaren dan wel gedurende ten hoogste 15 jaren indien betrokkene op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit 50 jaar of ouder is. **2.** De rechterlijk ambtenaar die voor of op 31 december 1999 in tijdelijke dienst is aangesteld en die tot de datum van ontslag, die ligt op of na 1 januari 2001, onafgebroken in tijdelijke dienst is geweest, heeft recht op een aanvullende uitkering overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2.