From f11ee3d436d7c0b51ca83c81e4734801857be552 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Mon, 1 Apr 2013 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2013-04-01 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C) --- .../BWBR0012288/README.md | 8525 ++++++----------- 1 file changed, 2833 insertions(+), 5692 deletions(-) diff --git a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md index cfdf3cdfeae..ad8b8e716ef 100644 --- a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md +++ b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md @@ -3,2889 +3,325 @@ titel: Vreemdelingencirculaire 2000 (C) bwb_id: BWBR0012288 type: circulaire status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2007-01-03' +datum_inwerkingtreding: '2013-04-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0012288 citeertitel: Vreemdelingencirculaire 2000 (C) --- # Vreemdelingencirculaire 2000 (C) -## 1. Karakter van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd - -### 1. Bescherming - -De verblijfsvergunning asiel is bedoeld voor het bieden van bescherming tegen vervolging en bepaalde onverantwoorde risico’s bij terugkeer in het land van herkomst. De bescherming is niet beperkt tot de gronden van het Vluchtelingenverdrag. De gronden waarop de verblijfsvergunning asiel kan worden verleend, worden genoemd in artikel 29 Vw (zie C2). - -### 2. Bevoegdheid - -Een asielaanvraag wordt, behoudens enkele uitzonderingen (zie C9/2), ingediend bij de Minister, die ook bevoegd is om een verblijfsvergunning asiel te verlenen, dan wel de aanvraag af te wijzen. De IND is namens de Minister belast met de beoordeling van asielaanvragen. - -### 3. Geldigheidsduur - -Op grond van artikel 3.105, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in beginsel verleend of verlengd voor de duur van vijf jaar. Artikel 3.105, tweede lid, Vb geeft aan dat in het Vb gevallen kunnen worden aangewezen waarin de verblijfsvergunning voor minder dan vijf jaar wordt verleend of verlengd, maar schrijft daarnaast voor dat indien de vergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw de verlening of verlenging minimaal voor drie jaar is en dat indien de vergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw de verlening of verlenging minimaal voor één jaar is. Het Vb wijst vooralsnog geen gevallen aan waarin de geldigheidsduur korter dan vijf jaar is (voor de ingangsdatum zie C21/1.1). - -Aan de verblijfsvergunning zijn geen voorschriften verbonden. - -Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven (zie C7 en C17). - -In plaats van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, kan de vreemdeling er ook voor kiezen een aanvraag voor verlenging van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. In de praktijk zal van deze mogelijkheid alleen gebruik worden gemaakt wanneer de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven en om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De vreemdeling komt in aanmerking voor verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, tenzij zich één van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw voordoet. - -### 4. Arbeidsmarktaantekening - -De arbeidsmarktaantekening bij de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. - -## 2. De inwilligingsgronden +## C1. Asiel algemeen ### 1. Inleiding -Artikel 29, eerste lid, Vw bevat de gronden waarop een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend. De toepasselijkheid van deze gronden wordt getoetst in de volgorde waarin deze gronden in de wet voorkomen (zie C14/2). +In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in: -### 2. De vreemdeling is verdragsvluchteling +• paragraaf 1 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikelen 36 en 37 Vw en van de artikelen 3.109 tot en met 3.115 Vb en 3.118 Vb; +• paragraaf 2 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 29 en 30 Vw. -#### 2.1. Algemeen +De IND behandelt de informatie die de vreemdeling verstrekt op grond van artikel 3.111 lid 1 Vb en 3.45 VV, strikt vertrouwelijk met inachtneming van de Wbp en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen, waarin de vreemdeling is geregistreerd. De IND verstrekt geen informatie over de vreemdeling aan derden, anders dan op grond van wettelijke verplichtingen of met de uitdrukkelijke toestemming van de vreemdeling. -Onder vluchtelingen worden vreemdelingen verstaan die voldoen aan de omschrijving van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Het betreft vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land, waarin zij gegronde vrees hebben voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep. - -Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De vluchteling is derhalve niet pas vluchteling op het moment van de uitspraak van de beoordelende staat. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir. - -De status van vluchteling waarborgt de bescherming voortvloeiende uit het Vluchtelingenverdrag. Dat is met name de bescherming op grond van artikel 33 Vluchtelingenverdrag: de vluchteling zal niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement). - -Uit het Vluchtelingenverdrag vloeit niet de verplichting voort om een vluchteling een verblijfsvergunning te verlenen. Deze verplichting is echter wel geregeld in artikel 3.105b Vb. - -Ingevolge artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag kan slechts in geval van hoge uitzondering geen aanspraak worden gemaakt op de voordelen van deze bepalingIn artikel 3.105b Vb (zie ook C4/3.11.1.2) is neergelegd op welke grond een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet kan worden geweigerd. - -##### 2.1.1 - -In artikel 3.35 VV is beschreven waar onder meer rekening mee gehouden dient te worden bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een asielzoeker in aanmerking kan komen voor vluchtelingschap. Voorts wordt ten behoeve van de toets aan geloofwaardigheid en zwaarwegendheid verwezen naar C14/2 en C14/3. - -Voorzover het gaat om minderjarige asielzoekers, wordt verwezen naar de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus. Deze bevatten specifieke aandachtspunten over de bepaling van vluchtelingschap van alleenstaande minderjarigen. Hierin staat onder meer dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap rekening moet worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige. - -#### 2.2. De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag - -Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen deze personen van rechtswege onder het Vluchtelingenverdrag vallen. - -Deze bepaling is van toepassing op staatloze Palestijnen die onder het mandaat vallen van de UNRWA. Deze gebieden bevinden zich in Jordanië, Libanon, Syrië en in de door Israël bezette gebieden. Het Vluchtelingenverdrag is dus niet op hen van toepassing. Deze personen komen gezien de bewoordingen van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van deze bepaling. - -Indien een Palestijn zich niet meer in het mandaatgebied van de UNRWA bevindt, valt de uitsluitingsgrond van artikel 1D, eerste paragraaf, Vluchtelingenverdrag weg en is het Vluchtelingenverdrag weer van toepassing. Dit betekent echter niet dat automatisch een verblijfsvergunning asiel zou moeten worden verleend. Van betrokkene mag immers worden verwacht dat hij zich weer naar dat mandaatgebied begeeft teneinde opnieuw de bescherming van de UNRWA in te roepen. - -Dit is alleen anders wanneer de vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij niet naar UNRWA-gebied kan terugkeren omdat hij binnen het mandaatgebied van de UNRWA gegronde vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging heeft en hij daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Aan de vreemdeling kan in dat geval op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. - -Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning in Nederland (zie C4/3.11.3). - -#### 2.3. Uitgangspunten beoordeling vervolging - -Of iemand als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de betrokken persoon vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of de persoon in een voor hem gevaar opleverende mate persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken. - -In beginsel is het mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een bevolkingsgroep in zijn geheel vervolging te duchten heeft. Zo'n groep kan bestaan uit leden van een bepaalde politieke partij, aanhangers van een bepaalde godsdienst, leden van een bepaalde etnische of sociale groep of van een bepaalde nationaliteit. Wanneer alle leden van zo'n groep te vrezen hebben voor vervolging, spreekt men van groepsvervolging. In Nederland is tot op heden nooit geoordeeld dat er sprake was van groepsvervolging. - -Vaststelling van vluchtelingschap vindt ook in geval van groepsvervolging plaats op individuele basis. - -##### 2.3.1. Actoren van vervolging - -Verwezen wordt naar artikel 3.37a VV. - -##### 2.3.2. Daden van vervolging - -Allereerst wordt verwezen naar artikel 3.36 VV. - -Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake indien de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. - -Indien discriminatie leidt tot uitsluiting van medische zorg, kan er sprake zijn van vluchtelingschap. Dit is het geval indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat: - -a. hij bij terugkeer naar het land van herkomst (geheel of gedeeltelijke) uitsluiting van medische zorg te duchten zal hebben; -b. deze uitsluiting plaatsvindt op één van de verdragsrechtelijke vervolgingsgronden; en -c. hierdoor voor hem ernstige medische consequenties zullen ontstaan. - -Het gaat hier om een asielrechtelijke toets. Om die reden kan enkel de uitsluiting op discriminatoire gronden leiden tot vluchtelingschap. Deze toets houdt dan ook geen verband met de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van adequate medische zorg in het herkomstland noch met de vraag naar de beschikbare behandelmogelijkheden in het land van herkomst. - -Van ernstige medische consequenties is sprake, indien de onthouding van medische zorg voor de vreemdeling levensbedreigend zal zijn, dan wel invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade zal veroorzaken. Dit is hetzelfde criterium als dat van de medische noodsituatie (zie B8/2.1). Voor de procedurele aspecten bij de adviesaanvraag, zie B8/3. - -##### 2.3.3. Actoren van bescherming - -Vervolging wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging, zie artikel 3.37c VV ( zie ook C4/2.2). - -##### 2.3.4. Binnenlands vluchtalternatief - -De asielzoeker, van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3). - -##### 2.3.5. Individualiseringsvereiste/groepsvervolging - -In het geval een groep in een land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van (gewelds)daden van ernstige mensenrechtenschendingen om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep is er sprake van groepsvervolging. Indien sprake is van een dergelijke situatie voor een specifieke groep zal dat in het landgebondenbeleid worden opgenomen. Er zal niet snel sprake zijn van een situatie waarbij een hele groep systematisch wordt blootgesteld. - -In het geval van groepsvervolging zal voor een vreemdeling die zich beroept op het behoren tot deze groep het individualiseringsvereiste beperkt zijn. De vreemdeling dient slechts aannemelijk te maken dat hij tot deze groep behoort. - -Indien geen sprake is van groepsvervolging wordt op individuele basis beoordeeld of iemand als vluchteling moet worden beschouwd. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de betrokken vreemdeling vluchteling is. - -Personen die behoren tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden asielbeleid is aangewezen als een risicogroep kunnen reeds met geringe indicaties aannemelijk maken dat hun gestelde problemen om redenen van één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing. (zie C14/3.6). - -Een groep kan als risicogroep worden aangewezen als blijkt dat vervolging van personen behorend tot deze groep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging. Ook indien de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan aanwijzing als risicogroep aan de orde zijn. - -#### 2.4. Land van herkomst - -Onder ‘land van herkomst’ wordt verstaan het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft. - -Indien de vreemdeling door geen enkel land als onderdaan wordt erkend, moet hij worden aangemerkt als staatloze. In dat geval dient, vóór de beoordeling of betrokkene gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst, eerst het land van herkomst te worden vastgesteld. - -Als land van herkomst van een staatloze dient te worden aangemerkt een land waar de staatloze persoon heeft verbleven en dat vanwege de aard en duur van het verblijf en de banden die die persoon met het land heeft, kan worden gezien als zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘Country of former habitual residence’). Bepalend hiervoor is de vraag of de vreemdeling in het betreffende land het centrum van zijn activiteiten (werk, wonen, familie) heeft. - -#### 2.5. Discriminatie als vervolging - -##### 2.5.1. Algemeen - -20112332423-12-201116-12-2011WBV2011/1720112332423-12-201116-12-2011WBV2011/1701-01-2012 - -##### 2.5.2. Discriminatoire uitsluiting van noodzakelijke medische zorg - -20112332423-12-201116-12-2011WBV2011/1720112332423-12-201116-12-2011WBV2011/1701-01-2012 - -#### 2.6. Refugiés sur place - -De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt, heet refugié sur place. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken. - -Ten eerste kan iemand een refugié sur place worden, doordat tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst de omstandigheden in het land van herkomst zich zodanig wijzigen, bijvoorbeeld door een machtswisseling, waardoor hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie artikel 3.37b, eerste lid, VV). - -Ten tweede is het mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst, bijvoorbeeld door het deelnemen aan demonstraties gericht tegen het eigen regime, het aanbieden van petities aan de ambassade van zijn land, of het publiceren van kritische stukken over de politieke situatie in zijn land, gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren. - -Deze activiteiten kunnen met name aanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van het gedrag dat in het land van herkomst aanleiding had kunnen geven tot moeilijkheden, dus een voortzetting van activiteiten die de asielzoeker in het land van herkomst heeft ontplooid (zie artikel 3.37b, tweede lid, VV). De continuïteit van de gedragingen is geen absoluut vereiste om aangemerkt te worden als refugié sur place. - -Voor het verlenen van een vergunning op deze grond geldt als voorwaarde dat de autoriteiten in het land van herkomst van de hier bedoelde activiteiten op de hoogte zijn of kunnen geraken en dat het bekend zijn van deze activiteiten een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert. - -#### 2.7. Beoordeling elementen vervolgingsgronden - -Voor de elementen waarmee rekening gehouden dient te worden bij de beoordeling van de vervolgingsgronden wordt verwezen naar artikel 3.37 VV. - -##### 2.7.1. Godsdienst - -In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.36 VV kan vervolging om reden van godsdienst zich ook nog op andere manieren voordoen, denk bijvoorbeeld aan het verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs en ernstige discriminerende maatregelen tegen personen met een bepaalde godsdienstige overtuiging. - -Er bestaat geen verplichting om een vreemdeling bescherming te bieden op grond van het Vluchtelingenverdrag indien de betreffende vreemdeling in zijn/haar land van herkomst zijn godsdienst niet op gelijke wijze kan uitoefenen als hier te lande. - -Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzocht worden of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd. - -Van personen die in het land van herkomst een (minderheids)godsdienst aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloof verborgen heeft gehouden. - -Evenmin mag van de vreemdeling worden verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen. - -Ook indien de vreemdeling verklaart dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloof terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die betrokkene anders loopt kan sprake zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. - -Derhalve zal beoordeeld moeten worden of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen indien hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde – voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke – handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging. - -##### 2.7.2. Politieke overtuiging - -Indien de asielaanvrager een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging. - -(Politiek) Verzet tegen genitale verminking kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap. - -Indien er een reëel risico is op genitale verminkingen zonder dat dit leidt tot de conclusie dat er sprake is van verdragsrechtelijke vervolging, is C2/3.2 van toepassing. - -#### 2.8. Politieke overtuiging - -20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 - -#### 2.9. Nationaliteit en ras - -20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 - -#### 2.10. Sociale groep - -##### 2.10.1. Algemeen - -In artikel 3.37, eerste lid, onder d, VV is opgenomen onder welke omstandigheden een groep wordt geacht een ‘specifieke sociale groep’ te vormen. Deze omschrijving functioneert als restcategorie ten opzichte van de overige vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag. - -##### 2.10.2. Gender (gerelateerde aspecten) - -Deze paragraaf ziet naast de homoseksuele asielzoeker ook op beoordeling van de asielaanvraag van de lesbische, biseksuele en transgender asielzoeker. - -Indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij of zij problemen heeft ondervonden of zal ondervinden als gevolg van zijn of haar (toegedichte) homoseksuele gerichtheid, kan dit onder omstandigheden leiden tot de conclusie dat betrokkene vluchteling is in de zin van het Verdrag. - -Bij de toets of de homoseksuele asielzoeker wordt aangemerkt als Vluchteling wordt eerst door de IND beoordeeld of betrokkene op grond van zijn seksuele gerichtheid is, of dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld zo ernstig van aard dat zij een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen. - -Indien daar geen sprake van is, wordt beoordeeld of ten aanzien van de asielzoeker op grond van de seksuele gerichtheid maatregelen worden uitgevoerd die discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd en voldoende ernstig zijn om te spreken van daden van vervolging in de zin van het Vluchtelingverdrag. - -Voor deze beoordeling van de daden wordt verwezen naar artikel 3.36 VV(zie ook paragraaf C2/2.3.2). - -De IND beoordeelt of en in welke mate aan de homoseksuele asielzoeker beperkingen worden opgelegd bij het bekend zijn of worden van de seksuele gerichtheid in de directe (leef)omgeving van de asielzoeker. Indien uit de verklaringen van de vreemdeling danwel uit algemene informatie kan worden afgeleid dat de positie van homoseksuelen dusdanig is dat bij het bekend geraken van de seksuele gerichtheid de vreemdeling een voorzienbaar risico loopt te worden blootgesteld aan daden van geweld die zo ernstig van aard zijn dat zij een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen, komt de vreemdeling in aanmerking voor bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. - -Van een homoseksuele asielzoeker wordt niet verlangd dat hij zijn gerichtheid verborgen houdt, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn gerichtheid verborgen heeft gehouden. - -De omstandigheid dat de algehele situatie met zich brengt dat de vreemdeling in zijn land van herkomst niet op vergelijkbare wijze als in Nederland uiting kan geven aan diens homoseksualiteit, is op zich onvoldoende om voor verblijf in aanmerking te komen. Het is immers niet aan Nederland om te garanderen dat de hier te lande bestaande vrijheden ook bestaan in het land van herkomst. De situatie in het land van herkomst kan dan ook met zich meebrengen dat de vreemdeling een bepaalde mate van terughoudendheid betracht bij het uiting geven aan zijn homoseksuele gerichtheid, om aldus te voorkomen dat problemen ontstaan die in samenhang bezien, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van vervolging. - -Deze terughoudendheid mag echter niet dusdanig ver strekken, dat geoordeeld wordt dat de vreemdeling niet op betekenisvolle wijze invulling kan geven aan zijn seksuele gerichtheid. - -Indien sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. Hierbij is van belang of uit algemene informatie blijkt of de autoriteiten in het land van herkomst homoseksuelen of homoseksuelen handelingen actief (strafrechtelijk) vervolgen. Voorts moet de asielzoeker aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging en dat er sprake is van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo zal een enkele boete veelal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. - -Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten tegen daden van geweld om redenen van de seksuele gerichtheid niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst, ongeacht het gewicht van de bestraffingsmaatregel. - -Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. In het asielbeleid is het individualiseringsvereiste het uitgangspunt. - -#### 2.11. Bijzondere aandachtspunten als de asielzoeker een vrouw is - -20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 - -#### 2.12. Vervolging wegens dienstweigering of desertie - -Strafvervolging wegens het ontduiken van dienstplicht wordt in beginsel niet gekwalificeerd als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. - -In een aantal gevallen kan dienstweigering of desertie leiden tot vluchtelingschap. Het UNHCR Handboek heeft deze gevallen beschreven in de paragrafen 168 tot en met 172. In het beleid is de volgende lijn uitgezet. - -Het enkele feit dat een vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd en hiervoor bestraffing te duchten heeft, is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de betrokken vreemdeling vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook de enkele angst om te worden ingezet in een gewapend conflict is hiervoor niet voldoende. - -Een dienstweigeraar of deserteur is vluchteling indien hij: - -a. vanwege zijn ras, religie, nationaliteit, zijn lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf wegens dienstweigering of desertie of als hij vanwege (één van) de in de aanhef van deze categorie genoemde redenen gegronde vrees heeft voor andere discriminatoire behandeling dan bovenmatige bestraffing of tenuitvoerlegging van een straf; -b. tot zijn weigering komt doordat hij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van zijn godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging die zijn dienstweigering of desertie voorschrijven en er in zijn land van herkomst geen mogelijkheid is om ter vervanging van militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen; -c. is gekomen tot dienstweigering of desertie, omdat hij niet betrokken wenst te worden bij een (soort) militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook indien hij tot desertie of dienstweigering heeft besloten, omdat hij gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie. - -Bij deze categorie is de dienstweigering of desertie niet de oorzaak van de vervolging. De oorzaak is gelegen in de omstandigheid dat de asielzoeker behoort tot een van de genoemde groeperingen. De dienstweigering of desertie is slechts een aanleiding om tot vervolgingsmaatregelen over te gaan.Het enkele feit dat de dienstweigering wordt bestraft, leidt hier dan ook niet tot de conclusie dat de asielzoeker vluchteling is. Het gaat om dat gedeelte van de bestraffing (hetzij een verhoogde strafmaat, hetzij een verzwaarde tenuitvoerlegging) waarin tot uiting komt dat hier sprake is van een discriminatoire maatregel of een andere vervolgingshandeling, die in andere gevallen niet wordt opgelegd. Vervolging wegens het behoren tot een van deze groeperingen leidt ook in het algemene vluchtelingenrecht al tot de conclusie dat de asielzoeker vluchteling is. Het is in deze gevallen dus ook mogelijk dat de vervolging langs andere weg dan via bestraffing wegens dienstweigering of desertie tot uiting komt en dat de asielzoeker op grond daarvan als vluchteling moet worden aangemerkt. - -Bij deze categorie gaat het om een evenwicht tussen het onvervreemdbare recht van een staat om zich te verdedigen en het eveneens onvervreemdbare recht van het individu op gewetensvrijheid. Dit evenwicht kan daaruit blijken dat aan het individu de mogelijkheid wordt geboden om een vervangende, niet-militaire dienstplicht te vervullen. - -Indien die mogelijkheid in het land van herkomst niet wordt geboden, kan een gedwongen vervulling van de dienstplicht, ofwel de bestraffing van de dienstweigering of desertie, leiden tot vluchtelingschap, indien de asielzoeker ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen de vervulling van de dienstplicht. - -Bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap is bij deze categorie niet vereist dat er sprake is van een discriminatoire of onevenredige bestraffing zoals genoemd onder a. Immers, in dit geval is er sprake van een inbreuk op de gewetensvrijheid van het individu die tot vluchtelingschap kan leiden. Zoals ook met betrekking tot andere vervolgingsgronden het geval is, moet er wel sprake zijn van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo is een enkele boete onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. - -De categoriebeschrijving geeft aan dat het moet gaan om ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren (zie het UNHCR Handboek, paragraaf 170, aangeduid als ‘valid reasons of conscience’) op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging. De asielzoeker moet dus kunnen aangeven op welke (geloofs)overtuiging hij zijn gewetensbezwaren baseert en waarom deze overtuiging zijn dienstweigering of desertie voorschrijft. De gewetensbezwaren dienen zich te richten tegen het gebruik van geweld in het algemeen. Vanzelfsprekend mogen aan een goed geschoold persoon hogere eisen worden gesteld over de wijze waarop dit wordt onderbouwd dan aan een zeer jeugdig of ongeletterd persoon.Een en ander dient te worden gekoppeld aan de resoluties van de Mensenrechtencommissie van de VN 1987/146, 1989/59 en 1991/65, waarin wordt erkend dat het hebben van gewetensbezwaren tegen militaire dienst een legitieme uitoefening is van het recht op denken, geweten en godsdienst als neergelegd in artikel 18 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. - -Hier is eigenlijk sprake van twee subcategorieën: er is sprake van een militaire actie die ofwel is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag, ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. - -Voor wat betreft de eerste subcategorie gelden als veroordeling door de internationale gemeenschap een veroordeling door de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering van de VN of de Algemene Raad/Raad van Ministers van de EU. Een resolutie van het Europees Parlement en een verklaring van de Secretaris-Generaal van de VN kunnen niet als zodanig worden beschouwd. Een dergelijke veroordeling dient te bevatten dat de militaire actie als zodanig als onrechtmatig wordt aangemerkt. - -Voor de beoordeling of een militaire actie behoort tot de tweede subcategorie is een dergelijke internationale veroordeling niet vereist. Hier moet zijn vastgesteld dat de betreffende militaire actie systematisch strijd oplevert met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Met deze fundamentele normen wordt in de eerste plaats gedoeld op de Geneefse Verdragen van 1949, met name het gezamenlijk artikel 3 van deze Verdragen en de twee Protocollen bij deze Verdragen van 1977.Zo’n vaststelling kan worden gedaan door de Veiligheidsraad of in mindere mate, de Algemene Vergadering van de VN of een daartoe bevoegde rechtbank, zoals het Internationaal Gerechtshof in 's-Gravenhage, het Joegoslavië-tribunaal of het Rwanda-tribunaal. - -Indien aannemelijk is dat bestraffing zal plaatsvinden omdat de asielzoeker geweigerd heeft aan een dergelijke militaire actie deel te nemen, of omdat hij de eerst mogelijke gelegenheid heeft aangewend om te deserteren, kan dit leiden tot de conclusie dat hij vluchteling is. Wel dient te worden nagegaan of de asielzoeker, voordat hij deserteerde, zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. - -Indien de asielzoeker zich erop beroept dat hij niet wenst te worden ingezet in een conflict tegen het volk waarvan hij deel uitmaakt, wordt dit meegewogen bij de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn, zoals onder b beschreven. De enkele inzet tegen eigen volk of familie is dus onvoldoende voor de erkenning als vluchteling. Het bestaan van de ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de inzet tegen eigen volk dienen te blijken uit (al dan niet politieke) activiteiten van de vreemdeling. - -#### 2.13. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling - -Op basis van artikel 35 Vluchtelingenverdrag werkt Nederland samen met de UNHCR op het terrein van de vluchtelingenbeleid. De verplichting van artikel 35 van het Verdrag behelst geen plicht om de UNHCR-standpunten te volgen. Nederland heeft een eigen bevoegdheid inzake de statusbepaling en de beslissing of een verblijfsvergunning wordt verleend. - -Indien de vreemdeling reeds door de UNHCR als vluchteling is erkend, wordt bezien of deze erkenning categoriaal of individueel heeft plaatsgevonden en in hoeverre de situatie in het land van herkomst inmiddels is gewijzigd. - -Overigens zal in een zaak waarin een individuele verklaring door de UNHCR is gegeven ook altijd een individuele toets plaatsvinden, waarbij gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst sinds de mandaatverklaring worden meegewogen. - -Indien de vertegenwoordiging van de UNHCR in Nederland van mening is dat de vreemdeling thans op grond van diens individueel asielrelaas vluchteling is, wordt hij niet verwijderd naar het land van herkomst. Dit dwingt niet tot verlening van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling. Verwijdering naar een ander land, bijvoorbeeld op basis van artikel 30, onder a of d, Vw of artikel 31, tweede lid, onder h of i, Vw, blijft tot de mogelijkheden behoren. - -#### 2.14. Verzoeken om asiel op diplomatieke posten in het buitenland - -Indien een vreemdeling zich voor asielrechtelijke bescherming meldt op een Nederlandse post buiten zijn land van herkomst is het volgende van toepassing. - -In de Vw is de vluchtelingendefinitie gelijk aan die van het Vluchtelingenverdrag. Onder het Vluchtelingenverdrag kan iemand die zich in het land van herkomst bevindt de jure niet als vluchteling worden erkend. - -Een vreemdeling die zich in een derde land bevindt, kan in het voorkomende geval wel onder de vluchtelingendefinitie van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het uitgangspunt is thans echter dat de vreemdeling niet voor bescherming in Nederland in aanmerking komt. De vreemdeling dient zich namelijk voor het verkrijgen van bescherming in eerste instantie te wenden tot de autoriteiten van het land waar hij zich bevindt. De meeste landen zijn partij bij het Vluchtelingenverdrag en zullen deze bescherming kunnen bieden. Indien blijkt dat dit niet mogelijk is, dient de vreemdeling zich te wenden tot de UNHCR ten behoeve van statusdeterminatie. In het geval er geen vestiging van de UNHCR is, kan de vreemdeling zich wenden tot de UNDP, die contact legt met de UNHCR elders. Indien UNHCR de aanvrager als mandaatvluchteling beschouwt, wordt betrokkene beschermd. Zo nodig kan UNHCR de overkomst van de vluchteling aanvragen bij de autoriteiten van een ander land dat is aangesloten bij het programma van UNHCR voor hervestiging. Nederland heeft voor deelname aan dit programma een quotumregeling ingesteld (zie C10/3.3). In het andere geval komt de vreemdeling kennelijk geen verdragsbescherming toe. - -#### 2.15. Commune delicten - -Er is sprake van een commuun delict, indien de asielzoeker in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. - -Bestraffing wegens commune delicten leidt in het algemeen niet tot de conclusie dat de asielzoeker verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing van een bepaald gewicht die verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag. Zie ook 3.36, eerste lid, VV. - -Verlening van een verblijfsvergunning asiel kan worden geweigerd, als het gepleegde delict een afwijzingsgrond vormt in de zin van artikel 31, tweede lid, onder k, Vw. - -### 3. Foltering of onmenselijke behandeling - -#### 3.1. Algemeen - -##### 3.1.1. Inleiding - -Op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan een verblijfsvergunning worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan: - -– doodstraf of executie; -– folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of -– ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. - -Deze bepaling van nationaal recht is vastgesteld op basis van artikel 15 van de richtlijn (2004/83/EG) en heeft ook betrekking op artikel 3 van het EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het EHRM. - -De verwijdering naar een land waar iemand een voorzienbaar en reëel risico loopt aan een onder artikel 29, eerste lid, onder b, Vw genoemde behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van artikel 3 EVRM. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende. - -Een reëel risico voor een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Het kan zijn dat het reële risico pas bestaat tijdens het verblijf in het buitenland, dan wel pas ontstaat bij de voorgenomen terugkeer naar het land van herkomst. Op grond van artikel 3.37b VV kan in die gevallen aanleiding bestaan om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. - -Aan een persoon die op grond van vorengenoemde bepaling in aanmerking komt voor bescherming, wordt een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw verleend. Slechts in geval van uitzondering mag hiervan worden afgeweken, zie artikel 3.105e Vb (zie ook C4/3.11.1.3). - -###### 3.1.1.1. Beoordeling feiten en omstandigheden - -In artikel 3.35 VV is beschreven waar onder andere rekening mee gehouden dient te worden bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een asielzoeker in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. - -Voorts wordt ten behoeve van de toets aan geloofwaardigheid en zwaarwegendheid verwezen naar C14/2 en C14/3. - -##### 3.1.2. Actoren van behandeling - -In artikel 3.37a VV is opgesomd door welke actoren onder meer de in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw genoemde behandelingen kunnen plaatsvinden. - -##### 3.1.3. Actoren van bescherming - -Verwezen wordt naar artikel 3.37c VV. Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling (zie ook C4/2.2). - -##### 3.1.4. Binnenlands vestigingsalternatief - -De asielzoeker, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3). - -##### 3.1.5. Individualiseringsvereiste/geweldssituatie - -Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de hierbedoelde behandeling. - -In zijn algemeenheid is het individualiseringsvereiste het uitgangpunt. - -Voor de toepassing van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw is echter ook van belang dat de algemene gewelds- en mensenrechtensituatie in een land van herkomst wordt betrokken. Hoe ernstiger de situatie van (willekeurig) geweld of mensenrechtensituatie in een land van herkomst is, hoe eerder aannemelijk moet worden geacht dat de asielzoeker, gelet op de individuele feiten en omstandigheden die hij aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd en geloofwaardig zijn bevonden, bij terugkeer een behandeling te wachten staat in strijd met artikel 3 EVRM. - -Artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient op de volgende wijze beoordeeld te worden: - -1. beoordeeld dient te worden of in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land, sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid aldaar, een reëel risico lopen op een door dit artikel verboden behandeling; -2. indien de uitzonderlijke situatie zich niet voordoet, dient beoordeeld te worden of betrokkene behoort tot een groep die systematisch een reëel risico loopt op een door dit artikel verboden behandeling; -3. indien bovengenoemde situaties zich niet voordoen, dient beoordeeld te worden of betrokkene op grond van het beleid ‘kwetsbare minderheidsgroep’ in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning; -4. indien de voorgaande situaties zich niet voordoen, zal worden getoetst of betrokkene op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt. - -Er is sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3EVRM (en artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG) indien de algehele gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land zo uitzonderlijk slecht is dat voor elke vreemdeling, ongeacht de individuele omstandigheden bij terugkeer een 3 EVRM-risico aanwezig is (in de woorden van het EHRM: *most extreme cases of general violence*). - -Elementen die in het kader van deze toets in samenhang worden gewogen zijn onder meer: - -– of de partijen bij het conflict ofwel oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten ofwel burgers als doel nemen; -– of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen; -– of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk; en, -– de aantallen (a) doden, (b) gewonden en (c) ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd. - -In het geval een groep in een land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling komt een vreemdeling behorende tot deze groep in aanmerking voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b,Vw. Ten aanzien van de vreemdeling die zich beroept op het behoren tot deze groep beperkt het individualiseringsvereiste zich ertoe dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat hij tot deze groep behoort. Nadere, hem persoonlijk betreffende, feiten en omstandigheden behoeven vervolgens niet te worden aangetoond om te komen tot het oordeel dat hij bij terugkeer blootgesteld zal worden aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. In het landgebonden asielbeleid zal worden opgenomen welke groepen systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling. - -Een reëel en individueel risico bij terugkeer wordt – in een situatie van willekeurige geweld of van willekeurige mensenrechtenschendingen – ook aangenomen indien: - -a. de vreemdeling behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst; en -b. hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat in samenhang daarmee een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is. - -In het landgebonden asielbeleid (zie C24) wordt aangewezen welke bevolkingsgroepen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep voor zover van belang voor de beoordeling van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. - -Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang; en - -1. is er sprake van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen; -2. de positie van de bevolkingsgroep in het land van herkomst. -3. de mate waarin de personen van deze groep effectieve bescherming kunnen inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschending, dan wel deze personen zich hieraan effectief kunnen ontrekken door zich elders te vestigen. - -Voor het onderscheid tussen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen, zie C14/3.6. - -Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. - -Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. - -In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden, indien er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden. - -Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf reeds uit het land was vertrokken. - -Ten slotte wordt beoordeeld of de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. - -Hiertoe dient de vreemdeling specifieke individuele kenmerken *(special distinguishing features)* naar voren te brengen, waaruit dit risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw valt af te leiden. - -Ook in het kader van deze beoordeling dienen de individuele gronden die de vreemdeling naar voren heeft gebracht te worden bezien in het licht van de algehele situatie van het land van herkomst. - -#### 3.2. Genitale verminking - -##### 3.2.1. Inleiding - -Genitale verminking is een handeling die leidt tot beschadiging, totale of gedeeltelijke verwijdering van de vrouwelijke uitwendige geslachtsorganen. Genitale verminking wordt door de Nederlandse overheid beschouwd als een zeer ernstige schending van de integriteit van het menselijk lichaam. - -Voor de beoordeling van (politiek) verzet tegen genitale verminking, zie C2/2.6.1.2 - -Voor de beoordeling van personen die vrouwen genitaal verminken, of besnijden, zie C4/3.11.3.2. - -##### 3.2.2. Doelgroep - -Indien een meisje in haar land van herkomst een gegronde vrees heeft voor genitale verminking, kan sprake zijn van een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM. Gelet hierop kan zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -Vorenstaande kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking. - -De ouder, die genitale verminking van zijn minderjarige dochter(s) vreest, kan eveneens in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw . De vrees bij de ouder wordt echter niet aangenomen indien blijkt dat de ouder de actor is van de hierbedoelde gevreesde handeling of deze faciliteert. De ouder wordt alleen in het bezit gesteld van een dergelijke vergunning, indien de dochter in het bezit wordt gesteld van de hier bedoelde verblijfsvergunning asiel. Bovendien dient de ouder voorafgaand aan of tegelijkertijd met de dochter Nederland te zijn ingereisd dan wel dient de dochter in Nederland te zijn geboren. Indien de ouder Nederland is ingereisd, nadat de dochter reeds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel, dan is het reguliere toelatingsbeleid van toepassing. - -Andere familieleden dan de ouder(s) komen niet voor inwilliging op grond van bovenstaand beleid in aanmerking. Kinderen uit het gezin, die zelf niet bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eventueel wel onder de toepasselijke voorwaarden op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -##### 3.2.3. Voorwaarden - -Indien bij terugkeer sprake is van gegronde vrees voor genitale verminking, dan kan het meisje in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: - -a. er bestaat een reëel risico op genitale verminking; én, -b. de autoriteiten van het land van herkomst kunnen of willen geen bescherming bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking; én, -c. er wordt geen vestigingsalternatief in het land van herkomst aanwezig geacht. - -Indien wordt voldaan aan alle drie de voorwaarden, die hieronder nog nader worden uitgewerkt, dan kan bij terugkeer een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM worden aangenomen. - -Met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt geen onderscheid gemaakt in de verschillende soorten genitale verminking. - -Indien twijfel bestaat aan de geloofwaardigheid van de verklaringen met betrekking tot een dreigende genitale verminking, bestaat voor de asielzoekster de mogelijkheid om haar verklaringen nader te onderbouwen door het op vrijwillige basis overleggen van een medische verklaring, waaruit blijkt dat zij nog niet besneden is. - -Dit geldt met name voor meisjes ouder dan vijftien en volwassen vrouwen, die blijkens de algemene literatuur doorgaans al besneden zijn. - -Bij de beoordeling of de autoriteiten van het land van herkomst bescherming bieden tegen genitale verminking is het in de eerste plaats aan betrokkene om aannemelijk te maken dat zij al dan niet genoemde bescherming kan krijgen. Betrokkene zal derhalve moeten aangeven of zij de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen en wat de reactie van de autoriteiten hierop is geweest. Indien betrokkene niet de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen, dient zij aan te geven om welke redenen zij dit heeft nagelaten. - -Indien uit algemene informatie, zoals uit een ambtsbericht van de Minister van BuZa, bekend is dat de autoriteiten van het land van herkomst bescherming bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking, wordt geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. - -Daarbij is niet van belang of vrouwen verzoeken om dergelijke bescherming, maar of de autoriteiten bereid zijn de bescherming te verlenen, als daarom zou worden verzocht. - -Voor de vraag of sprake is van een vestigingsalternatief, wordt de algemene informatie, zoals uit de ambtsberichten van de Minister van BuZa, meegewogen. Indien uit een ambtsbericht blijkt dat een meisje zich doorgaans aan een dreigende genitale verminking kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen, dan wordt in beginsel geen verblijfsvergunning asiel verleend. - -Daarnaast is bij de beoordeling of sprake is van een vestigingsalternatief, het individuele relaas van het meisje (of haar ouders) van belang. Indien uit het relaas valt op te maken, dat het meisje zonder noemenswaardige problemen elders in het land heeft kunnen verblijven of zou kunnen verblijven, zonder de dreiging van genitale verminking, dan wordt geen verblijfsvergunning asiel verleend (zie C4/2.3). - -##### 3.2.4. In Nederland geboren meisjes - -Meisjes, die in Nederland zijn geboren en die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eveneens voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking komen. Het beroep op een dreigende genitale verminking kan meegenomen worden in de lopende asielprocedure of kan tijdens een nieuw asielverzoek worden aangevoerd. - -In deze gevallen wordt geen toepassing gegeven aan artikel 4:6 Awb. - -##### 3.2.5. Tweede of volgende aanvragen - -20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 - -### 4. In redelijkheid kan terugkeer niet worden verlangd - -#### 4.1. Inleiding - -Op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. - -Hierbij is in de eerste plaats gedacht aan de situatie dat de vreemdeling getraumatiseerd is. - -Waar er wordt gesproken van traumata of traumatische ervaring, wordt gedoeld op gebeurtenissen die tot de veronderstelling leiden dat deze psychische schade berokkenen. - -In de tweede plaats kunnen bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, anders dan traumata, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en tevens verband houden met het asielrelaas, aanleiding zijn tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw. - -Ten slotte kan in het beleid bepaald zijn dat asielzoekers die behoren tot een specifieke groep in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw. Deze groepen zullen door de Minister worden bepaald en door middel van een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer kenbaar worden gemaakt. - -#### 4.2. Traumatabeleid - -##### 4.2.1. Uitgangspunten - -Het traumatabeleid is alleen van toepassing op asielaanvragen. Dit vloeit voort uit de aard en de ontstaansgeschiedenis van dit beleidsonderdeel. Het traumatabeleid beoogt bescherming te bieden aan vreemdelingen die zijn geconfronteerd met een gebeurtenis waarvan wordt aangenomen dat die als traumatiserend wordt ervaren, terwijl als gevolg van de situatie in het land van herkomst kan worden aangenomen dat daders van deze mensenrechtenschendingen in het land van herkomst ongestraft blijven. In dat geval kan van de vreemdeling niet gevergd worden terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee beschermt het traumatabeleid de vreemdeling tegen de confrontatie met de ongestraft gebleven daders. - -De grondslag van dit beleid is derhalve niet het (al dan niet medisch aangetoonde) trauma van de vreemdeling, maar de gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst. Het betreft zowel traumatische ervaringen die zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. - -##### 4.2.2. Bewijslast - -De betrokken asielzoeker zal de aangevoerde gebeurtenissen, die tot een veronderstelde traumatische ervaring leiden, aannemelijk moeten maken. Tevens zal aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causale verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokken asielzoeker binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten. - -Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken asielzoeker zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkene het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenissen een ernstiger karakter hebben en het asielrelaas van de betrokkene aannemelijker is, een zwaardere onderzoeksplicht rust op de behandelend ambtenaar van de IND met betrekking tot de vraag of er feiten en omstandigheden waren waardoor de betrokkene het land van herkomst niet binnen zes maanden na het plaatsvinden van de gestelde gebeurtenis kon verlaten. - -Een positieve wisseling van het regime speelt geen rol bij de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indien het vertrek heeft plaatsgevonden op een datum die gelegen is binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis. Bij een vertrek op een datum, gelegen zes maanden of later na de traumatische gebeurtenis, zal een wisseling van het regime in het land van herkomst na die traumatische ervaring wel een rol spelen. Immers, dan zal de asielzoeker het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst nog minder snel aannemelijk kunnen maken. - -##### 4.2.3. Traumatische ervaringen - -De volgende gebeurtenissen kunnen aanleiding geven tot verblijfsaanvaarding: - -a. de gewelddadige dood van naaste familieleden of huisgenoten; -b. de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden wanneer betrokkene aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en betrokkene; -c. substantiële niet-strafrechtelijke detentie; -d. marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van betrokkene; -e. het getuige zijn van marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten; -f. het getuige zijn van marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van andere verwanten of vrienden wanneer betrokkene aannemelijk maakt dat er een hechte relatie bestond tussen de verwante of vriend en betrokkene. - -Deze opsomming is limitatief. - -Het overlijden van vorenbedoelde personen dient aannemelijk te zijn en zo mogelijk onderbouwd (bijvoorbeeld met een overlijdensakte of andere documenten die dit overlijden aannemelijk maken). - -De detentie en/of marteling van de betrokkene moeten aannemelijk worden gemaakt. Onder ernstige mishandeling wordt verstaan het opzettelijk toebrengen van pijn en leed dat zwaar lichamelijk of geestelijk letsel tot gevolg heeft. De definitie van marteling is opgenomen in artikel 1 van het Anti-folterverdrag. - -De betrokken asielzoeker moet aannemelijk maken dat hij getuige is geweest van de gestelde gebeurtenis. Getuige zijn wil zeggen dat het moet gaan om het lijfelijk aanwezig zijn en zo mogelijk aanschouwen van de gebeurtenis. Een blinde of geblinddoekte asielzoeker kan de gebeurtenis niet met eigen ogen zien, maar wel door een andere zintuiglijke waarneming daarvan kennis nemen. De betrokkene zal dan aannemelijk moeten maken dat hij op deze wijze kennis heeft kunnen nemen van de gebeurtenis. Het enkele feit dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zonder aanwezigheid van betrokkene valt hier dus niet onder. - -##### 4.2.4. Nadere uitwerking - -Uit de verklaringen van de betrokkene moet zoveel mogelijk blijken dan wel aannemelijk zijn dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Niet het trauma, maar de gestelde gebeurtenis dient aannemelijk te worden gemaakt. Het enkele feit dat op grond van een medische verklaring een PTSS is vastgesteld, is niet voldoende voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid. - -De handelingen moeten zijn verricht van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. Bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt niet onderzocht en beoordeeld of de specifieke daders van de betreffende gebeurtenis onbestraft zijn gebleven, maar of daders van deze handelingen in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst. Dit kan onder meer blijken uit het bestaan van een doeltreffend systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing. - -De beoordeling van het asielrelaas geschiedt voorts op de gebruikelijke wijze ten aanzien van de geloofwaardigheid en aannemelijkheid daarvan. De verklaringen van betrokkene worden dan ook getoetst aan het gehele asielrelaas en aan de informatie die bekend is over de situatie en de gangbare praktijken in het land van herkomst. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenis later in de procedure (in het beroepschrift, ter zitting of in hoger beroep) is aangedragen, de aannemelijkheid daarvan eerder in het geding is. De betrokkene zal opheldering moeten verschaffen over de vraag waarom deze – ingrijpende – gebeurtenis niet eerder is aangevoerd. Evenwel wordt ten aanzien van de vraag of het asielrelaas consistent is, rekening gehouden met de geestelijke gesteldheid van de betrokkene in het licht van het traumatabeleid. Een gedetailleerd asielrelaas omtrent de gebeurtenissen die traumatiserend zijn geweest, kan, hoewel het asielrelaas niet volledig consistent is, wel geloofwaardig zijn in het licht van het algehele asielrelaas en hetgeen over het algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. - -Naast bovengenoemde beleidsvoorwaarden voor verlening kan ook in het kader van het traumatabeleid een vestigingsalternatief worden tegengeworpen (zie C4/2.3). Daarbij moet het vestigingsalternatief zien op het feitelijke doel van het traumatabeleid, in de zin dat aangenomen kan worden dat de vreemdeling zich in het vestigingsalternatief beschermd weet tegen de confrontatie met de ongestraft gebleven daders. - -Als de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden door toedoen van de centrale overheid is in het kader van het traumatabeleid in beginsel geen plaats voor tegenwerping van een vestigingsalternatief. Dit alternatief wordt wel tegengeworpen als de feitelijke (regionale) machthebbers of groepering die de gebeurtenissen hebben veroorzaakt in andere delen van het land geen macht uitoefenen en de centrale overheid bescherming kan bieden. - -De bescherming van de centrale overheid hoeft niet een specifiek op de vreemdeling gericht handelen te zijn. Het is voldoende als de positie en het handelen van de centrale overheid feitelijk voorkomt dat de daders toegang hebben tot het vestigingsalternatief. De vereisten van C4/2.3.2, onder a, b en c, zijn van overeenkomstige toepassing. - -Aan het beoordelen van een asielaanvraag in het kader van het traumatabeleid wordt in elk geval niet toegekomen als er sprake is van een derdelandenexceptie en/of een contra-indicatie (zie C3). Dat wil niet zeggen dat in alle overige gevallen de asielzoeker, die als gevolg van een traumatische gebeurtenis zijn land van herkomst binnen zes maanden heeft verlaten en die – voorafgaand aan zijn komst naar Nederland – in een derde land heeft verbleven, zonder meer in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit verblijf in een derde land wordt in dat geval op de volgende wijze bij de beoordeling van de asielaanvraag betrokken. - -Als de asielzoeker het derde land pas later dan zes maanden na zijn inreis aldaar heeft verlaten, wordt op dezelfde wijze als bij een vertrek uit het land van herkomst verondersteld dat de asielzoeker zich in het derde land heeft weten te handhaven en er geen reden was om dat land te verlaten. Bij een vertrek later dan zes maanden na de inreis in het derde land dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat hij zich aldaar niet kon handhaven. Wedertoelating tot het derde land speelt geen rol bij de beoordeling: als terugkeer naar dat derde land niet mogelijk is dan zal terugkeer naar het land van herkomst moeten plaatsvinden. Dit is immers ook het geval indien de vreemdeling later dan zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. In geen van beide gevallen is er sprake van refoulement, aangezien de vreemdeling niet valt onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag. - -#### 4.3. Bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard - -In gevallen waarin de asielzoeker individuele klemmende redenen van humanitaire aard aanvoert die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, kunnen die op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Het dient hierbij te gaan om dusdanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst. Humanitaire redenen die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, kunnen niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw. - -De enkele omstandigheid dat de vreemdeling bijvoorbeeld een hoge leeftijd of lichamelijke klachten heeft, is onvoldoende reden om aan te nemen dat terugkeer naar het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ook de algemene humanitaire omstandigheden in het land van herkomst – zoals de omstandigheid dat het niveau van de beschikbare basisvoorzieningen naar Nederlandse maatstaven te wensen overlaat – kunnen geen reden zijn voor verlening van de verblijfsvergunning. - -Een bijzondere situatie is het geval dat de vreemdeling afkomstig is uit een gebied ten aanzien waarvan is bepaald dat dit in beginsel categoriaal beschermingswaardig is, maar waarvoor dit categoriaal beschermingsbeleid niet wordt gevoerd omdat er in een ander deel van dat land een verblijfsalternatief is. - -Ten aanzien van de voorwaarde dat de klemmende redenen verband dienen te houden met het vertrek uit het land van herkomst betekent deze situatie het volgende. - -Een verblijfsalternatief wordt tegengeworpen omdat het beleid ervan uitgaat dat de betreffende vreemdeling zich naar het verblijfsalternatief had moeten begeven. Daar had hij zich immers kunnen onttrekken aan de algemene onveiligheid die in het categoriaal beschermingswaardige deel van het land heerst. Ten tijde van het vertrek uit het categoriaal beschermingswaardige deel zouden er evenwel klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig kunnen zijn die er toe hebben geleid dat de vreemdeling niet naar het verblijfsalternatief kon gaan. Deze kunnen van een geheel andere aard zijn dan de redenen die hebben geleid tot het vertrek uit het categoriaal beschermingswaardige deel. Echter, in beide ligt wel de reden dat de vreemdeling niet alleen het categoriaal beschermingswaardige deel verliet, maar ook dat hij niet naar het verblijfsalternatief is gegaan. Hiermee is dan dus het verband gelegd met het vertrek uit het land van herkomst. - -Van belang is dus dat de twee verschillende componenten, de redenen van vertrek uit categoriaal beschermingswaardige deel en de klemmende redenen van humanitaire aard die reden waren niet naar het verblijfsalternatief te gaan, in samenhang moeten worden gezien als redenen van vertrek uit het land van herkomst. Hiermee is dan direct ook gezegd dat klemmende redenen van humanitaire aard die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, niet binnen dit beleidskader vallen. - -De beoordeling of de asielzoeker wegens individuele klemmende humanitaire redenen in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel vindt pas plaats nadat is vastgesteld dat de vreemdeling niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw of het hierboven beschreven traumatabeleid in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. - -Daarnaast wordt, in het geval bij de beoordeling in het kader van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw is geoordeeld dat er voor de vreemdeling een verblijfsalternatief aanwezig wordt geacht, alsnog beoordeeld of er, conform het hierboven gestelde, gronden bestaan op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw een verblijfsvergunning te verlenen. De bewijslast hiervoor ligt bij de asielzoeker. Daarbij is de omstandigheid dat de asielzoeker geen banden heeft met het betreffende gebied of er nooit heeft verbleven op zichzelf geen reden voor verblijfsaanvaarding. - -#### 4.4. Specifieke groepen, in het landgebonden beleid aangewezen - -De Minister kan in het beleid specifieke groepen aanwijzen die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel. In dat geval zal dat in de Vc worden opgenomen. - -### 5. Categoriale bescherming - -#### 5.1. Inleiding - -Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder d, Vw kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het oordeel van de Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. - -Er bestaat geen internationale norm, verdragsrechtelijk noch gewoonterechtelijk, op basis waarvan personen enkel en alleen op grond van de algehele situatie in hun land van herkomst niet zouden kunnen worden uitgezet. De Vw biedt in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw de mogelijkheid een persoon verblijf toe te staan, zonder dat het internationale recht daartoe noopt. - -Op grond van de wet heeft de Minister een beleids- en beoordelingsvrijheid terzake van de beoordeling van de vraag of verlening dan wel beëindiging van categoriale bescherming opportuun is. Dit blijkt met name uit het gebruik van de woorden “voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn (…)”. - -#### 5.2. Indicatoren - -##### 5.2.1. Algemeen - -In artikel 3.106 Vb zijn de indicatoren opgenomen die in ieder geval moeten worden betrokken in de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. Deze indicatoren zijn: - -– de aard van het geweld in het land van herkomst (zie C2/5.2.2); -– de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst (zie C2/5.2.3); -– het beleid in andere landen van de EU (zie C2/5.2.4). - -Het gebruik van de indicatoren van artikel 3.106 Vb moet worden bezien in het licht van de algemene uitgangspunten die zijn genoemd in C5/1. - -De weging van de verschillende indicatoren kan van geval tot geval verschillen. In een enkel geval kan zelfs één indicator voldoende zijn voor een adequaat besluit. In de volgende subparagrafen worden overwegingen aangegeven die aan de vaststelling van de weging van indicatoren ten grondslag kunnen liggen. - -In ieder geval zal in de meeste gevallen de eerste indicator (de aard van het geweld) bij de oordeelsvorming van inhoudelijk groot belang zijn. - -##### 5.2.2. Aard van het geweld in het land van herkomst - -Bij de bepaling of het plaatsvinden van menselijk geweld binnen een (deel van een) land aanleiding vormt een beleid van categoriale bescherming in te voeren, spelen voor wat betreft de aard van het geweld vier factoren een rol. Het gaat hier om: - -a. de ernst van schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht; -b. de mate van willekeur van dit geweld; -c. de mate waarin het geweld voorkomt; -d. de mate van geografische spreiding van het geweld. - -Per situatie wordt bekeken in hoeverre de combinatie van de vier verschillende factoren aanleiding vormt voor een beleid van categoriale bescherming. Indien aannemelijk is dat het geweld ernstig, willekeurig, grootschalig én alomtegenwoordig is in het land van herkomst, of een deel daarvan, is een beleid van categoriale bescherming geboden. - -Naarmate de mensenrechtenschendingen een ernstiger karakter hebben, in combinatie met een uitzonderlijke mate van willekeur (dat wil zeggen onvoorspelbaarheid), zal in het algemeen een beleid van categoriale bescherming eerder zijn geïndiceerd. Primair komen schendingen van fysieke integriteit hier voor in aanmerking. Het gaat dan bijvoorbeeld om marteling, verkrachting, mishandeling, buitengerechtelijke executies, verdwijningen, langdurige arbitraire detenties of situaties van slavernij. Daarnaast zijn ook schendingen van het oorlogsrecht relevant, ook wanneer zij niet direct de fysieke integriteit betreffen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bombarderen van scholen, ziekenhuizen, woonwijken, het ontnemen van de mogelijkheid als ongewapend burger, niet-betrokken civiel persoon, te overleven door bijvoorbeeld het vernietigen van een dam of het verleggen van een waterstroom. - -Daarentegen zullen verschijnselen als stelselmatige achterstelling of corruptie, hoe ernstig en wijdverspreid ook, in het algemeen geen reden kunnen vormen voor een beleid van categoriale bescherming. Overigens is het in dit verband niet van belang of bovengenoemde schendingen plaatsvinden in oorlogstijd of in vredestijd, omdat in het algemeen geldt dat, ongeacht de situatie, naarmate er meer onschuldige burgers het slachtoffer worden van deze schendingen, een beleid van categoriale bescherming eerder is geïndiceerd. Indien blijkt dat de ernst van het geweld in het algemeen vermindert, zal dit een aanwijzing vormen dat een beleid van categoriale bescherming niet langer meer hoeft te zijn geïndiceerd. - -De tweede factor van belang is de mate waarin het geweld een willekeurig karakter draagt; dat wil zeggen de mate waarin het om ongericht én in beginsel onvoorspelbaar geweld gaat. Voor een beleid van categoriale bescherming dient er sprake te zijn van een uitzonderlijke mate van willekeur: de schendingen van fysieke integriteit dienen niet louter gericht te zijn op bepaalde groepen of individuen, maar in principe op iedere (onschuldige) burger. - -De derde factor van belang is de mate waarin het geweld voorkomt. Naarmate willekeurige schendingen van fysieke integriteit frequenter voorkomen, is een beleid van categoriale bescherming eerder geïndiceerd. Van belang hierbij is dat de grootschaligheid van het geweld het risico dat een persoon er slachtoffer van wordt, beïnvloedt. Willekeur en grootschaligheid moeten in nauwe onderlinge samenhang worden bezien. Hierbij kunnen twee gevallen worden onderscheiden: een extreem repressief regime en een land in (burger)oorlog. - -Wanneer repressie dusdanige grootschalige vormen aanneemt, zelfs als willekeur in de repressie ontbreekt, kan een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd zijn. Het is buitengewoon moeilijk om in zijn algemeenheid aan te geven waar de grens ligt tussen een repressief regime dat wel én een repressief regime dat niet aanleiding kan geven tot een beleid van categoriale bescherming. Van belang is het algemene beeld dat oprijst uit de beschrijving van de mensenrechtensituatie ten aanzien van de burgerlijke en politieke vrijheden in het land, de ernst van de inbreuken die het regime zich op dit punt permitteert en de mate waarin dit geweld zich tot een geïnstitutionaliseerd geweld heeft ontwikkeld. Voor dit beeld moet niet altijd louter naar absolute maar ook naar relatieve waarden worden gekeken. Hoe afschuwwekkend grote aantallen schendingen van de mensenrechten ook zijn, in een land tientallen malen groter dan Nederland en met een veel grotere bevolking kan het uiteindelijk gaan om een relatief en geïsoleerd verschijnsel, waardoor een beleid van categoriale bescherming voor alle naar Nederland komende personen afkomstig uit een dergelijk land, geenszins (meer) hoeft te zijn geïndiceerd. In deze gevallen zal eerder een ruimhartig toelatingsbeleid uitkomst moeten bieden. - -Het tweede geval betreft een land in (burger)oorlog. In het algemeen is het enkele bestaan van (burger)oorlog onvoldoende reden voor een beleid van categoriale bescherming. Het criterium van de bijzondere hardheid is niet formeel van aard (afkondiging van de staat van beleg, de staat van oorlog of het bestaan van een enige vorm van gewapend conflict), maar materieel van aard (te weten de vraag of risico's die bij terugkeer mede voortvloeien uit het bedoelde gewapend conflict uit humanitair/oorlogsrechtelijk oogpunt onverantwoord zijn). Er is in het algemeen pas aanleiding voor een beleid van categoriale bescherming indien de (burger)oorlog het dagelijks leven in het land dermate ontwricht, dat deze humanitair onverantwoorde risico's optreden. Dit kan het geval zijn als er schendingen van het oorlogsrecht optreden, waarbij primair wordt gedacht aan schendingen van de rechten van ongewapende burgers. Dit kan ook het geval zijn als centrale overheid noch de facto autoriteiten bescherming kunnen bieden tegen het oorlogsgeweld dan wel tegen het banditisme dat het gevolg is van deze situatie, met dien verstande dat ook de feiten ten aanzien van de andere drie factoren van voldoende gewicht moeten zijn. Dit standpunt brengt tevens met zich dat indien niet langer sprake is van oorlogsgeweld, bijvoorbeeld in geval van een de facto staakt-het-vuren, een beleid van categoriale bescherming niet langer meer kan zijn geïndiceerd. - -De laatste factor van belang is de mate van geografische spreiding van het geweld. De vraag die hier moet worden gesteld is of de schendingen van de fysieke integriteit beperkt zijn tot bepaalde gebieden, althans talrijker zijn in bepaalde gebieden dan andere. Indien het geweld tot een bepaald gebied is beperkt en het reizen van dit gebied naar andere gebieden in het land in het algemeen geen problemen oplevert, dan zal niet per sé een beleid van categoriale bescherming zijn geïndiceerd. - -##### 5.2.3. Activiteiten van internationale organisaties - -Bij elke beslissing omtrent het beleid van categoriale bescherming wordt rekening gehouden met het operationeel zijn in het land van herkomst van VN-organisaties, zoals UNDP, UNICEF, WHO enz. - -Ook met de activiteiten van de UNHCR wordt rekening gehouden, voorzover ze hiervoor een graadmeter vormen. In het algemeen betekent repatriëring van ontheemden en vluchtelingen dat een beleid van categoriale bescherming niet kan zijn geïndiceerd, hoewel het bestaan van repatriëring niet moet worden gezien als een conditio sine qua non voor het niet voeren van een beleid van categoriale bescherming. Een actief beleid van UNHCR dan wel steun/facilitering bij spontane terugkeer vanuit derde landen kan bevestigen dat er geen (beleidsmatige) beletselen (meer) bestaan om personen die in Nederland hun toevlucht hebben gezocht te laten terugkeren. Voorts is UNHCR’s standpunt relevant in die gevallen waarin regeringen, waaronder de Nederlandse, met UNHCR in gezamenlijk overleg komen tot uitvoering van gefaseerde en ordelijke terugkeer, en UNHCR vervolgens een leidende en coördinerende rol wordt toebedeeld. - -Ook wordt rekening gehouden met eventuele ontwikkelingen omtrent de operaties van internationale hulporganisaties. Indien organisaties als het Internationale Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen zich noodgedwongen terugtrekken om redenen die samenhangen met de verslechtering van de algehele veiligheidssituatie, vormt dit bijvoorbeeld een aanwijzing dat een beleid van categoriale bescherming kan zijn geïndiceerd, terwijl hun voortdurende aanwezigheid dan wel terugkeer ook weer van belang kan zijn voor de beëindiging van een beleid van categoriale bescherming. - -Voorts kan rekening worden gehouden met de mate van veroordeling door de internationale gemeenschap van de situatie in een land van herkomst bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. Van belang hierbij zijn de conclusies in resoluties van de belangrijkste organen van de VN, met name van de Veiligheidsraad, welke een belangrijke aanwijzing vormen voor het standpunt van de internationale gemeenschap als zodanig over de situatie in het land van herkomst. - -##### 5.2.4. Beleid in andere landen van de EU - -Op grond van artikel 3.106, onder c, Vb wordt voorts het beleid in andere landen van de EU meegewogen. Er wordt belang gehecht aan het afstemmen van het beleid met dat van andere EU-landen. De landen waarvan het beleid wordt onderzocht, zullen veelal ons omringende landen zijn en/of landen die voor wat betreft asielpopulatie op Nederland lijken. - -Bij de beoordeling wordt acht geslagen op de mate van homogeniteit van het beleid tussen andere landen. Hoe homogener de informatie over het beleid van de andere landen is, hoe meer gewicht toekomt aan deze indicator. Dit laat onverlet dat sprake kan zijn van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om het beleid van andere landen niet te volgen. Dat is bijvoorbeeld aan de orde indien duidelijk is dat andere landen in hun beleid nog geen rekening hebben kunnen houden met relevante recente ontwikkelingen, zoals het uitbreken van een oorlog of juist het beëindigen van gewelddadigheden. - -#### 5.3. Uitgangspunten voor instelling van categoriaal beschermingsbeleid - -Bij de besluitvorming inzake de invoering, voortzetting en beëindiging van een beleid van categoriale bescherming worden de volgende specifieke uitgangspunten gehanteerd. - -Op de eerste plaats geldt dat er een algemeen onderzoek naar de situatie in het land van herkomst wordt ingesteld, waarbij feiten en omstandigheden in en ten aanzien van het land van herkomst worden meegewogen die niet altijd van belang zijn voor de beoordeling van een individuele aanvraag om toelating als vluchteling dan wel om klemmende redenen van humanitaire aard. - -Op de tweede plaats geldt dat elke nieuwe beslissing wordt gebaseerd op nieuwe informatie over de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de beoordeling van deze informatie of op een gewijzigd beleidsinzicht. - -Op de derde plaats geldt dat de belangrijkste bron van informatie op dit punt de ambtsberichten van de Minister van BuZa zijn; deze geven de visie weer van de Regering op de situatie in landen van herkomst. De Minister van BuZa is hiervoor politiek verantwoordelijk. - -Op de vierde plaats geldt dat de vraag of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd, ook altijd in een bredere context wordt bezien. Niet elke situatie waarin op grond van bijvoorbeeld recente ontwikkelingen in het land van herkomst tijdelijk van uitzetting wordt afgezien rechtvaardigt de conclusie dat een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. In situaties waarin bijvoorbeeld in afwachting van een nader onderzoek, een uitspraak van de rechter of een ambtsbericht, aanhouding is geboden, is veeleer een besluit- en/of vertrekmoratorium opportuun (zie C19 en C22/6). - -#### 5.4. Bewijslast - -Bij de beoordeling of een verblijfsvergunning grond van het categoriaal beschermingsbeleid moet worden verleend, wordt niet in de eerste plaats gekeken of de verklaringen van de asielzoeker die de inhoud van het asielrelaas betreffen, geloofwaardig zijn. Het gaat hier in beginsel immers om de vraag of de asielzoeker behoort tot een categorie die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op deze grond. Vanzelfsprekend moeten de identiteits- en nationaliteitsgegevens wel buiten twijfel staan. - -De verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw vindt categoriaal plaats. De contra-indicaties en de afwijzingsgronden (zie C3 en C4) worden hierbij betrokken. Dit kan ertoe leiden dat de vergunning niet wordt verleend, wordt ingetrokken of dat een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt afgewezen (zie C7). - -Een bijzondere omstandigheid, die alleen wordt meegewogen bij de beoordeling of aan een individuele asielzoeker categoriale bescherming moet worden geweigerd, is opgenomen in artikel 31, tweede lid, onder j, Vw (zie C4/3.10): de vreemdeling heeft een verblijfsalternatief. - -### 6. Afgeleide verblijfsvergunning - -#### 6.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning - -Een verblijfsvergunning asiel kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft verkregen op basis van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, a tot en met d, Vw. - -Artikel 29, eerste lid, onder f, Vw bepaalt dat de verblijfsvergunning asiel voorts kan worden verleend aan de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van een houder van de verblijfsvergunning asiel, verleend op grond van één van de onderdelen a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling. - -Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn: - -• dat de hier bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning asiel; -• dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin; -• dat de houder van de verblijfsvergunning asiel deze gezinsleden heeft genoemd tijdens diens asielprocedure; en -• dat zij gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel binnen drie maanden nadat de bedoelde vreemdeling zijn verblijfsvergunning asiel heeft verkregen, zijn nagereisd. - -De driemaanden termijn gaat in op het moment dat de oorspronkelijke verblijfsvergunning wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend binnen die drie maanden dan wel indien de gezinsleden in het buitenland een mvv aanvragen binnen die drie maanden, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag. Daarnaast geldt dat een eerdere inreisdatum van een familielid dan de inreisdatum van de hoofdpersoon ook wordt beschouwd als een tijdige nareis. - -De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk hebben behoord tot diens gezin. Ook moeten deze gezinsleden zijn genoemd als gezinsleden tijdens de asielprocedure van de hoofdpersoon. Indien zij niet zijn genoemd gedurende de asielprocedure is niet aannemelijk dat zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. - -De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt. - -De biologische kinderen (minderjarig en meerderjarig) behoren niet langer tot het gezin van de hoofdpersoon indien de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. - -Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: - -• het kind is duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon; -• het kind is zelfstandig gaan wonen; -• het kind heeft een eigen gezin gevormd doordat het gehuwd is of een relatie is aangegaan. - -Voor niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen gelden bovenstaande criteria eveneens en geldt voorts dat de gezinsband als verbroken wordt beschouwd, indien deze kinderen na vertrek van de hoofdpersoon zijn opgenomen in een ander gezin. - -De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt. - -De (gestelde) gezinsleden van een vreemdeling die zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd en in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komen niet in aanmerking voor een mvv in het kader van nareis danwel voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw. De vreemdeling heeft in zijn eigen nareisprocedure namelijk gesteld feitelijk deel uit te maken van het gezin van de in Nederland verblijvende hoofdpersoon. - -Het moet gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het land van herkomst verbleven. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap. - -Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie kan slechts één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd en de uit die vreemdeling geboren kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Van een polygame situatie is sprake indien de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, met een andere persoon (of meerdere andere personen) tegelijkertijd een huwelijk en/of een relatie is aangegaan (inclusief geregistreerd partnerschap). - -Indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon reeds met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede eventuele andere gezinsleden niet voor toelating in aanmerking. - -Dat door betrokkenen in het land van herkomst ook daadwerkelijk is samengewoond, is een belangrijke indicatie om te kunnen vaststellen dat ook feitelijk sprake is van een gezinsband. Het niet hebben samengewoond is geen absolute afwijzingsgrond, men moet echter wel een aannemelijke verklaring hebben voor de omstandigheid dat men weliswaar (traditioneel) gehuwd was, maar dat er geen sprake was of kon zijn van daadwerkelijke samenwoning. - -Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen biologische kinderen van één van de beide echtgenoten of partners uit een eerder huwelijk of relatie die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden. - -De minder- of meerderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. - -Minderjarig zijn kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd of in Nederland geregistreerd zijn en ook nimmer gehuwd of geregistreerd zijn geweest (artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek). - -Meerderjarige kinderen kunnen enkel voor verblijf in aanmerking komen indien zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. Hiervan is sprake indien zij in het land van herkomst altijd tot het gezin van de hoofdpersoon zijn blijven behoren. - -Indien het meerderjarig kind echter na het vertrek van de hoofdpersoon zelfstandig een gezin is gaan vormen door het aangaan van een huwelijk, dan wel partnerschap, of duurzaam in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon is opgenomen, wordt de gezinsband als verbroken beschouwd. - -Voor onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar C14/6.2 Vc. - -Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen niet biologische (adoptie- of pleeg)kinderen die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden. - -Met betrekking tot onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en niet-biologische kinderen (adoptie- of pleegkinderen) geldt het volgende. Aangezien deze gezinsband niet blijkens DNA-onderzoek kan worden onderzocht, is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat dit kind in het land van herkomst ook daadwerkelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon. - -De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt. - -In aanvulling hierop komt dit niet-biologische (pleeg- of adoptie)kind niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning bij de hoofdpersoon, indien het kind na vertrek van de hoofdpersoon is opgenomen in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon. - -Indien na aankomst in Nederland echter wordt geconstateerd dat het pleegkind niet in het land van herkomst al tot het gezin behoorde, zal het kind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) moeten worden beschouwd en behandeld (zie B14/2 Vc). Hieraan doet niet af of het kind met of zonder MVV is ingereisd. In geval het kind jonger dan 15 is en de pleegouder de aanvraag voor asiel heeft ingediend, moet aan betrokkene worden medegedeeld dat er in dit geval geen sprake is van een asielaanvraag nu deze niet door de vreemdeling zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger is ingediend. Gelet hierop is deze mededeling geen besluit. Een eventueel hier tegen ingediend rechtsmiddel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voogdij instelling Stichting Nidos wordt als voogd ingeschakeld. Het kind moet een asielaanvraag indienen of Nidos moet dit doen als het kind jonger is dan 12 jaar. Het kind dient zelfstandig te worden gehoord over de opvang in het land van herkomst en over de asielmotieven. Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was. - -Op het moment dat de ouder op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw. Op het moment dat de ouder op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op dezelfde grond als de ouder, namelijk op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie voor de procedure ook C9/2.1.5 Vc). - -Voor kinderen, die in Nederland worden geboren nadat de ouder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, dient een verblijfsvergunning regulier te worden aangevraagd. In deze en alle andere gevallen dan hierboven genoemd is het reguliere vreemdelingenbeleid van toepassing (zie B2 en artikel 3.23 Vb). - -De aanvraag om een afgeleide asielvergunning wordt afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen. - -Voor niet-biologische (adoptie- en pleeg)kinderen geldt het volgende. Indien gedurende de asielprocedure van de hoofdpersoon dan wel gedurende de onderhavige aanvraag is gebleken dat één of beide in het buitenland verblijvende biologische ouder(s) nog in leven is, wordt de aanvraag om een afgeleide asielvergunning afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen. - -De toestemmingsverklaring wordt gevraagd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen. - -Voor niet-biologische (adoptie- en pleeg)kinderen geldt het volgende. Indien gedurende de asielprocedure van de hoofdpersoon dan wel gedurende de onderhavige aanvraag is gebleken dat één of beide in het buitenland verblijvende biologische ouder(s) nog in leven is, wordt de aanvraag om een afgeleide asielvergunning afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd. - -Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen. - -De toestemmingsverklaring wordt gevraagd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent. - -#### 6.2. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, komen op grond van artikel 3.77 en 3.107 Vb in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning (zie C4/3.11.4.). - -In het geval een ouder, niet zijnde de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, op zelfstandige gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, dan kunnen gerelateerd aan die ouder de overige gezinsleden, niet zijnde de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw. - -## 3. De imperatieve afwijzingsgronden - -### 1. Algemeen - -Artikel 30 Vw bevat de imperatieve afwijzingsgronden. De aanvraag moet dus worden afgewezen, als één van deze gronden wordt vastgesteld. Het betreft situaties waarin de aanvraag, zonder inhoudelijke beoordeling of aan de asielzoeker bescherming in Nederland moet worden geboden, kan worden afgewezen. In deze gevallen is geen schending van een verdragsverplichting aan de orde. - -### 2. Een ander land is verantwoordelijk - -#### 2.1. Inleiding - -Op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als een ander land ingevolge een verdrag, of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De wet stelt daarbij als vereiste dat dit andere land partij is bij het Vluchtelingenverdrag. - -#### 2.2. Toepasselijkheid van - -##### 2.2.1. Partijen bij Verordening 343/2003 - -De volgende landen zijn partij bij de Verordening 343/2003: - België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland. - - - Deze deelnemende landen zijn alle partij bij het Vluchtelingenverdrag en, behalve Nederland zelf, aldus aan te merken als 'ander land' in de zin van de wet. - - - Tussen deze landen wordt Verordening 343/2003 toegepast. Verordening 343/2003 komt hier in de plaats van de Overeenkomst van Dublin. Aangezien de Overeenkomst van Dublin verder geen praktische betekenis meer heeft, wordt deze hier verder buiten beschouwing gelaten. - -20092912-02-200928-01-20092009/420092912-02-200928-01-20092009/414-02-2009 - -##### 2.2.2. Overgangsrecht - -Artikel 29 Verordening 343/2003 regelt het overgangsrecht tussen de Overeenkomst van Dublin en Verordening 343/2003. - - - *Nieuwe lidstaten* - - - Ten aanzien van de per 1 mei 2004 tien toegetreden lidstaten, zijnde Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië, geldt ten aanzien van Nederland het volgende overgangsrecht: - - - • - er kan een overname- of terugnameverzoek worden neergelegd door Nederland bij de nieuwe lidstaten wanneer de datum van de asielaanvraag in Nederland op of ná 1 mei 2004 ligt; - - - • - er kan een overname- of terugnameverzoek worden neergelegd door de nieuwe lidstaten bij Nederland wanneer de datum van de asielaanvraag in de nieuwe lidstaten op of ná 1 mei 2004 ligt. - - - - - De datum van de asielaanvraag is bepalend. In beide gevallen geldt, dat indien de reden van het leggen van het verzoek (illegale grensoverschrijding, eerdere asielaanvraag in het andere land en dergelijke) gelegen is in feiten of omstandigheden van vóór 1 mei 2004, dit niet afdoet aan de mogelijkheid een overname- of terugnameverzoek neer te leggen. - - - Ten aanzien van de per 1 januari 2007 toegetreden lidstaten Bulgarije en Roemenië geldt hetzelfde, met dien verstande dat voor 1 mei 2004 moet worden gelezen 1 januari 2007. - - - *Denemarken* - - - Denemarken heeft zich per 1 april 2006 alsnog gebonden verklaard aan Verordening 343/2003. Verordening 343/2003 wordt per 1 mei 2006 van toepassing verklaard tussen Denemarken, IJsland en Noorwegen. - - - De Commissie van de EU heeft, met betrekking tot de werking van Verordening 343/2003 tussen Denemarken en de andere lidstaten het overgangsrecht vastgesteld. Dit overgangsrecht houdt in: - - - • - Verordening 343/2003 is direct van toepassing vanaf het moment van toetreding tot Verordening 343/2003, zijnde 1 april 2006; en - - - • - de bepaling van de verantwoordelijkheid van de asielaanvraag is conform artikel 29 Verordening 343/2003, zij het dat de datum van 1 september 2003 dient te worden vervangen door 1 april 2006. - - - -20092912-02-200928-01-20092009/420092912-02-200928-01-20092009/414-02-2009 - -#### 2.3. Inhoud van - -##### 2.3.1. Het begrip asielverzoek - -Onder 'asielverzoek' verstaat Verordening 343/2003: 'een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève' (zie artikel 2, onder c, Verordening 343/2003). - -Ingevolge artikel 4, tweede lid, Verordening 343/2003 wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Met het oog op de toepassing van Verordening 343/2003 wordt onder een asielverzoek ook verstaan een mondelinge intentieverklaring waarvan op zo kort mogelijke termijn een proces-verbaal is opgesteld. Van een mondelinge intentieverklaring is sprake wanneer de asielzoeker zich daadwerkelijk ter indiening van een asielverzoek bij een daartoe bevoegde autoriteit heeft vervoegd. Dit laat onverlet dat de mondelinge intentieverklaring in de Nederlandse rechtsorde dient te worden geformaliseerd door middel van het indienen van een asielaanvraag (zie C9). - -Het begrip asielverzoek dient derhalve te worden onderscheiden van het begrip asielaanvraag in de zin van de Vw, die alleen schriftelijk met een vastgesteld model kan worden ingediend. - -##### 2.3.2. Begeleide minderjarige asielzoekers - -Voor de toepassing van Verordening 343/2003 wordt de situatie van de minderjarige die de asielzoeker vergezeld, voor zover het een gezinslid in de zin van Verordening 343/2003 betreft, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens ouder of voogd (zie artikel 4, derde lid, Verordening 343/2003). De minderjarige valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van die ouder of voogd, ook al is de minderjarige zelf geen individuele asielzoeker. - -Kinderen die na aankomst van de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaat zijn geboren, worden meegenomen in de procedure van de ouder-asielzoeker ongeacht de stand van deze procedure. Er behoeft geen nieuwe procedure te worden ingeleid. - -Wel is van belang dat de aanvraag van de ouders middels het indienen van het model van bijlage 13k VV mede geldig wordt gemaakt voor het in Nederland geboren kind (zie C9/2.1.5). - -##### 2.3.3. Verplichting tot overname - -Artikel 3, eerste lid, Verordening 343/2003 regelt dat de lidstaten verplicht zijn om een asielverzoek te behandelen dat door een onderdaan van een derde land bij één van hen wordt ingediend. De wijze van beooordeling van de criteria is geregeld in artikel 5 Verordening 343/2003 (zie C3/2.3.5). De procedure is beschreven in artikel 17 tot en met 19 Verordening 343/2003. - -De vreemdeling kan beroep aantekenen tegen de beslissing de asielaanvraag af te wijzen op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw. Dit beroep heeft geen opschortende werking (zie C22/5). - -##### 2.3.4. Verplichting tot terugname - -De artikelen 4, vijfde lid, juncto artikel 16 Verordening 343/2003 regelen de 'terugname van een asielzoeker'. Dit heeft betrekking op de volgende gevallen: - -– intrekking van het asielverzoek tijdens de procedure ter vaststelling van de verantwoordelijkheid van het asielverzoek (zie artikel 4, vijfde lid, Verordening 343/2003); -– illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek in behandeling is (zie artikel 16, eerste lid, onder c, Verordening 343/2003); -– intrekking van het asielverzoek tijdens de (inhoudelijke) behandeling van het asielverzoek (zie artikel 16, eerste lid, onder d, Verordening 343/2003); -– illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek is afgewezen (zie artikel 16, eerste lid, onder e, verordening 343/2003). - -In dergelijke gevallen is sprake van een terugnameverplichting. De procedure hierover is beschreven in artikel 20 Verordening 343/2003. - -De vreemdeling kan beroep aantekenen tegen de beslissing de asielaanvraag af te wijzen op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw. Dit beroep heeft geen opschortende werking (zie C22/5). - -##### 2.3.5. De criteria voor vaststelling van de verantwoordelijkheid - -De verantwoordelijkheidsbepaling, die ziet op de overnameverplichting van artikel 3 Verordening 343/2003, vindt plaats op grond van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening 343/2003. De beoordeling of de criteria van deze artikelen van toepassing zijn, vindt plaats in de volgorde waarin zij voorkomen (zie artikel 5, eerste lid, Verordening 343/2003) en op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient (zie artikel 5, tweede lid, Verordening 343/2003). - -Ingevolge artikel 6 Verordening 343/2003 neemt Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een niet-begeleide minderjarige op zich, indien een lid van zijn gezin (vader, moeder of voogd) zich hier te lande wettig (rechtmatig in de zin van de Vw) ophoudt, voor zover dit in het belang van de minderjarige is. Bij ontstentenis van een vader, moeder en voogd berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij de lidstaat waarbij de minderjarige zijn asielverzoek heeft ingediend. - -In artikel 7 Verordening 343/2003 is geregeld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van een asielzoeker die als vluchteling is toegelaten voor verblijf. In Nederland wordt deze bepaling verruimd toegepast, in die zin dat hieronder wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, c of d, Vw. Hierbij is niet van belang of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd. De betrokken personen dienen schriftelijk in te stemmen met de beoogde hereniging. - -Ingevolge artikel 8 Verordening 343/2003 is Nederland verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van de asielzoeker, indien inzake het asielverzoek van de asielzoeker hier te lande nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen. Nederland is alleen verantwoordelijk indien de asielzoeker het asielverzoek had ingediend vóórdat het betreffende gezinslid in een andere lidstaat een asielverzoek indiende. Het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal indient, is leidend met betrekking tot de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek (zie artikel 5, tweede lid, Verordening 343/2003). De betrokken personen dienen schriftelijk in te stemmen met de beoogde samenvoeging op grond van de procedurestand. - -##### 2.3.6. Wanneer behandelt Nederland het asielverzoek onverplicht zelf? - -###### 2.3.6.1. Inleiding - -Op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 blijft iedere staat bevoegd om zelf het asielverzoek te behandelen ook al zou op basis van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening 343/2003 of op basis van de artikelen 4, vijfde lid, Verordening 343/2003, juncto artikel 16, eerste lid, onder c, d en e, Verordening 343/2003, een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kunnen worden aangewezen. - -###### 2.3.6.2. Concrete aanwijzingen van verdragsschending - -Ten principale wordt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt (zie nummers 2 en 15 van de preambule van Verordening 343/2003). Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Hierbij niet van belang of het om een terugname- of een overnameverzoek zou gaan. - -###### 2.3.6.3. Artikel 15 - -Op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 kan iedere lidstaat, ook wanneer hij met toepassing van de in de Verordening 343/2003 vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijk familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de vreemdeling. De betrokken familieleden moeten hun instemming geven. - -In aanvulling op de verplichting voortvloeiend uit artikel 7 Verordening 343/2003 is Nederland, onder bepaalde voorwaarden, tevens (onverplicht) verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek indien de asielzoeker een gezinslid is van een vreemdeling die een asielvergunning voor (on)bepaalde tijd heeft gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw. Nederland maakt in dergelijke gevallen gebruik van de discretionaire bevoegdheid om de behandeling van een asielverzoek onverplicht aan zich te trekken, als neergelegd in artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003. - -Geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 wanneer de betrokken asielzoeker zich in een ander land bevindt. Dat betekent dat Nederland niet, ingevolge het hier geschetste beleid, een asielzoeker naar Nederland zal halen teneinde hier een asielprocedure te kunnen doorlopen. - -De voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek, is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van Verordening 343/2003 is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen. - -In andere zeer bijzondere, individuele gevallen kan gebruik gemaakt worden van de bevoegdheid op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 tot onverplichte behandeling van het asielverzoek van gezinsleden over te gaan, indien er sprake is van overige humanitaire redenen. Er dient dan een zeer bijzonder samenstel van factoren te bestaan waardoor het behandelen van het asielverzoek in de rede ligt. Dit dient door de asielzoeker te worden aangetoond. Hiervan zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake zijn, aangezien het bijeenhouden en het bijeenbrengen van het gezin reeds geschiedt met name op grond van de artikelen 6, 7, 8 en 14 Verordening 343/2003, voor zover van belang, alsmede onverplicht op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003. - -Artikel 15 Verordening 343/2003 heeft niet alleen betrekking op gezinsleden in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, Verordening 343/2003, maar ook op ‘andere afhankelijke familieleden’. Op grond van deze bepaling zullen de lidstaten, wanneer de ene betrokkene (de asielzoeker) afhankelijk is van de ander (het/de familielid (-leden)), er normaliter voor zorgen dat de asielzoeker kan blijven bij, of wordt herenigd met, een familielid dat zich op het grondgebied van één van de lidstaten bevindt op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden. De afhankelijkheid kan gelegen zijn in zwangerschap, de geboorte van een kind, ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd. - -De asielzoeker dient hieromtrent consistente en geloofwaardige verklaringen af te leggen, voor zover mogelijk ondersteund met relevante documenten. - -Onder oorzaken in deze zin kunnen onder meer worden verstaan: onderbrekingen van de gezamenlijke reis door ziekte, calamiteiten of andere omstandigheden die buiten de invloedssfeer van betrokkene(n) liggen. - -Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van Verordening 343/2003 is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen. - -Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van Verordening 343/2003. In deze gevallen geldt overigens dat de gezinsleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het gezinslid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging. - -Immers, de Verordening 343/2003 regelt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van derdelanders. De Verordening 343/2003 beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. Verordening 343/2003 is echter niet bedoeld voor het op reguliere gronden verkrijgen van verblijf bij het gezinslid; hiervoor staan andere regelingen open. - -Op grond van artikel 15, derde lid, Verordening 343/2003 herenigen de lidstaten, indien mogelijk, de minderjarige met verwant(en) die hij in een andere lidstaat heeft die voor hem kunnen zorgen, tenzij dit niet in het belang van de minderjarige is. Hierbij wordt opgemerkt dat indien de niet-begeleide minderjarige een gezinslid(leden) en/of familieleden heeft in het land van herkomst waardoor dus sprake is van opvang, de minderjarige in beginsel niet in aanmerking komt voor hereniging op grond van artikel 15 Verordening 343/2003 omdat het herenigen van het kind met het kerngezin als bedoeld in artikel 2 onder i van Verordening 343/2003 in het land van herkomst wordt geprefereerd indien dit mogelijk is. - -###### 2.3.6.4. Overige gevallen van humanitaire aard - -Naast de invulling van de toepassing van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 wanneer er sprake is van een concrete verdragsschending (zie C3/2.3.6.2) en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 daar waar het gaat om aspecten inzake gezinsleden en andere afhankelijke familieleden (zie C3/2.3.6.3), bestaat eveneens een mogelijkheid om in andere gevallen gebruik te maken van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. - -Indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, kan de lidstaat ook in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Welke aspecten in dit kader een rol (kunnen) spelen, is niet zonder meer te duiden nu het met name zal gaan om de omstandigheden van het geval en in hoeverre deze bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat voortzetting van de Dublinprocedure als onevenredig hard moet worden beschouwd. Wel wordt in dit kader opgemerkt dat het enkele gegeven van medische aspecten niet voldoende is om te spreken van bijzondere omstandigheden. Immers, de medische voorzieningen mogen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten; het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat er eveneens vanuit dat de voorzieningen in de lidstaten – indien geïndiceerd- ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. Dit lijdt slechts uitzondering indien de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat. - -#### 2.4. Intrekking asielverzoek - -Als hoofdregel geldt dat de intrekking van het asielverzoek geen wijziging brengt in de verantwoordelijkheidstoedeling die ingevolge de bepalingen van Verordening 343/2003 tot stand is gekomen, zolang de vreemdeling niet geheel afziet van het aanvragen van verblijf op grond van asielrechtelijk relevante gronden. - -Verordening 343/2003 voorziet ten aanzien van intrekking van het asielverzoek specifiek in de volgende situaties: - -a. het in Nederland ingediende asielverzoek wordt ingetrokken, terwijl Nederland bezig is te onderzoeken welke lidstaat verantwoordelijk is en de vreemdeling dient elders opnieuw een asielverzoek in (zie artikel 4, vijfde lid, Verordening 343/2003); Nederland dient de vreemdeling terug te nemen en de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid af te ronden; -b. het in Nederland ingediende asielverzoek wordt ingetrokken tijdens de inhoudelijke behandeling ervan en de vreemdeling dient elders opnieuw een asielverzoek in (artikel 16, eerste lid, onder d, Verordening 343/2003); Nederland dient op verzoek van de betreffende lidstaat de vreemdeling terug te nemen en het asielverzoek (verder) te behandelen. - -De situaties beschreven onder a en b kunnen zich uiteraard ook andersom voordoen, in die zin dat Nederland een lidstaat kan verzoeken om een asielzoeker terug te nemen, als wordt voldaan aan de criteria van artikel 4, vijfde lid, of artikel 16, eerste lid, sub d, Verordening 343/2003. - -#### 2.5. Vervallen van de verantwoordelijkheid - -Indien een vreemdeling zijn asielverzoek tijdens de inhoudelijke behandeling daarvan heeft ingetrokken, komt de verantwoordelijkheid te vervallen wanneer: - -a. de vreemdeling door een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfstitel, ongeacht de geldigheidsduur van deze verblijfstitel; -b. de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten gedurende een periode van tenminste drie maanden; -c. Nederland de nodige maatregelen heeft genomen en daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd opdat de vreemdeling zich begeeft naar zijn land van herkomst, dan wel naar een ander land waar hij legaal mag binnenkomen. - -Overigens vervalt de verantwoordelijkheid eveneens wanneer een andere lidstaat, niet zijnde de verantwoordelijke lidstaat, het asielverzoek (alsnog) inhoudelijk behandelt. - -Indien een vreemdeling wiens asielverzoek in behandeling is zich illegaal in een andere lidstaat ophoudt, komt de verantwoordelijkheid uitsluitend te vervallen wanneer sprake is geweest van a of b. - -Indien een vreemdeling wiens asielverzoek is afgewezen zich illegaal in een andere lidstaat ophoudt, komt de verantwoordelijkheid uitsluitend te vervallen wanneer sprake is geweest van a of c. - -De verplichting om vast te stellen welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, Verordening 343/2003, komt te vervallen wanneer sprake is van a. - -Het enkele verlaten van het grondgebied van de lidstaten (korter dan drie maanden) doet op grond van artikel 9, vierde lid, Verordening 343/2003 slechts de verantwoordelijkheid vervallen wanneer sprake is van een verantwoordelijkheid die gebaseerd is op een verblijfstitel of visum waarvan de geldigheidsduur is verstreken. - -### 3. De vreemdeling heeft rechtmatig verblijf - -De asielaanvraag wordt op grond van artikel 30, eerste lid, onder b, Vw afgewezen indien de asielzoeker reeds rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e of l, Vw. De asielzoeker is in dit geval immers reeds beschermd tegen terugzending naar zijn land van herkomst en dus tegen de gestelde risico's die hieraan verbonden zijn. - -Deze bepaling omvat alle in Nederland toepasselijke verblijfsvergunningen, het verblijf als gemeenschapsonderdaan en het verblijf op grond van de Associatieovereenkomst EEG/Turkije. Deze bepaling heeft uitdrukkelijk ook betrekking op de situatie waarin de asielzoeker in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier. - -Artikel 30, eerste lid, onder b, Vw is op grond van het tweede lid van artikel 30 Vw echter niet van toepassing, indien naar aanleiding van een asielaanvraag ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. Dit heeft betrekking op de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking verband houdend met het verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, verblijf als Amv, het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag (zie B14), alsmede de beperking 'Voortgezet verblijf' (zie B16). Het gaat hier uitdrukkelijk om de situatie waarin de verblijfsvergunning regulier is verleend naar aanleiding van de asielaanvraag in het kader van de nog lopende asielprocedure. - -### 4. De vreemdeling is reeds in procedure - -Indien een asielzoeker reeds eerder een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist én hij op grond van die aanvraag rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f, g en h, Vw, wordt de asielaanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, onder c, Vw afgewezen. Zolang de asielzoeker de uitkomst van deze procedure in Nederland mag afwachten, verblijft hij rechtmatig in Nederland en is hij beschermd tegen uitzetting. - -Uit artikel 8, onder f, g en h, Vw volgt dat dit betrekking heeft op alle procedures: verlening of verlenging van een verblijfsvergunning en de beslissing op een bezwaar- of beroepschrift. - -Het gaat hier uitdrukkelijk ook om de situatie waarin de asielzoeker in Nederland rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. Indien de vreemdeling in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning asiel wordt van hem verwacht dat hij de procedure met betrekking tot de eerdere aanvraag intrekt. - -### 5. Er is een terug- of overnameovereenkomst van toepassing - -Een asielaanvraag wordt op grond van artikel 30, eerste lid, onder d, Vw afgewezen, indien: - -a. de asielzoeker eerder heeft verbleven in een derde land; -b. hij op grond van een terug- of overnameovereenkomst aan dat land zal worden overgedragen; en -c. het land van eerder verblijf zich verplicht heeft de uitzettingsverboden uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 EVRM en het Antifolterverdrag na te leven. - -In deze gevallen wordt de asielzoeker voldoende bescherming geboden. Daarom rust er geen verplichting op de Nederlandse overheid om de asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen. - -Op grond van artikel 3.106a, tweede en derde lid, Vb moet er sprake zijn van een zodanige band met het betrokken derde land, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Bij de beoordeling hiervan worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het verblijf. In dit verband is van belang dat het feit dat het derde land een terug- of overnameclaim heeft gehonoreerd erop wijst dat er van een dergelijke band sprake is. - -Dit vereiste brengt met zich dat er sprake moet zijn van een schriftelijk gehonoreerde claim alvorens de asielaanvraag wordt afgewezen op grond van deze bepaling. Voor de toepassing van terug- en overnameovereenkomsten, zie A4/11 en de website van de vreemdelingenketen (zie A1/3). - -Uit de wettekst volgt dat het niet noodzakelijk is dat het derde land ook partij is bij deze verdragen. Op grond van artikel 3.106a, eerste en vierde lid, Vb is wel vereist dat het derde land de bepalingen van deze verdragen naleeft. Dit kan blijken uit overeenkomsten, verdragen of schriftelijke verklaringen van het betreffende land die worden ondersteund door de praktijk. - -## 4. De inhoudelijke afwijzingsgronden - -### 1. Inleiding - -Artikel 31 Vw bevat de inhoudelijke gronden waarop een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden afgewezen. - -Uit het eerste lid van artikel 31 Vw volgt dat een asielaanvraag moet worden afgewezen als de weging van artikel 29 Vw, eventueel in combinatie met artikel 31, tweede lid, Vw, leidt tot de conclusie dat er geen rechtsgrond voor verlening is. Dit is het geval indien het asielrelaas van de asielzoeker niet geloofwaardig is of wanneer de asielzoeker om een andere reden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot een categorie als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a tot en met f, Vw. - -Het tweede lid van artikel 31 Vw bevat omstandigheden die mede moeten worden betrokken bij de afweging of de aanvraag moet worden afgewezen. Deze omstandigheden vormen geen verplichte afwijzingsgronden en de opsomming is niet limitatief. De beoordeling of een van deze gronden van toepassing is, dient te geschieden in samenhang met de bepaling of een van de gronden van artikel 29 Vw van toepassing is. - -### 2. Er is geen rechtsgrond voor verlening - -#### 2.1. Algemeen - -Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw, wordt een asielaanvraag afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. - -Uit deze bepaling volgt dat een asielaanvraag moet worden afgewezen als de weging van artikel 29 Vw, eventueel in combinatie met artikel 31, tweede lid, Vw, leidt tot de conclusie dat er geen rechtsgrond voor verlening is. - -In artikel 31, eerste lid, Vw komt tevens tot uitdrukking dat de bewijslast in de asielprocedure in beginsel ligt bij de asielzoeker. Ook komt tot uitdrukking dat de asielzoeker niet behoeft aan te tonen dat zijn aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt; hij behoeft dit slechts aannemelijk te maken (zie C14/2.2). - -#### 2.2. De vreemdeling kan bescherming inroepen - -##### 2.2.1. Algemeen - -In die gevallen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor op zijn persoon gerichte vervolging of mensenrechtenschendingen wordt eerst beoordeeld of de vreemdeling in de eigen woonomgeving de effectieve bescherming kan inroepen tegen deze dreiging. Op grond van artikel 3.37c, eerste lid, VV geldt dat bescherming tegen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel tegen folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet kan worden geboden door: - -a. de staat, -b. partijen of organisaties, inclusief internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen. - -Deze worden aangeduid als ‘actoren van bescherming’. - -De beoordeling of bescherming mogelijk is, vindt steeds ex nunc plaats, dus naar het moment waarop de beslissing plaatsvindt. Als een vreemdeling derhalve bij vertrek uit het land van herkomst geen beschermingsmogelijkheid had, maar die inmiddels wel aanwezig is, wordt de asielaanvraag op die grond afgewezen. Als een beschermingsmogelijkheid, die er ten tijde van het vertrek wel was, inmiddels niet meer bestaat, wordt deze niet tegengeworpen. - -##### 2.2.2. Bescherming door de autoriteiten - -In het geval de dreiging uitgaat van de autoriteiten zelf, zal bescherming in de eigen woonomgeving in beginsel niet mogelijk zijn. Dit kan anders zijn wanneer de dreiging uitgaat van een individu (of een groep individuen) die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar waarbij verwacht kan worden dat een meerdere van dat individu (of de groep individuen) de dreiging niet steunt en daartegen wil en kan optreden. In die gevallen wordt van de vreemdeling verlangd om de bescherming van die meerdere zoeken. Hetzelfde geldt wanneer de dreiging zich beperkt tot lokale autoriteiten terwijl aangenomen kan worden dat de centrale autoriteiten hiertegen effectieve bescherming willen en kunnen bieden. - -##### 2.2.3. Bescherming door internationale organisaties - -Onder de in artikel 3.37c, eerste lid, onder b, VV genoemde internationale organisaties wordt gedacht aan internationale organisaties zoals de VN of de NAVO. Het moet gaan om een stabiele, op een staat gelijkende instantie die zeggenschap heeft over het grondgebied van het desbetreffende land en die bereid en in staat is om individuele personen te beschermen op soortgelijke wijze als een internationaal erkende staat. Waar het uiteindelijk om gaat, is of de desbetreffende vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst aldaar al dan niet een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw heeft. - -##### 2.2.4. Effectieve bescherming - -Op grond van artikel 3.37c, tweede lid, VV wordt bescherming in het algemeen geboden wanneer de genoemde actoren redelijke maatregelen treffen tot voorkoming van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of van een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. - -Hiervan is onder andere sprake als er een doeltreffend juridisch systeem is voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing hiervan. Voorwaarde is dat de vreemdeling toegang tot een dergelijke bescherming heeft. - -Uitgangspunt van deze bepaling is dat het bestaan van de gewenste bescherming nimmer te garanderen is. Dat is immers niet reëel. Er moet daarom sprake zijn van ‘redelijke maatregelen’. Onder een ‘doeltreffende juridisch systeem’ wordt verstaan dat in voorkomende gevallen de gevraagde bescherming soelaas kan bieden. - -Het vereiste dat de bescherming effectief is, betekent derhalve niet dat de bescherming een volledige garantie moet bieden tegen de dreiging. Beoordeeld wordt of de beschermingsmaatregelen redelijk zijn in relatie tot de dreiging. Ook is niet vereist dat de bescherming op het moment van de beoordeling als permanent kan worden aangemerkt. Het is voldoende als de bescherming voor de direct voorzienbare toekomst zal kunnen worden geboden. - -##### 2.2.5. Bewijslast - -Bij de beoordeling van de mogelijkheid van effectieve bescherming is het in eerste instantie aan de vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat effectieve bescherming niet kan worden geboden. Afhankelijk van de individuele situatie van de vreemdeling en de algehele situatie in het land van herkomst kan de bewijslast echter meer naar de zijde van de Nederlandse overheid verschuiven. De bewijslastverdeling wordt derhalve bepaald door de individuele omstandigheden van de vreemdeling, mede in het licht van de algehele situatie in het land van herkomst. - -Bij de beoordeling van de mogelijkheid van effectieve bescherming wordt door de IND onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt door de IND informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties betrokken. - -Indien er in het land van herkomst in het algemeen bescherming wordt geboden is het in eerste instantie aan de vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. - -Indien uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming niet eenvoudig kan worden verkregen, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat bescherming in zijn geval in het geheel niet kan worden verkregen. Wel kan in dat geval de algemene informatie aanleiding zijn sneller te oordelen dat de vreemdeling voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bescherming niet mogelijk is. Ook in die gevallen dat de vreemdeling stelt dat het inroepen van bescherming gevaarlijk zou zijn, maar dit niet reeds uit openbare bron blijkt, is het aan de vreemdeling om dit voor zijn individuele situatie voldoende aannemelijk te maken. - -Wanneer uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is of een verzoek daartoe bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is, zal in beginsel niet verder van de vreemdeling worden verlangd voor zijn individuele situatie aannemelijk te maken dat bescherming niet kan worden geboden. Voorgaande kan anders zijn indien uit het individuele relaas blijkt dat de autoriteiten – in weerwil van de algemene informatie – de betreffende vreemdeling bescherming hebben geboden of daartoe bereid waren. - -Ook bijzondere aspecten van het individuele relaas kunnen aanleiding vormen om in redelijkheid niet van de vreemdeling te verlangen aannemelijk te maken dat bescherming niet mogelijk is. Zo kan een acute vluchtsituatie aanleiding zijn om te oordelen dat het zoeken van bescherming niet zonder gevaar mogelijk was. Dit laat overigens onverlet dat bescherming op een later moment alsnog kan worden gezocht, nadat de vreemdeling zich aan de acute vluchtsituatie heeft onttrokken. - -#### 2.3. Beschermingsalternatief - -Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de asielzoeker na indiening van zijn verblijfsaanvraag naar zijn land van herkomst is gegaan, vormt dit een grond om geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw te verlenen. Het doel van de verblijfsvergunning asiel die is verleend op grond van een van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, is een persoon te beschermen tegen onverantwoorde risico's bij terugkeer naar het land van herkomst of tegen terugkeer die van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Indien een persoon, die in het bezit is van de hier bedoelde vergunning, uit eigen vrije wil terugkeert naar zijn land van herkomst en vervolgens terugreist, bestaat aanleiding te veronderstellen dat hij bij terugkeer geen onverantwoorde risico's zal lopen en dat de terugkeer niet van onevenredige hardheid is. - -Voor verdragsvluchtelingen is dit principe eveneens vastgelegd in artikel 1C Vluchtelingenverdrag. - -##### 2.3.1. Inleiding - -Bij de beoordeling of een vreemdeling asielrechtelijke bescherming in Nederland behoeft tegen dreigende vervolging, mensenrechtenschending of de algehele situatie in het land van herkomst, wordt steeds beoordeeld of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft door zich elders in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken. Het bestaan van een beschermingsalternatief komt bij de beoordeling van een asielaanvraag in beginsel pas aan de orde indien en nadat is vastgesteld dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van problemen die in beginsel voldoende zijn om als beschermingswaardig te gelden. - -De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor de begrippen vlucht-, vestigings- en verblijfsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze begrippen is de dreiging waartegen deze alternatieven bescherming bieden. - -Het vluchtalternatief biedt bescherming tegen dreigende vluchtelingrechtelijke vervolging zoals bepaald in het Vluchtelingenverdrag. - -Het begrip vestigingsalternatief wordt gebruikt voor twee situaties. Het is enerzijds de term die wordt gebruikt bij bescherming tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Anderzijds wordt de term vestigingsalternatief gebruikt in het beleid inzake traumata, zie C2/4.2. - -De term verblijfsalternatief speelt een rol bij de beoordeling of een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is en ziet op de mogelijk van de vreemdeling zich te onttrekken aan de algehele situatie in een deel van het land, zie C2/5. - -Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldt op grond van artikel 3.37d VV dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat en van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft. De vreemdeling komt in dat geval niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning op bovengenoemde gronden. - -##### 2.3.2. Betekenis en voorwaarden - -Aangenomen wordt, dat wanneer de vervolging of de dreiging van een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw uitgaat van de centrale overheid of van aan de overheid gelieerde organisaties, van een binnenlands vlucht- dan wel vestigingsalternatief in beginsel geen sprake kan zijn. Een uitzondering is mogelijk in de situatie waarin de overheid nog maar in een beperkt gebied feitelijk de macht uitoefent. Voorts kan sprake zijn van een vlucht- of vestigingsalternatief, indien de vervolging uitgaat van de lokale overheden en de centrale autoriteiten elders wel bescherming bieden, of in de situatie dat bescherming niet wordt geboden door de overheid maar door derden. - -Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief, wordt op grond van artikel 3.37d, tweede lid, VV rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen. In de volgende gevallen kan in redelijkheid van de vreemdeling worden verwacht dat hij zich naar elders in het land van herkomst begeeft: - -a. het gaat om een gebied waar voor de vreemdeling geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat; -b. de vreemdeling kan op veilige wijze toegang tot dat gebied verkrijgen; en -c. de vreemdeling kan zich in het gebied vestigen en van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft. - -Naast het vereiste dat de eerdere dreiging in het gebied niet meer bestaat, is tevens van belang dat de vreemdeling in het gebied geen nieuwe dreiging zal kennen en zich daardoor genoodzaakt ziet terug te keren naar de plaats waar de eerdere dreiging bestond (indirect refoulement). - -Indien de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2004/83/EG in een bepaald gebied en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde 15c gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven, ook in een dergelijke situatie, onverkort van toepassing. - -Voor de vraag of het gebied toegankelijk is, wordt gekeken naar de situatie zoals deze bestaat op het moment van de beoordeling. Dit betekent dat het gebied vanuit Nederland daadwerkelijk en reëel bereikbaar moet zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt. - -Een naar verwachting kortdurende technische belemmering vormt op grond van artikel 3.37d, derde lid, VV onvoldoende grond om geen vlucht- of vestigingsalternatief aan te nemen. - -Gedacht kan worden aan de situatie dat er nog reisdocumenten voor de vreemdeling moeten worden geregeld of dat het vliegveld in het land van herkomst tijdelijk gesloten is vanwege een overstroming. - -Niet is vereist dat de bescherming die de vreemdeling in het gebied dat geldt als vlucht- of vestigingsalternatief verkrijgt, dezelfde is als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben verkregen. - -De vreemdeling dient zich in het gebied te kunnen vestigen en een leven te kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling dient in het betreffende gebied niet achtergesteld te worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast dienen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig te zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie. - -Dat de omstandigheden in het vlucht- of vestigingsalternatief minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de asielzoeker is onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen. - -##### 2.3.3. Wijze van toetsing - -Een binnenlands vlucht-, dan wel vestigingsalternatief wordt eerst beoordeeld nadat is vastgesteld dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging op basis van een van de in het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden of een reëel risico in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. - -De Minister bepaalt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare informatie of een vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is. Een vlucht- of vestigingsalternatief kan enerzijds algemeen worden vastgesteld voor alle asielzoekers uit dat land of voor een bepaalde bevolkingsgroep. Dit wordt dan in het landengebonden asielbeleid vastgelegd (zie C24). Ook kan een vlucht- of vestigingsalternatief in individuele gevallen worden vastgesteld. - -Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vlucht- of vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet verlangd kan worden dat hij zich elders in het land vestigt. - -De vraag of een vlucht- of een vestigingsalternatief aanwezig is, wordt beoordeeld naar het moment waarop de beslissing wordt genomen. Indien ten tijde van het verblijf in het land van herkomst weliswaar een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief voorhanden was, doch dit op het moment van behandeling van de asielaanvraag niet meer het geval is, wordt dit de asielzoeker niet tegengeworpen. Anderzijds wordt een vlucht- of vestigingsalternatief, dat pas na het vertrek uit het land van herkomst is ontstaan, wel tegengeworpen. - -#### 2.4. Terugkeer naar het land van herkomst - -Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de asielzoeker na indiening van zijn verblijfsaanvraag naar zijn land van herkomst is gegaan, vormt dit een grond om geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw te verlenen. Het doel van de verblijfsvergunning asiel die is verleend op grond van een van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, is een persoon te beschermen tegen onverantwoorde risico's bij terugkeer naar het land van herkomst of tegen terugkeer die van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Indien een persoon, die in het bezit is van de hier bedoelde vergunning, uit eigen vrije wil terugkeert naar zijn land van herkomst en vervolgens terugreist, bestaat aanleiding te veronderstellen dat hij bij terugkeer geen onverantwoorde risico's zal lopen en dat de terugkeer niet van onevenredige hardheid is. - -Voor verdragsvluchtelingen is dit principe eveneens vastgelegd in artikel 1C Vluchtelingenverdrag. - -#### 2.5. Verstrekken onjuiste gegevens - -Een contra-indicatie voor statusverlening is de omstandigheid dat een asielzoeker onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt, dan wel de juiste gegevens verzwijgt teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie komt te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren. Hieronder vallen bijvoorbeeld: - -• het achterhouden van een paspoort, teneinde de legale uitreis of afgiftedatum van het document et cetera voor de Nederlandse autoriteiten verborgen te houden; -• het verstrekken van onjuiste gegevens met betrekking tot de identiteit, waardoor mogelijkheden van onderzoek, bijvoorbeeld ten aanzien van verblijf in een derde land, worden belemmerd; -• het presenteren van een niet op de betrokken asielzoeker betrekking hebbend asielrelaas als het eigen asielrelaas; -• het niet vermelden van een verblijf in een ander land vóór de komst naar Nederland; -• het verstrekken van onjuiste gegevens over het reizen naar het land van herkomst; -• het achterhouden van strafrechtelijke gegevens (bijvoorbeeld buitenlandse vonnissen). - -Deze opsomming is uitdrukkelijk niet uitputtend bedoeld. - -Het verstrekken van onjuiste gegevens vormt een aanwijzing dat de asielzoeker zich na afwijzing aan het toezicht zal onttrekken en illegaal in Nederland of in het Schengengebied zal verblijven. In dit geval kan de vreemdeling in bewaring worden gesteld ter fine van verwijdering (zie A6). - -Bij de beoordeling of onjuiste gegevens zijn verstrekt worden handelingen van een gemachtigde aan de vreemdeling toegerekend. - -### 3. De specifieke afwijzingsgronden - -#### 3.1. Al eerder onder een andere naam een aanvraag ingediend - -Teneinde kennelijk bedrog via een naamsverandering tegen te gaan, is in de Vw opgenomen dat bij de beoordeling van de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling reeds eerder, onder een andere naam, een aanvraag om verblijf in Nederland heeft ingediend. Het kan hier ook gaan om een eerdere aanvraag op basis van het reguliere vreemdelingenbeleid. - -Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken. - -#### 3.2. Zonder geldige reden niet beschikbaar gehouden - -Artikel 55, eerste lid, Vw bepaalt dat een vreemdeling zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning, beschikbaar moet houden op een door de Minister aangewezen plaats, overeenkomstig de gegeven aanwijzingen. - -Indien de asielzoeker zich (tijdelijk) niet beschikbaar houdt zonder daarvoor een geldige reden te hebben, wordt deze omstandigheid mede betrokken in het onderzoek naar de aanvraag. - -Indien een asielzoeker niet verschijnt voor het nader gehoor, kan niet zonder meer tot afwijzing van de aanvraag worden overgegaan. Eerst dient immers duidelijk te worden of betrokkene een geldige reden had om niet te verschijnen. Zorgvuldige toepassing brengt met zich mee dat de asielzoeker een tweede maal wordt opgeroepen om in de gelegenheid te zijn zich nader te verklaren. - -#### 3.3. Niet onverwijld gemeld - -Bij de beoordeling van de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij de aanvrager zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen, heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst. - -Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31 Vluchtelingenverdrag. Zij beoogt illegale immigratie tegen te gaan zonder dat daarbij vluchtelingen in de zin van dit verdrag het risico lopen te worden gerefouleerd. - -Aan een asielzoeker wordt niet tegengeworpen dat hij geen grensoverschrijdingsdocumenten bezit, indien hij zich uit eigen beweging, zo snel als redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gemeld. De termijn hiervoor is gesteld op 48 uur na binnenkomst in Nederland. - -Indien de asielzoeker die niet in het bezit is van de vereiste documenten, een dergelijke melding niet heeft gedaan en hij wordt bij het binnenlands vreemdelingentoezicht aangetroffen, dan kan zijn aanvraag worden afgewezen. - -Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken. - -#### 3.4. Valse of vervalste documenten - -Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. - -Het gaat hier om bedrog van de zijde van de asielzoeker, dat in beginsel niet tot inwilliging van de aanvraag kan leiden. Iedere vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel aanvraagt, dient de waarheid te spreken en mag niets achterhouden aangaande de (beweerde) vluchtsituatie. - -Soms mag een vreemdeling, om aan een objectieve vluchtsituatie te ontkomen, zich bedienen van vervalste of verkeerde bescheiden – maar, eenmaal in Nederland aangekomen, dient hij dit onmiddellijk aan te geven ten genoege van het bevoegd gezag. Houdt de vreemdeling bij het overleggen van de documenten en gevraagd naar de echtheid, opzettelijk vol – hij wil dus niet meewerken – dan kan dit tot afwijzing leiden. - -Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken. - -#### 3.5. Documenten die niet op de vreemdeling betrekking hebben - -Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. - -Ook hier gaat het om bedrog van de zijde van de asielzoeker, waarvoor dezelfde redenering geldt als aangegeven in C14/2. - -Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken. - -#### 3.6. Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd - -##### 3.6.1. Toepassing - -Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en de vreemdeling niet aannemelijk maakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. - -Op grond van artikel 37, onder c, Vw en artikel 3.114 Vb dient de vreemdeling alle relevante documenten te overleggen. - -Het toerekenbaar ontbreken van documenten moet in de context van het totale feitencomplex worden beschouwd. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan. - -Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken. - -De toetsing aan artikel 31, tweede lid, onder f, Vw vindt plaats aan de hand van de volgende drie vragen: - -1. Welke voor de beoordeling van de asielaanvraag noodzakelijke documenten ontbreken? -2. Is het aannemelijk dat het ontbreken van die documenten niet aan de asielzoeker is toe te rekenen? -3. Heeft de asielzoeker mede vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten niet aannemelijk kunnen maken dat zijn asielaanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen? - -Zo ja: met inachtneming van de hierna volgende paragrafen wordt artikel 31, tweede lid, onder f, Vw toegepast. - -De manier waarop deze vragen moeten worden beantwoord, wordt toegelicht in C4/3.6.2, C4/3.6.3 en C4/3.6.4. - -##### 3.6.2. Documenten - -Welke voor de beoordeling van de asielaanvraag noodzakelijke documenten ontbreken? - -Voor de beoordeling van een asielaanvraag zijn de volgende elementen, en dus documenten die dit onderbouwen, van belang: - -– de identiteit van de asielzoeker; -– de nationaliteit van de asielzoeker; -– de reisroute van de asielzoeker; -– het asielrelaas van de asielzoeker. - -De documenten die de identiteit onderbouwen, zijn officiële, door de overheid afgegeven documenten met daarin ten minste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de asielzoeker. - -Het document waarmee de nationaliteit kan worden onderbouwd is een paspoort of een ander door de overheid afgegeven document met pasfoto waarin staat aangegeven dat de asielzoeker de nationaliteit van het betreffende land bezit. - -De documenten die de reisroute onderbouwen, zijn in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan men zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland (echte, valse of vervalste grensoverschrijdingsdocumenten). In de tweede plaats betreft dit alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de asielzoeker heeft gevolgd. Het reisverhaal kan worden onderbouwd met alle documenten en bescheiden die gelden als formeel of indicatief bewijs in het kader van de Verordening, zoals: treinkaartjes, hotelrekeningen, toegangsbewijzen voor particuliere of openbare instellingen in de EU-lidstaten et cetera. - -Voor de lijsten met beschrijvingen van respectievelijk formeel bewijs en indicatief bewijs wordt verwezen naar de bewijslijsten in het Besluit 1/97 van het Comité van artikel 18 bij de Overeenkomst van Dublin. - -Het asielrelaas kan worden onderbouwd met documenten ter staving van hetgeen men stelt te hebben meegemaakt in het land van herkomst. Het gaat dan om bijvoorbeeld arrestatiebevelen, oproepen of vonnissen van rechtbanken, krantenartikelen en andere relevante documenten. - -##### 3.6.3. Beoordeling van de toerekenbaarheid - -Wanneer is vastgesteld dat op één of meer elementen op grond waarvan de beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt (identiteit/nationaliteit/reisroute/asielrelaas) documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de betreffende asielzoeker is toe te rekenen. - -Indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, is dit reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van ‘het toerekenbaar ontbreken van documenten’. - -In het kader van deze beoordeling worden steeds de volgende vragen beantwoord: - -a. Zijn de verklaringen omtrent het betreffende element en het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig? -b. Komen deze verklaringen overeen met hetgeen overigens bekend is? - -Is het antwoord op vraag a en/of b ‘nee’, dan is het aannemelijk dat het ontbreken van deze documenten aan de asielzoeker is toe te rekenen. - -Hierbij gelden de volgende aandachtspunten. - -Een vreemdeling behoort zijn documenten zorgvuldig te bewaren. Indien de asielzoeker verklaart dat zijn documenten na binnenkomst in Nederland zijn zoekgeraakt of weggemaakt, zal dit vrijwel altijd toerekenbaar zijn aan de betrokken asielzoeker. Als hij deze in Nederland verliest, of in enig ander land waar hij reeds veilig was, is in beginsel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten. - -Indien de asielzoeker verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent geldt het volgende. - -Het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de betreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. - -Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren *onder dwang* aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen. - -‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van identiteitsdocumenten: - -– de situatie in het land van herkomst (bijvoorbeeld: worden er überhaupt identiteitsdocumenten verstrekt, kan het gevaarlijk zijn om dergelijke documenten aan te vragen); en -– de onderzoeksresultaten na het controleren van de betreffende systemen (registratie in Nederland, eventuele bekendheid bij andere lidstaten van de EU). - -‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van nationaliteitsbewijzen: - -– de situatie in het land van herkomst (bijvoorbeeld: worden er überhaupt paspoorten verstrekt, kan het gevaarlijk zijn om dergelijke documenten aan te vragen); en -– de onderzoeksresultaten na het controleren van de betreffende systemen (registratie in Nederland, eventuele bekendheid bij andere lidstaten van de EU). - -‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van documenten inzake de reis: alle informatie die betrekking heeft op reizen naar Nederland (bekende reisroutes, controle op papieren in de landen van herkomst en tijdens de doorreis in andere landen, de wijze van reizen, aankomst- en vertrektijden en duur en verloop van de reis op grond van vaar-, vlieg- en andere reisschema's). - -Hierbij gelden in het bijzonder de volgende aandachtspunten: - -a. Het is in beginsel niet geloofwaardig dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen. Ook op zichzelf geloofwaardige verklaringen omtrent het kwijtraken van documenten, impliceren niet automatisch dat de asielzoeker in het geheel geen (reis)bescheiden meer in zijn bezit heeft. Zowel bij een reis over land als een reis per vliegtuig is het onaannemelijk dat een asielzoeker niets aan indicatief bewijs in diens bezit heeft. Zelfs hotelrekeningen, telefoonkaarten, buitenlands geld of suikerzakjes van een luchtvaartmaatschappij en dergelijke kunnen al als indicatie dienen. In dit verband is het relevant dat men bij een reis per vliegtuig vrijwel altijd in het bezit van een (al dan niet vals of vervalst) officieel reisdocument moet zijn geweest. Na een reis per vliegtuig naar de EU moet in ieder geval het vluchtnummer kunnen worden vastgesteld, bijvoorbeeld op grond van het vliegtuigticket en/of de instapkaart. Daarnaast geldt dat bagage tijdens de vliegreis is voorzien van etiketten met vermelding van het vluchtnummer. Indien een asielzoeker in het bezit van bagage is, moet hij ook dergelijk bewijs kunnen overleggen. -b. In het geval dat een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij blijk van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen. - -Verifieerbare elementen zijn bijvoorbeeld: - -– de omschrijving van aankomst in de EU, zoals aankomst met de boot en omschrijving van de haven (na onderzoek blijkt de betreffende boot inderdaad op die route en tijden te varen en klopt de omschrijving van de haven; in geval van een passagierslijst kan gecheckt worden of de vreemdeling inderdaad aanwezig was); -– asiel hebben gevraagd in een ander land en inderdaad in die hoedanigheid bekend zijn. -c. Verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft én niets meer weet van de reis zijn niet geloofwaardig. Het is aan de asielzoeker om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis (nauwkeurige omschrijving vervoermiddel en verloop van de reis). - -Voordat kan worden overgegaan tot de beoordeling van het asielrelaas zullen eerst de identiteit, de nationaliteit en de reisroute zoveel mogelijk moeten worden vastgesteld. Wanneer (een van) deze eerste drie elementen niet (kan) kunnen worden vastgesteld vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten, zal ook het vluchtrelaas in geloofwaardigheid worden aangetast. - -Vervolgens geldt: naar mate het vluchtrelaas geloofwaardiger is, zal een diepgaander onderzoek naar de feiten moeten worden gedaan. De geloofwaardigheid van een vluchtrelaas is in ieder geval groter wanneer de gestelde feiten worden onderbouwd met documenten, zoals arrestatiebevelen, artikelen in kranten (bijvoorbeeld indien men stelt als ‘gezocht’ in de krant te hebben gestaan) of oproepen van rechtbanken en dergelijke. - -Wanneer het vluchtrelaas (ook) niet wordt onderbouwd met documenten moet de asielzoeker aannemelijk maken dat dit niet aan hem is toe te rekenen. - -‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van documenten inzake het asielrelaas de situatie in het land van herkomst. - -##### 3.6.4. Inhoudelijke beoordeling - -Nadat is vastgesteld dat er sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten, vindt de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag plaats. - -Toepassing van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw vindt uitsluitend plaats na een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag waaruit blijkt dat sprake is van de volgende omstandigheden: - -– de asielzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen; én -– de asielzoeker heeft mede *vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten* niet aannemelijk kunnen maken dat zijn asielaanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. - -#### 3.7. Veilig land van herkomst - -Indien de vreemdeling afkomstig is uit een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de mensenrechtenverdragen die worden genoemd in artikel 30, onder d, Vw en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het land van herkomst ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. De hier bedoelde landen worden beschouwd als veilige landen van herkomst en om deze reden bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat in het betrokken land geen vervolging dreigt of andere risico's als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder b en c, Vw. - -In het kader van deze bepaling is dus geen sprake van een lijst van veilige landen, maar van een systeem waarbij het gaat om landen die de bedoelde verdragen hebben onderschreven en het ook aannemelijk is dat die landen de verdragen nakomen. - -Aan een vreemdeling die afkomstig is uit een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet naleeft, wordt artikel 31, eerste lid, onder g, Vw niet tegengeworpen. Hierbij wordt gedacht aan landen waarop artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (categoriale bescherming, zie C2/5) of een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw (zie C19) van toepassing is en landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden. - -Ten aanzien van deze vreemdelingen kan de presumptie van veiligheid, die volgt uit de ondertekening van de genoemde verdragen, niet onverkort gehandhaafd worden. De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit zo’n land zal al snel aannemelijk kunnen maken dat dat land de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt. - -Bij de vraag of het betreffende land ten aanzien van de individuele asielzoeker zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, vormt het relaas van de asielzoeker het uitgangspunt. De asielzoeker moet duidelijk maken wat er aan de hand is en hoe dat past in de context van het land waar hij vandaan komt. - -De bewijslastverdeling ligt hier echter niet eenzijdig bij de asielzoeker. Bij de behandeling van de aanvraag wordt ook door de IND bekeken en meegewogen of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. - -#### 3.8. Veilig derde land - -##### 3.8.1. Algemeen - -Bij de beoordeling van de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en een van de mensenrechtenverdragen die worden genoemd in artikel 30, onder d, Vw. Deze landen worden beschouwd als veilige derde landen. Een uitzondering geldt echter voor landen die op grond van artikel 1B Vluchtelingenverdrag alleen vluchtelingen erkennen die afkomstig zijn uit Europa. - - - Het gaat hier om de situatie waarin de asielzoeker na het vertrek uit het land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland is gereisd, maar heeft verbleven in een derde land, dat op grond van de Vw is aangemerkt als veilig derde land. Op grond van deze bepaling bestaat er, indien de asielzoeker heeft verbleven in een veilig derde land, een algemeen rechtsvermoeden dat ten aanzien van hem geen vervolging dreigt of andere risico's als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder b en c, Vw bestaan. - - - In het kader van deze bepaling is dus geen sprake van een lijst van veilige derde landen, maar van een systeem waarbij het gaat om landen die de bedoelde verdragen hebben onderschreven en het ook aannemelijk is dat die landen de verdragen nakomen. - - - Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, Vb wordt artikel 31, eerste lid, onder h, Vw niet tegengeworpen aan een vreemdeling die heeft verbleven in een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, eerste lid, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet naleeft. Hierbij wordt gedacht aan landen waarop artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (categoriale bescherming, zie C2/5) of een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw (zie C19) van toepassing is en landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden. - - - Ten aanzien van deze vreemdelingen kan de presumptie van veiligheid, die volgt uit de ondertekening van de genoemde verdragen, niet onverkort worden gehandhaafd. De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft verbleven in zo'n land zal al snel aannemelijk kunnen maken dat dat land de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt. - - - Bij de vraag of het betreffende land ten aanzien van de individuele asielzoeker zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, vormt het relaas van de asielzoeker het uitgangspunt. De asielzoeker moet duidelijk maken wat er aan de hand is en hoe dat past in de context van het land waar hij heeft verbleven. - - - De bewijslastverdeling ligt hier echter niet eenzijdig bij de asielzoeker. Bij de behandeling van de aanvraag wordt ook door de IND bekeken en meegewogen of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. - - - Deze bepaling kan voorts slechts worden toegepast als vaststaat dat de vreemdeling ook daadwerkelijk zal worden toegelaten tot het veilige derde land en aldaar zal zijn gevrijwaard van refoulement. - -200724011-12-200707-12-20072007/38200751118-12-200710-12-200719-12-2007Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Vreemdelingenwet 2000 (implementatie richtlijn 2005/85/EG) (Stb. 2007/450) in werking treedt. - -##### 3.8.2. Doorreis en verblijf - -Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, Vb kan de asielaanvraag alleen worden afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw als de vreemdeling een zodanige band met het derde land heeft, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. - - - De afwijzingsgrond van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw wordt alleen toegepast indien er sprake is van verblijf in een veilig derde land, dus niet als de vreemdeling alleen is doorgereisd door dat land. Er is sprake van verblijf als uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen. Als richtlijn wordt de volgende stelregel gehanteerd: - - - – - Een verblijf van twee weken of meer in een derde land wijst erop dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden (zoals overgelegde documenten) blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wél had. - - - – - Indien de vreemdeling minder dan twee weken in een derde land heeft verbleven, wordt aangenomen dat hij in het land van herkomst de intentie had om naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten/omstandigheden (zoals overgelegde documenten) het tegenovergestelde blijkt. Te denken valt aan reisdocumenten die geen enkele indicatie voor een reis naar Nederland opleveren. - - - -200724011-12-200707-12-20072007/38200751118-12-200710-12-200719-12-2007Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Vreemdelingenwet 2000 (implementatie richtlijn 2005/85/EG) (Stb. 2007/450) in werking treedt. - -##### 3.8.3. Verhouding met - -Een aantal landen dat wordt aangemerkt als veilig derde land, is partij bij de Verordening of bij een terug- of overnameovereenkomst als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder d, Vw. - -Zoals in C14/1 is aangegeven, wordt bij de beoordeling van een asielaanvraag allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld op de toepasselijkheid van artikel 29 en 31 Vw en wordt de toepasselijkheid van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw niet onderzocht. - -#### 3.9. Land van eerder verblijf - -##### 3.9.1. Inleiding - -Bij de beoordeling van de aanvraag wordt op grond van artikel 31, tweede lid, onder i, Vw mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden. - -De toepasselijkheid van deze bepaling wordt alleen onderzocht als artikel 31, tweede lid, onder h, Vw (veilige derde landen) in de individuele casus niet van toepassing is. - -##### 3.9.2. Voorwaarden voor afwijzing - -Een asielaanvraag kan op grond van deze bepaling worden afgewezen, indien: - -– de asielzoeker niet rechtstreeks naar Nederland is gekomen en voor zijn komst in een ander land genoegzame bescherming genoot of had kunnen genieten tegen refoulement; en -– hij naar het oordeel van de Minister in dat land verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden; en -– gebleken is dat dit land hem zal toelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden. - -Aan de hand van onderstaande vragen wordt bepaald of een derde land, waar de asielzoeker heeft verbleven, kan worden aangemerkt als land van eerder verblijf en of artikel 31, tweede lid, onder i, Vw van toepassing is. - -##### 3.9.3. Vaststelling van eerder verblijf - -Als de volgende situaties *cumulatief* van toepassing zijn, is er sprake van een land van eerder verblijf. - -a. De vreemdeling is vanuit zijn land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland gekomen; -b. Uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen; -c. De vreemdeling verbleef in het derde land of had aldaar kunnen verblijven onder omstandigheden die ter plaatse niet als abnormaal moeten worden aangemerkt. - -Als richtlijn wordt de volgende stelregel gehanteerd: - -– Een verblijf van twee weken of meer in een derde land wijst erop dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden (zoals overgelegde documenten) blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wél had. -– Indien de vreemdeling minder dan twee weken in een derde land heeft verbleven, wordt aangenomen dat hij in het land van herkomst de intentie had om naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten/omstandigheden (zoals overgelegde documenten) het tegenovergestelde blijkt. Te denken valt aan reisdocumenten die geen enkele indicatie voor een reis naar Nederland opleveren. - -##### 3.9.4. Duurzame bescherming in het land van eerder verblijf - -Indien is vastgesteld dat er wel sprake is van een land van eerder verblijf, dient te worden vastgesteld of dit land van eerder verblijf duurzame bescherming tegen refoulement biedt. Als dat het geval is, kan de asielaanvraag worden afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder i, Vw. - -De asielzoeker heeft in het land van eerder verblijf duurzame bescherming als één van de volgende gevallen van toepassing is: - -a. het land van eerder verblijf is partij bij het Vluchtelingenverdrag én leeft dit verdrag te goeder trouw na; -b. het land van eerder verblijf is géén partij bij het Vluchtelingenverdrag of leeft dit verdrag niet te goeder trouw na, maar de asielzoeker beschikt in het land van eerder verblijf over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending, of er is gebleken dat hij een dergelijke verblijfstitel kan verkrijgen. - -In deze gevallen kan de aanvraag ook worden afgewezen indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, of indien één van de andere inwilligingsgronden van artikel 29, eerste lid, onder b tot en met d, Vw op zichzelf bezien van toepassing is. Voorts is het in deze gevallen niet nodig dat de asielzoeker beschikt over een verblijfstitel voor het land van eerder verblijf. Het is voldoende dat hij toegang krijgt tot het grondgebied van dit land. Dit moet blijken uit een schriftelijk bericht van dit land (bijvoorbeeld een gehonoreerde claim). Dit schriftelijk bericht behoeft niet te worden opgevraagd indien uit algemene informatie of uit andere bronnen reeds blijkt dat de vreemdeling zijn verblijf in het land van eerder verblijf zal kunnen voortzetten. - -Ook in deze gevallen kan de bepaling worden toegepast indien één van de inwilligingsgronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, op zichzelf bezien, van toepassing is: - -– een verblijfstitel die naar zijn aard tijdelijk is, levert over het algemeen onvoldoende bescherming op tegen terugzending, tenzij er vooruitzicht is op verlenging of wijziging van de beperking; -– als uit de voorliggende stukken niet aanstonds blijkt of de asielzoeker een verblijfstitel heeft en er is sprake van een langdurig verblijf in het land van eerder verblijf, dient per individueel geval te worden bezien of onderzoek moet plaatsvinden in het land van eerder verblijf. - -De asielzoeker heeft in het land van eerder verblijf in het kader van een asielprocedure een in rechte onaantastbare negatieve beslissing gekregen waarbij hij alle mogelijke rechtsmiddelen heeft aangewend, tenzij het indienen van een rechtsmiddel als ‘volstrekt illusoir’ moet worden aangemerkt. De bewijslast ligt op dit punt bij de asielzoeker. Als dit geval zich voordoet, kan artikel 31, tweede lid, onder i, Vw niet worden toegepast. - -#### 3.10. Verblijfsalternatief - -##### 3.10.1. Inleiding - -Op grond van artikel 31, tweede lid, onder j, Vw, wordt bij de beoordeling van de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een verblijfsalternatief heeft omdat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst. - -Deze bepaling wordt niet toegepast bij de beoordeling van de inwilligingsgronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw, maar slechts bij de beoordeling of de asielzoeker, die behoort tot een categorie ten aanzien waarvan categoriale bescherming wordt geboden (zie C2/5), in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. - -Deze bepaling wordt voorts niet toegepast in die gevallen, waarin de asielzoeker reeds eerder een verblijfsvergunning asiel heeft verkregen en het verblijf in het derde land ten tijde van het verlenen van die vergunning bekend was bij de IND. - -De duur van het verblijf van de vreemdeling buiten het land van herkomst is een factor die hierbij wordt meegewogen. Vreemdelingen, die voor hun komst naar Nederland in een ander land dan het land van herkomst hebben verbleven, lopen bij terugkeer naar dat andere land niet de risico's die wel zouden bestaan bij terugkeer naar het land van herkomst. Dit leidt ertoe, dat artikel 31, tweede lid, onder j, Vw wordt toegepast, indien de volgende cumulatieve omstandigheden zich voordoen: - -– de vreemdeling heeft verbleven in een derde land; -– de vreemdeling heeft bescherming of had bescherming kunnen hebben in een derde land; -– het is niet onaannemelijk dat de betrokken vreemdeling kan terugkeren naar het derde land. - -##### 3.10.2. Verblijf in een derde land - -Onder verblijf (hebben of verblijf gehad hebben) in een derde land wordt verstaan iedere fysieke feitelijke aanwezigheid op het grondgebied van een derde land voorafgaand aan de komst naar Nederland. - -Er geldt geen termijn voor de duur van het verblijf in een derde land. Het is zeer wel denkbaar dat enerzijds ook bij een voorafgaand verblijf in een derde land van korter dan twee weken sprake is van een aan de vreemdeling tegen te werpen verblijfsalternatief, terwijl het anderzijds niet steeds op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat bij een verblijf van langer dan twee weken toch niet van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij naar het derde land terugkeert. - -##### 3.10.3. Bescherming in een derde land - -Uitgangspunt van de derdelandenexceptie is dat een vreemdeling in aanmerking komt voor categoriale bescherming indien hij geen andere mogelijkheden heeft of had om bescherming te verkrijgen tegen de in zijn land van herkomst heersende onveiligheid. Ingeval een vreemdeling in een derde land verblijft of verblijf heeft gehad, dient te worden aangenomen dat de vreemdeling bescherming heeft of had kunnen hebben in een derde land tegen de in zijn land van herkomst heersende onveiligheid. - -De ‘bescherming in een derde land’ is in de volgende criteria uitgewerkt: - -– het derde land is geen land ten aanzien waarvan een beleid van categoriale bescherming geldt; -– in het derde land loopt de vreemdeling geen gevaar voor lijf, leven en vrijheid; -– de vreemdeling heeft in het derde land niet verbleven onder bijzondere schrijnende persoonlijke omstandigheden; -– het derde land zet vreemdelingen die in aanmerking komen voor categoriale bescherming niet zonder meer uit naar het land van herkomst. - -Ingeval algemene informatie voorhanden is waaruit blijkt dat de categorie vreemdelingen waartoe de betrokken vreemdeling behoort geen bescherming krijgt of had kunnen krijgen in het derde land, dient deze informatie te worden afgezet tegen het individuele relaas. Indien uit het relaas van de vreemdeling blijkt dat hij gezien zijn individuele omstandigheden desalniettemin wel bescherming genoot of had kunnen genieten, kan het verblijf in het derde land ook worden tegengeworpen. - -##### 3.10.4. De betrokken vreemdeling kan terugkeren naar het derde land - -In het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw behoeft niet te zijn vastgesteld dat de vreemdeling wedertoelating verkrijgt in het derde land. Hier is dus een verschil met de weigeringsgrond van artikel 31, tweede lid, onder i, Vw (land van eerder verblijf). - -Dit laat zich verklaren uit het feit dat artikel 31, tweede lid, onder i, Vw wordt toegepast zonder voorafgaande statusdeterminatie. Bij de toepassing van de derdelandenexceptie is daarentegen reeds vastgesteld dat geen sprake is van een grond voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw. - -Het is echter onredelijk om in het geheel geen rekening te houden met wedertoelatingsmogelijkheden. Het criterium dat hiervoor wordt gehanteerd, is dat niet onaannemelijk is dat het derde land de betrokken vreemdeling toegang zal geven tot zijn grondgebied. Dit criterium sluit tevens aan bij het uitgangspunt dat op de vreemdeling ingevolge artikel 45, eerste lid, onder b, Vw de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. - -Het is aan de vreemdeling om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat het land van eerder verblijf de vreemdeling geen toegang zal geven tot het grondgebied. - -Of niet onaannemelijk is dat een vreemdeling kan terugkeren naar het derde land, kan blijken uit onder meer de navolgende voorhanden zijnde informatie: - -– omtrent de wijze waarop vreemdelingen vrijwillig naar het derde land terugkeren; -– omtrent de wijze waarop het derde land doorgaans omgaat met het verlenen van reisdocumenten aan vreemdelingen uit landen waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt; -– omtrent de verwijdering van een vreemdeling naar het derde land; -– een individueel schriftelijk bericht van het derde land. - -Als geen informatie voorhanden is en overigens ook weinig of niets bekend is over de mogelijkheid van toegang tot het derde land moet aan de hand van het individuele relaas worden bezien of terugkeer niet onaannemelijk is. - -Ingeval informatie voorhanden is waaruit blijkt dat de categorie vreemdelingen waartoe de betrokken vreemdeling behoort niet kan terugkeren naar het derde land, is ook het individuele relaas van de vreemdeling van belang. - -Terugkeer naar het derde land wordt onder meer niet onaannemelijk geacht ingeval een vreemdeling reeds eerder het derde land zonder problemen is ingereisd. In een dergelijk geval dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat de toegang tot het derde land ditmaal wel zal worden geweigerd. Dit geldt ook naarmate een vreemdeling langer heeft verbleven in het derde land. Uitgangspunt hierbij is dat naarmate het verblijf in een derde land langer duurt, de terugkeermogelijkheden toenemen dan wel dat maatregelen getroffen hadden kunnen worden om terugkeer veilig te stellen. - -Indien is gebleken dat een vreemdeling aan zichzelf heeft te wijten dat hij niet kan terugkeren naar het derde land, blijft dit voor diens eigen rekening. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de omstandigheid dat de vreemdeling reis- en/of identiteitsdocumenten heeft vernietigd of ingeval de vreemdeling een strafbaar feit heeft gepleegd in het derde land. - -#### 3.11. Openbare orde of nationale veiligheid - -##### 3.11.1. Algemeen beleidskader - -Bij de beoordeling van de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat een asielzoeker een misdrijf heeft gepleegd, dat aanleiding kan zijn om de verblijfsvergunning te weigeren. - -a. Een vingerafdrukkenslip die, blijkens een aantekening daarop, gemaakt is bij de verdenking van een strafbaar feit. - -De uitslag van het dactyloscopisch onderzoek vormt een grond voor nader onderzoek naar het bestaan van een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder h, Vw. -b. Een proces-verbaal, opgemaakt ter zake van het plegen van een misdrijf. Ook hier geldt dat het proces-verbaal een grond vormt voor nader onderzoek. -c. De antecedentenverklaring. De asielzoeker dient deze verklaring te ondertekenen bij de asielaanvraag. De aanvrager verklaart daarin nimmer ter zake van enig strafbaar feit te zijn veroordeeld tot de genoemde straffen en op het moment van zijn aanvraag niet aan een strafvervolging te zijn onderworpen. Als de aanvrager de antecedentenverklaring niet wil ondertekenen, dan bestaat het vermoeden dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd en dient zulks te worden onderzocht. Als na ondertekening van de verklaring blijkt dat de asielzoeker ooit is veroordeeld, dan staat vast dat hij deze verklaring ten onrechte heeft ondertekend en derhalve onjuiste gegevens heeft verstrekt (zie ook C4/2.4). -d. Daarnaast kan het JDS desgevraagd gegevens verstrekken over veroordelingen en lopende zaken bij het OM. -e. Een uitspraak van een buitenlandse rechter kan eveneens van belang zijn voor beoordeling van de vraag of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde (zie B1/2.2.4). - -###### 3.11.1.1. Algemeen - -Bij het onderzoek naar de aanvraag wordt, op grond van artikel 31, tweede lid, onder k, Vw, mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. - -Voor de gevallen waarin de vreemdeling een verdragvluchteling is, is bijzonder beleid opgenomen in C4/3.11.1.2. - -Voor de gevallen waarin er een rechtsgrond is voor verlening op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, is bijzonder beleid opgenomen in C4/3.11.1.3. - -In de overige gevallen is het beleid, zoals omschreven in B1/4.4, van overeenkomstige toepassing. Hierbij geldt dat, slechts indien de asielzoeker bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:84 Awb, stelt en aannemelijk maakt, er reden is om af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging. - -Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling van de verblijfsaanspraken nadat een vreemdeling een delict heeft gepleegd gaat het niet om de beoordeling van het toekomstig onzekere feit dat betrokkene niet meer een (soortgelijk) delict zal plegen. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid. - -Voor de toepassing van de grond ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie B1/4.4 - -###### 3.11.1.2. Openbare orde als de vreemdeling een verdragsvluchteling is - -Indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, kan op grond van artikel 3.105b Vb verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts worden geweigerd, indien: - -a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of -b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap. - -Deze bepaling heeft betrekking op vreemdelingen op wie het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en ziet derhalve niet op vreemdelingen ten aanzien van wie één van de uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag geldt. - -De bepaling is in overeenstemming met artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag, waarin is bepaald dat de non-refoulementbepaling van artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is, indien er ten aanzien van de vluchteling ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land. - -Voor wat betreft het gevaar voor de nationale veiligheid, zie B1/4.4. - -Er is sprake van een bijzonder ernstig misdrijf indien: - -1. de vreemdeling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd; -2. het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen of maatregelen in totaal ten minste 24 maanden bedraagt; en -3. tenminste één van de veroordelingen betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven, brandstichting, mensenhandel, illegale handel in wapens, munitie en explosieven en illegale handel in menselijke organen en weefsels. - -Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij deze beoordeling betrokken. Hierbij wordt beoordeeld welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft. Aan de hand van de gegevens die de vreemdeling heeft verschaft of anderszins bekend zijn geworden, wordt contact opgenomen met het OM voor de vraag welke straf in Nederland voor het betreffende strafbare feit zou zijn gevorderd, waarbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot de eis van de Officier van Justitie ter zitting. - -Voor het weigeren van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.105b, onder b, Vb is tevens vereist dat de vreemdeling een gevaar voor de gemeenschap vormt. Dit wordt ex nunc beoordeeld. - -De vraag of de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap wordt in de eerste plaats beantwoord aan de hand van de strafoplegging door de rechter. - -De aard van de misdrijven in combinatie met de hoogte van de opgelegde strafmaat is mede bepalend voor de conclusie dat de betrokken vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap van Nederland. - -De vreemdeling kan feiten of omstandigheden aanvoeren waarmee hij aannemelijk kan maken dat dit gevaar in zijn geval niet aanwezig is. Aanzienlijk tijdsverloop sinds de veroordeling zonder dat recidive heeft plaatsgevonden kan een aanwijzing vormen dat de vreemdeling geen gevaar meer oplevert. Paragraaf B1/4.4.1 ten aanzien van verjaring van misdrijven is in dit verband van overeenkomstige toepassing. In de hier bedoelde gevallen, waarin immers sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf, wordt een verjaringstermijn van twintig jaren gehanteerd. - -###### 3.11.1.3. Openbare orde en - -In artikel 3.105e Vb zijn de omstandigheden opgesomd waaronder een verblijfsvergunning asiel geweigerd dient te worden aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtsgrond is voor verlening op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Hiervan is slechts sprake indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat: - -a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven; -b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd; -c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de VN; -d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of -e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden. - -Ten aanzien van vreemdelingen aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, wordt verwezen naar C4/3.11.3.1. Zij komen reeds op grond van artikel 3.107 Vb niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. - -*Ad a.* - -Deze weigeringsgrond komt overeen met de in artikel 1F, onder a, Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3.2) genoemde misdrijven. Met eerdergenoemde internationale instrumenten worden met name bedoeld het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal van 8 augustus 1945 (Neurenberg-Handvest) en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998. - -*Ad b.* - -Er is sprake van een ernstig misdrijf indien: - -1. de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd; -2. het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen of maatregelen in totaal ten minste 18 maanden bedraagt; en -3. tenminste één van de veroordelingen betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven, brandstichting, mensenhandel, illegale handel in wapens, munitie en explosieven en illegale handel in menselijke organen en weefsels. - -Voor de weigering van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.105e, onder b, Vb is niet vereist dat de uitspraak, waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf, onherroepelijk is geworden. - -Indien de vreemdeling een verblijfsvergunning is geweigerd op grond van artikel 3.105e, onder b, Vb, wordt een eens gepleegd misdrijf niet blijvend tegengeworpen. Paragraaf B1/4.4.1 ten aanzien van verjaring van misdrijven is hier van overeenkomstige toepassing. In de hier bedoelde gevallen, waarin immers sprake is van een ernstig misdrijf, wordt een verjaringstermijn van tien jaren gehanteerd. - -Indien de in paragraaf B1/4.4.1 beschreven toets leidt tot de conclusie dat het misdrijf inderdaad niet langer wordt tegengeworpen, en er geen andere grond is voor verblijf, wordt de vreemdeling uitgenodigd een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. Deze aanvraag wordt vervolgens ingewilligd op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht. - -*Ad c.* - -Deze weigeringsgrond komt overeen met de handelingen, bedoeld in artikel 1F, onder c, Vluchtelingenverdrag. - -*Ad d.* - -Of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld, zie C4/3.11.1.1 en C4/3.11.1.2. - -Onder gevaar voor de gemeenschap of de nationale veiligheid wordt ook verstaan de situatie waarin het verlenen van een verblijfsvergunning zou betekenen dat Nederland zou verworden tot een gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. - -*Ad e.* - -Of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld. - -##### 3.11.2. Informatie over antecedenten - -Uit verschillende bronnen kan duidelijk worden dat een asielzoeker een misdrijf heeft gepleegd, dat aanleiding kan zijn om de verblijfsvergunning te weigeren. Het kan gaan om: - -a. een vingerafdrukkenslip die, blijkens een aantekening daarop, gemaakt is bij de verdenking van een strafbaar feit; -b. een proces-verbaal, opgemaakt ter zake van het plegen van een misdrijf; -c. de antecedentenverklaring; -d. door JDS (op aanvraag) verstrekte gegevens over veroordelingen en lopende zaken bij het OM; -e. een uitspraak van een buitenlandse rechter (zie B1/4.4). - -De uitslag van het dactyloscopisch onderzoek vormt een grond voor nader onderzoek naar het bestaan van een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder h, Vw. - -Ook hier geldt dat het proces-verbaal een grond vormt voor nader onderzoek. - -De asielzoeker dient deze verklaring te ondertekenen bij de asielaanvraag. De aanvrager verklaart daarin nimmer ter zake van enig strafbaar feit te zijn veroordeeld tot de genoemde straffen en op het moment van zijn aanvraag niet aan een strafvervolging te zijn onderworpen. Als de aanvrager de antecedentenverklaring niet wil ondertekenen, dan bestaat het vermoeden dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd en dient zulks te worden onderzocht. Als na ondertekening van de verklaring blijkt dat de asielzoeker ooit is veroordeeld, dan staat vast dat hij deze verklaring ten onrechte heeft ondertekend en derhalve onjuiste gegevens heeft verstrekt (zie ook C4/2.5). - -##### 3.11.3. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -###### 3.11.3.1. Algemeen - -Nederland dient geen vluchthaven te zijn voor personen ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven, andere ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat geen verblijfsvergunning wordt verleend aan zulke personen. - -Deze weigering om verblijf te verlenen wordt ook ingegeven door de gedachte dat het asielrecht is bedoeld om hen die vluchten voor onrecht te beschermen, en niet is bedoeld voor hen die gerechtigheid ontvluchten. Deze laatste personen mogen de (internationale) strafrechtelijke gevolgen van hun daden niet ontlopen. Ook de positie van de slachtoffers van deze personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden, is hier in het geding. - -Blijkens de tekst van artikel 1F Vluchtelingenverdrag houdt de toepasselijkheid van deze bepaling in dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is. De toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag dient daarom te worden onderzocht voordat wordt bezien of de asielzoeker een vluchteling is in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag. - -Indien er sprake is van deze bijzondere grond van openbare orde, is het Vluchtelingenverdrag niet op de vreemdeling van toepassing en kan de aanvraag dus niet ingewilligd worden op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw. Op grond van artikel 3.107, tweede lid, Vb komt de vreemdeling in deze situatie evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van een van de andere gronden bedoeld in artikel 29 Vw. - -Op grond van artikel 3.77 Vb wordt aan de vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning regulier verleend. Dit kan slechts anders zijn als de situatie zich voordoet dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is en dat aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. In dat geval is C4/3.11.3.4 van toepassing. - -Kort weergegeven is de toetsing als volgt. - -Na de toetsing aan artikel 30 Vw (zie C3) wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. - -Zo ja, dan dient de aanvraag te worden afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto tweede lid, onder k, Vw. Zo nee, dan wordt bezien of de asielzoeker behoort tot de categorieën van artikel 29, eerste lid, Vw en of er andere redenen zijn op grond van artikel 31 Vw waarom de aanvraag moet worden afgewezen. - -Voor het tegenwerpen van artikel 1F Vluchtelingenverdrag is een (buitenlands) strafvonnis niet noodzakelijk, omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden. - -###### 3.11.3.2. Gronden artikel 1F - -Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat: - -a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen; -b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; of -c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN. - -Misdrijven tegen de vrede worden gedefinieerd in artikel 6 (a) van het Neurenberg-Handvest van 1945. Bij de interpretatie van misdrijven tegen de vrede speelt verder de definitie van agressie, zoals die is aangenomen in resolutie 3314 XXIX van de Algemene Vergadering van de VN van 14 december 1974, een belangrijke rol. Misdrijven tegen de vrede kunnen niet begaan zijn gedurende interne gewapende conflicten. - -Oorlogsmisdrijven worden gedefinieerd in artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Daarnaast zijn er nog andere – oudere – internationale instrumenten waarin oorlogsmisdrijven worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (b)). - -Misdrijven tegen de menselijkheid worden gedefinieerd in artikel 7 Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Het gaat om handelingen die zijn gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval. Deze handelingen kunnen ook in vredestijd gepleegd worden. Daarnaast zijn er nog andere – oudere – internationale instrumenten waarin misdrijven tegen de menselijkheid worden gedefinieerd, zoals het Neurenberg-Handvest (artikel 6 (c)). - -Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Uitgangspunt bij het bepalen of er sprake is van een ernstig misdrijf is dat de internationale bescherming als vluchteling slechts dient te worden onthouden aan personen die deze bescherming evident onwaardig zijn op grond van de door hen gepleegde misdrijven. - -De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b), ook indien de pleger zich beroept op de politieke aard van het delict: - -– moord, doodslag of terroristische activiteiten zoals omschreven in het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977. Het betreft hier onder meer vliegtuigkaping, aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven. Volgens het Verdrag ter bestrijding van terrorisme kan er binnen haar bereik geen sprake zijn van een politiek misdrijf; -– het deelnemen aan en/of ondersteunen van terroristische activiteiten zoals omschreven in de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en 28 september 2001 inzake terrorisme. In resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en 28 september 2001 inzake terrorisme is bepaald dat deelnemers aan en/of ondersteuners van terroristische activiteiten overeenkomstig (inter)nationaal recht moeten worden uitgesloten van de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag; -– oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, verkrachting, foltering (inclusief het besnijden van vrouwen, zie ook C2/3), genocide, slavernij en slavenhandel; -– misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. - -Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een puur politiek karakter en waarbij uit de delictsomschrijving blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. Bij absolute politieke misdrijven kan de predominantietest achterwege blijven en kan artikel 1F (b) niet worden toegepast. Voorbeelden van absolute politieke misdrijven zijn: - -– hoogverraad en het verstoren van verkiezingen; -– misdrijven weergegeven in het WvSr, Tweede Boek, Titels I tot en met IV. - -De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest. - -###### 3.11.3.3. Bewijslast en verantwoordelijkheid - -De bewijslast voor het aantonen van artikel 1F is een bijzondere. De Minister moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1F valt. De veronderstelling dat artikel 1F van toepassing is hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd. - -Er is sprake van *‘knowing participation’* wanneer: - -a. de vreemdeling werkzaam is geweest voor een orgaan of organisatie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1F heeft gepleegd in de periode dat hij daar werkzaam was, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering; -b. de vreemdeling werkzaam is geweest voor een organisatie waarvan de Minister heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot bepaalde categorieën van deze organisatie bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering; -c. een vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier ging om misdrijven als bedoeld in artikel 1F, zonder dat hij deel uitmaakte van een orgaan of organisatie als hierboven bedoeld. - -Ten aanzien van *kindsoldaten* is bijzondere aandacht geboden bij de beoordeling of er sprake is van ‘knowing participation’. Uitgangspunt is dat in verhoogde mate rekening dient te worden gehouden met hun leeftijd. Kindsoldaten jonger dan vijftien jaar worden niet verantwoordelijk gehouden voor handelingen als bedoeld in artikel 1F. Voor hen geldt dat artikel 1F niet wordt toegepast. Dit uitgangspunt geldt voor alle handelingen van kindsoldaten onder vijftien jaar, ongeacht of deze handelingen zijn verricht in of buiten diensttijd. Voor kindsoldaten in de leeftijd van vijftien tot achttien jaar dienen alle feiten en omstandigheden van het individuele geval in aanmerking te worden genomen. Tot deze feiten en omstandigheden behoren onder meer: - -a. de leeftijd op het moment van indiensttreding; -b. het al dan niet vrijwillige karakter van indiensttreding; -c. de consequenties bij weigering van indiensttreding; -d. wilsverlammende gebeurtenissen bij indiensttreding; -e. de duur van het kindsoldaatschap; -f. de aanwezigheid van mogelijkheden (eerder) te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken; -g. het gedwongen gebruik van drugs en/of medicatie; en -h. bevorderingen wegens ‘goede prestaties’. - -In dit verband dient het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt te worden gehanteerd. Bekeken moet worden of van de minderjarige redelijkerwijs verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te treden. - -Hierbij moet worden gedacht aan ernstige gewelddadigheden waarmee de indiensttreding gepaard gaat, in het bijzonder wanneer het traumatische gebeurtenissen betreft. - -Bij de beoordeling of artikel 1F dient te worden tegengeworpen aan kindsoldaten in de leeftijd van vijftien tot achttien jaar, wordt rekening gehouden met het feit dat artikel 1F niet wordt tegengeworpen aan kindsoldaten jonger dan vijftien jaar. Dit betekent dat voor de categorie vijftien tot achttien jaar in het individuele geval een zwaarder gewicht kan worden toegekend aan de indicatoren ‘leeftijd op het moment van indiensttreding’ en ‘het al dan niet vrijwillige karakter van indiensttreding’. Bijvoorbeeld, indien indiensttreding heeft plaatsgevonden op het moment dat de kindsoldaat jonger was dan vijftien jaar, kan het aannemen van de verantwoordelijkheid en dus tegenwerping van handelingen als bedoeld in artikel 1F minder snel voor de hand liggen. - -Er is sprake van ‘personal participation’ wanneer: - -a. blijkt dat de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1F persoonlijk heeft gepleegd; -b. een misdrijf als bedoeld in artikel 1F in opdracht, of onder verantwoordelijkheid, van de vreemdeling is gepleegd; -c. de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1F heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf; -d. een vreemdeling heeft behoord tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de Minister heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering. - -Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen. - -Hieronder komen verweren aan bod die betrokkene kan inbrengen en wordt weergegeven in hoeverre betrokkene daarmee (niet) gevrijwaard is van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelingen. - -Uitgangspunt is dat handelen op bevel van een meerdere of in officiële hoedanigheid niet ertoe leidt dat betrokkene daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn handelingen. Gezien de ernst van een misdrijf in de zin van artikel 1F dient het handelen van betrokkene voor zover dat onder artikel 1F valt als manifest onwettig te worden beschouwd. Evenwel, binnen de rechtsmacht van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (artikel 33) wordt een persoon niet ontheven van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid indien hij een misdrijf heeft gepleegd op bevel van een regering of van een meerdere, militair of burger, tenzij: - -– de persoon wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of meerdere op te volgen; én -– de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was; én -– het bevel niet onmiskenbaar onwettig was. - -Het betreft hier dus cumulatieve voorwaarden. - -Indien aan één van de volgende situaties is voldaan leidt handelen onder dwang er in ieder geval niet toe dat betrokkene daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn daden: - -– indien geen geloof gehecht kan worden aan het bestaan van de door betrokkene gestelde dwang; -– indien voor betrokkene de mogelijkheid bestond zich te onttrekken aan het begane misdrijf; -– indien betrokkene reeds geruime tijd in dienst was alvorens de dwang voorzienbaar optrad; of -– indien de mate van dwang niet opweegt tegen de ernst van het door betrokkene begane misdrijf. - -Indien aan één van de volgende situaties is voldaan leidt handelen uit zelfverdediging er in ieder geval niet toe dat betrokkene daarmee gevrijwaard is van verantwoordelijkheid voor zijn daden: - -– indien geen geloof gehecht kan worden aan het bestaan van de door betrokkene gestelde bedreiging; -– indien de bedreiging waartegen betrokkene zich te weer zegt te hebben gesteld niet opweegt tegen de ernst van het door betrokkene begane misdrijf; -– indien ook voor betrokkene duidelijk moet zijn geweest dat het door betrokkene begane misdrijf de ontstane dreiging niet had kunnen afwenden; of -– indien betrokkene niet slechts één misdrijf heeft gepleegd, maar gedurende een langere periode meerdere misdrijven heeft gepleegd. - -###### 3.11.3.4. Uitzettingsbeletsel op grond van artikel 3 EVRM - -De situatie kan zich voordoen dat aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar dat tegelijkertijd aannemelijk is dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. De vreemdeling bevindt zich dan in de situatie dat hem geen verblijfstitel wordt verleend, maar dat hij evenmin wordt uitgezet. De onderlinge verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, Vw brengt met zich mee, dat zo enigszins mogelijk wordt voorkomen dat de vreemdeling in die situatie geraakt. - -In deze gevallen wordt bij het nemen van het besluit beoordeeld: - -a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja, -b. of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. - -De term duurzaam houdt ten eerste in dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Voor een positieve beantwoording van de vraag onder a. dient de vreemdeling tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is. - -Indien de toets onder a. leidt tot een bevestigend antwoord, kan dit leiden tot de proportionaliteitstoets. Hiervoor dient de vreemdeling aannemelijk te hebben gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Aan de hand van deze door de vreemdeling aangedragen elementen wordt beoordeeld of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. - -Indien de toets inderdaad tot deze conclusie leidt, en er geen andere grond is voor verblijf, wordt de vreemdeling uitgenodigd een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. Deze aanvraag wordt vervolgens ingewilligd op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht. - -##### 3.11.4. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -###### 3.11.4.1. Algemeen - -Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, komen op grond van artikel 3.77 en 3.107 Vb in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Het gaat hier dus om contra-indicaties die niet samenhangen met persoonlijke gedragingen of eigenschappen van het 'gezinslid' zelf, maar van de vreemdeling aan wie reeds verblijf is geweigerd. - -In deze gevallen bestaat, gelet op het belang van de openbare orde, ernstig bezwaar tegen het verblijf van betrokkenen. Er dient immers te worden vermeden dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag zijn praktische belang verliest. Het verlenen van een verblijfstitel aan gezinsleden zou betekenen, dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen in de praktijk vrijwel zeker voor langere tijd feitelijk hier te lande zou kunnen verblijven, mede dankzij de rechten en voorzieningen die de gezinsleden zouden genieten op grond van de verleende verblijfstitel. Gelet op het uitzonderlijke karakter van de gepleegde misdrijven weegt het belang van de openbare orde in Nederland in dit geval zwaarder. - -Eén en ander ligt anders in de situatie waar gezinsleden op zelfstandige gronden (dus op grond van hun eigen relaas) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Deze gronden worden op de gebruikelijke wijze beoordeeld. Indien aan één of meer gezinsleden op zelfstandige gronden een verblijfsvergunning asiel wordt verleend, betekent dit niet dat de geweigerde vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw. Ook in de beoordeling van deze aanvraag wordt artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. - -###### 3.11.4.2. Verbroken gezinsband - -Indien een vreemdeling aannemelijk maakt dat de gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk is verbroken kan dit ertoe leiden dat het ex-gezinslid niet langer de contra-indicatie openbare orde, op grond van de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag op de hoofdpersoon van het gezin, wordt tegengeworpen. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan indien blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen bij het gezinslid verblijft of zal verblijven of anderszins gebruik zal maken van de voorzieningen van het gezinslid. Indien later blijkt dat van een feitelijk verbroken gezinsband geen sprake is, kan de verblijfsvergunning van het gezinslid alsnog worden ingetrokken. - -###### 3.11.4.3. Het vervallen van de contra-indicatie - -Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen en die langdurig ononderbroken in Nederland verblijven wordt niet langer de contra-indicatie openbare orde tegengeworpen. Hiertoe is niet relevant of er nog sprake is van een gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Daarnaast is de opstelling van de gezinsleden in hun eigen vertrekproces van belang. - -De genoemde contra-indicatie wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: - -a. gerekend vanaf de datum van de eerste asielaanvraag is sprake van een langdurig verblijf in Nederland van ten minste tien jaren; -b. genoemd verblijf is ononderbroken; en -c. er is geen sprake geweest van frustratie van het vertrekproces. - -Genoemde termijn vangt aan op de datum van de eerste asielaanvraag van de gezinsleden. Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken geldt voor alle gezinsleden de datum eerste aanvraag van het hier langst verblijvende gezinslid – niet zijnde de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen – als aanvang van de termijn. - -Ononderbroken verblijf wordt niet aangenomen indien sprake is van aantoonbaar vertrek van het betreffende gezinslid vanaf de datum van de eerste asielaanvraag. Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan onder andere blijken uit gecontroleerd vertrek (zoals uitzetting of door IOM gefaciliteerd vertrek), een Dublinoverdracht, of anderszins. - -Genoemde contra-indicatie komt niet te vervallen indien aantoonbaar sprake is geweest van frustratie van het vertrekproces. De frustratie van het vertrekproces wordt individueel beoordeeld. Aantoonbare frustratie kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de DT&V. - -#### 3.12. Europese lijst van veilige landen van herkomst - -Indien de vreemdeling afkomstig is uit een land dat ingevolge artikel 29 Richtlijn 2005/85 is opgenomen op de gemeenschappelijke minimumlijst van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd, wordt dit mede betrokken bij het onderzoek naar de asielaanvraag. - - - Het enkele feit dat de vreemdeling afkomstig is uit een land dat op de gemeenschappelijke Europese lijst is geplaatst, is op zichzelf onvoldoende reden om de aanvraag af te wijzen. De vreemdeling kan altijd feiten en omstandigheden aanvoeren om aan te tonen dat het desbetreffende land in zijn specifieke geval niet veilig is. Alleen indien de vreemdeling zich niet op dergelijke omstandigheden beroept of dergelijke omstandigheden niet aannemelijk worden geacht, kan de aanvraag worden afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder l, Vw. - - - Op dit moment zijn er geen landen op de gemeenschappelijke lijst geplaatst. - -200724011-12-200707-12-20072007/38200751118-12-200710-12-200719-12-2007Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Vreemdelingenwet 2000 (implementatie richtlijn 2005/85/EG) (Stb. 2007/450) in werking treedt. - -## 5. Gronden voor intrekking en weigering verlenging - -### 1. Algemeen - -De gronden waarop het verblijf op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden beëindigd, zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, Vw. Op deze gronden kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken, dan wel de aanvraag om verlening of verlenging af te wijzen, tenzij een ieder verbindende bepaling van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een wettelijk voorschrift of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzet. - -De toepasselijkheid van de gronden waarop het verblijf kan worden beëindigd, wordt in de volgende paragrafen besproken (zie C16 voor de procedurele aspecten). - -### 2. Onjuiste gegevens - -#### 2.1. Algemeen - -Op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken, dan wel kan de aanvraag voor verlenging ervan worden afgewezen, als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot verlenen of verlengen zouden hebben geleid. - Intrekking op deze grond is op basis van artikel 3.105c, eerste lid, Vb en artikel 3.105f, eerste lid, Vb verplicht indien de verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw. - - - Met de intrekking of niet-verlenging van de vergunning wordt nadrukkelijk niet beoogd enig leed toe te voegen. Zij is louter van reparatoire en niet van punitieve aard. Met de intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat er bij de verlening of verlenging onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden, wordt dus slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. Indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens niet bekend zijn, wordt geoordeeld op grond van de overige wel bekende en geloofwaardige gegevens. - - - Het is niet vereist dat de vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling, of diens persoonlijke betrokkenheid in welke vorm dan ook, is evenmin vereist. Dergelijke factoren zijn immers niet relevant voor de vraag welke beslissing rechtens de juiste zou zijn geweest indien er geen onjuiste gegevens waren verstrekt en derhalve evenmin voor de vraag of de bestaande situatie moet worden gecorrigeerd door intrekking van de ten onrechte verleende vergunning. Het gaat er bij de intrekking of niet-verlenging uitsluitend om dat de situatie wordt hersteld naar de situatie zoals die had behoren te zijn. - - - Onder het verstrekken van onjuiste gegevens wordt mede verstaan het overleggen van valse documenten als waren zij echt en onvervalst, voorzover die (mede) aanleiding hebben gegeven tot het nemen van een inwilligende beslissing. Indien op grond van dit feit wordt overgegaan tot strafrechtelijke vervolging kan het overleggen van valse documenten ook op grond van de openbare orde leiden tot weigering of intrekking van de vergunning. - - - Het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel achterhouden van gegevens kan voorts op velerlei manieren voorkomen. Voorbeelden zijn onder meer: - - - a. - het verzwijgen van eerder verblijf en eerdere aanvragen in andere Europese landen; - - - b. - het afleggen van verklaringen die later onjuist blijken te zijn, terwijl deze aanleiding zijn geweest voor inwilliging; - - - c. - het verzwijgen van strafrechtelijke gegevens (bijvoorbeeld buitenlandse strafvonnissen), terwijl deze tot afwijzing zouden hebben geleid; - - - d. - het achterhouden van een paspoort bijvoorbeeld teneinde de legale uitreis of de afgiftedatum verborgen te houden en op grond hiervan aanleiding zou hebben bestaan om af te wijzen; - - - e. - het verzwijgen van activiteiten die vallen onder artikel 1F Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3). - - - - - *Ad a.* - - - Het verzwijgen van het verblijf in een ander Europees land, voordat de asielaanvraag in Nederland werd ingediend die leidde tot de verlening van de verblijfsvergunning, zal in alle gevallen tot een onderzoek leiden naar de vraag of de vergunning moet worden ingetrokken. Omdat het na verlening van de verblijfsvergunning niet meer mogelijk is om een vreemdeling alsnog te claimen bij de andere lidstaat op grond van de Verordening 343/2003 (de verantwoordelijkheid is reeds bij Nederland komen te liggen), wordt ex nunc getoetst of de vreemdeling – ondanks het verzwijgen van het verblijf – nog steeds in aanmerking komt voor bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw 2000. - Het verzwijgen van het verblijf in een andere lidstaat kan achteraf twijfel zaaien over het asielrelaas, bijvoorbeeld omdat gestelde problemen zich blijken af te spelen op een moment dat betrokkene reeds in de andere lidstaat verbleef. In geval het asielrelaas alsnog ongeloofwaardig moet worden geacht, dan wordt de vergunning ingetrokken, dan wel de aanvraag voor verlenging ervan afgewezen, op grond van het hebben verstrekt van onjuiste gegevens. - - - Indien er is geconstateerd dat er sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens en er beoordeeld is dat er geen gronden voor verlening van een vergunning meer bestaan, dan wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht naar het eerste moment van verlening. Hiermee wordt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bedoeld. Als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd reeds is verstreken hoeft de vergunning voor bepaalde tijd niet middels een besluit te worden ingetrokken en kan worden volstaan met het niet-verlengen van de geldigheidsduur. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag blijkt alsnog van toepassing - -Als achteraf wordt vastgesteld dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag juncto artikel 31, tweede lid, onder k, Vw (zie C4/3.11.3) ten onrechte niet is toegepast, omdat de vreemdeling bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel de juiste gegevens heeft verzwegen, wordt de verblijfsvergunning asiel ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan afgewezen. Aanleiding voor een dergelijke vaststelling kan zijn gelegen in mededelingen van derden – voorzover er geen aanwijzingen zijn dat deze mededelingen zijn gedaan uit gevoelens van rivaliteit – of komen uit neutrale informatie die anderszins is binnengekomen. - - - De vreemdeling wordt tijdens een gehoor met de uitkomsten van het onderzoek geconfronteerd door een gespecialiseerde ambtenaar van de IND, alvorens de voornemenprocedure van artikel 39 Vw wordt ingesteld. - - - In de gevallen waarin tot intrekking of niet-verlenging wordt overgegaan omdat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing blijkt, dient beoordeeld te worden of terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is en geen schending oplevert van artikel 3 EVRM (zie C4/3.11.3.1). - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -### 3. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid - -#### 3.1. Algemeen - -Op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken, dan wel kan de aanvraag om verlenging ervan worden afgewezen, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. - - - In artikel 3.105c, tweede lid, Vb zijn bijzondere bepalingen opgenomen voor het geval de verblijfsvergunning asiel is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw (zie C5/3.2). - - - In artikel 3.105f, tweede lid, Vb zijn bijzondere bepalingen opgenomen voor het geval de verblijfsvergunning asiel is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw (zie C5/3.3). - Indien de verblijfsvergunning is verleend op een van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw, wordt artikel 3.86 Vb overeenkomstig toegepast. - - - Toepassing van de grond ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. - - - Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten. - - - Intrekkingen op basis van openbare orde vinden plaats met terugwerkende kracht. De intrekkingsdatum is de pleegdatum van het delict. Als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd reeds is verstreken kan worden volstaan met het niet verlengen ervan. - - - Voor de procedure voor het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, zie C17. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 3.2. Als de vreemdeling verdragsvluchteling is - -Op grond van artikel 3.105c, tweede lid, Vb kan de verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw slechts op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, Vw worden ingetrokken indien: - -a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of -b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap. - -Deze bepaling heeft betrekking op vreemdelingen op wie het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Voor vreemdelingen ten aanzien van wie (achteraf) blijkt dat het Vluchtelingenverdrag niet (meer) van toepassing is, bijvoorbeeld op grond van uitsluitingsgronden, zie C5/4. - -*Ad a.* - -Zie hiervoor C5/3.1 - -*Ad b.* - -*Bijzonder ernstig misdrijf* - -Er is sprake van een bijzonder ernstig misdrijf indien: - -1. de vreemdeling bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd; -2. het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen of maatregelen in totaal: - -• ten minste 24 maanden bedraagt, dan wel -• de norm genoemd in de glijdende schaal (zie artikel 3.86, tweede lid, Vb) bedraagt, voorzover die norm op grond van de verblijfsduur van de vreemdeling uitstijgt boven die 24 maanden; en -3. tenminste één van de veroordelingen betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven, brandstichting, mensenhandel, illegale handel in wapens, munitie en explosieven en illegale handel in menselijke organen en weefsels. - -Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij deze beoordeling betrokken. Hierbij wordt beoordeeld welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft. Aan de hand van de gegevens die de vreemdeling heeft verschaft of anderszins bekend zijn geworden, wordt contact opgenomen met het OM voor de vraag welke straf in Nederland voor het betreffende strafbare feit zou zijn gevorderd, waarbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot de eis van de Officier van Justitie ter zitting. - -*Gevaar voor de gemeenschap* - -Voor het intrekken van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.105c, tweede lid, Vb is tevens vereist dat de vreemdeling een gevaar voor de gemeenschap vormt. Dit wordt ex nunc beoordeeld. - -De vraag of de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap wordt in de eerste plaats beantwoord aan de hand van de strafoplegging door de rechter. - -De aard van de misdrijven in combinatie met de hoogte van de opgelegde strafmaat zijn mede bepalend voor de conclusie dat de betrokken vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap van Nederland. - -De vreemdeling kan feiten of omstandigheden aanvoeren waarmee hij aannemelijk kan maken dat dit gevaar in zijn geval niet aanwezig is. Aanzienlijk tijdsverloop sinds de straf feitelijk is geëffectueerd zonder dat recidive heeft plaatsgevonden kan een aanwijzing vormen dat de vreemdeling geen gevaar meer oplevert. - -*Risico bij terugkeer* - -In zaken waarin de verblijfsvergunning asiel, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, wordt ingetrokken vanwege openbare-ordeaspecten, dient eerst te worden nagegaan of terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is. Indien de situatie in het land van herkomst gewijzigd is, is het risico voor de vreemdeling wellicht verdwenen, waardoor terugzending mogelijk is. - -Indien de situatie in het land van herkomst ongewijzigd is en de vreemdeling aldaar nog immer risico loopt, is terugzending niet toegestaan op grond van artikel 3 EVRM, zelfs indien de vreemdeling op grond van artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag geen aanspraak meer kan maken op het verbod van refoulement. In dat geval kan de asielvergunning toch worden ingetrokken, zonder dat de vreemdeling wordt uitgezet. - -#### 3.3. Vergunningen op grond van - -Op grond van artikel 3.105f, tweede lid, Vb wordt de verblijfsvergunning die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw ingetrokken dan wel de aanvraag om verlenging ervan afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, Vw, indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat: - - - a. - de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven; - - - b. - de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd; - - - c. - de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de VN; - - - d. - de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of - - - e. - de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden. - - - - - *Ad a.* - - - Deze intrekkingsgrond komt overeen met de in artikel 1F, onder a, Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3.2) genoemde misdrijven. Met eerdergenoemde internationale instrumenten worden met name bedoeld het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal van 8 augustus 1945 (Neurenberg-Handvest) en het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998. - - - *Ad b.* - - - Er is sprake van een ernstig misdrijf indien: - - - 1. - de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd; - - - 2. - het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen of maatregelen in totaal: - - - • - ten minste 18 maanden bedraagt, dan wel - - - • - de norm genoemd in de glijdende schaal (zie artikel 3.86, tweede lid, Vb) bedraagt, voorzover die norm op grond van de verblijfsduur van de vreemdeling uitstijgt boven die 18 maanden; en - - - - - 3. - tenminste één van de veroordelingen betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven, brandstichting, mensenhandel, illegale handel in wapens, munitie en explosieven en illegale handel in menselijke organen en weefsels. - - - - - Het is niet vereist dat de uitspraak waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden. - - - *Ad c.* - - - Deze intrekkings-/weigeringsgrond komt overeen met de handelingen, bedoeld in artikel 1F, onder c, Vluchtelingenverdrag. - - - *Ad d.* - - - Of hiervan sprake is, zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld, zie B1/4.4 en C5/3.1. - Onder gevaar voor de gemeenschap of de nationale veiligheid wordt ook verstaan de situatie waarin het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning zou betekenen dat Nederland zou verworden tot een gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. - - - *Ad e.* - - - Of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld. - - - *Risico bij terugkeer* - - - Gezien de terminologie van artikel 3.105f, tweede lid, Vb, betreft het hier een verplichte intrekkings-/weigeringsgrond. In zaken waarin de verblijfsvergunning asiel, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, wordt ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan afgewezen vanwege openbare-ordeaspecten, wordt nagegaan of terugkeer naar het land van herkomst mogelijk is. Indien de situatie in het land van herkomst gewijzigd is, waardoor het risico voor de vreemdeling is verdwenen, is terugzending mogelijk. - - - Indien de situatie in het land van herkomst ongewijzigd is en de vreemdeling aldaar nog immer risico loopt, is terugzending niet toegestaan op grond van artikel 3 EVRM. In dat geval wordt de asielvergunning toch ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan afgewezen, zonder dat de asielzoeker wordt uitgezet. C4/3.11.1.4 is van overeenkomstige toepassing. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 3.4. Vergunningen verleend op de overige gronden - -Voor de vraag wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 32, eerste lid, onder b, Vw, wordt artikel 3.86 Vb, dat op zichzelf alleen ziet op de verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning regulier, overeenkomstig toegepast. - -### 4. De inwilligingsgrond is komen te vervallen - -#### 4.1. Algemeen - -Op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken, dan wel kan de aanvraag om verlenging ervan worden afgewezen, als de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 Vw, is komen te vervallen. - -Intrekking op deze grond is op grond van artikel 3.105c, eerste lid, Vb en artikel 3.105f, eerste lid, Vb verplicht indien: - -a. de verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw; -b. de asielaanvraag op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend is ingediend op of na 20 oktober 2004; en - -c. op grond van artikel 3.37e VV de conclusie is getrokken dat de verandering van omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om intrekking te rechtvaardigen. - -Dit volgt uit artikel III Besluit van 9 april 2008 tot wijziging van het Vb en het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg ter implementatie van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304) (Stb. 2008, 16). - -Indien de verandering van omstandigheden betrekking heeft op één of meerdere aspecten van de algemene situatie in (een deel van) het land van herkomst of een derde land, wordt in het landgebonden asielbeleid (zie C24) aangegeven dat deze verandering van omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter hebben om intrekking te rechtvaardigen. - -Dit laatste wordt in ieder geval niet aangenomen indien de vreemdeling tevens nog aanspraak maakt op een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw. - -Intrekking vindt plaats met ingang van het moment waarop de inwilligingsgrond is komen te vervallen. - -#### 4.2. Vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst - -Indien blijkt dat een houder van een verblijfsvergunning asiel is teruggekeerd naar het land van herkomst kan dit reden zijn om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan af te wijzen. - - - Het doel van de verblijfsvergunning asiel, die is verleend op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, is een persoon te beschermen tegen onverantwoorde risico's bij terugkeer naar het land van herkomst of tegen terugkeer die van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Indien een persoon, die in het bezit is van de hier bedoelde vergunning of na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan een aanvraag voor verlenging heeft ingediend, uit eigen vrije wil terugkeert naar zijn land van herkomst en vervolgens terugreist, bestaat aanleiding te veronderstellen dat hij bij terugkeer geen onverantwoorde risico's zal lopen en dat de terugkeer niet van onevenredige hardheid is. - - - In het geval de vreemdeling verdragsvluchteling is, wordt artikel 1C Vluchtelingenverdrag toegepast (zie C5/4.3). - - - Het enkele feit dat iemand met gebruikmaking van een door de Nederlandse autoriteiten verstrekt vluchtelingenpaspoort is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, is op zichzelf niet voldoende om deze grond voor intrekking/weigering toepasbaar te achten. De vreemdeling dient daarom te worden gehoord omtrent de redenen van zijn terugkeer, alsmede over de bestemming, de duur en het verloop van de reis. Indien de vreemdeling is teruggekeerd zal echter, gelet op het feit dat hij heeft verklaard dat hij dat land heeft verlaten uit gegronde vrees voor vervolging, niet snel worden aangenomen dat hij een aanvaardbare reden heeft gehad om terug te keren. - - - Terugkeer naar het land van herkomst kan tevens reden zijn om aan te nemen dat de vreemdeling tijdens zijn asielprocedure onjuiste gegevens heeft verstrekt of de juiste gegevens heeft achtergehouden (zie C5/2). - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 4.3. Ex-verdragsvluchtelingen - -Ingevolge artikel 1C Vluchtelingenverdrag houdt het Verdrag op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van artikel 1A, indien: - -1. hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit; -2. hij vrijwillig de nationaliteit heeft herkregen in het geval hij deze verloren had; -3. hij een nieuwe nationaliteit heeft verworven en de bescherming van dit land geniet; -4. hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield; -5. hij, omdat de omstandigheden die ten grondslag lagen aan zijn erkenning als vluchteling niet meer aanwezig zijn, niet meer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit; -6. diegene zonder nationaliteit, omdat de omstandigheden die ten grondslag lagen aan zijn erkenning als vluchteling niet meer aanwezig zijn, niet meer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land waar hij zijn gebruikelijke verblijfplaats had. - -Punten 5 en 6 zijn echter niet van toepassing op een vluchteling die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (punt 5) dan wel om te weigeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, terug te keren (punt 6). - -In alle gevallen als bedoeld in artikel 1C Vluchtelingenverdrag houdt het Verdrag van rechtswege op van toepassing te zijn op de vreemdeling, met andere woorden de *erkenning* als vluchteling vervalt in die gevallen van rechtswege. Dit geldt echter niet voor de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning: daarvoor is een expliciet besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning nodig. - -De omstandigheid dat een verdragsvluchteling voor kortere of langere tijd is teruggekeerd naar zijn land van herkomst kan tot de conclusie leiden dat er aanleiding is voor de toepassing van artikel 1C Vluchtelingenverdrag en dat aanleiding bestaat het verblijf in Nederland op basis van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te beëindigen. - -Ook indien de vreemdeling een nationaal paspoort van zijn land van herkomst aanvraagt en verkrijgt, wordt er verondersteld, bij afwezigheid van bewijs van het tegendeel, dat er aanleiding is voor toepassing van artikel 1C Vluchtelingenverdrag en over te gaan tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel (zie paragrafen 121 tot en met 123 UNHCR-handboek). - -##### 4.3.1. Artikel 1C Vluchtelingenverdrag - -Ingevolge artikel 1C Vluchtelingenverdrag houdt het Verdrag op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van artikel 1A, indien: - - - 1. - hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit; - - - 2. - hij vrijwillig de nationaliteit heeft herkregen in het geval hij deze verloren had; - - - 3. - hij een nieuwe nationaliteit heeft verworven en de bescherming van dit land geniet; - - - 4. - hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield; - - - 5. - hij, omdat de omstandigheden die ten grondslag lagen aan zijn erkenning als vluchteling niet meer aanwezig zijn, niet meer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit; - - - 6. - diegene zonder nationaliteit, omdat de omstandigheden die ten grondslag lagen aan zijn erkenning als vluchteling niet meer aanwezig zijn, niet meer kan weigeren zich onder de bescherming te stellen van het land waar hij zijn gebruikelijke verblijfplaats had. - - - - - Punten 5 en 6 zijn echter niet van toepassing op een vluchteling die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (punt 5) dan wel om te weigeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, terug te keren (punt 6). - - - In alle gevallen als bedoeld in artikel 1C Vluchtelingenverdrag houdt het Verdrag van rechtswege op van toepassing te zijn op de vreemdeling, met andere woorden de *erkenning* als vluchteling vervalt in die gevallen van rechtswege. Dit geldt echter niet voor de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning: daarvoor is een expliciet besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning nodig. Indien de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd reeds is verstreken ten tijde van het indienen van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan of de geldigheidsduur daarvan verstrijkt tijdens de procedure om verlenging van de geldigheidsduur is intrekken van de vergunning niet opportuun en kan in beginsel worden volstaan met het afwijzen van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur. - - - *Vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst* - - - De omstandigheid dat een verdragsvluchteling voor kortere of langere tijd is teruggekeerd naar zijn land van herkomst kan tot de conclusie leiden dat er aanleiding is voor de toepassing van artikel 1C Vluchtelingenverdrag en dat aanleiding bestaat het verblijf in Nederland op basis van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te beëindigen dan wel de aanvraag voor verlenging ervan af te wijzen. - - - Ook indien de vreemdeling een nationaal paspoort van zijn land van herkomst aanvraagt en verkrijgt, wordt er verondersteld, bij afwezigheid van bewijs van het tegendeel, dat er aanleiding is voor toepassing van artikel 1C Vluchtelingenverdrag en over te gaan tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel dan wel de aanvraag voor verlenging ervan af te wijzen (zie paragrafen 121 tot en met 123 UNHCR-handboek). - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -##### 4.3.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Indien na de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw blijkt dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is, wordt deze verblijfsvergunning op grond van artikel 3.105c, eerste lid, Vb ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan afgewezen op grond van het feit dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is op de vreemdeling. - - - Aangezien in deze gevallen achteraf is gebleken dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is geweest, vindt intrekking plaats met ingang van de dag waarop de verblijfsvergunning van kracht werd. Als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd reeds is verstreken hoeft de vergunning voor bepaalde tijd in beginsel niet te worden ingetrokken en kan worden volstaan met het niet verlengen ervan. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -##### 4.3.3. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 4.4. Verblijf op grond van - -Op grond van artikel 3.105f, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan afgewezen als de grond voor verlening is komen te vervallen. Dit is het geval als in een individueel geval is vastgesteld dat de vreemdeling geen gegronde redenen meer heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. - - - Hiervan kan onder meer sprake zijn als de vreemdeling behoort tot een bevolkingsgroep die eerder werd aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep (zie C2/3.1.3), maar ten aanzien waarvan is besloten de aanwijzing als kwetsbare minderheidsgroep te beëindigen. Het besluit om een bevolkingsgroep niet langer aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep wordt opgenomen in C24. Artikel 37e VV is van toepassing. - Het gaat hier om een individueel besluit, waarbij steeds de vraag wordt betrokken of de vreemdeling om een andere reden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 4.5. Verblijf op grond van het traumatabeleid - -De intrekking of niet-verlenging op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw van een verblijfsvergunning asiel die is verleend op grond van het traumatabeleid, kan slechts plaatsvinden indien de vreemdeling geen bescherming meer nodig heeft tegen de confrontatie met de ongestraft gebleven daders van de gebeurtenis die als traumatiserend wordt aangemerkt (zie C2/4.2). Bij de beoordeling hiervan wordt niet onderzocht en beoordeeld of de specifieke daders van de betreffende gebeurtenis onbestraft zijn gebleven, maar of daders van deze handelingen in zijn algemeenheid worden bestraft in het land van herkomst. Dit kan onder meer blijken uit het bestaan van een doeltreffend systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing. - -#### 4.6. Verblijf op grond van categoriale bescherming - -Er kan reden zijn om verblijf op grond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die is verleend ingevolge artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, te beëindigen dan wel de aanvraag voor verlenging ervan af te wijzen indien de Minister in zijn beoordeling op grond van de indicatoren, genoemd in artikel 3.106 Vb (zie C2/5.2), tot het oordeel komt dat de algehele situatie in het land van herkomst zich heeft gewijzigd. - - - Daarnaast is dit mogelijk indien er sprake is van: - - - • - nieuwe informatie over het land van herkomst; - - - • - een gewijzigd inzicht in de beoordeling van deze informatie; of - - - • - van een gewijzigd beleidsinzicht, op grond waarvan de Minister de situatie in het land van herkomst anders beoordeelt. - - - - - De beëindiging van een categoriaal beschermingsbeleid heeft tot gevolg dat alle verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw kunnen worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan wordt afgewezen. Daarnaast kunnen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, dan wel f, Vw worden ingetrokken, voor zover ook de op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon wordt ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan wordt afgewezen. - - - De intrekkingsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die is verleend ingevolgde artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, is de ingangsdatum van de beleidswijziging waarmee het categoriaal beschermingsbeleid is beëindigd. Als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd reeds is verstreken kan worden volstaan met het niet verlengen ervan. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 4.7. Samenloop van verleningsgronden - -Indien het voornemen bestaat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan af te wijzen op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw, wordt eerst beoordeeld of de vreemdeling op het moment van de nieuwe beoordeling nog aanspraak maakt op een verblijfsvergunning op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met f Vw. Daarnaast wordt beoordeeld of de vreemdeling op het moment van de vergunningverlening aanspraak maakte op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c Vw en of die verleningsgrond zich thans nog voordoet. Doet één van deze omstandigheden zich voor, dan wordt de vergunning niet ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging ervan niet afgewezen. - - - Redengevend hiervoor is, dat het denkbaar is dat er op de vreemdeling meerdere verleningsgronden van toepassing zijn. Hij heeft in dat geval op slechts één van de gronden van artikel 29, eerste lid, Vw een verblijfsvergunning asiel gekregen. Te denken valt aan de volgende situaties: - - - a. - de vreemdeling kwam reeds op het moment van verlening op meerdere gronden in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel en de verblijfsvergunning is conform de voorgeschreven toetsingsvolgorde verleend op de eerste grond die zich voordeed; - - - b. - de vreemdeling kwam op het moment van verlening op één grond in aanmerking, uit hoofde waarvan hij de vergunning ook heeft verkregen, en op een later tijdstip is daarnaast een andere verleningsgrond gaan gelden; - - - c. - de vreemdeling kwam reeds op het moment van verlening op meerdere gronden in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, maar ten tijde van verlening is slechts één van die gronden als zodanig onderkend, waardoor de vergunning niet op de juiste (in artikel 29, eerste lid, Vw eerder genoemde) grond is verleend. - - - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -### 5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd - -Op grond van artikel 32, eerste lid, onder d, Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken, dan wel kan de aanvraag om verlenging ervan worden afgewezen, als de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. - Deze intrekkings-/weigeringsgrond wordt echter niet toegepast indien de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw. - - - Het kan hier gaan om vestiging in het land van herkomst of in een derde land. Indien de vreemdeling zich vestigt in het land van herkomst kan tevens de grond voor verlening van de verblijfsvergunning zijn komen te vervallen (zie C5/4). - - - Intrekking vindt plaats met ingang van de datum dat de verplaatsing vastgesteld kon worden, bijvoorbeeld bij vertrek met behulp van IOM of uitschrijving uit de GBA. Als het vertrek zonder kennisgeving of uitschrijving geschiedt, zal vaststelling van verplaatsing hoofdverblijf eerst na negen maanden (of drie maal zes maanden) kunnen plaatsvinden (zie B1/5.3.2). Als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd reeds is verstreken kan ook worden volstaan met het niet verlengen ervan. - - - De in B1/5.3.2 opgenomen regels met betrekking tot de verplaatsing van het hoofdverblijf zijn van overeenkomstige toepassing. - - - In de gevallen waarin de vreemdeling bij de vreemdelingenpolitie meldt dat hij voor langere duur Nederland gaat verlaten, dient de vreemdelingenpolitie hiervan melding te maken aan de IND. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -## 6. Karakter van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd - -### 1. Bevoegdheid - -Op grond van artikel 33 Vw is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen. Deze bevoegdheid is belegd bij de IND. - -### 2. Geldigheidsduur - -De verblijfsvergunning op grond van artikel 33 Vw wordt verleend voor onbepaalde tijd en kent derhalve geen einddatum. Wel dient het document tijdig te worden vervangen. - -### 3. Arbeidsmarktaantekening - -De arbeidsmarktaantekening bij de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan; Twv niet vereist’. - -## 7. Gronden voor de afwijzing van de vergunning voor onbepaalde tijd - -### 1. Er is een grond als bedoeld in - -Op grond van artikel 34 Vw kan de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden afgewezen, indien op het moment dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verloopt zich een grond als bedoeld in artikel 32 Vw voordoet. - - - In die gevallen is C5/2 derhalve van overeenkomstige toepassing. - - - Ten aanzien van de grond als bedoeld in artikel 32, onder c, Vw wordt opgemerkt dat deze niet wordt tegengeworpen als ten tijde van de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de verleningsgrond zich opnieuw voordoet. - Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de geldigheid van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, afloopt in een periode dat het beleid van categoriale bescherming inmiddels is beëindigd. Indien ten tijde van de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw een beleid van categoriale bescherming geldt, wordt artikel 34 juncto artikel 32, onder c, Vw niet tegengeworpen. - De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt in dit geval verleend met ingang van de dag waarop de geldigheid van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afloopt (zie ook C21/2.1). - -200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007 - -#### 1.1. Inleiding - -Op grond van artikel 34 Vw kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden afgewezen, indien op het moment dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verloopt zich een grond als bedoeld in artikel 32 Vw voordoet, dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald. - -#### 1.2. Er is een grond als bedoeld in artikel 32 Vw - -Indien zich op het moment dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verloopt een grond voordoet als bedoeld in artikel 32 Vw is C5 van overeenkomstige toepassing. - - - Ten aanzien van de grond als bedoeld in artikel 32, onder c, Vw wordt opgemerkt dat deze niet wordt tegengeworpen als ten tijde van de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd de verleningsgrond zich opnieuw voordoet. - Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de geldigheid van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, afloopt in een periode dat het beleid van categoriale bescherming inmiddels is beëindigd. Indien ten tijde van de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw een beleid van categoriale bescherming geldt, wordt artikel 34 juncto artikel 32, onder c, Vw niet tegengeworpen. - De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt in dit geval verleend met ingang van de dag waarop de geldigheid van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afloopt (zie ook C21/2.1). - Vorenstaande is van overeenkomstige toepassing indien de vreemdeling een aanvraag voor verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 - -#### 1.3. De vreemdeling heeft het inburgeringsexamen niet behaald - -##### 1.3.1. Het inburgeringsvereiste - -Op grond van artikel 3.107a, eerste lid, Vb wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijf afgewezen, indien de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald. - -Paragraaf B1/4.7 is van overeenkomstige toepassing. - -##### 1.3.2. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is - -Op grond van artikel 3.107a, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen als de vreemdeling het examen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Inburgering of een diploma, certificaat of ander document als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet, niet heeft behaald. Dit is ingevolge artikel 3.107a, tweede tot en met het vierde lid, Vb niet van toepassing indien: - -a. de vreemdeling minderjarig is of 65 jaar of ouder is; -b. de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven; -c. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, van het Besluit inburgering; -d. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan het criterium genoemd in artikel 2.5 van het Besluit Inburgering; -e. beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder i tot en met l, van het Besluit inburgering zoals dat luidde tot 1 januari 2013; -f. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan een van de criteria genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering, zoals dat luidde tot 1 januari 2013; -g. de vreemdeling is ontheven van de inburgeringsplicht omdat de vreemdeling heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen; -h. de vreemdeling is ontheven van de inburgeringsplicht omdat op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel is gekomen dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen; -i. naar het oordeel van de Minister voor I&A blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door de Minister voor I&A aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen; -j. toepassing daarvan naar het oordeel van de Minister voor I&A zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. - -B1/4.7.2.1 ad b is van overeenkomstige toepassing. - -B1/4.7.2.1 ad c en d is van overeenkomstige toepassing. - -B1/4.7.2.1 ad e en f is van overeenkomstige toepassing. - -In artikel 3.107a, tweede lid, onder e, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden) of die van DUO (in geval dat de vreemdeling na 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden) dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering zoals deze luidde voor 1 januari 2013, en artikel 6, eerste lid, onder a, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8, eerste lid Besluit inburgering). Deze beslissing heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verleende ontheffing dient te blijken uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W of van DUO. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar. - -In artikel 3.96a, tweede lid, onder e, Vb is ook de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden) of die van DUO (in geval dat de vreemdeling na 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden) dat het voor een vreemdeling vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 31, tweede lid, Wet inburgering, zoals deze luidde voor 1 januari 2013, en artikel 6, eerste lid, onder b, Wet inburgering).Deze ontheffing werkt door in de procedure van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W of van DUO. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar. - -Op grond van artikel 3.107a, derde lid, Vb kan de Minister voor I&A besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door de Minister voor I&A aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. - -In geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden kan ook een medisch advies worden overgelegd afkomstig van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts. De IND maakt ter beoordeling van de psychische of lichamelijke belemmering eveneens gebruik van het medische advies van de onafhankelijke arts (artikel 2.8, eerste lid Besluit inburgering). Betrokkene toont zelf door middel van een ‘medisch advies inburgeringsexamen’ aan dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. Hiervoor dient de procedure gevolgd te worden, zoals omschreven in B1/4.7.2.2. - -Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule. - -In artikel 3.107a, vierde lid, Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep reeds bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en onderbouwt dit zoveel als mogelijk met bewijsstukken. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling ook verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen. - -Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd conform artikel 34 Vw in samenhang met artikel 3.107a, eerste lid, Vb afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen. - -Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragraaf. - -De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. - -B1/4.7.2.3, kopje B. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen is van overeenkomstige toepassing. - -Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer te hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben. - -Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de Wet inburgering op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Met de introductie van het vernieuwde inburgeringsstelsel per 1 januari 2013 worden aan de inburgeringsplichtige vreemdelingen geen inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen meer aangeboden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken. - -## 8. Gronden voor intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd - -### 1. Inleiding - -De gronden waarop het verblijf op grond van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan worden beëindigd, zijn opgenomen in artikel 35, eerste lid, Vw. Van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken kan gebruik van deze gronden worden gemaakt, tenzij een ieder verbindende bepaling van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een wettelijk voorschrift of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten. - -### 2. Onjuiste gegevens - -Op grond van artikel 35, eerste lid, onder a, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid. - -C5/2 is van overeenkomstige toepassing. - -### 3. Onherroepelijke veroordeling voor een ernstig misdrijf - -Op grond van artikel 35, eerste lid, onder b, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem ter zake van een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd de maatregel, bedoeld in artikel 37a WvSr, is opgelegd. - -Het gaat hier om een verzwaard openbare-ordevereiste voor houders van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op wie de 'normale' openbare-orde-eisen van artikel 32, eerste lid, onder b, Vw (zie C5/3) immers niet van toepassing zijn. - -Artikel 3.86, tweede tot en met negende lid, Vb is van overeenkomstige toepassing. - -Ten aanzien van verdragsvluchtelingen geldt, dat er op grond van artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag slechts dan geen aanspraak op het verbod van refoulement van artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag kan worden gemaakt, indien er ernstige redenen bestaan de vluchteling te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of indien hij bij gewijsde is veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf en daarom een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land. - -### 4. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd - -Op grond van artikel 35, eerste lid, onder c, Vw kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. - -Hierbij is niet van belang op welke verleningsgrond de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in eerdere instantie was verleend. Met andere woorden: intrekking op grond van artikel 35, eerste lid, onder c, Vw is ook mogelijk indien de vreemdeling eerder houder was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die was verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw. - -C5/5 is voor het overige van overeenkomstige toepassing. - -### 5. De vreemdeling vormt een gevaar voor de nationale veiligheid - -Op grond van artikel 35, eerste lid, onder d, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. - -C5/3.1 is van overeenkomstige toepassing. - -## 9. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd - -### 1. Wie kan de aanvraag indienen? - -#### 1.1. Algemeen - -Op grond van artikel 36 Vw kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd alleen worden ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De asielaanvraag kan niet worden ingediend door de gemachtigde van de vreemdeling. - -#### 1.2. Minderjarige vreemdelingen - -Een meerderjarige vreemdeling kan de asielaanvraag mede ten behoeve van zijn meegereisde kinderen beneden de vijftien jaar indienen. Indien beide ouders aanwezig zijn, tekent alleen de moeder de asielaanvraag namens het kind. - -Alleenstaande minderjarige vreemdelingen van twaalf jaar en ouder ondertekenen de aanvraag zelfstandig. - -Minderjarige vreemdelingen jonger dan twaalf jaar worden niet tot een redelijke waardering van hun belangen in staat geacht. Indien de voogdij is geregeld, ondertekent de voogd de aanvraag. In andere gevallen kan een meerderjarige zaakwaarnemer de aanvraag ondertekenen. Dit is ook van toepassing indien het een kind van een minderjarige ouder betreft. Er wordt in eerste instantie aangenomen dat deze nog niet het gezag over het kind heeft. De minderjarige ouder kan daarom niet namens het kind tekenen. - -### 2. Waar en hoe wordt de aanvraag ingediend? - -#### 2.1. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd - -##### 2.1.1. Algemeen - -###### 2.1.1.1. Aanmelden - -Voordat de asielaanvraag kan worden ingediend, moet een vreemdeling zich op grond van artikel 3.42a, VV in persoon aanmelden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel. - -Met deze aanmelding start de rust- en voorbereidingstermijn (zie C11). - -Indien een vreemdeling elders in Nederland tegenover de vreemdelingenpolitie te kennen geeft een asielaanvraag in te willen dienen, dan wordt hij doorverwezen naar de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel. Voor vreemdelingen aan wie op grond van de Vreemdelingenwet rechtens hun vrijheid is of wordt ontnomen, geldt het beleid als geformuleerd in C9/2.1.3 en C12/2.3. - -Indien de vreemdeling wordt aangetroffen door de KMar in het kader van het MTV, en de vreemdeling aangeeft asiel te willen aanvragen en geen aanleiding bestaat de vreemdelingen in bewaring te stellen verkrijgt de KMar hiervoor vervoersbewijzen via de lokale vreemdelingenpolitie. - -Het vorenstaande geldt niet voor de vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 5, eerste lid, SGC, dan wel artikel 3 Vw en die aan een buitengrens te kennen geeft asiel te willen aanvragen. - -Op grond van artikel 3, derde lid, Vw moet de ambtenaar belast met de grensbewaking in dat geval een voornemen tot toegangsweigering voorleggen aan het Hoofd van de IND (zie A/2.5.5). Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie. De ambtenaar belast met de grensbewaking wijst vervolgens door middel van een beschikking op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw, het AC Schiphol aan als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden. Voor deze aanwijzing gelden geen nadere criteria dan de omstandigheid dat de toegang is geweigerd. De vreemdeling wordt op zijn rechtsmiddelen gewezen en de benodigde informatiefolders worden uitgereikt. De vreemdeling en zijn bescheiden worden vervolgens zo spoedig mogelijk door de KMar of de ZHP overgedragen aan AC Schiphol. - -Van vorenstaande procedure kan worden afgeweken, indien de vreemdeling deel uitmaakt van een grotere groep vreemdelingen die op hetzelfde moment aan de buitengrens arriveert en asiel wil aanvragen en er aanleiding bestaat om uitgebreid onderzoek te plegen naar de herkomst of de oorzaak daarvan, of de beschikbare capaciteit in AC Schiphol niet voldoende is om deze groep vreemdelingen op korte termijn in de asielprocedure op te nemen. In dat geval kan door de IND worden besloten om deze vreemdelingen voorafgaand aan de algemene asielprocedure in AC Schiphol, of gedurende de gehele asielprocedure, op te houden in de grenslogies op grond van artikel 6 Vw (met grenslogies wordt bedoeld een ruimte als bedoeld in artikel 6 Vw, niet zijnde AC Schiphol). De ambtenaar belast met de grensbewaking wijst in dit geval door middel van een beschikking op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid Vw, een grenslogies aan als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden. Ook in dit geval wordt de vreemdeling op zijn rechtsmiddelen gewezen en worden de benodigde informatiefolders uitgereikt. Wanneer de vreemdeling na het verblijf in het grenslogies alsnog in de algemene asielprocedure in AC Schiphol wordt opgenomen, wordt door de ambtenaar belast met grensbewaking het AC Schiphol aangewezen als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden. Dit gebeurt door middel van het geven van een nieuwe plaatsingsbeschikking. - -De beoordeling of sprake is van een grote groep vreemdelingen wordt gemaakt door de IND. Daarbij wordt rekening gehouden met het aantal vreemdelingen dat op dat moment reeds de algemene asielprocedure in AC Schiphol doorloopt, de beschikbare capaciteit bij de IND en ketenpartners en de beschikbaarheid van tolken. - -Tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 Vw, kan de vreemdeling op grond van artikel 93 Vw en artikel 8:1 Awb beroep instellen bij de rechtbank (zie A6/6). - -Wanneer de vreemdeling op de daartoe aangewezen plaats, of aan de buitengrens, te kennen geeft asiel te willen aanvragen, wordt de vreemdeling door de ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen of de ambtenaar belast met grensbewaking op grond van artikel 55, tweede lid, Vw onderzocht op de aanwezigheid van documenten aan kleding en lichaam. Ook wordt zijn bagage hierop onderzocht. Daarnaast wordt gecontroleerd of de asielzoeker voorkomt in het opsporingsregister of in het (N)SIS en worden van de vreemdeling op grond van artikel 3.109 Vb identificatiefoto’s gemaakt en vingerafdrukken genomen. - -Het nemen van vingerafdrukken geldt voor alle vreemdelingen vanaf vier jaar. Deze vingerafdrukken worden ingevoerd in het BVV. De vingerafdrukken worden vergeleken met de data in de collectie van het BVV. Indien de vingerafdrukken van de vreemdeling onbekend zijn in de biometriecollectie, worden ze opgeslagen en geeft het BVV een Vreemdelingennummer af. Indien de vreemdeling wel bekend is, geeft het BVV het Vreemdelingennummer aan waaronder de vreemdeling al bekend is. De vreemdelingenpolitie of KMar voorziet het vingerafdrukkenformulier handmatig van het Vreemdelingennummer, en zendt het formulier na registratie in het BVV door naar de Dienst IPol. In het geval een vreemdeling volhoudt iemand anders te zijn, wordt de vreemdeling onder een alias geregistreerd en wordt hiervan een aantekening gemaakt ten behoeve van het eerste gehoor van betrokkene door de IND. - -Voor meer informatie over de BVV wordt voorts verwezen naar A1/6.3. - -In het kader van artikel 4 Verordening 2725/2000, dienen de vingerafdrukken van vreemdelingen van veertien jaar en ouder verplicht te worden geregistreerd in de Europese vingerafdrukkencollectie van asielzoekers in de EU (Eurodac) in categorie 1. Ook deze handeling wordt direct verricht bij de aanmelding van de asielzoeker, door de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de ambtenaar belast met grensbewaking. - -Indien sprake is van een hitmelding van de ingevoerde vingerafdrukken met de Europese vingerafdrukkencollectie dan betekent dit dat betrokkene al bekend is vanwege een asielaanvraag (code 1) dan wel een illegale inreis (code 2) in een andere EU-lidstaat. In verband met de toepassing van Verordening 343/2003 stelt de vreemdelingendienst/KMar aan de vreemdeling een aantal aanvullende vragen. De hitmelding en de aanvullende informatie worden onmiddellijk doorgegeven aan de IND. - -###### 2.1.1.2. Indienen van een asielaanvraag in het AC - -De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw wordt op grond van artikel 3.108, tweede lid, Vb juncto artikel 3.42, eerste lid, VV, ingediend in AC Den Bosch, Ter Apel of Zevenaar. - -In uitzondering hierop dienen vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, op grond van artikel 3.42, derde lid, VV, hun asielaanvraag in AC Schiphol in. - -Het indienen van de aanvraag in het AC vindt plaats door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in de gelegenheid te stellen het formulier betreffende het aanvragen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te ondertekenen (zie bijlage 13 VV). Aan de vreemdeling wordt een afschrift van het door hem ondertekende aanvraagformulier verstrekt. Dit gebeurt tijdens de algemene asielprocedure (zie C12). - -##### 2.1.2. Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen - -De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag wil indienen, moet zich, voordat hij een aanvraag in een AC indient, op grond van artikel 3.42a, VV in persoon aanmelden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel. - -Wanneer een vreemdeling aan wie de maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, Vc is opgelegd een tweede of een volgende aanvraag in wil dienen, is het gestelde in C12/2.3 van toepassing. - -Voor vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen en aan wie op een andere grond rechtens de vrijheid is ontnomen, geldt het gestelde in C9/2.1.3. - -In deze gevallen start er geen rust- en voorbereidingstermijn (zie C11/2.4). - -##### 2.1.3. Vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen - -De asielaanvraag van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen, wordt op grond van artikel 3.108, derde lid, Vb, ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. Dat kan een politiecel, een cel van de KMar, een Huis van Bewaring, een uitzetcentrum of AC Schiphol zijn. - -Wanneer een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw te kennen geeft een asielaanvraag te willen indienen, kan door de IND worden besloten de vreemdeling voor de indiening van de aanvraag over te plaatsen naar het AC Schiphol om de aanvraag in de algemene asielprocedure te kunnen behandelen. Dit geldt zowel voor vreemdelingen die een eerste asielaanvraag willen indienen, als voor vreemdelingen die een tweede of volgende asielaanvraag willen indienen. Wanneer hiertoe wordt besloten, wordt de vrijheidsontneming voortgezet in het AC en wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om de asielaanvraag daar in te dienen. In afwijking van het gestelde in C12/5.1 geldt, dat indien blijkt dat de asielaanvraag zich niet leent voor afdoening in de algemene asielprocedure, de IND beoordeelt of de bewaringsmaatregel dient te worden opgeheven en de asielzoeker wordt doorverwezen naar een opvanglocatie, óf dat de bewaringsmaatregel wordt voortgezet en de asielaanvraag wordt behandeld op de wijze zoals is neergelegd in C13/3.3, C15/4 en C16/3.3. - -Of de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag wordt overgeplaatst naar het AC Schiphol wordt beoordeeld door de IND in overleg met de DT&V, de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie. Aspecten die bij deze beoordeling van belang zijn, zijn onder meer de mogelijkheid van een spoedige uitzetting na een eventuele afwijzing, de capaciteit en beschikbaarheid van tolken in het AC Schiphol en de mogelijkheden tot vervoer van de vreemdeling. Ook omstandigheden gelegen in de persoon van de vreemdeling kunnen hierbij een rol spelen. Uitgangspunt is dat de vreemdeling ter behandeling van de asielaanvraag wordt overgeplaatst naar AC Schiphol. - -Indien niet wordt besloten tot overplaatsing naar het AC Schiphol, neemt de KMar of de vreemdelingenpolitie de asielaanvraag in ontvangst en zendt deze, samen met het model M56 (kennisgeving aanvraag verblijfsvergunning door een inbewaringgestelde vreemdeling) door naar de IND. In deze gevallen reikt de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie bij het in ontvangst nemen van de aanvraag de brochure bedoeld in artikel 3.43a VV uit. - -Het indienen van de asielaanvraag heeft niet tot gevolg dat de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw om die enkele reden wordt opgeheven. Wel moet de Korpschef, de Commandant van de KMar of de Algemeen Directeur van de DT&V, gelet op artikel 5.3, tweede lid, Vb, de grond van de inbewaringstelling zo spoedig mogelijk nadat de vreemdeling te kennen heeft gegeven een asielverzoek te willen indienen, wijzigen. Deze maatregel moet, net zoals de inbewaringstelling zelf, worden gemotiveerd en uitgereikt aan de vreemdeling. De vreemdeling verblijft vervolgens niet langer in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw, maar op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, Vw. - -Het indienen van de asielaanvraag door een vreemdeling aan wie rechtens de vrijheid is ontnomen, heeft evenmin tot gevolg dat de uitzettingshandelingen worden stopgezet of opgeschort, met dien verstande dat de uitgangspunten van de asielprocedure niet worden aangetast. Zo blijven handelingen waarbij contact wordt gelegd met de autoriteiten van het land van herkomst in beginsel achterwege (zie A4/4.1). - -Vreemdelingen aan wie op strafrechtelijke gronden de vrijheid is ontnomen worden ter behandeling van een asielaanvraag niet overgebracht naar het AC Schiphol. De asielaanvraag wordt in die gevallen ingediend in de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. - -Op grond van artikel 4 Verordening 2725/2000 worden door de vreemdelingenpolitie of KMar de vingerafdrukken van alle vreemdelingen van veertien jaar en ouder die asiel aanvragen geregistreerd in Eurodac in categorie 1. Omdat de meeste Eurodac-stations daartoe niet zijn geautoriseerd, stuurt de vreemdelingenpolitie of KMar het vingerafdrukkenformulier van asielzoekers in vreemdelingenbewaring naar de IND op AC Schiphol, onder vermelding van het vreemdelingennummer. De IND ziet er vervolgens op toe dat de vingerafdrukken in Eurodac worden geregistreerd. - -Het kan voorkomen dat al in het kader van de terugkeer van betrokkene een raadpleegactie in Eurodac is uitgevoerd in categorie 3 en dat daaruit is gebleken dat betrokkene al in een ander land asiel heeft aangevraagd. Dit ontslaat de vreemdelingenpolitie of KMar niet van de verplichting om wanneer de vreemdeling te kennen geeft een asielverzoek te willen indienen de vingerafdrukken te (laten) registreren in categorie 1. In het kader van de asielregistratie zal Eurodac een nieuwe vergelijking uitvoeren. Indien de vingerafdrukken al voorkomen in het bestand, zal in het kader van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag een nieuwe hitmelding volgen. - -##### 2.1.4. Uitgenodigde vluchtelingen - -Nederland neemt ter ondersteuning van het beleid van de UNHCR jaarlijks een aantal vluchtelingen op voor hervestiging in Nederland. Nederland heeft hiervoor een quotum vastgesteld van vijfhonderd vluchtelingen per jaar. Selectie vindt plaats op voordracht van de UNHCR. - -Indien de UNHCR een als vluchteling geregistreerde vreemdeling voordraagt voor hervestiging in Nederland, beoordeelt de Minister, na advisering door de Minister van BuZa, op basis van het dossier en aan de hand van het staande asielbeleid of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf in Nederland. Wanneer dit het geval is, wordt de vreemdeling uitgenodigd zich naar Nederland te begeven. Door bemiddeling van de IOM wordt de vreemdeling op kosten van de Nederlandse staat in het bezit gesteld van een vliegticket. - -Na aankomst in Nederland wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag in te dienen. De vreemdeling wordt vervolgens zo spoedig mogelijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw. - -##### 2.1.5. Kinderen die in Nederland worden geboren - -Voor kinderen die in Nederland worden geboren, geldt een andere procedure dan voor de kinderen die met hun ouders zijn ingereisd. - -Voor kinderen die tijdens de asielprocedure van (één van) de ouder(s) worden geboren, kan de asielaanvraag van (één van) ouder(s) via bijlage 13k VV tevens geldig worden verklaard voor het kind. Dit heeft tot gevolg dat de procedure van de ouder(s) mede gevoerd wordt ten behoeve van het in Nederland geboren kind. Bijlage 13k VV ten behoeve van het in Nederland geboren kind kan alleen ondertekend worden zolang de ouder(s) nog geen beschikking heeft (hebben) ontvangen op de asielaanvraag. Het model k bijlage 13 VV wordt bij de COA locatie waar de ouder(s) is (zijn) geregistreerd ingediend. Op het moment dat de ouder(s) een beschikking heeft (hebben) ontvangen op de asielaanvraag, moet er voor het in Nederland geboren kind een reguliere aanvraag worden ingediend. Indien een ouder weigert de verklaring te ondertekenen dan komt dit voor de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. - -Bij de ondertekening van de verklaring zijn er drie situaties te onderscheiden: - -• als er één ouder in Nederland aanwezig is die de asielprocedure doorloopt, dan tekent deze de verklaring voor het kind (zie bijlage 13k VV). Indien de ouder minderjarig is, dan ondertekent de voogd de verklaring; -• als beide ouders in Nederland aanwezig zijn en beiden een asielprocedure doorlopen, dan wordt de verklaring ondertekend door de moeder; -• als beide ouders aanwezig zijn, maar slechts één van de ouders doorloopt de asielprocedure en de andere ouder is uitgeprocedeerd of doorloopt een reguliere procedure, dan tekent de ouder die nog de asielprocedure doorloopt de verklaring. - -##### 2.1.6. Gezinsleden die zich in het buitenland bevinden - -Gezinsleden van vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw die zich nog in het buitenland bevinden, kunnen in het buitenland een mvv aanvragen. Die aanvraag wordt aangemerkt als het begin van nareizen in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw (zie C2/6.1). De mvv wordt aangevraagd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (zie B1/1.1.1). Tegen de afwijzing van deze aanvraag staan rechtsmiddelen open. De hoofdpersoon kan in Nederland geen mvv aanvragen voor de gezinsleden. Wel kan hij bij de Visadienst een mvv advies aanvraag indienen. Dit verzoek om advies wordt eveneens aangemerkt als het begin van nareizen in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw. Tegen een negatief advies staan echter geen rechtsmiddelen open. Indien het gezinslid in rechte wenst op te komen tegen een negatief advies kan hij een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen de afwijzing van deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open. - -De aanvraag om een mvv wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorgeleid naar de Visadienst. - -Wanneer de gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw Nederland zijn ingereisd met een mvv voor dit doel, dienen zij zich binnen drie dagen in persoon te melden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel. In het AC wordt dezelfde procedure gevolgd als voor andere asielaanvragers. - -#### 2.2. De aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd - -Indien de vreemdeling een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient is het gestelde in hoofdstuk C17 van overeenkomstige toepassing. - -#### 2.3. Intrekken van de aanvraag - -Voor het intrekken van een asielaanvraag wordt onderscheid gemaakt tussen de asielzoeker die zich niet in bewaring bevindt, de asielzoeker die zich wel in bewaring bevindt en de asielzoeker die de algemene asielprocedure doorloopt. - -Het intrekken van de asielaanvraag en eventuele vervolgprocedures moet schriftelijk gebeuren en wordt ondertekend door de asielzoeker, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde. Het schrijven moet naar de IND worden gezonden. - -De IND informeert vervolgens de politie en de burgemeester van de gemeente waar de asielzoeker woon- of verblijfplaats heeft, over het beëindigen van de procedure(s). Wanneer de vreemdeling bekend is bij de DT&V, informeert de IND ook de DT&V over het beëindigen van de procedure(s). - -Indien een asielzoeker zich in bewaring bevindt, moet de intrekking plaatsvinden door middel van het model M53. - -Indien de asielzoeker zijn asielaanvraag wil intrekken tijdens de algemene asielprocedure en dit gebeurt op één van de dagen die zijn toebedeeld aan de IND (zie C12/3), dan krijgt hij maximaal twee uur de gelegenheid te overleggen met een rechtsbijstandverlener. De feitelijke intrekking moet schriftelijk plaatsvinden en worden ondertekend door de asielzoeker. - -Op grond van artikel 3.47 VV neemt de IND in het dossier van de vreemdeling een aantekening op waarin is opgenomen dat de aanvraag is ingetrokken. Hierbij worden de plaats en datum van intrekken vermeld, alsmede welke van de hierboven genoemde intrekkingsprocedures is gevolgd. - -## 10. Algemene opmerkingen over de asielprocedure - -### 1. Vertrouwelijkheid van de informatie - -Op grond van artikel 3.111, eerste lid, Vb, heeft de vreemdeling de plicht om gedurende ten behoeve van de asielaanvraag alle gegevens te verstrekken op basis waarvan de asielaanvraag beoordeeld kan worden. In artikel 3.45 VV is neergelegd dat deze gegevens bestaan uit de verklaringen van de vreemdeling en alle in zijn bezit zijnde documentatie over zijn achtergrond en die van relevante familieleden, zijn leeftijd, identiteit, nationaliteit(en), landen en plaatsen van eerder verblijf, eerdere asielaanvragen, reisroutes, identiteits- en reisdocumenten en de redenen waarom hij een asielaanvraag indient. - -De informatie die de vreemdeling tijdens de procedure verstrekt, dient strikt vertrouwelijk te worden behandeld. Op deze informatie zijn van toepassing de Wbp en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen waarin de betrokken persoon is geregistreerd. Gegevens worden in beginsel alleen verstrekt aan de betrokken vreemdeling zelf, diens gemachtigde en de ambtenaren en functionarissen die worden genoemd in bovengenoemde regelingen en onder de in die regelingen genoemde voorwaarden. - -Het voorgaande houdt onder meer in dat aan derden, waaronder ook worden verstaan vertegenwoordigers van de media, politici en advocaten die niet optreden als gemachtigde van de betrokken vreemdeling, geen gegevens mogen worden verstrekt over die vreemdeling. Telefonische informatie wordt alleen verstrekt wanneer is gebleken dat de informatievrager gerechtigd is die informatie te ontvangen. - -Het is niet uitgesloten dat een vreemdeling die een asielaanvraag indient, vanuit eigen ondervinding en eigen waarneming kan getuigen over in het land van herkomst begane oorlogsmisdrijven en/of misdrijven tegen de menselijkheid. Deze getuigenissen zijn van belang – of kunnen in de toekomst van belang worden – bij het (doen) vervolgen van de daders van deze feiten, voor de vervolging waarvan Nederland op grond van internationale verdragen bevoegd of verplicht is. - -In deze zaken vraagt de IND de vreemdeling toestemming te verlenen het dossier door te zenden naar de Officier van Justitie die is belast met de vervolging van oorlogsmisdadigers, indien: +De IND verzoekt de vreemdeling toestemming om het dossier van de vreemdeling door te zenden naar de Officier van Justitie, in ieder geval als: +• de vreemdeling vanuit eigen ondervinding en eigen waarneming kan getuigen over in het land van herkomst begane oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid en de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn; • er aanwijzingen zijn dat de potentiële verdachte zich in Nederland bevindt; -• in het land van herkomst van de getuige sprake is van een (burger)oorlogssituatie; -• er sprake is van concrete strafbare feiten; en -• de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn. +• in het land van herkomst van de getuige sprake is van een (burger)oorlogssituatie; en +• er sprake is van strafbare feiten door derden. -### 2. Geen aantekeningen in documenten van de asielzoeker +De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen maakt op grond van artikel 4.29 Vb geen aantekeningen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling. Dit geldt in ieder geval voor de vreemdeling: -Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van een asielzoeker nooit aantekeningen mogen worden geplaatst waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend. Immers, dit kan bij afwijzing van de aanvraag voor de betrokkene moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich meebrengen. Aantekeningen kunnen slechts worden gesteld op een afzonderlijk los inlegblad. Dit geldt ook ten aanzien van vreemdelingen van wie de asielaanvraag is afgewezen of vreemdelingen die hun asielaanvraag hebben ingetrokken. +• van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de IND is afgewezen; of +• die zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingetrokken. -Het plaatsen van aantekeningen is echter wel mogelijk indien de vreemdeling niet langer enige procedure voert over zijn asielaanvraag én: +De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag een aantekening maken in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling geen asielprocedure meer doorloopt, en zich ten minste één van de volgende situaties voordoet: -a. Nederland heeft verlaten – eventueel hangende zijn asielprocedure – en nadien naar Nederland is teruggekeerd; of -b. een verblijfstitel heeft verkregen anders dan die op grond van artikel 29, eerste lid, Vw. +• de vreemdeling heeft Nederland verlaten en is nadien naar Nederland teruggekeerd; +• de vreemdeling heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. -### 3. Gemachtigde van de asielzoeker - -Tijdens de gehele procedure kan de vreemdeling zich op grond van artikel 2:1 Awb doen bijstaan door een gemachtigde. Aan de gemachtigde worden geen bijzondere eisen gesteld. Wel dient hij een schriftelijke, door de vreemdeling ondertekende verklaring te overleggen dat hij is gemachtigd namens de vreemdeling op te treden. - -Indien de vreemdeling zich wil laten bijstaan door een advocaat, wordt deze aangemerkt als gemachtigde, indien hij verklaart bepaaldelijk door de vreemdeling te zijn gemachtigd. - -### 4. Beslissen op asielaanvragen van Amv’s - -Beslissingen op asielaanvragen van Amv’s dienen te worden genomen door medewerkers die bekend zijn met de bijzondere behoeften van Amv’s. - -## 11. De rust- en voorbereidingstermijn - -### 1. Algemeen - -Een vreemdeling die zich op de daartoe aangewezen plaats meldt en te kennen geeft asiel te willen aanvragen (zie C9/2.1.1.1) heeft op grond van artikel 3.109 Vb recht op een rust- en voorbereidingstermijn, tenzij hij behoort tot een categorie vreemdelingen die van dit recht is uitgezonderd (zie C11/2). Deze rust- en voorbereidingstermijn start op de dag dat de vreemdeling op de daartoe aangewezen plaats te kennen geeft asiel te willen aanvragen en duurt minimaal zes dagen. Aan de rust- en voorbereidingtermijn is geen maximale termijn verbonden. - -De rust- en voorbereidingstermijn is bedoeld om de vreemdeling tot rust te laten komen en hem op de asielprocedure voor te bereiden. Ten behoeve van de voorbereiding vinden in de rust- en voorbereidingstermijn verschillende activiteiten plaats (zie C11/3 tot en met C11/6). Daarnaast bepaalt de IND in overleg met de Raad voor Rechtsbijstand en het COA tijdens de rust- en voorbereidingstermijn de start van de algemene asielprocedure. De vreemdeling wordt hiervan op de hoogte gesteld. - -Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, Vw. en komt hij in aanmerking voor opvang op grond van artikel 3, derde lid, en onder o, Rva. Daarnaast krijgt de vreemdeling een W2-document. Dit document wordt zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling verstrekt. - -### 2. Uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn +### 2. Aanvraagprocedures #### 2.1. Algemeen -Wanneer een vreemdeling niet in aanmerking komt voor een rust- en voorbereidingstermijn (zie C11/2.2 tot en met 2.5) dan start de algemene asielprocedure direct of in ieder geval zo spoedig mogelijk nadat hij op de daartoe aangewezen plaats te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen. +Als een vreemdeling van wie op grond van artikel 59 Vw de vrijheid is ontnomen te kennen geeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, kan de IND besluiten aanmeldcentrum Schiphol aan als locatie aan te wijzen waar de vreemdeling deze aanvraag moet indienen. Of de vreemdeling voor de indiening en de behandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol, beoordeelt de IND in overleg met de DT&V, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. De IND weegt bij deze beoordeling in ieder geval de volgende omstandigheden mee: -Indien tijdens de rust- en voorbereidingstermijn blijkt dat een vreemdeling niet langer voor de rust- en voorbereidingstermijn in aanmerking komt, stopt de rust- en voorbereidingstermijn. +• de mogelijkheid van een spoedige uitzetting na een eventuele afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• de beschikbaarheid van tolken in aanmeldcentrum Schiphol; +• de mogelijkheden tot vervoer van de vreemdeling van de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd naar aanmeldcentrum Schiphol; en +• de omstandigheden gelegen in de persoon van de vreemdeling. -De algemene asielprocedure van de vreemdeling start direct of in ieder geval zo spoedig mogelijk na constatering van het feit dat de vreemdeling niet langer recht heeft op de rust- en voorbereidingstermijn. +Het uitgangspunt bij de beoordeling is dat de vreemdeling wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol voor de indiening en de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -Eventuele reeds geplande activiteiten die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn zouden plaatsvinden vinden geen doorgang meer. +#### 2.2. De rust- en voorbereidingstermijn -Voor vreemdelingen die hun asielaanvraag indienen in AC Schiphol geldt het gestelde in C11/2.6. +In artikel 3.109 Vb is de rust- en voorbereidingstermijn beschreven. De rust- en voorbereidingstermijn start op de dag dat de vreemdeling te kennen geeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen op de wijze zoals bedoeld in artikel 3.42a VV. -#### 2.2. De vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid +De IND verstrekt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn aan de vreemdeling een W2-document, als bedoeld in artikel 4.21 Vb. -Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder a, Vb, komen vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn. +Op grond van artikel 3.109, zevende lid, Vb juncto artikel 3.49, eerste lid, VV geldt de rust- en voorbereidingstermijn niet als de vreemdeling een asielaanvraag indient op aanmeldcentrum Schiphol. -Voor de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, wordt aangesloten bij het gestelde in artikel 3.77, eerste lid, en onder c, Vb. Dat betekent dat de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing is op de vreemdeling die ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, die ter zake van een misdrijf is veroordeeld tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete of tegen wie een strafbeschikking is uitgevaardigd. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie artikel 37, eerste lid, WvSr) of in een inrichting voor stelselmatige daders (zie artikel 38m, WvSr) dan wel in een inrichting voor jeugdigen (zie artikel 77h, vierde lid, onder a, WvSr) alsook de terbeschikkingstelling (zie artikel 37a WvSr) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend. +Wel vinden, nadat de vreemdeling is overgebracht naar aanmeldcentrum Schiphol, voorafgaand aan de indiening van de asielaanvraag de activiteiten plaats die normaliter in de rust- en voorbereidingstermijn plaatsvinden. Als zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3.109, zesde lid, onder a tot en met c, Vb worden deze activiteiten achterwege gelaten. -De veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn geworden. Ook indien hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor de rust- en voorbereidingstermijn. +Het gestelde in C1/2.2 onder de kopjes ‘*uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn’* en ‘*onderzoek in de rust- en voorbereidingstermijn’ * is van overeenkomstige toepassing. -Een eens gepleegd misdrijf leidt niet blijvend tot uitsluiting van de rust- en voorbereidingtermijn. Voor wat betreft de termijnen die hiervoor gelden wordt aangesloten bij het beleid dat is opgenomen B1/4.4.1. +De vreemdeling blijft gedurende de periode voorafgaand aan de indiening van de aanvraag en gedurende de algemene asielprocedure, op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, of artikel 59 Vw in AC Schiphol. -Voor de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, wordt verwezen naar B1/4.4. +De rust- en voorbereidingstermijn van een vreemdeling stopt als de vreemdeling op grond van artikel 3.109 lid 6 Vb, niet meer in aanmerking komt voor de rust- en voorbereidingstermijn. De IND start de algemene asielprocedure van de vreemdeling zo snel mogelijk na het beëindigen van de rust- en voorbereidingstermijn op grond van artikel 3.109 lid 6 Vb. -Of er sprake is van een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt bij de eerste aanmelding van de vreemdeling beoordeeld door de vreemdelingenpolitie in overleg met de IND. +De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen beslist na overleg met de IND of een vreemdeling die te kennen heeft gegeven een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willen dienen, een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 3.77 lid 1, aanhef en onder c, Vb en paragraaf B1/4.4 Vc) -Wanneer de vreemdeling pas tijdens de rust- en voorbereidingstermijn een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid gaat vormen, doordat hij eerst dan valt onder één van de hierboven genoemde gronden, dan stopt de rust- en voorbereidingstermijn op de wijze zoals beschreven in C11/2.1. +Er is in ieder geval sprake van overlast, als bedoeld in 3.109 lid 6, aanhef en onder b, Vb als de vreemdeling: -#### 2.3. De vreemdeling bezorgt overlast in de opvangvoorziening +• andere vreemdelingen die in de opvangvoorziening verblijven lastig valt, of ruzie met hen maakt; +• de medewerkers in de opvangvoorziening lastig valt, of ruzie met hen maakt; +• een niet hanteerbaar verslavingsprobleem heeft; +• een niet hanteerbaar psychiatrisch probleem heeft; +• personen of bedrijven lastig valt of ruzie met hen maakt in de omgeving van de opvangvoorziening. -Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder b, Vb, komen vreemdelingen die overlast bezorgen aan vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening, of aan anderen, niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn. Hiervan is sprake indien: +De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht tijdens de rust- en voorbereidingstermijn ieder geval onderzoek naar: -• de vreemdeling andere vreemdelingen die in de opvangvoorziening verblijven lastig valt, of ruzie met hen maakt; -• de vreemdeling de medewerkers in de opvangvoorziening lastig valt, of ruzie met hen maakt; -• de vreemdeling een niet hanteerbaar verslavingsprobleem heeft; -• de vreemdeling een niet hanteerbaar psychiatrisch probleem heeft; -• de vreemdeling overlast veroorzaakt bij personen in de omgeving rondom de opvangvoorziening, waaronder buurtbewoners en de lokale ondernemers. +• de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling; +• de vingerafdrukken van de vreemdeling; +• documenten en bescheiden van de vreemdeling. -Deze lijst is niet-limitatief. +De IND mag tijdens de rust- en voorbereidingstermijn onderzoek verrichten naar welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -Of er sprake is van een vreemdeling die overlast bezorgt in de opvangvoorziening zoals hierboven is beschreven, wordt beoordeeld door het COA in overleg met de IND. +De IND zendt de resultaten van onderzoek zo snel mogelijk na ontvangst aan de vreemdeling en zijn gemachtigde. -Deze grond voor uitsluiting van de rust- en voorbereidingstermijn zal zich in beginsel pas voordoen nadat de vreemdeling eerder al wel voor de rust- en voorbereidingstermijn in aanmerking is gekomen. De rust- en voorbereidingstermijn stopt in dit geval op de wijze zoals beschreven in C11/2.1. +De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen neemt originele documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten van de vreemdeling in voor onderzoek naar de authenticiteit van de documenten. De vreemdeling ontvangt: -#### 2.4. Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag willen indienen +• een bewijs van ontvangst waarin de ingenomen documenten staan benoemd; +• een kopie van de ingenomen documenten; en +• een informatiefolder over de gevolgen voor de vreemdeling van het innemen van de documenten. -Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder c, Vb, komen vreemdelingen die eerder een asielaanvraag hebben ingediend niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn. +De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten terug aan de vreemdeling, nadat het onderzoek is afgerond met een rapportage over de authenticiteit van de documenten. -Of er sprake is van een vreemdeling die eerder een asielaanvraag heeft ingediend wordt beoordeeld door de vreemdelingenpolitie in overleg met de IND. +De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten in ieder geval niet terug aan de vreemdeling als: -#### 2.5. Vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen +• de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geconcludeerd heeft dat de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten vals of vervalst zijn; +• het vertrek van de vreemdeling uit Nederland met behulp van de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten gerealiseerd kan worden. -Op grond van artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder d, Vb komen vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn, tenzij de asielaanvraag wordt ingediend in een AC. +De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die bewijsmiddelen bij de vreemdeling heeft aangetroffen, meldt aan de vreemdeling dat de vreemdeling bewijsmiddelen, die geen documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten zijn, voor onderzoek naar de authenticiteit moet aanbieden aan de IND. -Of de asielaanvraag van een vreemdeling van wie op grond van artikel 59 Vw de vrijheid is ontnomen in AC Schiphol wordt ingediend, wordt beoordeeld door de IND in overleg met de DT&V, de KMar dan wel de vreemdelingenpolitie. In C9/2.1.3 is beschreven in welke gevallen dit gebeurt. +De IND verstrekt de vreemdeling, van wie bewijsmiddelen worden ingenomen: -Wanneer wordt besloten de asielaanvraag niet in AC Schiphol te laten indienen, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een rust- en voorbereidingstermijn. Als de asielaanvraag wel wordt ingediend in AC Schiphol geldt het gestelde in C11/2.6. +• een bewijs van ontvangst, waarin de ingenomen bewijsmiddelen staan benoemd; +• een kopie van de ingenomen bewijsmiddelen; en +• een informatiefolder. -#### 2.6. AC Schiphol +De IND neemt een kopie van deze bewijsmiddelen op in het dossier van de vreemdeling. -Op grond van artikel 3.109, zevende lid, Vb juncto artikel 3.49, eerste lid, VV, is de rust- en voorbereidingstermijn niet van toepassing op vreemdelingen die de asielaanvraag conform C9/2.1.1.2 en C9/2.1.3 indienen in AC Schiphol. +De IND geeft de bewijsmiddelen terug aan de vreemdeling nadat het onderzoek is afgerond met een rapportage over de authenticiteit van de onderzochte bewijsmiddelen. -Nadat de vreemdeling is overgebracht naar AC Schiphol vinden voorafgaand aan de indiening van de activiteiten plaats die normaliter in de rust- en voorbereidingstermijn plaatsvinden, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in C11/2.2, C11/2.3 of C11/2.4. In dat geval blijven deze activiteiten achterwege. +De IND geeft de bewijsmiddelen niet terug aan de vreemdeling als de IND heeft geconcludeerd dat de bewijsmiddelen vals of vervalst zijn. -Gedurende de periode voorafgaand aan de indiening van de aanvraag en gedurende de algemene asielprocedure, verblijft de vreemdeling op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, of artikel 59 Vw in AC Schiphol. +De IND biedt een alleenstaande minderjarige vreemdeling uitsluitend een leeftijdsonderzoek aan als: -### 3. Onderzoek in de rust- en voorbereidingstermijn +• de vreemdeling zijn minderjarigheid niet met bewijsmiddelen kan aantonen; +• de vreemdeling zijn minderjarigheid niet anderszins aannemelijk kan maken; +• de uitslag relevant is voor de vraag of een alleenstaande minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd of opvangvoorzieningen van het COA. -#### 3.1. Algemeen +De uitslag van het leeftijdsonderzoek levert een bewijsmiddel op waarmee de vreemdeling zijn leeftijd aan kan tonen. -Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn wordt onderzoek verricht naar de identiteit, nationaliteit en de vingerafdrukken van de vreemdeling. Daarnaast kan onderzoek worden gedaan naar eventuele door de vreemdeling overgelegde of bij hem aangetroffen documenten en bescheiden, en kan tevens onderzoek worden verricht naar de vraag welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. +Het leeftijdsonderzoek kan tijdens de rust- en voorbereidingstermijn worden uitgevoerd. Een leeftijdsonderzoek kan ook na de rust- en voorbereidingstermijn worden aangeboden. -Het onderzoek wordt in beginsel uitgevoerd op basis van de informatie die door de vreemdeling tijdens de aanmelding (zie C9/2.1.1.1) is verstrekt. De resultaten van het onderzoek worden zo spoedig mogelijk na ontvangst ervan door de IND beschikbaar gesteld aan de vreemdeling en/of zijn rechtsbijstandverlener. +Een leeftijdsonderzoek wordt niet aan de vreemdeling aangeboden als de vreemdeling naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND evident meerderjarig is. -Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn worden door de IND aan de vreemdeling geen vragen gesteld over zijn asielmotieven (artikel 3.109, derde lid, Vb). Evenmin zal de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn door de IND worden gehoord om hem te confronteren met eventuele onderzoeksresultaten. Dit zal pas plaatsvinden tijdens de gehoren die in de algemene asielprocedure door de IND worden uitgevoerd. +De ambtenaar belast, met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND concludeert tot evidente meerderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en/of verklaringen van de gestelde alleenstaande minderjarige vreemdeling. -#### 3.2. Documenten +De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND zorgt ervoor dat de conclusie dat een vreemdeling evident meerderjarig is, wordt opgenomen in het dossier van de vreemdeling. -Op grond van artikel 55, tweede lid, Vw kunnen de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, vreemdelingen die kenbaar maken asiel te willen aanvragen fouilleren ten behoeve van het verkrijgen van documenten die van belang zijn voor de aanvraag (documentfouillering). +VluchtelingenWerk Nederland verzorgt: -Wanneer er tijdens de fouillering bij de aanmelding originele reis- of identiteitsdocumenten worden aangetroffen bij de vreemdeling, of wanneer de vreemdeling tijdens de aanmelding dergelijke documenten overlegt, worden deze door de vreemdelingenpolitie of KMar ingenomen voor nader onderzoek. Aan de vreemdeling wordt in dat geval een bewijs van ontvangst en een afschrift van de stukken verstrekt. Ook ontvangt de vreemdeling een informatiefolder. +• de voorlichting van de vreemdeling als bedoeld in artikel 3.109 lid 2 Vb; +• de verstrekking aan de vreemdeling van de brochure als bedoeld in artikel 3.43a VV. -Wanneer het onderzoek naar de documenten is afgerond, worden de documenten aan de vreemdeling teruggegeven, tenzij er sprake is van valse of vervalste documenten, of er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het ter waarborging van een mogelijk vertrek van de vreemdeling uit Nederland (op een later moment in de procedure) noodzakelijk is om de documenten nog niet aan de vreemdeling terug te geven. +De gemachtigde van de vreemdeling zorgt voor de voorbereiding op de asielprocedure. Deze voorbereiding vindt plaats in het kantoor van de gemachtigde. De gemachtigde en de vreemdeling kunnen hierover andere afspraken maken. -Wanneer er tijdens de fouillering bij de aanmelding originele asielgerelateerde documenten worden aangetroffen bij de vreemdeling, of wanneer de vreemdeling tijdens de aanmelding dergelijke documenten overlegt, wordt aan de vreemdeling meegedeeld dat deze documenten ter beschikking gesteld dienen te worden aan de IND, eventueel door tussenkomst van een rechtsbijstandverlener. +Het COA verstrekt aan de vreemdelingen vervoersbewijzen en een routebeschrijving naar het kantoor van de gemachtigde. -Indien de vreemdeling of zijn rechtsbijstandverlener de documenten nog tijdens de rust- en voorbereidingstermijn ter beschikking stelt aan de IND, kunnen ook deze documenten nader worden onderzocht. Aan de vreemdeling wordt een ontvangstbewijs en een afschrift van de stukken verstrekt. In het ontvangstbewijs worden alle in ontvangst genomen documenten genoteerd. Ook ontvangt de vreemdeling een informatiefolder. Voorts wordt in het IND dossier opgenomen dat de vreemdeling toestemming heeft verleend aan het in ontvangst nemen van documenten door de IND. Na afronding van het onderzoek, worden de documenten weer aan de vreemdeling teruggegeven. +De vreemdeling ontvangt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn op grond van artikel 3.109 lid 5 Vb een uitnodiging voor een medisch advies. Deelname aan het medisch advies is vrijwillig. De vreemdeling verleent schriftelijk toestemming voor deelname aan het medisch advies. -Op grond van artikel 69, tweede lid, Vw en artikel 82, tweede lid, Vw, doet nader onderzoek naar documenten tijdens de rust- en voorbereidingstermijn de termijnen van de algemene asielprocedure niet aanvangen. +De IND bepaalt op welke wijze rekening gehouden wordt met de conclusies uit het medisch advies. Op grond van de inhoud van het medisch advies zijn in ieder geval de volgende situaties mogelijk: -#### 3.3. Onderzoek naar de vraag welk land verantwoordelijk is +• er is geen bijzondere actie noodzakelijk (de algemene asielprocedure kan starten); +• het nader gehoor van de vreemdeling vindt niet plaats in de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc); +• de start van de algemene asielprocedure wordt uitgesteld; +• de IND treft bijzondere voorzieningen tijdens het eerste gehoor en nader gehoor in de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc); +• een combinatie van de laatste twee situaties. -Wanneer er al tijdens de rust- en voorbereidingstermijn aanwijzingen zijn dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek, wordt zo snel mogelijk door de IND onderzocht of er een mogelijkheid is om bij het desbetreffende land een Dublinclaim te leggen. +Het medisch advies kan aanleiding geven te besluiten de parallelle procedure toe te passen (zie paragraaf A3/7 Vc). -Deze aanwijzingen kunnen bestaan uit de hitmelding naar aanleiding van de vergelijking van de vingerafdrukken van de vreemdeling in de Europese vingerafdrukkencollectie (zie C9/2.1.1.1). Ook andere aanwijzingen waaruit blijkt dat betrokkene eerder in andere landen in Europa heeft verbleven, kunnen aanleiding vormen voor onderzoek naar de vraag welk land verantwoordelijk is. +De behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling start zonder medisch advies als de vreemdeling geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het medisch advies. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het medisch advies. -Op grond van artikel 69, tweede lid, Vw en artikel 82, tweede lid, Vw, doet dergelijk nader onderzoek de termijnen van de algemene asielprocedure niet aanvangen. +De IND mag op een later moment dan tijdens de algemene asielprocedure een medisch advies aanvragen als tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog relevante medische problematiek bij de vreemdeling naar voren komt. De vreemdeling moet schriftelijk toestemming geven voor dit medisch advies. -#### 3.4. Leeftijdsonderzoek +Naast de situaties zoals hiervoor beschreven onder *‘Uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn’*, eindigt de rust- en voorbereidingstermijn van rechtswege met de start van de algemene asielprocedure. -Indien een vreemdeling bij de aanmelding stelt minderjarig te zijn, maar er niet in slaagt zijn leeftijd met documenten aan te tonen en dit ook anderszins niet aannemelijk kan maken, kan betrokkene tijdens de rust- en voorbereidingstermijn in de gelegenheid worden gesteld om zijn leeftijd aan te tonen door middel van een leeftijdsonderzoek. Een leeftijdsonderzoek wordt niet in de rust- en voorbereidingstermijn aan de vreemdeling aangeboden indien: +De IND beslist na overleg met de Raad voor Rechtsbijstand en het COA op welke datum de algemene asielprocedure van de vreemdeling start. -a. er naar het oordeel van de vreemdelingenpolitie sprake is van een evident meerderjarige vreemdeling; of -b. de uitslag van het leeftijdsonderzoek geen verschil zou uitmaken voor de beslissing omtrent de aanspraken van de vreemdeling op verblijf of opvang. +De algemene asielprocedure van de vreemdeling start nadat de vreemdeling conform artikel 3.42 VV de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. -Er is sprake van evidente meerderjarigheid indien de medewerker van de vreemdelingenpolitie bij de aanmelding van de vreemdeling aan de hand van de uiterlijke kenmerken of aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling, en eventueel in overleg met een andere medewerker van de vreemdelingenpolitie of – indien gewenst – met een medewerker van de IND, tot de conclusie komt dat de betrokkene evident achttien jaar of ouder moet zijn. +De IND nodigt de vreemdeling een tweede keer uit voor het indienen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak in het aanmeldcentrum verschijnt voor het indienen van zijn aanvraag. De rust- en voorbereidingstermijn eindigt van rechtswege als de vreemdeling ook de tweede keer zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak in het aanmeldcentrum verschijnt voor het indienen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -De leeftijd wordt geschat aan de hand van optische waarneming. Tegenstrijdige of vage verklaringen over de opgegeven leeftijd en het gedrag van de vreemdeling spelen een rol bij de beantwoording van de vraag of sprake is van evidente meerderjarigheid. Uit het dossier dient te blijken dat de vreemdelingenpolitie heeft geoordeeld dat er sprake is van een evident meerderjarige vreemdeling. +#### 2.3. De algemene asielprocedure -Het leeftijdsonderzoek dient twee doelen: enerzijds wordt op basis daarvan beoordeeld of de vreemdeling gezien zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, anderzijds dient het als bron voor de beoordeling van de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor het bijzondere opvangregime voor Amv’s (artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, Rva). +Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 3.112 tot en met 3.115 Vb. -Leeftijdsonderzoek is derhalve slechts dan niet aan de orde, indien de uitslag niet van belang is voor de vraag of en in hoeverre de jongere aanspraak maakt op verblijf of opvang. Of hiervan sprake is wordt bepaald door de vreemdelingenpolitie in overleg met de IND. +De IND behandelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure als geen tijdrovend onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag. -Het vorenstaande geldt alleen indien er sprake is van Amv’s die in aanmerking komen voor een rust- en voorbereidingstermijn. Een leeftijdsonderzoek kan eventueel ook later in de asielprocedure worden aangeboden (zie C12/4.3 en C14/6.1). +Tijdrovend onderzoek is onderzoek waarbij de resultaten van het onderzoek niet tijdens de algemene asielprocedure verwacht worden. -Voor de logistieke afspraken omtrent het leeftijdsonderzoek wordt verwezen naar het protocol inzake leeftijdsonderzoek op de website van de IND. Voor informatie over de mogelijke resultaten van een leeftijdsonderzoek en de consequenties daarvan, wordt verwezen naar C14/6.1. +De IND beoordeelt of de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure of verlengde asielprocedure plaatsvindt, nadat in de algemene asielprocedure een nader gehoor van de vreemdeling is afgenomen en de IND de vreemdeling de dag erna in de gelegenheid heeft gesteld correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen. Op deze regel zijn enkele uitzonderingen van toepassing, die zijn beschreven in paragraaf C1/2.4 Vc. -### 4. Voorlichting +De IND verstrekt de vreemdeling met het oog op zijn beschikbaarheid tijdens de algemene asielprocedure een aanwijzing door middel van model M117-C, op de dag dat de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een aanmeldcentrum indient. De IND licht de aanwijzing mondeling toe. -Op grond van artikel 3.109, tweede lid, Vb, wordt de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn voorgelicht over de asielprocedure door een medewerker van VWN. Tijdens deze voorlichting wordt aan de vreemdeling de brochure als bedoeld in artikel 3.43a VV verstrekt. Ook wordt hem medegedeeld dat hij zich tijdens het eerste en het nader gehoor kan laten bijstaan door een rechtsbijstand- of hulpverlener. Daarnaast wordt de vreemdeling voorgelicht over het medisch advies en het belang om daaraan deel te nemen (zie C11/6). +De IND beoordeelt op verzoek van de vreemdeling of de beschikbaarheid van de vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure nog nodig is. De beschikbaarheid van de vreemdeling is niet meer nodig als geen processtappen in aanwezigheid van de vreemdeling meer plaatsvinden. De IND verstrekt een schriftelijke verklaring aan de vreemdeling dat hij voor de termijn genoemd in de verklaring toestemming heeft gekregen het aanmeldcentrum te verlaten. -### 5. Voorbereiding door een rechtsbijstandverlener +De IND brengt in afwijking van de paragraaf C1/2.6 Vc een voornemen uit tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling zich niet gehouden heeft aan de aanwijzingen uit het model M117-C. De IND concludeert dat de vreemdeling geen belang stelt in het onderzoek naar de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De IND betrekt bij het voornemen: -Op grond van artikel 3.109, tweede lid, Vb wordt de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn inhoudelijk op de asielprocedure voorbereid door een aan hem toegewezen rechtsbijstandverlener. Het gesprek tussen de vreemdeling en de rechtsbijstandverlener vindt in beginsel plaats in het kantoor van de rechtsbijstandverlener. Om van en naar het kantoor van de rechtsbijstandverlener te kunnen reizen, worden door het COA vervoersbewijzen aan de vreemdeling verstrekt. Daarnaast krijgt de vreemdeling ook informatie over de route naar het kantoor van de rechtsbijstandverlener. +• artikel 31 lid 2, aanhef en onder b, Vw; +• de verklaringen uit het nader gehoor, als het nader gehoor heeft plaatsgevonden voor het vertrek van de vreemdeling. -### 6. Medisch advies +De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling die zich vóór het uitbrengen van het besluit opnieuw meldt bij het aanmeldcentrum, af als: -Op grond van artikel 3.109, vijfde lid, Vb ontvangt iedere vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstermijn een uitnodiging om deel te nemen aan het medisch advies. Deelname aan het medisch advies is vrijwillig en de vreemdeling dient hiervoor schriftelijk toestemming te verlenen. +• de IND de vreemdeling eerder een nader gehoor heeft afgenomen; +• de resterende termijn in algemene asielprocedure niet toereikend is voor de vreemdeling om een zienswijze uit te brengen; en +• de IND een verzoek van de vreemdeling om de termijnen van de algemene asielprocedure te verlengen, niet heeft gehonoreerd (zie paragraaf C1/2.3 Vc Termijnen in de algemene asielprocedure). -Wanneer de vreemdeling schriftelijk toestemming verleent om aan het medisch advies deel te nemen, wordt de vreemdeling gezien door een verpleegkundige die, onder verantwoordelijkheid van een arts, een primaire signalering uitvoert. Deze primaire signalering kan leiden tot verschillende uitkomsten. +De IND verlengt, gelijktijdig met de intrekking van het voornemen, de termijnen van de algemene asielprocedure als: -Allereerst kan de verpleegkundige constateren dat er geen sprake is van medische problematiek. +• een vreemdeling zich vóór het brengen van het besluit opnieuw meldt bij het aanmeldcentrum; en -De verpleegkundige kan echter ook constateren dat er sprake is van medische problematiek. In het geval dat deze medische problematiek behandeling behoeft, wijst de verpleegkundige de vreemdeling op de mogelijkheden van curatieve zorg. Wanneer de gesignaleerde medische problematiek van invloed kan zijn op de uitvoering of de interpretatie van de gehoren in de asielprocedure, of wanneer de verpleegkundige twijfelt of hiervan sprake is, wordt de vreemdeling (tevens) doorverwezen naar een medisch adviseur ten behoeve van een medisch advies. +de IND de vreemdeling nog geen nader gehoor heeft afgenomen (zie verder paragraaf C1/2.3 Vc Verlenging van de algemene asielprocedure). -De verpleegkundige stelt de vreemdeling en de IND op de hoogte van de uitkomsten van de primaire signalering. +Een dag als bedoeld in artikel 3.110 lid 1 Vb, is een kalenderdag die loopt van 0.00 uur tot 24.00 uur. -Als de vreemdeling is doorverwezen naar een medisch adviseur, wordt door laatstgenoemde een medisch onderzoek gedaan op basis waarvan een medisch advies wordt opgesteld. Het medisch advies heeft betrekking op medische problematiek die mogelijk interfeert met het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren en waarmee rekening gehouden dient te worden bij de interpretatie van de verklaringen van de vreemdeling, en/of medische problematiek waarmee praktisch gezien rekening dient te worden gehouden tijdens de gehoren. Daarnaast kan, indien van toepassing, in het medisch advies tevens worden vermeld dat de vreemdeling is gewezen op de mogelijkheden van curatieve zorg en kunnen waargenomen littekens worden genoteerd. +De termijnen als bedoeld in artikel 3.110 Vb, 3.112 tot en met 3.115 Vb en 3.118a lid 2 Vb, zijn bindend voor de IND en de vreemdeling. -Het medisch advies wordt beschikbaar gesteld aan de vreemdeling en aan de IND. +De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure, als de IND de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden. -De IND is verantwoordelijk voor de beoordeling of en in hoeverre het medisch advies gevolgen heeft voor de verdere procedure van de vreemdeling. De volgende situaties zijn mogelijk: +De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure, als de vreemdeling de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden. -• op basis van het medisch advies besluit de IND het nader gehoor van de vreemdeling niet in de algemene asielprocedure te laten plaatsvinden (zie C12/5.2); -• op basis van het medisch advies besluit de IND de start van de algemene asielprocedure met enige tijd uit te stellen; -• op basis van het medisch advies besluit de IND bijzondere voorzieningen te treffen tijdens de gehoren in de algemene asielprocedure (zie C13/2.2). +De IND maakt terughoudend gebruik van de mogelijkheid in artikel 3.115 lid 1 Vb om de termijnen van de algemene asielprocedure te verlengen. -Een combinatie van de laatste twee situaties is eveneens mogelijk. +De IND houdt bij verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure de gebruikelijke volgorde van processtappen binnen de algemene asielprocedure aan. -Daarnaast kan het medisch advies voor de IND aanleiding vormen om te starten met een parallelle procedure waarin medische omstandigheden (ambtshalve) door de IND worden beoordeeld (zie A4/7.2.1.2). +De IND kan besluiten de eerdere processtappen van de algemene asielprocedure opnieuw uit te voeren, als de vreemdeling zijn verklaringen op essentiële onderdelen wijzigt of aanvult. -Wanneer de vreemdeling geen schriftelijke toestemming verleent om aan het medisch advies deel te nemen, wordt de procedure van de vreemdeling zonder medisch advies vervolgd. Het niet deelnemen aan het medisch advies kan de vreemdeling niet worden tegengeworpen in de asielprocedure. Het gevolg daarvan is echter wel dat in beginsel geen rekening kan worden gehouden met medische aspecten die een positieve rol zouden kunnen spelen in de procedure. +De IND mag de termijnen in de algemene asielprocedure meerdere keren verlengen, zolang de IND het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd uiterlijk op de veertiende dag uitreikt aan de vreemdeling. -Indien in dit geval op een later moment in de asielprocedure naar voren komt dat er toch sprake is van relevante medische problematiek, wordt door de IND bezien of het noodzakelijk is om – met toestemming van de vreemdeling – alsnog een medisch advies aan te vragen. +De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder a of b, Vb, als: -### 7. Hoe eindigt de rust- en voorbereidingstermijn? +• een tolk onverwacht ziek wordt en er, ondanks inspanningen van de IND en de Raad voor Rechtsbijstand, geen andere tolk beschikbaar is; +• de vreemdeling een bezoek moet brengen aan een dokter in het kader van curatieve zorg; +• de vreemdeling aan wie op grond van artikel 6 of 59 Vw de vrijheid is ontnomen voor de rechtbank moet verschijnen; +• de vreemdeling die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn geen toestemming heeft verleend voor een medisch advies, alsnog een medisch advies als bedoeld in artikel 3.109 lid 5 Vb krijgt; +• de IND alsnog een nader gehoor moet houden met de vreemdeling, die zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen in model M117-C (zie verder paragraaf C1/2.3 Vc Beschikbaarheid tijdens de algemene asielprocedure). -#### 7.1. Algemeen +De vreemdeling dient het verzoek om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure schriftelijk bij de IND in, onder vermelding van de redenen van het verzoek. -De rust- en voorbereidingstermijn eindigt met de start van de algemene asielprocedure. Door indiening van de asielaanvraag in het AC verkrijgt de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw waarmee de rust- en voorbereidingstermijn van rechtswege is beëindigd. +Als de IND besluit het verzoek van de vreemdeling om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure niet te honoreren, krijgt de vreemdeling mondeling bericht van de IND. -#### 7.2. De vreemdeling verschijnt niet op afspraak in het AC +De IND motiveert in het voornemen of in het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarom geen aanleiding bestaat om de verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure toe te staan. -Indien de vreemdeling zonder voorafgaande kennisgeving niet verschijnt in het AC op de dag dat hij is uitgenodigd om de asielaanvraag in te dienen, wordt de vreemdeling nogmaals uitgenodigd om de asielaanvraag in het AC in te dienen. Wanneer hij ook dan zonder voorafgaande kennisgeving niet verschijnt in het AC, geeft de vreemdeling daarmee te kennen geen belang meer te hebben bij het indienen van een asielaanvraag. De rust- en voorbereidingstermijn eindigt daarmee van rechtswege. +De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder c Vb, als: -Wanneer de vreemdeling op dat moment nog wel in de opvangvoorziening verblijft, wordt de opvang beëindigd. +• de vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure een andere identiteit of nationaliteit opgeeft dan tijdens de rust- en voorbereidingstermijn; +• er op basis van het eerste of het nader gehoor van de vreemdeling twijfels rijzen over de leeftijd die de vreemdeling heeft opgegeven en er aanleiding bestaat om een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling aan te bieden (zie paragraaf C1/3 Vc); +• er tijdens de algemene asielprocedure (alsnog) reis- of identiteitsdocumenten door de vreemdeling worden overgelegd en de IND van oordeel is dat nader onderzoek naar deze documenten moet plaatsvinden. -## 12. De algemene asielprocedure en de verlengde asielprocedure +De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure verlengen op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder d, Vb, als de IND door de gewijzigde verklaringen van de vreemdeling: -### 1. Algemeen +• de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw moet beoordelen; +• de vreemdeling opnieuw een eerste of nader gehoor moet afnemen; +• zonder verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet kan afwijzen op grond van de omstandigheid dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig wordt geacht. -De algemene asielprocedure start op de dag dat de asielaanvraag in het AC wordt ingediend. In de algemene asielprocedure wordt vastgesteld of er sprake is van een asielaanvraag die zonder tijdrovend onderzoek kan worden ingewilligd of afgewezen. Indien tijdrovend nader onderzoek noodzakelijk is voordat een beslissing op de aanvraag kan worden genomen, wordt de asielaanvraag verder behandeld in de verlengde asielprocedure. +#### 2.4. De verlengde asielprocedure -De beoordeling of er sprake is van een asielaanvraag die in de algemene asielprocedure kan worden ingewilligd of afgewezen, wordt uitgevoerd door de IND en vindt in beginsel pas plaats nadat er in de algemene asielprocedure een nader gehoor heeft plaatsgevonden en de vreemdeling de gelegenheid heeft gehad om correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen. +De IND beoordeelt op basis van het medisch advies (zie paragraaf C1/2.2 Vc) of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.113 lid 5, aanhef en onder a, Vb. -### 2. Beschikbaarheid tijdens de algemene asielprocedure +De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een amv jonger dan twaalf jaar op grond van artikel 3.113 lid 5, aanhef en onder b, Vb in de verlengde asielprocedure, nadat in het aanmeldcentrum een eerste gehoor heeft plaatsgevonden. -#### 2.1. Maatregelen van toezicht +De IND beoordeelt aan de hand van het dossier of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.113 lid 5 Vb, nader uitgewerkt in artikel 3.49 lid 2 VV. -Tijdens de algemene asielprocedure dient de vreemdeling zich in verband met de behandeling van de aanvraag beschikbaar te houden. Voor verschillende activiteiten in de algemene asielprocedure is de aanwezigheid van de vreemdeling in het AC waar de aanvraag wordt behandeld noodzakelijk. Dit geldt niet alleen voor de activiteiten die worden verricht door de IND, maar ook voor de activiteiten waarbij de vreemdeling zich kan verstaan met een rechtsbijstandverlener. +De IND betrekt bij de beoordeling in ieder geval: -Wanneer de aanwezigheid van de vreemdeling in het AC niet noodzakelijk is, verblijft de vreemdeling in een opvangvoorziening in de omgeving van het betreffende AC. Het vervoer van en naar het AC en de opvangvoorziening wordt verzorgd door het COA. +• het ontbreken van een rust- en voorbereidingstermijn voor vreemdelingen van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt behandeld in aanmeldcentrum Schiphol; +• de inhoud van het medisch advies. -Om de beschikbaarheid van de vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure te waarborgen, wordt aan de vreemdeling, zowel mondeling als schriftelijk, een op artikel 55, eerste lid, Vw gebaseerde aanwijzing gegeven. Deze aanwijzing wordt gegeven door de IND op de dag dat de vreemdeling zijn asielaanvraag in het AC indient. Hierbij wordt gebruik gemaakt van model M117-C. Dit model doet tevens dienst als bewijs van uitreiking. De asielzoeker dient zich in het AC beschikbaar te houden overeenkomstig de gegeven aanwijzingen. De vreemdeling wordt er bij het geven van de aanwijzing op gewezen dat het niet nakomen van de aanwijzingen consequenties heeft voor de afhandeling van zijn aanvraag. Deze omstandigheid wordt, op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw, mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. Het niet naleven van de aanwijzingen is bovendien strafbaar gesteld bij artikel 108, eerste lid, Vw. +De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.49 lid 2 VV in de verlengde asielprocedure, nadat in het aanmeldcentrum een eerste gehoor heeft plaatsgevonden. De ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen verzorgt in dat geval de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel, die op grond van artikel 6 Vw is opgelegd, als het gestelde onder ‘*De gesloten verlengde asielprocedure’* niet van toepassing is. -Op de dagen dat de aanwezigheid van de asielzoeker in het AC noodzakelijk is, dient hij zich daar in beginsel de hele dag op te houden, tenzij aan de vreemdeling wordt medegedeeld dat zijn aanwezigheid ten behoeve van de betreffende activiteit de rest van de dag niet meer noodzakelijk wordt geacht. +De IND bepaalt na het eerste gehoor of het nader gehoor of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt behandeld in de verlengde asielprocedure, onder voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6 Vw. Dit wordt de gesloten verlengde asielprocedure genoemd. -Of de aanwezigheid van de vreemdeling ten behoeve van het onderzoek op een bepaalde dag niet meer noodzakelijk wordt geacht is uitsluitend ter beoordeling aan de IND. Bij de beantwoording van deze vraag is met name van belang of voorzienbaar is dat er die dag geen activiteit meer zal plaatsvinden waarbij de aanwezigheid van de vreemdeling van belang is. Wanneer de vreemdeling het AC wil verlaten en hij hiervoor toestemming heeft, wordt van het vertrek aantekening gemaakt. De vreemdeling krijgt een schriftelijke verklaring mee ten bewijze van het feit dat hij in het kader van een asielaanvraag in de gelegenheid is gesteld om zich buiten het AC te begeven. Daarnaast wordt hem meegedeeld dat hij zich op een bepaald tijdstip weer bij het AC dient te melden als hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om terug te reizen naar de opvangvoorziening met het door het COA verzorgde vervoersmiddel. Indien de vreemdeling zich niet uiterlijk op genoemd tijdstip bij het AC heeft gemeld, dient de vreemdeling op eigen gelegenheid terug te reizen naar de opvangvoorziening. Indien de vreemdeling niet terugreist naar de opvangvoorziening dient hij zich uiterlijk om 8.00 uur weer bij het AC te melden op de dag dat de volgende activiteit in het AC is gepland. +De procedure, waarmee een grenslogies wordt aangewezen als plaats of ruimte bedoeld in artikel 6 Vw, waar de vreemdeling zich moet ophouden, staat beschreven in paragraaf A5/3Vc. -Het vorenstaande geldt niet ten aanzien van vreemdelingen aan wie een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of artikel 59 Vw is opgelegd en die de asielaanvraag indienen in AC Schiphol (zie C12/2.3). +De IND past de gesloten verlengde asielprocedure uitsluitend in de volgende gevallen toe: -#### 2.2. Het niet nakomen van de aanwijzingen +• er is nader onderzoek noodzakelijk naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, om te beoordelen of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden afgewezen; +• de IND heeft vastgesteld dat er sprake is van misbruik van de asielprocedure of fraude; +• de vreemdeling is de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 13, in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder d of e, SGC; +• de IND dient bij een andere staat een verzoek tot overname van de vreemdeling in, op basis van de verordening 343/2003/EG, de Overnameovereenkomst Benelux-Zwitserland of een vergelijkbare overnameovereenkomst; +• de IND zal mogelijk de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afwijzen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag; +• na afwijzing van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure, wordt door de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen of het beroep tegen het besluit van de IND gegrond verklaard om redenen die niet inhoudelijk zijn maar verband houden met de procedureregels. -Wanneer de vreemdeling een aanwijzing als bedoeld in C12/2.1 niet nakomt door tussentijds zonder toestemming het AC te verlaten, dan wel door niet tijdig op het AC terug te keren, wordt aangenomen dat de vreemdeling niet langer belang stelt in het onderzoek naar de aanvraag. Er zal op dat moment een voornemen worden uitgebracht conform het gestelde in C15/2 en in afwijking van C14/7 en C4/3.2. Het niet nakomen van de aanwijzing wordt op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, Vw betrokken bij dit voornemen. Indien er op dat moment reeds een nader gehoor heeft plaatsgehad, wordt in dit voornemen hierop tevens ingegaan. Direct na ommekomst van het verstrijken van de termijn voor het indienen van een zienswijze (zie C12/3), wordt in lijn met het uitgebrachte voornemen een beschikking uitgebracht. +Hieronder worden nadere regels gesteld over de redenen wanneer de IND de gesloten verlengde asielprocedure mag toepassen. -Wanneer de vreemdeling zich na het uitbrengen van het voornemen, maar vóór het uitbrengen van de beschikking, alsnog meldt bij het AC, wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin reeds vóór het verlaten van het AC een nader gehoor heeft plaatsgehad en de situatie waarin dit niet het geval is. +De IND kan binnen de gesloten verlengde asielprocedure nader onderzoek verrichten naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, als de vreemdeling zijn identiteit of nationaliteit niet aannemelijk heeft kunnen maken en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. -Als een nader gehoor reeds heeft plaatsgehad en de nog resterende termijn na terugkomst van de asielzoeker niet toereikend is voor het uitbrengen van een zienswijze, wordt in lijn met het uitgebrachte voornemen een beschikking uitgebracht, tenzij een verzoek van de vreemdeling om verlenging van de termijn vanwege niet-toerekenbare termijnoverschrijding wordt gehonoreerd door de IND (zie C12/4.2). Hiervan zal in het geval dat de vreemdeling een aanwijzing niet is nagekomen niet snel sprake zijn. +Deze situatie doet zich in ieder geval voor als de IND: -Als het voornemen is uitgebracht zonder dat een nader gehoor heeft plaatsgehad en de vreemdeling zich voor het uitbrengen van de beschikking alsnog meldt bij het AC, wordt het uitgebrachte voornemen geacht te zijn ingetrokken. De algemene asielprocedure wordt in dit geval verlengd met het aantal dagen dat nodig is om alsnog een nader gehoor te laten plaatsvinden en de vervolgstappen in de algemene asielprocedure binnen de gestelde termijnen af te kunnen ronden (zie C12/4.2). Uiterlijk op de veertiende dag wordt in dat geval de beschikking uitgereikt. +• nader onderzoek naar de documenten van de vreemdeling op echtheid of authenticiteit noodzakelijk vindt; +• taalanalyse of een ander onderzoek naar de herkomst van de vreemdeling noodzakelijk vindt; +• onderzoek naar de leeftijd van de vreemdeling noodzakelijk vindt. -#### 2.3. Beschikbaarheid in AC Schiphol +De IND kan bij het nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling een keuze maken tussen de behandeling van de aanvraag in de gesloten verlengde asielprocedure of de verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder c, Vb. -Wanneer een vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 5, eerste lid, SGC dan wel artikel 3 Vw en aan de buitengrens te kennen geeft asiel te willen aanvragen, wordt op aanwijzing van het Hoofd van de IND, de toegang geweigerd en wordt op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw het AC Schiphol aangewezen als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden (zie C9/2.1.1.1). Deze maatregel blijft gelden gedurende de gehele periode dat de vreemdeling in AC Schiphol verblijft. Na afwijzing van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure, kan de maatregel voortgezet worden in een grenslogies, indien de vertrektermijn op grond van artikel 62, tweede lid Vw is bekort. Artikel 5.1b Vb is van overeenkomstige toepassing. Zie ook paragraaf C22/2. - - - De voortzetting van de maatregel dient gemotiveerd te worden aan de hand van de gronden, zoals genoemd in artikel 5.1a en 5.1b Vb. - Wanneer de asielaanvraag in de algemene asielprocedure in AC Schiphol wordt afgewezen, wordt de maatregel van artikel 6 Vw in beginsel voortgezet in een grenslogies. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in dat geval een nieuwe plaatsingsbeschikking en wijst daarbij het grenslogies aan als plaats waar de maatregel ten uitvoer wordt gelegd. - Dit is echter anders wanneer er sprake is van een Amv. Indien er na afloop van de algemene asielprocedure in het AC geen twijfel bestaat omtrent de minderjarigheid, wordt een Amv niet geplaatst in een grenslogies. De Amv komt in dat geval in aanmerking voor opvang op grond van artikel 3, derde lid, en onder b, Rva. - - - Voor vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw en die de algemene asielprocedure in AC Schiphol doorlopen, geldt voor wat betreft de beschikbaarheid het gestelde in C9/2.1.3. - -2012257008-02-201227-01-2012WBV2012/12012257008-02-201227-01-2012WBV2012/109-02-2012 +De IND houdt bij haar keuze rekening met de verwachte duur van het nader onderzoek. -### 3. Termijnen in de algemene asielprocedure - -#### 3.1. Algemene uitgangspunten - -Op grond van artikel 3.110, eerste lid, Vb, duurt de algemene asielprocedure in beginsel acht dagen. Wel bestaat er een mogelijkheid om deze termijn te verlengen tot maximaal veertien dagen (zie C12/4). - -Het betreft hier kalenderdagen. Dat wil zeggen dat elke dag (termijn) om middernacht start en 24 uur later om middernacht eindigt. - -De termijnen van de algemene asielprocedure starten op grond van artikel 3.110, derde lid Vb, op de dag dat de vreemdeling zijn asielaanvraag indient in het AC. Wanneer de aanvraag wordt ingediend in AC Den Bosch, AC Zevenaar of AC Ter Apel, tellen de dagen gedurende het weekeinde en de dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen voor de berekening van de termijnen niet mee. Onder de in de Algemene termijnenwet als algemeen erkende feestdagen vallen ook de dagen die op grond van artikel 3, derde lid, Algemene termijnenwet met een algemeen erkende feestdag gelijk zijn gesteld. - -Voor AC Schiphol geldt het vorenstaande niet: in AC Schiphol tellen alle dagen van het jaar mee voor de berekening van de termijnen. - -De termijnen in de algemene asielprocedure zijn bindend. Dat houdt in dat wanneer de IND de haar ter beschikking staande termijnen in de algemene asielprocedure overschrijdt en er geen mogelijkheid is om de termijnen te verlengen, het niet meer mogelijk is om binnen de algemene asielprocedure op de asielaanvraag te beslissen. In dat geval wordt de asielaanvraag verder behandeld in de verlengde asielprocedure en zijn de in die procedure geldende termijnen van toepassing. - -Wanneer de vreemdeling de zijn ter beschikking staande termijnen in de algemene asielprocedure overschrijdt en een eventueel door hem gedaan verzoek om verlenging van de termijnen niet wordt gehonoreerd, zal de IND aanvangen met de volgende stap in de procedure. - -#### 3.2. De algemene asielprocedure dag voor dag - -Binnen de algemene asielprocedure hebben de IND en de vreemdeling telkens om en om een dag de tijd om één bepaalde processtap af te ronden. Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 3.112 tot en met 3.115 Vb. - -Op de eerste dag van de algemene asielprocedure dient de vreemdeling de asielaanvraag in en krijgt hij een eerste gehoor. Op de tweede dag wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zich met zijn rechtsbijstandverlener voor te bereiden op het nader gehoor, dat op de derde dag van de algemene asielprocedure plaatsvindt. Vervolgens krijgt de vreemdeling op de vierde dag de gelegenheid om het nader gehoor met een rechtsbijstandverlener na te bespreken en om, indien gewenst, correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen. Wanneer de IND voornemens is om de asielaanvraag af te wijzen, wordt op de vijfde dag van de algemene procedure een voornemen uitgebracht. Op de zesde dag van de algemene asielprocedure krijgt de vreemdeling de gelegenheid om het voornemen met een rechtsbijstandverlener na te bespreken en eventueel een schriftelijke zienswijze in te dienen. Ten slotte wordt uiterlijk op de achtste dag van de algemene asielprocedure de beschikking aan de vreemdeling uitgereikt. - -Wanneer de aanvraag kan worden ingewilligd, kan de beschikking al eerder worden uitgereikt, namelijk vanaf het moment dat de correcties en aanvullingen worden ingediend. In dat geval is immers de voornemenprocedure niet van toepassing (zie C15). - -Indien er aanleiding bestaat om de algemene asielprocedure met één of enkele dagen te verlengen, wijzigt het verloop van de algemene asielprocedure (zie C12/4). - -### 4. Verlenging van de algemene asielprocedure - -#### 4.1. Algemeen - -De termijnen van de algemene asielprocedure kunnen op grond van artikel 3.115, eerste lid, Vb, met maximaal zes dagen worden verlengd. De mogelijkheden tot verlenging van de algemene asielprocedure zijn beperkt tot enkele specifiek beschreven situaties en van deze mogelijkheden zal slechts terughoudend gebruik worden gemaakt. - -Wanneer de IND besluit om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen, wordt de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis gesteld. In de kennisgeving wordt door de IND aangegeven om welke reden de termijn wordt verlengd en op welk moment de verlenging van de termijn eindigt. Wanneer de algemene asielprocedure wordt verlengd blijft de volgorde van alle processtappen hetzelfde. Dit is enkel anders wanneer de vreemdeling zijn verklaringen essentieel wijzigt of aanvult (C12/4.4); in dat geval kunnen sommige stappen in de procedure opnieuw worden uitgevoerd, maar wel in de gebruikelijke volgorde. - -#### 4.2. Niet toerekenbare termijnoverschrijding - -Op grond van artikel 3.115, eerste lid, en onder a, Vb, kunnen de termijnen van de IND voor het uitvoeren en bekendmaken van het eerste gehoor, het nader gehoor en het voornemen worden verlengd, tenzij de overschrijding van de termijn aan de IND kan worden toegerekend. - -Voorts kunnen de termijnen van de vreemdeling voor de voorbereiding op het nader gehoor, het indienen van de correcties en aanvullingen en het indienen van de zienswijze op grond van artikel 3.115, eerste lid en onder b, worden verlengd, tenzij de overschrijding van de termijn aan de vreemdeling kan worden toegerekend. - -Om genoemde termijnen te kunnen verlengen, moet er gezien het vorenstaande sprake zijn van situaties waarin de termijnen van de IND worden overschreden, zonder dat de IND daar zelf schuld aan heeft, of situaties waarin de termijnen van de vreemdeling worden overschreden, zonder dat de vreemdeling daar zelf schuld aan heeft. Hiervan is in ieder geval sprake indien: - -• een tolk onverwachts ziek wordt en er, ondanks inspanningen van de IND en de Raad voor de rechtsbijstand, niet tijdig een andere tolk beschikbaar is; -• de vreemdeling een bezoek dient te brengen aan een dokter (eventueel in het ziekenhuis) in het kader van curatieve zorg; -• de vreemdeling aan wie op grond van artikel 6 of 59 Vw de vrijheid is ontnomen een bezoek aan de rechtbank dient te brengen in verband met een zitting in het kader van een beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel. -• de IND het noodzakelijk acht om ten aanzien van een vreemdeling die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn geen toestemming heeft verleend voor deelname aan het medisch advies, alsnog een medisch advies in te winnen en de vreemdeling daar tijdens de algemene asielprocedure wel toestemming voor verleent. -• de vreemdeling een aanwijzing als bedoeld in C12/2.1 niet nakomt door voorafgaand aan het nader gehoor zonder toestemming het AC te verlaten dan wel door niet tijdig op het AC terug te keren en zich voordat er een beschikking is uitgebracht weer in het AC meldt. - -Wanneer er sprake is van overschrijding van een van de termijnen van de vreemdeling, moet de vreemdeling voor een eventuele verlenging van de termijn een gemotiveerd schriftelijk verzoek bij de IND indienen. - -Indien de IND besluit dit verzoek niet te honoreren, wordt dit mondeling aan de vreemdeling meegedeeld en wordt in het voornemen of in de beschikking gemotiveerd waarom er naar het oordeel van de IND geen aanleiding bestond om de termijn van de vreemdeling te verlengen. - -Het antwoord op de vraag met hoeveel dagen een termijn wordt verlengd wanneer er sprake is van een niet toerekenbare termijnoverschrijding, is afhankelijk van de reden van verlenging van de termijn. Wanneer door de IND is vastgesteld met hoeveel dagen een termijn wordt verlengd, wordt schriftelijk aan de vreemdeling meegedeeld op welke dag de verlengde termijn eindigt en dient de desbetreffende activiteit die binnen deze termijn moet plaatsvinden uiterlijk op die dag te worden afgerond. - -Na afloop van de verlengde termijn, is er voor alle volgende stappen in de procedure telkens weer één (kalender)dag beschikbaar, waarbij geldt dat de beschikking uiterlijk op de veertiende dag moet worden uitgereikt. - -Het is mogelijk om, indien hiertoe aanleiding bestaat, verschillende termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen wanneer er meerdere malen sprake is van een niet toerekenbare termijnoverschrijding. Ook in dat geval geldt, dat er voor de overige stappen in de procedure altijd één (kalender)dag beschikbaar dient te zijn en dat de beschikking uiterlijk op de veertiende dag moet worden uitgereikt. - -#### 4.3. Nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling - -Op grond van artikel 3.115, eerste lid en onder c, Vb, kan verlenging van de algemene asielprocedure plaatsvinden indien er naar het oordeel van de IND noodzakelijk is om onderzoek te doen naar de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling. Hiervan is onder andere sprake indien: - -• betrokkene tijdens de algemene asielprocedure een andere identiteit opgeeft dan hij tijdens de rust- en voorbereidingstermijn heeft opgegeven; -• er op basis van het eerste of het nader gehoor van de vreemdeling twijfels rijzen over de leeftijd die de vreemdeling heeft opgegeven en er aanleiding bestaat om een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling aan te bieden; -• er tijdens de algemene asielprocedure (alsnog) identiteitsdocumenten door de vreemdeling worden overgelegd en de IND van oordeel is dat nader onderzoek naar deze documenten dient plaats te vinden. - -Voor het antwoord op de vraag of er tijdens de algemene asielprocedure een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling wordt aangeboden, wordt verwezen naar het gestelde in C11/3.4. Voor het aanbieden van leeftijdsonderzoek in de algemene asielprocedure gelden in beginsel dezelfde regels. De beoordeling of er een leeftijdsonderzoek aangeboden dient te worden, inclusief de beoordeling of er sprake is van een evident meerderjarige vreemdeling, wordt tijdens de algemene asielprocedure echter uitgevoerd door de IND. - -Voor de regels omtrent het innemen of aannemen van documenten, wordt verwezen naar het gestelde in C11/3.2. - -Wanneer de IND het noodzakelijk acht om de algemene asielprocedure te verlengen in verband met nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, wordt schriftelijk aan de vreemdeling meegedeeld hoeveel dagen het nader onderzoek zal duren en op welke dag de algemene asielprocedure weer zal worden voortgezet. Afhankelijk van het moment in de algemene asielprocedure dat het nader onderzoek wordt opgestart, start de algemene asielprocedure op de dag na afronding van het onderzoek weer met de volgende stap. Voor de overige stappen in de procedure dient ook in dit geval altijd één (kalender)dag beschikbaar te zijn en de beschikking moet uiterlijk op de veertiende dag worden uitgereikt. - -#### 4.4. Essentiële wijziging of aanvulling van eerder afgelegde verklaringen - -Op grond van artikel 3.115, eerste lid, en onder d, Vb, kan de algemene asielprocedure worden verlengd indien de vreemdeling zijn eerder tijdens de algemene asielprocedure afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult. - -Hiervan is sprake indien: - -• de vreemdeling zijn identiteit, nationaliteit of reisroute wijzigt, of zijn asielrelaas wijzigt of aanvult, als gevolg waarvan een geheel nieuwe toetsing dient plaats te vinden en de vreemdeling eventueel opnieuw (nader) gehoord dient te worden; en -• het niet mogelijk is om de aanvraag zonder verlenging van de algemene asielprocedure af te wijzen (mede) op grond van de omstandigheid dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig wordt geacht. - -Wanneer de IND het noodzakelijk acht om de algemene asielprocedure te verlengen omdat er sprake is van een essentiële wijziging of aanvulling van eerder door de vreemdeling afgelegde verklaringen, zoals hier bedoeld, wordt schriftelijk aan de vreemdeling meegedeeld welke stappen in de algemene asielprocedure opnieuw uitgevoerd zullen worden en op welke dag hiermee wordt aangevangen. Ook in dit geval geldt dat er altijd één (kalender)dag beschikbaar dient te zijn voor alle stappen die uitgevoerd dienen te worden en dat de beschikking uiterlijk op de veertiende dag aan de vreemdeling moet worden uitgereikt. - -### 5. Doorverwijzen van de vreemdeling naar de verlengde asielprocedure - -#### 5.1. Algemeen - -Behandeling van de asielaanvraag in de verlengde asielprocedure vindt in de regel slechts plaats, wanneer het niet mogelijk is om zonder tijdrovend nader onderzoek op de asielaanvraag te kunnen beslissen met als gevolg dat het niet mogelijk is om de beschikking uiterlijk op de achtste (of veertiende) dag aan de vreemdeling uit te reiken. Daarnaast is het evenmin mogelijk om binnen de algemene asielaanvraag op de asielaanvraag te beslissen als de vreemdeling behoort tot een categorie vreemdelingen ten aanzien van wie een besluitmoratorium geldt (zie C19). Ook deze categorie vreemdelingen wordt doorverwezen naar de verlengde asielprocedure. - -Verder vloeit uit de artikelen 3.110 tot en met 3.115 Vb voort, dat overschrijding van de verschillende tussenliggende termijnen in de algemene asielprocedure ook leidt tot behandeling van de asielaanvraag in de verlengde asielprocedure (zie C12/3). - -Uit artikel 3.113, eerste lid, juncto tweede lid, Vb, vloeit voort dat de beoordeling of de asielaanvraag kan worden ingewilligd of afgewezen in de algemene asielprocedure, in de regel pas plaatsvindt nadat er van de vreemdeling in de algemene asielprocedure een nader gehoor is afgenomen en hij de dag erna in de gelegenheid is gesteld om hierop een reactie (correcties en aanvullingen) in te dienen. - -Op deze regel zijn enkele uitzonderingen van toepassing (zie C12/5.2 en 5.3). - -Vreemdelingen van wie de asielaanvraag in de verlengde asielaanvraag wordt behandeld, komen op grond van artikel 3, tweede lid, en onder a, Rva, in aanmerking voor opvang. - -#### 5.2. Het nader gehoor vindt niet plaats in de algemene asielprocedure - -##### 5.2.1. De vreemdeling kan om medische redenen niet aan een gehoor worden onderworpen - -Op grond van artikel 3.113, vijfde lid, aanhef en onder a, Vb wordt de vreemdeling niet in de algemene asielprocedure aan een nader gehoor onderworpen als dit om medische redenen niet mogelijk is. - -De beoordeling of er sprake is van een situatie waarin een vreemdeling om medische redenen niet kan worden gehoord, wordt gemaakt door de IND op basis van het medisch advies dat in de rust- en voorbereidingstermijn is ingewonnen (zie C11/6). - -Uit het medisch advies kan naar voren komen dat er sprake is van medische problematiek die mogelijk interfereert met het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren en waarmee rekening gehouden dient te worden bij de interpretatie van de verklaringen van de vreemdeling, en/of medische problematiek waarmee praktisch gezien rekening dient te worden gehouden tijdens de gehoren. Indien dit het geval is, wordt door de IND bezien of het mogelijk is om het nader gehoor op zorgvuldige wijze in de algemene asielprocedure te laten plaatsvinden. Als deze zorgvuldigheid naar het oordeel van de IND kan worden gewaarborgd, bijvoorbeeld door tijdens het gehoor speciale voorzieningen te treffen en/of de start van de algemene asielprocedure met een of enkele weken uit te stellen, dan wordt het nader gehoor in de algemene asielprocedure afgenomen. Indien dit niet mogelijk is, wordt de asielaanvraag in de verlengde procedure behandeld en wordt er op een later tijdstip een nader gehoor afgenomen. Bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt rekening gehouden met het medisch advies (zie C14). - -##### 5.2.2. Amv’s jonger dan 12 jaar - -Op grond van artikel 3.113, vijfde lid, aanhef en onder b, Vb worden Amv’s beneden de leeftijd van 12 jaar niet tijdens de algemene asielprocedure aan een nader gehoor onderworpen. Na afronding van het eerste gehoor (zie C13/2.1) wordt de algemene asielprocedure beëindigd. De asielaanvraag wordt vervolgens in de verlengde asielprocedure behandeld. - -##### 5.2.3. AC Schiphol - -Op grond van artikel 3.113, vijfde lid, Vb juncto artikel 3.49, tweede lid, VV kan een nader gehoor in het AC Schiphol achterwege blijven als relevante individuele aspecten daartoe aanleiding geven. - -De beoordeling of er sprake is van relevante individuele aspecten wordt gemaakt door de IND. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat vreemdelingen die in AC Schiphol de asielaanvraag indienen geen recht hebben op een rust- en voorbereidingstermijn. Ook het medisch advies speelt hierbij een rol. Indien het door het ontbreken van deze rust- en voorbereidingstermijn niet mogelijk is om het nader gehoor op zorgvuldige wijze in de algemene asielprocedure te laten plaatsvinden, kan de algemene asielprocedure al na afronding van het eerste gehoor worden beëindigd. De algemene asielprocedure wordt eveneens na afronding van het eerste gehoor beëindigd, wanneer op dat moment al kan worden vastgesteld dat de vreemdeling behoort tot een categorie vreemdelingen ten aanzien van wie een besluitmoratorium geldt. - -Behoudens de mogelijkheden om de asielaanvraag in de gesloten verlengde asielprocedure te behandelen (zie C12/5.3), wordt de asielaanvraag in dat geval verder in de verlengde asielprocedure behandeld en wordt er op een later tijdstip een nader gehoor afgenomen. Wanneer de asielaanvraag van de vreemdeling in de verlengde asielprocedure wordt behandeld, wordt de aan de vreemdeling opgelegde maatregel ex artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw opgeheven en komt de vreemdeling in aanmerking voor opvang. - -#### 5.3. De gesloten verlengde asielprocedure - -Als het niet mogelijk is om de asielaanvraag zorgvuldig binnen de termijnen van de algemene asielprocedure te behandelen, wordt de asielaanvraag in beginsel in de verlengde asielprocedure behandeld en wordt de maatregel ex artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw opgeheven (zie C12/5.1 en 5.2.3). - -Op deze regel kan in de volgende gevallen een uitzondering worden gemaakt: - -a. er is nader onderzoek noodzakelijk ten aanzien van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, teneinde te bepalen of het asielverzoek dient te worden afgewezen; -b. er is sprake van misbruik van de asielprocedure of fraude; -c. de toegang is geweigerd op grond van artikel 13, juncto artikel 5, eerste lid, onder d of e, SGC; -d. ten aanzien van de asielzoeker zal bij een andere staat een verzoek tot overname worden ingediend op basis van de Verordening 343/2003, de Overnameovereenkomst Benelux-Zwitserland of een vergelijkbare overnameovereenkomst; -e. er is sprake van een geval waarin vermoedelijk artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen; -f. na afwijzing van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure, wordt de voorlopige voorziening door de rechter om procedurele redenen toegewezen of het beroep om procedurele redenen gegrond verklaard. - -Hier wordt gedoeld situaties waarin de vreemdeling zijn identiteit of nationaliteit niet aannemelijk heeft kunnen maken, verder onderzoek hiernaar noodzakelijk is en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond. Hiervan is sprake indien: - -• documenten van de vreemdeling verder onderzocht dienen te worden op echtheid of authenticiteit; -• taalanalyse of ander herkomst onderzoek nodig wordt geacht; -• onderzoek naar de gestelde leeftijd is geïndiceerd; - -Nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling kan op grond van artikel 3.115, eerste lid, aanhef en onder c, Vb, ook aanleiding vormen om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, beoordeelt de IND welke van de twee mogelijkheden zich het beste leent voor toepassing in het individuele geval. Daarbij wordt rekening gehouden met de verwachte duur van het nader onderzoek. - -Van misbruik van de asielprocedure of fraude is onder andere sprake indien: +Er is in ieder geval sprake van misbruik van de asielprocedure of fraude als: • de vreemdeling onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute; • de vreemdeling valse of vervalste identiteits- en/of reisdocumenten heeft overgelegd; -• de vreemdeling zich van zijn al dan niet vervalste reisdocument heeft ontdaan of zijn ticket heeft verscheurd +• de vreemdeling zich heeft ontdaan van zijn al dan niet vervalste identiteits- en/of reisdocumenten; • er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie. -Gedoeld wordt op asielaanvragen waarin tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag plaatsvindt op basis van verklaringen van de betrokken asielzoeker in combinatie met beleidsconclusies die zijn gebaseerd op algemene ambtsberichten over schenders van mensenrechten. Daarnaast is hiervan sprake wanneer een vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure in AC Schiphol mededelingen doet van door hem begane ernstige mensenrechtenschendingen waaruit blijkt dat er sprake is van het vermoeden dat aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen. +Er is sprake van een mogelijke afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag als: -Als regel geldt dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid Vw zal plaatsvinden, indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht ex artikel 5 Vw. Indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen, wordt de maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, en tweede lid, Vw in beginsel opgeheven. In uitzondering hierop wordt de maatregel voortgezet indien het verzoek om een voorlopige voorziening om procedurele redenen wordt toegewezen of het beroep om procedurele redenen gegrond wordt verklaard. +• de verklaringen van de vreemdeling wijzen op mogelijke schendingen van het gestelde in artikel 1F Vluchtelingenverdrag; +• de IND in het landgebonden beleid categorieën heeft benoemd, waarbij sprake is van het gestelde in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. -Wanneer één van de hierboven genoemde situaties zich voordoet, kan de IND besluiten om de asielaanvraag te behandelen in de gesloten verlengde asielprocedure. Dit betekent dat de maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw wordt voortgezet en de vreemdeling de verdere behandeling van zijn aanvraag in een grenslogies dient af te wachten. Deze beslissing kan, afgezien van in de onder f genoemde situatie, zowel na het eerste als na het nader gehoor worden genomen. +De IND behandelt in de gesloten verlengde asielprocedure geen aanvragen van gezinnen met minderjarige kinderen. -De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in dit geval een nieuwe plaatsingsbeschikking en wijst daarbij de grenslogies aan als plaats waar de maatregel ten uitvoer wordt gelegd, nadat hij van de Minister hiertoe een bijzondere aanwijzing heeft ontvangen. +De IND kan besluiten om de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van één van de ouders te behandelen in de gesloten verlengde asielprocedure, als het gestelde in de overige delen van deze paragraaf van toepassing is. Er moeten zwaarwegende argumenten aanwezig zijn om de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van één van de ouders gescheiden van de rest van het gezin, te behandelen in de gesloten verlengde asielprocedure. Deze argumenten kunnen in ieder geval gelegen zijn in misbruik van de asielprocedure, fraude of mogelijke schending van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de overige gezinsleden in de verlengde asielprocedure. -De verdere afhandeling van de aanvraag, inclusief eventueel nader onderzoek, dient voortvarend te gebeuren. +De IND moet de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de gesloten verlengde asielprocedure, inclusief eventueel nader onderzoek, voortvarend behandelen. -Indien het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond, zal steeds een belangenafweging gemaakt worden omtrent de voortzetting van de maatregel. De maatregel zal na ommekomst van zes weken in beginsel worden opgeheven, tenzij redenen, gelegen in de persoon van de vreemdeling of zijn gedragingen, anders indiceren. +De IND moet een belangenafweging maken over de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel van de vreemdeling, als de IND het onderzoek niet binnen zes weken na de start van de gesloten verlengde asielprocedure, heeft afgerond. De IND heft de maatregel, die op grond van artikel 6 Vw is opgelegd, op als de termijn van het onderzoek van zes weken is verstreken. Uitzondering hierop is de situatie dat de IND niet binnen de termijn van zes weken een beoordeling kan geven op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door toerekenbare gedragingen van de vreemdeling. -Met name moet daarbij worden gedacht aan de situatie dat de vreemdeling niet meewerkt aan de spoedige voortgang van het onderzoek. +De IND verstrekt na afloop van de algemene asielprocedure een W-document aan de vreemdeling, van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt behandeld in de verlengde asielprocedure. -Tegen (het voortzetten van) de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 Vw, kan de vreemdeling op grond van artikel 93 Vw en artikel 8:1 Awb beroep instellen bij de rechtbank (zie A6/6). Op grond van artikel 94, eerste lid, Vw, wordt de rechtbank door de Minister in kennis gesteld van het besluit tot het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, tenzij de vreemdeling zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep tegen de maatregel te hebben ingesteld. +De IND verstrekt een nieuw W-document, indien de IND aan de vreemdeling een nieuwe geboortedatum heeft toegekend. De vreemdeling moet het oude W-document bij de IND inleveren. -Asielaanvragen van gezinnen met minderjarige kinderen worden niet in de gesloten verlengde asielprocedure behandeld. Op deze regel kan een uitzondering gemaakt wanneer redenen, gelegen in de persoon van één van de ouders of zijn gedragingen, aanleiding geven om de asielaanvraag van de betreffende ouder binnen de gesloten verlengde asielprocedure te behandelen, terwijl de overige gezinsleden in de opvang verblijven en hun asielaanvragen in de verlengde asielprocedure worden behandeld. Daarbij moet met name worden gedacht aan situaties als genoemd onder b of e. +#### 2.5. Eerste- en Nader gehoor -#### 5.4. Verstrekking van het W-document +De IND beschouwt als talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan zoals bedoeld in artikel 38 Vw in ieder geval: -Aan vreemdelingen van wie de aanvraag in de verlengde asielprocedure wordt behandeld, wordt na afloop van de algemene asielprocedure door de IND een W-document verstrekt. +• de officiële taal of één van de officiële talen van het gestelde land van herkomst van de vreemdeling; +• één van de lokale voertalen waarin in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling onderwijs wordt gegeven; +• een taal die in de gestelde streek van herkomst van de vreemdeling feitelijk door een meerderheid van de bevolking wordt gesproken; en +• een voertaal of handelstaal die in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling op nationaal of regionaal niveau feitelijk tussen sprekers van verschillende talen wordt gebruikt. -Dit document heeft een tweeledig karakter: enerzijds is het een geldig identiteitsbewijs (artikel 4.21, eerste lid, onder c, Vb juncto artikel 3.3 VV), anderzijds dient het ter registratie van en controle op de meldplicht (zowel de meldplicht ingevolge artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb als de verplichtingen ingevolge de artikelen 55 en 57 Vw). +Als een vreemdeling stelt tot een minderheid in het land van herkomst te behoren, veronderstelt de IND dat hij naast ten minste één taal die valt onder de hierboven genoemde soorten talen, ook de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat. -Het (elektronisch) W-document is géén geldig grensoverschrijdingsdocument. +Een vreemdeling kan de IND verzoeken door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND en met behulp van een vrouwelijke of mannelijke tolk gehoord te worden. De IND heeft een inspanningsverplichting met betrekking tot een dergelijk verzoek. -De asielzoeker blijft gedurende de gehele asielprocedure in het bezit van een W-document. +De gemachtigde van de vreemdeling mag als waarnemer bij het eerste en nader gehoor aanwezig zijn. De gemachtigde mag de aanvang en het verloop van het gehoor niet ophouden. -Indien het (elektronisch) W-document wordt vermist, verloren is gegaan of ongeschikt voor identificatie is geworden, wordt een proces-verbaal opgemaakt. De Korpschef stelt, met het oog op de vervanging van het document, een onderzoek in naar de vermissing, het verloren gaan of het ondeugdelijk worden van het document. Een afschrift van het proces-verbaal en – voorzover het proces-verbaal daarover niets meldt – een rapport waarin de resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd, dient te worden gezonden aan de IND. De IND zal verder ervoor zorgdragen dat het betreffende documentnummer wordt opgenomen in het Verificatie- en informatiesysteem van de Dienst IPol. +De IND verstrekt een rapport van eerste – of nader gehoor niet aan de gemachtigde van de vreemdeling als de vreemdeling heeft aangegeven hier bezwaar tegen te hebben. -In het geval dat aan de vreemdeling een nieuwe geboortedatum is toegekend, hetzij op grond van de uitslag van het leeftijdsonderzoek (zie C14/6.1), hetzij om een andere reden, dan dient het W-document te worden aangepast. Op het nieuwe W-document dient de in het geautomatiseerde informatiesysteem van de IND gehanteerde 'toegekende geboortedatum' te worden ingevuld. De IND neemt het oude W-document in en reikt een nieuw W-document uit. +De vreemdeling mag schriftelijk op het rapport van eerste gehoor reageren. -## 13. Het eerste en het nader gehoor - -### 1. Algemeen - -De asielzoeker wordt op grond van artikel 38 Vw gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij deze verstaat. Dit geldt voor zowel het eerste als het nader gehoor. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: - -a. de officiële taal of één van de officiële talen van het aangegeven land van herkomst; of -b. één van de lokale voertalen waarin in het aangegeven land van herkomst onderwijs wordt gegeven; of -c. een taal die in de aangegeven streek van herkomst feitelijk door een meerderheid van de bevolking wordt gesproken; of -d. een voertaal of lingua franca (handelstaal), die in het aangegeven land van herkomst op nationaal of regionaal niveau feitelijk tussen sprekers van verschillende talen wordt gebruikt. - -Van een vreemdeling die stelt tot een minderheid uit het aangegeven land van herkomst te behoren wordt voorts verwacht dat hij naast één of meer van de bovenvermelde talen de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat. - -Vreemdelingen kunnen verzoeken om te worden gehoord door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND en met behulp van een vrouwelijke of mannelijke tolk. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, zal de IND – voor zover mogelijk – trachten om aan dit verzoek te voldoen. - -Bij het horen van de vreemdeling wordt, indien relevant, rekening gehouden met het medisch advies dat ten aanzien van de vreemdeling is gegeven (zie C11/6). - -#### 1.1. Het horen van Amv’s - -Amv’s dienen te worden gehoord door medewerkers die bekend zijn met de bijzondere behoeften van Amv’s. - -### 2. Het eerste gehoor - -#### 2.1. Algemeen - -Het eerste gehoor vindt plaats in het AC op de dag dat de vreemdeling zijn asielaanvraag indient en richt zich op vaststelling van de identiteit, nationaliteit en reisroute. De (rechts)bijstandverlener van de asielzoeker is bevoegd het gehoor als waarnemer bij te wonen, maar (de aanvang van) het gehoor mag daardoor niet worden opgehouden. Het eerste gehoor vindt plaats aan de hand van de vragenlijst zoals vastgesteld in artikel 3.44 VV. - -Op grond van artikel 3.112, tweede lid, Vb worden geen vragen gesteld omtrent de beweegredenen van de aanvraag. Als de vreemdeling al tijdens het eerste gehoor, zonder daarnaar gevraagd te zijn, zijn asielrelaas doet, wordt hij er door de IND op gewezen dat zijn asielmotieven eerst in het nader gehoor aan de orde komen. - -Op grond van artikel 3.112, derde lid, Vb, wordt van het eerste gehoor een verslag gemaakt dat op de dag dat het eerste gehoor heeft plaatsgevonden aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener ) ter kennis wordt gebracht. De vreemdeling kan, indien gewenst, schriftelijk op het rapport van eerste gehoor reageren. - -#### 2.2. Amv’s jonger dan twaalf jaar - -Het eerste gehoor van Amv’s jonger dan twaalf jaar beperkt zich tot het opnemen van de volgende gegevens: +De IND vraagt amv’s jonger dan twaalf jaar tijdens het eerste gehoor uitsluitend naar de volgende gegevens: • personalia (naam, voornamen, geboortedatum en -plaats); • nationaliteit; @@ -2893,4332 +329,4037 @@ Het eerste gehoor van Amv’s jonger dan twaalf jaar beperkt zich tot het opneme • laatste adres in het land van herkomst; • etnische afkomst; • godsdienst; -• gezinssamenstelling in het land van herkomst (het gaat hier om de namen van de vader, de moeder en eventuele (half-)broers en (half-)zussen, maar ook overige familieleden indien relevant); -• schoolopleiding / naam school. +• gezinssamenstelling in het land van herkomst (de namen van de vader, de moeder en eventuele (half-)broers en (half-)zussen, en, als het relevant is, ook van overige familieleden); en +• schoolopleiding en naam van de school. -#### 2.3. Vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag hebben ingediend +Tijdens het nader gehoor stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om de gronden van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te dragen. -In beginsel zullen vreemdelingen die een tweede of volgende aanvraag indienen, op grond van artikel 3.112, vierde lid, Vb, niet aan een eerste gehoor worden onderworpen. Eventuele vragen over de identiteit, nationaliteit en reisroute kunnen in dat geval, indien daartoe aanleiding bestaat, tijdens het nader gehoor worden gesteld. +De IND geeft de vreemdeling een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van nader gehoor te reageren, als het nader gehoor is afgenomen in de verlengde asielprocedure. -Indien de informatie die over de vreemdeling bekend is daartoe aanleiding geeft, kan echter ook van vreemdelingen die eerder een asielaanvraag hebben ingediend een eerste gehoor worden afgenomen. Hiervan kan sprake zijn wanneer uit deze informatie blijkt dat de vreemdeling na zijn vorige procedure(s) is teruggekeerd naar zijn land van herkomst. +C1/2.6 Vc is van toepassing op een verzoek van de vreemdeling aan de IND om uitstel voor het indienen van een reactie op het rapport van nader gehoor. -### 3. Het nader gehoor +In de volgende gevallen hanteert de IND een afwijkende werkwijze: -#### 3.1. Algemeen +a. de vreemdeling is jonger dan twaalf jaar; +b. de vreemdeling zit in vreemdelingenbewaring; +c. een ander land dan Nederland is mogelijk verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of +d. er is sprake van een terug- of overname-overeenkomst. -Tijdens het nader gehoor wordt de vreemdeling gevraagd de informatie te verstrekken die nodig is voor het beoordelen van de asielaanvraag. De ambtenaar van de IND geeft de vreemdeling, in eerste instantie, de gelegenheid om vrijuit over de asielmotieven te spreken. De vreemdeling wordt hierbij zo beperkt mogelijk onderbroken voor het stellen van vragen. Vervolgens onderzoekt de ambtenaar de verschillende aspecten van het asielrelaas. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt in het nader gehoor tevens ingegaan op de uitkomsten van het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de vreemdeling, alsmede de eventuele schriftelijke reactie daarop. +De IND hoort vreemdelingen jonger dan twaalf jaar in een speciale daarvoor ingerichte ruimte. Als uit een pedagogisch of psychologisch onderzoek blijkt dat een vreemdeling jonger dan twaalf jaar problemen heeft die een nader gehoor belemmeren, neemt de IND de vreemdeling geen nader gehoor af. Het protocol 'Horen alleenstaande minderjarige asielzoekers tot 12 jaar' is van toepassing. -Bij een nader gehoor kan tevens, wanneer hier op grond van het eerste gehoor aanleiding toe bestaat, een Dublinclausule worden opgenomen (zie C13/4). +Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit en de aanvraag niet in de algemene asielprocedure wordt behandeld, overhandigt de IND het rapport van nader gehoor tegelijkertijd met het voornemen aan de vreemdeling. De reactietermijn op het rapport van nader gehoor is dan gelijk aan de reactietermijn op het voornemen. C1/2.6 Vc is van toepassing. -De vreemdeling kan zich desgewenst tijdens het nader gehoor laten bijstaan door een (rechts)bijstandverlener, maar (de aanvang van) het gehoor mag daardoor niet worden opgehouden. +De IND neemt de vreemdeling in plaats van een nader gehoor een dublingehoor af als een ander land dan Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De IND wijst de vreemdeling er tijdens het dublingehoor op dat een ander land dan Nederland mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De vreemdeling krijgt de gelegenheid om redenen naar voren te brengen op grond waarvan Nederland de aanvraag in behandeling moet nemen. Als het dublingehoor plaatsvindt in de verlengde asielprocedure, maakt de IND het rapport van nader gehoor tegelijkertijd met het voornemen bekend aan de vreemdeling. De reactietermijn op het rapport van gehoor is dan gelijk aan de reactietermijn op het voornemen. -Het nader gehoor vindt in beginsel plaats op de derde dag van de algemene asielprocedure in het AC (zie C12/5.1). Op grond van artikel 3.113, derde lid, Vb, wordt van het nader gehoor een schriftelijk verslag gemaakt, dat op de dag dat het nader gehoor heeft plaatsgevonden, aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener) ter kennis wordt gebracht. +C1/2.6 Vc is van toepassing. -Op grond van artikel 3.113, vierde lid, Vb kan de vreemdeling uiterlijk op de vierde dag schriftelijk op het rapport van nader gehoor reageren. Deze reactietermijn wordt vermeld in het rapport van gehoor. +Als de vreemdeling niet verschijnt op de door de IND van te voren aangegeven plaats en tijd voor het nader gehoor, nodigt de IND hem een tweede keer uit voor een nader gehoor, tenzij bij de IND bekend is dat de vreemdeling ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken. -Genoemde termijnen kunnen anders zijn wanneer er aanleiding bestaat om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen (zie C12/4). +C1/3 Vc is van toepassing als de vreemdeling ook de tweede keer niet verschijnt op de door de IND van te voren aangegeven plaats en tijd voor het nader gehoor. -Wanneer het nader gehoor niet in de algemene asielprocedure plaatsvindt (zie C12/5.2), dient er in de verlengde procedure alsnog een nader gehoor plaats te vinden. De vreemdeling wordt daartoe zo snel mogelijk na afloop van de algemene asielprocedure door de IND uitgenodigd. Van het nader gehoor wordt ook in dit geval een schriftelijk verslag gemaakt. Dit wordt zo snel mogelijk na afronding ervan aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener) ter kennis gebracht. +#### 2.6. Voornemenprocedure -De vreemdeling krijgt een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van gehoor te reageren. Deze reactietermijn wordt vermeld in het rapport van gehoor. Het gestelde in C15/3 is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om uitstel ten aanzien van de reactietermijn. +De IND maakt in het voornemen kenbaar: -Indien de vreemdeling niet verschijnt op het tijdstip dat hij nader gehoord zou worden, wordt hij nogmaals voor een nader gehoor uitgenodigd, tenzij bekend is dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. In dat geval geldt het gestelde in C14/7. De werkwijze als beschreven in C14/7 wordt eveneens toegepast indien hij ook aan de tweede uitnodiging geen gehoor geeft. +• alle gronden van het voornemen tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• een eventueel voornemen tot een ambtshalve besluit om aan de vreemdeling al dan niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen; +• een eventueel voornemen tot een ambtshalve besluit om de uitzetting van de vreemdeling al dan niet achterwege te laten op grond van artikel 64 Vw. -#### 3.2. Asielzoekers jonger dan twaalf jaar +Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, stuurt de IND het voornemen aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. -Het horen van alleenstaande en begeleide minderjarige vreemdelingen jonger dan twaalf jaar dient te geschieden in een speciale, kindvriendelijke hoorruimtes en door speciaal daarvoor aangewezen en opgeleide ambtenaren van de IND. Wanneer op grond van een pedagogisch of psychologisch onderzoek is vastgesteld dat een kind problemen ondervindt die de afname van het nader gehoor zouden kunnen belemmeren, kan worden afgezien van een nader gehoor van een alleenstaande of begeleide minderjarige vreemdeling jonger dan twaalf jaar. +Als de IND het voornemen naar de vreemdeling stuurt, vermeldt de IND in het voornemen of op het aanbiedingsformulier in ieder geval: -Voor de te volgen werkwijze geldt het Protocol 'Horen alleenstaande minderjarige asielzoekers tot 12 jaar' (zie de website van de IND). +• de datum en wijze van verzenden van het voornemen; en +• informatie over de mogelijkheid die vreemdeling heeft om een zienswijze naar voren te brengen. -#### 3.3. Nader gehoor bij vrijheidsontneming +Als de IND er niet in slaagt het voornemen aan de vreemdeling bekend te maken, geeft de IND in een rapport van bevindingen aan welke handelingen zijn verricht om het voornemen aan de vreemdeling kenbaar te maken. -Als de asielaanvraag van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 6 of 59 Vw niet in de algemene asielprocedure wordt behandeld, wordt van de vreemdeling zo spoedig mogelijk een nader gehoor afgenomen. Van het nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Dit wordt zo spoedig mogelijk na afronding ervan aan de vreemdeling (waaronder ook zijn rechtsbijstandverlener wordt verstaan, tenzij de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen verstrekking van het rapport gehoor aan een rechtsbijstandverlener) ter kennis gebracht. +Voor het indienen van de zienswijze verleent de IND: -Afhankelijk van de uitkomst van het nader gehoor in verband met de asielaanvraag adviseert de IND of de vreemdelingenbewaring al dan niet moet worden opgeheven. Dit advies hangt samen met de inhoudelijke merites van de aanvraag. De opheffing van de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw wordt uitgewerkt in A6/5.3.3.5 en A6/5.3.5. Indien de vreemdeling niet langer in vreemdelingenbewaring wordt gehouden, kan hij worden opgevangen in een opvangvoorziening. +a. bij het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk uitstel tot vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is; +b. bij plotselinge ziekte van de gemachtigde van de vreemdeling uitstel tot vijf werkdagen vanaf datum ziekte voor zaken waarin de reactietermijn gedurende de eerstvolgende vijf werkdagen verloopt; +c. bij plotselinge ziekte van de vreemdeling uitstel tot vijf werkdagen na zijn herstel als de ziekte door het verstrekken van een medische verklaring is aangetoond; +d. bij overplaatsing van de vreemdeling uitstel tot vijf werkdagen na de overplaatsing als de vreemdeling schriftelijk heeft aangetoond dat de overplaatsing samenviel met de afspraak met de gemachtigde; of +e. bij vakantie van de gemachtigde van de vreemdeling uitstel van vijf werkdagen na de vakantie van de gemachtigde als de vakantie ten minste één maand tevoren en met betrekking tot elke betreffende zaak schriftelijk is gemeld aan de IND. -Wanneer de bewaringsmaatregel blijft voortduren omdat de asielaanvraag kan worden afgewezen, wordt het rapport van nader gehoor tegelijkertijd met het voornemen aan de vreemdeling ter kennis gebracht. De reactietermijn is in dit geval gelijk aan de reactietermijn op het voornemen (zie C15/4). +De indiener van het verzoek om uitstel moet schriftelijk aantonen dat binnen drie dagen na ontvangst van het voornemen een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. -#### 3.4. Nader gehoor als een ander land verantwoordelijk is +De vreemdeling moet een schriftelijke verklaring van het tolkencentrum overleggen waarin staat: -Als een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, dan wordt het nader gehoor afgenomen in de vorm van een zogeheten Dublingehoor. Dit gehoor heeft enkel betrekking op de vraag of de vreemdeling en de behandeling van het asielverzoek dienen te worden overgedragen. Er wordt niet gevraagd naar de asielmotieven van de vreemdeling. Daarnaast is het mogelijk om bij het afnemen van een (inhoudelijk) nader gehoor een Dublin-clausule, waarin is aangegeven dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, toe te voegen. +• op welke datum de vreemdeling een tolk heeft aangevraagd; en +• op welke eerstvolgende datum een tolk in de gewenste taal beschikbaar is. -Tijdens het Dublingehoor (en bij de Dublinclausule in het nader gehoor) wordt de vreemdeling erop gewezen dat mogelijk een ander land verantwoordelijk is voor behandeling van het asielverzoek. De asielzoeker wordt in de gelegenheid gesteld eventuele redenen naar voren te brengen op grond waarvan Nederland toch gehouden zou zijn de asielaanvraag zelf (verplicht of onverplicht) in behandeling te nemen. +De IND verleent geen uitstel als de besproken tolk een afspraak met de vreemdeling of zijn gemachtigde afzegt, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk. -Het Dublingehoor zal in beginsel plaatsvinden tijdens de algemene asielprocedure. Ten aanzien van dit gehoor gelden dezelfde regels als ten aanzien van andere nader gehoren die in de algemene asielprocedure plaatsvinden. Wanneer het Dublingehoor eerst plaatsvindt nadat de vreemdeling is doorverwezen naar de verlengde asielprocedure, wordt het rapport van gehoor tegelijkertijd met het voornemen aan de vreemdeling ter kennis gebracht. De reactietermijn is in dit geval gelijk aan de reactietermijn op het voornemen (zie C15/5). +Als het voornemen een afwijzing op grond van verordening 343/2003/EG betreft, verleent de IND uitstel tot drie werkdagen. -Het kan ook voorkomen dat de claimmogelijkheid pas wordt onderkend nadat reeds een (inhoudelijk) nader gehoor is afgenomen. Daarin is doorgaans reeds een Dublinclausule opgenomen. In dat geval wordt door de IND bezien of de gegevens die de betrokkene heeft verstrekt refererend aan de Dublinclausule in het nader gehoor, voldoende informatie geven voor het al dan niet leggen van een claim. Indien de IND dit nodig acht, kan een (aanvullend) Dublingehoor plaatsvinden. +Voor eenmanskantoren bepaalt de IND op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn. -#### 3.5. Nader gehoor bij een terug- of overnameovereenkomst +De IND verleent geen uitstel vanwege wijziging van gemachtigde door de vreemdeling. -In de gevallen waarin een terug- of overnameovereenkomst van toepassing is, kan het nader gehoor worden gericht op de vraag of de asielzoeker kan worden overgedragen aan een ander land. C13/3.4 is van overeenkomstige toepassing. +Het hierboven genoemde beleid voor het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze is van toepassing op verzoeken om uitstel voor het indienen van een reactie op onderzoeksresultaten. -## 14. De beoordeling van de asielaanvraag +Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw in de algemene asielprocedure wordt behandeld en een gemachtigde bekend is, stuurt de IND het voornemen naar de gemachtigde van de vreemdeling. -### 1. Volgorde van toetsing +Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, reikt de IND het voornemen aan de vreemdeling uit. -Bij de beoordeling van een asielaanvraag wordt allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Als dat niet het geval is, wordt eerst bezien of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3). Zo niet, dan wordt aan de hand van de inwilligingsgronden van artikel 29 Vw (zie C2), alsmede de afwijzingsgrond van artikel 31 Vw (zie C4) beoordeeld of de aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt. +De IND verleent aan de vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen geen uitstel voor het indienen van de zienswijze. -Bij de beoordeling of de asielaanvraag van de vreemdeling kan worden ingewilligd, worden eerst de geloofwaardigheid van de verklaringen (paragraaf 3) en vervolgens de zwaarwegendheid (paragraaf 4) onderzocht. +Feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 3.119 Vb zijn in ieder geval: -Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid wordt bekeken welke verklaringen als aannemelijk in aanmerking komen voor een verdere weging. +• nieuwe resultaten van onderzoek door of in opdracht van de IND; en +• feiten en omstandigheden die hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling. -Bij het beoordelen van de zwaarwegendheid wordt bezien of de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Als het eerder uitgebrachte voornemen op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3.119 Vb niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel bevat, brengt de IND een nieuw voornemen uit. -### 2. De geloofwaardigheid +#### 2.7. Het geven van de beschikking -#### 2.1. Uitgangspunten +De IND beschouwt als schriftelijke instemming zoals bedoeld in artikel 4:15 lid 2, aanhef en onder a, Awb: -De beoordeling van de geloofwaardigheid betreft een beoordeling van de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de door hem gestelde feiten en/of omstandigheden, met inbegrip van diens eventuele veronderstellingen. +• een schriftelijke bevestiging van gemaakte termijnafspraken die door of namens de vreemdeling aan de IND is verzonden; of +• een schriftelijke bevestiging van gemaakte termijnafspraken die door de IND aan de (gemachtigde van) de vreemdeling is verzonden, tenzij (de gemachtigde van) de vreemdeling binnen twee weken na ontvangst aangeeft niet in te stemmen met de inhoud ervan. -Met *documenten* worden alle gegevensdragers bedoeld die ter onderbouwing van de verklaringen in het kader van een asielaanvraag (kunnen) worden overgelegd. +Onder derden zoals bedoeld in artikel 42 lid 4 Vw worden in ieder geval verstaan: -*Verklaringen* betreffen alle feiten en omstandigheden, met inbegrip van eventuele veronderstellingen, die een vreemdeling in het kader van zijn asielaanvraag naar voren brengt en die relevant zijn voor de beoordeling van de inwilligbaarheid daarvan. - -*Feitelijke omstandigheden* zijn gegevens die zien op de persoon van de vreemdeling, waaronder, maar niet uitsluitend, moet worden verstaan de identiteit, nationaliteit, etniciteit, seksuele geaardheid en geloofsovertuiging. - -*Veronderstellingen* zijn aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden. - -Een *causaal verband* wordt verondersteld aanwezig te zijn indien de vreemdeling verklaringen in een zodanige samenhang met elkaar plaatst dat de één het gevolg van de andere is. - -#### 2.2. Stelplicht - -De stelplicht inzake het asielrelaas ligt in beginsel bij de asielzoeker. Dit is neergelegd in artikel 31, eerste lid, Vw. Ook in artikel 4, eerste lid, eerste zin van richtlijn 2004/83/EG en het Handboek van de UNHCR, paragrafen 195 tot en met 197 en 210, wordt van dit principe uitgegaan. - -De asielzoeker is daarbij gehouden de waarheid te vertellen en volledig mee te werken aan een zo volledig mogelijke vaststelling van het feitencomplex. Hij dient tevens zo spoedig mogelijk de IND op de hoogte te stellen van alle feitelijke gebeurtenissen en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag. - -Daarvoor moet de asielzoeker alle vragen die door de IND worden gesteld zo volledig mogelijk beantwoorden en zoveel mogelijk relevante documenten overleggen om zijn verklaringen aannemelijk te maken. Dit betreft met name documenten in de breedste zin van het woord (zowel officiële documenten als andere gegevensdragers (foto’s, electronische bestanden, enz.), tot en met indicatief bewijs zoals bijvoorbeeld reisbiljetten die de reisroute onderbouwen). - -Indien de asielzoeker aan het bovenstaande voldoet, dan mag ervan worden uitgegaan dat hij een oprechte inspanning levert. - -Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen op grond van artikel 3.35, derde lid, VV alsnog geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, indien aan een aantal in dat artikellid genoemde voorwaarden is voldaan (zie C14/2.3). - -De in deze bepaling opgenomen samenwerkingsplicht strekt ertoe de vreemdeling in de gelegenheid te stellen om elementen ter beoordeling van zijn asielverzoek in te dienen en dat door de Minister wordt bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen. Het resultaat van deze beoordeling wordt, voordat een beslissing wordt genomen, medegedeeld aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken gemotiveerd te herstellen (zie ook C13/2.1 over de mogelijkheid te reageren op het rapport van nader gehoor en C15 inzake de voornemenprocedure). - -#### 2.3. De beoordeling van de geloofwaardigheid - -Bij het beoordelen van de geloofwaardigheid spelen de volgende elementen een rol: - -• de beoordeling van alle documenten die de vreemdeling heeft overgelegd; -• de aanwezigheid van één van de omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet; -• de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen; -• vergelijking van de verklaringen met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie; -• de overige informatie over de relevante verklaringen. - -Bij deze beoordeling wordt bezien of de vreemdeling het voordeel van de twijfel kan worden gegeven. - -Het causale verband tussen de relevante delen van de verklaringen, waaronder de veronderstellingen, die ten grondslag kunnen liggen aan een inwilliging is van fundamenteel belang. Het is mogelijk dat de verklaringen van de vreemdeling uiteenvallen in verschillende op zichzelf staande delen die elk afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. In dat geval is het voorstelbaar dat een deel van de verklaringen geloofwaardig wordt bevonden, terwijl een ander deel niet geloofwaardig wordt bevonden. Het zal evenwel ook zo kunnen zijn dat de ongeloofwaardigheid van een deel van de verklaringen, ook de geloofwaardigheid van alle andere delen van de verklaringen aantast, doordat de geloofwaardigheid betrekking heeft op een essentieel onderdeel van het relaas. - -Indien de verklaringen van de vreemdeling niet geloofwaardig worden bevonden, kan hij op grond van die verklaringen geen aanspraken ontlenen aan de asielgronden zoals neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vreemdelingenwet. - -#### 2.4. Bewijslast voor de geloofwaardigheid - -Het is in beginsel voldoende dat de vreemdeling zijn verklaringen aannemelijk maakt. - -Daartoe wordt van de vreemdeling in de eerste plaats verwacht dat hij zijn aanvraag onderbouwt met documenten. - -Niettemin gaat het bij de beoordeling van de geloofwaardigheid meestal niet om de vraag, of en in hoeverre de verklaringen die de vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd bewezen kunnen worden. De vreemdeling heeft immers veelal aangetoond dat hij niet in staat is, en van hem ook redelijkerwijs niet kan worden gevergd, dat hij zijn relaas met overtuigend bewijsmateriaal bewijst. - -De verklaringen kunnen op grond van artikel 3.35, derde lid, VV toch geloofwaardig worden geacht en derhalve kan het voordeel van de twijfel worden gegeven, als is voldaan aan een aantal voorwaarden: - -• de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven; -• de vreemdeling heeft alle relevante documenten overgelegd, of hij heeft een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van relevante documenten; -• de verklaringen zijn samenhangend en aannemelijk en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor de aanvraag; -• de vreemdeling heeft de aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en -• er is vast komen te staan dat de verklaringen in grote lijnen als geloofwaardig kunnen worden beschouwd. - -Daarbij heeft de vreemdeling zijn verzoek gestaafd indien hij zijn verklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. - -Aan voormelde voorwaarden zal in de regel niet zonder meer worden voldaan, indien sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw. In dat geval zal van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, buiten beschouwing te laten, en de verklaringen alsnog als aannemelijk te beschouwen. - -Bij vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen, zullen veelal – indien beschikbaar – de ambtsberichten van de Minister van BuZa als belangrijke bron gelden. - -Deze ambtsberichten kunnen worden aangemerkt als een deskundigenadvies en verschaffen daartoe op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Daarnaast kan informatie uit andere objectieve bronnen als bron gelden. Ook is het mogelijk deskundig onderzoek door derden te laten verrichten. Informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden kan aangemerkt worden als deskundigenadvies indien op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. - -Van de juistheid van de informatie in de ambtsberichten van de Minister van BuZa en het overige deskundige onderzoek wordt uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten ontstaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid, dan wel de actualiteit ervan. - -In het geval concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van informatie uit het ambtsbericht of uit ander deskundig onderzoek (al dan niet als gevolg van een contra-expertise), zal deze informatie pas aan een besluit ten grondslag worden gelegd nadat nader onderzoek is ingesteld en de betreffende informatie is bevestigd. Dit nadere onderzoek kan er uit bestaan dat de Minister van BuZa wordt verzocht een nieuw ambtsbericht op te stellen waarbij de door de vreemdeling ingebrachte informatie wordt betrokken, of dat er een onderzoek naar de betreffende contra-expertise wordt uitgevoerd. - -Twijfel aan de juistheid van de informatie in ambtsberichten of uit ander deskundig onderzoek ontstaat niet op basis van een ongemotiveerde en niet nader toegelichte verklaring van de (gemachtigde van de) vreemdeling. - -Evenmin ontstaat zodanige twijfel vanwege de enkele omstandigheid dat een vreemdeling bronnen inroept waarnaar in het ambtsbericht of het deskundige onderzoek niet uitdrukkelijk wordt verwezen. Bepalend is of hetgeen aan een objectieve bron kan worden ontleend van zodanige strekking en gewicht is, dat dit twijfel doet rijzen aan de juistheid of volledigheid, waaronder begrepen de actualiteit van het ambtsbericht of het onderzoek, voor zover relevant voor de beoordeling van de aanvraag. - -Niet enkel door de vreemdeling ingeroepen objectieve bronnen kunnen aanleiding vormen voor twijfel. Ook ambtshalve onderkende objectieve bronnen kunnen aanknopingspunten voor twijfel vormen. - -In die gevallen dat er over de situatie in een land van herkomst geen ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, vindt de beoordeling plaats op grond van andere beschikbare informatie uit objectieve bronnen, waarbij met name moet worden gedacht aan ambtsberichten van andere landen en rapporten van internationale organisaties en NGO’s. Ook in de gevallen dat wel een ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, maar andere bronnen deze informatie aanvullen, kunnen deze andere bronnen worden betrokken bij de besluitvorming. Het gaat daarbij steeds enkel om de feitelijke informatie uit de betreffende documenten. - -In het voornemen dan wel de beschikking worden de gebruikte objectieve bronnen zo veel mogelijk genoemd. - -Indien de verklaringen van de vreemdeling na de beoordeling van de geloofwaardigheid niet aannemelijk worden bevonden, kan hij in beginsel geen aanspraken ontlenen aan de asielgronden zoals neergelegd in artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, Vw. - -### 3. De zwaarwegendheid - -#### 3.1. Uitgangspunten - -Als de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden, met inbegrip van diens eventuele veronderstellingen, geloofwaardig zijn, wordt beoordeeld of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -Beoordeeld wordt, anders gezegd, of de door de vreemdeling op de feiten en omstandigheden gebaseerde vrees voor vervolging of voor schending van artikel 3 EVRM gegrond is. - -Bij het beoordelen hiervan wordt eerst bezien of de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, aannemelijk zijn. - -Als deze vermoedens aannemelijk zijn, wordt beoordeeld of deze van een zodanige zwaarwegendheid zijn dat zij als een gegronde vrees op vervolging of een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing kunnen worden beschouwd. - -#### 3.2. Beoordelingsaspecten - -In artikel 3.35, eerste en tweede lid, VV is opgenomen met welke aspecten rekening dient te worden gehouden bij de inhoudelijke beoordeling van het asielraas. - -De situatie wordt beoordeeld naar de stand van zaken op het moment dat de beslissing wordt genomen (toetsing ex nunc). - -Andere aspecten die van belang zijn bij de beoordeling zijn: - -a. de omstandigheid dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of een dergelijke behandeling of bestraffing; -b. de verklaringen van de asielzoeker omtrent het tijdsverloop dat is gelegen tussen de gebeurtenissen die aanleiding vormden om het land van herkomst te verlaten en het moment van het daadwerkelijke vertrek; -c. of degenen van wie vervolging wordt gevreesd op de hoogte moeten zijn of kunnen geraken van de omstandigheden waarop de asielzoeker zich beroept; en -d. de vraag of de zwaarwegendheid van de gebeurtenissen van een zodanige aard is dat daardoor een gegronde vrees of een reëel risico ontstaat. - -Deze omstandigheid vormt een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het ondergaan van een dergelijke behandeling of bestraffing reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of een dergelijke behandeling of bestraffing zich niet opnieuw zal voordoen. - -#### 3.3. Genderinclusieve benadering - -Een asielaanvraag moet worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor 'gender' (het begrip gender staat voor de maatschappelijke betekenis van mannelijkheid en vrouwelijkheid). Een genderinclusieve benadering kan worden bevorderd door vast te stellen of de activiteiten waar een asielzoeker zich op beroept plaatsvonden in de private sfeer, of op publiek terrein. Het onderscheid tussen privé en publiek dient om de positie van mannen en vrouwen in het land van herkomst te verduidelijken. Per land van herkomst verschilt het bereik van de publieke sfeer, oftewel de invloed van de overheid op maatschappelijk terrein. - -Activiteiten die in sommige landen voornamelijk zijn toebedeeld aan vrouwen, kunnen in Nederland worden beschouwd als privé (bijvoorbeeld koken), terwijl ze mogelijk door de overheid in het land van herkomst als politiek (en dus publiek) worden gezien (koken voor verzetsstrijders). Anderzijds is seksueel geweld door overheidsfunctionarissen tijdens de uitoefening van hun functie en in verband met één van de vervolgingsgronden nooit aan te merken als een persoonlijke (privé-)daad van de betreffende overheidsfunctionaris. - -#### 3.4. Vervolging van mensenhandel - -Het rechtmatig verblijf van slachtoffers van mensenhandel die terzake aangifte doen of anderszins meewerken aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting van de verdachte, is geregeld in hoofdstuk B9. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden in dat hoofdstuk kan een verblijfsvergunning regulier onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend. - -Met enige regelmaat komt het voor dat een asielzoeker stelt (tevens) een slachtoffer van mensenhandel te zijn. De volgende situaties zijn denkbaar: - -a. de asielzoeker heeft terzake aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolginsonderzoek en is in het bezit gesteld van een B9-vergunning; -b. de asielzoeker heeft terzake aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, maar heeft aangegeven af te willen zien van een B9-vergunning in afwachting van de inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag. -c. de asielzoeker stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar heeft terzake (nog) geen aangifte gedaan noch op andere wijze medewerking verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek; - -De asielaanvraag wordt op grond van artikel 30, eerste lid onder b Vw afgewezen (zie C3/3) - -In het geval dat de asielaanvraag wordt afgewezen kan de B9-vergunning ambtshalve worden verleend (zie C14/5). - -De stelling dat de asielzoeker slachtoffer van mensenhandel is, vormt op zichzelf nog geen reden om de asielaanvraag in te willigen. Zowel in de situatie als beschreven onder b als onder c vindt statusdeterminatie op de gebruikelijke wijze plaats mede aan de hand van de inwilligingronden van artikel 29 Vw (zie C2) en de afwijzingsgronden van artikel 31 Vw (zie C4). Verder is van belang dat de stelplicht inzake het asielrelaas, ook als het mensenhandel betreft, in beginsel bij de asielzoeker ligt (zie C14/2.2). - -#### 3.5. Medische aspecten - -##### 3.5.1. Inleiding - -Het komt in asielzaken regelmatig voor dat een asielzoeker stelt medische klachten te ondervinden die zijn aanvraag om een verblijfsvergunning zouden ondersteunen of die (mede) tot een verblijfsvergunning zouden moeten leiden. Daarbij zijn ten minste drie categorieën van gevallen te onderscheiden: - -1. de asielzoeker stelt, als gevolg van gebeurtenissen die hem in het land van herkomst zouden zijn overkomen, medische klachten te ondervinden respectievelijk littekens te hebben; -2. de asielzoeker wenst mede verblijf in Nederland in verband met een medische behandeling die hij hier te lande wil ondergaan; -3. de asielzoeker stelt in verband met zijn gezondheidstoestand niet te kunnen worden uitgezet. - -Voor deze paragraaf is alleen de situatie bedoeld onder 1 van belang. De situatie als bedoeld onder 2 wordt behandeld in B8; de situatie onder 3 wordt behandeld in A4. - -##### 3.5.2. Beoordeling - -Bij de beoordeling van de inwilligbaarheid spelen medische aspecten in beginsel geen rol, aangezien er medisch gezien (meestal) geen zekere uitspraken zijn te doen over een oorzakelijk verband tussen medische klachten en/of littekens enerzijds en een gestelde behandeling of vrees anderzijds. - - - Statusdeterminatie vindt op de gebruikelijke wijze plaats, waarbij de behandelende ambtenaar van de IND ten aanzien van de gestelde medische aspecten uitsluitend beziet of deze in het asielrelaas passen. BMA geeft enkel adviezen aangaande medische feiten. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de artsen van BMA worden ingeschakeld om de beoordeling van de zwaarwegendheid te steunen of over te nemen. - - - Heeft de asielzoeker de gestelde medische aspecten gestaafd met een rapportage van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek, dan wordt de inhoud van deze rapportage meegenomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. - - - Als uit het medisch advies (zie C11/6) naar voren komt dat er sprake is van medische problematiek die mogelijk interfereert met het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren, en er wordt besloten de vreemdeling toch op dat moment aan een nader gehoor te onderwerpen, wordt hiermee rekening gehouden bij de beoordeling van de asielaanvraag. - -2012629630-03-201222-03-2012WBV2012/32012629630-03-201222-03-2012WBV2012/301-04-2012 - -#### 3.6. Landgebonden asielbeleid - -Voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van aannemelijk bevonden verklaringen van asielzoekers uit de belangrijkste landen van herkomst wordt verwezen naar C24, waarin het landgebonden asielbeleid wordt weergegeven. - -De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van de inwilligbaarheid van aannemelijk bevonden verklaringen. De hoofdstukken over het landgebonden asielbeleid vormen een uitwerking van het algemene asielbeleid en kunnen derhalve niet als een uitzondering op het algemeen beleid worden geïnterpreteerd, tenzij zulks expliciet is vermeld. - -Binnen het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als: - -a. Risicogroepen; -b. Kwetsbare minderheidsgroepen; -c. Specifieke groepen die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel; -d. Specifieke groepen die in aanmerking komen voor categoriale bescherming. - -Ook ten aanzien van personen die behoren tot één of meer van deze categorieën blijft de toetsingsvolgorde van C14/2 onverkort van toepassing. - -In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als risicogroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw zal bij personen behorende tot een risicogroep eerder worden geconcludeerd tot voldoende zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen. - -Dit houdt in dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen, gebaseerd op één van de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag, van de zijde van de autoriteiten of medeburgers en er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. - -In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt aan personen behorende tot een kwetsbare minderheidsgroep minder hoge eisen gesteld aan het aannemelijk maken van een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw (zie C2/3.1.3). - -Van leden van kwetsbare minderheden wordt niet verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. - -Zie C2/4.3 en C2/4.4. - -Hoewel categoriale bescherming veelal wordt ingesteld ten aanzien van een land als geheel of ten aanzien van een bepaald deel van een land, is het ook mogelijk dat bepaalde bevolkingsgroepen worden aangewezen ten aanzien van welke een beleid van categoriale bescherming geldt (zie C2/5). - -### 4. Beoordeling van tweede of volgende asielaanvragen - -#### 4.1. Herhaalde aanvraag - -Een herhaalde aanvraag betreft een volgens de formele vereisten van artikel 3.38 VV ingediende tweede of volgende asielaanvraag, die op grond van het bepaalde in artikel 4:6 Awb kan worden afgewezen. - -Op grond van artikel 4:6 Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. - -Er is enkel sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden indien die: - -a. op het moment waarop de eerdere aanvraag werd afgewezen niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en -b. indien niet op voorhand is uitgesloten dat die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden af kunnen doen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. - -Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw kan de rechtbank bij het beoordelen van het beroep rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. - -Wanneer de vreemdeling in de beroepsprocedure inzake de eerdere aanvraag, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft ingebracht en de rechter hiermee onder toepassing van artikel 83, eerste lid, Vw rekening heeft gehouden, worden deze feiten en omstandigheden, voor de toepassing van artikel 4:6 Awb, geacht te zijn betrokken bij de afwijzende beschikking. - -Bij de beoordeling van de herhaalde aanvraag kan echter niet aan de vreemdeling worden tegengeworpen dat feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn opgekomen, niet bij de rechtbank naar voren zijn gebracht met een beroep op artikel 83, eerste lid, Vw. - -Onder feiten en omstandigheden worden tevens bewijsstukken gerekend die eerder aangevoerde feiten en omstandigheden ondersteunen. - -Wanneer de ingebrachte feiten en omstandigheden dateren van na de eerdere afwijzende beschikking kan in elk geval worden geconcludeerd dat deze niet eerder bekend waren of konden zijn. - -Indien de ingebrachte feiten en omstandigheden dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking dient te worden bezien of deze eerder konden worden ingebracht. Zo is het denkbaar dat een vreemdeling pas na de eerdere afwijzende beschikking in het bezit heeft kunnen komen van documenten die de verklaringen onderbouwen. - -Uitgangspunt is dat de vreemdeling bij de eerste aanvraag alle hem bekende informatie en documenten overlegt. Ook in geval van mogelijk traumatiserende gebeurtenissen wordt in beginsel van de vreemdeling verwacht dat hij daar in de eerste procedure op enigerlei wijze – hoe summier ook – melding van maakt. - -Bijzondere door de vreemdeling zelf ingebrachte en aannemelijk gemaakte omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn om aan te nemen dat deze feiten redelijkerwijs niet eerder konden worden ingebracht. Met name bij de tweede of volgende asielaanvraag aannemelijk gemaakte traumatiserende gebeurtenissen, zoals opgesomd in CC2/4.2, is het onder omstandigheden denkbaar dat de vreemdeling ten tijde van de eerdere aanvraag terughoudend is geweest met het naar voren brengen van deze gebeurtenissen. Dit zal eerder het geval zijn wanneer de eerdere aanvraag in de algemene asielprocedure is afgewezen. - -Het kan voorkomen dat in de eerdere procedure een asielzoeker is vertegenwoordigd door zijn ouders (zonder zelf te zijn gehoord), en de tweede of volgende asielaanvraag door die asielzoeker in persoon wordt ingediend. Wanneer tijdens deze tweede of volgende aanvraag de asielzoeker voor het eerst feiten en omstandigheden naar voren brengt die specifiek zien op de eigen persoon en die niet reeds door de ouders naar voren zijn gebracht, wordt in geen geval aangenomen dat deze feiten en omstandigheden in redelijkheid eerder naar voren konden worden gebracht. - -Ook indien de ingebrachte feiten en omstandigheden op het moment van de eerdere aanvraag niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, kan toepassing van artikel 4:6 Awb aan de orde zijn. Indien op voorhand al duidelijk is dat de ingebrachte feiten en omstandigheden geen nieuw licht kunnen werpen op de beoordeling van de asielaanvraag, kan onder toepassing van artikel 4:6 Awb de aanvraag worden afgewezen. - -Wanneer dit niet op voorhand al duidelijk is, blijft toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege, hetgeen geenszins betekent dat de vreemdeling automatisch in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 Vw kan in dat geval nog immer aan de orde zijn. - -Indien de eerdere aanvraag is afgewezen op grond van artikel 30, en dan met name onder a of d, Vw, dan kunnen de nieuwe feiten en omstandigheden alleen betrekking hebben op de toepasselijke – imperatieve – afwijzingsgrond. Feiten of omstandigheden omtrent de verklaringen kunnen in dat geval niet leiden tot een ander oordeel. - -In het geval de eerdere aanvraag is afgewezen op grond van het feit dat de verklaringen van de vreemdeling als ongeloofwaardig zijn aangemerkt, dienen de nieuwe feiten en omstandigheden in elk geval deze ongeloofwaardigheid weg te nemen alvorens tot een beoordeling van de zwaarwegendheid van deze feiten en omstandigheden kan worden toegekomen. - -Indien de eerste asielaanvraag van een vreemdeling is afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, onder b Vw, wegens de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van B9 aan de vreemdeling, zal, indien betrokkene na het eindigen van deze verblijfsvergunning regulier een tweede asielaanvraag indient, de tweede asielaanvraag niet op artikel 4.6 Awb worden afgedaan maar inhoudelijk worden beoordeeld. - -Op grond van artikel 31a Vw wordt een asielaanvraag niet aangemerkt als herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb, indien een eerdere asielaanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 30, eerste lid, onder d, Vw of artikel 31, tweede lid, onder h, Vw en het betrokken derde land de vreemdeling niet heeft toegelaten tot zijn grondgebied. Dit wordt aangemerkt als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb. In dat geval wordt de asielaanvraag derhalve opnieuw beoordeeld aan de hand van de artikelen 29, 30 en 31 Vw. - -Het bepaalde in artikel 31a Vw wordt overeenkomstig toegepast indien de eerdere asielaanvraag van de vreemdeling is afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder i, Vw. - -Daarnaast kunnen bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden aanleiding zijn om toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege te laten. Deze bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden worden in elk geval aanwezig geacht wanneer de feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat de vreemdeling aangemerkt dient te worden als verdragsvluchteling, of wanneer schending van artikel 3 EVRM dreigt. - -In het geval er twijfel bestaat of toepassing van artikel 4:6 Awb in een individuele zaak redelijk te achten is, wordt de aanvraag – al dan niet binnen de algemene asielprocedure – inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de artikelen 29, 30 en 31 Vw. - -Indien de vreemdeling pas tijdens een tweede of opvolgende asielaanvraag aangeeft dat hij homoseksueel is, en deze informatie wordt geloofwaardig geacht, dan wordt de vreemdeling niet tegengeworpen dat hij niet tijdens een voorgaande procedure gewag heeft gemaakt van zijn homoseksuele geaardheid. - -Artikel 3.1, eerste lid, Vb bepaalt dat tijdens de behandeling van een aanvraag uitzetting niet achterwege blijft indien naar het voorlopig oordeel van de Minister sprake is van een herhaalde aanvraag. Wanneer dit gelet op bijvoorbeeld een geplande uitzetting van belang is, en de feiten of omstandigheden op het moment van de eerdere afwijzing reeds bekend waren, redelijkerwijs bekend konden zijn, dan wel niet op voorhand is uitgesloten dat die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden af kunnen doen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust, kan dit schriftelijk aan de vreemdeling kenbaar worden gemaakt. Dit kan onmiddellijk geschieden na het moment dat de vreemdeling aangeeft een tweede of volgende aanvraag te willen indienen. Hierbij wordt de vreemdeling tevens meegedeeld dat het voorlopig oordeel tot gevolg heeft dat de uitzetting niet achterwege blijft. Indien bij de aanvraag wel mogelijk relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangegeven, geldt de procedure die is beschreven onder C9/2.1.2. - -#### 4.2. Verzoek om heroverweging - -Verzoeken om heroverweging zullen doorgaans per brief worden gedaan. - -Een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking is geen volledige aanvraag als bedoeld in artikel 3.38 VV. De vreemdeling wordt dus eerst in de gelegenheid gesteld aan de formele vereisten te voldoen. Daartoe zal een termijn worden gesteld, waarbinnen de vreemdeling het verzuim kan herstellen. Doet de vreemdeling dit niet of niet binnen de gestelde termijn, dan kan op grond van artikel 4:5 Awb de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. - -Als de vreemdeling vervolgens alsnog een volgens de vereisten geldige aanvraag indient, dan is hetgeen onder het kopje 'herhaalde aanvraag' is opgenomen van toepassing. - -### 5. Ambtshalve toets - -Op grond van artikel 3.6 Vb heeft de Minister de bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De beperkingen waaronder ambtshalve een vergunning kan worden verleend zijn beschreven in dit artikel. Het beleid inzake de voorwaarden waaronder ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend is opgenomen in B14. - -De ambtshalve verlening vindt plaats in het kader van de asielprocedure. De ambtshalve toets vindt plaats indien: - -a. de vreemdeling verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat het beleid van één van de gronden van artikel 3.6 Vb op hem van toepassing is; -b. de Minister op grond van de casus oordeelt dat ambtshalve dient te worden getoetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen vergunning zoals bedoeld in artikel 3.6 Vb. - -Daarnaast is het mogelijk om tijdens de asielprocedure ambtshalve te toetsen of ten aanzien van de vreemdeling artikel 64 Vw kan worden toegepast. Het beleid inzake de voorwaarden waaronder artikel 64 Vw parallel aan de asielprocedure kan worden toegepast, is opgenomen in A4/7. - -Deze parallelle ambtshalve toets aan artikel 64 Vw vindt niet plaats indien de vreemdeling een tweede of volgende asielaanvraag heeft ingediend die binnen de algemene asielprocedure wordt afgewezen. De reden hiervoor is, dat de mogelijkheid om parallel aan de asielprocedure te toetsen of artikel 64 Vw van toepassing is er niet toe dient te leiden dat vreemdelingen zonder asielmotieven asielaanvragen indienen om voor toepassing van artikel 64 Vw in aanmerking te komen. - -De parallelle ambtshalve toets aan artikel 64 Vw vindt wel plaats indien de asielaanvraag van een vreemdeling die een tweede of volgende asielaanvraag heeft ingediend in de verlengde asielprocedure wordt behandeld. In die gevallen kan het nader onderzoek naar de toepassing van artikel 64 Vw parallel aan het onderzoek naar de asielaanvraag worden uitgevoerd. Zie ook A4/7.2.1.2. - -### 6. Nader onderzoek - -#### 6.1. Leeftijdsonderzoek - -##### 6.1.1. Algemeen - -Indien de vreemdeling stelt minderjarig te zijn, maar er niet in slaagt zijn leeftijd met documenten aan te tonen of anderszins aannemelijk te maken, dient te worden beoordeeld of er aan de vreemdeling een leeftijdsonderzoek aangeboden kan worden. Deze beoordeling vindt in eerste instantie plaats bij de aanmelding van de vreemdeling voorafgaand aan de rust- en voorbereidingstermijn, maar kan ook op een later moment in de asielprocedure plaatsvinden. De beoordeling wordt geïnitieerd door de vreemdelingenpolitie bij de aanmelding van de vreemdeling op de aanmeldlocatie. De IND is verantwoordelijk voor het starten van het leeftijdsonderzoek. Na indiening van de asielaanvraag is de IND voor deze beoordeling verantwoordelijk. - -In beginsel vindt de uitvoering van het leeftijdsonderzoek tijdens de rust- en voorbereidingstermijn plaats. Ook later in de procedure kan de noodzaak ontstaan tot het uitvoeren van een leeftijdsonderzoek. Voor het antwoord op de vraag of er tijdens de algemene asielprocedure een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling wordt aangeboden, wordt verwezen naar het gestelde in C11/3.4. Overigens ontslaat het al dan niet aanbieden en uitvoeren van een leeftijdsonderzoek de vreemdeling niet van de plicht om diens identiteit alsnog aan te tonen met documenten. - -Het leeftijdsonderzoek kan twee verschillende resultaten opleveren: - -a. De opgegeven minderjarige leeftijd is mogelijk juist. In ieder geval kan meerderjarigheid niet worden aangetoond. In deze gevallen is ofwel het spaakbeen niet uitgerijpt, dan wel is het spaakbeen uitgerijpt, maar is tenminste één van de sleutelbeenderen niet uitgerijpt of is dit niet voldoende aantoonbaar; -b. De vreemdeling is bewezen meerderjarig (als beide sleutelbeenderen zijn uitgerijpt). De vreemdeling heeft een kalenderleeftijd van tenminste 20 jaar. Een opgegeven leeftijd jonger dan 18 jaar is niet aannemelijk. - -Indien uit het onderzoeksresultaat blijkt dat de vreemdeling een andere leeftijd heeft dan hij oorspronkelijk heeft opgegeven, dient op basis van het onderzoeksresultaat een nieuwe geboortedatum te worden bepaald en toegekend in de vreemdelingenregistratie. Hiertoe wordt het geboortejaar gesteld op het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden minus de minimumleeftijd die de vreemdeling volgens het onderzoek moet hebben. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari tot en met 30 juni, wordt de geboortedatum gesteld op 1 januari van het gevonden geboortejaar. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 1 juli tot en met 31 december, wordt de geboortedatum gesteld op 1 juli van het betreffende jaar. De wijziging van de leeftijd van de vreemdeling in de vreemdelingenregistratie geschiedt conform het PIL (zie A1/6.2). - -In het geval de vreemdeling heeft aangegeven niet te weten hoe oud hij is, wordt op basis van het onderzoeksresultaat een geboortedatum bepaald zoals hierboven aangegeven. - -In het vervolg van de procedure wordt de door de vreemdeling opgegeven geboortedatum aangehouden. Echter, na een bepaalde periode van minimaal 12 maanden en maximaal 24 maanden kan een vervolgonderzoek worden verricht. Indien uit het vervolgonderzoek alsnog blijkt dat vreemdeling op basis van deze onderzoeksresultaten als meerderjarig wordt beschouwd, wordt hem alsnog een nieuwe geboortedatum toegekend op de wijze zoals hierboven beschreven. - -Nu aannemelijk is gemaakt dat de vreemdeling een andere leeftijd heeft dan oorspronkelijk opgegeven, wordt hem op basis van de onderzoeksresultaten een nieuwe geboortedatum toegekend op de wijze zoals hierboven beschreven. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de vreemdeling op het moment van het nemen van de röntgenfoto’s tenminste twintig jaar oud was. De aanvraag wordt verder conform het normale beleid voor volwassen asielzoekers afgehandeld. - -##### 6.1.2. Herhaald leeftijdsonderzoek - -Als meerderjarigheid niet met voldoende zekerheid kan worden aangetoond, maar ook niet kan worden uitgesloten, kan betrokkene na verloop van tijd opnieuw worden opgeroepen voor een leeftijdsonderzoek. Dit is mogelijk één of twee jaar na het eerste leeftijdsonderzoek. Er wordt bezien of de botontwikkeling inmiddels zodanig is, dat een voldoende zekere conclusie (met terugwerkende kracht) mogelijk is over de vraag of de vreemdeling meerder- of minderjarig was ten tijde van het indienen van de asielaanvraag. Voor een uiteenzetting van het herhaald leeftijdsonderzoek wordt verwezen naar B14/2.4.3.1. - -Het herhaald leeftijdsonderzoek kan de volgende resultaten opleveren: - -a. bij herhaald onderzoek wordt de conclusie getrokken dat op grond van de uitgerijpte sleutelbeenderen de minimumleeftijd van twintig jaar aan de vreemdeling dient te worden toegekend; -b. de resultaten uit het herhaald leeftijdsonderzoek zijn niet in tegenspraak met de verklaringen ten aanzien van de opgegeven leeftijd van de vreemdeling. - -#### 6.2. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden - -Indien de vreemdeling verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw (zie C2/6), kan er sprake zijn van twijfel aan de identiteit en de familierechtelijke relaties van de betrokkenen. Om de identiteit en de familierechtelijke relaties van betrokkenen te kunnen vaststellen, dienen in beginsel de volgende (originele) documenten te worden overgelegd: - -• een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit aantoont; -• officiële documenten die het bestaan van een geldig huwelijk aantonen; -• officiële documenten die het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen de minderjarige kinderen en de ouder(s) aantonen; -• documenten die gezamenlijk het partnerschap en het samenwonen in het land van herkomst aantonen. - -Indien de betrokken vreemdeling of het gezinslid de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, dient de vreemdeling of het gezinslid aannemelijk te maken dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat: - -• de verklaringen omtrent het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig zijn; en -• dat deze verklaringen overeenkomen met hetgeen overigens bekend is ten aanzien van de situatie in het land van herkomst met betrekking tot (het verkrijgen van) documenten. - -Indien de betrokken vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem niet is toe te rekenen dat de vereiste documenten niet zijn overgelegd in de zin van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw, kan de aanvraag worden afgewezen. - -Is het ontbreken van documenten niet toe te rekenen aan de betrokken vreemdeling(en), dan dienen de identiteit en de familierelatie op andere wijze aannemelijk te worden gemaakt. Het algemene uitgangspunt hierbij is dat de bewijslast primair bij de betrokken vreemdeling(en) ligt. Indien het ontbreken van documenten betrokkene(n) niet aan te rekenen is, wordt vastgesteld dat er sprake is van bewijsnood. In dat geval dient de werkwijze hieronder te worden gevolgd. - -Indien er sprake is van biologische kinderen van één of beide ouder(s) dan wordt/worden betrokkene(n) door de IND gewezen op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. Voor een beschrijving van het DNA-onderzoek wordt verwezen naar B2/8.6 Vc. Indien de vreemdeling verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f Vw, wordt in afwijking van deze paragraaf geen eigen bijdrage gevraagd voor het uitvoeren van een DNA-onderzoek. - -Als het DNA-onderzoek de biologische afstammingsrelatie bevestigt, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning dan wel de aanvraag om een mvv, ingewilligd indien aan de overige voorwaarden is voldaan, tenzij overige bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten. - -### 7. Vertrek van de vreemdeling voordat op de aanvraag is beslist - -Als de asielzoeker tijdens de asielprocedure met onbekende bestemming vertrekt, geeft hij daarmee te kennen geen belang meer te hebben bij een beslissing op zijn aanvraag. Indien in het dossier geen verklaring van de Korpschef omtrent het vertrek (zie model M100) aanwezig is, dient de ambtenaar van de IND deze alsnog aan te vragen. - -Als eerst na het uitbrengen van het voornemen blijkt dat de vreemdeling vertrokken is en de vreemdeling niet reageert op het voornemen, wordt conform het voornemen beslist. Hierbij kan tevens worden overwogen dat de betrokkene met zijn vertrek te kennen heeft gegeven geen belang meer te hebben bij verblijf in Nederland. - -Het vertrek met onbekende bestemming zal veelal een vertrek uit Nederland zijn, maar ook een vertrek uit de woonplaats zonder afmelding of achterlating van een adres waar de asielzoeker bereikbaar is, valt hieronder. - -Indien de asielzoeker Nederland heeft verlaten nadat hij een vervolgprocedure heeft ingesteld waarvan hij de uitkomst niet in Nederland mag afwachten, wordt de aanvraag niet buiten behandeling gesteld. De asielzoeker heeft immers gehoor gegeven aan de aanzegging het land te verlaten. In deze gevallen wordt inhoudelijk beslist. Als overweging ten overvloede wordt opgemerkt dat de asielzoeker inmiddels Nederland verlaten heeft. - -Mocht de asielzoeker de beslissing wel afwachten en is hij desondanks met onbekende bestemming vertrokken, dan geldt evenzeer dat de grondslag aan de aanvraag zal zijn ontvallen. - -## 15. Voornemenprocedure - -### 1. Algemeen - -In artikel 39 Vw is de zogeheten voornemenprocedure verankerd. Dit houdt in dat, alvorens een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, de vreemdeling onder opgave van redenen schriftelijk in kennis wordt gesteld van het voornemen de aanvraag af te wijzen. In het voornemen dient te worden ingegaan op alle relevante gronden waarop de voorgenomen afwijzing is gebaseerd, zodat de vreemdeling in staat is inhoudelijk te reageren op de voorgenomen afwijzing van zijn aanvraag. De vreemdeling wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken. - -Artikel 6:6 Awb is op de voornemenprocedure niet van toepassing. De asielzoeker behoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld het verzuim te herstellen indien wordt geconstateerd dat de zienswijze van de asielzoeker geen inhoudelijke zienswijze bevat, of indien na ommekomst van de reactietermijn wordt geconstateerd dat geen zienswijze is ingediend. - -Het voorgenomen ambtshalve besluit wordt in beginsel meegenomen in het voornemen waarin ook het voorgenomen besluit op de asielaanvraag is opgenomen. Tegen het ambtshalve genomen besluit staat het rechtsmiddel beroep open indien de vreemdeling in de voornemenprocedure in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven tegen het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Dit voornemen dient derhalve expliciet kenbaar te zijn gemaakt. - -### 2. Voornemen en zienswijze in de algemene asielprocedure - -Indien de Minister voornemens is om de asielaanvraag binnen de algemene asielprocedure af te wijzen, is artikel 3.114 Vb van toepassing. - -Het schriftelijk voornemen wordt uiterlijk op de vijfde dag van de algemene asielprocedure aan de vreemdeling (waaronder ook de rechtsbijstandverlener van de vreemdeling wordt verstaan) uitgereikt. Vervolgens brengt de vreemdeling uiterlijk op de zesde dag van de algemene asielprocedure schriftelijk zijn zienswijze naar voren. Wanneer de zienswijze pas na de zesde dag van de algemene asielprocedure wordt ingediend, maar nog voor het uitbrengen van de beschikking, wordt met de zienswijze rekening gehouden in de beschikking. - -Genoemde termijnen kunnen anders zijn wanneer er aanleiding bestaat om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen (zie C12/4). - -De voornemenprocedure is niet van toepassing op de oplegging dan wel de voortzetting van de maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6 Vw. - -Als na afronding van de voornemenprocedure in het AC alsnog blijkt dat de aanvraag zich niet leent voor afdoening binnen de algemene asielprocedure, wordt de aanvraag verder behandeld in de verlengde asielprocedure en wordt de asielzoeker doorverwezen naar een opvangvoorziening. - -### 3. Voornemen en zienswijze in de verlengde asielprocedure - -Wanneer het voornemen niet in de algemene asielprocedure wordt uitgebracht, is artikel 3.116 Vb van toepassing. - -De bekendmaking van het voornemen vindt in dat geval plaats door toezending van het voornemen aan de gemachtigde van de vreemdeling. Voorzover relevant, worden de op de aanvraag betrekking hebbende stukken bij het voornemen gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken. - -Indien er geen gemachtigde bekend is, wordt het voornemen aangetekend met ontvangstbevestiging aan het laatst bekende adres van de asielzoeker verzonden. - -Op het aan de vreemdeling te verzenden voornemen dan wel op een daarbij gevoegd formulier wordt in elk geval aangetekend: - -• de datum en wijze van verzenden van het voornemen; -• een mededeling omtrent de voor de vreemdeling openstaande mogelijkheid zijn zienswijze naar voren te brengen. - -Als het voornemen aan de IND wordt geretourneerd omdat het niet is opgehaald, controleert de IND of het naar het juiste adres is verzonden, en of de vreemdeling niet is verhuisd. Zonodig wordt het voornemen opnieuw verzonden. De IND kan de vreemdelingenpolitie verzoeken een adrescontrole te laten uitvoeren en een model M100 op te maken. In een rapport van bevindingen legt de IND vast welke pogingen zijn ondernomen om het voornemen aan de vreemdeling kenbaar te maken. - -Ingevolge artikel 3.1156, tweede lid, Vb heeft de vreemdeling in beginsel vier weken de tijd om zijn zienswijze omtrent de voorgenomen afwijzing naar voren te brengen. Op grond van artikel 3.116, derde lid, Vb vangt de termijn van vier weken aan op de dag na verzending van het voornemen aan de vreemdeling. In artikel 3.116, zesde lid, Vb is aangegeven wanneer nog rekening moet worden gehouden met een te laat ingediende zienswijze. - -De termijn van vier weken kan worden verlengd als een met redenen omkleed verzoek om verlenging wordt gehonoreerd. - -Uitgangspunt is dat geen uitstel voor het indienen van de zienswijze van de asielzoeker wordt verleend. Niettemin kan het voorkomen dat de betrokkene toch voor het verstrijken van de termijn om uitstel vraagt. Hieronder staat onder a tot en met e hoe met verzoeken om uitstel in verschillende fasen van de procedure moet worden omgegaan: - -Als uitgangspunt geldt dat uitstel kan worden verleend indien de indiener van het verzoek om uitstel schriftelijk kan aantonen dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. In een dergelijk geval kan, behoudens wanneer het een Dublinvoornemen betreft (zie C15/5), uitstel worden verleend voor maximaal vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal wel beschikbaar is. In Dublinzaken geldt dat in die gevallen maximaal drie werkdagen uitstel worden verleend. - -De eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is, dient te blijken uit een te overleggen schriftelijke verklaring van het tolkencentrum. Indien een reeds gemaakte afspraak door de besproken tolk wordt afgezegd, komt dit in beginsel voor rekening van de asielzoeker, tenzij er sprake is van overmacht van de zijde van de tolk. Dit vanuit de gedachte dat het op een juiste wijze verdelen van de beschikbare tolken een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van rechtshulp en de tolkencentra. - -Een tolk wordt geacht tijdig te zijn aangevraagd indien een schriftelijke verklaring van het tolkencentrum wordt overgelegd, waaruit blijkt dat binnen drie werkdagen na ontvangst van het voornemen een tolk is aangevraagd. - -In overige gevallen, waarbij gedacht kan worden aan verzoeken om uitstel die zien op het geven van een reactie op onderzoeksresultaten, dient tenminste voor het verstrijken van de gestelde termijn een schriftelijke verklaring van het tolkencentrum te worden overgelegd dat binnen drie werkdagen na ontvangst van de onderzoeksresultaat een tolk is aangevraagd. - -Bij plotselinge ziekte van een rechtshulpverlener geldt als uitgangspunt dat voor zaken waarin de termijn gedurende de eerstvolgende vijf werkdagen verloopt, voor maximaal vijf werkdagen vanaf datum ziekte uitstel kan worden verleend. Indien door het uitstel de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is, geldt het gestelde onder a. - -Redengevend hiervoor is dat in een dergelijke situatie de zaken van de betreffende rechtshulpverlener doorgaans niet op stel en sprong door een collega kunnen worden overgenomen, gelet op hun eigen agenda. Na ommekomst van de uitsteltermijn van vijf werkdagen wordt ervan uitgegaan dat de zaken van de betreffende rechtshulpverlener door kantoorgenoten of collega's kunnen zijn opgevangen. - -Bij plotselinge ziekte van de asielzoeker zelf, waardoor hij niet in staat is op het voornemen te reageren, geldt als uitgangspunt dat uitstel kan worden verleend voor maximaal vijf werkdagen na het herstel van de asielzoeker, indien de ziekte door het overleggen van een in Nederland afgegeven medische verklaring wordt aangetoond. - -Overplaatsing van de betrokken asielzoeker behoeft in principe geen belemmering te vormen voor het indienen van een zienswijze. De betrokken asielzoeker kan immers ook na overplaatsing naar zijn rechtshulpverlener reizen om de kennisgeving te bespreken. - -Voorzover hieromtrent geen afspraken met de rechtshulpverleners bestaan, geldt het navolgende. Slechts indien de dag van overplaatsing samenvalt met de gemaakte afspraak met de rechtshulpverlener (hetgeen schriftelijk dient te worden aangetoond) kan tot verlening van uitstel worden overgegaan. Dit uitstel bedraagt dan ten hoogste vijf werkdagen, tenzij de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is. Voor dat geval wordt verwezen naar punt a. - -Met vakantie van rechtshulpverleners wordt in de hieronder genoemde gevallen rekening gehouden indien deze ten minste één maand tevoren schriftelijk is gemeld bij de IND. Een en ander moet door de rechtshulpverlener ook in elke betreffende zaak worden bevestigd. De termijn wordt op vijf werkdagen na de vakantie van de rechtshulpverlener bepaald. Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald. - -In dit geval bestaat geen aanleiding om uitstel te verlenen. Wijziging van gemachtigde is een verantwoordelijkheid van de betrokken asielzoeker en de betreffende rechtshulpverleners tezamen. Zij dienen er in onderling overleg op toe te zien dat bij de wijziging een goede overdracht plaatsvindt en er geen termijnen worden geschonden. - -### 4. Voornemen en zienswijze bij vrijheidsontneming - -Wanneer de asielaanvraag van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw niet in de algemene asielprocedure wordt behandeld, is artikel 3.117 Vb van toepassing. - -Als er in een dergelijk geval een gemachtigde bekend is, wordt het voornemen naar de gemachtigde van de vreemdeling verzonden. Als er geen gemachtigde bekend is wordt het voornemen aan de vreemdeling uitgereikt. In beide gevallen bedraagt de termijn voor het indienen van een zienswijze, die start met ingang van de dag na bekendmaking van het voornemen, twee weken. - -Wanneer de asielaanvraag van een vreemdeling aan wie op grond van artikel 6 Vw de vrijheid is ontnomen in de gesloten verlengde asielprocedure wordt behandeld, of wanneer de IND besluit de asielaanvraag van een vreemdeling aan wie op grond van artikel 59 Vw de vrijheid is ontnomen niet langer in de algemene asielprocedure te behandelen (zie C9/2.1.3), is artikel 3.118 Vb van toepassing. Ten aanzien van het bekendmaken van het voornemen en het indienen van een zienswijze, is hetgeen hiervoor genoemd is van overeenkomstige toepassing. - -De vreemdeling krijgt voor het indienen van een zienswijze geen uitstel. - -### 5. Voornemenprocedure als een ander land verantwoordelijk is - -Artikel 3.118a Vb is van toepassing in alle gevallen waarin Verordening 343/2003 wordt toegepast. In deze bepaling wordt onderscheid gemaakt tussen de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt in de algemene asielprocedure en de gevallen waarin het voornemen wordt uitgereikt na afloop van de AC-algemene asielprocedure. - -Artikel 3.118a, vierde lid, Vb geeft in het algemeen aan wanneer een zienswijze tijdig is ingediend. Het zesde lid geeft aan wanneer nog rekening wordt gehouden met een na afloop van de termijn ingediende zienswijze. - -Het voornemen wordt op grond van artikel 3.118a, eerste lid, Vb uitgereikt vooruitlopend op de aanvaarding van de claim. Als het voornemen wordt uitgebracht op de vijfde dag van algemene asielprocedure, dan moet de zienswijze uiterlijk op de zesde dag worden ingediend. - -Genoemde termijnen kunnen anders zijn wanneer er aanleiding bestaat om de termijnen in de algemene asielprocedure te verlengen (zie C12/4). - -Als het voornemen na afloop van de algemene asielprocedure wordt uitgebracht, dan geldt op grond van artikel 3.118a, derde lid, Vb, een termijn van een week voor het indienen van de zienswijze welke aanvangt op de dag na uitreiking van het voornemen.Tegelijkertijd met het voornemen wordt (een kopie van) het rapport van gehoor uitgereikt (zie C13/53.4). - -Na ontvangst van de zienswijze op het uitgebrachte voornemen en de eventuele aanvullingen en correcties op het Dublingehoor, wordt beslist of een claim wordt gelegd, dan wel of een reeds gelegde claim wordt gehandhaafd. - -Als er sprake is van een vreemdeling aan wie een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw, kan in een dergelijk geval de gesloten verlengde procedure worden toegepast (zie C12/5.3). - -### 6. Nieuwe feiten of omstandigheden - -#### 6.1. Algemeen - -Op grond van artikel 3.119 Vb moet de asielzoeker in een aantal gevallen opnieuw in staat moet worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen als er na het bekendmaken van het voornemen nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, of wanneer reeds bekende feiten of omstandigheden anders gewogen of beoordeeld moeten worden naar aanleiding van de eerdere zienswijze van de asielzoeker. - -Het moet gaan om feiten en omstandigheden die van aanmerkelijk belang kunnen zijn voor de te nemen beslissing. Het betreft hier in ieder geval resultaten van onderzoek (zoals door de Minister van BuZa) en feiten en omstandigheden die, hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling of weging, een nieuw licht werpen op de geloofwaardigheid van het relaas van de asielzoeker. - -Wanneer er sprake is van feiten en omstandigheden die al eerder bij de vreemdeling bekend waren, zal het in een laat stadium aanvoeren van deze feiten en omstandigheden door de vreemdeling meewegen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de aangevoerde feiten en omstandigheden. - -Indien aan deze voorwaarde is voldaan, behoeft dit niet in alle gevallen te leiden tot een nieuw voornemen. De vreemdeling wordt van de feiten of omstandigheden in kennis gesteld en hij wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. - -#### 6.2. Het opnieuw uitbrengen van een voornemen - -Wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden, of indien reeds bekende feiten en omstandigheden anders worden beoordeeld of gewogen, kan het voorkomen dat het voornemen tot afwijzen blijft bestaan, maar dat, gemeten naar de nieuwe stand van zaken, niet alle dragende overwegingen in het voornemen zijn opgenomen. In dat geval wordt een nieuwe voornemenprocedure gestart. - -Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien het voornemen blijft bestaan om de aanvraag af te wijzen, maar daarbij een omstandigheid in de zin van artikel 31, tweede lid, Vw wordt meegewogen die nog niet werd meegewogen in het reeds uitgebrachte voornemen. - -## 16. Het geven van de beschikking - -### 1. Beslistermijn - -In artikel 42, eerste lid, Vw is bepaald dat binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking wordt gegeven. - -De Vw en de Awb voorzien in verruiming van de termijn in bepaalde gevallen. Deze gevallen zijn specifiek en als volgt omschreven. - -1. Ingevolge artikel 4:15 Awb kan de beslistermijn in een individueel geval worden *opgeschort* met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan: - -a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of -b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is. -2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort: - -a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd, -b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of -c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven. -3. In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. -4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven. - -Deze opschortingsgrond is toepasselijk in het geval de vreemdeling een aanvraag heeft aangeboden die de IND niet in ontvangst kan nemen omdat deze niet voldoet aan alle vereisten, bijvoorbeeld een asielaanvraag die per fax wordt aangeboden in plaats van in persoon. In dit geval start de beslistermijn op het moment dat sprake is van een aanvraag die door de IND in ontvangst kan worden genomen. - -Voorbeelden van een buitenlandse instantie zijn: - -• een Dublinkantoor in het buitenland; -• een kantoor van UNHCR in het buitenland; -• een ministerie in het buitenland. - -Schriftelijke instemming kan blijken uit een brief die door of namens de vreemdeling is ingezonden, maar ook uit een door of namens de vreemdeling geparafeerde telefoonnotitie die na een informeel contact door de IND is opgesteld. - -Ad 3. en 4. geven geen aanleiding tot een nadere toelichting. - -De beslistermijn kan op grond van artikel 42, vierde lid, Vw met ten hoogste zes maanden worden verlengd, indien voor de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of het OM nodig is. Het moet dan gaan om onderzoek dat in de individuele zaak wordt verricht. - -Onder derden worden onder meer verstaan: - -• het Ministerie van BuZa (bijvoorbeeld als onderzoek in het land van herkomst wordt verricht ten behoeve van een individueel ambtsbericht); -• andere departementen; -• de autoriteiten van derde landen (bijvoorbeeld landen waar de betrokkene eerder heeft verbleven); +• een Nederlands ministerie; +• de autoriteiten van derde landen; • de UNHCR; -• BMA van de IND, dat immers bij derden onderzoek doet naar de gezondheidstoestand van de betrokkene; -• Bureau Land en Taal van de IND, dat immers gebruik maakt van externe deskundigen; -• het Nederlands Forensisch Instituut, dat voor het leeftijdsonderzoek bij amv’s immers gebruik maakt van externe deskundigen. +• het BMA, voor zover zij voor het onderzoek gebruik maakt van externe deskundigen; +• het BLT, voor zover zij voor het onderzoek gebruik maakt van externe deskundigen; en +• het NFI. -In deze gevallen is de beslistermijn dus gesteld op in totaal ten hoogste twaalf maanden. In ieder individueel geval wordt bezien met welke periode de beslistermijn wordt verlengd. Het is mogelijk de termijn meerdere malen te verlengen, zolang de maximale beslistermijn niet wordt overschreden. +In de beschikking of op het daarbij gevoegde aanbiedingsformulier vermeldt de IND naast de wettelijk vereiste gegevens, de termijn waarin de vreemdeling Nederland moet verlaten (indien van toepassing). -Indien de beslistermijn in het geval van een rechtsgeldige aanvraag op één van de bovengenoemde wettelijk voorziene gronden wordt verruimd, heeft dit geen gevolgen voor de ingangsdatum van de verblijfsvergunning (zie C21/1). +Als de IND de beschikking aan de vreemdeling bekend maakt vermeldt de IND op het bij de beschikking gevoegde aanbiedingsformulier: -Zie C19 voor de verlenging van de beslistermijn op grond van een besluitmoratorium. +• de datum en het tijdstip van bekend maken; en +• de naam van de ambtenaar die de beschikking uitreikt. -Zie C20 voor de verlenging van de beslistermijn op grond van Richtlijn 2001/55. +Als de beschikking een afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd betreft omdat een ander land verantwoordelijk is voor de aanvraag, deelt de IND daarnaast aan de vreemdeling mee: -In het geval de IND geen gebruik maakt van de wettelijke verruimingsmogelijkheden en de IND niet tijdig beslist op de aanvraag, ook niet binnen twee weken na ontvangst van een geldige ingebrekestelling, kan een beroep niet tijdig beslissen worden ingesteld door of namens de vreemdeling. Indien op het moment dat het beroep behandeld wordt de IND nog steeds niet beslist heeft, moet de rechter een dwangsom opleggen. De automatische dwangsom van artikel 4:17 Awb is voor de Vreemdelingenwet en het Soeverein Besluit tot 1 oktober 2012 niet van toepassing. +• welk land de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal behandelen; en +• dat de vreemdeling op grond van verordening 343/2003/EG en met inachtneming van de nationale regelgeving wordt overgedragen aan het land dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal behandelen. -### 2. Inhoud van de beschikking +De IND zendt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. -Op grond van artikel 3:47 Awb dient de beschikking gemotiveerd te zijn. Dit betekent dat in de inwilligende beschikking wordt aangegeven op welke grond de verblijfsvergunning zal worden verleend. - -Op grond van artikel 42 Vw dient de afwijzende beschikking inhoudelijk gemotiveerd te zijn en in te gaan op de zienswijze van de asielzoeker op het uitgebrachte voornemen. - -### 3. Wijze van bekendmaken - -#### 3.1. De beschikking in de algemene asielprocedure - -Wanneer de asielaanvraag wordt behandeld in de algemene asielprocedure, wordt de beschikking op grond van artikel 3.114, zesde lid, Vb uiterlijk op de achtste (of veertiende) dag toegezonden aan de gemachtigde van de vreemdeling. - -In de volgende situaties reikt de IND de beschikking zo mogelijk en in afwijking van het vorenstaande, uit aan de vreemdeling: +In de volgende situaties reikt de IND de beschikking zo mogelijk uit aan de vreemdeling: • Van de vreemdeling is geen gemachtigde bekend; • Het betreft een afwijzing van een tweede of opvolgende asielaanvraag; • In de afwijzende beschikking wordt tevens een inreisverbod uitgevaardigd met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw (zie ook B1/9.7.7.1); • De DT&V, COA, Vreemdelingenpolitie, Koninklijke Marechaussee en/of IND hebben in onderlinge samenspraak vastgesteld dat uitreiking in persoon aangewezen is, bijvoorbeeld omdat onmiddellijk vertrek uit Nederland wordt aangezegd. -In een aan de vreemdeling uitgereikte of verzonden beschikking, dan wel op een daarbij gevoegd formulier staat in elk geval vermeld: +Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, en het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken, wordt op de daarvoor bestemde plek in het aanmeldcentrum een melding van terinzagelegging opgehangen. De IND stelt een rapport van bevindingen op waarin wordt vastgelegd welke handelingen zijn verricht om de beschikking bekend te maken. -• de datum, tijdstip en wijze van kenbaar maken van de beschikking; -• de naam van de uitreikende ambtenaar; -• een mededeling omtrent de voor de asielzoeker eventueel aan te wenden rechtsmiddelen; -• de termijn waarbinnen de asielzoeker Nederland dient te verlaten (zie C22/2). +De IND stuurt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. Als er bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, stuurt de IND de beschikking aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling. -Indien het in bovengenoemde situaties niet mogelijk is de beschikking aan de vreemdeling uit te reiken omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken, dan wel zich niet heeft gehouden aan een aanwijzing gebaseerd op artikel 55, eerste lid, Vw, dan wordt de beschikking verzonden aan de gemachtigde. Is er geen gemachtigde bekend, dan legt de IND in een rapport van bevindingen vast dat het niet mogelijk is de beschikking uit te reiken, terwijl vaststaat dat de asielzoeker het AC met onbekende bestemming heeft verlaten, dan wel zich niet heeft gehouden aan een aanwijzing gebaseerd op artikel 55, eerste lid, Vw. Tevens wordt in het rapport van bevindingen medegedeeld dat er geen gemachtigde bekend is, dat de beschikking ter inzage ligt en dat de melding van terinzagelegging van de beschikking zal worden aangeplakt op een centrale plek in het AC. De melding van terinzagelegging wordt op de daarvoor bestemde plek in het AC opgehangen. De beschikking is hiermee bekendgemaakt. +Als de IND er niet in slaagt de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken, geeft de IND in een rapport van bevindingen aan welke handelingen zijn verricht om de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken. -Deze werkwijze geldt voor zowel afwijzende als inwilligende beschikkingen. +Als de vreemdeling uitsluitend een adres in het buitenland heeft, stuurt de IND de beschikking door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in dat land naar het buitenlandse adres van de vreemdeling. -#### 3.2. De beschikking in de verlengde asielprocedure +Als bij de IND een gemachtigde van de vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw bekend is, stuurt de IND de beschikking naar de gemachtigde. -##### 3.2.1. De inwilliging +Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, reikt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de beschikking aan de vreemdeling uit. -De inwilligende beschikking wordt, in overeenstemming met het gestelde in artikel 3:41 Awb, gezonden aan de gemachtigde van de vreemdeling. +### 3. Beoordelen van de asielaanvraag -Indien geen raadsman bekend is, wordt de beschikking aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling verzonden. +De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de volgende toetsingsvolgorde: -Als de beschikking aan de IND wordt geretourneerd omdat het poststuk niet is opgehaald, controleert de IND of het naar het juiste adres is verzonden, en of de vreemdeling niet is verhuisd. Zonodig wordt de beschikking opnieuw verzonden. De IND kan de vreemdelingenpolitie verzoeken een adrescontrole te laten uitvoeren en een model M100 op te maken. In een rapport van bevindingen legt de IND vast welke pogingen zijn ondernomen om de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken. +1. De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan artikel 30 Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30 Vw afwijst, toetst de IND de aanvraag niet verder; +2. Als de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet afwijst op grond van artikel 30 Vw, onderzoekt de IND of de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag; +3. Als de IND concludeert dat de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, toetst de IND de aanvraag aan artikel 29 Vw; +4. In het kader van de toets aan artikel 29 Vw beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling; +5. In het kader van de toets aan artikel 29 Vw beoordeelt de IND de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling. -Indien de asielzoeker een adres in het buitenland heeft, wordt de beschikking door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aldaar toegezonden. +Deze toetsingsvolgorde is ook van toepassing op vreemdelingen die behoren tot een door de IND in het landgebonden asielbeleid aangewezen risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. -Op grond van artikel 3.122 Vb wordt de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de rechten en plichten die zijn verbonden aan de vergunning. Deze informatie wordt, op grond van artikel 3.46 VV, verschaft door middel van het uitreiken of verzenden van een brochure waarin de vereiste informatie staat. Deze brochure wordt in beginsel tegelijk met de beschikking verzonden. Indien dat niet mogelijk is gebleken, dan wordt de brochure zo spoedig mogelijk nagezonden. +De IND beoordeelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over: -##### 3.2.2. De afwijzing +a. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde feiten en omstandigheden; +b. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde gebeurtenissen; en +c. zijn voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante veronderstellingen. -Aan de gemachtigde van de asielzoeker wordt een schriftelijke, gemotiveerde beschikking toegezonden. Indien geen gemachtigde bekend is, wordt de beschikking aangetekend naar het laatst bekende adres van de asielzoeker verzonden. +‘Feiten’ en ‘omstandigheden’ zijn in ieder geval: -In de aan de asielzoeker te verzenden beschikking dan wel op een daarbij gevoegd formulier staat in elk geval vermeld: +• de identiteit van de vreemdeling; +• de nationaliteit van de vreemdeling; +• de etniciteit van de vreemdeling; +• (indien relevant) de seksuele geaardheid van de vreemdeling; en +• (indien relevant) de geloofsovertuiging van de vreemdeling. -• de datum en wijze van kenbaar maken van de beschikking; -• een mededeling omtrent de voor de asielzoeker eventueel aan te wenden rechtsmiddelen; -• de termijn waarbinnen de asielzoeker Nederland dient te verlaten (zie C22/2). +Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden. -Als de beschikking aan de IND wordt geretourneerd omdat het poststuk niet is opgehaald, controleert de IND of het naar het juiste adres is verzonden, en of de vreemdeling niet is verhuisd. Zonodig wordt de beschikking opnieuw verzonden. De IND kan de vreemdelingenpolitie verzoeken een adrescontrole te laten uitvoeren en een model M100 op te maken. In een rapport van bevindingen legt de IND vast welke pogingen zijn ondernomen om de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken. +Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten, omstandigheden en veronderstellingen betrekt de IND: -Indien de afwijzende beschikking tevens een inreisverbod inhoudt, geldt hetgeen hieromtrent is opgenomen in B1/9.7.7.1 met betrekking tot het uitreiken van beschikkingen waarin een inreisverbod is opgenomen. +• alle documenten die de vreemdeling heeft ingediend; +• of sprake is van één of meer van de omstandigheden als genoemd in artikel 31 lid 2, aanhef en onder a tot en met f, Vw; +• de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling; en +• of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst van de vreemdeling. -#### 3.3. De beschikking bij vrijheidsbeneming +Documenten zijn alle gegevensdragers die een vreemdeling ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft ingediend. -Als de vreemdeling een gemachtigde heeft, wordt de beschikking van de vreemdeling aan wie de vrijheid is ontnomen naar de gemachtigde verzonden. Indien de vreemdeling geen gemachtigde heeft, wordt de beschikking door de vreemdelingenpolitie dan wel de KMar aan de asielzoeker uitgereikt. +De vreemdeling kan op grond van verklaringen die de IND niet als geloofwaardig beoordeelt, geen aanspraak maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29 lid 1, aanhef en onder a tot en met c, Vw. -In de aan de asielzoeker uitgereikte beschikking, dan wel op een daarbij gevoegd formulier staat in elk geval vermeld: +Als sprake is van één of meerdere van de omstandigheden genoemd in artikel 31 lid 2, aanhef onder a tot en met f Vw, acht de IND de verklaringen van de vreemdeling uitsluitend geloofwaardig als van deze verklaringen een positieve overtuigingskracht uitgaat. -• de datum, tijdstip en wijze van uitreiking beschikking; -• de naam van de uitreikende ambtenaar; -• een mededeling omtrent de voor de asielzoeker eventueel aan te wenden rechtsmiddelen; -• de termijn waarbinnen de asielzoeker Nederland dient te verlaten (zie C22/2). +Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst. -In afwijking van hetgeen hieromtrent is opgenomen in B1/9.7.7.1 met betrekking tot het uitreiken van beschikkingen waarin een inreisverbod is opgenomen, wordt een beschikking waarbij tevens een inreisverbod wordt uitgevaardigd met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw aan de gemachtigde verzonden in plaats van uitreiken. Tevens wordt van deze toezending melding gemaakt in de Staatscourant. Indien de vreemdeling geen gemachtigde heeft, wordt de beschikking door de vreemdelingenpolitie dan wel de KMar aan de asielzoeker uitgereikt. +Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is een deskundigenbericht. -#### 3.4. De beschikking als een ander land verantwoordelijk is +De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst. -Indien in het kader van de Verordening 343/2003 een claim is gehonoreerd en de asielaanvraag derhalve op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vw wordt afgewezen, wordt de beschikking aan de gemachtigde van de asielzoeker toegezonden. Indien geen gemachtigde bekend is, wordt de beschikking aangetekend naar het laatst bekende adres van de asielzoeker verzonden. +De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. -Als de beschikking aan de IND wordt geretourneerd omdat het poststuk niet is opgehaald, controleert de IND of het naar het juiste adres is verzonden, en of de vreemdeling niet is verhuisd. De IND kan de vreemdelingenpolitie verzoeken een adrescontrole te laten uitvoeren en een model M100 op te maken. In een rapport van bevindingen legt de IND vast welke pogingen zijn ondernomen om de beschikking kenbaar te maken. +De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht. -Op of in de aan de asielzoeker te verzenden beschikking dan wel op een daarbij gevoegd formulier staat in elk geval vermeld de datum en wijze van kenbaar maken van de beschikking en een mededeling omtrent de voor de asielzoeker eventueel aan te wenden rechtsmiddelen. +De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten. -Aan de asielzoeker wordt tevens mededeling gedaan door welk land zijn asielverzoek (in de zin van Verordening 343/2003) zal worden behandeld. Voorts wordt hem meegedeeld dat hij krachtens Verordening 343/2003 en met inachtneming van de nationale regelgeving zal worden overgedragen. +Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling. -Door middel van deze beschikking wordt voldaan aan hetgeen is gesteld in artikel 19, eerste en tweede lid en artikel 20, eerste lid, onder e, Verordening 343/2003. Voorts zal, in overeenstemming met hetgeen is gesteld in artikel 19, derde lid en artikel 20, eerste lid, onder d, Verordening 343/2003, zodra hierover meer bekend is, de datum van overdracht bekend worden gemaakt. +De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht: -Voor de procedure met betrekking tot de overdracht zie A4/6.8. +• een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of +• een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht. -## 17. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd +De IND beoordeelt of de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren als hij terugkeert naar zijn land van herkomst, aannemelijk zijn. -### 1. Procedure +Naast de aspecten bedoeld in artikel 3.35 lid 2 VV, betrekt de IND bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens van de vreemdeling de volgende aspecten: -Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie C21/1.1, ook voor de gevallen waarin een termijn van drie jaar geldt) komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet. +• het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen die voor de vreemdeling aanleiding vormden om zijn land van herkomst te verlaten en het moment van vertrek uit zijn land van herkomst; en +• de vraag of degenen van wie de vreemdeling vervolging of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing vreest op de hoogte zijn of kunnen raken van de omstandigheden waarop de vreemdeling zich beroept en op grond waarvan hij vreest vervolgd of onmenselijk of vernederend behandeld of bestraft te worden. -De aanvraag wordt op grond van artikel 3.108 Vb, juncto artikel 3.43 VV ingediend bij de IND. De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan op grond van artikel 40 Vw niet eerder worden ingediend dan vier weken voor de datum waarop de vreemdeling vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag moet in beginsel worden ingediend voordat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde duur eindigt. +Als de IND oordeelt dat deze vermoedens aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening als bedoeld in artikel 29 Vw. -Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te laat wordt ingediend, dat wil zeggen na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt getoetst of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd kan worden verleend. De IND beoordeelt daarbij of het de vreemdeling is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend. +Als aan de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel is verleend, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af op grond van artikel 30 lid 1, aanhef en onder b, Vw. -Als het de vreemdeling niet is toe te rekenen dat de aanvraag te laat is ingediend, kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden verleend met ingang van de dag nadat de geldigheidsduur van de vergunning voor bepaalde tijd eindigt. +Als de IND een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afwijst, verleent de IND ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel als: -Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te laat wordt ingediend, maar binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel, kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden verleend. Het gat in het verblijfsrecht zal niet worden gedicht, de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt hiermee verleend met ingang van de datum waarop zij is aangevraagd. +• de vreemdeling eerder aangifte heeft gedaan van mensenhandel en heeft afgezien van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel in afwachting van een beoordeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of +• de vreemdeling op een andere manier medewerking had verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek en had afgezien van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel in afwachting van een beoordeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -Als de vreemdeling meer dan zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meent voor verblijf in aanmerking te komen, moet hij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen. +De IND betrekt BMA niet bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de verklaringen van de vreemdeling. -In de aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, zijn de bepalingen met betrekking tot het eerste gehoor en het nader gehoor (artikel 3.112 en 3.113 Vb) niet van toepassing. De voornemenprocedure (zie C15) is wel van toepassing. +De IND beoordeelt tijdens de behandeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of er aanleiding bestaat om aan de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, als de vreemdeling verklaringen heeft afgelegd waaruit de IND kan afleiden dat één of meerdere van de gronden van artikel 3.6 Vb op hem van toepassing is. -## 18. Procedure bij het intrekken van een verblijfsvergunning asiel +Het leeftijdsonderzoek kan een van de volgende resultaten opleveren: -### 1. Voornemenprocedure +a. meerderjarigheid kan niet worden aangetoond; of +b. de vreemdeling is ten minste 20 jaar oud. -Op grond van artikel 41, eerste lid, Vw is de voornemenprocedure ook van toepassing als het een intrekking van een verblijfsvergunning asiel betreft. De procedure zoals beschreven in artikel 3.116 Vb (zie C15/3) is van toepassing. Op grond van artikel 3.116, tweede lid, onder b, Vb heeft de vreemdeling zes weken de tijd om zijn zienswijze naar voren te brengen. +Als meerderjarigheid niet kan worden aangetoond, houdt de IND de door de vreemdeling opgegeven geboortedatum aan. De IND kan tussen 12 en 24 maanden na de datum waarop het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden opnieuw een leeftijdsonderzoek laten verrichten. In het kader van een herhaald leeftijdsonderzoek laat de IND onderzoeken of aangetoond kan worden dat de vreemdeling op de datum van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meerder- of minderjarig was. -Personen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning beschikken doorgaans niet meer over een gemachtigde of raadsman. De kennisgeving van het voornemen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken, dient daarom in beginsel aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling te worden verzonden (zie C16/3.2.2). +Als uit het leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling minstens 20 jaar oud is, kent de IND de vreemdeling op basis van het onderzoeksresultaat een geboortedatum toe als: -Op grond van artikel 41, tweede lid, Vw wordt de vreemdeling, als de Minister na ontvangst van de zienswijze voornemens blijft de verblijfsvergunning in te trekken, in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord voordat tot intrekking wordt overgegaan. +• deze leeftijd niet overeen komt met de door de vreemdeling gestelde leeftijd; of +• de vreemdeling heeft verklaard niet te weten hoe oud hij is. -### 2. Arbeidsmarktaantekening +De IND stelt het toe te kennen geboortejaar vast op het jaar waarin het leeftijdsonderzoek is uitgevoerd minus 20 jaar. Als het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden tussen 1 januari en 1 juli stelt de IND de geboortedatum op 1 januari van het afgeleide geboortejaar. Als het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden tussen 1 juli en 1 januari, stelt de IND de geboortedatum op 1 juli van het afgeleide geboortejaar. -Zolang de procedure inzake het intrekken van de verblijfsvergunning asiel nog niet heeft geleid tot een onherroepelijke beslissing behoudt de vreemdeling op grond van de Wav (zie B1/2.3) de rechten om arbeid te verrichten volgens zijn laatst geldende document. De vreemdeling behoudt dus zijn vrije toetreding tot de arbeidsmarkt. +Het Protocol Identificatie en Labeling (PIL) is van toepassing. -Wanneer de vreemdeling tijdens de procedure, waarmee zijn verblijfsvergunning wordt beëindigd, in het bezit wordt gesteld van een W-document, wordt aan hem door de IND tevens een inlegvel en Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen met een arbeidsmarktaantekening verstrekt. Op basis hiervan kan de vreemdeling blijven werken. +De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29 lid 1, aanhef en onder e of f Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van: -## 19. Besluitmoratorium +• een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont; +• indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont; +• indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het samenwonen in het land van herkomst aantoont; en +• indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het minderjarige kind en de ouder aantoont. + +Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29 lid 1, aanhef en onder e of f, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. + +Paragraaf C2/6.2.3 Vc is van toepassing. + +Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken. + +Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wijst de IND de vreemdeling of het gezinslid op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. + +De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29 lid 1, aanhef en onder e of f Vw. + +Als de vreemdeling in het kader van zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd feiten en omstandigheden inbrengt die dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking, beoordeelt de IND of de vreemdeling deze feiten en omstandigheden in het kader van een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had kunnen inbrengen. De IND hanteert daarbij als uitgangspunt dat de vreemdeling alle bij hem bekende informatie en documenten in het kader van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de IND moet overleggen. Als de vreemdeling in het kader van zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd feiten en omstandigheden inbrengt die dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking, moet de vreemdeling aannemelijk maken dat hij deze feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet eerder had kunnen inbrengen. + +Gegevensdragers die feiten en omstandigheden onderbouwen die de vreemdeling in het kader van een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingebracht, kunnen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb vormen. + +Als de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor het eerst door de IND gehoord wordt, concludeert de IND in geen geval dat de vreemdeling de door hem ingebrachte feiten en omstandigheden eerder had moeten inbrengen. + +Als de IND de eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van artikel 30 Vw, merkt de IND de feiten en omstandigheden die de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd inbrengt, uitsluitend aan als nieuwe feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb, als deze feiten en omstandigheden betrekking hebben op de afwijzingsgrond in de eerdere procedure. + +Als de IND de eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van artikel 30 lid 1, aanhef en onder b, Vw vanwege de omstandigheid dat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel is verleend, wijst de IND de opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 4:6 Awb. + +Als de IND de eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling, moeten de feiten en omstandigheden die de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd inbrengt, de ongeloofwaardigheid van de verklaringen wegnemen om te worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb. + +Als de IND een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van artikel 31 lid 2, aanhef en onder i Vw is artikel 31a Vw van toepassing. + +De IND wijst een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 4:6 Awb als sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden. + +Bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden zijn in ieder geval: + +• feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat de vreemdeling een verdragsvluchteling is; of +• feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat de vreemdeling een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. + +Als een vreemdeling tijdens een tweede of opvolgende asielaanvraag aangeeft dat hij homoseksueel is, en deze informatie acht de IND geloofwaardig, werpt de IND de vreemdeling niet tegen dat hij niet tijdens een voorgaande procedure gewag heeft gemaakt van zijn homoseksuele geaardheid. + +De IND beschouwt een verzoek om heroverweging als een onvolledige aanvraag als bedoeld in artikel 4:5 Awb. + +## C2. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ### 1. Inleiding -Het kan voorkomen dat in een land van herkomst sprake is van wezenlijke wijzigingen binnen een kort tijdsbestek, terwijl niet direct kan worden ingeschat hoe de nieuwe situatie is te duiden dan wel hoe deze zich zal ontwikkelen. Het kan dan wenselijk zijn om gedurende een bepaalde periode te bezien of en hoe de nieuwe ontwikkelingen tot stabilisatie in het betreffende land leiden. +In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in: -De aanleiding tot nader beraad over de situatie in een land van herkomst kan ook in Nederland liggen, bijvoorbeeld door een uitspraak van de rechter of door kamervragen. In deze gevallen kan de Minister een besluitmoratorium instellen. +• paragraaf 2 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 29, eerste lid, Vw; +• paragraaf 3 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw; +• paragraaf 4 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c tot en met f, Vw; +• paragraaf 5 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 30, eerste lid, Vw; +• paragraaf 6 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 31, eerste en tweede lid Vw; +• paragraaf 7 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 32 Vw. -### 2. Karakter van het besluitmoratorium +### 2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd -Op grond van artikel 43 Vw kan de Minister door middel van een algemeen besluit een besluitmoratorium instellen voor bepaalde categorieën asielzoekers vanwege de situatie in het land van herkomst dan wel vanwege een massale instroom uit een bepaald land of een bepaalde regio. Het instellen van een besluitmoratorium betekent niet dat in het geheel geen beslissingen meer kunnen worden genomen. Het gaat strikt genomen om een verlenging van de beslistermijn. +Artikel 29, eerste lid, Vw bevat de gronden, waarop de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan verlenen. De IND toetst de toepasselijkheid van deze gronden in de volgorde waarin deze gronden in de Vreemdelingenwet voorkomen. -De beslissing om een besluitmoratorium in te stellen maakt deel uit van het landgebonden asielbeleid (zie C24). +De beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is beschreven in de paragraaf C1/3 Vc. -### 3. Gronden voor het instellen van een besluitmoratorium +De IND stelt eerst het land van herkomst van de vreemdeling vast, vóórdat de IND beoordeelt of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst, De IND verstaat onder ‘land van herkomst’ het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft. -Een besluitmoratorium kan op grond van artikel 43 Vw worden ingesteld in drie situaties: +Als geen enkel land de vreemdeling als onderdaan erkent, merkt de IND de vreemdeling aan als staatloze vreemdeling. -a. korte periode van onzekerheid. Er zal naar verwachting gedurende een korte periode onzekerheid bestaan over de situatie in het land van herkomst en dit staat eraan in de weg om binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag te nemen; -b. onveilige situatie van korte duur. In de tweede plaats kan dit moratorium gebruikt worden in het geval de verwachting bestaat dat de situatie in het land van herkomst ten gevolge waarvan vreemdelingen stellen bescherming te behoeven, van korte duur zal zijn. Hierbij kan worden gedacht aan een vredesregeling, waarvan de uitvoering wordt afgewacht; -c. massale instroom. De derde grond waarop dit moratorium gebruikt kan worden, is indien er sprake is van een massale instroom van asielzoekers waardoor het niet mogelijk is om binnen een periode van zes maanden een groot aantal gelijktijdige aanvragen te behandelen. Anders dan de beide andere gronden voor een besluitmoratorium gaat het hier om een organisatorische belemmering bij de behandeling van asielaanvragen, veroorzaakt door een onvoorziene massale instroom. De massale instroom kan het gevolg zijn van plotseling uitbrekende (burger)oorlogen. +De IND merkt het land waar de staatloze vreemdeling voor zijn komst naar Nederland zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘country of former habitual residence’) had, aan als land van herkomst van de staatloze vreemdeling. De IND bepaalt de gebruikelijke verblijfplaats van de staatloze vreemdeling, in ieder geval op basis van: -### 4. Wijze van instellen van een besluitmoratorium +• de aard van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land; +• de duur van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land; en +• de banden, die de staatloze vreemdeling heeft met het land. -Het besluit van de Minister waarbij het moratorium wordt ingesteld, geeft aan op welk moment het moratorium (in algemene zin) van kracht wordt en op welke datum het zal eindigen. Daarnaast omvat het besluit de termijn waarmee de individuele beslistermijnen worden verlengd. Het besluitmoratorium in algemene zin kan in beginsel worden verlengd en het algemene besluit hiertoe is niet aan een bepaalde termijn gebonden. +De IND beoordeelt per vreemdeling op individuele basis en op basis van de situatie van de vreemdeling zelf of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit wordt het individualiseringsvereiste genoemd. -### 5. Gevolgen van een besluitmoratorium +De IND kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van redenen genoemd in de paragrafen C2/3 Vc en C2/4 Vc aan de vreemdeling onthouden, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen. -Instelling van een besluitmoratorium heeft tot gevolg dat de beslistermijn met betrekking tot de categorie vreemdelingen waarvoor het besluit geldt, wordt verlengd met de in het besluit genoemde termijn. De termijn waarmee de individuele beslistermijn op grond van het besluitmoratorium kan worden verlengd, betreft maximaal één jaar. De nieuwe uiterste beslisdatum wordt bekendgemaakt aan de asielzoeker. Hierbij wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt. Na ommekomst van de verlengde beslistermijn dient in de individuele asielzaak een beslissing te worden genomen naar de stand van zaken van dat moment, ook als het algemene besluitmoratorium op dat moment nog voortduurt. +### 3. Internationale bescherming -Anderzijds betekent dit, dat de verlengde beslistermijn nog kan doorlopen (tot de aangekondigde datum) als het besluitmoratorium in algemene zin reeds is geëindigd. Wel zal na ommekomst van het besluitmoratorium in algemene zin, niettegenstaande de verlengde beslistermijn, spoedig op de aanvraag worden beslist. +#### 3.1. Algemeen -Indien na afloop van het besluitmoratorium een aanvraag wordt ingewilligd, die voor of tijdens het besluitmoratorium is ingediend, wordt voor het bepalen van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning verwezen naar C21/1.1. +De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met in achtneming van artikel 3.35 VV. -Asielzoekers ten aanzien van wier aanvraag een besluitmoratorium geldt, verblijven rechtmatig in Nederland in de zin van artikel 8, onder f, Vw en hebben recht op voorzieningen. +Artikel 3.36 VV beschrijft wat wordt verstaan onder daden van vervolging. -Het instellen van een besluitmoratorium betekent niet dat in het geheel geen beslissingen meer mogelijk zijn in zaken ten aanzien waarvan het moratorium geldt. Het instellen van een besluitmoratorium houdt immers verband met de situatie in het land van herkomst. Daarom zijn nog wel beslissingen mogelijk in onder meer de volgende zaken, namelijk zaken waarin: +Artikel 3.37a VV beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van vervolging. -• artikel 30 Vw van toepassing is; -• de asielzoeker de mogelijkheid heeft te vertrekken naar een derde land (artikel 31, tweede lid, onder i en h, Vw); -• artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is; -• de asielaanvraag op grond van artikel 3.105b of 3.105e Vb wordt afgewezen. +Artikel 3.37c VV beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van bescherming. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw indien actoren van bescherming aan de vreemdeling bescherming kunnen of willen bieden. -In het geval een besluitmoratorium is ingesteld op de enkele grond van een massale instroom van asielzoekers gelden er gedurende het besluitmoratorium geen inhoudelijke beslisbelemmeringen. +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, als artikel 3.37d, VV van toepassing is. Paragraaf C2/6.1 Vc is van toepassing. -### 6. Zaken in beroep tijdens de instelling van een besluitmoratorium +#### 3.2 -Wanneer een aanvraag is afgewezen, maar beroep op de rechtbank nog open staat, kan de instelling van een besluitmoratorium onder omstandigheden betekenen dat de feitelijke grondslag aan de afwijzing is komen te ontvallen. De rechtbank betrekt op grond van artikel 83 Vw immers in beginsel nieuwe feiten en omstandigheden bij haar oordeel. +Artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geeft aan welke vreemdeling ‘vluchteling’ is. Het aanmerken als vluchteling is niet afhankelijk van een beoordeling door een individuele staat. Het Vluchtelingenverdrag kent geen verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is wel geregeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in combinatie met artikel 3.105b, Vb. -In het geval de instelling van een besluitmoratorium reden is om de bestreden beschikking in te trekken, vangt opnieuw de beslistermijn aan. In deze nieuwe beslistermijn is tevens de verlenging door het besluitmoratorium begrepen. Dit geldt eveneens indien de rechtbank op grond van het ingestelde besluitmoratorium besluit tot gegrondverklaring van het beroep. +De IND houdt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een alleenstaande minderjarige vreemdeling rekening met de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR. -## 20. Tijdelijke bescherming +Het Vluchtelingenverdrag is niet van toepassing op personen, zoals beschreven in de artikelen 1D tot en met 1F van het Vluchtelingenverdrag, verder de ‘uitsluitingsgronden’. De IND verleent aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als één van deze uitsluitingsgronden zich voordoet. -### 1. Karakter van de tijdelijke bescherming +Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op de vreemdeling die bescherming of bijstand heeft van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. -In artikel 43a Vw en artikel 3.1a Vb is Richtlijn 2001/55 geïmplementeerd. In geval van een massale toestroom of een dreigende massale toestroom van ontheemden uit derde landen die niet naar hun land van oorsprong kunnen terugkeren, kan de Raad van de EU op voorstel van de Commissie besluiten dat een nader omschreven groep vreemdelingen gedurende een bepaalde periode tijdelijke bescherming zal genieten. - De vreemdeling die op grond van de richtlijn in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming in Nederland, wordt in de gelegenheid gesteld een asielaanvraag in te dienen. Hij mag als asielzoeker in Nederland verblijven, ook indien hem geen asiel is verleend. De indiening van een aanvraag is noodzakelijk voor de beoordeling of de vreemdeling inderdaad onder Richtlijn 2001/55 valt en om de noodzakelijke gegevens te registreren. - - - Het onderzoek naar de asielaanvraag kan vervolgens op grond van artikel 17, tweede lid, Richtlijn 2001/55 worden opgeschort voor de duur van de tijdelijke bescherming. Tijdelijke bescherming wordt ingesteld voor de duur van één jaar, maar kan oplopen tot drie jaren (zie artikel 4 Richtlijn 2001/55). - - - Net zoals in het geval van het besluitmoratorium (zie C19) bevat artikel 43a Vw dus een verlenging van de beslistermijn. - - - Beslissingen op de asielaanvraag kunnen ook worden gegeven voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. - - - - Artikel 3.1a, eerste lid, Vb bevat de categorieën vreemdelingen die in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. - - - - Artikel 3.1a, tweede lid, Vb bevat de gevallen waarin de Minister kan besluiten om uitzetting niet achterwege te laten. Hiervoor is derhalve een expliciet besluit noodzakelijk. Indien tijdelijke bescherming in een individueel geval wordt onthouden op grond van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid en de betreffende vreemdeling na afwijzing van de asielaanvraag Nederland moet verlaten, zullen ook diens gezinsleden, uiteraard voor zover zij niet zelf aanspraak hebben op tijdelijke bescherming op grond van artikel 31.a, eerste lid, Vb of zelf voor verlening van een verblijfsvergunning asiel in aanmerking komen, Nederland moeten verlaten. - -200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007 +De vreemdeling valt weer van rechtswege onder het Vluchtelingenverdrag, als de bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de VN komt te vervallen. -### 2. Samenloop verlengingen beslistermijnen +Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is van toepassing op de staatloze Palestijnse vreemdeling die onder het mandaat valt van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA). -Het is op grond van artikel 43a Vw mogelijk dat er een samenloop ontstaat van de tijdelijke bescherming met een andere grond voor het verlengen van de beslistermijn. Het valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat het nodig is om na ommekomst van de eerste verlenging op grond van tijdelijke bescherming de beslistermijn nogmaals te verlengen omdat in een individueel geval onderzoek door derden of het OM moet worden gedaan. Ook is opeenvolging van tijdelijke bescherming en het besluitmoratorium niet uitgesloten. +De bescherming of bijstand door de UNRWA van de staatloze Palestijnse vreemdeling stopt, als de vreemdeling zich niet meer in het gebied bevindt, waar de UNRWA mandaat heeft. De staatloze Palestijnse vreemdeling valt dan weer onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag. De IND beoordeelt of een staatloze Palestijnse vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling zich niet meer in het gebied bevindt, waar de UNRWA mandaat heeft. -## 21. Situatie als de aanvraag wordt ingewilligd +De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw, uitsluitend aan de staatloze Palestijnse vreemdeling als de staatloze Palestijnse vreemdeling aannemelijk maakt dat terugkeer naar het gebied, waar de UNRWA mandaat heeft, onmogelijk is omdat: -### 1. De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd +• de staatloze Palestijnse vreemdeling binnen het gebied waar de UNRWA mandaat heeft, gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag; en +• de staatloze Palestijnse vreemdeling tegen de actoren van vervolging als bedoeld in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. -#### 1.1. Algemeen +De IND past artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag niet toe als uitsluitingsgrond. -De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 44, tweede lid, Vw verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. - - - Op grond van artikel 3.105 Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in beginsel verleend of verlengd voor de duur van vijf jaar. - - - Aan de verblijfsvergunning zijn geen voorschriften verbonden. - - - De verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft op grond van artikel 44, eerste lid, Vw, van rechtswege tot gevolg dat de verstrekking van voorzieningen bij of krachtens de Wet COA of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, wordt beëindigd. In de Rva zijn hierover nadere regels gesteld (zie C23). - - - Aan de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, wordt op grond van artikel 9 Vw een document verstrekt waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Het verblijfsdocument is een document als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder c, VV. Dit document wordt door de vreemdelingenpolitie aan de asielzoeker verstrekt. De arbeidsmarktaantekening luidt: 'Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist'. - - - *Overgangsregeling* - - - Het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de duur van vijf jaar geldt voor aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op en na de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging (1 september 2004). Voor aanvragen tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd welke zijn ingediend vóór 1 september 2004 blijft het oude recht gelden, volgens hetwelk de verblijfsvergunning wordt verleend voor drie jaren. In die gevallen dient, waar vijf jaren staat, steeds drie jaren te worden gelezen. - - - Voor wat betreft de ingangsdatum geldt voor asielaanvragen die zijn ingediend vóór 1 september 2004 het volgende. - Tot 1 september 2004 bepaalde artikel 43, derde lid, Vw, dat in gevallen waarin een besluitmoratorium (artikel 43 Vw, zie C19) was toegepast de verblijfsvergunning werd verleend met ingang van de datum waarop de asielaanvraag was ingewilligd, met dien verstande dat de verblijfsvergunning uiterlijk inging één jaar na de datum waarop de aanvraag is ontvangen (artikel 44, derde lid, Vw). Deze bepaling wordt in de hier bedoelde zaken nog toegepast. Een eventuele samenloop met artikel 42, vierde lid, Vw (verlenging van de beslistermijn op individuele gronden) heeft hierop dus geen invloed. - - - De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling aantoont dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen en niet eerder dan de dag waarop de geldigheid van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarvoor verlenging wordt gevraagd afloopt. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 +Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1F niet van toepassing op een vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. De IND verleent in dat geval de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie paragraaf C2/6.2.8 Vc). -#### 1.2. De vergunning op grond van +Er is sprake van groepsvervolging, als in een land van herkomst een groep vreemdelingen systematisch wordt blootgesteld aan vervolging wegens een van de gronden van artikel 1A Vluchtelingenverdrag. -Indien de verblijfsvergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw en de asielaanvraag is ingediend vóór de beleidswijziging waarbij is besloten categoriale bescherming te bieden aan de categorie vreemdelingen waartoe de betrokken vreemdeling behoort, geldt als ingangsdatum de dag waarop de beleidswijziging van kracht werd. +Situaties waarin sprake is van groepsvervolging worden opgenomen in het landgebonden beleid. Ook voor de vreemdeling die zich beroept op groepsvervolging geldt het individualiseringsvereiste. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij behoort tot de groep vreemdelingen voor wie groepsvervolging wordt aangenomen. -#### 1.3. In Nederland geboren kinderen +De Minister kan een bevolkingsgroep als risicogroep aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging van een bevolkingsgroep. Ook als de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan de Minister een bevolkingsgroep aanwijzen als risicogroep. -De ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van het in Nederland geboren kind is de datum van de ondertekening van bijlage 13k VV. +De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid door de Minister is aangewezen als een risicogroep, kan al met geringe indicaties aannemelijk maken dat de vreemdeling op grond van de gestelde problemen vreest voor vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep. -### 2. De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd +De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. -#### 2.1. Algemeen +Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan leiden tot uitsluiting van medische zorg. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, aan de vreemdeling die voldoet aan alle volgende voorwaarden: -De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt op grond van artikel 44, derde lid, Vw verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling aantoont dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan de dag waarop de geldigheid van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afloopt. In het algemeen betekent dit dat de vergunning ingaat op de dag nadat de vreemdeling de termijn van vijf achtereenvolgende jaren verblijf op grond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft voltooid. - - - In het geval de totale asielprocedure meer dan vijf jaar in beslag heeft genomen en alsnog wordt besloten tot inwilliging van de aanvraag, wordt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend die indien de vreemdeling ook aan de voorwaarden daarvoor voldoet, wordt omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Indien het tijdstip waarop de vreemdeling achteraf gezien vijf jaar houder was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op of na 1 januari 2010 is gelegen en de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald, wordt de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd conform artikel 3.107a Vb niet verleend vanwege het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste. Er wordt dan volstaan met het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - - - De vreemdeling wordt in het bezit gesteld van een verblijfsdocument, dat wordt uitgereikt door een medewerker van het IND loket dat zich het dichtst bij de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling bevindt. - - - De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde duur behoeft niet te worden verlengd. Wel dient het document tijdig te worden vervangen. - -20092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3020092019224-12-200916-12-2009WBV2009/3001-01-2010 +• de vreemdeling zal bij terugkeer naar het land van herkomst geheel of gedeeltelijke uitsluiting van medische zorg ondervinden; +• de vreemdeling zal als gevolg van de uitsluiting van de medische zorg ernstige medische consequenties ondervinden; +• de uitsluiting van medische zorg vindt plaats op basis van één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. -#### 2.2. Gezinshereniging +De IND beoordeelt de vraag of sprake is van ernstige medische consequenties aan de hand van de criteria in paragraaf B8 Vc. De IND betrekt bij de vraag of sprake is van uitsluiting van medische zorg op basis van één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag niet: -Voor gezinshereniging bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is het algemene gezinsherenigingsbeleid van toepassing (zie B2). +• de omstandigheid dat de vreemdeling geen toegang heeft tot de medische zorg om andere redenen dan uitsluiting vanwege discriminatie; +• de beschikbaarheid van de behandelingmogelijkheden in het land van herkomst. -Indien eerst na vijf jaar wordt besloten tot inwilliging van de asielaanvraag en derhalve aan de vreemdeling direct een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt verleend, geldt dat indien de gezinsleden van de vreemdeling hem binnen drie maanden nareizen en ook overigens aan de voorwaarden voldoen, artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw op hun van toepassing is (zie C2/6). +De IND verleent de vreemdeling die voldoet aan artikel 3.37b VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze vreemdeling wordt aangeduid als ‘refugié sur place’. -### 3. Reisdocumenten +De IND kan een vreemdeling eveneens aanmerken als ‘refugié sur place’, indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: -#### 3.1. Toekenning en geldigheidsduur +• de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, volgen niet op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór het vertrek van de vreemdeling; +• de autoriteiten in het land van herkomst zijn bekend met of kunnen op de hoogte raken van deze activiteiten van de vreemdeling; +• deze activiteiten leveren een gegronde vrees voor vervolging op in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. -Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen en verdragsvluchtelingen worden verstrekt door de burgemeester van de woonplaats van de aanvrager. +De IND beoordeelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met inachtneming van artikel 3.37 VV. Artikel 3.37 VV noemt onder meer de volgende gronden: -Verstrekking en vervallenverklaring van het Nederlands reisdocument voor vluchtelingen vinden plaats afhankelijk van de verblijfsrechten op grond van de Vw. Indien een vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd kan hij recht doen gelden op een Nederlands reisdocument voor vluchtelingen. Dit reisdocument heeft een geldigheidsduur die afhankelijk is van de verleende verblijfstitel. Indien de geldigheidsduur van het vluchtelingenpaspoort verstreken is, dient de vreemdeling opnieuw een aanvraag voor verlening in te dienen. Verlenging is niet meer mogelijk. +• godsdienst; +• sociale groep; +• politieke overtuiging. -Indien het verblijfsdocument komt te vervallen of wordt ingetrokken, komt het vluchtelingenpaspoort op grond van artikel 47, eerste lid, onder b, Paspoortwet van rechtswege te vervallen. +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.36 VV. -Een reisdocument voor vreemdelingen kan verder worden geweigerd of vervallen worden verklaard op de gronden genoemd in de artikelen 18 tot en met 25 Paspoortwet. In deze gevallen is de Korpschef bevoegd het document in te nemen. +De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. -#### 3.2. De aanvraag en toetsing +Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd. -Na invulling door de vreemdeling van het aanvraagformulier stuurt de burgemeester de aanvraag ter verificatie door aan de IND. De IND adviseert in dit geval over de duur van het reisdocument door vermelding van de geldigheidsduur van het verblijfsdocument. +De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee dat: -De IND dient, indien hiervoor een aanvraag wordt ingediend, conform artikel 14 of 15 van de Paspoortuitvoeringsregeling de verblijfsgegevens te verifiëren. De IND zendt vervolgens het formulier, voorzien van een advies, retour naar de gemeente. +• de vreemdeling, die een godsdienst aanhangt, de uitingen van zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloof verborgen heeft gehouden; +• van de vreemdeling niet wordt verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen. -Indien de IND heeft vastgesteld, dat de aanvrager niet beschikt over een geldige verblijfsvergunning zendt de IND het aanvraagformulier met deze mededeling terug aan de burgemeester bij wie de aanvraag is ingediend, ter toetsing aan artikel 14 Paspoortwet. De IND vermeldt hierbij ook of de vreemdeling is vrijgesteld van het paspoortvereiste. +De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen indien hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde – voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke – handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging. -### 4. Verdrag inzake de verantwoordelijkheid voor vluchtelingen +Ook indien de vreemdeling verklaart dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloof terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die betrokkene anders loopt kan sprake zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. -Doelstelling van de Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb. 1982, 24) is om op uniforme wijze de overdracht van verantwoordelijkheid te regelen ten aanzien van verdragsvluchtelingen die hun verblijf verplaatsen van het grondgebied van de ene verdragsluitende partij naar dat van de andere. +De IND merkt vrouwen niet enkel op basis van de sekse aan als sociale groep, zoals bedoeld in artikel 3.37 eerste lid, aanhef en onder d, VV, omdat vrouwen als sociale groep te divers van samenstelling zijn. -Thans zijn de volgende landen partij bij de overeenkomst: Denemarken, Duitsland, Finland, Verenigd Koninkrijk, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden en Zwitserland. +De IND kan een vreemdeling aanmerken als behorend tot een sociale groep wegens gendergerelateerde aspecten. Onder gendergerelateerde aspecten verstaat de IND in ieder geval: -Genoemde overeenkomst regelt derhalve het verblijf van: +• een homoseksuele gerichtheid; +• een lesbische gerichtheid; +• een biseksuele gerichtheid; +• transgender. -1. in Nederland verblijvende verdragsvluchtelingen die zich in een ander land (dat ook partij is bij de overeenkomst) willen vestigen; -2. vluchtelingen in andere landen die partij zijn bij de overeenkomst die zich in Nederland willen vestigen. +Deze gendergerelateerde aspecten worden in deze paragraaf gevat onder de noemer ‘seksuele gerichtheid’. -Uitgangspunt is dat de ene staat de verantwoordelijkheid voor de betrokken vluchteling kan overnemen, indien hij twee jaar feitelijk, onafgebroken en met toestemming van de autoriteiten in de andere staat heeft verbleven. Artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst geeft aan hoe die termijn van twee jaar wordt berekend. Feitelijk verblijf hangende de behandeling van een aanvraag wordt alleen meegeteld als die aanvraag wordt ingewilligd. Verblijf op basis van een verblijfsvergunning voor een tijdelijk verblijfsdoel, zoals studie of medische behandeling, telt echter niet mee. +De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. -Indien een verdragsvluchteling die in Nederland een verblijfsvergunning asiel heeft twee jaar verblijft in een tweede staat, kan hij zich beroepen op deze overeenkomst en kan de tweede staat hem de vluchtelingenstatus in dat land verlenen. Nadat de andere staat Nederland van de overname op de hoogte heeft gesteld of heeft meegedeeld dat de vreemdeling zich in de tweede staat kan vestigen, wordt de verblijfsvergunning asiel bij beschikking ingetrokken op grond van artikel 32, onder d, Vw indien het een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd betreft of artikel 35, onder c, Vw indien het een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd betreft. De IND zendt de beschikking in drievoud naar de Nederlandse ambassade in de betrokken staat: +De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee dat: -1. ter uitreiking dan wel toezending door de ambassade aan de vreemdeling; -2. ter toezending door de ambassade aan de autoriteiten van de betrokken staat; -3. ter terugzending aan de IND voorzien van een aantekening omtrent de datum en de wijze van uitreiking. +• de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn gerichtheid verborgen heeft gehouden; +• de vreemdeling geen bescherming conform artikel 3.37c VV hoeft in te roepen, als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst. -Zolang er geen overdracht van verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden, blijft Nederland verplicht de vreemdeling opnieuw verblijf toe te staan. +De situatie in het land van herkomst kan met zich brengen dat de vreemdeling een bepaalde mate van terughoudendheid betracht bij het uiting geven aan zijn homoseksuele gerichtheid, om te voorkomen dat problemen ontstaan die in samenhang bezien zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van vervolging. -Nederland neemt de verantwoordelijkheid voor een vluchteling over na twee jaar verblijf in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Overeenkomst. De overname kan ook eerder dan twee jaar plaatsvinden indien Nederland de vreemdeling toestaat om hetzij permanent, hetzij voor een langere duur dan de geldigheidsduur van het door de eerste staat afgegeven reisdocument in ons land te verblijven. +Deze terughoudendheid mag echter niet dusdanig ver strekken, dat de IND moet vaststellen dat de vreemdeling niet op betekenisvolle wijze invulling kan geven aan zijn seksuele gerichtheid. -Door de verantwoordelijkheid voor een vluchteling over te nemen is Nederland ook verplicht tot afgifte van een Vluchtelingenpaspoort. Dit wordt afgegeven door de Minister van BuZa. +De IND verleent met inachtneming van artikel 3.36 VV een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als: -Na verlening van een verblijfsvergunning asiel is verder de Vw op de betrokken vreemdeling van toepassing. +• de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld, die zo ernstig zijn dat deze daden van geweld een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen; +• de autoriteiten van het land van herkomst op grond van de seksuele gerichtheid maatregelen uitvoeren die discriminerend zijn of op een discriminerende wijze worden uitgevoerd en deze maatregelen voldoende ernstig zijn; +• in het land van herkomst strafbepalingen op grond van de seksuele gerichtheid door de autoriteiten actief ten uitvoer worden gelegd en dat sprake is van een zeker gewicht van de maatregel. -Indien een vreemdeling een beroep doet op de Overeenkomst en nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning, wordt de vreemdeling door de Korpschef in de gelegenheid gesteld een aanvraag als bedoeld in bijlage 13 VV in te dienen, welke wordt doorgezonden aan de IND. Indien aan het gestelde in de Overeenkomst wordt voldaan, instrueert de IND de Korpschef per brief om het verblijfsdocument als bedoeld in bijlage 7 VV aan de vreemdeling uit te reiken. +De IND betrekt bij de beoordeling of en in welke mate aan de vreemdeling vanwege zijn seksuele gerichtheid beperkingen worden opgelegd bij het bekend zijn of worden van de seksuele gerichtheid in de directe (leef)omgeving van de vreemdeling, in ieder geval: -Tevens stelt de IND de ambassade van de eerste staat hier te lande op de hoogte van overname. +• de verklaringen van de vreemdeling; +• openbare informatie uit objectieve bron. -Indien de vreemdeling reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning, wordt in het dossier (zowel elektronisch als fysiek) een aantekening gemaakt dat betrokkene een verdragsvluchteling is. Vervolgens geeft Nederland een Vluchtelingenpaspoort af. Als de geldigheid van een reeds verleende verblijfsvergunning regulier eindigt, wordt betrokkene alsnog in de gelegenheid gesteld een asielaanvraag in te dienen. +De IND merkt in ieder geval de volgende situaties aan als politieke overtuiging, als de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend een vrouw is en de vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag in het land van herkomst plaatsvindt: -## 22. Rechtsgevolgen van de afwijzing +• vanwege overtreding door de vrouw van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen; +• vanwege overtreding door de vrouw van strafbepalingen, die in strijd zijn met universele mensenrechten; +• vanwege politiek verzet in het land van herkomst tegen genitale verminking bij vrouwen. -### 1. Rechtmatig verblijf +De beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vrouw die zich beroept op het risico van het ondergaan van genitale verminking, wordt beschreven in paragraaf C2/3.3 Vc. -De rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking zijn beschreven in artikel 45 Vw. +De IND verleent, onder toepassing van artikel 3.36 VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden: -Het belangrijkste rechtsgevolg is dat de vreemdeling niet langer op grond van artikel 8, onder f, Vw rechtmatig in Nederland verblijft. Dit laat onverlet dat er een andere grond kan zijn waarop de vreemdeling wel rechtmatig in Nederland verblijft. +• de vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag; +• de vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen; +• de vreemdeling heeft geweigerd deel te nemen aan een militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie. -### 2. Vertrektermijnen en inreisverboden +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling vreest voor een bestraffing vanwege dienstplichtweigering of desertie (zie ook Handboek UNHCR, paragrafen 167 tot en met 172) zonder dat daarbij sprake is van een discriminatoire behandeling. -Op grond van artikel 73, vijfde lid, Vw dient de vreemdeling, indien hij geen gebruik maakt van de mogelijkheid beroep in te stellen, na het verstrijken van de beroepstermijn Nederland onmiddellijk uit eigen beweging te verlaten. De rechtsgevolgen van de beschikking treden dus in werking onmiddellijk na het verstrijken van de beroepstermijn. - De algemene termijn voor het instellen van beroep is vier weken. Gedurende deze termijn heeft de vreemdeling nog rechtmatig verblijf. - - - Voor wat betreft de vertrektermijnen wordt verwezen naar artikel 62, Vw in combinatie met artikel 62 a, Vw. De vreemdeling wordt onder andere opgedragen onmiddellijk Nederland te verlaten, indien: - - - • - een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken; - - - • - hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. - - - - - Indien de afwijzende beschikking in de algemene asielprocedure in het AC is gegeven, geldt een vertrektermijn van vier weken. Gedurende deze vertrektermijn heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf, maar wel recht op opvang op grond van artikel 5 Rva. Dit laat onverlet dat de vreemdeling op grond van artikel 59 Vw in bewaring kan worden gesteld. In deze gevallen bedraagt de termijn voor het instellen van beroep op grond van artikel 69, tweede lid, Vw één week. De vreemdeling wordt terstond in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen. - - - Indien ten aanzien van de vreemdeling reeds eerder een terugkeerbesluit is uitgebracht, bijvoorbeeld bij de afwijzing van een eerdere aanvraag (asiel en regulier), wordt er niet opnieuw een terugkeerbesluit uitgebracht. Gelet op artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, krijgt de vreemdeling in een dergelijk geval geen nieuwe vertrektermijn. - In het geval de bij het eerste terugkeerbesluit gegeven vertrektermijn ongebruikt is verstreken, of in het geval aanleiding bestaat op grond van artikel 62, tweede lid, Vw om de vertrektermijn te verkorten, dan wel te bepalen dat de vreemdeling onmiddellijk Nederland moet verlaten, wordt aan het afwijzende besluit tevens een inreisverbod gekoppeld. Met betrekking tot de mogelijkheden om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt verwezen naar hoofdstuk A5. - -2012257008-02-201227-01-2012WBV2012/12012257008-02-201227-01-2012WBV2012/109-02-2012 +Een militaire actie geldt uitsluitend als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag, als de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering van de VN of de Algemene Raad/Raad van Ministers van de EU de militaire actie veroordeeld heeft. De militaire actie als zodanig moet daarbij worden aangemerkt als niet rechtmatig. -### 3. Beëindiging voorzieningen en bevoegdheid ontruimen +Een militaire actie geldt als strijdig met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict, als dit is vastgesteld door onder andere: -Op grond van artikel 45, eerste lid, onder c Vw worden na het verstrijken van de vertrektermijn de opvangvoorzieningen beëindigd conform het gestelde in de wet. Ambtenaren belast met vreemdelingentoezicht hebben op grond van artikel 45, eerste lid, onder d, Vw de bevoegdheid elke plaats te betreden, daaronder begrepen de woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten. Op grond van artikel 45, eerste lid, onder m Vw zijn toezichtsambtenaren bevoegd de opvangvoorziening van de vreemdeling te ontruimen (zie ook C23/3). +• de Veiligheidsraad; +• de Algemene Vergadering van de VN; +• een daartoe bevoegde rechtbank, zoals het Internationaal Gerechtshof in 's-Gravenhage, het Joegoslavië-tribunaal of het Rwanda-tribunaal. -### 4. Vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregelen +De IND beoordeelt de weigering van een vreemdeling deel te nemen aan een conflict tegen het volk waartoe de vreemdeling behoort, in samenhang met de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling de weigering om deel te nemen aan een conflict tegen het eigen volk niet heeft onderbouwd. -Indien de asielaanvraag is afgewezen, kunnen vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregelen worden opgelegd (zie hiervoor A6/4.3.5, A6/5.2 en A6/5.3.3.9). +De IND toetst alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd individueel, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR als vluchteling is erkend. -### 5. Rechtsmiddelen +De vreemdeling wordt niet verwijderd naar het land van herkomst, als de vertegenwoordiger van de UNHCR in Nederland heeft geoordeeld dat de vreemdeling op grond van zijn individuele verklaringen vluchteling is in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. -#### 5.1. Beroep +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als terugkeer naar een ander land mogelijk is, onder andere op grond van: -Als de asielzoeker tijdig beroep instelt bij de Rechtbank 's-Gravenhage, verblijft hij rechtmatig in Nederland op grond van artikel 8, onder h, Vw. Bovendien worden de rechtsgevolgen van de beschikking op grond van artikel 82, eerste lid, Vw opgeschort, behoudens de uitzonderingen hieronder genoemd. De asielzoeker is in alle gevallen verplicht medewerking te verlenen aan de voorbereiding van het vertrek of de uitzetting (zie artikel 61, tweede lid Vw, juncto artikel 63, derde lid, Vw). +• artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a of d, Vw; of +• artikel 31, eerste lid, aanhef en onder h of i, Vw. -Op grond van artikel 82, tweede en vierde lid, Vw wordt de werking van de beschikking niet opgeschort: +De IND neemt geen aanvraag in behandeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling, die zich voor bescherming meldt bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of een derde land. De vreemdeling wordt door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorverwezen naar de autoriteiten van het land, waar de vreemdeling zich bevindt of naar de UNHCR of UNDP. -• als de beschikking is gegeven tijdens de algemene asielprocedure; -• als de beschikking de afwijzing van een herhaalde aanvraag inhoudt; -• als de beschikking een afwijzing betreft op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw; -• als de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van artikel 6 of 59 Vw. +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien alle volgende voorwaarden van toepassing zijn: -Een tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening mag in beginsel worden afgewacht. Voor de gevallen waarin een verzoek om voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht wordt verwezen naar B1/10.6.4. +• de vreemdeling vreest bestraffing in zijn land van herkomst vanwege een commuun delict; +• de vrees voor bestraffing vanwege een commuun delict vormt de enige grondslag van de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -#### 5.2. Hoger beroep +Een commuun delict is een delict dat niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, en zonder dat daarbij sprake is van een onevenredige of discriminatoire maatregel vanwege een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. -Het instellen van hoger beroep bij de ABRvS schort de werking van de bestreden uitspraak niet op. +#### 3.3 -Een voorlopige voorziening kan bij de Voorzitter van de ABRvS aangevraagd worden om de werking van het bestreden besluit hangende het hoger beroep op te schorten. Voor de voorwaarden waaronder een verzoek om voorlopige voorziening mag worden afgewacht wordt verwezen naar B1/10.6.4. +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw als bij de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, en artikel 3.37b VV. -#### 5.3. Voorlopige voorziening +Het reëel risico kan aanwezig zijn op het moment van het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst, maar kan ook ontstaan na vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. -Indien een voorlopige voorziening wordt gevraagd tegen de voorgenomen uitzetting, zal de beslissing van de voorzieningenrechter daarop in de regel hier te lande mogen worden afgewacht, mits het verzoek daartoe tijdig is ingediend. +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, als artikel 3.105e, aanhef en onder e, Vb van toepassing is. -Voor de voorwaarden waaronder een verzoek om voorlopige voorziening mag worden afgewacht wordt verwezen naar B1/10.6.4. +Bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wordt ook de algemene gewelds- en mensenrechtensituatie in een land van herkomst betrokken. Hoe ernstiger de situatie van (willekeurig) geweld of de mensenrechtensituatie in en land van herkomst is, hoe eerder de IND kan concluderen dat de vreemdeling, gelet op zijn individuele feiten en omstandigheden bij terugkeer naar het land van herkomst een behandeling staat te wachten in strijd met artikel 3 EVRM. -#### 5.4. Klachten bij internationale instanties +De IND beoordeelt of sprake is van een situatie als beschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de hand van alle volgende elementen: -In het kader van de internationale bescherming van de rechten van de mens zijn verschillende verdragen tot stand gekomen. Nederland is partij bij de meeste van deze mensenrechtenverdragen. Aan een aantal van deze verdragen is de oprichting van een internationale instantie gekoppeld die toezicht houdt op de naleving van de verdragsbepalingen. Vreemdelingen die tevergeefs de nationale asielprocedure hebben doorlopen en met uitzetting worden bedreigd, kunnen zich in laatste instantie wenden tot één van deze internationale instanties. Enkele mensenrechtenverdragen bevatten namelijk bepalingen die Nederland expliciet of impliciet verbieden personen uit te zetten naar een land waar zij een reëel risico lopen op foltering of een andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. De met uitzetting bedreigde vreemdeling kan bij de desbetreffende instantie een klacht tegen de Nederlandse staat indienen en een beroep doen op de in het desbetreffende verdrag opgenomen bepaling. +• is in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land, sprake van een uitzonderlijke situatie, waarin personen louter door hun aanwezigheid in het land van herkomst, een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM; +• behoort de vreemdeling tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, indien geen sprake is van een uitzonderlijke situatie; +• komt de vreemdeling op grond van het beleid inzake de ‘kwetsbare minderheidsgroep’ in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 290, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien geen sprake is van een uitzonderlijke situatie en systematische blootstelling; +• heeft de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, indien geen van de voorgaande situaties zich voordoet. + +De IND toetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef onder b, Vw, aan de hand van vorenstaande volgorde. + +Er is sprake van een uitzonderlijke situatie >als bedoeld in artikel 3EVRM (en artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG) indien de algehele gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land zo uitzonderlijk slecht is dat voor elke vreemdeling, ongeacht de individuele omstandigheden bij terugkeer een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM aanwezig is (in de woorden van het EHRM: *most extreme cases of general violence*). De Minister is bevoegd een situatie in een land van herkomst aan te merken als uitzonderlijke situatie. + +Bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen: + +• de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen; +• de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen; +• de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk; +• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd. + +Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie. + +In het landgebonden beleid is opgenomen of er in een bepaald land sprake is van een uitzonderlijke situatie. + +Het individualiseringsvereiste beperkt zich tot het aannemelijk maken van het behoren tot de bevolkingsgroep of sociale groep, die systematisch een reëel risico loopt op daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw. + +In het landgebonden beleid is opgenomen of er in een bepaald land ten aanzien van een bevolkingsgroep of sociale groep sprake is van systematische blootstelling aan daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. + +De Minister is bevoegd om een bevolkingsgroep in een land van herkomst aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. + +Bij de vraag of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid, worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen: + +• de vraag of er sprake is van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen in het land of in een bepaald gebied van dit land, zoals moord, verkrachting en mishandeling; +• de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, effectieve bescherming kan inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschendingen (zie artikel 3.37c VV); +• de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, zich kan onttrekken aan dreigend geweld of mensenrechtenschendingen door zich elders te vestigen (zie artikel 3.37d VV). + +In het landgebonden beleid is opgenomen, of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid. Een kwetsbare minderheidsgroep wordt onderscheiden van risicogroepen (zie paragraaf C2/3,2 Vc). + +Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen niet tot wat de vreemdeling persoonlijk heeft ondervonden. De IND weegt op basis van de verklaringen van de vreemdeling mee wat personen in de naaste omgeving van de vreemdeling die behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep aan mensenrechtenschendingen hebben ondervonden. De vreemdeling hoeft in dit geval niet aannemelijk te maken dat de mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep. Deze mensenrechtenschendingen kunnen ook hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst, nadat de vreemdeling al uit het land was vertrokken. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de vreemdeling die behoort tot een kwetsbare minderheid, als in ieder geval: + +• sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de mensenrechtenschendingen en het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst; +• de vreemdeling gedurende de periode van aanzienlijk tijdsverloop geen nieuwe problemen heeft ondervonden. + +Het individualiseringsvereiste is in alle overige gevallen van toepassing. De vreemdeling moet specifieke individuele kenmerken *(special distinguishing features)* naar voren brengen, waaruit het reëel risico op een behandeling in de zin van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw valt af te leiden. + +De IND verleent een vrouw, die zich beroept op een vrees voor genitale verminking, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: + +• er een reëel risico bestaat op genitale verminking bij vrouwen; +• artikel 3.37c VV niet van toepassing is; +• artikel 3.37d VV niet van toepassing is. + +De IND beoordeelt op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw vanwege een reëel risico op genitale verminking bij vrouwen. + +De IND weegt daarbij mee de algemene informatie over genitale verminking bij vrouwen in het land van herkomst. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken. + +De IND verleent bij een gegronde vrees voor genitale verminking de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw uitsluitend aan: + +• meisjes die het land van herkomst hebben verlaten vanwege een reëel risico op genitale verminking; +• meisjes die in Nederland zijn geboren en bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico lopen op genitale verminking; +• de ouder van het meisje aan wie de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw heeft verleend. + +In afwijking van het voorgaande verleent de IND bij een beroep op vrees voor genitale verminking in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, aan: + +• de ouder die de genitale verminking zelf uitvoert of de uitvoering ervan mogelijk maakt; +• de ouder die Nederland inreist nadat de dochter al in het bezit is gesteld van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw; +• andere familieleden. + +### 4. Nationale bescherming + +#### 4.1 + +De IND verleent uitsluitend in de volgende gevallen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw indien: + +• de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid; +• er sprake is van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, anders dan traumata, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en verband houden met het asielrelaas; +• de vreemdeling behoort tot een specifieke groep, die door de Minister is vastgesteld. + +Het traumatabeleid is alleen van toepassing op aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + +Het traumatabeleid biedt bescherming aan de vreemdeling die geconfronteerd is met een gebeurtenis waarvan de IND aanneemt dat die door de vreemdeling als traumatiserend wordt ervaren, terwijl als gevolg van de situatie in het land van herkomst kan worden aangenomen dat daders van deze mensenrechtenschendingen in het land van herkomst ongestraft blijven. In dat geval kan van de vreemdeling niet verlangd worden, dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst. + +De grondslag van het traumatabeleid is niet het (al dan niet medisch aangetoonde) trauma van de vreemdeling, maar de traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst. + +De vreemdeling moet aan alle volgende voorwaarden voldoen. De IND stopt de beoordeling zodra duidelijk is dat de vreemdeling niet aan alle voorwaarden voldoet. + +Het betreft uitsluitend traumatische gebeurtenissen die zijn veroorzaakt door: + +• de autoriteiten van het land van herkomst; +• door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan; +• door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. + +Uitsluitend de volgende traumatische gebeurtenissen kunnen voor de IND aanleiding geven een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, op grond van het traumatabeleid, te verlenen: + +• de gewelddadige dood van naaste familieleden of huisgenoten van de vreemdeling; +• de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en de vreemdeling; +• substantiële niet-strafrechtelijke detentie van de vreemdeling; +• marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van de vreemdeling; +• het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten van de vreemdeling; +• het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat er een hechte relatie bestond tussen de verwant of vriend en de vreemdeling. + +De IND hanteert voor de definitie van marteling artikel 1 van het Anti-folterverdrag. + +De IND verstaat onder ernstige mishandeling het opzettelijk toebrengen van pijn en leed dat zwaar lichamelijk of geestelijk letsel tot gevolg heeft. + +De IND beoordeelt de verklaringen van de vreemdeling op de gebruikelijke wijze ten aanzien van de geloofwaardigheid en aannemelijkheid (zie paragraaf C1/3 Vc). Ten aanzien van de beoordeling van de consistentie van de verklaringen houdt de IND rekening met de geestelijke gesteldheid van de vreemdeling. + +De IND volgt de vreemdeling in zijn verklaringen, die niet volledig consistent zijn, als: + +• sprake is van geloofwaardige verklaringen op andere onderdelen dan de traumatische gebeurtenis; +• de verklaringen overeenkomen met de algemene informatie over de situatie in het land van herkomst; +• de vreemdeling zo mogelijk zijn verklaringen met documenten onderbouwt. + +De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, op grond van het traumatabeleid, aan de vreemdeling, die verder voldoet aan alle volgende voorwaarden: + +• de vreemdeling is geconfronteerd met een traumatische gebeurtenis in het land van herkomst, waarbij de daders van die gebeurtenissen in het land van herkomst niet bestraft worden; +• de vreemdeling heeft aannemelijke verklaringen afgelegd over de traumatische gebeurtenis; +• de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de traumatische gebeurtenis aanleiding is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst; +• de IND verlangt niet dat de vreemdeling vanwege de traumatische gebeurtenis terugkeert naar het land van herkomst. + +De IND onderzoekt bij de toets aan de beleidsregel met voornoemde voorwaarden of plegers van traumatische gebeurtenissen in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst. Onder meer uit het bestaan van een doeltreffend systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing kan blijken of plegers van traumatische gebeurtenissen in het algemeen worden bestraft. + +De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c in dit kader ook, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: + +• er heeft vóór het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst een regimewisseling in het land van herkomst van de vreemdeling plaatsgevonden; +• de vreemdeling heeft het land van herkomst binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis verlaten; +• de vreemdeling voldoet aan de overige voorwaarden van het traumatabeleid. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw. op grond van de omstandigheid dat een vreemdeling een medische verklaring over zijn trauma heeft overgelegd. De vreemdeling moet zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis en dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. De bewijslast hiervoor berust bij de vreemdeling. Het causale verband tussen traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek wordt aangenomen, als de vreemdeling binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, op grond van het traumatabeleid aan de vreemdeling die na een termijn van meer dan zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. De IND neemt dan aan dat de vreemdeling zich in het land van herkomst heeft kunnen handhaven en dat de traumatische gebeurtenis daarom niet in de weg staat aan terugkeer naar het land van herkomst. + +Uitzondering hierop is de situatie dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling het land van herkomst buiten zijn schuld niet in staat is geweest om binnen de termijn van zes maanden te verlaten en er een verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, op grond van het traumatabeleid, als in ieder geval de volgende situaties zich voordoen: + +• de vreemdeling heeft het land van herkomst na een termijn van meer dan zes maanden sinds de traumatische gebeurtenis verlaten; +• na het vertrek van de vreemdeling heeft een regimewisseling in het land van herkomst van de vreemdeling plaatsgevonden. + +De voorwaarden met betrekking tot het traumatabeleid zijn van overeenkomstige toepassing als de vreemdeling meer dan zes maanden na zijn vertrek uit het land van herkomst in een derde land heeft verbleven. De vreemdeling moet in dat geval aannemelijk maken dat de vreemdeling zich in het derde land niet kon handhaven. + +De IND toetst niet of wedertoelating van de vreemdeling tot het derde land mogelijk is. Als terugkeer naar het derde land niet mogelijk is dan zal terugkeer van de vreemdeling naar het land van herkomst moeten plaatsvinden. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c Vw, als sprake is van een vestigingsalternatief voor de vreemdeling (zie paragraaf C2/6.1 Vc). Artikel 3.37c VV is van overeenkomstige toepassing. + +De IND werpt het vestigingsalternatief ook tegen als de pleger van de traumatische gebeurtenissen in andere delen van het land geen macht uitoefent en de centrale overheid bescherming kan bieden. + +De IND past het vestigingsalternatief niet toe en verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, als de vreemdeling aan alle overige voorwaarden van het traumatabeleid voldoet en voldoet aan de volgende voorwaarden: + +• de vreemdeling in het gebied dat geldt als vestigingsalternatief voor de vreemdeling het risico loopt geconfronteerd te worden met de plegers van de traumatische gebeurtenis, omdat de autoriteiten in het land van herkomst de plegers van traumatische gebeurtenissen in het algemeen niet bestraft; +• de traumatische gebeurtenissen hebben plaatsgevonden door toedoen van de centrale autoriteiten, terwijl de centrale autoriteiten ook de macht uitoefenen in het gebied dat geldt als vestigingsalternatief voor de vreemdeling. + +De vereisten van paragraaf C2/6.1 onder a, b en c, Vc (‘beschermingsalternatief’)zijn van overeenkomstige toepassing. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw indien sprake is van: + +• de derdelandenexceptie als bedoeld in paragraaf C2/6.2.4 Vc en C2/6.2.5 Vc; +• een contra-indicatie als bedoeld in paragraaf C2/5 Vc en C2/6 Vc. + +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw aan de vreemdeling, van wie de terugkeer naar het land van herkomst niet wordt verland vanwege bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: + +• de klemmende redenen van humanitaire aard houden verband met de redenen van vertrek; +• de klemmende redenen van humanitaire aard houden verband met het asielrelaas. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw in ieder geval in de volgende situaties, als de klemmende redenen van humanitaire aard: + +• betrekking hebben op hoge leeftijd of lichamelijke klachten van de vreemdeling; +• betrekking hebben op de algemene humanitaire situatie in het land van herkomst; +• zijn ontstaan na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. + +Er kan ook sprake zijn van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard hebben, als de IND in een individuele zaak het verblijfsalternatief aan de vreemdeling heeft tegengeworpen (zie paragraaf C2/6.2.6 Vc). + +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw aan de vreemdeling die in het land van herkomst een verblijfsalternatief heeft, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden: + +• de individuele klemmende redenen van humanitaire aard hebben er toe geleid dat de vreemdeling niet in staat was naar het verblijfsalternatief te vertrekken; +• de individuele klemmende redenen van humanitaire aard houden verband met de redenen van vertrek uit het gebied in het land van herkomst, waar de vreemdeling oorspronkelijk vandaan komt. + +De IND beoordeelt deze voorwaarden in onderlinge samenhang. + +De omstandigheid dat de de vreemdeling geen banden heeft met het verblijfsalternatief of er nooit heeft verbleven vormt geen reden voor de IND om de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw te verlenen. + +De IND beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw wegens individuele klemmende redenen van humanitaire aard, nadat de IND heeft vastgesteld dat de vreemdeling in ieder geval niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van: + +• artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw; +• artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw op grond van het traumatabeleid. + +De Minister kan in het beleid een specifieke groep aanwijzen die om andere redenen dan op grond van het traumatabeleid in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Verwezen wordt naar het landgebonden beleid, waarin het beleid per land is uitgewerkt. + +#### 4.2 + +Het wettelijk kader voor de toepassing van categoriale bescherming staat beschreven in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw. + +De Minister is op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw bevoegd tot het instellen van een beleid van categoriale bescherming. De Minister weegt de indicatoren uit artikel 3.106 Vb bij zijn besluit om voor een bepaald land of voor een bepaald deel van een land een beleid van categoriale bescherming in te stellen, voort te zetten of in te trekken. Elk van de indicatoren kan de doorslag geven op de vraag of de Minister een beleid van categoriale bescherming instelt of niet (meer) instelt. + +De Minister beziet de vraag of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd, in een bredere context. + +Alternatieven voor een beleid van categoriale bescherming kunnen gelegen zijn in het voeren van een besluit- of vertrekmoratorium. De Minister kan ook (tijdelijk) afzien van het instellen van een beleid van categoriale bescherming, in ieder geval in afwachting van: + +• nader onderzoek naar de situatie in het land van herkomst; +• (nieuwe) ontwikkelingen in de algemene situatie in het land van herkomst. + +Aan de weging van de indicatoren uit artikel 3.106 Vb worden nadere beleidsregels ten grondslag gelegd. + +Bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming moet worden ingesteld, wordt een combinatie van de volgende vier factoren betrokken, die een rol spelen bij de aard van het geweld in een (deel van een) land van herkomst: + +• de ernst van schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht; +• de mate van willekeur van dit geweld; +• de mate waarin het geweld voorkomt; +• de mate van geografische spreiding van het geweld. + +De Minister betrekt bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming moet worden ingesteld het algemene ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land van herkomst. De Minister kan ook gebruik maken van andere openbare informatie uit objectieve bronnen. + +Als ernstige schendingen van mensenrechten gelden de schending van de fysieke integriteit en de schending van het oorlogsrecht. Het bestaan van stelselmatige achterstelling of corruptie vormt geen onderdeel voor de vraag of een beleid van categoriale bescherming moet worden ingesteld. + +Bij de mate van willekeur van het geweld is de ongerichtheid en de onvoorspelbaarheid van het geweld van belang, in de zin dat het moet gaan om een uitzonderlijke mate van willekeur, waar elke (onschuldige) burger het slachtoffer van kan worden. + +Bij de mate waarin het geweld voorkomt is de vraag relevant hoe grootschalig het geweld voorkomt en hoe groot het risico is dat een willekeurige burger slachtoffer wordt van het geweld. In ieder geval twee situaties zijn te onderscheiden: + +• een extreem repressief regime; +• een land in (burger)oorlog. + +Het bestaan van een repressief regime of de omstandigheid dat een land in burgeroorlog verkeert, vormt op zichzelf onvoldoende reden om een beleid van categoriale bescherming in te stellen. Het gaat om de vraag of sprake is van onverantwoorde risico's bij terugkeer vanwege het repressieve regime of de oorlogssituatie. Voor de instelling van een beleid van categoriale bescherming is het in ieder geval van belang in hoeverre de (de facto) autoriteiten: + +• een ernstige inbreuk op de mensenrechten plegen of toestaan; +• het geweld hebben geïnstitutionaliseerd; +• het oorlogsrecht schenden, in de mate dat het dagelijks leven in het land zodanig ontwricht is, dat humanitair onverantwoorde risico’s optreden; +• onvoldoende bescherming kunnen bieden tegen het oorlogsgeweld of banditisme ten gevolge van de burgeroorlog. + +De Minister hoeft geen beleid van categoriale bescherming in te stellen, indien alle volgende situaties van toepassing zijn: + +• het geweld tot een bepaald gebied is beperkt; +• het reizen van dit gebied naar andere gebieden in het land in het algemeen geen problemen oplevert. + +Voor de situatie dat een verblijfsalternatief elders in het land beschikbaar is, wordt verwezen naar paragraaf C2/6.2.6 Vc (onder verblijfsalternatief). + +De Minister houdt bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming ingesteld moet worden, in ieder geval rekening met: + +• de aanwezigheid en activiteiten in het land van herkomst van VN-organisaties (zoals UNDP, UNICEF, WHO); +• activiteiten van de UNHCR met betrekking tot repatriëring en ondersteuning bij spontane terugkeer naar het land van herkomst van ontheemden en vluchtelingen; +• de leidende en coördinerende rol van UNHCR in de uitvoering van een gefaseerde en ordelijke terugkeer van ontheemden en vluchtelingen; +• de aanwezigheid en activiteiten van internationale hulporganisaties (zoals Internationale Rode Kruis, Artsen zonder Grenzen); +• de mate van veroordeling van de situatie in een land van herkomst door de internationale gemeenschap, zoals in conclusies in resoluties van de belangrijkste organen van de VN. + +De Minister houdt bij de vraag of in verband met het beleid in andere landen van de EU een beleid van categoriale bescherming ingesteld moet worden, in ieder geval rekening met de mate van homogeniteit van het beleid tussen de landen, waarvan het beleid wordt onderzocht. + +De Minister kan in ieder geval om de volgende redenen het beleid van een land van de EU onderzoeken: + +• het land ligt in de nabijheid van het Nederland; +• het land lijkt voor wat betreft asielpopulatie op Nederland. + +De IND verleent aan de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw indien voldaan wordt aan alle volgende voorwaarden: + +• de Minister heeft op grond van de indicatoren van artikel 3.106 Vb het besluit genomen om voor een bepaald land of een deel van een land een beleid van categoriale bescherming in te stellen; +• de vreemdeling heeft de nationaliteit van het land, waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt; +• er is geen twijfel over de identiteits- en nationaliteitsgegevens van de vreemdeling; +• de vreemdeling heeft geen verblijfsalternatief in een ander deel in het land van herkomst (zie paragraaf C2/6.2.6 Vc). + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw, als de gronden om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen als beschreven in paragraaf C2/5 en C2/6 Vc daartoe aanleiding geven. + +De IND trekt een verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw, in of wijst een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af, indien in ieder geval de volgende gronden zich voordoen: + +• de gronden als beschreven in paragraaf C2/8 Vc; +• de vreemdeling voldoet niet meer aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw. + +#### 4.3 + +Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden staat beschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw. + +De houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘hoofdpersoon’. + +De termijn van drie maanden, zoals die in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw wordt genoemd, start op het moment dat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend door de IND. + +Het verzoek om een afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden is tijdig ingediend, als binnen de termijn van drie maanden: + +• de hoofdpersoon in Nederland vraagt om een verzoek om advies voor de afgifte van een mvv aan zijn gezinsleden bij het Hoofd van de Visadienst; +• de nareizende gezinsleden een aanvraag indienen voor een mvv bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging. + +De IND beschouwt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook als tijdig ingediend, zoals bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw, als de gezinsleden eerder dan de hoofdpersoon Nederland zijn ingereisd. + +De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw uitsluitend als de hoofdpersoon zijn gezinsleden ook heeft genoemd tijdens zijn asielprocedure. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan het gezinslid van een vreemdeling, die: + +• zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd; +• in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw. + +De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als de kinderen feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. Deze situatie moet zich al hebben voorgedaan voor het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst. + +Onder kinderen worden begrepen biologische kinderen van één van de beide echtgenoten of partners uit een eerder huwelijk of eerdere relatie. + +Kinderen behoren niet feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon, als in ieder geval de volgende situaties zich voordoen: + +• de kinderen zijn duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon; +• de kinderen zijn zelfstandig gaan wonen; +• de kinderen hebben een eigen gezin gevormd door een huwelijk of het aangaan van een relatie. + +In aanvulling hierop komen niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen bovendien niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als deze kinderen na vertrek van de hoofdpersoon zijn opgenomen in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon. + +De hoofdpersoon in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen al in het land van herkomst tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De hoofdpersoon onderbouwt dit met documenten. De hoofdpersoon moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen, als de hoofdpersoon de feitelijke gezinsband met zijn kinderen niet met documenten kan onderbouwen. + +Vorenstaande is ook van toepassing op niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen. + +De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als het huwelijk of partnerschap al bestond voor het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst. De IND beschouwt een traditioneel huwelijk, dat in het land van herkomst is gesloten als een partnerschapsrelatie. Een traditioneel huwelijk dat in het land van herkomst is gesloten, wordt niet gezien als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als de hoofdpersoon in Nederland al duurzaam samenleeft met een andere man of vrouw. + +De hoofdpersoon en zijn echtgeno(o)t(e) of partner moeten aannemelijk maken dat er in het buitenland al sprake is geweest van samenwoning. Indien in het buitenland geen samenwoning heeft plaatsgevonden, dan moeten de hoofdpersoon en zijn echtgeno(o)t(e) of partner hiervoor een aannemelijke verklaring geven. + +De IND beoordeelt of sprake is van minderjarigheid of meerderjarigheid naar Nederlands recht (zie artikel 1.233 Burgerlijk Wetboek). + +Voor onderzoek naar de feitelijke gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar paragraaf C1/3 Vc. + +De IND beschouwt een pleegkind als alleenstaande minderjarige vreemdeling, als na aankomst in Nederland alsnog blijkt dat het pleegkind in het buitenland niet feitelijk tot het gezin behoord heeft. Het pleegkind dat door de IND wordt beschouwd als alleenstaande minderjarige vreemdeling moet zelf alsnog een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen. Uitzondering hierop is de situatie dat het pleegkind de eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gelijktijdig met zijn pleegouders zelf heeft ondertekend. + +Paragraaf B3 Vc is van overeenkomstige toepassing. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de biologische ouder(s) in het land van herkomst geen toestemmingsverklaring heeft afgegeven met het oog op het vertrek van de kinderen naar Nederland. + +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, uitsluitend als: + +• de hoofdpersoon documenten heeft overgelegd, waarom de biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen; +• de hoofdpersoon aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt, indien de hoofdpersoon het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen; +• de kinderen voldoen aan de overige voorwaarden uit deze paragraaf (C2/4.3 Vc). + +Voor de beoordeling van aanvragen van gezinsleden in relatie tot artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt verwezen naar paragraaf C2/5.2.8 Vc (‘gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag’) + +### 5. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (imperatief) + +#### 5.1. Een ander land is verantwoordelijk ( + +In deze paragraaf wordt gesproken over ‘asielverzoek’, omdat verordening 343/2003 deze terminologie gebruikt (zie artikel 2, onder c, Verordening 343/2003). + +Het begrip asielverzoek onderscheidt zich van het begrip aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van de Vw, die alleen schriftelijk met een vastgesteld model kan worden ingediend. + +Onder ‘wettig’ in de zin van artikel 6, verordening 343/2003/EG verstaat de IND: rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vw. + +De IND acht het op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek uitsluitend ‘in het belang van de minderjarige’ als in ieder geval aan alle volgende voorwaarden is voldaan: + +• de gezinsband in de zin van verordening 343/2003/EG is aangetoond; +• er bestaat geen vermoeden van mishandeling of misbruik van de minderjarige door het gezinslid; en +• het gezinslid is in staat en bereid om voor de minderjarige te zorgen. + +De IND maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het asielverzoek hier te lande te behandelen op grond van artikel 3, tweede lid, verordening 343/2003/EG, in gevallen dat Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht is om het asielverzoek in Nederland te behandelen. + +De IND gebruikt die bevoegdheid in ieder geval in de volgende situaties: + +• er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; +• bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de asielzoeker aan de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. + +De IND maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid, al dan niet op verzoek van een andere lidstaat, gezins- of familieleden te herenigen en een asielverzoek hier te lande te behandelen op grond van artikel 15, eerste lid, tweede lid of derde lid, verordening 343/2003/EG, in gevallen dat Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht is om het asielverzoek in Nederland te behandelen + +De IND gebruikt die bevoegdheid in ieder geval in de volgende situaties: + +• het gezinslid van de asielzoeker als bedoeld in artikel 7 verordening 343/2003/EG is niet toegelaten als vluchteling, maar is wel in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, Vw; +• een bijzonder samenstel van factoren maakt dat de behandeling van het asielverzoek in Nederland in de rede ligt. + +De IND acht de hereniging van een alleenstaande minderjarige met een familielid op grond van artikel 15, derde lid verordening 343/2003/EG uitsluitend ‘in het belang van de minderjarige’ als in ieder geval aan alle volgende voorwaarden is voldaan: + +• de familieband is aangetoond; +• er bestaat geen vermoeden van mishandeling of misbruik van de minderjarige door het familielid; en +• het familielid is in staat en bereid om voor de minderjarige te zorgen. + +De IND verstaat onder ‘de omstandigheden die er toe hebben geleid dat de familieleden van elkaar werden gescheiden’ als bedoeld in artikel 11, derde lid verordening 1560/2003/EG in ieder geval: + +• onderbrekingen van de gezamenlijke reis door ziekte; +• calamiteiten; +• andere omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de familieleden liggen. + +#### 5.2. De vreemdeling is al in procedure ( + +Alvorens de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen op grond van artikel 30, eerste lid onder c Vw, wijst de IND de vreemdeling in ieder geval op de mogelijkheid om de volgende procedures in te trekken: + +• de eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• de eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd; +• het tegen de afwijzing van de aanvraag ingediende bezwaar of beroep. + +### 6. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (facultatief) + +#### 6.1. Er is geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd + +De IND beoordeelt de vraag of bescherming van de vreemdeling in de zin van artikel 3.37c, eerste lid, VV mogelijk is, op het moment waarop de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd plaatsvindt. + +Bij de beoordeling of de staat aan de vreemdeling bescherming kan bieden zoals bedoeld in artikel 3.37c, eerste lid, onder a, VV gelden de volgende twee regels. + +Als de dreiging uitgaat van een individu (of een groep individuen) die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar waarbij verwacht kan worden dat een meerdere van dat individu (of de groep individuen) de dreiging niet steunt en daartegen wil en kan optreden, moet de vreemdeling de bescherming van die meerdere zoeken. + +Als de dreiging uitgaat van de lokale autoriteiten terwijl aangenomen kan worden dat de centrale autoriteiten hiertegen bescherming willen en kunnen bieden, moet de vreemdeling de bescherming van die centrale autoriteiten zoeken. + +Onder de in artikel 3.37c, eerste lid, onder b, VV genoemde internationale organisaties verstaat de IND uitsluitend een stabiele, op een staat gelijkende autoriteit, die in ieder geval; + +• zeggenschap heeft over het grondgebied van het desbetreffende land; en +• bereid en in staat is om individuen te beschermen op soortgelijke wijze als een internationaal erkende staat. + +De IND beschouwt in ieder geval de volgende organisaties als internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.37c, eerste lid, onder b, VV: + +• VN; +• NAVO. + +Een maatregel als bedoeld in artikel 3.37c, tweede lid, VV is redelijk als deze: + +• in relatie staat tot de dreiging; +• inhoudt dat aan de vreemdeling bescherming voor de direct voorzienbare toekomst kan worden geboden. + +Bij de beoordeling van de mogelijkheid van bescherming moet in eerste instantie de vreemdeling zelf aannemelijk maken dat hem geen bescherming kan worden geboden. Afhankelijk van de individuele situatie van de vreemdeling en de algehele situatie in het land van herkomst kan de bewijslast meer naar de zijde van de Nederlandse overheid verschuiven. + +De IND betrekt bij de beoordeling of de autoriteiten in het land van herkomst in staat of bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval: + +• de individuele verklaringen van de vreemdeling, dat de vreemdeling geen bescherming wordt geboden; +• de omstandigheid dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling tevergeefs de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen; +• informatie over de algemene situatie in het land van herkomst aan de hand van ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties. + +De vreemdeling hoeft niet aannemelijk te maken dat hem geen bescherming kan worden geboden, als sprake is van tenminste één van de volgende situaties: + +• uit algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is; +• uit algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst blijkt dat een verzoek om bescherming bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is. + +Uitzondering op deze regel is de omstandigheid dat uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat de autoriteiten in zijn geval wel bescherming hebben geboden of bereid waren bescherming te bieden aan de vreemdeling. + +Als uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming niet eenvoudig kan worden verkregen, moet de vreemdeling aannemelijk maken dat bescherming in zijn geval in het geheel niet kan worden verkregen. Wel kan in dat geval de algemene informatie aanleiding zijn eerder te oordelen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat bescherming niet mogelijk is. + +Als de vreemdeling stelt dat het inroepen van bescherming gevaarlijk zou zijn, maar dit niet al uit openbare, objectieve bron blijkt, moet de vreemdeling dit voor zijn individuele situatie aannemelijk maken. + +Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland behoeft tegen dreigende vervolging, mensenrechtenschending of de algehele situatie in het land van herkomst, beoordeelt de IND in alle gevallen of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft door zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken. + +De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht-, vestigings- en verblijfsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden. + +De term vluchtalternatief gebruikt de IND bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. + +De term vestigingsalternatief gebruikt de IND voor de volgende twee situaties: + +• bij bescherming van de vreemdeling tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing; +• bij bescherming van de vreemdeling tegen de confrontatie met ongestraft gebleven daders op grond van het beleid inzake traumata. + +De term verblijfsalternatief gebruikt de IND bij bescherming van vreemdeling tegen de slechte algehele situatie in een deel van het land van herkomst en speelt een rol bij de beoordeling of een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is. + +De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief en verwacht van de vreemdeling dat hij zich naar dat andere gebied in het land van herkomst begeeft als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: + +a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waarvoor de vreemdeling geen risico bestaat op gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat; +b. de vreemdeling kan op veilige wijze toegang tot dat gebied in het land van herkomst verkrijgen; +c. de vreemdeling kan zich in het gebied in het land van herkomst vestigen en van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft. + +Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet bestaat, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. + +Als de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2004/83/EG in een bepaald gebied en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverkort van toepassing. + +Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt. + +De bescherming die de vreemdeling in het gebied verkrijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben verkregen. + +De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie. + +Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling acht de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen. + +De IND beoordeelt een vlucht-, of vestigingsalternatief pas nadat is vastgesteld dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging op basis van een van de in het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden of een reëel risico in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. + +De Minister bepaalt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare informatie of een vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is. De vreemdeling moet vervolgens aannemelijk maken dat het vlucht- of vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet verlangd kan worden dat hij zich vestigt in een ander gebied in het land van herkomst. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw als er concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling na indiening van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar zijn land van herkomst is terug geweest. + +#### 6.2. De specifieke afwijzingsgronden + +##### 6.2.1. Zonder geldige reden niet beschikbaar gehouden + +De IND werpt een vreemdeling tegen dat hij niet is verschenen voor het nader gehoor als is voldaan aan de volgende twee voorwaarden: + +• de IND heeft de vreemdeling voor de tweede maal opgeroepen voor het nader gehoor, om de gelegenheid te geven zich nader te verklaren over het niet-verschijnen bij het nader gehoor; en +• de vreemdeling heeft geen geldige reden aangevoerd voor het niet-verschijnen bij het nader gehoor. + +##### 6.2.2. Niet onverwijld gemeld + +De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij geen geldig document voor grensoverschrijding bezit als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen. + +##### 6.2.3. Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd + +Het wettelijk kader met betrekking tot het toerekenbaar niet of onvoldoende overleggen van documenten staat beschreven in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw + +Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond betrekt de IND alle volgende elementen: + +• identiteit; +• nationaliteit; +• reisroute; en +• asielrelaas van de vreemdeling. + +Documenten die deze vier elementen onderbouwen beschouwt de IND als noodzakelijke documenten in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f Vw. + +De documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moeten officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling. + +Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval: + +• een paspoort; +• een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven document met pasfoto waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit. + +Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval: + +• documenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland (echte, valse of vervalste documenten voor grensoverschrijding); +• alle andere documenten op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd. + +Dit zijn alle documenten die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van verordening 343/2003/EG en verordening 1560/2003/EG. + +Onder documenten die het asielrelaas onderbouwen verstaat de IND documenten ter staving van hetgeen de vreemdeling stelt te hebben meegemaakt in het land van herkomst. + +Als de IND vaststelt dat ten aanzien van in ieder geval één van de vier elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas van de vreemdeling documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de vreemdeling, mag de IND de conclusie trekken dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten. + +De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe rekenen als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: + +• de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas en over het ontbreken van de documenten zijn consistent, geloofwaardig, gedetailleerd en verifieerbaar; +• deze verklaringen komen overeen met hetgeen overigens bekend is met betrekking tot de identiteit, nationaliteit, reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. + +Onder ‘hetgeen overigens bekend is’ verstaat de IND bij het ontbreken van documenten met betrekking tot de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in ieder geval: + +• de situatie in het land van herkomst; +• de onderzoeksresultaten na het controleren van de registratiesystemen (registratie van de vreemdeling in Nederland en eventuele bekendheid van de vreemdeling bij andere lidstaten van de EU). + +Bij het ontbreken van documenten die zien op de reisroute van de vreemdeling verstaat de IND onder ‘hetgeen overigens bekend is’ alle informatie die betrekking heeft op reizen naar Nederland. + +Het is in beginsel niet geloofwaardig dat een vreemdeling geen enkel bewijs van zijn reis over kan leggen. + +Bij het ontbreken van documenten die zien op het asielrelaas van de vreemdeling verstaat de IND onder ‘hetgeen overigens bekend is’ openbare informatie uit objectieve bron over de situatie in het land van herkomst. + +Voordat kan worden overgegaan tot de beoordeling van het asielrelaas moet de IND eerst de identiteit, de nationaliteit en de reisroute van de vreemdeling zoveel mogelijk vaststellen. Als (een van) deze eerste drie elementen niet (kan) kunnen worden vastgesteld vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten, heeft dit ook gevolgen voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. + +Als de vreemdeling documenten in Nederland verliest, of in enig ander land waar hij veilig was, is in beginsel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten. + +Als de vreemdeling verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent is sprake van toerekenbaar ontbreken van documenten. + +Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat de documenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen. + +##### 6.2.4. Veilig land van herkomst en veilig derde land + +De IND wijst een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, Vw respectievelijk artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw als de vreemdeling afkomstig is uit of heeft verbleven in een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet nakomt. + +Bij de beantwoording van de vraag of het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar de vreemdeling heeft verbleven ten aanzien van de vreemdeling zijn verdragsverplichting niet nakomt, geldt een tussen de IND en de vreemdeling een gedeelde bewijslast: + +• de vreemdeling moet onderbouwen dat het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar hij heeft verbleven de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt; +• de IND onderzoekt of het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar de vreemdeling heeft verbleven in de praktijk de verdragsverplichtingen nakomt. + +De IND neemt in ieder geval in de volgende situaties aan dat een land van herkomst of een derde land zijn verdragsverplichtingen niet nakomt: + +• landen waarop artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw (categoriale bescherming) van toepassing is; +• landen waarop een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is; +• landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden. + +De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen af op grond van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw als de vreemdeling heeft verbleven in een veilig derde land. Deze regel is niet van toepassing als de vreemdeling het veilige derde land is doorgereisd zonder daar te verblijven. Er is sprake van verblijf van de vreemdeling in een veilig derde land als uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen. + +De IND neemt in ieder geval aan dat een vreemdeling geen intentie had om naar Nederland te reizen, als de vreemdeling gedurende twee weken of langer in een veilig derde land heeft verbleven. + +Deze regel gaat niet op als uit objectieve feiten of omstandigheden (bijvoorbeeld uit documenten) blijkt dat de vreemdeling in het land van herkomst wel de intentie had om naar Nederland te reizen. + +##### 6.2.5. Land van eerder verblijf + +Nadat de IND heeft vastgesteld dat artikel 31, tweede lid, onder h Vw niet van toepassing is, onderzoekt de IND of er een ‘land van eerder verblijf’ is, welk derde land de vreemdeling toe laat totdat hij in een ander land duurzame bescherming heeft gevonden. De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i Vw afwijzen, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: + +• de vreemdeling is vanuit zijn land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland gekomen en had voor zijn komst bescherming tegen refoulement in een derde land of had daar bescherming kunnen hebben; +• de vreemdeling verbleef of had kunnen verblijven in het derde land onder lokaal als normaal aan te merken omstandigheden. + +De IND stelt vast dat er een land van eerder verblijf is, als uit objectieve feiten of omstandigheden blijkt dat de vreemdeling voordat deze in Nederland aankwam in een derde land heeft verbleven en daar niet de intentie had om naar Nederland te reizen. + +De IND concludeert dat de vreemdeling geen intentie had tot doorreis naar Nederland indien er sprake is van een van de situaties zoals beschreven in paragraaf C2/6.2.4 Vc onder ‘doorreis en verblijf’. + +De IND stelt vast dat de vreemdeling door het derde land duurzaam wordt beschermd tegen refoulement in in ieder geval de volgende situatie: + +• het land van eerder verblijf is partij bij het Vluchtelingenverdrag en leeft dit verdrag na. Daarnaast moet blijken dat het land van eerder verblijf aan de vreemdeling toegang zal verschaffen. Dit laatste blijkt uit een schriftelijke verklaring van het land van eerder verblijf, of uit andere bronnen. + +Indien het land van eerder verblijf geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag of dit verdrag niet te goeder trouw naleeft, dan is in ieder geval sprake van duurzame bescherming indien: + +• de vreemdeling in het land van eerder verblijf beschikt over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending; +• de IND aantoont dat de vreemdeling een verblijfstitel kan verkrijgen; +• de vreemdeling langdurig verbleven heeft in het derde land, zonder dat hij een geldige verblijfstitel heeft gehad. + +Indien sprake is van duurzame bescherming in het land van eerder verblijf wijst de IND de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling af, ook indien op zichzelf bezien één van inwilligingsgronden artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw van toepassing is. + +De IND werpt het land van eerder verblijf niet aan de vreemdeling tegen in ieder geval de volgende situaties: + +• de vreemdeling beschikt over een verblijfstitel voor het land van eerder verblijf die naar zijn aard tijdelijk is, tenzij deze verblijfstitel uitzicht biedt op langer rechtmatig verblijf; +• een eerdere asielaanvraag in het land van eerder verblijf is afgewezen, terwijl tegen de afwijzing geen beroepsmogelijkheid meer open staat. + +Het vereiste dat er geen beroep meer open mag staan tegen het afwijzende besluit stelt de IND niet, indien de vreemdeling aantoont dat er feitelijk geen beroepsmogelijkheid bij een onafhankelijke rechter is. + +##### 6.2.6. Verblijfsalternatief + +De IND past artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw uitsluitend toe bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw. Alvorens artikel 31, tweed lid, aanhef en onder j, VW toe te passen, moet de IND aantonen dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: + +• de vreemdeling heeft verbleven in een derde land; +• de vreemdeling heeft bescherming of had bescherming kunnen hebben in een derde land; +• het is aannemelijk dat de vreemdeling kan terugkeren naar het derde land. + +De IND weegt de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten het land van herkomst mee. + +De IND past artikel 31, tweede lid, onder j, Vw niet toe in gevallen waarin de asielzoeker in Nederland al eerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen en het verblijf in het derde land ten tijde van het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bekend was bij de IND. + +De IND neemt eerder verblijf aan indien de vreemdeling fysiek aanwezig is geweest op het grondgebied van een derde land voorafgaand aan de komst naar Nederland. De IND hanteert geen minimum duur. + +De IND stelt vast dat er voldoende bescherming voor de vreemdeling is in een derde land, indien er aan alle volgende criteria wordt voldaan: + +• het derde land is geen land ten aanzien waarvan een beleid van categoriale bescherming geldt; +• in het derde land heeft de vreemdeling niet vrezen voor een behandeling als bedoeld in paragraaf C2/3.1 Vc of paragraaf C2/3.2Vc; +• de vreemdeling heeft in het derde land niet verbleven onder bijzondere schrijnende persoonlijke omstandigheden; +• het derde land zet vreemdelingen die in aanmerking komen voor categoriale bescherming niet zonder bepaling van het risico dat zij daarbij lopen uit naar het land van herkomst. + +In het geval er openbare informatie uit objectieve bron voorhanden is waaruit blijkt dat de categorie vreemdelingen waartoe de vreemdeling behoort geen bescherming krijgt of had kunnen krijgen in het derde land, weegt de IND deze informatie af tegen de verklaringen van de vreemdeling. Indien uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij wel bescherming genoot of had kunnen genieten, kan de IND het verblijf in het derde land aan de vreemdeling tegenwerpen. + +Om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw toe te kunnen passen moet de IND aannemelijk maken dat het derde land de vreemdeling toegang zal geven. + +De IND beoordeelt de mogelijkheid van toelating van de vreemdeling tot het derde land als aannemelijk indien de vreemdeling al eerder ongehinderd het derde land is ingereisd. Naarmate de vreemdeling langer in het derde land heeft verbleven, worden zijn terugkeermogelijkheden geacht toe te nemen. + +De IND kan in ieder geval door middel van de volgende informatie aannemelijk maken dat een vreemdeling kan terugkeren naar het derde land: + +• de wijze waarop andere vreemdelingen vrijwillig naar het derde land terugkeren; +• de wijze waarop andere vreemdelingen naar het derde lande verwijderd worden; +• de wijze waarop het derde land doorgaans omgaat met het verlenen van reisdocumenten aan vreemdelingen uit landen waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt; +• een schriftelijk bericht van het derde land dat de vreemdeling zal worden toegelaten. + +De IND beoordeelt de mogelijkheid tot terugkeer naar het derde lande in ieder geval aan de hand van: + +• openbare informatie uit objectieve bron, voor zover deze informatie voor handen is; +• de verklaringen van de vreemdeling over zijn mogelijkheden tot terugkeer. + +De IND past artikel 31 tweede lid, aanhef en onder i, Vw ook, indien de IND vaststelt dat de vreemdeling door eigen toedoen niet kan terugkeren naar het derde land. + +##### 6.2.7. Openbare orde of nationale veiligheid + +Bij de beoordeling van een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. + +De IND beoordeelt of van het beleid moet worden afgeweken, indien de vreemdeling bijzondere omstandigheden aanvoert. Door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden mogen geen verband houden met het door hem gepleegde strafbare feit. Bij de toetsing van de bijzondere omstandigheden weegt de IND het risico op recidive mee. Het ontbreken van risico op recidive vormt geen reden voor de IND om af te wijken van het beleid. + +Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie paragraaf B1/4.4 Vc. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling, die aan alle volgende voorwaarden voldoet: + +• de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voort bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw; +• de vreemdeling is veroordeeld voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en een ‘gevaar vormt voor de gemeenschap’. + +Er is sprake van een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: + +• de vreemdeling is bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem is een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd; +• het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel bedraagt in totaal tenminste 24 maanden. + +De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling. Hierbij beoordeelt de IND, op basis van door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie, welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft. + +De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee: + +• de aard van het misdrijf; +• de opgelegde straf. + +De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling). + +De IND neemt een gevaar voor de gemeenschap aan in alle volgende gevallen: + +• drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven; +• brandstichting: +• mensenhandel; +• illegale handel in wapens, munitie en explosieven; +• illegale handel in menselijke organen en weefsels. + +De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap of nationale veiligheid als bedoeld in artikel 3.105 onder d Vb: + +• indien deze in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten, en; +• die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt. + +De IND beoordeelt of de door de vreemdeling aangevoerde feiten of omstandigheden aannemelijk maken dat in zijn geval geen sprake is van gevaar voor de gemeenschap. Indien de vreemdeling aanvoert dat de laatste veroordeling lang geleden heeft plaatsgevonden en dat hij sindsdien zich niet schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit, hanteert de IND een verjaringstermijn van twintig jaren. + +Paragraaf B1/4.4 ten aanzien van verjaring van misdrijven is in dit verband van overeenkomstige toepassing. + +De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling die heeft aangetoond een risico te lopen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, mag door de IND worden afgewezen, indien de vreemdeling veroordeeld is voor een ‘ernstig misdrijf’. + +Er is sprake van een ernstig misdrijf indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: + +• de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem is een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd; +• het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel bedraagt in totaal tenminste achttien maanden; +• in ieder geval één van de veroordelingen heeft betrekking op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert. + +De IND mag een ernstig misdrijf ook aan een vreemdeling tegenwerpen indien de veroordeling voor dit misdrijf nog niet onherroepelijk is geworden. + +Paragraaf B1/4.4 ten aanzien van verjaring van misdrijven is hier van overeenkomstige toepassing. + +De IND werpt een veroordeling voor een ernstig misdrijf niet voor altijd aan de vreemdeling tegen. Er geldt een verjaringstermijn van tien jaren. + +Na verjaring van het misdrijf stuurt de IND stuurt de vreemdeling een brief met een uitnodiging tot het aanvragen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, De IND willigt deze aanvraag in op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb indien voldaan wordt aan alle volgende voorwaarden: + +• het misdrijf is verjaard; +• de vreemdeling komt niet in aanmerking komt voor een andere verblijfsvergunning. + +Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht. + +##### 6.2.8. Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag + +De IND mag ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land. + +De ernst van een misdrijf wordt bepaald door: + +• de aard van de handeling, en; +• de omvang van de gevolgen van de handeling. + +Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, indien aan alle volgende voorwaarde is voldaan: + +• er is een direct verband tussen het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en de door hem aangehaalde politieke doelstelling; +• het door de vreemdeling gepleegde misdrijf is een effectief middel om de door hem aangehaalde politieke doelstelling te realiseren; +• de vreemdeling staat niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking; en +• het door de vreemdeling gepleegde misdrijf staat in een redelijke verhouding tot het door hem nagestreefde doel. + +De volgende misdrijven kunnen in ieder geval een politiek karakter hebben: + +• mishandeling; +• drugshandel; +• roofovervallen; +• brandstichting. + +De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b): + +• moord; +• doodslag; +• verkrachting; +• oorlogsmisdrijven, zoals gedefinieerd in artikel 8, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof; +• misdrijven tegen de menselijkheid, zoals gedefinieerd in artikel 7, Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof; +• foltering; +• genocide, zoals gedefinieerd in artikel 6, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof; +• slavernij en slavenhandel; +• misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. + +Bij ‘absolute politieke misdrijven’ kan artikel 1F (b) niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn strafbare feiten met een politiek karakter en waarbij uit de omschrijving van het strafbare feit blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven: + +• hoogverraad en het verstoren van verkiezingen; +• strafbare feiten weergegeven in het een der Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht. + +Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945. + +De volgende handelingen zijn in ieder geval in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN: + +• handelingen die expliciet zijn genoemd als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN; en +• misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof. + +Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen onder artikel 1F (c) beoordeelt de IND: + +• of de functionele of feitelijke verantwoordelijkheid van de vreemdeling op een dusdanig niveau ligt dat deze geacht mag worden zich van de plaats van de staat binnen de internationale gemeenschap bewust te zijn, of: +• of uit de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling blijkt dat hij kennis heeft of had moeten hebben van de doelstellingen of beginselen van de VN. + +Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn dat de vreemdeling één van de strafbare feiten genoemd in dit artikel gepleegd heeft. Indien de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen. + +Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk is voor strafbare feiten, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag verantwoordelijk moet worden gehouden, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende strafbare feit (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). + +Er is sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in in ieder geval één van de volgende situaties: + +a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag; +b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is; +c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het strafbare feiten betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. + +In het geval van situatie b. of c. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft moeten hebben van het plegen van de strafbare feiten. De IND spreekt dan van een ‘significante uitzondering’. + +Er wordt door de IND geen ‘knowing participation’ aangenomen voor strafbare feiten als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, indien de vreemdeling ten tijde van het plegen van de strafbare feiten nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt. + +Indien de vreemdeling bij het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de strafbare feiten. + +In het geval de vreemdeling als minderjarige tussen de vijftien en achttien jaren oud, als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen: + +• de leeftijd van de vreemdeling op het moment van de indiensttreding; +• of de vreemdeling vrijwillig of gedwongen in dienst is getreden; +• de consequenties bij weigering van indiensttreding. In dit verband hanteert de IND het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt. De IND beoordeelt of van de vreemdeling als minderjarige verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te gaan; +• of er ten tijde van de indiensttreding van de vreemdeling gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die de mogelijkheid om tot een afgewogen keuze te komen hebben aangetast; +• de lengte van de periode dat de vreemdeling als minderjarige, jonger dan vijftien jaren werkzaam is geweest binnen het leger; +• de aanwezigheid van mogelijkheden voor de vreemdeling om eerder te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken; +• of de vreemdeling de strafbare feiten gepleegd heeft onder invloed van drugs en/of medicatie waartoe hij gedwongen was tot inname; en +• of er binnen het leger waar de vreemdeling in dienst was bevorderingen plaatsvonden op grond van goede prestaties. + +Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties: + +a. de vreemdeling heeft een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd; +b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd; +c. de vreemdeling heeft een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd; +d. de vreemdeling behoort tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt. + +De vreemdeling heeft een strafbaar feit gefaciliteerd, indien zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het strafbare feit. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan: + +• de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf, en; +• het strafbare feit had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden. + +Voor de beoordeling wanneer sprake is van een ‘significante uitzondering’ wordt verwezen naar de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’(‘knowing participation’). + +De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, indien hij heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere. + +Indien de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van strafbare feiten, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties: + +• er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang; +• er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf; +• de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad; +• de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf. + +Indien de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging strafbare feiten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet ontslagen van verantwoordelijkheid indien er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties: + +• indien er geen geloof gehecht wordt aan de door de vreemdeling gestelde bedreiging; +• indien de bedreiging waartegen de vreemdeling zich stelt te hebben verdedigt niet opweegt tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf; +• indien het voor de vreemdeling duidelijk moet zijn geweest dat het door hem begane misdrijf de dreiging niet had kunnen afwenden; of +• indien de vreemdeling niet slechts één misdrijf heeft gepleegd, maar gedurende een langere periode meerdere misdrijven heeft gepleegd. + +Indien aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden: + +a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja, +b. Of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te handhaven. + +De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden: + +• de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM; +• vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk. + +De IND neemt disproportionaliteit aan indien de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt. + +Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond, en de vreemdeling niet in aanmerking komt van een verblijfsvergunning, nodigt de IND de vreemdeling uit een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. De IND willigt deze aanvraag in op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht. + +De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. + +De IND mag een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verlenen op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 3.77 Vb en 3.107 Vb, als de gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan de vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 3.77 Vb en 3.107 Vb, als gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + +De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, indien de gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan indien blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid. + +De contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: + +a. het gezinslid verblijft tenminste tien jaren in Nederland gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel; +b. het verblijf van het gezinslid in Nederland is ononderbroken; +c. het gezinslid heeft zijn vertrek naar het land van herkomst niet tegengewerkt. + +Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee. + +##### 6.2.9. Europese lijst van veilige landen van herkomst + +De Raad van de Europese stelt een gemeenschappelijke lijst op van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd. Het feit dat de vreemdeling afkomstig is uit een land dat op deze lijst is geplaatst, is niet voldoende om de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel af te wijzen. De vreemdeling mag feiten en omstandigheden aanvoeren om aan te tonen dat het veilige land van herkomst in zijn geval niet veilig is. Indien de vreemdeling zich niet op dergelijke omstandigheden beroept of dergelijke omstandigheden niet aannemelijk worden geacht, kan de aanvraag worden afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder l, Vreemdelingenwet. + +### 7. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd + +De IND vermeldt op de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de arbeidsmarktbeperking: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. + +Voor de bepalingen over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verwezen naar artikel 3.105, eerste lid, Vb. + +De vreemdeling die vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad op basis van artikel 8, onder c, Vw, maar niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, komt in aanmerking voor het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, tenzij zich één van de gronden van artikel 32 Vw voordoet. + +De medewerker van het IND loket verstrekt aan de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. + +### 8. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd + +#### 8.1. De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid + +Met het intrekken of niet-verlengen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling op grond van artikel 32, de IND de situatie zoals die zou zijn geweest als de juiste gegevens op het moment van aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bekend zouden zijn geweest. + +Als de IND vaststelt dat een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onjuiste gegevens heeft verstrekt of dat over hem door een ander onjuiste gegevens zijn verstrekt, beoordeelt de IND of de vreemdeling op grond van alle beschikbare en geloofwaardige gegevens op grond van artikel 29, eerste lid Vw in het bezit moet blijven van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. + +Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder a Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de verblijfsvergunning. + +#### 8.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag blijkt alsnog van toepassing + +Het gestelde in paragraaf C2/6.2.8 Vc is van toepassing. + +De IND brengt geen voornemen uit tot intrekking of weigering van verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de vaststelling dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag juncto artikel 31, tweede lid, onder k Vw van toepassing is, voordat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld tijdens een gehoor op deze vaststelling te reageren. Dit gehoor wordt uitgevoerd door een ambtenaar van de IND, die gespecialiseerd is in de materie van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. + +#### 8.3. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid + +Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de pleegdatum van het misdrijf. + +In C2/6.2.7 Vc is uitgewerkt wanneer sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf zoals bedoeld in artikel 3.105c, tweede lid, onder b, Vb. + +Een omstandigheid die tot de conclusie kan leiden dat de hiervoor bedoelde vreemdeling geen gevaar vormt voor de gemeenschap, is een aanzienlijk tijdsverloop sinds het uitzitten van de straf zonder dat recidive heeft plaatsgevonden. + +De vreemdeling van wie de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, is ingetrokken of geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet is verlengd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt Nederland niet uitgezet, indien de vreemdeling in zijn land nog steeds een risico loopt op vervolging of schending van artikel 3 EVRM. + +Internationale instrumenten zoals bedoeld in artikel 3.105f, tweede lid onder a Vb zijn onder andere: + +• het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal van 8 augustus 1945 (Neurenberg-Handvest); +• Het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998. + +In C2/6.2.7 Vc is uitgewerkt wanneer sprake is van een ernstig misdrijf zoals bedoeld in artikel 3.105f, tweede lid onder b, Vb. + +De vreemdeling van wie de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, is ingetrokken of geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet is verlengd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt Nederland niet uitgezet, indien de vreemdeling in zijn land nog steeds een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. + +Artikel 3.86 Vb en paragraaf B1/4.4 Vc zijn van toepassing. + +De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c,d, e of f Vw niet in op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw als: + +• de IND concludeert dat hij in zijn land een risico loopt op vervolging; en +• de vreemdeling niet is veroordeeld voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en geen ‘gevaar vormt voor de gemeenschap’. Paragraaf C2/6.2.7 is van toepassing. + +De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c,d, e of f Vw niet in op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw als: + +• de IND concludeert dat hij in zijn land een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM; en +• de vreemdeling niet veroordeeld voor een ‘ernstig misdrijf’ en geen ‘gevaar vormt voor de gemeenschap’. Paragraaf C2/6.2.7 is van toepassing. + +Paragraaf B1/4.4 Vc (‘nationale veiligheid’) is van overeenkomstige toepassing. + +#### 8.4. De grond voor verlening is komen te vervallen + +Als de IND vaststelt dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is komen te vervallen onderzoekt de IND in ieder geval: + +• of op het moment van verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook één of meerdere andere grond(en) voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste lid Vw van toepassing waren; +• of de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid Vw. + +Als tenminste één van deze omstandigheden zich voordoet, trekt de IND de verblijfsvergunning niet in. + +Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder c Vw, wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan het moment dat de grond voor verlening is komen te vervallen. + +De IND geeft in het landgebonden asielbeleid aan of een wijziging in de algemene situatie in (een deel van) een bepaald land een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft zoals bedoeld in artikel 3.37 e VV. + +Het enkele feit dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, Vw vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst is niet voldoende voor de IND om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken of niet te verlengen. + +Als de IND vaststelt dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, Vw uit vrije wil is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, nodigt de IND de vreemdeling uit om tijdens een gehoor uitleg te geven over de reden, bestemming, duur en verloop van zijn reis. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij ondanks zijn terugkeer naar het land van herkomst nog steeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. + +De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw, in onder toepassing van artikel 1C Vluchtelingenverdrag, indien een vreemdeling een paspoort van zijn land van herkomst aanvraagt en verkrijgt. + +De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw, niet in, indien de vreemdeling met bewijsmiddelen onderbouwt dat artikel 1C Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is. + +De IND concludeert niet dat de grond voor verlening is komen te vervallen enkel vanwege het feit dat de daders van de als traumatiserend aangemerkte gebeurtenis die aan de verlening van de verblijfsgunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ten grondslag lag, zijn bestraft. + +Als de IND constateert dat in het land van herkomst een doeltreffend systeem voor opsporing, vervolging en bestraffing van daders van als traumatiserend aangemerkte gebeurtenissen aanwezig is, kan dit aanleiding geven voor de conclusie dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c Vw, is komen te vervallen. + +Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder c Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van het wijzigingsbesluit waarmee het categoriaal beschermingsbeleid is beëindigd. + +#### 8.5. De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd + +De definitie van de intrekkingsgrond zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid onder d Vw is uitgewerkt in paragraaf B1/5.3.2 Vc. + +De intrekkingsgrond bedoeld in artikel 32, eerste lid onder d Vw wordt niet toegepast op de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b Vw. + +De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, als de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in zijn land een risico loopt op vervolging of schending van artikel 3 EVRM. + +Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder d Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de datum waarop de verplaatsing van het hoofdverblijf uit Nederland kon worden vastgesteld. + +### 9. Rechtsmiddelen + +De IND staat de vreemdeling toe de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting, in Nederland af te wachten. Voor de gevallen waarin een verzoek om voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht wordt verwezen naar paragraaf B1/10 Vc. + +Een interim measure van het EHRM, een zogenoemde *Rule 39*, wordt gelijk gesteld met een toegewezen voorlopige voorziening. De internationale instanties waar een met uitzetting bedreigde vreemdeling zich tot kan wenden zijn: -– het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof houdt toezicht op de naleving van het EVRM (zie ook C22/5.4); -– het Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee). Dit comité houdt toezicht op de naleving van het Bupo. Artikel 7 van dit Verdrag bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. In het bijzonder mag niemand, zonder zijn in vrijheid gegeven toestemming, worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten; -– het Comité tegen Foltering (Committee Against Torture). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Internationale Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Artikel 3 van dit Verdrag bepaalt dat geen enkele Verdragsstaat een persoon uit mag zetten of terugzenden naar of uitleveren aan een andere staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering. +• het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof houdt toezicht op de naleving van het EVRM; +• het Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee). Dit comité houdt toezicht op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten (BUPO); +• het Comité tegen Foltering (Committee Against Torture). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Internationale Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. -Zolang een toezichthoudend orgaan aan een ingediende klacht geen verzoek aan de Nederlandse staat koppelt om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling in afwachting van de uitspraak, wordt de uitzetting in beginsel geëffectueerd, tenzij dit om een andere reden niet mogelijk of wenselijk is. De klacht vormt in dat geval geen belemmering voor inbewaringstelling ter fine van verwijdering uit Nederland. +Deze instanties worden aangeduid als ‘toezichthoudend orgaan’. -Indien het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de Nederlandse staat op grond van *Rule 39* verzoekt om de uitzetting van de klager uit Nederland op te schorten, is Nederland gehouden hieraan te voldoen. +De DT&V mag de vreemdeling uit Nederland uitzetten als het toezichthoudend orgaan geen verzoek doet aan Nederland om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling, in afwachting van de uitspraak op de klacht van de vreemdeling bij dat toezichthoudend orgaan. De DT&V kan de vreemdeling in vreemdelingenbewaring stellen om de gedwongen terugkeer uit Nederland te bevorderen. -Een verzoek van het toezichthoudend orgaan van het Comité voor de rechten van de mens en het Comité tegen foltering is niet juridisch bindend. Aan een dergelijk verzoek wordt echter in beginsel voldaan. De omstandigheid dat een asielaanvraag in AC Schiphol is afgedaan waarbij tevens in het kader van de grensbewaking de vrijheidsbenemende maatregel van artikel 6 Vw is opgelegd, kan aanleiding zijn om een verzoek om opschorting niet te honoreren. De rechter dient dan wel akkoord te zijn gegaan met de bewaring en de afdoening in de AC-procedure. Ook in dat geval moet de individuele zaak nog worden bestudeerd om na te gaan of er geen omstandigheden zijn die aanleiding vormen het verzoek om opschorting toch te honoreren. +De DT&V geeft gehoor aan een verzoek van het Comité voor de rechten van de mens en het Comité tegen Foltering om een vreemdeling niet uit te zetten. -Een criminele achtergrond van een vreemdeling, of de omstandigheid dat procedure op procedure is gevolgd met de enkele doelstelling om de uitzetting te vertragen, weegt mee in het nadeel van de vreemdeling. Op zichzelf zijn deze laatstgenoemde omstandigheden echter onvoldoende zwaarwegend om een verzoek niet te honoreren. +Als uitzondering op de regel dat de DT&V geeft gehoor aan een verzoek van het Comité voor de rechten van de mens en het Comité tegen Foltering om een vreemdeling niet uit te zetten, kan de DT&V kan weigeren te voldoen aan een verzoek om de vreemdeling niet uit te zetten: -In het geval een verzoek om opschorting van de uitzetting wordt gehonoreerd, volgt steeds de opheffing van de eventuele vreemdelingenbewaring. De Minister geeft de Korpschef een dienovereenkomstige bijzondere aanwijzing. +• als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen in AC Schiphol; en +• aan de vreemdeling in het kader van de grensbewaking de vrijheidsbenemende maatregel van artikel 6 Vw is opgelegd. -Indien het eindoordeel van het toezichthoudend orgaan is, dat de voorgenomen uitzetting in strijd is met de bepalingen van het Verdrag, zal in de regel statusverlening volgen. Een verblijfsvergunning asiel zal dan worden verleend, tenzij sprake is van aspecten zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag of andere redenen die zich verzetten tegen verlening van een verblijfsvergunning. In dat geval blijft statusverlening achterwege, maar onthoudt de overheid zich van uitzettingsactiviteiten. +De DT&V moet nagaan of er omstandigheden zijn die aanleiding vormen het verzoek te honoreren. -### 6. Vertrekmoratorium +Als het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de Nederlandse staat op grond van *Rule 39* verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland op te schorten, mag de DT&V de vreemdeling niet uitzetten. -Er zijn situaties denkbaar waarin, nadat de aanvraag onherroepelijk is afgewezen en de vreemdeling Nederland dient te verlaten, de situatie in het land van herkomst zodanig wijzigt dat onzeker is of daar naartoe kan worden uitgezet. In die situatie kan de Minister op grond van artikel 45, vierde lid, Vw besluiten dat de voorzieningen voor de desbetreffende categorie vreemdelingen niet worden beëindigd. Evenmin zal deze categorie vreemdelingen gedwongen worden uitgezet. Diezelfde redenen pleiten ervoor om de opvang ook open te stellen voor de vreemdelingen voor wie de opvang reeds was beëindigd op het moment waarop het vertrekmoratorium wordt ingesteld. +De DT&V betrekt bij de beoordeling van het verzoek van een toezichthoudend orgaan de omstandigheid dat: -Vreemdelingen ten aanzien van wie de opvang reeds is beëindigd en die een beroep willen doen op het vertrekmoratorium om zo in aanmerking te komen voor opvang of voorzieningen hoeven geen schriftelijke aanvraag hiertoe te doen. Een mondelinge melding voldoet, waarvoor de vreemdeling zich dient te melden bij AC Ter Apel. +• de vreemdeling strafbare feiten heeft gepleegd; +• de vreemdeling opeenvolgende aanvragen om een verblijfsvergunning heeft gedaan met het doel om de uitzetting te vertragen. Dit zijn aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel of regulier die de IND als herhaalde aanvragen aanmerkt als bedoeld in artikel 3.1 Vb. -Een vreemdeling die op grond van deze bepaling aanspraak maakt op voorzieningen, wordt op grond van artikel 45, vijfde lid, Vw, geacht rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, Vw te hebben. +Als de DT&V het verzoek om de vreemdeling niet uit te zetten honoreert, heft de DT&V de eventuele vreemdelingenbewaring van de vreemdeling op. -Op grond van artikel 63, derde lid, Vw, kan nog wel de medewerking van de vreemdeling worden gevorderd aan de voorbereiding van de uitzetting. +Als het toezichthoudend orgaan als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling als sprake is van aspecten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De DT&V zal de vreemdeling niet uitzetten als de IND geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend aan de vreemdeling. -Een vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45, vierde lid, Vw van toepassing is, wordt voor de duur van het vertrekmoratorium in het bezit gesteld van een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen. De geldigheidsduur van het rechtmatig verblijf is gelijk aan de duur van het vertrekmoratorium. Het document, inlegvel en de sticker worden uitgereikt door de vreemdelingenpolitie. - -In het besluit van de Minister kunnen bepaalde vreemdelingen worden uitgezonderd. Het vertrekmoratorium wordt niet toegepast in zaken waarin: - -a. artikel 30 Vw van toepassing is; -b. de vreemdeling de mogelijkheid heeft te vertrekken naar een derde land (artikel 31, tweede lid, onder i en h, Vw); -c. artikel 31, tweede lid, onder k, Vw van toepassing is; -d. de vreemdeling Nederland aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na zijn asielaanvraag. - -Ten aanzien van deze categorie wordt opgemerkt dat de veroordeling van elk misdrijf voldoende is om opvang te onthouden aangezien artikel 45 Vw niet gaat over bescherming tegen refoulement. - -Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan onder andere blijken uit een ‘claim in’ ten aanzien van de vreemdeling van een EU-lidstaat op Nederland. Voorts kan het vertrek blijken uit een geëffectueerde of gefaciliteerde uitzetting of een Dublinoverdracht, uit een hitmelding in de Europese vingerafdrukkencollectie van asielzoekers in de EU, of anderszins. - -Het besluit waarbij het vertrekmoratorium wordt ingesteld, wordt uiterlijk een jaar na de bekendmaking ingetrokken. Indien de Minister het besluit intrekt, herleven de rechtsgevolgen van de afwijzende beschikking. De opvang wordt in dat geval van rechtswege beëindigd en de vreemdeling dient Nederland te verlaten. - -### 7. Richtlijn tijdelijke bescherming - -Indien ten aanzien een categorie vreemdelingen een besluit van tijdelijke bescherming van kracht is, treden de rechtsgevolgen van een afwijzende beschikking op grond van artikel 45, zesde lid, Vw niet in. - -Reeds ingetreden rechtsgevolgen worden opgeschort, indien de uitzetting op grond van de tijdelijke bescherming achterwege blijft. Een uitgeprocedeerde asielzoeker van wie de opvang ingevolge de meeromvattende beschikking reeds is beëindigd, maar die zich op het moment waarop tijdelijke bescherming wordt ingesteld feitelijk nog in Nederland bevindt, behoeft niet noodzakelijkerwijs een tweede asielaanvraag in te dienen om zekerheid te verkrijgen of hij onder het vertrekmoratorium valt. Indien een dergelijke vreemdeling zich met het verzoek om onder het vertrekmoratorium te worden gebracht, bij een AC meldt en indien daar door de IND wordt vastgesteld dat hij onder de regeling van tijdelijke bescherming valt, kan de ingevolge de eerder ten aanzien van hem gegeven meeromvattende beschikking van rechtswege beëindigde opvang worden hervat zolang tijdelijke bescherming van kracht is. - -De opgeschorte gevolgen treden van rechtswege opnieuw in na afloop van de tijdelijke bescherming. Hiervoor is dus geen afzonderlijk besluit nodig. - -Artikel 45, zevende lid, Vw bepaalt dat de vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, Vw. - -## 23. Opvang +## C3. Moratoria ### 1. Inleiding -#### 1.1. Uitgangspunten van de opvang +In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in die gelden bij toepassing van: -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +• het besluitmoratorium (paragraaf 2); +• het vertrekmoratorium (paragraaf 3). -#### 1.2. Decentrale opvang +Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 43, 45, vierde en vijfde lid, 71, lid 2, en artikel 82, lid 2, Vw. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +### 2. Besluitmoratorium -### 2. Toelating tot de opvang +In artikel 43 Vw staan de redenen vermeld op grond waarvan de Minister kan besluiten een besluitmoratorium in te stellen voor bepaalde categorieën vreemdelingen. Indien het besluitmoratorium is ingegeven door de situatie in het land van herkomst, houdt het moratorium in dat voor de in het besluit genoemde categorieën vreemdelingen geen inhoudelijke beslissingen worden genomen. De Minister publiceert het besluit tot instelling van een besluitmoratorium in de Staatscourant. Het besluit van de Minister geeft in ieder geval aan: -#### 2.1. Toepasselijkheid van de regeling en informatieplicht +• op welk moment het besluitmoratorium (in algemene zin) van kracht wordt; +• op welke datum het besluitmoratorium zal eindigen; +• met welke termijn de individuele beslistermijnen worden verlengd. -##### 2.1.1. Het ontbreken van middelen +De IND verlengt de beslistermijn voor de vreemdeling met het maximum van één jaar en geeft aan de vreemdeling aan op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt. In de gevallen waarin het besluitmoratorium in algemene zin voor een kortere periode dan een jaar is vastgesteld, blijft het mogelijk om de individuele beslistermijn voor de vreemdeling met het maximum van één jaar te verlengen. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND neemt ondanks het besluitmoratorium in ieder geval een beslissing nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de volgende situaties: -##### 2.1.2. Informatie aan de asielzoeker +• artikel 30 Vw is van toepassing; +• artikel 31, tweede lid, onder i en h, Vw is van toepassing; +• artikel 1F Vluchtelingenverdrag is van toepassing; +• de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 3.105, onder b of 3.105, onder e, Vb afgewezen; +• het besluitmoratorium is ingesteld op de grond genoemd in artikel 43, onder c, Vw. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Als de individuele beslistermijn eindigt, moet de IND een besluit nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de beslissing, ook als het algemeen afgekondigde besluitmoratorium op dat moment nog van kracht is. -##### 2.1.3. Niet tijdig arriveren in de opvangvoorziening +### 3. Vertrekmoratorium -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De vreemdeling die onder de werking van het vertrekmoratorium valt, maar geen opvang of voorzieningen meer heeft, kan deze verkrijgen door zich in persoon te melden bij AC Ter Apel. De vreemdeling hoeft geen aanvraag in te dienen voor opvang of voorzieningen. Evenmin hoeft de vreemdeling een aanvraag in te dienen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -##### 2.1.4. 14-1-brieven +De IND verstrekt een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De vreemdeling heeft geen recht op opvang en andere voorzieningen als artikel 31, tweede lid, onder k, Vw van toepassing is. Elke veroordeling wegens een misdrijf is voldoende om de opvang te onthouden. -#### 2.2. Recht op opvangvoorzieningen +De vreemdeling valt niet onder de werking van het vertrekmoratorium als de vreemdeling aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -##### 2.2.1. Asielzoekers +Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan in ieder geval blijken uit de volgende situaties: -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +• een lidstaat heeft een verzoek tot terugname of overname op grond van de verordening 343/2003 ingediend bij Nederland; +• er is sprake van een geëffectueerde of gefaciliteerde terugkeer; +• er heeft een overdracht plaatsgevonden op grond van de verordening 343/2003; +• er is een hitmelding in EURODAC. -##### 2.2.2. Vreemdelingen die met asielzoekers worden gelijkgesteld +Wanneer het vertrekmoratorium eindigt, eindigt het recht op opvang en voorzieningen van rechtswege. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +## C4. Tijdelijke bescherming -##### 2.2.3. Andere categorieën vreemdelingen +### 1. Inleiding -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van richtlijn 2001/55 (tijdelijke bescherming). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 1, onder n, Vw, artikel 1, onder o, Vw, artikel 45, lid 6, Vw en artikel 3.1a, Vb. -#### 2.3. Uitsluiting van het recht op opvang +### 2. Tijdelijke bescherming -##### 2.3.1. Capacitaire noodsituatie +De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende beschikking is beëindigd hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND moet beoordelen of de vreemdeling onder Richtlijn 2001/55 valt en moet de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens registreren. De IND verlengt de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de duur van de tijdelijke bescherming. -##### 2.3.2. Ongewenstverklaarde vreemdelingen +De IND is bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voordat de termijn voor de tijdelijke bescherming is beëindigd. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich bij een AC met het verzoek om onder de werking van het vertrekmoratorium te worden gebracht. De IND stelt vast of de vreemdeling onder de regeling van tijdelijk bescherming valt. De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is. Voor de beleidsregels met betrekking tot tijdelijke bescherming wordt verwezen naar hoofdstuk C3 Vc. -##### 2.3.3. Beroep op +## C5. Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +### 1. Inleiding -### 3. Beëindiging van de opvang +In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen, die gelden: -#### 3.1. Afgewezen asielaanvraag +• ten aanzien van de procedureregels van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (paragraaf 2); +• bij de afwijzingsgronden van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (paragraaf 3); +• bij de intrekkingsgronden van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (paragraaf 4). -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 33, 34, 35, 40, 41, 42, eerste lid, 44, derde en vierde lid, en 45 Vw, de artikelen 3.107a Vb, 3.108 Vb, 3.116, en 3.118 Vb, en de artikelen 3.40, 3.41, 3.43 en 3.47 VV. -#### 3.2. Amv’s +### 2. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De vreemdeling kan niet eerder dan vier weken voordat de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afloopt een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indienen. -#### 3.3. Moment waarop de opvang wordt beëindigd +De vreemdeling moet de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indienen voor de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afloopt. Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, dan geldt de dag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, enkel voor zover: -##### 3.3.1. Inleiding +• de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• het de vreemdeling niet toe te rekenen is dat hij de aanvraag heeft ingediend tot uiterlijk zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd krijgt als ingangsdatum de datum dat de IND de aanvraag heeft ontvangen, uitsluitend als: -##### 3.3.2. Verleende verblijfsvergunning +• de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; +• deze vertraging aan de vreemdeling toe te rekenen is. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND beoordeelt of de vertraging bij het indienen van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan de vreemdeling is toe te rekenen. -##### 3.3.3. Afgewezen asielaanvraag +Als de vreemdeling meer dan zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meent voor verblijf in aanmerking te komen, moet hij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND past de artikelen 3.113 Vb en 3.114 Vb niet toe op de behandeling van een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. -##### 3.3.4. Gezinshereniging +C2/7 Vc is van toepassing op de behandeling van een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: -##### 3.3.5. Beëindiging van situatie als bedoeld in +• de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is meer dan vijf jaar na het indienen van de aanvraag genomen; +• de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND toetst hierbij of de vreemdeling aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb voldoet indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend op of na 1 januari 2005. -##### 3.3.6. Beëindiging van een situatie analoog aan +Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend voor 1 januari 2005, dan geldt het inburgeringsvereiste niet en toetst de IND niet aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling niet aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb voldoet. De IND verlengt gelijktijdig de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met vijf jaar. -##### 3.3.7. Vertrekmoratorium +De IND stelt de vreemdeling in het bezit van een verblijfsdocument dat wordt uitgereikt door een medewerker van het IND loket dat zich het dichtst bij de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling bevindt. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Als de IND de vreemdeling direct een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleent, zonder dat de vreemdeling in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan is artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw van toepassing. -##### 3.3.8 +### 3. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Als zich op het moment dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verloopt een grond voordoet als bedoeld in artikel 32 Vw, handelt de IND conform paragraaf C2/8 Vc. -##### 3.3.9. Ongewenstverklaarde vreemdeling +De IND wijst de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 32, eerste lid onder c Vw, als de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was vervallen, maar zich op het moment van behandeling van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw voordoet. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Voor de beleidsregels met betrekking tot de ontheffingsgrond als bedoeld in artikel 3.107a, tweede lid, onder b Vb (‘het inburgeringsvereiste’) is paragraaf B1/7.1.11 Vc van overeenkomstige toepassing -##### 3.3.10. De asielzoeker arriveert niet binnen 48 uur +### 4. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +C2/8 is van toepassing. -##### 3.3.11. Niet voldoen aan de meldplicht +De IND trekt een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in op grond van artikel 35, eerste lid, onder b Vw als wordt voldaan aan artikel 35, eerste lid onder b Vw en aan artikel 3.86 Vb. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +In aanvulling op paragraaf C2/ 8 Vc kan de IND een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ook intrekken op grond van artikel 35, eerste lid onder c Vw als de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was verleend op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b Vw. -##### 3.3.12. Verstrekken onjuiste gegevens +## C6. Verdrag inzake de verantwoordelijkheid voor vluchtelingen -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +### 1. Inleiding -##### 3.3.13. Geen instemming na vergunningverlening +In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb 1982, 24). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van deze overeenkomst. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +### 2. Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen -##### 3.3.14. Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier +Een staat die partij is bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb 1982, 24) kan Nederland informeren dat die staat de verantwoordelijkheid van de vluchtelingenstatus heeft overgenomen en de vreemdeling zich in die staat kan vestigen. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND: -### 4. De verstrekkingen gedurende de opvang +• trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van die vreemdeling in op grond van artikel 32, onder d Vw; +• trekt de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van die vreemdeling in op grond van artikel 35, onder c Vw. -#### 4.1. De verstrekkingen in een opvangvoorziening +De IND zendt de beschikking in drievoud naar de Nederlandse ambassade in de Staat die de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling overneemt. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De Nederlandse ambassade: -#### 4.2. Het onthouden van verstrekkingen in de opvangvoorziening +1. **reikt een exemplaar van de beschikking aan de vreemdeling in persoon uit of zendt een exemplaar van de beschikking naar het bij de ambassade laatst bekende adres van de vreemdeling;** +2. **zendt een exemplaar van de beschikking aan de autoriteiten van de Staat die de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling overneemt;** +3. **voorziet een exemplaar van de beschikking van een aantekening omtrent de datum en de wijze van uitreiking en zendt dit exemplaar terug aan de IND.** -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Een vreemdeling die een beroep doet op de Overeenkomst en nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel of regulier, kan een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of regulier voor bepaalde tijd indienen op de wijze als bedoeld in paragrafen B1/2 Vc en C1 Vc. De IND stelt de ambassade in Nederland van de staat waar de vreemdeling heeft verbleven op de hoogte van het overnemen van verantwoordelijkheid over de vreemdeling als de IND de vreemdeling in het bezit stelt van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of regulier voor bepaalde tijd. -#### 4.3. Plaatsing van een asielzoeker in een opvangvoorziening +Als de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bezit, stelt de IND in het dossier zowel elektronisch als fysiek een aantekening dat de vreemdeling Verdragsvluchteling is. -##### 4.3.1. Bevoegdheid tot plaatsing en overplaatsing +De IND stelt deze vreemdeling in de gelegenheid een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling eindigt. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +## C7. Landgebonden beleid -##### 4.3.2. Eenheid van het gezin +### 1. Landgebonden asielbeleid algemeen -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Het landgebonden asielbeleid bevat beleidsregels ten aanzien van het land van herkomst van vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend. -#### 4.4. Instemmingsvereiste +Een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land wordt betrokken bij het asielbeleid ten aanzien van dat land. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid in de hoofdstukken C1 tot en met C6 Vc en betreft geen uitzonderingsregeling. -#### 4.5. Geen gebruikmaken van het onderdak +De opbouw van de paragrafen van dit hoofdstuk wijkt af van de opbouw van de hoofdstukken C1 tot en met C6 Vc en is conform de volgorde van toetsing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zie ook paragraaf C1/2 Vc. -##### 4.5.1. Uitsluiting van overige verstrekkingen +De IND kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onthouden, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +### 2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan -##### 4.5.2. Administratieve plaatsing +#### 2.1. Besluitmoratorium -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Ten aanzien van Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -#### 4.6. Financiële toelage +#### 2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND neemt ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/6.2.8 Vc aan: -#### 4.7. Kleedgeld +• onderofficieren en officieren van de KhaD en de WAD +• de volgende leden van de Hezb-i-Wahdat: -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +a. alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi; +b. de leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi; +c. de leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi; +d. de hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen; +e. alle commandanten van een ferq’a; en +f. hoge officieren van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat. +• hoofd- en opperofficieren van de volgende afdelingen van de Afghaanse politie in de periode 1978-1996: -#### 4.8. Ziektekostenregeling +a. de Kumandani-ye Umumi-ye Defa-yelnqelab; +b. de Riasat-e-Makhsous; +c. de Operatifi-ye Mahabas. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +#### 2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -#### 4.9. Vergoeding van buitengewone kosten +##### 2.3.1. Groepsvervolging in de zin van -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND beschouwt Afghanistan niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging. -#### 4.10. Het verrichten van werkzaamheden +##### 2.3.2. Risicogroepen in de zin van -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND beschouwt uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen als risicogroep: -### 5. Verplichtingen gedurende de opvang +a. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren; +b. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een religieuze minderheid behoren; +c. homoseksuelen. -#### 5.1. Verplichtingen in verband met het onderdak +#### 2.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +##### 2.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -#### 5.2. Verplichtingen ten aanzien van eigen inkomsten en vermogen +In Afghanistan is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +##### 2.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -#### 5.3. Onjuiste gegevens +In Afghanistan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +##### 2.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -#### 5.4. Beslagvrije voet +De IND beschouwt uitsluitend de volgende categorieën als kwetsbare minderheidsgroep: -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +a. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren; +b. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een religieuze minderheid behoren; +c. alleenstaande vrouwen. -### 6. Overgangsrecht +De IND beschouwt Shiitische moslims gelet op hun situatie in Afghanistan niet als een kwetsbare minderheidsgroep. -#### 6.1. Vw (oud) van toepassing, terugkeerbeleid niet +De IND beschouwt Afghaanse vreemdelingen die een andere religie dan de islam aanhangen, als een kwetsbare minderheidsgroep, ongeacht uit welk gebied in Afghanistan zij afkomstig zijn. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +Een vreemdeling die zich in Nederland heeft bekeerd, komt op grond van de beleidsregels over kwetsbare minderheidsgroepen in Afghanistan in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, uitsluitend indien de vreemdeling: -#### 6.2. Vw (oud) en terugkeerbeleid van toepassing +• afkomstig is uit een gebied in Afghanistan waar hij tot een religieuze minderheid is gaan behoren; +• in Afghanistan problemen heeft ondervonden om andere redenen dan de nieuwe religie. -20101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1020101022830-06-201024-06-2010WBV2010/1001-07-2010 +De IND beschouwt een Afghaanse vrouw uitsluitend als alleenstaand, indien: -## 24. Landgebonden beleid +1. de huwelijksband met de echtgenoot is verbroken; +2. de vrouw ongehuwd is en de band met het gezin waartoe zij behoorde ten tijde van haar vertrek uit Afghanistan, is verbroken. -### [1]. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan +De IND beoordeelt in verband met de gezinsband of de vader in het gezin in Afghanistan aanwezig is. -#### 1. Achtergrond +De Afghaanse vrouw moet (indicatief) bewijs overleggen om aan te tonen dat zij alleenstaand is op grond van een verbroken gezinsband. Wanneer dit niet mogelijk is, moet de Afghaanse vrouw aannemelijke verklaringen kunnen afleggen over de verbroken gezinsband. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C22 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +De IND beschouwt de gezinsband in elk geval als verbroken, indien: -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken (BuZa) over de situatie in Afghanistan (zie de website van het Ministerie van BuZa). +• de Afghaanse vrouw duurzaam is opgenomen in een ander gezin dan het ouderlijke gezin; +• de Afghaanse vrouw zelfstandig is gaan wonen; +• de Afghaanse vrouw een eigen gezin heeft gevormd doordat zij is gehuwd of een relatie is aangegaan. -#### 2. Besluitmoratorium +##### 2.4.4. Individuele kenmerken -Ten aanzien van asielzoekers uit Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Afghaanse vreemdeling, die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor eerwraak of bloedwraak, indien uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat een niet-gewelddadige oplossing onmogelijk is. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +#### 2.5. Bescherming -##### 3.1. Etnische minderheden +##### 2.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Personen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren, worden aangemerkt als risicogroep als bedoeld in C14/4.5. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw worden aan personen behorende tot een risicogroep minder hoge eisen gesteld met betrekking tot het aannemelijk maken van de zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen. +Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming kan worden geboden in Afghanistan, betrekt de IND in ieder geval het volgende: -Dit houdt in dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen, vanwege het behoren tot een etnische minderheid, van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, of lokale krijgsheren, of met medeburgers, en er sprake is van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. +• de omstandigheid dat de centrale autoriteiten van Afghanistan niet in geheel Afghanistan het gezag in handen hebben; +• de mogelijkheden van de vreemdeling om zich voor bescherming tot de lokale autoriteiten te wenden; +• het persoonlijke netwerk van de vreemdeling; +• eventuele niet-gewelddadige oplossingen voor de vreemdeling in eer- en bloedwraakzaken. -Indien hiervan sprake is, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -Personen afkomstig uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.3. +• vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische of religieuze minderheid behoren; +• homoseksuelen; +• alleenstaande vrouwen; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor geweldpleging. -Dit houdt in dat de vreemdeling die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. +##### 2.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Het is niet vereist dat de vreemdeling persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. +De IND neemt ten aanzien van Afghaanse vreemdelingen geen vlucht- en vestigingsalternatief aan binnen Afghanistan. -##### 3.2. Vrouwen +#### 2.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -###### 3.2.1. Algemeen +##### 2.6.1. Traumatabeleid -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.10.2, C2/3.2 en C14/3.3 is van toepassing. +Geen bijzonderheden. -Hierbij wordt opgemerkt dat blijkens het ambtsbericht de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan en vooral buiten Kaboel en andere grote steden buitengewoon slecht is. In heel Afghanistan, de steden Kaboel, Herat en Mazar-i-Sharif incluis, komt op grote schaal geweld tegen vrouwen voor. Voor zover vrouwen al de kans krijgen hun zaak juridisch aanhangig te maken, biedt het gerechtelijk apparaat geen bescherming. Vrouwen hebben niet dezelfde rechten als mannen. De toegang voor vrouwen tot de gezondheidszorg en het onderwijs is slecht. +##### 2.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor geweldpleging in Afghanistan, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, aan een verwesterde minderjarige vrouw, indien de minderjarige vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk. -###### 3.2.2. Vrouwen met een westerse levensstijl +De IND beoordeelt of sprake is een onevenredige psychosociale druk aan de hand van in ieder geval de volgende omstandigheden: -Blijkens de inhoud van het ambtsbericht is er meer in het algemeen een risico voor vrouwen die de geldende sociale zeden overschrijden of waaraan dergelijk gedrag wordt toegeschreven. Wanneer een individuele asielzoekster aannemelijk maakt dat zij vanwege haar levensstijl zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Afghanistan en deze problemen (mede) aanleiding zijn geweest voor het vertrek, kan dit voldoende zijn om op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. +a. de mate van verwestering van de minderjarige vrouw; +b. de medische omstandigheden (bij de minderjarige vrouw of bij een gezinslid); +c. de samenstelling van het gezin. -Het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst zal in de regel niet leiden tot verblijfsaanvaarding. Immers, het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving betekent niet dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen. De omstandigheid dat betrokkene zich bij terugkeer niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien als in Nederland is daarbij onvoldoende grond om tot vergunningsverlening over te gaan. +De IND beoordeelt de mate van verwestering aan de hand van de volgende omstandigheden: -###### 3.2.3. Alleenstaande vrouwen +• de minderjarige vrouw is tenminste tien jaar oud; +• de verblijfsduur in Nederland bedraagt tenminste 8 jaar, gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• het volgen van onderwijs in Nederland. -Een vrouw wordt als alleenstaand aangemerkt indien zij in Afghanistan geen echtgenoot (meer) heeft met wie zij kan gaan samenleven en indien zij bij terugkeer naar Afghanistan niet terug kan naar haar ouderlijk gezin omdat de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. De gezinsband met de vader is hierbij relevant. Dat betekent dat banden met andere mannelijke familieleden, bijvoorbeeld meerderjarige zoons, broers of ooms, hierbij niet worden meegewogen. +De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, indien: -Om aan te tonen dat een vrouw alleenstaand is op grond van een verbroken gezinsband, dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hierover aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen te worden afgelegd. +• de minderjarige vrouw in Afghanistan beschermd kan worden door machtige actoren (stamoudsten, krijgsheren); +• de minderjarige vrouw of een van haar gezinsleden de terugkeer naar Afghanistan frustreert (waaronder het voeren van procedures die enkel gericht zijn op het bemoeilijken van de terugkeer); +• de minderjarige vrouw tussentijds is teruggekeerd naar Afghanistan; +• het gestelde in paragraaf C2/6.2.7 Vc of paragraaf C2/6.2.8 van toepassing is (openbare orde beleid). -De gezinsband kan in elk geval als verbroken worden beschouwd indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: +De IND verleent aan de ouders van een minderjarige vrouw, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, wordt verleend, eveneens een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. -• betrokkene is duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het ouderlijk gezin; -• betrokkene is zelfstandig gaan wonen; -• betrokkene heeft een eigen gezin gevormd doordat zij gehuwd is of een relatie is aangegaan. +De IND verleent de ouders geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien het gestelde in paragraaf C2/6.2.7 Vc of paragraaf C2/6.2.8 Vc van toepassing is (openbare orde beleid). -Deze opsomming is niet-limitatief. +De IND verleent aan de broers en zusters van een minderjarige vrouw, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, wordt verleend, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, Vw. -Alleenstaande vrouwen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.3. +De IND verleent de broers of zusters geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien het gestelde in paragraaf C2/6.2.7 Vc of paragraaf C2/6.2.8 Vc van toepassing is (openbare orde beleid). -Dit houdt in dat de vreemdeling die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. +De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw niet met een ingangsdatum die ligt voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel (28 april 2011). -Het is niet vereist dat de vreemdeling persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat zij aannemelijk maakt dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. +De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw voor de duur van vijf jaar, ook in het geval de minderjarige vrouw binnen die termijn meerderjarig wordt. -Alleenstaande vrouwen zijn voorts met ingang van 24 juni 2006 aangewezen als specifieke groep, die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/4). +Het uitgangspunt dat verwesterde vrouwen zich kunnen aanpassen (zie 3.2.2) blijft voor minderjarige vrouwen bestaan. -Indien op grond van dit beleid een verblijfsvergunning wordt verleend, ligt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op of na 24 juni 2006. +##### 2.6.3. Specifieke groepen in de zin van -###### 3.2.4. Verwesterde schoolgaande minderjarige meisjes +Ten aanzien van Afghanistan zijn uitsluitend alleenstaande vrouwen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -In het thematisch ambtsbericht over de situatie van schoolgaande kinderen in Afghanistan wordt uitgebreid ingegaan op de risico’s die minderjarige vrouwen (meisjes) met een westerse levensstijl in Afghanistan in het dagelijkse school- en maatschappelijk leven lopen. Ook al slagen verwesterde meisjes erin hun gedrag en attitude aan te passen aan de heersende normen, zij zullen niet anoniem zijn in het openbare leven. Zij kunnen schoolgerelateerde of maatschappelijke problemen ondervinden. De noodzaak tot aanpassing, de geïsoleerde positie en de inferieure status van vrouwen en meisjes in Afghanistan leggen een grote psychosociale druk op verwesterde meisjes. +In paragraaf C7/2.4.3 Vc staat beschreven in welke situaties de IND een vrouw als alleenstaand beschouwt. -Het uitgangspunt dat verwesterde vrouwen zich kunnen aanpassen (zie 3.2.2) blijft voor minderjarige vrouwen bestaan. Onder bepaalde omstandigheden kan worden geconcludeerd dat bij terugkeer een onevenredig zware psychosociale druk op de minderjarige vrouwen komt te liggen. In deze situatie kan om reden van klemmende redenen van humanitaire aard in het verblijf worden voorzien. Het betreft die gevallen waarin de individuele asielzoekster een combinatie van omstandigheden (waaronder de mate van verwestering) aannemelijk maakt. Omstandigheden die bepalend zijn bij het beoordelen van de mate van verwestering zijn onder meer de leeftijd van het meisje in relatie tot de verblijfsduur hier te lande en het volgen van onderwijs. Uitgangspunt wordt een leeftijd vanaf tien jaar en een verblijf in Nederland vanaf acht jaar gerekend vanaf de eerste asielaanvraag in Nederland. +De ingangsdatum van de te verlenen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ligt niet voor 24 juni 2006. -Omstandigheden die meewegen om te bepalen of sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard zijn onder meer: +#### 2.7. Categoriale bescherming in de zin van -• medische omstandigheden (bij het meisje zelf of bij een gezinslid); -• de samenstelling van het gezin; -• de mogelijkheid beschermd te worden door machtige actoren zoals stamoudsten en krijgsheren. +Vreemdelingen uit Afghanistan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -De volgende contra-indicaties worden ook meegewogen (niet-limitatief): +#### 2.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -• het frustreren van de terugkeer waaronder het voeren van procedures die enkel gericht zijn op het bemoeilijken van de terugkeer; -• tussentijdse terugkeer naar het land van herkomst. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -Het gebruikelijke openbare orde beleid (zie C4/3.11) is van toepassing. +Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat: -Indien het samenstel van factoren in samenhang bezien leidt tot de conclusie dat bij terugkeer in Afghanistan sprake zal zijn van onevenredige psychosociale druk, komt het meisje, op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Haar ouders komen, behoudens contra-indicaties van openbare orde, eveneens op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -De eventuele overige zusjes en broers kunnen, in het geval zij niet zelfstandig in aanmerking komen voor asiel, behoudens contra-indicaties van openbare orde, in aanmerking komen voor een afhankelijke verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f Vw. +#### 2.9. Vertrekmoratorium -Indien op grond van dit beleid een verblijfsvergunning wordt verleend, ligt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op of na de datum van de inwerkingtreding van dit beleid, te weten 3 mei 2011. +Ten aanzien van Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -De vergunning wordt verleend voor de duur van vijf jaar, ook in het geval het minderjarige meisje binnen die termijn meerderjarig wordt. In het verblijf van het in Nederland verwesterde en meerderjarig geworden meisje wordt berust. +#### 2.10. Bijzonderheden -De ten tijde van de minderjarigheid verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan het meisje en haar gezinsleden kan worden verlengd of worden omgezet naar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Dit laat onverlet dat verblijfsbeëindiging tot de mogelijkheden blijft behoren indien er wel sprake is van gewijzigde feiten en/of omstandigheden of onjuiste gegevens. +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een Afghaanse vrouw uitsluitend omdat zij na het vertrek uit Afghanistan een westerse levensstijl heeft aangenomen. De IND neemt namelijk aan dat de vrouw zich bij terugkeer zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen. De omstandigheid dat een Afghaanse vrouw zich in Afghanistan niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien, vormt voor de IND onvoldoende grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -##### 3.3. Religieuze minderheden +### 3. Het asielbeleid ten aanzien van Angola -Personen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een religieuze minderheid behoren, worden aangemerkt als risicogroep als bedoeld in C14/3.6. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw worden aan personen behorende tot een risicogroep minder hoge eisen gesteld met betrekking tot het aannemelijk maken van de zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen. +#### 3.1. Besluitmoratorium -Dit houdt in dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen op basis van hun geloofsovertuiging van de zijde van de (centrale) autoriteiten, of locale krijgsheren, of met medeburgers, en er sprake is van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. +Ten aanzien van Angola geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Indien hiervan sprake is, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +#### 3.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -De meerderheid van de Afghaanse bevolking hangt de islam aan. Binnen de totale groep moslims zijn de Shiitische moslims in de minderheid. In het ambtsbericht wordt de positie van de Shiitische moslims als groep niet als zodanig slecht beoordeeld dat zij als risicogroep dienen te worden aangemerkt. +Geen bijzonderheden. -Aanhangers van andere religies dan de islam vormen wel een risicogroep, ongeacht waar zij in Afghanistan wonen. +#### 3.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Personen afkomstig uit een gebied waar zij tot een religieuze minderheid behoren worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.5. +##### 3.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Dit houdt in dat de vreemdeling die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. +De IND beschouwt Angola niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging. -Het is niet vereist dat de vreemdeling persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. +##### 3.3.2. Risicogroepen in de zin van -De meerderheid van de Afghaanse bevolking hangt de islam aan. Binnen de totale groep moslims zijn de Shiitische moslims in de minderheid. In het ambtsbericht wordt de positie van de Shiitische moslims als groep niet als zodanig slecht beoordeeld dat zij als kwetsbare minderheidsgroep dienen te worden aangemerkt. +De IND heeft met betrekking tot Angola geen risicogroepen aangewezen. -Aanhangers van andere religies dan de islam vormen wel een kwetsbare minderheidsgroep, ongeacht waar zij in Afghanistan wonen. +#### 3.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Indien een Afghaanse asielzoeker aannemelijk maakt dat hij zich in Nederland heeft bekeerd, is C2/2.6 van toepassing. +##### 3.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Indien een Afghaanse asielzoeker aannemelijk maakt dat hij zich in Nederland heeft bekeerd en dientengevolge tot een religieuze minderheid is gaan behoren, geldt ook dat hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komt voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Van beperkte individuele indicaties kan eveneens sprake zijn indien de bekeerling al problemen heeft ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. +In Angola is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 3.4. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 3.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12is van toepassing voor zaken waarin sprake is van gereguleerde dienstplicht voor de (centrale) autoriteiten. +In Angola is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Ten aanzien van Afghanistan heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. +##### 3.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -##### 3.5. Homoseksuelen +De IND heeft met betrekking tot Angola geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Homoseksualiteit is in Afghanistan een taboe, en daardoor zeer moeilijk bespreekbaar. Homoseksuelen in Afghanistan houden hun geaardheid geheim. Indien iemand openlijk homoseksueel is, zal hij of zij waarschijnlijk op zijn minst door zijn of haar familie worden uitgesloten. +#### 3.5. Bescherming -Het Afghaanse wetboek van strafrecht noch de Afghaanse grondwet bevatten expliciete bepalingen over homoseksualiteit. Volgens het wetboek van strafrecht kunnen overspel en pederastie worden bestraft met een gevangenisstraf van vijf tot vijftien jaar. De grondwet bepaalt voorts dat als de wet ter zake niets voorschrijft, de sharia kan worden toegepast. +##### 3.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Onder de sharia zijn seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht niet toegestaan. Ofschoon onder islamitische rechtsgeleerden geen consensus bestaat over de bestraffing van homoseksualiteit onder de sharia, kan in Afghanistan niet worden uitgesloten dat de doodstraf wordt opgelegd. +Geen bijzonderheden. -Homoseksuelen uit Afghanistan worden aangemerkt als risicogroep als bedoeld in C14/3.6. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw worden aan personen behorende tot een risicogroep minder hoge eisen gesteld met betrekking tot het aannemelijk maken van de zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen. +##### 3.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Dit houdt in dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen op basis van hun homoseksualiteit van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, of lokale krijgsheren, of met medeburgers, en er sprake is van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. +Geen bijzonderheden. -Indien hiervan sprake is, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +#### 3.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -#### 4. Traumatabeleid +##### 3.6.1. Traumatabeleid -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Afghanistan geen bijzonderheden. +Geen bijzonderheden. -#### 5. Categoriale bescherming +##### 3.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Asielzoekers uit Afghanistan komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +Geen bijzonderheden. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +##### 3.6.3. Specifieke groepen in de zin van -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +Ten aanzien van Angola zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Gezien de huidige situatie is er geen sprake van een vlucht- en/of vestigingsalternatief indien er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. +#### 3.7. Categoriale bescherming in de zin van -##### 6.2. Veilig land van herkomst +Vreemdelingen uit Angola komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Afghanistan wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +#### 3.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +In Angola is adequate opvang in de zin van paragraaf B14.2.2.4 Vc. -Afghanistan wordt niet beschouwd als veilig derde land. +#### 3.9. Vertrekmoratorium -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +Ten aanzien van Angola geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +#### 3.10. Bijzonderheden -Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten. +Geen bijzonderheden. -In een ambtsbericht van 29 februari 2000 heeft de minister van BuZa bericht over taken, organisatiestructuur en werkmethodes van de KhAD en de WAD in de periode 1978- 1992. Het ambtsbericht stelt vast dat in de praktijk alle onderofficieren en officieren van de KhAD en de WAD werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van deze diensten en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen en martelen en soms executeren van verdachte personen. Derhalve hebben alle onderofficieren en officieren zich schuldig gemaakt aan schendingen van de mensenrechten. +### 4. Het beleid ten aanzien van Armenië -Op grond van deze informatie wordt ten aanzien van voornoemde categorie personen aangenomen dat sprake is van ‘personal and knowing participation’ (zie C4/3.11.3.3), tenzij de vreemdeling kan aantonen dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering. +#### 4.1. Besluitmoratorium -Blijkens een ambtsbericht van de minister van BuZa over de Hezb-i-Wahdat van 23 juni 2000 kan deze organisatie als een van de meest gewelddadige politiek-militaire bewegingen in Afghanistan worden beschouwd. Dit geweld was niet enkel gericht tegen politieke tegenstanders, maar ook tegen de burgerbevolking. Uit het ambtsbericht blijkt dat de organisatie zich op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen gedurende de periode 1992-1999. De schendingen bestonden uit martelingen, verkrachtingen, buitengerechtelijke executies en doding tijdens willekeurige arrestaties en krijgsgevangenschap. +Ten aanzien van Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Uit het ambtsbericht blijkt dat het gewelddadig gedrag van de militieleden door de leidinggevenden lijkt te zijn geïnstigeerd. Het ambtsbericht stelt vast dat aannemelijk wordt geacht dat de volgende leden van Hezb-i-Wahdat verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Afghanistan gedurende de periode 1992-1999: +#### 4.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -• alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi; -• de leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi; -• de leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi; -• de hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen; -• alle commandanten van een ferq’a, een brigade van duizend man; -• hoge officieren (commandant, generaal, kolonel, majoor) van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat. +Geen bijzonderheden. -Op grond van deze informatie wordt ten aanzien van de leden van de Hezb-i-Wahdat die onder een of meer van de hierboven genoemde categorieën vallen en die asiel aanvragen in Nederland aangenomen dat sprake is van ‘personal and knowing participation’ (zie C4/3.11.3.3), tenzij de vreemdeling kan aantonen dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering. +#### 4.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Uit het ambtsbericht van de minister van BuZa van 4 september 2002, over het functioneren van de politie in Afghanistan ten tijde van het communistische bewind (1978-1992) en de periode waarin verschillende Mudjahedin-fracties over het land regeerden (1992-1996), hebben afdelingen van de Afghaanse politie, genaamd Sarandoy, tussen 1978 en 1992, in nauwe samenwerking met de veiligheidsdiensten, systematisch en op grote schaal de mensenrechten geschonden. Door middel van folteringen werden bekentenissen afgedwongen en tijdens de politieverhoren zijn vele slachtoffers gevallen. De Sarandoy is ook ingezet bij het neerslaan van opstanden waarbij veel mensen willekeurig zijn opgepakt en geëxecuteerd. Volgens het ambtsbericht zijn in die periode onder de verantwoordelijkheid van de Sarandoy duizenden mensen geëxecuteerd of tijdens foltering bezweken. +##### 4.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Het ambtsbericht stelt dat de mensenrechtenschendingen door deze afdelingen in het algemeen bekend waren bij de Afghaanse bevolking. Van de medewerkers van de afdelingen mag derhalve worden verwacht dat zij op de hoogte zijn geweest van de mensenrechtenschendingen. +De IND beschouwt Armenië niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging. -Het ambtsbericht stelt met betrekking tot de verantwoordelijkheidsvraag voor leidinggevenden het volgende: +##### 4.3.2. Risicogroepen in de zin van -• hoofd- en opperofficieren van de Kumandani-ye Umumi-ye Defa-yeInqelab zijn gedetailleerd op de hoogte geweest van mishandeling, foltering, verkrachting en moord en hebben er in veel gevallen zelf aan deelgenomen of het bevel ertoe gegeven; -• het is onmogelijk dat een hoofd- of opperofficier zijn functie binnen de Riasat-e-Makhsous kon uitvoeren zonder dat hij de gehanteerde methoden onderschreef en zelf uitvoerde of liet uitvoeren; -• hoofd- en opperofficieren van de Operatifi-ye Mahabas zijn op gedetailleerde wijze op de hoogte geweest van de mishandelingen tijdens de verhoren en de executies en hebben er in veel gevallen ook zelf aan deelgenomen of het bevel ertoe gegeven. +De IND heeft met betrekking tot Armenië geen risicogroepen aangewezen. -Voor bovengenoemde categorieën leidinggevenden kan ervan worden uitgegaan dat zij hebben geweten van, althans in staat moeten zijn geweest om te beschikken over voldoende informatie over mensenrechtenschendingen. Daarmee wordt knowing participation aangenomen. De leidinggevenden van eerdergenoemde afdelingen die onder meer oorlogsmisdrijven en, of misdrijven tegen de menselijkheid pleegden, hebben door het aanvaarden en uitoefenen van hun leidinggevende functie de verantwoordelijkheid aanvaard voor de doelstellingen en uitgevoerde methoden van die afdelingen. Daarmee is aan het vereiste van personal participation voldaan. +#### 4.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Op grond van deze informatie wordt ten aanzien van voornoemde categorie personen aangenomen dat sprake is van ‘personal and knowing participation’ (zie C4/3.11.3.3), tenzij de vreemdeling kan aantonen dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering. +##### 4.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Afgezien van boven genoemde groepen, heeft in Afghanistan een groot aantal groepen zich onder de verschillende regimes schuldig gemaakt aan het plegen van mensenrechtenschendingen. Bij asielaanvragen van personen die betrokken zijn geweest bij een dergelijke groep, wordt beoordeeld of het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 van toepassing is. +In Armenië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 6.5. Algehele veiligheidssituatie +##### 4.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat de algehele veiligheidssituatie in Afghanistan in de meeste provincies verslechterd is. Met name het zuidwesten en zuidoosten van Afghanistan zijn nog steeds de meest onveilige gebieden. +In Armenië is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Hoewel de veiligheidssituatie in Afghanistan nog steeds zorgelijk is, en in de afgelopen verslagperiode verder is verslechterd, is in geen enkel (deel)gebied van Afghanistan sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in C2/3.1.5 Vc. Weging van de in deze paragraaf genoemde elementen, leidt niet tot de conclusie dat de veiligheidssituatie in Afghanistan zodanig is dat een burger die terugkeert naar Afghanistan, enkel vanwege zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. +##### 4.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Wel vormt de slechte veiligheidssituatie in het zuiden van Afghanistan aanleiding om ten aanzien van asielaanvragen van asielzoekers uit dit gebied, eerder te concluderen dat betrokkene in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. +De IND heeft met betrekking tot Armenië geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -##### 6.6. Bescherming autoriteiten +#### 4.5. Bescherming -Gelet op de machtsverhoudingen in het land en het trage verloop van de wederopbouw van centrale instituties onder het gezag van de centrale regering na een lange periode van interne en soms voortdurende conflicten, kan niet zonder meer worden verwacht dat bescherming door de centrale autoriteiten in alle gevallen geboden zal en kan worden ingeval van geloofwaardige en zwaarwegende problemen. De centrale autoriteiten hebben niet in het gehele land het gezag in handen. Derhalve dient te worden bezien of de asielzoeker zich kan wenden tot lokale autoriteiten, en of deze ook in staat en bereid zijn bescherming te bieden. Uit de inhoud van het ambtsbericht blijkt verder dat de bescherming van individuele burgers die zich tot de International Security Assistance Force (ISAF) wenden, niet onder het ISAF mandaat valt. Niet in alle gevallen zal dan ook kunnen worden tegengeworpen dat bescherming kan worden geboden. Wel mag worden verwacht dat door de asielzoeker aannemelijk wordt gemaakt waarom bescherming in het individuele geval niet (effectief) kan worden geboden. Hierbij is onder meer het persoonlijke netwerk van belang. +##### 4.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -##### 6.7. Eerwraak en bloedwraak +Geen bijzonderheden. -De problematiek met betrekking tot het verkrijgen van bescherming kan ook spelen in eer- en bloedwraakzaken. De mogelijkheid tot het ontkomen aan dergelijke wraak hangt onder meer af van het vergrijp of de gebeurtenis zelf, onder welke omstandigheden het vergrijp of de gebeurtenis heeft plaatsgevonden en wie er bij betrokken waren. Binnen de traditionele verhoudingen bestaan ook niet-gewelddadige oplossingen voor deze problematiek. Voor zover deze oplossingen geen schending van artikel 3 EVRM vormen, kunnen zij worden betrokken bij de beoordeling van het relaas. Voor zover het asielrelaas van de vreemdeling geloofwaardig is en aannemelijk is gemaakt dat een niet-gewelddadige oplossing onmogelijk was, kunnen deze wraakzaken op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw leiden tot een verblijfsvergunning asiel. +##### 4.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -##### 6.8. Problemen gebaseerd op niet-verdragsgronden +Geen bijzonderheden. -Uit het ambtsbericht blijkt dat burgers in Afghanistan het doelwit kunnen zijn van banditisme en criminaliteit waartegen door de centrale regering niet afdoende kan worden opgetreden. Echter, asielzoekers die zich enkel beroepen op problemen die zijn gebaseerd op welvaartsstatus of de algehele situatie in Afghanistan, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. +#### 4.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +##### 4.6.1. Traumatabeleid -Ten aanzien van Amv’s uit Afghanistan kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +Geen bijzonderheden. -#### 8. Vertrekmoratorium +##### 4.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Ten aanzien van asielzoekers uit Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +Geen bijzonderheden. -### [1a]. Het asielbeleid ten aanzien van Algerije +##### 4.6.3. Specifieke groepen in de zin van -#### 1. Achtergrond +Ten aanzien van Armenië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Algerije. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +#### 4.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 2. Besluitmoratorium +Vreemdelingen uit Armenië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Ten aanzien van asielzoekers uit Algerije geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +#### 4.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +In Armenië is adequate opvang in de zin van paragraaf B14.2.2.4 Vc. -##### 3.1. Vrouwen +#### 4.9. Vertrekmoratorium -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +Ten aanzien van Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 3.2. Dienstplichtigen en deserteurs +#### 4.10. Bijzonderheden -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +De IND beoordeelt of in de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw aan de hand van de vraag of de vreemdeling, onder andere: -#### 4. Traumatabeleid +• het staatsburgerschap bezit van één van de republieken van de voormalige Sovjet-Unie; of +• rechtmatig verblijf heeft (gehad) in één van de republieken van de voormalige Sovjet-Unie. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Algerije geen bijzonderheden. +De algemene voorwaarden in paragraaf C2/6.2.5 Vc zijn van toepassing. -#### 5. Categoriale bescherming +### 5. Het beleid ten aanzien van Azerbeidzjan -Asielzoekers uit Algerije komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +#### 5.1. Besluitmoratorium -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +Ten aanzien van Azerbeidzjan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +#### 5.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +Geen bijzonderheden. -##### 6.2. Veilig land van herkomst +#### 5.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Algerije wordt niet beschouwd als een veilig land van herkomst. +##### 5.3.1. Groepsvervolging in de zin van -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +De IND beschouwt Azerbeidzjan niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging. -Algerije wordt niet beschouwd als een veilig derde land. +##### 5.3.2. Risicogroepen in de zin van -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +De IND heeft met betrekking tot Azerbeidzjan geen risicogroepen aangewezen. -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +#### 5.4. Foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +##### 5.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Voor Amv’s is adequate opvang in Algerije voorhanden. Amv’s van Algerijnse nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +In Azerbeidzjan is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -#### 8. Vertrekmoratorium +##### 5.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +In Azerbeidzjan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -### [2]. Het asielbeleid ten aanzien van Angola +##### 5.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -#### 1. Datum +De IND heeft met betrekking tot Azerbeidzjan geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt. +##### 5.4.4. Bijzonderheden -#### 2. Achtergrond +De vreemdeling kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden: -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Angola. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +• de vreemdeling behoort tot de Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan; +• de vreemdeling heeft de Azerbeidjaanse nationaliteit en is gehuwd met of onderhoudt een duurzame relatie met een vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan. -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 29 december 2005 over de situatie in Angola. +Om in aanmerking te komen voor de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gelden uitsluitend alle volgende voorwaarden: -#### 3. Besluitmoratorium +• de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de periode tussen 1988 en 1992 Azerbeidzjan heeft verlaten; +• de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de op dat moment heersende oorlogssituatie reden is geweest voor het vertrek; +• de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt geen andere nationaliteit te hebben verkregen; +• de vreemdeling voldoet aan de algemene uitgangspunten van het beleid, zoals vermeld in paragraaf C2/3 Vc. -Ten aanzien van asielzoekers uit Angola is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vw. +#### 5.5. Bescherming -#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +##### 5.5.1. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -##### 4.1. Bevolkingsgroepen +Een vlucht- of vestigingsalternatief is aanwezig in het hoofdgebied van Azerbeidzjan: -Er zijn geen aanwijzingen dat personen door de Angolese autoriteiten worden vervolgd vanwege hun etnische afkomst en/of religie. Het behoren tot een specifieke bevolkingsgroep vormt derhalve geen reden betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +• voor de vreemdeling die behoort tot de Azeri bevolkingsgroep afkomstig uit Nagorny Karabach; +• de vreemdeling die een gemengd huwelijk of een gemengde duurzame relatie onderhoudt en afkomstig is uit Nagorny Karabach, terwijl hij na zijn vertrek uit Nagorny Karabach zonder problemen in het hoofdgebied van Azerbeidzjan heeft verbleven; -##### 4.2. Politieke tegenstanders +Een vlucht- of vestigingsalternatief is aanwezig in Nagorny Karabach: -Uit het ambtsbericht van 29 december 2005 blijkt dat op nationaal niveau de verhouding tussen de Movimento Popular de Libertação de Angola, de União Nacional para a Independênçia Total de Angola en oppositiepartijen goed te noemen is. In de provincies en gemeenten liggen de verhoudingen gevoeliger. Verschillende waarnemers berichten over toename van geweld tussen aanhangers van Movimento Popular de Libertação de Angola en União Nacional para a Independênçia Total de Angola in de provincies. +• voor de vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep afkomstig uit Azerbeidzjan; +• de vreemdeling die een gemengd huwelijk of een gemengde duurzame relatie onderhoudt en is afkomstig is uit het hoofdgebied van Azerbeidzjan, terwijl hij na zijn vertrek uit Azerbeidzjan zonder problemen in Nagorny Karabach heeft verbleven. -Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de Angolese autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten te herleiden zijn tot daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. +De IND acht het tenminste voor de volgende categorieën vreemdelingen niet aannemelijk dat zij bescherming verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -##### 4.3. Leden van rebellenbeweging Frente de Libertação do Enclave de Cabinda +• de vreemdeling, van wie de IND heeft geoordeeld dat hij op grond van paragraaf C7/5.4.4 Vc in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• de vreemdeling behorend tot de Armeense bevolkingsgroep uit Nagorny Karabach, van wie de IND heeft geconcludeerd dat hij in Nagorny Karabach te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM. De vervolging moet uitgaan van de Armeens-Karabachse autoriteiten; +• de vreemdeling met de Azerbeidjaanse nationaliteit, die gehuwd is met of een duurzame relatie onderhoudt met een vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan. -Uit het ambtsbericht van 29 december 2005 blijkt dat de belangstelling van de autoriteiten in Cabinda voor aanhangers van de Frente de Libertação do Enclave de Cabinda afneemt door de steeds verdergaande marginalisering van het Frente de Libertação do Enclave de Cabinda. Cabindezen buiten Cabinda vallen buiten de belangstelling van de Angolese autoriteiten, tenzij zij expliciet gezocht worden vanwege hun militaire activiteiten. +Bovenstaande beleidsregels zijn ook geldig voor kinderen uit gemengde huwelijken of duurzame relaties. Als het kind verblijft in een gescheiden gezin, toetst de IND de situatie van het kind aan de hand van de bevolkingsgroep van de ouder, bij wie het kind verblijft. -Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij heeft ondervonden van de zijde van de Angolese autoriteiten vanwege zijn (vermeende) betrokkenheid bij de Frente de Libertação do Enclave de Cabinda te herleiden zijn tot daden van vervolging gericht op de persoon van betrokkene, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. +##### 5.5.2. Buitenlands vestigingsalternatief in Armenië -Door de verwevenheid van politieke en familieverbanden in Cabinda valt niet uit te sluiten dat familieleden van Frente de Libertação do Enclave de Cabinda-rebellen vanwege hun familierelatie problemen als intimidatie en mishandeling ondervinden van de zijde van de autoriteiten in Cabinda. Er zijn geen aanwijzingen dat dit buiten Cabinda het geval is. +Etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan hebben een buitenlands vestigingsalternatief in Armenië, tenzij: -##### 4.4. Journalisten +• de IND oordeelt dat de vreemdeling, op grond van paragraaf C7/5.4.4 Vc in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; +• de vreemdeling uit Azerbeidzjan een gemengde (huwelijks)relatie onderhoudt met een vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep; +• de vreemdelingen afkomstig uit Azerbeidzjan van niet-etnisch Armeense afkomst is. -In de grondwet is vrijheid van meningsuiting en persvrijheid opgenomen. De vrijheid van meningsuiting is verbeterd sinds het tekenen van het staakt-het-vuren en het ingaan van de formele vrede in 2002. Wel oefent de overheid af en toe nog druk uit op journalisten, met name buiten Luanda. De vrijheid van meningsuiting is in de verslagperiode van het eerdergenoemde ambtsbericht ook in Cabinda verbeterd zowel voor journalisten als het maatschappelijk middenveld. +#### 5.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -De situatie van journalisten vormt op zichzelf geen aanleiding om tot statusverlening over te gaan. Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen, dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de Angolese autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn activiteiten als journalist te herleiden zijn tot daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. +##### 5.6.1. Traumatabeleid -##### 4.5. Vrouwen +Geen bijzonderheden. -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +##### 5.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -De enkele omstandigheid dat betrokkene een alleenstaande vrouw is leidt in beginsel niet tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Geen bijzonderheden. -##### 4.6. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 5.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +Ten aanzien van Azerbeidzjan zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Uit het ambtsbericht van 29 december 2005 blijkt dat, sinds op 4 april 2002 het akkoord tussen de regering en União Nacional para a Independênçia Total de Angola werd getekend, er geen dienstplichtigen meer zijn opgeroepen voor militaire dienst en er geen ronselacties meer zijn uitgevoerd. +#### 5.7. Categoriale bescherming in de zin van -Gedwongen inlijving door de Frente de Libertação do Enclave de Cabinda leidt op zichzelf niet tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Betrokkene kan hiertegen de bescherming vragen van de Angolese autoriteiten. Niet is gebleken dat de Angolese autoriteiten deze bescherming niet kunnen of willen bieden. +Vreemdelingen uit Azerbeidzjan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -#### 5. Traumatabeleid +#### 5.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Angola geen bijzonderheden. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -#### 6. Categoriale bescherming +Daarbij geldt voor Azerbeidzjan in ieder geval dat: -Asielzoekers uit Angola komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +#### 5.9. Vertrekmoratorium -##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +Ten aanzien van Azerbeidzjan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +#### 5.10. Bijzonderheden -##### 7.2. Veilig land van herkomst +Geen bijzonderheden. -Angola wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +### 6. Het beleid ten aanzien van Bosnië Herzegovina -##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +#### 6.1. Besluitmoratorium -Angola wordt niet beschouwd als veilig derde land. +Ten aanzien van Bosnië Herzegovina geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +#### 6.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +Geen bijzonderheden. -Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten. +#### 6.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Zowel leden van het leger Forças Armadas Angolanas, de politie, de veiligheidsdienst, als leden van (voormalige) rebellenmilities (bijvoorbeeld União Nacional para a Independênçia Total de Angola of Frente de Libertação do Enclave de Cabinda) hebben zich in Angola op grote schaal schuldig gemaakt aan het schenden van mensenrechten. Om die reden dient men in het bijzonder bedacht te zijn of betrokkene zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. +##### 6.3.1. Groepsvervolging in de zin van -##### 7.5. Legale uitreis +De IND beschouwt Bosnië Herzegovina niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Via het Ministerie van BuZa is vernomen dat veel Angolezen naar Europa reizen, voorzien van een Schengenvisum, afgegeven door de Portugese autoriteiten. Gelet hierop worden asielaanvragen van Angolezen gecontroleerd op mogelijke visumverlening door de Portugese autoriteiten. Bij een positief antwoord zal ten eerste worden bezien of een Dublinverzoek tot de mogelijkheden behoort. Ten tweede zal een positief antwoord van de Portugese autoriteiten tot de conclusie leiden dat betrokkene op legale wijze Angola is uitgereisd. +##### 6.3.2. Risicogroepen in de zin van -Een legale, gecontroleerde uitreis via de luchthaven te Luanda geldt in beginsel als contra-indicatie bij de beoordeling of betrokkene op grond van gegronde vrees voor vervolging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +De IND heeft met betrekking tot Bosnië Herzegovina geen risicogroepen aangewezen. -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s +#### 6.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -In het ambtsbericht van de Minister van BuZa van 29 december 2005 wordt gemeld dat alleenreizende minderjarigen en minderjarigen die reizen onder begeleiding van andere volwassenen dan hun ouders, bij het verlaten van Angola een notarieel vastgelegde toestemming van hun ouders behoren te tonen. Hierbij is tevens van belang dat een vliegreis naar Europa veel geld kost en een paspoort en (Schengen)visum voor de reis verplicht is. Het is mede hierom onwaarschijnlijk dat een kind zonder de steun van familie een Europees land zou kunnen bereiken. +##### 6.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Voorts blijkt uit het genoemde ambtsbericht dat er voor Amv’s adequate opvang in Angola voorhanden is. +In Bosnië Herzegovina is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Wettelijk verantwoordelijk voor wezen en andere alleenstaande minderjarigen zijn de Directie Kinderen en het Nationale Programma voor Opsporing en Hereniging van Families binnen het Angolese Ministerie voor Hulp en Sociale Herintegratie. Onder de taakstelling van deze afdelingen valt ook voogdijstelling. De verantwoordelijke afdelingen zijn echter zwaar overbelast. +##### 6.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Opvang voor uit Nederland teruggekeerde Angolese Amv’s is geregeld in het opvangcentrum Mulemba. Via de IOM wordt in dit tehuis aan terugkerende alleenstaande minderjarige Angolezen van alle leeftijden opvang geboden. Kinderen die in het opvanghuis worden opgevangen, kunnen totdat zij meerderjarig worden in het tehuis verblijven en worden tussentijds niet overgeplaatst naar andere opvangtehuizen. In het opvangcentrum kunnen vanaf augustus 2005 tien uit Nederland teruggekeerde Amv’s van alle leeftijden (nul tot achttien jaar) worden opgevangen. Uit het ambtsbericht van 29 december 2005 blijkt dat van plaatsing in Mulemba slechts éénmaal kortstondig gebruik is gemaakt, omdat alle terugkerende Amv’s elders in Angola opvangmogelijkheden bleken te hebben. Gezien het vorenstaande wordt verwacht dat de doorstroming in Mulemba groot genoeg zal zijn om steeds aan terugkerende Angolese alleenstaande minderjarigen opvang te kunnen bieden. Voor meer informatie omtrent het opvanghuis Mulemba wordt naar het ambtsbericht verwezen. +In Bosnië Herzegovina is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Minderjarige asielzoekers van Angolese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot Mulemba of een andere concrete opvangplaats geregeld zijn. +##### 6.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -#### 9. Vertrekmoratorium +De IND heeft met betrekking tot Bosnië Herzegovina geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Ten aanzien van asielzoekers uit Angola is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +#### 6.5. Bescherming -### [3]. Het asielbeleid ten aanzien van Armenië +##### 6.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -#### 1. Achtergrond +Geen bijzonderheden. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Armenië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C22 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +##### 6.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Armenië (zie de website van het Ministerie van BuZa). +Geen bijzonderheden. -#### 2. Besluitmoratorium +#### 6.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +##### 6.6.1. Traumatabeleid -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Geen bijzonderheden. -##### 3.1. Etnische Azeri +##### 6.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Ten aanzien van etnische Azeri geldt het algemene asielbeleid. Zij komen niet enkel op grond van hun etniciteit in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Geen bijzonderheden. -Etnische Armeniërs die langdurig in het buitenland woonden, ondervonden volgens het jongste ambtsbericht geen problemen om zich weer in Armenië te vestigen. +##### 6.6.3. Specifieke groepen in de zin van -##### 3.2. Journalisten, internetbloggers en medewerkers van ngo’s +Ten aanzien van Bosnië Herzegovina zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -De vrijheid van vereniging en vergadering wordt in de grondwet gegarandeerd. +#### 6.7. Categoriale bescherming in de zin van -De Armeense autoriteiten volgen de activiteiten van journalisten, internet-bloggers en medewerkers van ngo’s kritisch. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag vanwege zijn activiteiten, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Vreemdelingen uit Bosnië Herzegovina komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -##### 3.3. Vrouwen +#### 6.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +In Bosnië Herzegovina is adequate opvang in de zin van paragraaf B14.2.2.4 Vc. -##### 3.4. Dienstplichtigen en deserteurs +#### 6.9. Vertrekmoratorium -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +Ten aanzien van Bosnië Herzegovina geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -De strafmaten voor dienstweigering en desertie, zoals vermeld in het ambtsbericht, zijn in beginsel niet als onevenredig zwaar aan te merken. Dit geldt ook voor dienstplichtigen die op onvrijwillige basis naar Nagorno Karabach zijn gezonden. +#### 6.10. Bijzonderheden -Voor zover bekend speelt religie geen rol in de uiteindelijke strafmaat bij het niet vervullen van de dienstplicht. +Geen bijzonderheden. -#### 4. Traumatabeleid +### 7. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Armenië geen bijzonderheden. +#### 7.1. Besluitmoratorium -#### 5. Categoriale bescherming +Ten aanzien van Burundi geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Asielzoekers uit Armenië komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +#### 7.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +Geen bijzonderheden. -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +#### 7.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +##### 7.3.1. Groepsvervolging in de zin van -##### 6.2. Veilig land van herkomst +De IND beschouwt Burundi niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Armenië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +##### 7.3.2. Risicogroepen in de zin van -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +De IND heeft met betrekking tot Burundi geen risicogroepen aangewezen. -Armenië wordt niet beschouwd als veilig derde land. +#### 7.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Ten aanzien van de beoordeling van de vraag of er een land van eerder verblijf is, wordt opgemerkt dat het mogelijk is dat betrokkene, indien hij ten tijde van de voormalige Sovjet-Unie uit de toenmalige deelrepubliek Armenië is vertrokken en niet in het bezit is gesteld van het staatsburgerschap van één van deze voormalige deelrepublieken, maar anderszins legaal verblijf had. +##### 7.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Dit wordt meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw (zie C4/3.9). +In Burundi is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Indien uit het relaas van betrokkene, de (doorlopende) duur van de verblijfsvergunning of uit onderzoek door de Minister van BuZa niet valt af te leiden dat de asielzoeker duurzame bescherming zal genieten in het land van eerder verblijf, dan wordt geen toepassing gegeven aan artikel 31, tweede lid, onder i, Vw. +##### 7.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +In Burundi is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +##### 7.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -##### 6.5. Nationaliteit of staatsburgerschap +De IND heeft met betrekking tot Burundi geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Veel Armeniërs zijn, op het moment dat de Sovjet-Unie nog als staat bestond, uit de toenmalige deelrepubliek Armenië vertrokken, veelal naar één van de andere deelrepublieken van de voormalige Sovjet-Unie. Nadat de voormalige Sovjet-Unie ophield te bestaan (december 1991) hebben velen het staatsburgerschap verkregen van één van deze later zelfstandig geworden republieken. +#### 7.5. Bescherming -Voor de voorwaarden ter vaststelling van het staatsburgerschap in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie wordt verwezen naar het thematisch ambtsbericht van het Ministerie van BuZa staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie: Armenië d.d. 31 maart 2011. +##### 7.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorie niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -Ten aanzien van Amv’s uit Armenië kan worden geconcludeerd dat adequate opvang in beginsel aanwezig is. Armenië beschikt over vijftig instituten, waaronder elf weeshuizen, die kinderen verschillende diensten bieden op het gebied van residential care. De instituten zijn verspreid over heel Armenië, maar de meeste bevinden zich in Yerevan en de regio´s Shirak, Lori en Syunik. De omstandigheden zijn volgens lokale maatstaven in het algemeen redelijk. De huidige Armeense wetgeving is thans ook meer in lijn met internationale normen voor kinderbescherming dan voorheen. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging. -#### 8. Vertrekmoratorium +##### 7.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +Geen bijzonderheden. -### [4]. Het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan +#### 7.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -#### 1. Achtergrond +##### 7.6.1. Traumatabeleid -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Azerbeidzjan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +Geen bijzonderheden. -#### 2. Besluitmoratorium +##### 7.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Ten aanzien van asielzoekers uit Azerbeidzjan geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +Geen bijzonderheden. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +##### 7.6.3. Specifieke groepen in de zin van -##### 3.1. Etnisch Azeri’s +Ten aanzien van Burundi zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Met betrekking tot de beoordeling van asielaanvragen van etnisch Azeri’s is het algemene asielbeleid van toepassing. +#### 7.7. Categoriale bescherming in de zin van -##### 3.2. Etnisch Armeniërs +Vreemdelingen uit Burundi komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -###### 3.2.1. Inleiding +#### 7.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Naar aanleiding van de oorlog om Nagorny Karabach hebben verreweg de meeste etnisch Armeniërs Azerbeidzjan al tussen 1988 en 1990 verlaten. Zij zijn over het algemeen naar één van de voormalige Sovjetstaten zoals Rusland, Belarus, Armenië, Oekraïne en Georgië getrokken. In Nederland worden asielaanvragen ingediend door zowel personen die recentelijk Azerbeidzjan hebben verlaten als personen die al jaren geleden Azerbeidzjan hebben verlaten. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -###### 3.2.2. Vertrokken uit Azerbeidzjan vóór 1988 +Voor Burundi geldt in ieder geval dat: -Een beroep op gebeurtenissen vóór 1988 zal, gelet op het tijdsverloop, niet snel leiden tot de conclusie dat er sprake is van vluchtelingenschap of van schending van artikel 3 EVRM. Immers, indien de vreemdeling voor 1988 is vertrokken en daarna geruime tijd buiten Azerbeidzjan heeft verbleven, zal niet snel aannemelijk gemaakt kunnen worden dat de vreemdeling thans nog te vrezen zou hebben in Azerbeidzjan. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -Dit laat echter onverlet de mogelijkheid dat een vreemdeling in het asielrelaas op individuele gronden aannemelijk maakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. +#### 7.9. Vertrekmoratorium -###### 3.2.3. Vertrokken uit Azerbeidzjan tussen 1988 en 1992 +Ten aanzien van Burundi geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Een bijzondere positie wordt ingenomen door de groep van etnisch Armeniërs die in de periode 1988 tot en met 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken. +#### 7.10. Bijzonderheden -De keuze voor 1988 is gelegen in het feit dat in dat jaar de eerste onlusten zijn begonnen (27/28 februari 1988). De keuze voor het jaar 1992 is gebaseerd op het feit dat de situatie rond Nagorny Karabach na 1992 over het gewelddadige hoogtepunt heen was; eerst in 1994 is de wapenstilstand formeel getekend. +Geen bijzonderheden. -###### 3.2.4. Vertrokken uit Azerbeidzjan vanaf 1993 +### 8. Het asielbeleid ten aanzien van China -Het normale asielbeleid is van toepassing, met inachtneming van wat in C24/4.2.1 is bepaald. +#### 8.1. Besluitmoratorium -##### 3.3. Gemengd gehuwden +Ten aanzien van China geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Het hiervoor gestelde met betrekking tot etnische Armeniërs is ook van toepassing op gemengd gehuwden. +#### 8.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Onder gemengd gehuwden wordt zowel een huwelijk verstaan van een etnisch Azeri man met een etnisch Armeense vrouw als van een etnisch Armeense man met een etnisch Azeri vrouw. +Geen bijzonderheden. -Hoewel in het ambtsbericht van de Minister van BuZa geen expliciete vermelding wordt gemaakt met betrekking tot de positie van personen die een ‘gemengde relatie’ onderhouden, wordt op grond van hetgeen is beschreven met betrekking tot de positie van gemengd gehuwden aangenomen dat dit in beginsel eveneens van toepassing is op personen die een duurzame gemengde relatie onderhouden. +#### 8.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -##### 3.4. Kinderen uit een gemengd huwelijk +##### 8.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Voor wat betreft kinderen (minder- of meerderjarig) uit een gemengd huwelijk is van belang dat de etniciteit doorgaans wordt doorgegeven via de vaderlijke lijn. In beginsel houdt dat in dat een kind van een etnisch Azeri vader, zelf ook etnisch Azeri is en dat een kind van een etnisch Armeense vader, zelf ook etnisch Armeens is. Van kinderen uit een gemengd huwelijk, die zich reeds zelfstandig (los van de ouders) hebben gevestigd, wordt in beginsel aangenomen dat zij de etniciteit van de vader hebben doorgekregen. +De IND beschouwt China niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -##### 3.5. Vrouwen +##### 8.3.2. Risicogroepen in de zin van -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +De IND heeft met betrekking tot China geen risicogroepen aangewezen. -Eerwraak komt in Azerbeidzjan in beperkte mate voor. In Bakoe komt het sporadisch voor; op het platteland (met name in het zuiden) is het meer gangbaar. Het kan voorkomen dat een vrouw slachtoffer is van eerwraak, maar dat dit geweld onder de noemer van huiselijk geweld valt. +#### 8.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -##### 3.6. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 8.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +In China is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -#### 4. Traumatabeleid +##### 8.4.2. Systematische blootstelling aan in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Azerbeidzjan geen bijzonderheden. +In China is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -#### 5. Categoriale bescherming +##### 8.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Asielzoekers uit Azerbeidzjan komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +De IND heeft met betrekking tot China geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +#### 8.5. Bescherming -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +##### 8.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. Ten aanzien van Azerbeidzjan geldt in het bijzonder het volgende. +Geen bijzonderheden. -Indien van een etnisch Azeri geconcludeerd wordt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de enclave Nagorny Karabach van de zijde van de Karabachse autoriteiten dan wel van de zijde van de etnisch Armeense bevolking, dan wel dat er bij terugkeer naar Nagorny Karabach een reëel risico bestaat op schending van het gestelde in artikel 3 van het EVRM, dan is er in beginsel een vlucht- of vestigingsalternatief in Azerbeidzjan voor handen. +##### 8.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Bij deze beoordeling dient overigens wel in het oog gehouden te worden dat er in Nagorny Karabach zo goed als geen (alleenstaande) Azeri’s meer verblijven +Geen bijzonderheden. -Etnische Armeniërs van wie geconcludeerd wordt dat zij Verdragsvluchteling zijn, dan wel dat schending van artikel 3 EVRM dreigt, komen in beginsel niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, aangezien in beginsel een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief in Nagorny Karabach voorhanden is. +#### 8.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Gemengd gehuwden, die na 1992 uit Azerbeidzjan zijn vertrokken, kan een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief worden tegengeworpen in andere delen van Azerbeidzjan, indien dit mogelijk is op grond van het algemene beleidskader zoals omschreven in C4/2.2. +##### 8.6.1. Traumatabeleid -##### 6.2. Veilig land van herkomst +Geen bijzonderheden. -Azerbeidzjan wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +##### 8.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +Geen bijzonderheden. -Azerbeidzjan wordt niet beschouwd als veilig derde land. +##### 8.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Uit het ambtsbericht van het Ministerie van BuZa blijkt dat de Armeense autoriteiten bereid zijn etnisch Armeniërs terug of over te nemen. Uit Azerbeidzjan vertrokken etnisch Armeniërs worden door Armenië adequaat opgevangen. Zij worden door de Armeense autoriteiten niet teruggestuurd naar Azerbeidzjan. De aanvraag om toelating als vluchteling van etnisch Armeniërs die eerder langer dan twee weken in Armenië hebben verbleven, kan in voorkomende gevallen derhalve worden afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder i Vw (zie C4/3.9). +Ten aanzien van China zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +#### 8.7. Categoriale bescherming in de zin van -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +Vreemdelingen uit China komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -##### 6.5. Nationaliteit of staatsburgerschap +#### 8.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Op het moment dat de Sovjet-Unie nog als staat bestond zijn velen reeds uit de toenmalige deelrepubliek Azerbeidzjan vertrokken, veelal naar één van de andere deelrepublieken van de voormalige Sovjet-Unie. Nadat de voormalige Sovjet-Unie ophield te bestaan (december 1991) hebben velen het staatsburgerschap verkregen van één van deze later zelfstandig geworden republieken. +In China is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +#### 8.9. Vertrekmoratorium -Ten aanzien van Amv’s uit Azerbeidzjan kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +Ten aanzien van China geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -#### 8. Vertrekmoratorium +#### 8.10. Bijzonderheden -Ten aanzien van asielzoekers uit Azerbeidzjan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +Voor Oeigoeren uit China kan Turkije in individuele gevallen een land van eerder verblijf in de zin van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder i, Vw zijn. -### [4a]. Het asielbeleid ten aanzien van Bosnië Herzegovina +### 9. Het beleid ten aanzien van Colombia -#### 1. Achtergrond +#### 9.1. Besluitmoratorium -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Bosnië-Herzegovina. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +Ten aanzien van Colombia geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -#### 2. Besluitmoratorium +#### 9.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Ten aanzien van asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +Geen bijzonderheden. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +#### 9.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -##### 3.1. Vrouwen +##### 9.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +De IND beschouwt Colombia niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -##### 3.2. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 9.3.2. Risicogroepen in de zin van -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +De IND heeft met betrekking tot Colombia geen risicogroepen aangewezen. -#### 4. Traumatabeleid +#### 9.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Bosnië-Herzegovina geen bijzonderheden. +##### 9.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -#### 5. Categoriale bescherming +In Colombia is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +In de regio Valle del Cauca is sprake van een gewapend conflict in de zin van dit artikel. Er is in de regio Valle del Cauca geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin iedere burger bij terugkeer enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM loopt. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +##### 9.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +In Colombia is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +##### 9.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -##### 6.2. Veilig land van herkomst +De IND heeft met betrekking tot Colombia geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Bosnië-Herzegovina wordt niet beschouwd als een veilig land van herkomst. +#### 9.5. Bescherming -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +##### 9.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Bosnië-Herzegovina wordt niet beschouwd als een veilig derde land. +Geen bijzonderheden. -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +##### 9.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +In Colombia is geen vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +#### 9.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Voor Amv’s is adequate opvang in Bosnië-Herzegovina voorhanden. Amv’s van Bosnische nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +##### 9.6.1. Traumatabeleid -#### 8. Vertrekmoratorium +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van asielzoekers uit geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +##### 9.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -### [5]. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi +Geen bijzonderheden. -#### 1. Achtergrond +##### 9.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Burundi. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +Ten aanzien van Colombia zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -#### 2. Besluitmoratorium +#### 9.7. Categoriale bescherming in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit Burundi geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +Vreemdelingen uit Colombia komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw aan vreemdelingen uit Colombia die afkomstig zijn uit gebieden die in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn aangemerkt als relatief onveilig. Vreemdelingen uit Colombia afkomstig uit onveilige gebieden hebben een verblijfsalternatief elders in Colombia. -##### 3.1. Etnische groepen +#### 9.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -###### 3.1.1. Hutu en Tutsi +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -Hoewel het conflict in Burundi een veelheid aan dieper liggende oorzaken kent, zijn de verschillen tussen de twee belangrijkste etnische groepen, Hutu (85%) en Tutsi (14%), in het recente verleden veelvuldig door politici gebruikt om mensen te mobiliseren voor hun eigen politieke agenda. Tijdens de burgeroorlog die volgde op de moord op president Ndadaye in 1993 zijn veel slachtoffers over en weer gevallen, terwijl het land in toenemende mate etnisch gesegregeerd raakte. +Daarbij geldt voor Colombia in ieder geval dat: -###### 3.1.2. Batwa/Twa +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -De Batwa (ook wel Twa, Bambuti of pygmeeën genoemd) vormen de kleinste etnische minderheidsgroepering in Burundi. Van gerichte vervolging van de Batwa is geen sprake. Wel worden zij op allerlei terreinen achtergesteld en gediscrimineerd. Vaak worden zij op economisch, sociaal en politiek terrein gemarginaliseerd. Dit leidt echter niet op voorhand tot de conclusie dat Batwa in aanmerking komen voor vluchtelingschap. Hiervoor dienen zij op de gebruikelijke wijze aannemelijk te maken dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Gelet op de maatschappelijke positie van de Batwa kan het inroepen van bescherming van de autoriteiten slechts op basis van concrete aanknopingspunten in het individuele asielrelaas worden tegengeworpen. Daarbij dient tevens in aanmerking te worden genomen dat uit het ambtsbericht blijkt dat het overheidsapparaat, noch de justitiële sector in staat is om aangifte van de meeste misdrijven te behandelen en te vervolgen als gevolg van jarenlange ondercapaciteit. +#### 9.9. Vertrekmoratorium -###### 3.1.3. Kinderen uit etnische gemengde huwelijken +Ten aanzien van Colombia geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa komen etnisch gemengde huwelijken ook na 1993 nog voor. Kinderen uit dergelijke huwelijken kunnen in zekere mate zelf bepalen met welke etnische groep zij zich willen associëren, die van de vader of van de moeder. Vaak wordt dit ingegeven door de omgeving waarin zij opgroeien. Het is echter niet ondenkbaar dat een kind van gemengde afkomst door de omgeving gezien wordt als behorend tot een specifieke etnische groep, bijvoorbeeld op grond van fysieke kenmerken. +#### 9.10. Bijzonderheden -Aangezien etniciteit niet meer geregistreerd wordt op identiteitspapieren, wordt er ook geen officiële indeling van kinderen uit gemengde huwelijken meer gemaakt. +Geen bijzonderheden. -##### 3.2. Politieke tegenstanders van het bewind +### 10. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo) -De vrijheid van vereniging en vergadering is vastgelegd in de grondwet. Over het algemeen wordt dit recht gerespecteerd. Oppositionele groeperingen kunnen in het algemeen vrijelijk opereren, maar worden soms in hun werkzaamheden beperkt door intimidatie door de autoriteiten, vooral op provinciaal en lokaal niveau. +#### 10.1. Besluitmoratorium -##### 3.3. Binnenlandse ontheemden +Ten aanzien van Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Nog geregeld trekken groepen binnenlandse ontheemden terug naar hun oorspronkelijk leefgebied in Burundi. Reden is niet alleen een toegenomen vertrouwen in een verbeterde veiligheidssituatie in het land, maar ook de angst dat terugkerende Burundese vluchtelingen uit de omringende landen al het land in gebruik zullen nemen. Dit veroorzaakt veelal spanningen tussen de naar hun plaats van herkomst terugkerende ontheemden, terugkerende Burundese vluchtelingen uit met name Tanzania en al aanwezige burgers. UNHCR en lokale NGO’s kunnen soms bemiddelen bij landgeschillen. +#### 10.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -##### 3.4. Vrouwen +Geen bijzonderheden. -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +#### 10.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -##### 3.5. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 10.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +De IND beschouwt Congo DRC niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -#### 4. Traumatabeleid +##### 10.3.2. Risicogroepen in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. +De IND heeft met betrekking tot Congo DRC geen risicogroepen aangewezen. -#### 5. Categoriale bescherming +#### 10.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Asielzoekers uit Burundi komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +##### 10.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +In Congo DRC is uitsluitend sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc in: -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +• Noord- en Zuid-Kivu; +• Haut- en Bas Uélé. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +Voor vreemdelingen van Congolese nationaliteit, afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid Kivu en Haut-en Bas Uélé, is een vestigingsalternatief aanwezig in Kinshasa, indien de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. (zie verder paragraaf C7/10.5.2 Vc.) -##### 6.2. Veilig land van herkomst +##### 10.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Burundi wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +In Congo DRC is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +##### 10.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Burundi wordt niet beschouwd als veilig derde land. +De IND heeft met betrekking tot DRC geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +#### 10.5. Bescherming -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +##### 10.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -##### 6.5. Legale uitreis +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -Uit eerdere ambtsberichten van de Minister van BuZa blijkt dat de kans dat personen ongecontroleerd via het vliegveld van Bujumbura kunnen uitreizen, gering is. Voor de uitreis is een persoonsbewijs (paspoort, identiteitskaart of laissez-passer) noodzakelijk. Een legale uitreis vormt in beginsel een contra-indicatie bij de beoordeling of betrokkene op grond van gegronde vrees voor vervolging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Een legale uitreis vormt op zichzelf geen contra-indicatie indien de gestelde vrees niet door toedoen van de autoriteiten wordt veroorzaakt. +• homoseksuelen: +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +##### 10.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Ten aanzien van Amv’s uit Burundi kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +De IND neemt voor Congo DRC geen vlucht- of vestigingsalternatief aan, indien de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees voor vervolging heeft. -#### 8. Vertrekmoratorium +De IND neemt voor Congo DRC een vestigingsalternatief aan in Kinshasa voor de vreemdeling afkomstig uit een gebied waarvan in paragraaf C7/10.4.1 is vermeld dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, indien de vrees van de vreemdeling niet gebaseerd is op de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden, maar alleen een gevolg is van de uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc. -Ten aanzien van asielzoekers uit Burundi geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +#### 10.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -### [6]. Het asielbeleid ten aanzien van China +##### 10.6.1. Traumatabeleid -#### 1. Achtergrond +Geen bijzonderheden. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor China. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C22 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +##### 10.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van juni 2010 over de situatie in China (zie de website van het Ministerie van BuZa). +Geen bijzonderheden. -#### 2. Besluitmoratorium +##### 10.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit China is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vw. +Ten aanzien van Congo DRC zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +#### 10.7. Categoriale bescherming in de zin van -##### 3.1. Aanhangers van een spirituele beweging/religieuze groepering +Vreemdelingen uit Congo DRC komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Sinds 1996 zijn groepen verboden die worden aangeduid als ‘evil cults’ ofwel verboden sektes. Spirituele bewegingen als de Zhong Gong, Guo Gong en de Xian Gong-groep worden, net als de Falun Gong sinds 1999, aangemerkt als ‘Evil cult’. Zie voor een niet-limitatieve opsomming van dergelijke groepen het ambtsbericht van de Minister van BuZa. Sekteleden kunnen op basis van artikel 300 van de Chinese strafwet drie tot zeven jaar gevangenisstraf krijgen wegens het verstoren van de publieke orde of het uitdelen van publicaties. Sekteleiders lopen het risico op minimaal zeven jaar gevangenisstraf, net als personen die zich bezig houden met het werven van nieuwe leden. +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw aan vreemdelingen uit Congo DRC die afkomstig zijn uit de gebieden Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Haut-Uélé. Vreemdelingen uit Congo DRC afkomstig uit de gebieden Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Haut-Uélé hebben een verblijfsalternatief elders in Congo DRC (Kinshasa). -In de Chinese grondwet staat vrijheid van godsdienst en de vrijheid om niet te geloven omschreven. Ten opzichte van religieuze activiteiten van officieel geregistreerde kerken is sprake van tolerantie. De mogelijkheid tot godsdienstbeoefening van niet-geregistreerde kerken is afhankelijk van de opstelling van de lokale autoriteiten en varieert per regio. +#### 10.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Het komt geregeld voor dat lokale autoriteiten leden van niet-geregistreerde kerkgenootschappen veroordelen tot een straf in een heropvoedingskamp. Leden, maar vooral ook leiders van ongeoorloofde kerken, lopen het risico te worden geïntimideerd, verhoord, beboet, vastgezet, mishandeld en ingezet te worden bij dwangarbeid. +In Congo DRC is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij gevaar loopt opgepakt te worden, dat hij strafrechtelijk vervolgd wordt of zal worden, vanwege lidmaatschap van een religieuze groepering of een sekte, en er sprake is van een strafmaat van een zeker gewicht, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +#### 10.9. Vertrekmoratorium +Ten aanzien van Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +#### 10.10. Bijzonderheden -##### 3.2. Politieke dissidenten en mensenrechtenactivisten +Geen bijzonderheden. -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat de Chinese autoriteiten politieke partijen die zich kritisch opstellen tegenover de Chinese Communistische Partij niet toestaan. Ook het pleiten voor meer democratie wordt niet geduld. +### 11. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea -Zolang voormalig dissidenten niet weer actief worden, hebben zij weinig te vrezen van de autoriteiten. Actieve dissidenten en soms ook hun familieleden worden geïntimideerd door de autoriteiten. +#### 11.1. Besluitmoratorium -Politieke dissidenten en mensenrechtenactivisten kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij als zodanig bekend zijn bij de Chinese autoriteiten en dat de problemen die zij verwachten van de zijde van de autoriteiten, te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. +Ten aanzien van Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -##### 3.3. Etnische minderheden +#### 11.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -###### 3.3.1 +Geen bijzonderheden -####### 3.3.1.1 +#### 11.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat Oeigoeren zich achtergesteld voelen ten opzichte van Han-Chinezen en dat veel van de protesten van Oeigoerse organisaties gericht zijn tegen de bevoordeling van de Han-bevolking in Xinjiang. Indien een Oeigoer zich beroept op discriminatie, is het algemene beleid van C2/2.5 van toepassing. +##### 11.3.1. Groepsvervolging in de zin van -####### 3.3.1.2 +De IND beschouwt Eritrea niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Diverse groeperingen spannen zich in voor een onafhankelijk Xinjiang, dat Oost-Turkestan zou moeten heten. Een kleine minderheid van de Oeigoeren grijpt naar geweld om het onafhankelijkheidsstreven kracht bij te zetten. +##### 11.3.2. Risicogroepen in de zin van -China voert in Xinjiang een actief beleid tegen de ‘Drie Kwaden’ separatisme, terrorisme en religieus extremisme, waarbij nauwelijks onderscheid wordt gemaakt tussen vreedzame uitingen van protest enerzijds en gewelddadige anderzijds. De Chinese overheid treedt hierbij hard op. Bij protesten op 5 juli 2009 in Xinjiang is het eveneens tot een gewelddadig treffen gekomen. Naar aanleiding hiervan voeren de Chinese autoriteiten een actief opsporingsbeleid naar degenen die zij verdenken van betrokkenheid bij de onlusten. +De IND heeft met betrekking tot Eritrea geen risicogroepen aangewezen. -Oeigoeren die een asielaanvraag hebben ingediend en die aannemelijk maken dat zij bij terugkeer strafrechtelijk vervolgd zullen worden vanwege politieke activiteiten of verdenking van politieke of separatistische activiteiten, inclusief deelname aan demonstraties of rellen in Xinjiang kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +#### 11.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Zie ook 3.3.1.3 met betrekking tot terugkeer. +##### 11.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -####### 3.3.1.3 +In Eritrea is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Het ambtsbericht van de Minister van BuZa van juni 2010 geeft aan dat niet bekend is wat er bij terugkeer gebeurt. Gezien de moeilijke positie van Oeigoeren verdient de behandeling van asielaanvragen van Oeigoeren extra aandacht te krijgen, waarbij de toetsing van het algehele asielrelaas als uitgangspunt dient. +##### 11.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Dit houdt in, dat indien een Oeigoer aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer vanwege welke reden dan ook, waaronder begrepen een asielaanvraag of langer verblijf in het buitenland, niet alleen zal worden ondervraagd, maar tevens zal worden gearresteerd, hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +In Eritrea is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -####### 3.3.1.4 +##### 11.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Ingeval van Oeigoeren geldt dat Centraal-Aziatische landen meewerken aan het uitleveren van Oeigoeren aan China. Kazachstan en China hebben hiertoe een verdrag getekend. De derdelandenexceptie kan daarom niet aan Oeigoeren met de Chinese nationaliteit worden tegengeworpen als het gaat om Afghanistan, Kazachstan, Kyrgyzstan, Nepal, Oezbekistan, Pakistan, Tadzjikistan en Turkmenistan. Gelet op berichtgeving dat Cambodja en Birma op verzoek van China Oeigoeren, onder wie ook door UNHCR erkende vluchtelingen, hebben uitgeleverd, zijn ook Cambodja en Birma geen veilige derde landen. +De IND heeft met betrekking tot Eritrea geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Turkije kan in individuele gevallen met toepassing van artikel 31, eerste lid, onder i, Vw een land van eerder verblijf zijn voor Oeigoeren. Zie hiervoor hetgeen staat vermeld in het ambtsbericht over Turkije. +##### 11.4.4. Dienstplichtigen en deserteurs -###### 3.3.2 +Vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij zijn gedeserteerd komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -####### 3.3.2.1 +Vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanwege hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan, komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -De mensenrechtensituatie in Tibet blijft slecht. Martelingen, arrestaties en detenties zonder berechting komen voor. Deze zijn vooral gericht tegen mensen die openlijk uitkomen voor een onafhankelijk Tibet of publiekelijk hun steun betuigen aan de Dalai Lama. Personen die verdacht worden van politieke misdaden hebben niet altijd toegang tot rechtsbijstand. Berechting vindt vaak plaats achter gesloten deuren. Op het in gevaar brengen van de staatsveiligheid en op separatistische activiteiten staat elk 15 jaar celstraf, met een maximum van 20 jaar in totaal. Protesten hoeven niet gewelddadig te zijn om zwaar bestraft te worden. +##### 11.4.5. Illegale en legale uitreis -Het Tibetaanse boeddhisme kan openlijk worden beleden. De Chinese autoriteiten handhaven wel strikte controles op alle religieuze activiteiten en op de gang van zaken in tempels en kloosters. Het komt voor dat religieuze activiteiten, zoals festivals, door de overheid worden gezien als uitingen van politieke onvrede of onafhankelijkheidsstreven. Ook worden kloosters gesloten en worden monniken en nonnen opgepakt die beschuldigd worden van politieke gedragingen. +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling met de Eritrese nationaliteit, die illegaal Eritrea uitgereisd is. -Tibetaanse asielzoekers, die aannemelijk maken dat zij strafrechtelijk vervolgd worden of zullen worden vanwege politieke activiteiten in China en er sprake is van een strafmaat van een zeker gewicht, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen. -####### 3.3.2.2 +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling met de Eritrese nationaliteit, die legaal Eritrea uitgereisd is, tenzij er andere, individuele redenen zijn om de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw te verlenen. -Gezien de moeilijke positie van Tibetanen verdient de behandeling van asielaanvragen van Tibetanen extra aandacht te krijgen, waarbij de toetsing van het algehele asielrelaas als uitgangspunt dient. +#### 11.5. Bescherming -Dit houdt in, dat indien een Tibetaan aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer vanwege welke reden dan ook, waaronder begrepen een asielaanvraag of langer verblijf in het buitenland, niet alleen zal worden ondervraagd, maar tevens zal worden gearresteerd, hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel. +##### 11.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -###### 3.3.3 +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -In Binnen-Mongolië is voorzover bekend geen sprake van discriminatie van de etnisch Mongoolse minderheid. Activiteiten van Binnen-Mongolen die door de Chinese autoriteiten worden beschouwd als separatisme worden niet geduld en kunnen leiden tot een lange gevangenisstraf. Protestbewegingen die openlijk streven naar een onafhankelijk Binnen-Mongolië zijn sinds 1995 niet of nauwelijks meer actief in Mongolië. +• vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt vanwege hun geloofsovertuiging gegronde vrees voor vervolging te hebben; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging, tenzij uit individuele verklaringen of algemene bron gebleken is dat wel bescherming kan worden ingeroepen; +• vreemdelingen met een homoseksuele geaardheid. -Etnisch Mongoolse asielzoekers, die aannemelijk maken dat zij strafrechtelijk vervolgd worden of zullen worden vanwege politieke activiteiten in Binnen-Mongolië en er sprake is van een strafmaat van een zeker gewicht, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +##### 11.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -In zaken waarbij aanslagen of separatistische activiteiten een rol spelen, wordt aandacht besteed aan de mogelijke toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3). +In Eritrea wordt geen vestigingsalternatief aanwezig geacht voor vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis. -##### 3.4. Gezinnen met meerdere kinderen +#### 11.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Op grond van de Wet op de gezinsplanning mag een Chinees echtpaar in beginsel slechts één kind krijgen. In veel gevallen kan daarop echter een uitzondering worden gemaakt door de Chinese autoriteiten. +##### 11.6.1. Traumatabeleid -Een beroep op het geboortebeleid is op zichzelf onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij of zij te maken zal krijgen met gedwongen abortus of sterilisatie, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Geen bijzonderheden. -##### 3.5. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 11.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van China heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. +##### 11.6.3. Specifieke groepen in de zin van -#### 4. Traumatabeleid +Ten aanzien van Eritrea zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot China geen bijzonderheden. +#### 11.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 5. Categoriale bescherming +Vreemdelingen uit Eritrea komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Asielzoekers uit China komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie C2/5). +#### 11.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +In Eritrea is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +#### 11.9. Vertrekmoratorium -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3 is van toepassing. +Ten aanzien van Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 6.2. Veilig land van herkomst +#### 11.10. Bijzonderheden -China wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +Gedwongen terugkeer van Eritrese vreemdelingen naar Eritrea zal niet plaatsvinden. Aangenomen wordt dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een risico op schending van artikel 3 EVRM aanwezig is. -##### 6.3. Veilig derde land/land van eerder verblijf +Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met toestemming van de Eritrese autoriteiten, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep zal dan ook niet op voorhand worden aangenomen dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. -China wordt niet beschouwd als veilig derde land. +### 12. Het asielbeleid ten aanzien van Guinee -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +#### 12.1. Besluitmoratorium -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +Ten aanzien van Guinee geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +#### 12.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Op basis van de beschikbare informatie wordt in beginsel ervan uitgegaan dat de opvang in weeshuizen in China adequaat is. Dit geldt ook voor situaties waarin sprake is van een minderjarige vrouw met een kind. Voorts blijkt dat er duidelijkheid bestaat over de ontvangst van de Amv in China door de autoriteiten aldaar. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats niet door de Nederlandse autoriteiten behoeft te worden geregeld. Amv’s van Chinese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. +Geen bijzonderheden -Indien in het individuele geval wordt betwist dat adequate opvang voor betrokkene aanwezig is, wordt – gelet op de uitgebreide mogelijkheden van (adequate) opvang – van de betrokkene verwacht dat hij aantoont dat in zijn geval geen adequate opvang aanwezig is ofwel dat hij aantoont dat er een reële kans is dat hij geplaatst wordt in een weeshuis of verzorgingshuis dat, naar lokale maatstaven gemeten, niet adequaat is. De bewijslast ligt hierbij bij de betrokken asielzoeker. +#### 12.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -#### 8. Vertrekmoratorium +##### 12.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit China geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +De IND beschouwt Guinee niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -### [7]. Het asielbeleid ten aanzien van Colombia +##### 12.3.2. Risicogroepen in de zin van -#### 1. Achtergrond +De IND heeft met betrekking tot Guinee geen risicogroepen aangewezen. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Colombia. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +#### 12.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 4 september 2008 over de situatie in Colombia (zie de website van het Ministerie van BuZa). +##### 12.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -#### 2. Besluitmoratorium +In Guinee is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Ten aanzien van asielzoekers uit Colombia is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vw. +##### 12.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +In Guinee is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -##### 3.1. Leiders sociale gemeenschappen: vakbondsleiders, mensenrechtenactivisten, religieuze leiders +##### 12.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Vakbondsleiders en andere gemeenschapsleiders liepen blijkens het ambtsbericht gedurende de verslagperiode het risico slachtoffer te worden van gerichte bedreigingen en moorden. In de praktijk blijkt het moeilijk te achterhalen of in deze gevallen sprake was van een politiek motief. +De IND heeft met betrekking tot Guinee geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Ook mensenrechtenactivisten, vooral in gebieden waar veel geweldsincidenten plaatsvinden en waar het staatsgezag zwak is, liepen gedurende de verslagperiode het risico slachtoffer te worden van gerichte bedreigingen en moorden door guerrilla’s en vooral ex-paramilitairen en leden van nieuwe illegaal gewapende groeperingen (NIAG’s). Vooral mensenrechtenactivisten die onderzoek doen naar mensenrechtenschendingen en deze herleiden tot individuen (bijvoorbeeld ex-paramilitairen of commandanten van NIAG’s of guerrillagroeperingen) liepen gevaar. +#### 12.5. Bescherming -Ook religieuze leiders liepen het risico in hun mensenrechten te worden geschonden door guerrilla’s, ex-paramilitairen en leden van NIAG’s. Indien religieuze leiders in Colombia bedreigd of vermoord worden, is de reden meestal van politieke of financiële aard. Religieuze overwegingen spelen hierbij doorgaans geen rol. +##### 12.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Indien asielzoekers behorende tot één van deze groepen aannemelijk maken dat zij vanwege hun (vermeende) activiteiten vervolging vrezen en geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten, kunnen zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -##### 3.2. Lokale politici en bestuurders +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor geweldpleging; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis; +• homoseksuelen. -Met name in gebieden waar het staatsgezag zwak was en waar guerrillagroeperingen en NIAG’s actief waren, liepen lokale politici en (kandidaat-) bestuurders het risico slachtoffer te worden van gerichte bedreigingen en moorden, met name door de FARC, ex-paramilitairen en NIAG’s. In de aanloop naar de lokale en regionale verkiezingen die op 28 oktober 2007 plaatsvonden, werden 25 kandidaten vermoord. +##### 12.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Indien asielzoekers behorende tot deze groep aannemelijk maken dat zij vanwege hun (vermeende) activiteiten vervolging vrezen en geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten, kunnen zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. +Geen bijzonderheden. -##### 3.3. Journalisten +#### 12.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Gedurende de verslagperiode werden journalisten geïntimideerd door zowel ex-paramilitairen, leden van NIAG’s als de FARC en de ELN, met name bij publicaties over mensenrechtenschendingen die herleidbaar zijn tot individuen. Om die reden is er sprake van een zekere mate van zelfcensuur. Incidenten vonden plaats in ondermeer Sucre, Córdoba en Santander. +##### 12.6.1. Traumatabeleid -Indien asielzoekers behorende tot deze groep aannemelijk maken dat zij vanwege hun (vermeende) journalistieke activiteiten vervolging vrezen en geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten, kunnen zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. +De IND weegt bij de beoordeling of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw moet worden verleend, niet mee of de vreemdeling bescherming heeft gevraagd aan de autoriteiten. -##### 3.4. Inheemse volkeren +Overigens geen bijzonderheden. -Colombianen die tot inheemse groepen behoren werden, net als in de vorige verslagperiode, in disproportionele mate slachtoffer van zowel de guerrillagroeperingen als NIAG’s, aangezien zij doorgaans in (geïsoleerde) zones wonen waar guerrillagroeperingen of NIAG’s een sterke machtsbasis hebben. De inheemse bevolking neemt bovendien een gemarginaliseerde positie in in de Colombiaanse samenleving en haar sociaal-economische situatie is veelal slecht. +##### 12.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Individuele asielzoekers die behoren tot deze groepen kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien zij vanwege hun etniciteit een gegronde vrees voor vervolging hebben van de zijde van (één der) gewapende groepen en hiertegen geen bescherming van de autoriteiten kunnen krijgen. +Geen bijzonderheden. -##### 3.5. Afro-Colombianen +##### 12.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Afro-Colombianen werden, net als in de vorige verslagperiode, in disproportionele mate slachtoffer van zowel de guerrillagroeperingen als de NIAG’s vanwege het feit dat zij doorgaans in (geïsoleerde) zones wonen, waar gevechtshandelingen, gedwongen verplaatsingen en belegeringen (m.n. in Chocó en Nariño) plaatsvinden. +Ten aanzien van Guinee zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Individuele asielzoekers die behoren tot deze groepen kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien zij vanwege hun etniciteit een gegronde vrees voor vervolging hebben van de zijde van (één der) gewapende groepen en hiertegen geen bescherming van de autoriteiten kunnen krijgen. +#### 12.7. Categoriale bescherming in de zin van -##### 3.6. Vrouwen +Vreemdelingen uit Guinee komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Alle partijen bij het conflict maakten zich gedurende de verslagperiode schuldig aan verkrachtingen en ander seksueel geweld. Van zowel guerrillagroeperingen als NIAG’s is bekend dat zij vrouwen van mogelijke verraders seksueel misbruikten en verminkten. Gedurende de verslagperiode maakten NIAG’s zich schuldig aan vrouwenhandel ten behoeve van de prostitutie. +#### 12.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -##### 3.7. Dienstplichtigen en deserteurs +Voor Guinee geldt in ieder geval dat: -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -Ten aanzien van Colombia heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. +#### 12.9. Vertrekmoratorium -#### 4. Traumatabeleid +Ten aanzien van Guinee geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Colombia geen bijzonderheden. +#### 12.10. Bijzonderheden -#### 5. Categoriale bescherming +Geen bijzonderheden. -Asielzoekers uit Colombia komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +### 13. Het asielbeleid ten aanzien van Irak -Het ambtsbericht geeft aan dat er sprake is van een dynamisch conflict. De locatie van conflicthaarden is aan verandering onderhevig, evenals de positie en mate van invloed van de guerrillagroeperingen en NIAG’s. +#### 13.1. Besluitmoratorium -De departementen die op basis van de informatie in het ambtsbericht als relatief onveilig kunnen worden gezien zijn: Nariño, Valle del Cauca (inclusief de stad Cali, die voorheen nog als relatief veilig werd aangemerkt), Chocó, Cordoba, het noorden van Norte de Santander, het westen van Arauca, Casanare, Meta, Caquetá en Putumayo. +Ten aanzien van Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Als relatief veilig kunnen worden aangemerkt Medellín en het departement Cundinamarca, waarin de hoofdstad Bogotá ligt. +#### 13.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Voor de overige gebieden van Colombia is het onderscheid relatief veilig/relatief onveilig minder duidelijk te maken. +De IND neemt ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/6.2.8 Vc aan: -Het voorgaande, zou tot het oordeel kunnen leiden dat voor de onveilige gebieden een beleid van categoriale bescherming, in de zin van artikel 29, eerste lid aanhef en onder d, Vw, is geïndiceerd. +• hoofden van de volgende inlichtingen- en veiligheidsdiensten: -Echter, asielzoekers uit onveilige gebieden die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op individuele gronden, kunnen zich aan de algehele geweldsituatie onttrekken door in de relatief veilige gebieden te verblijven. Aan deze personen zal een verblijfsalternatief worden tegengeworpen. Zij komen derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. +a. de Algemene Inlichtingendienst; +b. de Militaire Inlichtingendienst; +c. de Speciale Veiligheidsdienst; +d. de Algemene Veiligheidsdienst; en +e. de Militaire Veiligheidsdienst; +• officieren van de Speciale Veiligheidsdienst. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +#### 13.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +##### 13.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3 is van toepassing. +De IND beschouwt Iraakse vreemdelingen met een homoseksuele of biseksuele geaardheid en transgenders (verder: LHBT’s) als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag. -Ten aanzien van Colombia geldt, dat gezien de algehele situatie aan asielzoekers geen vlucht- en/of vestigingsalternatief wordt tegengeworpen in een ander deel van Colombia indien sprake is van gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Doorgaans zullen deze asielzoekers zich immers in geheel Colombia niet aan vervolging of een onmenselijke of vernederende behandeling door derden kunnen onttrekken. Zij komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a respectievelijk b, Vw. +De IND verleent aan Iraakse LHBT’s een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, tenzij de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen. -##### 6.2. Veilig land van herkomst +##### 13.3.2. Risicogroepen in de zin van -Colombia wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +De IND heeft met betrekking tot Irak geen risicogroepen aangewezen. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +#### 13.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Colombia wordt niet beschouwd als veilig derde land. +##### 13.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +In Irak is geen gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +##### 13.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten. +In Irak is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Bij de beoordeling van personen die deel uitmaken van of banden hebben met de guerrillabewegingen of de paramilitairen, dient steeds te worden beoordeeld of de activiteiten voor deze groeperingen aanleiding vormen om te oordelen dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is. +##### 13.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -##### 6.5. Veiligheidssituatie +De IND beschouwt uitsluitend de volgende groepen als kwetsbare minderheidsgroep: -###### 6.5.1. Algemeen +a. Christenen; +b. Mandeeërs; +c. Yezidi’s; +d. Joden; +e. Shabak; +f. Kaka’i. -Het ambtsbericht geeft aan dat, hoewel de veiligheidssituatie in sommige delen van het land onverminderd slecht is, gesteld kan worden dat de veiligheidssituatie in het algemeen aanzienlijk is verbeterd. Zeker in de dichtbevolkte aandachtsgebieden die over een goede infrastructuur beschikken, is de aanwezigheid van de staat aanzienlijk vergroot. +De IND betrekt bij de beoordeling of een in Nederland tot het christendom bekeerde vreemdeling bij terugkeer een risico loopt op schending van 3 EVRM, ook problemen die de vreemdeling in Irak heeft ondervonden om andere redenen dan de christelijke geloofsovertuiging, maar die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. -###### 6.5.2. Binnenlands gewapend conflict +#### 13.5. Bescherming -Een gewapend conflict in de zin van dit artikel wordt aangenomen voor de regio Valle del Cauca. De mate van willekeurig geweld in dit conflict is echter niet zodanig dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin iedere burger bij terugkeer louter door zijn aanwezigheid een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in die bepaling zou lopen. +##### 13.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -##### 6.6. Bescherming door de autoriteiten +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -Binnen Colombia bestaat een aantal beschermingsprogramma’s voor personen die vrezen voor vervolging door één van de strijdende partijen. Toegang tot één van deze programma’s is echter niet voor iedereen mogelijk. Daarnaast zal in een aantal gevallen geen effectieve bescherming mogelijk zijn. +• Christenen +• Mandeeërs +• Yezidi’s +• Joden +• Shabak +• Kaka’i -Asielzoekers die stellen te vrezen voor vervolging door één van de strijdende partijen, dienen aannemelijk te maken dat zij niet in aanmerking kunnen komen voor bescherming dan wel dat effectieve bescherming in hun geval niet mogelijk is. +Indien vreemdelingen stellen te vrezen voor bloedwraak of vergelijkbare inter-tribale problemen van een andere familie, clan of stam, neemt de IND aan dat zij bescherming kunnen krijgen binnen de eigen familie, clan of stam. -Daarbij kan in beginsel worden verwacht dat asielzoekers die aangifte van hun problemen doen bij de autoriteiten de reactie van de autoriteiten op deze aangifte afwachten. Personen die aangifte doen en direct zonder enige reactie af te wachten Colombia verlaten, dienen aannemelijk te maken waarom het niet mogelijk was de reactie van de autoriteiten af te wachten. +##### 13.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Indien asielzoekers niet aannemelijk kunnen maken dat in hun geval geen bescherming kan worden geboden, bestaat geen aanleiding een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw te verlenen. +De IND neemt ten aanzien van Iraakse vreemdelingen geen vlucht- en vestigingsalternatief aan binnen Irak. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +#### 13.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Ten aanzien van Amv’s uit Colombia kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +##### 13.6.1. Traumatabeleid -#### 8. Vertrekmoratorium +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van asielzoekers uit Colombia is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +##### 13.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -### [8]. Het asielbeleid ten aanzien van de DRC +Geen bijzonderheden. -#### 1. Achtergrond +##### 13.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor de Democratische Republiek Congo (hierna te noemen de DRC). Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +Ten aanzien van Irak zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken (BuZa) over de situatie in de DRC. +#### 13.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 2. Besluitmoratorium +Vreemdelingen uit Irak komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Ten aanzien van asielzoekers uit de DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +#### 13.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -##### 3.1. Tutsi’s +Voor Irak geldt in ieder geval dat: -Uit de ambtsberichten is een beeld naar voren gekomen van een langzaam verbeterende positie van Tutsi’s in de DRC. De positie van Tutsi’s wijkt inmiddels niet meer wezenlijk af van de positie van andere groepen in het land. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -De Tutsi’s uit de DRC worden niet langer aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.5. +#### 13.9. Vertrekmoratorium -Dit betekent dat aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van Tutsi’s die na onderhavige beleidswijziging worden ingediend, weer op louter individuele gronden zullen worden beoordeeld. Het enkel aanwezig zijn van geringe indicaties is niet langer voldoende voor verlening van een vergunning. +Ten aanzien van Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Omdat op deze grond verleende vergunningen pas kunnen worden ingetrokken zodra sprake is van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft, worden zij (vooralsnog) niet herbeoordeeld. Op basis van informatie uit toekomstige ambtsberichten zal worden bezien wanneer van een zodanige situatie sprake is. +#### 13.10. Bijzonderheden -Indien wordt besloten tot een herbeoordeling, wordt een eventuele aanvraag voor verlenging of een aanvraag voor onbepaalde tijd enkel afgewezen, indien er geen overige grond voor verlenging, dan wel verlening bestaat. +De IND beschouwt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben. -##### 3.2. Veiligheidssituatie in Noord- en Zuid-Kivu, Haut- en Bas Uélé +### 14. Het asielbeleid ten aanzien van Iran -Uit de twee meest recente ambtsberichten valt af te leiden dat de situatie in Noord- en Zuid Kivu en Haut-en Bas Uélé zodanig ernstig is, dat deze voldoet aan de vereisten van artikel 15c, van de richtlijn 2004/83/EG. +#### 14.1. Besluitmoratorium -Voor personen afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid Kivu en Haut-en Bas Uélé is een vestigingsalternatief aanwezig in Kinshasa, indien de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. +Ten aanzien van Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -##### 3.3. Vrouwen +#### 14.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +Geen bijzonderheden. -Uit de ambtsberichten blijkt dat seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voorkomt in de DRC. +#### 14.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Hoewel de daders van seksueel geweld in de DRC vooral soldaten, politieagenten en strijders van overgebleven rebellenbewegingen zijn, wordt een steeds groter deel van het seksueel geweld, zowel in de conflictgebieden als in andere delen van het land, gepleegd door burgers. +##### 14.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Slachtoffers van verkrachting leven in schaamte. Zij lopen het risico verstoten te worden door hun familie. Het is voor de meeste vrouwen in de DRC onmogelijk om bescherming in te roepen tegen seksueel geweld. Het is moeilijk om aangifte te doen van seksueel geweld. Het risico is aanwezig dat het doen van aangifte van verkrachting zich tegen het slachtoffer keert. Vrouwen die aangifte komen doen van seksueel geweld worden soms door de politie beticht van hekserij en lopen het risico zelf bestraft te worden, met name wanneer de dader van het seksueel geweld invloedrijk is. +De IND beschouwt Iran niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in de DRC, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +##### 14.3.2. Risicogroepen in de zin van -##### 3.4. Homoseksuelen +De IND heeft met betrekking tot Iran geen risicogroepen aangewezen. -Zoals in veel Afrikaanse landen rust in de DRC een zwaar sociaal-cultureel taboe op homoseksualiteit, waardoor nauwelijks over het onderwerp kan worden gesproken. Door het gebrek aan beschermende wetgeving, aan formele en informele acceptatie en door het slechte functioneren van het politieapparaat kan een homoseksueel geen bescherming inroepen tegen gevallen van discriminatie door medeburgers, de politie of andere overheidsinstanties. In de DRC is homoseksualiteit niet expliciet strafbaar. Het WvSr noemt wel ‘misdaden tegen het familieleven’ (met een maximum gevangenisstraf van vijf jaar), welke bepaling gebruikt kan worden tegen homoseksuelen. +##### 14.3.3. Christenen, bahai’s en soefi’s -Als er geen vervolging plaatsvindt in de zin van een directe onmenselijke behandeling kan discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.3.2 is van toepassing. +De IND stelt in het geval van christenen, bahai’s en soefi minder eisen aan de geloofwaardigheid van het individuele asielrelaas. Een christen, bahai of soefi komt in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: -Indien een Congolese asielzoeker die zich beroept op discriminatie vanwege homoseksualiteit, aannemelijk kan maken dat de ondervonden discriminatie een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren dan kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +• de vreemdeling heeft problemen ondervonden van de zijde van de Iraanse autoriteiten of van medeburgers; +• de vreemdeling heeft deze problemen met geringe indicaties geloofwaardig gemaakt. -Het enkele feit dat iemand homoseksueel is, is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning. +#### 14.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -#### 4. Traumatabeleid +##### 14.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. +In Iran is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -#### 5. Categoriale bescherming +##### 14.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Asielzoekers uit de DRC komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning. +In Iran is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +##### 14.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +De IND heeft met betrekking tot Iran geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Gezien de huidige situatie in de DRC, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen, met uitzondering van asielzoekers van wie de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. Asielzoekers die uit die provincies komen en een gegronde, individuele persoonlijke vrees hebben, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen. +##### 14.4.4. Christenen -##### 6.2. Veilig land van herkomst +Een in Nederland bekeerde christen kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien de vreemdeling in Iran problemen heeft ondervonden om andere redenen dan de nieuwe religie en die problemen op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. -De DRC wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +#### 14.5. Bescherming -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +##### 14.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -De DRC wordt niet beschouwd als veilig derde land. +Geen bijzonderheden. -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +##### 14.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +Geen bijzonderheden. -Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten. +#### 14.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Zowel leden van het leger, de politie en de veiligheidsdienst, als leden van (voormalige) rebellenmilities hebben zich in de DRC op grote schaal schuldig gemaakt aan het schenden van de mensenrechten. Met name de strijdende partijen in het oosten van de DRC maken zich schuldig aan foltering en andere oorlogsmisdrijven. Om die reden dient men er in het bijzonder op bedacht te zijn of betrokkene zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Vorenstaande kan ook van belang zijn bij minderjarigen, aangezien met name de rebellengroeperingen en sommige fracties van het nationale leger gebruik maken dan wel gebruik hebben gemaakt van kindsoldaten. +##### 14.6.1. Traumatabeleid -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +Geen bijzonderheden. -Traditioneel werden weeskinderen altijd opgevangen door familieleden of mensen in de omgeving. Het aantal straatkinderen is echter in de afgelopen jaren flink toegenomen. Voor Amv’s is adequate opvang in de DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. In het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bosco) zijn twaalf opvangplaatsen geregeld voor uit Nederland terugkerende Amv’s. Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amv’s wordt verwezen naar het meest recente ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken. +##### 14.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Minderjarige asielzoekers van Congolese nationaliteit komen daarom niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +Geen bijzonderheden. -#### 8. Vertrekmoratorium +##### 14.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit de DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +Ten aanzien van Iran zijn met ingang van 18 oktober 2006 uitsluitend de volgende groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc: -### [9]. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea +• homoseksuelen; +• biseksuelen; +• transseksuelen. -#### 1. Achtergrond +De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Eritrea. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +#### 14.7. Categoriale bescherming in de zin van -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van november 2011 over de situatie in Eritrea (zie de website van het Ministerie van BuZa). +Vreemdelingen uit Iran komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -#### 2. Besluitmoratorium +#### 14.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Daarbij geldt voor Iran in ieder geval dat: -##### 3.1. Ethiopiërs en personen van gemengde afkomst +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -Toetsing van het asielrelaas vindt conform C2/2.4 plaats aan de hand van het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft, niet aan de hand van het land waar de vreemdeling laatstelijk heeft verbleven. Hierbij is van belang dat de huidige Eritrese nationaliteitsverordening qua regelgeving onvolledig is en ruimte biedt voor verschillende interpretaties. De Eritrese autoriteiten gaan daarom momenteel noodgedwongen pragmatisch om met de huidige nationaliteitsverordening. +#### 14.9. Vertrekmoratorium -Bij personen met de Ethiopische nationaliteit wordt Ethiopië als land van herkomst beschouwd, ook indien een vreemdeling daar nimmer heeft verbleven. Een (langdurig) verblijf van een persoon met de Ethiopische nationaliteit in Eritrea vormt blijkens het algemeen ambtsbericht voor Ethiopië geen reden om deze persoon bij terugkeer de toegang tot Ethiopië te ontzeggen. +Ten aanzien van Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Indien aannemelijk is dat de Eritrese autoriteiten betrokkene beschouwen als Eritrees burger, wordt van de Eritrese nationaliteit uitgegaan. +#### 14.10. Bijzonderheden -Ten aanzien van personen van gemengde afkomst met de Eritrese nationaliteit geldt, dat de situatie in Eritrea geen aanleiding vormt om personen van gemengde afkomst reeds op grond van die afkomst op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. Indien op grond van het individuele relaas blijkt dat ondervonden discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert, dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren, is het beleid zoals neergelegd in C2/2.5 van toepassing. +Geen bijzonderheden. -##### 3.2. Aanhangers van nieuwe religies +### 15. Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust -Personen die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun geloofsovertuiging gegronde vrees te hebben voor vervolging, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +#### 15.1. Besluitmoratorium -In het geval een beroep wordt gedaan op discriminatie door medeburgers is C2/2.5 van toepassing. +Ten aanzien van Ivoorkust geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Indien Eritrese asielzoekers zich hier te lande bekeren, is C2/2.6 van toepassing. +#### 15.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -##### 3.3. Politieke opposanten +Geen bijzonderheden. -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat het in Eritrea verboden is om politieke campagnes te voeren. Het is mogelijk dat personen die ervan verdacht worden aanhanger van een oppositionele beweging te zijn, bij terugkeer de aandacht van de Eritrese autoriteiten trekken. Zij zouden mogelijk problemen (arrestatie en detentie) kunnen ondervinden. Hetzelfde geldt voor hun familieleden. Hierbij dient overigens te worden opgemerkt dat arrestatie en detentie in Eritrea vaak tamelijk arbitrair lijken te gebeuren. +#### 15.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat hij aanhanger is van een oppositionele beweging of vanwege politieke activiteiten, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +##### 15.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Bij aanhangers van partijen die zich bedienen van gewelddadige methodes wordt steeds beoordeeld of deze activiteiten mogelijk aanleiding zijn om toepassing te geven aan artikel 1F Vluchtelingenverdrag. +De IND beschouwt Ivoorkust niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -##### 3.4. Vrouwen +##### 15.3.2. Risicogroepen in de zin van -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +De IND heeft met betrekking tot Ivoorkust geen risicogroepen aangewezen. -Geweld tegen vrouwen en meisjes, met name huiselijk geweld en verkrachting, komt veelvuldig voor in Eritrea. Er bestaat de mogelijkheid tot het inroepen van mediation en het inschakelen van de rechter. Dit komt in de praktijk echter vrijwel niet voor. Verkrachting geldt als een misdrijf. Niet duidelijk is of verkrachting binnen het huwelijk strafbaar is. Er wordt niet of nauwelijks aangifte gedaan van seksueel geweld. +#### 15.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor geweldpleging in Eritrea, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ten aanzien van de mogelijkheid van het inroepen van bescherming van de autoriteiten zal in zijn algemeenheid de aanwezigheid van bescherming niet snel kunnen worden aangenomen, tenzij uit individuele omstandigheden dan wel uit algemene bron kan worden afgeleid dat het inroepen van bescherming daadwerkelijk soelaas kan bieden. +##### 15.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Hoewel genitale verminking sinds maart 2007 in Eritrea verboden is, komt dit overal in het land en in vrijwel alle gemeenschappen voor. De leeftijd waarop FGM in Eritrea wordt uitgevoerd, is afhankelijk van de etnische groep waartoe men hoort. Veelal ondergaan meisjes van vijf jaar of jonger FGM. Met inachtneming van hetgeen hieromtrent bekend is uit algemene bron, wordt beoordeeld of er gelet op de leeftijd en de etniciteit sprake is van een aannemelijk beroep op vrees voor vrouwenbesnijdenis. +In Ivoorkust is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Indien een meisje of vrouw nog niet besneden is en dit in haar land van herkomst niet kan ontlopen, kan sprake zijn van een reëel risico voor een schending van artikel 3 EVRM. In die situatie kan op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. +##### 15.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. Een vestigingsalternatief binnen Eritrea wordt in beginsel niet aanwezig geacht. +In Ivoorkust is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -##### 3.5. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 15.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +De IND heeft met betrekking tot Ivoorkust geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en deserteurs in de praktijk niet worden berecht, ook niet door de militaire rechtbank. In plaats daarvan worden zij zonder proces bestraft. +#### 15.5. Bescherming -Voor de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel omdat er sprake is van een onevenredige of discriminatoire bestraffing, wordt niet (enkel) gekeken naar de theoretische strafmaten, maar wordt tevens de praktijk meegewogen. +##### 15.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Indien er grond is voor het oordeel dat de vreemdeling het leger heeft verlaten in het kader van een demobilisatieprogramma, officieel is afgezwaaid of is vrijgesteld van de dienstplicht (bijvoorbeeld om medische redenen), is niet aannemelijk dat de asielzoeker een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM. +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -Indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt uit het leger te zijn gedeserteerd, komt hij in beginsel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Indien contra-indicaties in de weg staan aan verlening van de vergunning, kan vanwege de absolute bescherming van artikel 3 EVRM evenwel geen sprake zijn van uitzetting naar het land van herkomst. +• etnische minderheden; +• homoseksuelen; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor geweldpleging; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis; +• minderjarigen. -In het geval van dienstweigeraars en dienstplichtontduikers geldt dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning indien zij aannemelijk maken dat zij op grond van hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Indien contra-indicaties in de weg staan aan verlening van de vergunning, kan vanwege de absolute bescherming van artikel 3 EVRM evenwel geen sprake zijn van uitzetting naar het land van herkomst. +##### 15.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Hierbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa vrouwen dienstplichtig zijn in de leeftijd tussen 18 en 27 jaar (ongehuwd of gehuwd, met of zonder kinderen en van welke religie dan ook). In de praktijk zouden vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven, tijdelijk worden ontzien. Het komt echter ook voor dat vrouwen ouder dan 27 jaar zich beroepen op het ontwijken van de dienstplicht. Indien een vrouw boven de genoemde leeftijd Eritrea heeft verlaten en toch aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van haar dienstweigering of dienstontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat, wordt de asielaanvraag niet afgewezen op de enkele grond dat zij niet (meer) binnen de dienstplichtige categorie valt. In dat geval is het hierboven beschreven beleid van toepassing. Wel dient specifiek aandacht te worden besteed aan de verklaringen van de vreemdelinge op dit punt. +Geen bijzonderheden. -##### 3.6. Homoseksuelen +#### 15.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Het Eritrese Wetboek van Strafrecht *(Eritrean Transitional Penal Code)* verbiedt expliciet het verrichten van seksuele handelingen met iemand van hetzelfde geslacht. De formele strafmaat voor deze handelingen is tien dagen tot drie jaar gevangenisstraf. In de praktijk komt het hoogst zelden tot een juridische vervolging en strafoplegging. Zaken die wel tot juridische vervolging leiden, worden in strikte beslotenheid afgewikkeld. Indien een Eritrese asielzoeker die zich beroept op discriminatie vanwege homoseksualiteit, aannemelijk kan maken dat de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren, dan kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +##### 15.6.1. Traumatabeleid -Voor zover bekend krijgen homoseksuelen geen bescherming van de overheid tegen discriminatie en eventueel geweld. Derhalve wordt niet verlangd dat homoseksuelen zich bij voorkomende problemen tot de autoriteiten wenden voor bescherming. +Geen bijzonderheden. -##### 3.7. Personen die illegaal zijn uitgereisd +##### 15.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Jaarlijks vlucht een groot aantal Eritreeërs illegaal de grens met Soedan en Ethiopië over. Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat er verschillende berichten zijn van illegaal uitgereisde personen die na terugkeer direct werden opgepakt en voor korte of langere tijd zijn gedetineerd. In beginsel loopt iedereen die Eritrea illegaal uitreist een risico. Bepaalde groepen, zoals politieke opposanten, journalisten, dienstplichtontduikers, deserteurs en personen die een ‘nieuwe’ religie aanhangen, lopen bij illegale uitreis een verhoogd risico. Zij worden in de regel zwaarder gestraft. +Geen bijzonderheden. -Indien een vreemdeling illegaal is uitgereisd, wordt in beginsel aangenomen dat hij bij terugkeer naar Eritrea een risico loopt op behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM en kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, behoudens de gebruikelijke contra-indicaties. +##### 15.6.3. Specifieke groepen in de zin van -#### 4. Traumatabeleid +Ten aanzien van Ivoorkust zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Eritrea geen bijzonderheden. +#### 15.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 5. Categoriale bescherming +Vreemdelingen uit Ivoorkust komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Asielzoekers uit Eritrea komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +#### 15.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +Daarbij geldt voor Ivoorkust in ieder geval dat: -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -##### 6.2. Veilig land van herkomst +#### 15.9. Vertrekmoratorium -Eritrea wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +Ten aanzien van Ivoorkust geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +#### 15.10. Bijzonderheden -Eritrea wordt niet beschouwd als veilig derde land. +Geen bijzonderheden -##### 6.4. artikel 1F Vluchtelingenverdrag +### 16. Het asielbeleid ten aanzien van Libië -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +#### 16.1. Besluitmoratorium -##### 6.5. Legale uitreis +Ten aanzien van Libië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Uit het algemeen ambtsbericht blijkt niet dat iemand die legaal is uitgereisd bij terugkeer een reëel risico loopt op vervolging of schending van artikel 3 EVRM. Er kan door de Eritrese autoriteiten mogelijk een onderzoek worden ingesteld en betrokkene kan, afhankelijk van het onderzoeksresultaat, vervolgens worden ondervraagd en een geldboete moeten betalen. +#### 16.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Indien de vreemdeling het land legaal heeft verlaten, komt hij bij de beoordeling in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van gegronde vrees voor vervolging of risico op 3 EVRM-schending, tenzij er individuele gronden zijn om een vergunning te verlenen. +Geen bijzonderheden. -Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat vreemdelingen die gedwongen terugkeren naar Eritrea, bij terugkeer de kans lopen op gevangenschap (voor onbepaalde tijd), mishandeling en foltering (soms de dood tot gevolg hebbend). +#### 16.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea zal niet plaatsvinden. Aangenomen wordt dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een risico op schending van artikel 3 EVRM aanwezig is. +##### 16.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Uitgangspunt is dat een vreemdeling die legaal, met toestemming van de Eritrese autoriteiten, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Van hen wordt verwacht dat zij, indien de aanvraag wordt afgewezen, zelfstandig terugkeren. Bij deze groep zal dan ook niet op voorhand worden aangenomen dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. +De IND beschouwt Libië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +##### 16.3.2. Risicogroepen in de zin van -Voor Amv’s is adequate opvang in Eritrea voorhanden. +De IND heeft met betrekking tot Libië geen risicogroepen aangewezen. -Traditioneel worden alleenstaande minderjarigen door familie opgevangen. De familie heeft de functie van een sociaal vangnet. Indien plaatsing bij familie niet mogelijk is, kunnen de minderjarigen in groepshuizen worden geplaatst. Kinderen in de leeftijdscategorie van vijf tot achttien jaar kunnen in deze groepshuizen verblijven. De groepshuizen functioneren goed en de kwaliteit is naar lokale maatstaven gemeten acceptabel. Daarnaast bestaat er momenteel één door de overheid beheerd weeshuis in Eritrea. Kinderen kunnen in een weeshuis terecht indien zij in de leeftijdscategorie vallen van nul tot en met vier jaar. Vervolgens worden zij overgebracht naar een van de groepshuizen. +#### 16.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Amv’s van Eritrese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +##### 16.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -#### 8. Vertrekmoratorium +In Libië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Ten aanzien van asielzoekers uit Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +##### 16.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -### [10]. Het asielbeleid ten aanzien van Ethiopië +In Libië is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -#### 1. Datum +##### 16.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt. +De IND beschouwt uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen als kwetsbare minderheidsgroep: -#### 2. Achtergrond +• homoseksuelen en lesbiennes, biseksuelen en transgenders (LHBT). -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Ethiopië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +#### 16.5. Bescherming -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 14 februari 2005 over de situatie in Ethiopië. +##### 16.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -#### 3. Besluitmoratorium +Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Libië te vrezen heeft voor vervolging of schending van artikel 3 EVRM, verlangt de IND niet dat hij zich tot de Libische autoriteiten wendt voor bescherming. -Ten aanzien van asielzoekers uit Ethiopië is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vw. +##### 16.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Geen bijzonderheden. -##### 4.1. Eritreeërs en personen van gemengde afkomst +#### 16.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Personen van Eritrese afkomst die nog in Ethiopië verblijven, kunnen te maken krijgen met discriminatie op de arbeidsmarkt. De situatie in Ethiopië vormt echter geen aanleiding om personen van Eritrese of gemengde afkomst met de Ethiopische nationaliteit reeds op grond van die afkomst in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning. +##### 16.6.1. Traumatabeleid -Voormalige bewoners van Ethiopië van Eritrese afkomst, afkomstig uit een derde land, zijn welkom in Eritrea, evenals de direct uit Ethiopië afkomstige gedeporteerden, mits zij de Eritrese nationaliteit kunnen aantonen. Indien zij die niet kunnen aantonen, zullen zij vanuit dat derde land een verblijfsvergunning als vreemdeling in Eritrea moeten aanvragen. +Geen bijzonderheden. -Met in achtneming van het beleid zoals neergelegd in C2/2.5 kan betrokkene op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, indien op grond van het individuele relaas blijkt dat de ondervonden discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. +##### 16.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -##### 4.2. Journalisten +Geen bijzonderheden. -De perswet van 1992 garandeert vrije media. De nadruk wordt gelegd op de individuele verantwoordelijkheid van de journalisten, hetgeen hen een redelijke ruimte tot opereren geeft. Hierdoor hebben de media meer mogelijkheden gekregen voor oppositionele berichtgeving. De huidige perswet wordt herzien. Schendingen van de perswet kunnen naar alle waarschijnlijkheid niet meer met gevangenisstraf worden bestraft. Op grond van de oude wet konden gevangenisstraffen tot maximaal drie jaar worden gegeven voor delicten als het publiceren van onjuiste informatie, het aanzetten tot etnische conflicten en smaad. Daarnaast kan een aantal bepalingen uit het strafrecht worden aangewend jegens journalisten, zoals het ‘in gevaar brengen van de veiligheid van de staat’, ‘aanzetten tot oorlog’ en ‘onthullen van staatsgeheimen’; delicten die maximaal bestraft kunnen worden met tien jaar gevangenisstraf. Het blijft voorkomen dat journalisten door de politie worden lastig gevallen en mishandeld, evenals dat zij strafrechtelijk worden vervolgd. +##### 16.6.3. Specifieke groepen in de zin van -In individuele gevallen kunnen journalisten op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Ten aanzien van Libië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -##### 4.3. Illegale opposanten +#### 16.7. Categoriale bescherming in de zin van -Een aantal politieke bewegingen opereert illegaal omdat zij de regering niet als wettig gezag erkennen en geweld niet expliciet uitsluiten. Personen die worden aangehouden wegens betrokkenheid bij deze organisaties, kunnen strafrechtelijk worden vervolgd. Discriminatoire dan wel disproportionele bestraffing kan hierbij niet worden uitgesloten. Verdachten van betrokkenheid bij deze organisaties worden vastgehouden in voorarrest, soms zelfs jarenlang. Blijkens het ambtsbericht vinden veelvuldig arrestaties plaats op grond van verdenking lid of aanhanger te zijn van het Oromo Liberation Front, waarbij de meeste gedetineerden na enkele weken met een waarschuwing huiswaarts worden gezonden. +Vreemdelingen uit Libië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Indien personen verbonden aan dergelijke partijen een beroep doen op de problemen die zij hebben ondervonden, dient te worden beoordeeld of deze problemen, voor zover aannemelijk en te herleiden tot het Vluchtelingenverdrag, voldoende zwaarwegend zijn om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. +#### 16.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -##### 4.4. Etnische groepen en minderheden +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -Er zijn geen aanwijzingen dat personen door de Ethiopische autoriteiten worden vervolgd enkel vanwege hun etnische afkomst. Wel doen zich regelmatig etnische conflicten voor. Het enkele behoren tot een specifieke bevolkingsgroep vormt geen reden betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Voor Libië geldt in ieder geval dat: -De autoriteiten worden gedomineerd door de etnische Tigray, terwijl de Oromo bevolkingsgroep het grootst is. Oromo’s ervaren dat zij worden achtergesteld door de autoriteiten. Er is sprake van vermeende economische achterstelling, waarbij het ongenoegen en de spanningen verder worden aangewakkerd door de agressieve oppositie van de Oromo Liberation Front. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van discriminatie van Oromo dan wel gegronde vrees voor de autoriteiten wordt de algehele situatie waarin Oromo verkeren in aanmerking te worden genomen. De gestelde vrees voor vervolging dient op de gebruikelijke wijze aannemelijk te worden gemaakt. +#### 16.9. Vertrekmoratorium -Naar verluidt worden aanzienlijke aantallen Oromo’s vastgehouden in verschillende gevangenissen in Ethiopië, waarbij melding wordt gemaakt van marteling. Het komt daarnaast voor dat organisatoren van studentendemonstraties worden opgepakt omdat zij door de regerende partij als gevaarlijk worden beschouwd. Het gebeurt regelmatig dat verdachten lange tijd worden vastgehouden zonder dat tegen hen een aanklacht is geformuleerd. Niet uitgesloten kan worden dat daarbij mensenrechten worden geschonden. Het gaat hierbij evenwel niet om collectieve maar om individuele acties van overheidsfunctionarissen. Tevens bestaat de indruk dat dit soort voorvallen eerder op lokaal en regionaal niveau dan op federaal niveau voorkomen. Hieruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat het mogelijk is de bescherming van de (hogere) autoriteiten in te roepen. Wel dient betrokkene voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap aannemelijk te maken dat de bescherming van de autoriteiten niet afdoende was, dan wel dat het inroepen ervan terecht achterwege is gelaten. +Ten aanzien van Libië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 4.5. Vrouwen +#### 16.10. Bijzonderheden -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +De wijzigingen van omstandigheden in Libië hebben, gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft zoals bedoeld in artikel 3.37 e Vv. De IND zal daarom een aan Libische vreemdelingen verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heroverwegen vanwege de regimewisseling in Libië. -De positie van vrouwen in Ethiopië is in algemene zin slecht te noemen. Het ontvoeren van meisjes en vrouwen om ze tot een huwelijk te dwingen komt op grote schaal voor in Ethiopië. Hierin kan echter op zichzelf geen grond worden gevonden voor vergunningverlening, omdat er sprake is van problemen in de privé-sfeer. Bovendien bestaat de mogelijkheid om zich aan de problemen te onttrekken en kan in voorkomende gevallen de bescherming van de autoriteiten worden ingeroepen. +### 17. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië -Vrouwenbesnijdenis komt voor in zowel de orthodox-christelijke, de protestantse als de moslimgemeenschap. Naar schatting tussen de 70% en 80% van alle vrouwen in Ethiopië heeft enigerlei vorm van besnijdenis ondergaan. Er lijkt sprake te zijn van een vermindering van het aantal gevallen en ook de soort besnijdenis die wordt toegepast, is vaak minder ingrijpend dan voorheen. Niet bij alle bevolkingsgroepen en in alle regio’s komt vrouwenbesnijdenis voor. +#### 17.1. Besluitmoratorium -Indien vrouwenbesnijdenis binnen een bepaalde bevolkingsgroep veelvuldig wordt toegepast, kan dit leiden tot de conclusie dat er sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM, indien er geen mogelijkheden zijn om zich aan de dreigende besnijdenis te onttrekken. Voor de beoordeling of er sprake is van een reëel risico wordt de situatie in acht genomen van de betreffende bevolkingsgroep in het deel van het land waaruit de vreemdeling afkomstig is. +Ten aanzien van Mongolië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Daarbij wordt in aanmerking genomen dat besnijdenis afhankelijk van de bevolkingsgroep op verschillende leeftijden plaatsvindt. +#### 17.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -In het nieuwe wetboek van strafrecht is vrouwenbesnijdenis expliciet strafbaar gesteld voor de ouders, de besnijder, instigator en medeplichtigen. Hieruit kan echter niet op voorhand worden afgeleid dat adequate bescherming mogelijk is. Dit kan alleen worden tegengeworpen indien uit het individuele relaas dan wel uit algemene bron kan worden afgeleid dat het inroepen ervan daadwerkelijk soelaas kan bieden. +Geen bijzonderheden. -Voorts dient overeenkomstig het beleid zoals neergelegd in C2/3.2.3 te worden bezien of er een vestigingsalternatief aanwezig is. +#### 17.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -##### 4.6. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 17.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +De IND beschouwt Mongolië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Ten aanzien van Ethiopië heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. +##### 17.3.2. Risicogroepen in de zin van -Ethiopië kent een beroepsleger. Dienstweigering is derhalve niet aan de orde. +De IND heeft met betrekking tot Mongolië geen risicogroepen aangewezen. -De in 2000 begonnen grootscheepse demobilisatie van militairen was begin 2005 vrijwel afgerond. Recentelijk heeft wel nieuwe rekrutering plaatsgevonden om het leger op peil te houden bij natuurlijk verloop. In het algemeen maken de relatief gunstige soldij en de hoge werkloosheid dat er zich voldoende mensen voor het leger aanmelden. Voor zover bekend vindt er in Ethiopië geen gedwongen rekrutering plaats. +#### 17.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Aangenomen wordt dat er sinds de sluiting van het vredesakkoord sprake is van een bestraffing wegens desertie in vredestijd, hetgeen een maximale strafmaat van vijf jaar impliceert. Er zijn echter geen vonnissen bekend, evenmin is duidelijk of dergelijke zaken voor de (militaire) rechter komen; dit wordt binnen het leger gehouden. +##### 17.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -#### 5. Traumatabeleid +In Mongolië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Ethiopië geen bijzonderheden. +##### 17.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -#### 6. Categoriale bescherming +In Mongolië is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Asielzoekers uit Ethiopië komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +##### 17.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +De IND heeft met betrekking tot Mongolië geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +#### 17.5. Bescherming -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +##### 17.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -##### 7.2. Veilig land van herkomst +Geen bijzonderheden. -Ethiopië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +##### 17.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +Geen bijzonderheden. -Ethiopië wordt niet beschouwd als veilig derde land. +#### 17.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +##### 17.6.1. Traumatabeleid -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +Geen bijzonderheden. -Verder zijn er de volgende aandachtspunten. +##### 17.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Bij aanhangers van partijen die zich bedienen van gewelddadige methodes dient te worden beoordeeld of deze activiteiten mogelijk aanleiding zijn om toepassing te geven aan artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De belangrijkste gewapende oppositiegroepen in Ethiopië zijn de Oromo Liberation Front (met als gewapende tak de Oromo Liberation Army), het Ogaden National Liberation Front, en het Ethiopian Patriottic Front. In tegenstelling tot de andere genoemde groepen wordt het Ethiopian Patriottic Front nog niet als een terroristische beweging beschouwd, omdat het alleen strijd levert op het platteland en geen aanslagen heeft gepleegd in de stedelijke gebieden. +Geen bijzonderheden. -##### 7.5. Legale uitreis +##### 17.6.3. Specifieke groepen in de zin van -De beveiliging van de internationale luchthaven van Addis Abeba is grondig. Illegale uitreis via deze route is hoogst onwaarschijnlijk. Er bestaat een opsporingslijst die bij uitreis geraadpleegd wordt. Een legale uitreis via de luchthaven van Addis Abeba vormt in beginsel een contra-indicatie bij de beoordeling of betrokkene op grond van gegronde vrees voor vervolging in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Ten aanzien van Mongolië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s +#### 17.7. Categoriale bescherming in de zin van -Ten aanzien van Amv’s uit Ethiopië kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +Vreemdelingen uit Mongolië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -#### 9. Vertrekmoratorium +#### 17.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Ten aanzien van asielzoekers uit Ethiopië is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +In Mongolië is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -### [10a]. Het asielbeleid ten aanzien van Guinee +#### 17.9. Vertrekmoratorium -#### 1. Achtergrond +Ten aanzien van Mongolië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Guinee. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +#### 17.10. Bijzonderheden -De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van februari 2008, gepubliceerd in maart 2008, over de situatie in Guinee (zie de website van het Ministerie van BuZa). +Geen bijzonderheden. -#### 2. Besluitmoratorium +### 18. Het asielbeleid ten aanzien van Nepal -Ten aanzien van asielzoekers uit Guinee geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +#### 18.1. Besluitmoratorium -Het besluitmoratorium op grond van artikel 43 Vw, dat gold voor asielzoekers uit Guinee, is met ingang van 1 april 2008 vervallen. +Ten aanzien van Nepal geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Dit laat overigens onverlet dat indien de beslistermijn op grond van artikel 43 Vw is verlengd, deze verlengde beslistermijn van kracht blijft. +#### 18.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Geen bijzonderheden. -##### 3.1. Journalisten +#### 18.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -De vrijheid van meningsuiting wordt in Guinee wettelijk erkend. Particuliere media kunnen in redelijke vrijheid opereren. Het komt echter in de praktijk nog steeds voor dat journalisten, met name die zich te kritisch opstellen, slachtoffer kunnen worden van pesterijen van de autoriteiten, variërend van (al dan niet tijdelijke) intrekking van de perskaart of de vergunning voor de krant tot aanhouding. Bedreiging en mishandeling van journalisten door vertegenwoordigers van het gezag komen ook voor. +##### 18.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel dat hij een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM vanwege zijn werkzaamheden als journalist, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +De IND beschouwt Nepal niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -##### 3.2. Slachtoffers van mensenrechtenschendingen +##### 18.3.2. Risicogroepen in de zin van -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat in het hele land sprake is van mensenrechtenschendingen. Vooral de republikeinse garde en de gendarmerie zijn hiervoor verantwoordelijk, maar ook politieagenten en de presidentiële garde schenden de rechten van de mens. Hiervan werden in de eerste plaats politieke activisten en betogers die deelnamen aan de manifestaties tegen het regime van Conté het slachtoffer. Daarnaast worden mensenrechtenschendingen gepleegd waarvan ook gewone burgers het slachtoffer werden. De Guinese bevolking kan, als gevolg van de heersende straffeloosheid, tegen deze schendingen nauwelijks bescherming inroepen. +De IND heeft met betrekking tot Nepal geen risicogroepen aangewezen. -Indien de vreemdeling op de gebruikelijke wijze aannemelijk maakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten, wordt reeds bij geringe indicaties aannemelijk geacht dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. +#### 18.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Indien de negatieve belangstelling is gerelateerd aan één van vervolgingsgronden genoemd in artikel 1A Vluchtelingenverdrag, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +##### 18.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Indien geen sprake is van een vervolgingsgrond, kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +In Nepal is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 3.3. Vrouwen +##### 18.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +In Nepal is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Discriminatie en geweld tegen vrouwen is wijdverbreid, ondanks het feit dat de Guinese regering deze praktijken veroordeelt. Een slachtoffer van geweld (al dan niet in huiselijke kring) kan hiervan aangifte doen bij de politie, maar deze treedt in de praktijk nauwelijks op. In geval van verkrachting weerhoudt bovendien het sociale stigma, dat aan verkrachting kleeft, de meeste slachtoffers van de gang naar de politie. +##### 18.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Vrouwen en meisjes die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Guinee, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +De IND heeft met betrekking tot Nepal geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt genitale verminking voor bij alle godsdienstige en etnische groepen en in alle streken. Genitale verminking is bij de wet verboden, maar de sociale druk om het te ondergaan is zeer hoog. +#### 18.5. Bescherming -In de praktijk is het vrijwel onmogelijk voor vrouwen op het platteland om zich aan besnijdenis te onttrekken. In de stad bestaan in potentie meer mogelijkheden daartoe. Vrouwen die economisch zelfstandig zijn, hoog zijn opgeleid of die een partner hebben die hun keuze respecteert om zich niet te laten mutileren, maken een grotere kans dat ze zich aan genitale verminking kunnen onttrekken. +##### 18.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Indien een vrouw nog niet besneden is en dit in haar land van herkomst niet kan ontlopen, kan sprake zijn van een reëel risico voor een schending van artikel 3 EVRM. In die situatie kan op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -##### 3.4. Homoseksuelen +• nationale, raciale en etnische minderheden als bedoeld in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Nepal; +• vrouwen; +• homoseksuelen. -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht strafbaar zijn in Guinee. Gevallen van strafrechtelijke vervolging zijn in de laatste jaren niet bekend. Op het onderwerp rust een zwaar taboe. Homoseksualiteit wordt vaak gezien als een ziekte of afwijking. Uit het ambtsbericht is af te leiden dat homoseksuelen niet actief worden vervolgd. +##### 18.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Homoseksuelen die aannemelijk maken dat zij op grond van hun homoseksualiteit gegronde reden hebben voor vervolging, ofwel door de overheid, ofwel door derden, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +Geen bijzonderheden. -Het enkele feit van homoseksueel zijn is evenwel onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning. +#### 18.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -##### 3.5. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 18.6.1. Traumatabeleid -Guinee kent geen dienstplicht. Ten aanzien van deserteurs is het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van Guinee heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. +##### 18.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -#### 4. Traumatabeleid +Geen bijzonderheden. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. +##### 18.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat daders van mensenrechtenschendingen, zoals leden van de republikeinse garde, de gendarmerie en politieagenten, in het algemeen onbestraft blijven. De Guinese bevolking kan, als gevolg van de heersende straffeloosheid, tegen deze schendingen nauwelijks bescherming inroepen. +Ten aanzien van Nepal zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Indien de vreemdeling zich beroept op het traumatabeleid, wordt niet verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +#### 18.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 5. Categoriale bescherming +Vreemdelingen uit Nepal komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Asielzoekers uit Guinee komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +#### 18.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +Voor Nepal geldt in ieder geval dat: -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -##### 6.2. Veilig land van herkomst +#### 18.9. Vertrekmoratorium -Guinee wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +Ten aanzien van Nepal geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +#### 18.10. Bijzonderheden -Guinee wordt niet beschouwd als veilig derde land. +Geen bijzonderheden. -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +### 19. Het asielbeleid ten aanzien van Nigeria -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +#### 19.1. Besluitmoratorium -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +Ten aanzien van Nigeria geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Ten aanzien van Amv’s uit Guinee kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +#### 19.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -#### 8. Vertrekmoratorium +Geen bijzonderheden -Ten aanzien van asielzoekers uit Guinee geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +#### 19.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Het vertrekmoratorium dat gold ten aanzien van asielzoekers uit Guinee is vervallen met ingang van 1 april 2008. Dit houdt in dat de rechtsgevolgen van een afwijzende beschikking herleven. De voortgezette opvang is met het eindigen van het vertrekmoratorium van rechtswege beëindigd. De vreemdeling wordt niet langer geacht rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, onder j, Vw en dient Nederland te verlaten. +##### 19.3.1. Groepsvervolging in de zin van -### [11]. Het asielbeleid ten aanzien van Irak +De IND beschouwt Nigeria niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -#### 1. Achtergrond +##### 19.3.2. Risicogroepen in de zin van -Dit hoofdstuk bevat het landgebonden asielbeleid voor Irak. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Irak en het thematisch ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie van lesbiënnes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders (LHBT’s) in Irak (zie de website van de Rijksoverheid). - -2013335208-02-201329-01-2013WBV2013/22013335208-02-201329-01-2013WBV2013/209-02-2013 +De IND heeft met betrekking tot Nigeria geen risicogroepen aangewezen. -#### 2. Besluitmoratorium +#### 19.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Ten aanzien van asielzoekers uit Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +##### 19.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +In Nigeria is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 3.1. Intellectuelen en journalisten +##### 19.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat er officieel weliswaar persvrijheid bestaat, doch de Iraakse pers uit zelfbehoud zelfcensuur toepast. Intimidatie en geweld jegens journalisten en andere personen werkzaam in de media vinden plaats. +In Nigeria is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Diverse Iraakse en buitenlandse journalisten zijn tijdens de verslagperiode om het leven gekomen ten gevolge van geweld. Het gevaar van ontvoering is nog aanwezig. Diverse journalisten zijn na ontvoering om het leven gebracht. Voor journalisten kan het riskant zijn kritiek te uiten op militante extremistische groeperingen. Aanslagen, vergeldingsacties en bedreigingen hebben plaatsgevonden. +##### 19.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -In de gebieden van de Kurdistan Regional Government is nog altijd sprake van intimidatie, arrestatie van en juridische procedures tegen journalisten die rapporteren over onder meer (veronderstelde) corruptie door de regering. Verder is in deze gebieden een nieuwe mediawet aangenomen die handelingen specifiek voor journalisten en andere personen werkzaam in de media strafbaar stelt, zoals het zaaien van angst, het aanmoedigen van terrorisme en het verstoren van de veiligheid. Deze wet wordt nog niet altijd door rechters toegepast. +De IND heeft met betrekking tot Nigeria geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Intellectuelen en journalisten die aannemelijk maken dat zij vanwege hun opinies voor vervolging te vrezen hebben, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Het enkel een onafhankelijke houding innemen is daarvoor onvoldoende aangezien er wel enige ruimte voor kritiek blijkt te bestaan. +#### 19.5. Bescherming -##### 3.2. Personen die stellen te vrezen voor eerwraak +##### 19.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Eerwraak komt in heel Irak voor, met name in de gebieden van de Kurdistan Regional Government, in het zuiden van Irak en op het platteland. Met eerwraak beoogt de dader de eer van de familie te herstellen door het ongewenste gedrag van een vrouwelijk en in uitzonderlijke gevallen eveneens een mannelijk familielid te bestraffen. Eerwraak kan bestaan uit het lijfelijk straffen, maar in sommige gevallen komt doden voor. +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorie niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -Het kan voorkomen dat het niet mogelijk is bescherming in te roepen dan wel anderszins zich aan de dreigende eerwraak te onttrekken. Wel mag worden verwacht dat aannemelijk kan worden gemaakt waarom bescherming in het individuele geval niet (effectief) kan worden geboden. Personen die aannemelijk hebben gemaakt gegronde vrees te hebben voor eerwraak en die geen afdoende bescherming kunnen inroepen van de autoriteiten, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. +• vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te maken hebben met (eventueel) op de persoon gericht geweld door militante groeperingen. -##### 3.3. Personen die stellen te vrezen voor intertribale problemen +##### 19.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Personen die stellen te vrezen voor bloedwraak of vergelijkbare intertribale problemen van een andere familie, clan of stam, worden geacht bescherming te kunnen krijgen binnen de eigen familie, clan of stam. Daarnaast mag worden verwacht dat de autoriteiten om bemiddeling en bescherming bij het conflict wordt gevraagd. Indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt desondanks geen bescherming te kunnen krijgen, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel worden verleend. +In Nigeria is een vlucht- en vestigingsalternatief voor de volgende categorieën vreemdelingen: -##### 3.4. Personen werkzaam in risicoberoepen +a) vrouwen die vrezen voor besnijdenis; +b) vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van militante groeperingen; +c) vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van de zijde van een geheim genootschap; +d) vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de noordelijke deelstaten van Nigeria hebben te vrezen voor strafrechtelijke vervolging op grond van de sharia. -Er vinden veel aanslagen plaats gericht tegen Irakezen die samenwerken met de regering, met internationale organisaties of diplomatieke vertegenwoordigingen, buitenlandse bedrijven of met de Multi National Forces in Iraq. Hierbij valt onder meer te denken aan Iraakse politici en hun familie, ambtenaren, personeel van het veiligheidsapparaat (vooral politie en leger), tolken of Irakezen die op andere wijze voor de regering, internationale organisaties en bedrijven in Irak werken, rechters en advocaten, alsook Iraakse journalisten en personen die voor hen werken. Ook personeel in het onderwijs en de gezondheidszorg, studenten, artiesten, slijters, vrouwenactivisten, sportlieden en mensen werkzaam in de sport zouden doelwit zijn van geweld. +Ad a) Of vrouwen zich kunnen onttrekken aan besnijdenis door zich elders (buiten de eigen leefgemeenschap) te vestigen kan per geval verschillen. Dit is afhankelijk van de vraag in hoeverre vrouwen elders een nieuw bestaan kunnen opbouwen. Hierbij speelt het sociale netwerk een belangrijke rol. Het sociale netwerk kan bestaan uit de familie- of gezinsleden, maar ook uit andere sociale netwerken zoals verenigingen en kerkgenootschappen. -Indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt vanwege zijn werkzaamheden een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling te hebben, waartegen geen bescherming kan worden geboden, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw een verblijfsvergunning asiel worden verleend. Het enkele feit dat de vreemdeling deze werkzaamheden heeft verricht is onvoldoende voor de conclusie dat er gegronde vrees is voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling. +#### 19.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -##### 3.5. Iraakse Fayli-Koerden en Irakezen van Iraanse afkomst +##### 19.6.1. Traumatabeleid -Het regime van Saddam Hoessein heeft veel Fayli-Koerden hun Iraakse nationaliteit ontnomen. De decreten van de Revolutionaire Commandoraad (onder meer decreet 666 van 1980), die de ontneming van het Iraakse staatsburgerschap betroffen, zijn met de inwerkingtreding van de Transitional Administrative Law herroepen. De nieuwe nationaliteitswet bevat voorwaarden om nationaliteitsrechten weer te laten gelden. Uit eerdere ambtsberichten van de Minister van BuZa komt naar voren dat naar verluidt een aantal Fayli Koerden de Iraakse nationaliteit heeft kunnen herkrijgen. +Geen bijzonderheden. -Hoewel de implementatie met betrekking tot het laten herleven van de nationaliteitsrechten van Fayli-Koerden (in Centraal-Irak) nog niet is afgerond, geven bovenstaande ontwikkelingen aanleiding om Fayli-Koerden, aan wie onder het regime van Saddam Hoessein de Iraakse nationaliteit is ontnomen, niet langer als staatloos te beschouwen in het kader van de asielbeoordeling. Op basis van de Iraakse regelgeving kan worden aangenomen dat zij de jure de Iraakse nationaliteit hebben. Daarbij is de omstandigheid dat in de verslagperiode van het ambtsbericht van mei 2009 geen Fayli-Koerden de Iraakse nationaliteit hebben herkregen, geen grond om voor de beoordeling van de aanvraag niet van de Iraakse nationaliteit uit te gaan. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de jure de Iraakse nationaliteit bezit. De asielaanvragen van deze personen zullen dan ook op gebruikelijke wijze getoetst worden naar aanleiding van het beleid zoals in dit hoofdstuk neergelegd, waarbij wordt aangenomen dat zij de jure de Iraakse nationaliteit hebben. +##### 19.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -##### 3.6. Christenen +Geen bijzonderheden. -Blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa verkeren christenen in een moeilijke positie, nu de Irakese autoriteiten niet in staat zijn hen tegen het willekeurige dan wel gerichte geweld bescherming te bieden. Mede uit angst voor het extremistische geweld zijn christenen vanuit het zuiden en het midden van Irak naar het noorden getrokken. Er zijn echter berichten dat christenen ook in Noord-Irak zouden worden gediscrimineerd. Hierbij zou sprake zijn van onrechtmatige onteigening van eigendommen en discriminatoire vonnissen van de rechterlijke macht van de Kurdistan Regional Government ten nadele van christenen. In Irak heerst voorts een algemeen klimaat van intolerantie jegens moslims die zich tot het christendom bekeren. Zij lopen blijkens het ambtsbericht een grote kans op marginalisatie of om het slachtoffer te worden van geweld vanuit de gemeenschap, de eigen familie of door overheidsfunctionarissen. - Voor (bekeerde) christenen uit Irak zijn de bepalingen van C2/2.7 van toepassing. - Personen die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun christelijk geloof gegronde vrees te hebben voor vervolging kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. - - - *Kwetsbare minderheidsgroep* - - - De christenen uit Irak worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C14/3.6. Dit houdt in dat een asielzoeker die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. - Daarvoor is niet vereist dat betrokkene persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. - - - *In Nederland bekeerde christenen* - - - Ten aanzien van Iraakse christenen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom is in de eerste plaats C2/2.6 van toepassing. Voorts worden Irakezen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom net als andere christenen uit Irak aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C14/3.6. Uit C14/3.6 volgt dat dat betekent dat ook problemen die zij in Irak hebben ondervonden om andere redenen dan de christelijke geloofsovertuiging, maar die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen, worden betrokken bij de beoordeling of bij terugkeer schending van artikel 3 EVRM dreigt. - -2013335208-02-201329-01-2013WBV2013/22013335208-02-201329-01-2013WBV2013/209-02-2013 +##### 19.6.3. Specifieke groepen in de zin van -##### 3.7. Mandeeërs +Ten aanzien van Nigeria zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat de positie van Mandeeërs in Centraal-Irak slecht is. Mandeeërs vormen een religieuze minderheid in Irak. Hoewel de Iraakse grondwet vrijheid van godsdienst garandeert, wordt de uitoefening van deze rechten sterk beperkt door het aanhoudende geweld, gerichte intimidatie, bedreiging en ontvoering. Deze vormen van geweld hebben vaak als doel personen die deel uitmaken van een religieuze minderheid, te dwingen zich te bekeren tot de islam of islamitische voorschriften op te leggen. Daarnaast wordt het verjagen van religieuze minderheden uit bepaalde gebieden als reden genoemd voor de genoemde vormen van geweld. +#### 19.7. Categoriale bescherming in de zin van -Voor Mandeeërs uit Irak zijn de bepalingen van C2/2.7 van toepassing. +Vreemdelingen uit Nigeria komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Mandeeërs die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun geloof gegronde vrees te hebben voor vervolging kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +#### 19.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -De Mandeeërs worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C14/3.6. Dit houdt in dat een asielzoeker die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -Daarvoor is niet vereist dat betrokkene persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. +Daarbij geldt voor Nigeria dat: -##### 3.8. Yezidi’s +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat de positie van Yezidi’s in Centraal-Irak slecht is. De Yezidi’s, die zich met name in de gebieden nabij de Syrische grens bevinden, vormen evenals de christenen en Mandeeërs een religieuze minderheid in Irak. Hoewel de Iraakse grondwet vrijheid van godsdienst garandeert, wordt de uitoefening van deze rechten sterk beperkt door het aanhoudende geweld, gerichte intimidatie, bedreiging en ontvoering. Deze vormen van geweld hebben vaak als doel personen die deel uitmaken van een religieuze minderheid, te dwingen zich te bekeren tot de islam of islamitische voorschriften op te leggen. Daarnaast wordt het verjagen van religieuze minderheden uit bepaalde gebieden als reden genoemd voor de genoemde vormen van geweld. +#### 19.9. Vertrekmoratorium -Voor Yezidi’s uit Irak zijn de bepalingen van C2/2.7 van toepassing. +Ten aanzien van Nigeria geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Yezidi's die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun geloof gegronde vrees te hebben voor vervolging kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +#### 19.10. Bijzonderheden -##### 3.9. Joden +Geen bijzonderheden. -Joden vormen een religieuze minderheid in Irak. Hoewel de Iraakse grondwet vrijheid van godsdienst garandeert, wordt de uitoefening van deze rechten sterk beperkt door het aanhoudende geweld, gerichte intimidatie, bedreiging en ontvoering. Deze vormen van geweld hebben vaak als doel personen die deel uitmaken van een religieuze minderheid, te dwingen zich te bekeren tot de islam of islamitische voorschriften op te leggen. Daarnaast wordt het verjagen van religieuze minderheden uit bepaalde gebieden als reden genoemd voor de genoemde vormen van geweld. +### 20. Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan -Voor Joden uit Irak zijn de bepalingen van C2/2.7 van toepassing. +#### 20.1. Besluitmoratorium -Personen die aannemelijk hebben gemaakt vanwege hun joodse geloof gegronde reden te hebben voor vervolging, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +Ten aanzien van Pakistan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -##### 3.10. Shabak en Kaka’i +#### 20.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Zowel Shabak als Kaka’i vormen een religieuze minderheid in Irak. Hoewel de Iraakse grondwet vrijheid van godsdienst garandeert, wordt de uitoefening van deze rechten sterk beperkt door het aanhoudende geweld, gerichte intimidatie, bedreiging en ontvoering. Deze vormen van geweld hebben vaak als doel personen die deel uitmaken van een religieuze minderheid, te dwingen zich te bekeren tot de islam of islamitische voorschriften op te leggen. Daarnaast wordt het verjagen van religieuze minderheden uit bepaalde gebieden als reden genoemd voor de genoemde vormen van geweld. +Geen bijzonderheden. -Voor Shabak en Kakaí uit Irak zijn de bepalingen van C2/2.7 van toepassing. +#### 20.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Shabak en Kaka’i die aannemelijk hebben gemaakt vanwege hun geloof gegronde reden te hebben voor vervolging kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +##### 20.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Shabak en Kaka’i worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C14/3.6. Dit houdt in dat een asielzoeker die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. +De IND beschouwt Pakistan niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Daarvoor is niet vereist dat betrokkene persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. +##### 20.3.2. Risicogroepen in de zin van -##### 3.11. Lesbiënnes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders (LHBT’s) +De IND heeft met betrekking tot Pakistan geen risicogroepen aangewezen. -Het ambtsbericht van de Minister van BuZa geeft aan dat homoseksualiteit onacceptabel en een groot taboe is in de Iraakse samenleving. LHBT’s kunnen het slachtoffer worden van zowel eerwraak binnen de familie als van geweld door milities of andere derden. Het ambtsbericht concludeert dat men in Irak niet openlijk kan uitkomen voor een homoseksuele geaardheid en volgens een bron is er geen publiekelijk toegankelijke plek in Irak waar men openlijk kan uitkomen voor een homoseksuele geaardheid zonder gevaar te lopen. Er kan van worden uitgegaan dat overheidsinstanties noch derden bescherming bieden aan LHBT’s die slachtoffer van eerwraak of ander geweld zijn geworden of dreigen te worden. Ook worden LHBT’s het slachtoffer van discriminatie door medeburgers. +#### 20.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -#### 4. Traumatabeleid +##### 20.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Irak geen bijzonderheden. +In Pakistan is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -#### 5. Categoriale bescherming +##### 20.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Asielzoekers uit Irak komen op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +In Pakistan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Met betrekking tot vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, zal een herbeoordeling van de verleende verblijfsvergunning plaatsvinden. Indien deze herbeoordeling niet tot gevolg heeft dat wordt geoordeeld dat de vreemdeling op basis van één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, Vw verblijf toekomt, zal de verblijfsvergunning worden ingetrokken, dan wel de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden afgewezen. Dit geldt overeenkomstig voor de houders van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw en waarbij de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon op grond van het bovenstaande wordt ingetrokken. +##### 20.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zal op normale wijze plaatsvinden indien de geldigheid van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verlopen voorafgaand aan de beëindiging van het beleid van categoriale bescherming, voor zover de vreemdeling ook aan de overige vereisten voor verlening voldoet. +De IND heeft met betrekking tot Pakistan geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +#### 20.5. Bescherming -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +##### 20.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Gezien de algehele situatie in Irak wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen aan personen die in Irak een gegronde vrees voor vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 EVRM hebben. +Geen bijzonderheden. -##### 6.2. Veilig land van herkomst +##### 20.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Irak wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +De IND neemt ten aanzien van ahmadi’s en christenen geen vlucht- en vestigingsalternatief aan binnen Pakistan. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +#### 20.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Irak wordt niet beschouwd als veilig derde land. +##### 20.6.1. Traumatabeleid -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +Geen bijzonderheden. -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C10/1. - Blijkens een ambtsbericht van de Minister van BuZa over de Iraakse inlichtingen- en veiligheidsdiensten van december 2003 (zie de website van het Ministerie van BuZa) beschikte Centraal-Irak tot de val van het Ba’ath-bewind van Saddam Hoessein op 9 april 2003 over een machtig en omvangrijk netwerk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Van deze diensten waren de Algemene Inlichtingendienst, de Militaire Inlichtingendienst, de Speciale Veiligheidsdienst, de Algemene Veiligheidsdienst en de Militaire Veiligheidsdienst de belangrijkste. Het centrale doel van deze diensten was het absoluut veilig stellen van de macht van Saddam Hoessein en de regerende Ba’ath-partij. In het nastreven van dit doel hebben deze diensten gebruik gemaakt van een veelvoud aan terreurmiddelen en hebben zij op systematische wijze geweld toegepast. De handelingsbevoegdheid van de hoofden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten was in beginsel onbeperkt. Hierbij moet ook gedacht worden aan marteling en/of executie van vermeende tegenstanders van het regime. Het ambtsbericht stelt vast dat niet aannemelijk is dat een betaalde medewerker van de Iraakse inlichtingen- en veiligheidsdiensten onwetend was van de aard van de activiteiten van deze diensten. - Voor de hoofden van genoemde inlichtingen- en veiligheidsdiensten en voor de officieren van de Speciale Veiligheidsdienst kan worden uitgegaan dat zij hebben geweten van, althans in staat moeten zijn geweest om te beschikken over voldoende informatie over de gepleegde mensenrechtenschendingen. Daarmee wordt ‘knowing participation’ (zie C4/3.11.3.3) aangenomen. Daarnaast hebben zij door het aanvaarden en uitoefenen van hun leidinggevende functie de verantwoordelijkheid aanvaard voor de doelstellingen en uitgevoerde methoden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarmee is aan het vereiste van ‘personal participation’ (zie C4/3.11.3.3) voldaan. - Op basis van het bovenstaande wordt aan hoofden van genoemde inlichtingen- en veiligheidsdiensten en officieren van de Speciale Veiligheidsdienst in de regel artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Ten aanzien van hen wordt aangenomen dat er sprake is van ‘personal and knowing participation’. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat dit voor hem niet geldt en dat in zijn geval sprake is van de significante uitzondering. - -2013335208-02-201329-01-2013WBV2013/22013335208-02-201329-01-2013WBV2013/209-02-2013 +##### 20.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -##### 6.5. Algehele veiligheidssituatie +Geen bijzonderheden. -Uit het ambtsbericht van het Ministerie van BuZa blijkt dat de veiligheidssituatie in Irak, het absolute aantal slachtoffers in ogenschouw genomen, in de periode december 2011 tot en met oktober 2012 verslechterd is in vergelijking met de vorige verslagperiode (eind 2010 en 2011). De veiligheidssituatie varieert echter sterk per periode en gebied. Op bepaalde momenten en in bepaalde gebieden was de veiligheidssituatie zeer ernstig. In geen enkel (deel)gebied van Irak is echter sprake van een uitzonderlijke situatie. Hoewel de veiligheidssituatie in sommige gebieden van Irak zorgelijk is, is deze nergens zodanig dat een burger die terugkeert naar Irak, enkel vanwege zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. +##### 20.6.3. Specifieke groepen in de zin van -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +Ten aanzien van Pakistan zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Ten aanzien van Amv’s uit Irak kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +#### 20.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 8. Vertrekmoratorium +Vreemdelingen uit Pakistan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Ten aanzien van asielzoekers uit Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +#### 20.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -### [12]. Het asielbeleid ten aanzien van Iran +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -#### 1. Achtergrond +Voor Pakistan geldt in ieder geval dat: -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Iran. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Iran (zie de website van het Ministerie van BuZa). +#### 20.9. Vertrekmoratorium -#### 2. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Ten aanzien van Pakistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 2.1 +#### 20.10. Bijzonderheden -De Mujaheddin-e Khalq (MEK/MKO) of PMOI, de Koerdische Democratische Partij van Iran en de Komala zijn nog steeds actieve illegale politieke bewegingen die van buiten Iran worden gecoördineerd. Een relatief nieuwe gewapende Koerdische beweging is de PJAK (Party of Free Life of Kurdistan). Het enkele behoren tot een van deze groepen is geen reden om vervolging aan te nemen. +Geen bijzonderheden. -Bij aanvragen van activisten van genoemde of soortgelijke illegale politieke bewegingen dient grondig aandacht te worden gegeven aan mogelijke misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, aangezien deze groeperingen in verband worden gebracht met gebruik van geweld, waaronder aanslagen. +### 21. Het asielbeleid ten aanzien van Rusland -Activisten voor deze verboden bewegingen die aannemelijk maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging door de Iraanse autoriteiten hebben (en van wie niet aannemelijk is dat zij misdrijven hebben begaan als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag), kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. +#### 21.1. Besluitmoratorium -##### 2.2 +Ten aanzien van Rusland geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Het christendom wordt in de grondwet als minderheidsreligie erkend. Discriminatie op religieuze gronden komt echter voor. Voor erkende religieuze minderheden (zoals christenen) is het uiterst moeilijk in geval van discriminatie op religieuze gronden een beroep te doen op de overheid. +#### 21.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Uit het ambtsbericht blijkt dat de overheid geen direct verband legt tussen geloofsovertuiging en vervolging maar dat zij wel een verband legt tussen evangelisering en vervolging. In vergelijking met ‘oude’ kerken staan de (over het algemeen actiever evangeliserende) ‘nieuwe’ kerken om deze reden in een grotere belangstelling van de autoriteiten. Bezoekers – en met name leiders – van deze ‘nieuwe’ kerken lopen daarom meer kans hinder van de autoriteiten te ondervinden. +Geen bijzonderheden. -Het enkele feit dat een persoon geboren christen is of tot het christendom is bekeerd, is niet voldoende om vervolging dan wel schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer aan te nemen. +#### 21.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Bij de individuele beoordeling van asielaanvragen wordt uitgegaan van de notie dat Iraanse christen asielzoekers behoren tot een groep die bijzondere aandacht vraagt. Door van dit gegeven uit te gaan, worden minder eisen gesteld ten aanzien van de aannemelijkheid van het individuele asielrelaas. Dit betekent dat wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, het aannemelijk wordt geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. +##### 21.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Iraniërs die zich in het buitenland hebben bekeerd en vervolgens terugkeren naar Iran, komen aldaar in dezelfde positie te verkeren als andere personen die zich tot het christendom hebben bekeerd. Ten aanzien van Iraanse christenen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom is C2/2.6 van toepassing. Voor hen geldt voorts dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b Vw in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe, in Nederland aangenomen geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. +De IND beschouwt Rusland niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -##### 2.3 +##### 21.3.2. Risicogroepen in de zin van -Het bahai-geloof wordt niet erkend in de Iraanse grondwet en wordt gezien als een sekte. Aanhangers van het bahai-geloof worden als geloofsafvalligen van de islam beschouwd. De onderdrukking van bahais uit zich vooral op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting, reizen en culturele activiteiten. Volgens het ambtsbericht is er sprake van voortgaande aanhouding en vervolging van bahais op basis van hun geloof door de Iraanse autoriteiten. +De IND heeft met betrekking tot Rusland geen risicogroepen aangewezen. -Van personen die in Iran het bahai-geloof aanhangen wordt niet verlangd dat zij dit verborgen houden. Wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn bahai-geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties aannemelijk kan maken, wordt aannemelijk geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. +#### 21.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -##### 2.4 +##### 21.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Het soefisme is niet als zodanig bij wet verboden, maar wordt als heterodoxe uiting in Iran feitelijk niet getolereerd. Het soefisme wordt in de grondwet niet expliciet genoemd als een van de vormen van de islam die is toegestaan. Volgens het ambtsbericht blijft de positie van soefi’s in Iran onder druk staan. In de praktijk komt intimidatie, discriminatie en soms vervolging van soefi’s en soefi-instellingen voor. +In Rusland is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Van personen die in Iran het soefi-geloof aanhangen wordt niet verlangd dat zij dit verborgen houden. Wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn soefi-geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, wordt aannemelijk geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, VW in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. +##### 21.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -##### 2.5 +In Rusland is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Uit het ambtsbericht blijkt dat homoseksualiteit in het openbare leven een taboe is. Homoseksuele mannen en vrouwen kunnen niet vrijelijk voor hun geaardheid uitkomen. Specifieke en recente gevallen van discriminatie van homoseksuelen door de autoriteiten en/of medeburgers zijn niet bekend. +##### 21.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Homoseksualiteit op zich is in Iran niet strafbaar. Homoseksuele personen worden niet onderworpen aan systematische vervolging door de autoriteiten. Voor zover bekend leidt een (toegeschreven) homoseksuele geaardheid van een persoon niet tot onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van een straf, die wordt opgelegd bij (strafrechtelijke) vervolging wegens een commuun delict. +De IND heeft met betrekking tot Rusland geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Openlijke seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht zijn wel strafbaar en kunnen volgens de wet worden bestraft met de doodstraf. Strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling enkel en alleen op grond van seksuele handelingen vindt plaats. +#### 21.5. Bescherming -Transseksualiteit komt voor in Iran. Blijkens het ambtsbericht wordt het in Iran als een medische kwestie gezien. Het is in Iran mogelijk om van geslacht te veranderen. In het algemeen wordt pragmatisch met transseksualiteit omgegaan, hoewel het met name buiten de grote steden nauwelijks sociaal geaccepteerd is. Religieuze leiders zouden zich daarentegen tamelijk onbevooroordeeld opstellen jegens transseksuelen. +##### 21.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen die aannemelijk maken dat zij op grond van hun seksuele oriëntatie, respectievelijk transseksualiteit op een dusdanige wijze worden gediscrimineerd dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren (zie C2/2.5), of die daardoor een gegronde vrees hebben voor vervolging door de Iraanse autoriteiten, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen geldt, dat zij met ingang van 18 oktober 2006 zijn aangewezen als specifieke groepen, die, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/4.4). +##### 21.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -#### 3. Traumatabeleid +Geen bijzonderheden. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2, is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Iran geen bijzonderheden. +#### 21.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -#### 4. Categoriale bescherming +##### 21.6.1. Traumatabeleid -Asielzoekers uit Iran komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +Geen bijzonderheden. -#### 5. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +##### 21.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -##### 5.1 +Geen bijzonderheden. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2, is van toepassing. +##### 21.6.3. Specifieke groepen in de zin van -##### 5.2 +Ten aanzien van Rusland zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -Iran wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +#### 21.7. Categoriale bescherming in de zin van -##### 5.3 +Vreemdelingen uit Rusland komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Iran wordt niet beschouwd als veilig derde land. +#### 21.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -##### 5.4 +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +Daarbij geldt voor Rusland in ieder geval dat: -#### 6. Opvangmogelijkheden Amv’s +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -Ten aanzien van Amv’s uit Iran kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. In het ambtsbericht staat immers dat de capaciteit van de organisatie die is belast met de opvang van alleenstaande minderjarigen in het algemeen, te klein is om in de opvang en behoeften van alle in Iran levende alleenstaande minderjarigen te voorzien. De aanwezigheid van adequate opvang dient dan ook per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -#### 7. Vertrekmoratorium +Voor Syrië geldt dat: -Ten aanzien van asielzoekers uit Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -### [13]. Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust +#### 21.9. Vertrekmoratorium -#### 1. Achtergrond +Ten aanzien van Rusland geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Ivoorkust. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C22 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +#### 21.10. Bijzonderheden -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het thematisch ambtsbericht van de Minister van BuZa van september 2011 over de situatie in Ivoorkust (zie de website van het Ministerie van BuZa). +Geen bijzonderheden. -#### 2. Besluitmoratorium +### 22. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone -Ten aanzien van asielaanvragen van vreemdelingen afkomstig uit Ivoorkust geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +#### 22.1. Besluitmoratorium -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Ten aanzien van Sierra Leone geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -##### 3.1. Etnische groepen en minderheden +#### 22.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege zijn etnische afkomst te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +Geen bijzonderheden. -##### 3.2. Vrouwen +#### 22.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/3.3 is van toepassing. +##### 22.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Vrouwen en meisjes die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Ivoorkust, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat zij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +De IND beschouwt Sierra Leone niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Indien een vrouw nog niet besneden is en dit in haar land van herkomst niet kan ontlopen, kan sprake zijn van een reëel risico voor een schending van artikel 3 EVRM. In die situatie kan op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat zij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +##### 22.3.2. Risicogroepen in de zin van -##### 3.3. Minderjarigen +De IND heeft met betrekking tot Sierra Leone geen risicogroepen aangewezen. -Minderjarigen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging of andere mensenrechtenschendingen in Ivoorkust, kunnen conform het algemene beleid op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de minderjarigheid van betrokkene. +#### 22.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -##### 3.4. Homoseksuelen +##### 22.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.10.2 is van toepassing. Homoseksualiteit is op zichzelf geen reden voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd. Indien de vreemdeling zich beroept op discriminatie en deze discriminatie is aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie C2/2.5), kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich heeft gewend tot de autoriteiten voor bescherming. +In Sierra Leone is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 3.5. Dienstplichtigen en deserteurs +##### 22.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +In Sierra Leone is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -#### 4. Traumatabeleid +##### 22.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.3 is van toepassing. +De IND heeft met betrekking tot Sierra Leone geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -#### 5. Categoriale bescherming +#### 22.5. Bescherming -Asielzoekers uit Ivoorkust komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +##### 22.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis; +• vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van geheime genootschappen. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3.1 is van toepassing. +##### 22.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -##### 6.2. Veilig land van herkomst +In Sierra Leone is een vlucht- en vestigingsalternatief voor de volgende categorieën vreemdelingen: -Ivoorkust wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +a. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis; +b. vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van geheime genootschappen. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +Het tegenwerpen van een vestigingsalternatief, bij vrees voor besnijdenis, wordt per vreemdeling bezien. Bij een meerderjarige vrouwelijke vreemdeling is hierbij van belang of zij aan de controle van haar familie kan ontkomen en hoe zij zich voor haar vertrek uit Sierra Leone heeft kunnen onttrekken aan de besnijdenis. -Ivoorkust wordt niet beschouwd als veilig derde land. +Van een minderjarige vrouwelijke vreemdeling kan niet worden verlangd dat zij zich elders in Sierra Leone vestigt, wanneer zij hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij zij zich eerder aan besnijdenis heeft kunnen onttrekken. -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +Van een meerderjarige vreemdeling wordt verwacht dat hij zich aan het lidmaatschap van het geheime genootschap onttrekt door zich elders in Sierra Leone te vestigen. Van een minderjarige vreemdeling wordt niet verlangd dat de vreemdeling zich elders in Sierra Leone vestigt, wanneer de vreemdeling hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij de vreemdeling zich eerder aan het lidmaatschap van een geheim genootschap heeft kunnen onttrekken. -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C10/1. +#### 22.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -##### 6.5. Algehele veiligheidssituatie +##### 22.6.1. Traumatabeleid -Er is in Ivoorkust geen sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 3 EVRM. De algemene situatie is niet zodanig dat ten aanzien van elke asielzoeker uit Ivoorkust zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij of zij bij terugkeer naar Ivoorkust enkel door zijn of haar aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. +Geen bijzonderheden. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +##### 22.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Ten aanzien van Amv’s uit Ivoorkust kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +Geen bijzonderheden. -#### 8. Vertrekmoratorium +##### 22.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit Ivoorkust geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +8en aanzien van Sierra Leone zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -### [14]. Het asielbeleid ten aanzien van Jemen +#### 22.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 1. Datum +Vreemdelingen uit Sierra Leone komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt. +#### 22.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -#### 2. Achtergrond +In Sierra Leone is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Jemen. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +#### 22.9. Vertrekmoratorium -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 18 september 2001 over de situatie in Jemen. +Ten aanzien van Sierra Leone geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -#### 3. Besluitmoratorium +#### 22.10. Bijzonderheden -Ten aanzien van asielzoekers uit Jemen geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +Geen bijzonderheden. -#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +### 23. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië -##### 4.1. Vrouwen +#### 23.1. Besluitmoratorium -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +Ten aanzien van Somalië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -##### 4.2. Dienstplichtigen en deserteurs +#### 23.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van Jemen heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. +#### 23.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -#### 5. Traumatabeleid +##### 23.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Jemen geen bijzonderheden. +De IND beschouwt Somalië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -#### 6. Categoriale bescherming +##### 23.3.2. Risicogroepen in de zin van -Asielzoekers uit Jemen komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +De IND heeft met betrekking tot Somalië geen risicogroepen aangewezen. -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +#### 23.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +##### 23.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +In Somalië (inclusief Mogadishu) is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 7.2. Veilig land van herkomst +De IND herbeoordeelt vooralsnog niet de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die aan Somaliërs verleend zijn op grond van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG die heeft gegolden ten aanzien van personen afkomstig uit Mogadishu. De IND zal niet eerder overgaan tot intrekking, tot is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV). -Jemen wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +De IND wijst om diezelfde reden niet aanvragen tot verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af van vreemdelingen die op grond van de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +##### 23.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Jemen wordt niet beschouwd als veilig derde land. +In Somalië is geen sprake van systematische blootstelling van een specifieke groep aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +De IND herbeoordeelt vooralsnog niet de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die aan Somaliërs verleend zijn op grond van het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar. De IND zal niet eerder overgaan tot intrekking, tot is gebleken van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie artikel 3.37e VV). -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +De IND wijst om diezelfde reden niet aanvragen tot verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af van vreemdelingen die op grond het behoren tot de Benadiri/Reer Hamar in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s +##### 23.4.3. Alleenstaande vrouwen -Voor Amv’s is adequate opvang in Jemen voorhanden. Amv’s van Jemenitische nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +Een alleenstaande vrouw kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Somalië. -Uit het meest recente ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat de opvang van alleenstaande minderjarigen formeel valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Sociale Zaken. Voor deze opvang bestaat een lange wachtlijst. Daarnaast zijn er verschillende liefdadigheidsinstellingen, particuliere opvangcentra en tal van privé-instellingen of -personen die alleenstaande minderjarigen opvangen. Alhoewel de opvang van alleenstaande minderjarigen in bovengenoemde instellingen niet ideaal is, en er met name door de beperkte capaciteit en middelen af en toe moeilijke situaties voorkomen, is de opvang gemiddeld genomen en naar lokale maatstaven gemeten toereikend te noemen. +De IND beschouwt een vrouw in ieder geval als alleenstaand, indien: -#### 9. Vertrekmoratorium +• de huwelijksband met de echtgenoot is verbroken; +• zij ongehuwd is en de gezinsband waartoe zij behoorde ten tijde van haar vertrek uit Somalië is verbroken. -Ten aanzien van asielzoekers uit Jemen geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +##### 23.4.4. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -### [15]. Het asielbeleid ten aanzien van Liberia +De IND heeft met betrekking tot Somalië geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -#### 1. Achtergrond +##### 23.4.5. Individuele kenmerken -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Liberia. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +De IND verleent in ieder geval een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië, indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: -#### 2. Besluitmoratorium +a. de vreemdeling is afkomstig is uit een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab of dit gebied uitsluitend kan bereiken via een gebied dat onder de controle staat van Al-Shabaab; +b. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij zich niet heeft kunnen kan handhaven onder de regels van Al-Shabaab. -Ten aanzien van asielzoekers uit Liberia geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +Deze opsomming is cumulatief. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Het moment van beoordelen van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is bepalend voor de vraag of een gebied onder controle staat van Al-Shabaab. -##### 3.1. Etnische groepen en minderheden +De IND betrekt bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling zich kan handhaven onder de regels van Al-Shabaab in ieder geval de volgende aspecten: -De Liberiaanse grondwet verbiedt etnische discriminatie. Alle etnische groepen hebben volgens de grondwet gelijke rechten. Het behoren tot een specifieke bevolkingsgroep vormt derhalve geen reden betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. +• de ervaringen van de vreemdeling met het leven onder de regels van Al-Shabaab; +• de omstandigheid dat vreemdeling al dan niet recentelijk is vetrokken; +• de mate waarin de vreemdeling vanwege verwestersing de negatieve aandacht van Al-Shabaab kan wekken, voor zover de vreemdeling ervaring heeft met het leven onder de regels van Al-Shabaab. -##### 3.2. Politieke tegenstanders van het bewind - -De grondwet garandeert de vrijheid van vereniging en vergadering. Over het algemeen respecteert de regering dit recht in de praktijk. Liberia kent dertig geregistreerde politieke partijen. Daarnaast is een groot aantal maatschappelijke organisaties actief. Voor zover bekend worden politieke partijen niet lastig gevallen en zijn er geen belemmeringen om politieke activiteiten te ontplooien. - -Derhalve vormt het lidmaatschap van en activiteiten voor een politieke partij op zichzelf geen grond voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -##### 3.3. Journalisten - -In het algemeen respecteert de regering het recht op vrijheid van meningsuiting. Wel is een aantal voorvallen bekend waarbij journalisten en een mensenrechtenactivist door politiefunctionarissen werden geïntimideerd, bedreigd, lastig gevallen of geslagen. - -Het enkele feit dat iemand journalist is, is onvoldoende reden om tot statusverlening over te gaan. - -##### 3.4. Vrouwen - -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. - -Seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes komt veel voor in Liberia. De anti-verkrachtingswet van 2005 wordt gezien als een positieve ontwikkeling, maar de implementatie wordt bemoeilijkt door het slecht functionerende politie- en rechtssysteem. Er heerst nog steeds straffeloosheid. - -Er worden bewustwordingscampagnes gevoerd om een einde te maken aan de stigmatisering van vrouwen die slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld en om vrouwen bekend te maken met hun rechten. Er zijn politie-units opgericht die zijn gespecialiseerd in de bescherming van vrouwen en kinderen. - -Genitale verminking is in Liberia niet bij wet verboden en komt vooral voor op het platteland. De overheid biedt geen bescherming tegen de uitvoering van genitale verminking. Er is geen informatie bekend over de leeftijd waarop meisjes doorgaans besneden worden. Voor vrouwen op het platteland is het vrijwel onmogelijk om zich te onttrekken aan genitale verminking. - -##### 3.5. Dienstplichtigen en deserteurs - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. - -Ten aanzien van asielzoekers uit Liberia geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 4. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Liberia geen bijzonderheden. - -#### 5. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Liberia komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). - -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. - -##### 6.2. Veilig land van herkomst - -Liberia wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Liberia wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Ten aanzien van Amv’s uit Liberia kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 8. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Liberia geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [16]. Het asielbeleid ten aanzien van Libië - -#### 1. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Libië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C22 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - - - De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Libië. - -20121512719-07-201213-07-2012WBV2012/1520121512719-07-201213-07-2012WBV2012/1520-07-2012 - -#### 2. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Libië geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 3.1. Homoseksuelen - -Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat het verrichten van homoseksuele handelingen een strafbaar feit is, waar tot vijf jaar gevangenisstraf op staat. Ten tijde van het regime van Gaddafi werd tegen het verrichten van homoseksuele handelingen daadwerkelijk strafvervolging ingezet. Daarnaast werd homoseksualiteit in de Libische samenleving doorgaans beschouwd als een schande voor de familie. Ook na val van Gaddafi lijkt de kans klein dat de Libische samenleving op korte termijn homoseksualiteit anders zal benaderen. - -Homoseksuelen, lesbiennes, biseksuelen en transgenders (LHBT) uit Libië worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in C14/3.6. - -#### 4. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. - -#### 5. Categoriale bescherming - -Voor Libië geldt geen beleid van categoriale bescherming. Asielzoekers uit Libië komen dus niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning. - -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -In die gevallen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging dan wel schending van artikel 3 EVRM in Libië wordt niet verlangd dat hij zich tot de Libische autoriteiten wendt voor bescherming. - -Voorts is het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3 is van toepassing op asielaanvragen van personen afkomstig uit Libië. - -##### 6.2. Veilig land van herkomst - -Libië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Libië wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Ten aanzien van Amv’s uit Libië kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 8. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Libië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [17]. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië - -#### 1. Datum - -Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt. - -#### 2. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Mongolië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 17 november 2003 over de situatie in Mongolië. - -#### 3. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Mongolië geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 4.1. Vrouwen - -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. - -##### 4.2. Dienstplichtigen en deserteurs - -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. - -Ten aanzien van Mongolië heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. - -#### 5. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Mongolië geen bijzonderheden. - -#### 6. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Mongolië komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). - -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. - -##### 7.2. Veilig land van herkomst - -Mongolië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Mongolië wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Voor Amv’s is adequate opvang in Mongolië voorhanden. Amv’s van Mongolische nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Voorts blijkt dat er duidelijkheid bestaat over de ontvangst van de minderjarige in Mongolië door de autoriteiten aldaar. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats niet door de Nederlandse autoriteiten geregeld behoeft te worden. - -Uit het meest recente ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat alleenstaande minderjarigen vrijwel altijd worden opgevangen door verwanten. Wezen en hun verzorgers kunnen een uitkering aanvragen. Indien opvang door verwanten niet mogelijk is, dan kan beroep op een uitgebreid stelsel van kinderopvang worden gedaan. De kinderopvang wordt zowel van staatswege als ook door enkele non-gouvernementele organisaties, nationaal en internationaal, verzorgd. De kwaliteit van de vele opvangtehuizen varieert, maar zijn gemeten naar lokale maatstaven acceptabel te noemen. - -#### 9. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Mongolië is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [18]. Het asielbeleid ten aanzien van Nepal - -#### 1. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Nepal. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van november 2008 over de situatie in Nepal (gepubliceerd 29 januari 2009, zie de website van het Ministerie van BuZa). Het ambtsbericht van de Minister van BuZa van november 2008 bevestigt de informatie van het ambtsbericht van de Minister van BuZa van juli 2007 dat de situatie in het westen van Nepal zich niet langer onderscheidt van die in de rest van het land. Op basis hiervan is besloten het beleidsuitgangspunt, dat het westen van Nepal categoriaal beschermingswaardig is, te verlaten. - -#### 2. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Nepal geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 3.1. Slachtoffers van maoïsten en van belangengroeperingen Terai - -Politieke activisten, journalisten, burgers, mensenrechtenactivisten en personen die werkzaam zijn bij overheidsdiensten, politie, en media kunnen blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa worden belemmerd in hun werkzaamheden of bedreigd. Ook ontvoeringen, gewelddadige afpersingen, buitengerechtelijke executies en andere gewelddadige praktijken zijn voorgekomen. - -Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij te vrezen heeft van maoïsten of van aanhangers van groepen als de Terai Janatantrik Mukti Morcha of het Madhesi People’s Rights Forum, en dat de bescherming van de autoriteiten niet kan worden ingeroepen, en de vervolging tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag te herleiden is, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -##### 3.2. Homoseksuelen - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.10.2 is van toepassing. - -In de Nepalese wetgeving wordt homoseksualiteit niet expliciet strafbaar gesteld. Algemeen over seksualiteit wordt in de wetgeving vermeld dat ‘onnatuurlijke seks’ verboden is; wat hieronder wordt verstaan, staat echter niet in de wet gedefinieerd. Het is voor homoseksuelen in Nepal buitengewoon moeilijk een normaal sociaal leven te leiden. Lesbische vrouwen hebben het nog moeilijker dan homoseksuele mannen, omdat de traditionele positie van de vrouw nauwelijks ruimte laat voor een lesbische levensstijl. - -Homoseksuelen lopen ook groot risico te worden geschonden in hun mensenrechten door politie en maoïsten. Ook de ‘metis’ (het best te vertalen als ‘transgender’) lopen groot risico te worden geschonden in hun mensenrechten. - -Homoseksualiteit, travestie of het zijn van ‘transgender’ is op zichzelf geen reden voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd. Indien de vreemdeling zich beroept op discriminatie en deze discriminatie is aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie C2/2.5), kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich heeft gewend tot de autoriteiten voor bescherming. - -##### 3.3. Nationale, raciale en etnische minderheden - -Iedere gemeenschap heeft in Nepal het recht zijn taal, schrift en cultuur in stand te houden en te promoten. Ook is het etnische groeperingen toegestaan basisonderwijs in de eigen taal te geven. Discriminatie op basis van de kaste waartoe men behoort is verboden. - -Ondanks de wettelijke verboden komt discriminatie van lagere kasten en het publieke negeren ervan op grote schaal voor in met name de rurale gebieden in het westen van Nepal. - -Indien de vreemdeling zich beroept op discriminatie en deze discriminatie is aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie C2/2.5), kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich heeft gewend tot de autoriteiten voor bescherming. - -##### 3.4. Vrouwen - -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. - -Hoewel discriminatie op grond van geslacht in de interim-grondwet verboden is, worden vrouwen in Nepal in de praktijk systematisch gediscrimineerd en achtergesteld, vooral in plattelandsgebieden. - -Geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld in het bijzonder, vormt een groot probleem in Nepal. Hier is slechts beperkte publieke aandacht voor en politici, politie en overheidsfunctionarissen zijn onwillig om het probleem te erkennen. Verkrachtingen komen op grote schaal voor en worden in de meeste gevallen niet onderzocht. Vrouwen durven vaak geen aangifte te doen van (huiselijk) of seksueel geweld, omdat zij bang zijn voor stigmatisering binnen de gemeenschap of uit angst voor wraakacties. Ook wordt vaak afgezien van aangifte omdat de overheid te weinig doet aan onderzoek, vervolging en bestraffing van verdachten. Daarnaast is er weinig vertrouwen in de lokale politie. - -In de Terai komt het voor dat vrouwen worden mishandeld omdat ze niet konden voldoen aan de eis tot het betalen van een bruidschat. - -Een ander veel voorkomend probleem is de handel in vrouwen en meisjes. Vele vrouwen worden gedwongen in de prostitutie te werken in andere landen. - -Indien de vreemdeling zich beroept op discriminatie en deze discriminatie is aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie C2/2.5), kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat zij zich heeft gewend tot de autoriteiten voor bescherming. - -Vrouwen en meisjes die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Nepal, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. - -##### 3.5. Minderjarigen - -Mensenrechtenschendingen tegen kinderen, zoals moord, verdwijning, mishandeling, handel in kinderen en seksueel geweld, komen nog steeds voor. Geweld tegen kinderen wordt zelden vervolgd. Of van de asielzoeker kan worden verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming dient per individueel geval te worden bezien. - -Minderjarigen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging of andere mensenrechtenschendingen in Nepal, kunnen conform het algemene beleid terzake op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de minderjarigheid van betrokkene. - -##### 3.6. Dienstplichtigen en deserteurs - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. - -Er is geen sprake van dienstplicht in Nepal. - -Het is niet bekend of deserteurs actief worden opgespoord. Desertie leidt niet zonder meer tot de conclusie dat er sprake is van vluchtelingenschap. De vreemdeling dient daarvoor aannemelijk te maken dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. - -#### 4. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Nepal geen bijzonderheden. - -#### 5. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Nepal komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). - -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat de situatie in het westen van Nepal zich niet langer onderscheidt van die in de rest van het land. Het westen van Nepal wordt niet langer categoriaal beschermingswaardig geacht. - -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3. is van toepassing. - -##### 6.2. Veilig land van herkomst - -Nepal wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Nepal wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -##### 6.5. Algehele veiligheidssituatie - -Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat de algehele veiligheidssituatie in Nepal niet is verbeterd. - -Er is in Nepal geen sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 3 EVRM. De algemene situatie is niet zodanig dat ten aanzien van elke Nepalese asielzoeker zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij of zij bij terugkeer naar Nepal enkel door zijn of haar aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. - -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Ten aanzien van Amv’s uit Nepal kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 8. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Nepal geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [19]. Het asielbeleid ten aanzien van Nigeria - -#### 1. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Nigeria. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van februari 2007 over de situatie in Nigeria (zie de website van het Ministerie van BuZa). - -#### 2. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Nigeria geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 3.1. Bevolkingsgroepen - -Uit het vorengenoemde ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat er geen specifieke bevolkingsgroepen zijn aan te wijzen die stelselmatig zijn onderworpen aan vervolging van de zijde van de overheid, dan wel derden. Het behoren tot een specifieke bevolkingsgroep vormt op zich geen reden om betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -##### 3.2. Journalisten - -De grondwet voorziet in de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Deze rechten kunnen alleen dan worden ingeperkt wanneer dit in het belang is van publieke veiligheid, openbare orde, openbare zedelijkheid en volksgezondheid dan wel wanneer de rechten en vrijheden van derden in het gedrang zijn. Ondanks het grondwettelijk recht komt intimidatie van kritische journalisten incidenteel voor. - -Het enkele feit dat betrokkene journalist is, is in beginsel onvoldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -##### 3.3. Vrouwen - -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. - -Uit het ambtsbericht blijkt dat de regering van Nigeria zich heeft uitgesproken tegen vrouwenbesnijdenis. Besnijdenis komt niettemin nog steeds voor in Nigeria, vooral in het zuiden en oosten van Nigeria en in mindere mate in het noorden van het land. In de deelstaten Bayelsa, Cross Rivers, Delta, Edo, Ogun, Osun en Rivers is vrouwenbesnijdenis strafrechtelijk verboden. In de deelstaat Cross Rivers treedt de politie op tegen overtredingen. - -Vrouwen kunnen in sommige gevallen zowel zichzelf als hun eventuele (jonge) dochters aan de praktijken van genitale verminking onttrekken als zij dit wensen, met name in de grotere steden. Of zij zich eraan kunnen onttrekken door zich elders (buiten de eigen leefgemeenschap) te vestigen zal per geval verschillen en is mede afhankelijk van de vraag in hoeverre men elders een nieuw bestaan kan opbouwen. Hierbij speelt het sociale netwerk een belangrijke rol. Het sociale netwerk kan bestaan uit de (extended) ‘family’, maar ook uit andere sociale netwerken zoals verenigingen en kerkgenootschappen. - -##### 3.4. Dienstplichtigen en deserteurs - -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. - -##### 3.5. Militante groeperingen - -In Nigeria zijn verscheidene militante etnische bewegingen, die alle regionaal actief zijn. Voorbeelden zijn de Odua People’s Congress, de Bakassi Boys, de Egbesu Boys en de Movement for the Actualisation of the Souvereign State of Biafra. - -Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij heeft ondervonden van de zijde van de regering vanwege zijn betrokkenheid bij een politieke dan wel militante groepering zijn te herleiden tot daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. - -Voorzover betrokkene stelt te vrezen voor vervolging van de zijde van één van deze groeperingen, zal hij in een deel van Nigeria waar deze beweging niet actief is, gevrijwaard zijn van deze problemen. In de regio waar de groepering wel actief is, moet worden aangenomen dat de autoriteiten niet altijd in staat zijn afdoende bescherming te bieden tegen eventueel op de persoon gericht geweld. Nu er sprake is van een vlucht- of vestigingsalternatief, bestaat er in beginsel geen aanleiding om betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw. - -##### 3.6. Geheime genootschappen - -Er bestaan in Nigeria talloze geheime genootschappen met name aan universiteiten en in het zakenleven. Van een asielzoeker die zich op problemen beroept van de zijde van geheime genootschappen, wordt verwacht dat hij consistente en gedetailleerde verklaringen aflegt over (de achtergronden van) zijn problemen, die reden zijn geweest om Nigeria te verlaten. - -Indien iemand slachtoffer dreigt te worden van excessen (buitengerechtelijk handelen/mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit een traditioneel Afrikaans geloof), dan kan hij zich wenden tot de autoriteiten (rechter/politie). De autoriteiten zullen in beginsel zeker optreden tegen uitwassen. - -Voorzover betrokkene stelt te vrezen voor vervolging van de zijde van een geheim genootschap geldt dat hij zich aan eventuele problemen kan onttrekken door zich elders te vestigen. De activiteiten van de geheime genootschappen zijn over het algemeen beperkt tot de universiteiten. Het wordt niet aannemelijk geacht dat de reikwijdte van geheime genootschappen zich uitstrekt tot ver buiten het gebied waar de desbetreffende groep zich ophoudt. - -Voor de Ogboni-genootschappen geldt in het bijzonder dat zij thans nog actief zijn als bewaarder van oude tradities in Yorubaland (Zuidwest-Nigeria) en in gebieden waarover Yorubakoningen vroeger invloed uitoefenden. Er zijn geen aanwijzingen dat traditionele praktijken zoals mensenoffers en oplegging van de doodstraf door deze genootschappen thans nog voorkomen. - -Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij heeft ondervonden zijn te herleiden tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag dan wel dat er sprake is van een reëel en persoonlijk risico om bij uitzetting te worden onderworpen aan foltering of andere onmenselijke behandelingen, welke in verband kunnen worden gebracht met de vrees voor het geheime genootschap. In beginsel is er sprake van een vlucht- dan wel vestigingsalternatief. Echter, dit dient te worden bezien in het individuele geval. - -##### 3.7. Homoseksuelen - -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat het enkele feit homoseksueel te zijn geen grond is voor strafrechtelijke vervolging. Seksuele handelingen tussen mensen van gelijk geslacht zijn dat wel. - -Er is een wet in voorbereiding die homoseksuele relaties en huwelijksceremonies tussen twee mensen van gelijk geslacht verbiedt en strafbaar stelt. Tevens zouden homoseksuele organisaties, waarvan er momenteel twee actief zijn in Nigeria, worden verboden. - -In de sharia-wetgeving is seksuele gemeenschap tussen mensen van hetzelfde geslacht strafbaar en kan leiden tot steniging. Hoewel deze straf wordt opgelegd, zijn er geen voorbeelden van daadwerkelijke uitvoering van deze straf. - -Ten aanzien van homoseksuelen is het beleid van C2/2.10.2 van toepassing. - -#### 4. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Nigeria geen bijzonderheden. - -#### 5. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Nigeria komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie C2/5). - -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. - -Informatie aangaande het vlucht- en vestigingsalternatief is reeds eerder in deze landenparagraaf gegeven voor een aantal specifieke groepen. Deze specifieke groepen zijn: vrouwen die genitale besnijding vrezen, personen die vervolging vrezen van militante groeperingen en personen die vervolging vrezen van de zijde van een geheim genootschap. Voorts wordt er in het kader van het vlucht- en vestigingsalternatief nog verwezen naar hetgeen er bij het onderwerp sharia beschreven staat. - -##### 6.2. Veilig land van herkomst - -Nigeria wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Nigeria wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten. - -Zowel leden van het leger, de politie, de veiligheidsdiensten, als leden van de militante etnische groeperingen, zoals Odua People’s Congress, Movement for the Actualisation of the Souvereign State of Biafra, Egbesu Boys, Bakassi Boys en Ijaw Youth Council, hebben zich schuldig gemaakt aan het schenden van mensenrechten. Om die reden dient men in het bijzonder bedacht te zijn of betrokkene zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. - -##### 6.5. Sharia - -Het sharia-strafrecht geldt alleen in de noordelijke deelstaten en is alleen van toepassing op moslims, tenzij een niet-moslim zich er vrijwillig aan wil onderwerpen. Degene die zich beroept op strafrechtelijke vervolging op grond van de sharia kan zich aan de sharia onttrekken door zich elders in Nigeria te vestigen. Een dergelijk beroep op strafrechtelijke vervolging op grond van de sharia vormt derhalve in beginsel geen reden om betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Opvang van Amv’s is traditioneel een aangelegenheid voor de ‘extended family’. Het wordt over het algemeen als normaal beschouwd dat andere familieleden dan de ouders indien nodig de zorg voor een kind op zich nemen. Het is in beginsel niet waarschijnlijk dat niemand zich over een minderjarig familielid zou kunnen of willen ontfermen. - -Ten aanzien van Amv’s uit Nigeria kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 8. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Nigeria geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [20]. Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan - -#### 1. Datum - -Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C5/24 van kracht wordt. - -#### 2. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Pakistan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C5/23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 24 augustus 2006 over de situatie van ahmadi’s en christenen in Pakistan (kenmerk DPV/AM-909595). - -Er is besloten tot een beleidswijziging ten aanzien van ahmadi-moslims en christenen. Aan ahmadi’s en christenen die problemen ondervinden van derden wordt niet langer een vlucht- en/of vestigingsalternatief tegengeworpen. - -#### 3. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Pakistan geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 4.1. Ahmadi-moslims en christenen - -In Pakistan is geen sprake van systematische vervolging van ahmadi’s en christenen door de overheid enkel en alleen op basis van hun geloof. Zij hebben als religieuze minderheid wel te maken met verscheidene soorten discriminatie. Verschillende overheidsinstellingen hebben zich hieraan gedurende de verslagperiode van het eerdergenoemde ambtsbericht meerdere malen schuldig gemaakt. Zo is het voorgekomen dat ahmadi’s en christenen niet werden aangenomen in het leger, in het onderwijs en bij overheidsinstellingen. - -Het lijkt dat de intolerantie in de samenleving jegens ahmadi’s en christenen toeneemt. De overheid treedt vaak niet afdoende op in het geval ahmadi’s en christenen worden lastiggevallen. Het is gedurende de verslagperiode van het genoemde ambtsbericht voorgekomen dat de politie weigerde aanklachten van misdrijven gericht tegen ahmadi’s en christenen in behandeling te nemen, of weigerde bij confrontaties tussen ahmadi’s en christenen en aanhangers van de islamitische hoofdstromingen tussenbeide te komen. - -Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient betrokkene aannemelijk te maken dat betrokkene de door hem geclaimde geloofsovertuiging heeft. Vervolgens dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van Pakistaanse autoriteiten dan wel derden heeft ondervonden te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM. - -#### 5. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/2.4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Pakistan geen bijzonderheden. - -#### 6. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Pakistan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie C1/2.5). - -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/4.2.2 is van toepassing. - -Ten aanzien van ahmadi’s en christenen geldt dat in geval van vluchtelingrechtelijke vervolging en (dreigende) schending van artikel 3 EVRM door de Pakistaanse autoriteiten en derden geen vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. - -##### 7.2. Veilig land van herkomst - -Pakistan wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Pakistan wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C1/4.3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C3/11.3.1. - -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Ten aanzien van Amv’s uit Pakistan kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 9. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Pakistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [21]. Het asielbeleid ten aanzien van Rusland - -#### 1. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Rusland. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in de Noordelijke Kaukasus. - -#### 2. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Rusland geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 3.1. Personen van etnisch Tsjetsjeense afkomst - -###### 3.1.1. Problemen ondervonden in de deelrepubliek Tsjetsjenië - -Hoewel de politieke en mensenrechtensituatie in de deelrepubliek Tsjetsjenië nog steeds zorgwekkend is, is deze situatie niet zodanig dat asielzoekers uit deze deelrepubliek zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Een beroep op de algemene situatie in Tsjetsjenië is derhalve niet voldoende om voor vluchtelingenschap in aanmerking te komen. - -Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te kunnen komen, dient betrokkene aannemelijk te maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin gerechtvaardigd is. - -###### 3.1.2. Problemen ondervonden elders in Rusland - -Uit het ambtsbericht komt naar voren dat personen die afkomstig zijn uit de Noordelijke Kaukasus elders in Rusland te maken kunnen krijgen met discriminatie van de kant van de (lokale) autoriteiten. - -Voor wat betreft de vraag wanneer bovengenoemde discriminatie tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw kan leiden, wordt verwezen naar C2/2.5. Hieruit komt naar voren dat discriminatie door de autoriteiten en/of medeburgers als daad van vervolging kan worden aangemerkt als de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. - -Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw worden verleend indien de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat discriminatie voor hem persoonlijk heeft geleid tot ernstige beperkingen in zijn bestaan én aannemelijk is dat de autoriteiten hem niet hebben kunnen of willen beschermen tegen deze vorm van discriminatie. - -##### 3.2. Vrouwen - -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. - -##### 3.3. Dienstplichtigen en deserteurs - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. - -#### 4. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. - -#### 5. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Rusland en meer in het bijzonder uit Tsjetsjenië komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). - -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing op asielaanvragen van personen afkomstig uit Rusland. Dit betekent dat alle asielzoekers afkomstig uit Rusland een vlucht- of vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. - -##### 6.2. Veilig land van herkomst - -Rusland wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Rusland wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -De volgende groepen hebben in Rusland en met name in Tsjetsjenië (op grote schaal) mensenrechten geschonden: - -• Otryad Militsii Osobogo Naznacheniya; -• Kadyrovtsy; -• Russische militairen (in Afghanistan of Tsjetsjenië); -• Tsjetsjeense strijders. - -Om die reden dient men er in het bijzonder op bedacht te zijn of personen, die behoren tot deze groepen, zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. - -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Ten aanzien van Amv’s uit Rusland kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -Ten aanzien van Amv’s uit de deelrepubliek Tsjetsjenië kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang wordt per individueel geval vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 8. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Rusland geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [22]. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone - -#### 1. Datum - -Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt. - -#### 2. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Sierra Leone. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 30 januari 2009 over de situatie in Sierra Leone (zie de website van het Ministerie van BuZa). - -#### 3. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Sierra Leone geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 4.1. Bevolkingsgroepen - -Er zijn geen aanwijzingen dat personen door de Sierra Leoonse autoriteiten worden vervolgd vanwege hun etnische afkomst. Het behoren tot een specifieke bevolkingsgroep vormt derhalve geen reden de asielzoeker in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -##### 4.2. Tegenstanders van het bewind - -De Sierra Leoonse grondwet voorziet in de vrijheid van vereniging en vergadering. In het algemeen respecteert de overheid dit recht. Sinds de Political Parties Registration Commission (PPRC) in de loop van 2006 operationeel is, kunnen alleen geregistreerde politieke partijen openbare activiteiten ontplooien. Er worden in het ambtsbericht geen meldingen gemaakt van restricties die zijn opgelegd aan (geregistreerde) politieke partijen, vakbonden of maatschappelijke organisaties. Evenmin zijn er meldingen van politieke gevangenen, verdwijningen of executies. - -Derhalve vormt het lidmaatschap van en activiteiten voor een politieke partij, vakbond of maatschappelijke organisatie op zichzelf geen grond voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. - -##### 4.3. Journalisten - -De Sierra Leoonse grondwet voorziet in persvrijheid. De geschreven pers en de radio berichten vrij en in het algemeen zonder inmenging over veiligheidsaangelegenheden, corruptie en politieke zaken. Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de Sierra Leoonse autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn werkzaamheden als journalist, te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. - -##### 4.4. Vrouwen - -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. - -In Sierra Leone komt *gender based violence* zeer veel voor. Verkrachting is volgens de wet een misdaad maar desondanks is (seksueel) geweld tegen vrouwen en meisjes wijdverbreid en geaccepteerd. Een van de meest voorkomende vormen van *gender based violence* is verkrachting en mishandeling binnen het huwelijk. - -In juni 2007 is de nieuwe wetgeving, inzake bescherming tegen huiselijk geweld en gedwongen huwelijken van jonge vrouwen, in werking getreden. Mensenrechtenorganisaties houden informatiebijeenkomsten om vrouwen voor te lichten over de nieuwe wetgeving. In de praktijk worden vrouwen namelijk nog belemmerd in het opeisen van hun rechten door gebrek aan opleiding en als gevolg van sociale druk van hun omgeving, met de hieruit voortvloeiende angst om verstoten te worden. - -Vrouwen en meisjes die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Sierre Leone, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij dienen zij aannemelijk te maken dat de autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden. - -Genitale verminking is in Sierra Leone niet bij wet verboden en komt veelvuldig voor als onderdeel van de initiatie van meisjes in geheime genootschappen. De besnijdenis wordt toegepast vanaf de leeftijd van vijf jaar. Vanwege de macht van de geheime genootschappen en de vrees voor verlies van politieke aanhang durven veel politici deze praktijken niet aan de kaak te stellen. Een mogelijkheid om aan de controle van de familie te ontsnappen en zich op die manier te onttrekken aan de besnijdenis, is nauwelijks aanwezig. Behalve van huis weglopen en zich (elders) in het stedelijk gebied te vestigen, is er geen mogelijkheid voor vrouwen en meisjes om aan genitale verminking te ontsnappen. - -Indien een meisje of vrouw nog niet besneden is en dit in haar land van herkomst niet kan ontlopen, kan sprake zijn van een reëel risico voor een schending van artikel 3 EVRM. In die situatie kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Hierbij wordt niet verlangd dat de asielzoeker zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. Het tegenwerpen van een vestigingsalternatief, bij vrees voor besnijdenis, wordt per individueel geval bezien. Bij een volwassen vrouw is hierbij van belang of zij aan de controle van haar familie kan ontkomen en hoe zij zich voor haar vertrek heeft kunnen onttrekken aan de besnijdenis. Van minderjarige meisjes kan niet worden verlangd dat zij zich elders vestigen, wanneer zij hierin niet ondersteund worden door familie of derden, tenzij zij zich eerder succesvol aan besnijdenis hebben kunnen onttrekken. - -##### 4.5. Geheime genootschappen - -Er bestaan in Sierra Leone verschillende geheime genootschappen. De genootschappen voeren inwijdingsrituelen uit om jonge leden voor te bereiden op de volwassenheid. Het lidmaatschap van een genootschap maakteen persoon een volwaardig lid van de gemeenschap en speelt een belangrijke rol bij de maatschappelijke positie. Er wordt gezegd dat alle personen op belangrijke posities bij een of meerdere genootschap(pen) zijn aangesloten. - -Het is niet makkelijk om zich te onttrekken aan het lidmaatschap van een genootschap. Vooral bij families die in de stad wonen, komt het voor dat jongens niet willen toetreden. Het is voor hen dan onmogelijk om naar hun familiedorp terug te gaan, omdat de kans dan groot is dat ze worden vergiftigd en alsnog worden geïnitieerd. - -Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat de ondervonden problemen zijn te herleiden tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag dan wel dat er sprake is van een reëel risico voor een schending van artikel 3 EVRM. Aangezien onduidelijk is in hoeverre de geheime genootschappen zijn geïntegreerd binnen de autoriteiten, wordt niet verlangd dat de asielzoeker zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. In beginsel is er sprake van een vlucht- dan wel vestigingsalternatief, bij vrees voor een geheim genootschap. Echter, dit wordt per individueel geval bezien. Uitgangspunt is dat van een volwassen asielzoeker doorgaans verwacht kan worden dat deze persoon zich aan het lidmaatschap van het geheime genootschap onttrekt door zich elders te vestigen. Van minderjarigen kan niet worden verlangd dat zij zich elders vestigen, wanneer zij hierin niet ondersteund worden door familie of derden, tenzij zij zich eerder succesvol aan het lidmaatschap van een geheim genootschap hebben kunnen onttrekken. - -##### 4.6. Dienstplichtigen en deserteurs - -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. - -Desertie uit het leger is wettelijk strafbaar. De strafmaten voor desertie, zoals vermeld in het ambtsbericht, zijn niet als onevenredig zwaar aan te merken. - -##### 4.7. Homoseksuelen - -Uit het ambtsbericht blijkt dat er volgens de wet geen expliciet verbod op homoseksualiteit bestaat in Sierra Leone. Wel is er een verbod op openbare handelingen die kunnen samenhangen met homoseksualiteit. Er zijn geen gegevens bekend over mogelijke strafrechtelijke gevolgen. Op het onderwerp rust een groot taboe en het wordt maatschappelijk niet getolereerd. - -Homoseksuelen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij op grond van hun homoseksualiteit gegronde reden hebben voor vervolging, ofwel door de overheid, ofwel door derden, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. Het enkele feit van homoseksueel zijn is evenwel onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning. - -#### 5. Binnenlands gewapend conflict - -Er is geen sprake van een binnenlands gewapend conflict in Sierra Leone. - -#### 6. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Sierra Leone geen bijzonderheden. - -#### 7. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Sierra Leone komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). - -#### 8. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 8.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. - -##### 8.2. Veilig land van herkomst - -Sierra Leone wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 8.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Sierra Leone wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 8.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -Verder zijn er de volgende aandachtspunten. - -Zowel leden van het leger, de politie en de veiligheidsdiensten, als leden van rebellenmilities of aan de autoriteiten gelieerde milities hebben zich in het verleden in Sierra Leone op grote schaal schuldig gemaakt aan het schenden van mensenrechten. - -#### 9. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Voor Amv’s is adequate opvang in Sierra Leone voorhanden in de vorm van opvanghuizen. De faciliteiten in de opvanghuizen zijn over het algemeen redelijk en de kinderen kunnen naar school. Minderjarige asielzoekers van Sierra Leoonse nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 10. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Sierra Leone geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [23]. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan - -#### 1. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Sudan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. - -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Sudan (zie de website van het Ministerie van BuZa). - -#### 2. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 3.1. Personen die verdacht worden van betrokkenheid bij rebellengroeperingen - -Uit het ambtsbericht volgt dat personen die verdacht worden van betrokkenheid bij rebellengroeperingen een verhoogd risico lopen op vervolging van de zijde van de Sudanese autoriteiten. Het geweld tegen individuen was met name gericht tegen niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur en leden van de Nuba en vermeende aanhangers van SPLM/Noord uit Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile. - -###### 3.1.1. Niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur - -In Darfur wordt door de autoriteiten hard opgetreden tegen personen verdacht van banden met de rebellen. Met name niet-Arabische bevolkingsgroepen kunnen hiermee te maken krijgen. Het is mogelijk dat zij slachtoffer worden van willekeurige arrestaties, detenties, martelingen en mishandelingen. Bij terugkeer vanuit het buitenland naar Sudan lopen met name zij een verhoogd risico op onderzoek door de veiligheidsdienst. Zij worden al snel als vermeend aanhanger van de Darfurese rebellenbeweging gezien. - -De positie van de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur) is zodanig dat deze bevolkingsgroep moet worden gezien als een risicogroep in de zin van C14/3.6. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw worden aan personen behorende tot een risicogroep minder hoge eisen gesteld met betrekking tot het aannemelijk maken van de zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen. Dit houdt in dat wanneer deze personen zich beroepen op problemen op basis van hun niet-Arabische afkomst èn herkomst uit Darfur, en er sprake is van een geloofwaardig en individualiseerbaar asielrelaas, reeds met geringe indicaties aannemelijk kan worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Indien hiervan sprake is, kan betrokkene op grond van artikel 29, eerste lid onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat betrokkene zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. - -De niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur) worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C14/3.6. - -Dit houdt in dat de vreemdeling die behoort tot deze groep met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. Hierbij wordt niet verlangd dat betrokkene zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. - -Het is niet vereist dat de vreemdeling persoonlijk te maken heeft gehad met een behandeling die op zichzelf voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Daarbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. - -###### 3.1.2. Nuba - -De positie van de Nuba in Sudan is zodanig dat deze bevolkingsgroep moet worden gezien als een risicogroep in de zin van C14/3.6. Voor een verdere uitleg over de toepassing van dit beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.1.1, waarbij er sprake moet zijn van problemen op basis van hun etnische afkomst. - -Van betrokkene wordt niet verlangd dat hij/zij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. - -De Nuba in Sudan worden voorts aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C14/3.6. Voor een verdere uitleg over de toepassing van dit beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.1.1. - -###### 3.1.3. (Vermeende) aanhangers van SPLM/Noord - -De positie van (vermeende) aanhangers van SPLM/Noord in Sudan is zodanig dat deze groep moet worden gezien als een risicogroep in de zin van C14/3.6. Voor een verdere uitleg over de toepassing van dit beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.1.1, waarbij er sprake moet zijn van problemen op basis van (toegedichte) banden met SPLM/Noord. - -Van betrokkene wordt niet verlangd dat hij/zij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. - -##### 3.2. Vrouwen - -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/3.2 en C14/3.3 is van toepassing. - -Genitale verminking van vrouwen wordt in Sudan op grote schaal uitgevoerd. Hoewel de Sudanese autoriteiten zich tegen vrouwenbesnijdenis heeft gekeerd, wordt hier in de praktijk nauwelijks uitvoering aan gegeven. - -In het geval van een reëel risico op genitale verminking kan er in de regel geen vlucht- of vestigingsalternatief worden tegengeworpen in andere delen van Sudan. Indien echter op grond van de individuele verklaringen van betrokkene blijkt dat zij zich elders staande heeft kunnen houden onder naar plaatselijke maatstaven gemeten normale omstandigheden, kan van betrokkene worden verlangd dat zij hier naar toe terugkeert. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat een toenemend aantal stedelijke, geschoolde families hun dochters niet laat besnijden. Volgens het ambtsbericht ondervinden deze families hierbij doorgaans geen problemen. - -Indien een Sudanees meisje nog niet is besneden en dit in Sudan niet kan ontlopen, kan bij terugkeer naar Sudan sprake zijn van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar Sudan bedreigd worden met genitale verminking. In dergelijke gevallen kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd worden verleend. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten heeft gewend, of zal moeten wenden, voor bescherming. - -De ouder die genitale verminking van zijn dochter vreest, kan eveneens op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, zie verder C2/3.2.2. - -Blijkens het ambtsbericht wordt in Sudan het gebruik van geweld tegen vrouwen, bijvoorbeeld slaan, niet gezien als een misdaad. Tegen deze vorm van geweld treedt de overheid niet op. Vrouwen kunnen zich hieraan in de praktijk niet onttrekken door zich elders in het land te vestigen. - -In Sudan is er voorts nauwelijks of geen bescherming tegen seksueel geweld. - -Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor geweldpleging in Sudan, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. - -##### 3.3. Dienstplichtigen en deserteurs - -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. - -In Sudan wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds onttrekking aan de dienstplicht en anderzijds desertie. - -Onttrekking aan de dienstplicht kan met een geldboete en/of met een gevangenisstraf van twee tot drie jaar worden bestraft. Deze bestraffing is niet als onevenredig zwaar aan te merken. Daarnaast is het niet aannemelijk dat er sprake is van discriminatoire bestraffing. Voor gewetensbezwaarden bestaat geen mogelijkheid om ter vervanging van de dienstplicht een niet-militaire dienstplicht te vervullen. - -Gelet op het vorenstaande is een beroep op onttrekking aan de dienstplicht in beginsel niet voldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw, tenzij de betrokkene wegens ernstige en onoverkomelijke gewetensbezwaren tot zijn onttrekking komt. Het is aan de betrokkene om dit aannemelijk te maken. - -Desertie kan in het uiterste geval met de doodstraf worden bestraft. Niet kan worden uitgesloten dat deserteurs discriminatoir worden bestraft, worden mishandeld en/of worden geëxecuteerd. Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat er sprake is van een discriminatoire bestraffing. In het geval mishandeling, executie of de doodstraf niet kan worden uitgesloten, dient de bestraffing wegens desertie als onevenredig zwaar te worden aangemerkt. - -Gelet op het vorenstaande kan een persoon die een beroep doet op desertie in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw. - -#### 4. Algehele veiligheidssituatie - -Uit het algemeen ambtsbericht van Sudan blijkt dat de veiligheidssituatie in Noord-Darfur en Zuid-Darfur onverminderd slecht is. De situatie in delen van West-Darfur is enigszins verbeterd. De veiligheidssituatie in de gebieden Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile is verder verslechterd. - -##### 4.1. Situatie Darfur - -In januari 2012 zijn twee nieuwe Darfurese deelstaten (Centraal-Darfur en Oost-Darfur) ingesteld. Zowel in het ambtsbericht als ten behoeve van de beleidsbepaling wordt bij de beschrijving van Darfur uitgegaan van de (oude) indeling van Darfur in West-, Noord- en Zuid-Darfur. - -Nu uit het ambtsbericht volgt dat de veiligheidssituatie in Noord- en Zuid-Darfur onverminderd slecht is en de gehele bevolking een reëel risico loopt slachtoffer te worden van het geweld, wordt geconcludeerd dat Noord- en Zuid-Darfur aangemerkt kunnen worden als een gebied waar sprake is van een situatie van uitzonderlijk willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG. Hierbij geldt dat personen afkomstig uit Noord- of Zuid-Darfur een veilig heenkomen kunnen zoeken elders in Sudan, indien de dreiging waaraan betrokkene in Noord- of Zuid-Darfur wordt blootgesteld enkel een gevolg is van een extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG, zie C4/2.3.2. - -Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het ambtsbericht melding maakt van een enigszins verbeterde situatie in delen van West-Darfur. Voor deze regio wordt dan ook geen situatie van uitzonderlijk willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG aangenomen. - -Gelet op de bijzondere positie waarin de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Noord- en Zuid-Darfur verkeren, wordt ten aanzien van een vreemdeling behorend tot deze groep in de regel aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een vestigingsalternatief in de overige delen van Sudan, tenzij uit de individuele zaak blijkt dat zij zes maanden of langer zonder problemen in veilige gebieden elders in Sudan hebben verbleven. - -##### 4.2. Situatie Drie Gebieden (Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile) - -In het ambtsbericht wordt aan Zuid-Kordofan, Abyei en Blue Nile gerefereerd als ‘de Drie Gebieden’, waarbij Abyei, dat ligt in de provincie Zuid-Kordofan, als betwist gebied op de grens van Sudan en Zuid-Sudan zelfstandig wordt benoemd. - -Uit het ambtsbericht volgt dat de veiligheidssituatie in de gebieden Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile verder verslechterd is. Om die reden wordt voor deze gebieden aangenomen dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG. Hierbij geldt dat sprake is van een vestigingsalternatief in de andere delen van Sudan, nu de dreiging waaraan betrokkene in de Drie Gebieden wordt blootgesteld enkel een gevolg is van een extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG, zie C4/2.3.2. - -Gelet op de bijzondere positie waarin personen die in verband worden gebracht met steun aan rebellengroeperingen verkeren, wordt ten aanzien van een vreemdeling behorend tot deze groep in de regel aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een vestigingsalternatief in de overige delen van Sudan, tenzij uit de individuele zaak blijkt dat zij zes maanden of langer zonder problemen in veilige gebieden elders in Sudan hebben verbleven. Personen die in verband worden gebracht met steun aan rebellengroeperingen zijn met name de Nuba en (vermeend) aanhangers van SPLM/Noord. - -##### 4.3. Situatie overige delen van Sudan - -Voor de overige delen van Sudan geeft de veiligheidssituatie geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG. Er kan voor Sudan, met uitzondering van Noord- en Zuid-Darfur, Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile, niet gesproken worden over een situatie die zodanig is dat een burger die terugkeert naar Sudan, enkel vanwege zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. - -#### 5. Traumabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Sudan geen bijzonderheden. - -#### 6. Categoriale bescherming - -Met onderhavig besluit is het categoriaal beschermingsbeleid voor de regio Darfur in Sudan beëindigd. Asielzoekers uit Sudan komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). - -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Ten aanzien van Sudan wordt geen binnenlands vluchtalternatief tegengeworpen. - -In de gevallen waarbij op individuele gronden is aangenomen dat betrokkene een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM wordt geen vestigingsalternatief aangenomen. - -Voor het beleidsstandpunt inzake een vestigingsalternatief ten gevolge van de algemene veiligheidssituatie (artikel 15, onder c, van de richtlijn 2004/83/EG) in de gebieden Noord- of Zuid-Darfur, Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) of Blue Nile wordt verwezen naar respectievelijk paragraaf 4.1 en 4.2. - -##### 7.2. Veilig land van herkomst - -Sudan wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. - -##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf - -Sudan wordt niet beschouwd als veilig derde land. - -##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag - -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. - -Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. - -##### 7.5. Legale uitreis - -In beginsel kunnen personen uit Sudan vrij het land in- en uitreizen. Het komt evenwel voor dat de Sudanese regering de uitreis weigert aan politieke tegenstanders. - -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s - -Ten aanzien van Amv’s uit Sudan kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. - -#### 9. Vertrekmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. - -### [24]. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië - -#### 1. Achtergrond - -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Somalië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De enige uitzondering is de hieronder opgenomen regeling ten aanzien van het niet tegenwerpen van het vervallen van de verleningsgrond op basis van het categoriaal beschermingsbeleid. De algemene wet- en regelgeving blijft voor het overige steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Somalië (zie de website van het Ministerie van BuZa). - -Dit hoofdstuk bevat de uitvoeringsconsequenties van het vastgestelde beleid. - -#### 2. Besluitmoratorium - -Ten aanzien van asielzoekers uit Somalië geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. - -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen - -##### 3.1. Minderheden - -###### 3.1.1. Algemeen - -De positie van (niet-Somali) minderheden in Somalië is nog immer zorgwekkend. De risico’s die een persoon behorende tot een niet-Somali bevolkingsgroep loopt, zijn afhankelijk van de specifieke subclan waartoe hij behoort en de lokale omstandigheden. Het asielrelaas van niet-Somali minderheden wordt aan de hand van het individuele asielrelaas beoordeeld, met inachtneming van hetgeen bekend is omtrent de situatie van niet-Somali minderheden in het algemeen en – zo mogelijk – de specifieke subclan in het bijzonder. - -###### 3.1.2. Benadiri/Reer Hamar - -Blijkens de informatie uit het ambtsbericht geeft de positie van Benadiri – ook Reer Hamar genoemd – geen aanleiding om deze aan te merken als risicogroep en groep die systematisch bloot staat aan schending van artikel 3 EVRM. De positie van de Benadiri is, evenals die van de overige minderheidsgroepen, echter nog steeds zorgwekkend. De aanvragen van personen behorende tot de Benadiri zullen – overeenkomstig de onder 3.1 genoemde toets – op individuele gronden worden beoordeeld in het licht van de algemene veiligheidssituatie in Somalië. - -Vergunningen voor bepaalde tijd, die reeds aan Somaliërs zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw, vanwege het behoren tot de Benadiri, worden (vooralsnog) niet herbeoordeeld, omdat op deze grond verleende vergunningen pas worden ingetrokken zodra gebleken is van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie ook artikel 3.37e VV). Op basis van informatie uit toekomstige ambtsberichten zal worden bezien of en wanneer van een zodanige situatie sprake is. - -Evenmin staat de enkele reden dat de grond voor verlening is komen te vervallen in dit geval een verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in de weg. - -##### 3.2. Vrouwen - -###### 3.2.1. Genitale verminking (vrouwenbesnijdenis) - -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat indien een Somalisch meisje nog niet is besneden, bij terugkeer naar Somalië sprake kan zijn van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. Genitale verminking komt op grote schaal voor in Somalië en het is voor meisjes in de praktijk moeilijk om aan de sociale druk te ontkomen, doordat zowel mannen als vrouwen achter vrouwenbesnijdenis staan. - -Van meisjes die bij terugkeer naar Somalië een reëel risico lopen om te worden besneden en hun ouders, wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. Daarnaast wordt er in beginsel geen vestigingsalternatief in Somalië aanwezig geacht om zich te onttrekken aan genitale verminking. Zie verder C2/3.2. - -###### 3.2.2. (Seksueel) geweld tegen vrouwen - -Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Somalië, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. Er geldt voor vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van (seksueel) geweld geen vestigingsalternatief binnen Somalië. - -###### 3.2.3. Alleenstaande vrouwen - -Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat de positie van alleenstaande vrouwen slechter is dan die van vrouwen in het algemeen omdat zij bescherming van een man ontberen. - -Indien een alleenstaande vrouw aannemelijk heeft gemaakt een gegronde vrees voor een onmenselijke behandeling te hebben bij terugkeer naar haar land, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een verblijfsvergunning worden verleend. Het enkele feit dat de vreemdeling een alleenstaande vrouw is, is onvoldoende voor de conclusie dat er gegronde vrees is voor onmenselijke behandeling. - -Een vrouw wordt aangemerkt als alleenstaand indien de huwelijksband met de echtgenoot verbroken is, of indien zij ongehuwd is en de band met het gezin waartoe ze ten tijde van haar vertrek uit Somalië behoorde, als verbroken kan worden beschouwd. - -Onder gezin wordt enkel het ouderlijk gezin, de vader en moeder verstaan. De gezinsband met de vader is hierbij relevant. Dat betekent dat banden met andere mannelijke familieleden, bijvoorbeeld meerderjarige zoons, broers of ooms, hierbij niet worden meegewogen. - -Om aan te tonen dat een vrouw alleenstaand is op grond van een verbroken gezinsband, dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hierover aanvullende gegevens te worden overgelegd en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen te worden afgelegd. - -#### 4. Algehele veiligheidssituatie - -De algemene situatie in Somalië (inclusief Mogadishu) is zorgwekkend, echter deze is niet van dusdanige aard dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 3 EVRM /artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. - -Door de omstandigheid dat de veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalië onverminderd slecht is, zal bij de beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Somalië eerder kunnen worden geconcludeerd dat betrokkene in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. - -##### 4.1. Situatie Mogadishu - -Op basis van de thans voorhanden zijnde informatie is de situatie in Mogadishu niet van dusdanige aard dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG en artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet. - -Nu Mogadishu niet langer onder controle staat Al-Shabaab, is het voor de terugkeer naar Mogadishu niet noodzakelijk dat de vreemdeling ervaring heeft met het leven onder Al-Shabaab. - -Vergunningen voor bepaalde tijd, die reeds aan Somaliërs zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, vanwege het artikel 15c beleid dat gold ten aanzien van personen afkomstig uit Mogadishu, worden (vooralsnog) niet herbeoordeeld, omdat op deze grond verleende vergunningen pas worden ingetrokken zodra gebleken is van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft (zie ook artikel 3.37e VV). Op basis van informatie uit toekomstige ambtsberichten zal worden bezien of en wanneer van een zodanige situatie sprake is. - -##### 4.2. Situatie Centraal- en Zuid-Somalië (met uitzondering van Mogadishu) - -Hoewel de situatie in de regio’s buiten Mogadishu in Centraal- en Zuid-Somalië onverminderd slecht en zorgwekkend is, met name in de stedelijke gebieden in deze regio’s, is de veiligheidssituatie aldaar niet zodanig slecht dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de vreemdeling enkel en alleen door diens aanwezigheid aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt. - -Vreemdelingen afkomstig uit een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab, die aannemelijk maken dat zij niet in staat kunnen worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab – waarbij het feit of de vreemdeling al dan niet recentelijk vertrokken is of ervaring heeft met het leven onder Al-Shabaab een belangrijke rol speelt – komen in beginsel in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b Vw. Dit geldt overigens ook voor de personen die afkomstig zijn uit een gebied dat niet of niet langer onder controle staat van Al-Shabaab, maar dit gebied enkel kunnen bereiken via het gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab. Het moment van beslissen is bepalend voor de vraag of een gebied onder de controle staat van de Al-Shabaab. - -Bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade dient voor vreemdelingen van wie de herkomst uit Centraal- en Zuid-Somalië geloofwaardig wordt geacht en die zonder noemenswaardige problemen onder de regels van Al-Shabaab hebben geleefd, wordt tevens betrokken of zij zodanig verwesterd zijn, dat zij bij terugkeer door Al-Shabaab als verwesterd worden herkend en in verband daarmee een reëel risico lopen op ernstige schade. Het gaat hierbij om risico’s die zij bij terugkeer naar het herkomstland van de zijde van Al-Shabaab lopen als gevolg van specifieke kenmerken die zij niet verborgen kunnen houden en die zij na terugkeer niet weer kunnen aanpassen. Uiterlijke kenmerken als kleding, sieraden en haardracht kunnen bij terugkeer worden aangepast en kunnen dus niet worden gezien als onmogelijk te verbergen (‘impossible to disguise’). - -Of in een individuele zaak sprake is van verwestersing in de zin van de EHRM-uitspraak inzake Sufi en Elmi tegen VK van 28 juni 2011 wordt beoordeeld aan de hand van hetgeen daarover door de vreemdeling zelf naar voren wordt gebracht. Enkel langdurig verblijf in Nederland – ook langer dan de hieronder genoemde tien jaar – zal doorgaans onvoldoende zijn om aan te nemen dat een vreemdeling verwesterd is en daarmee een risico loopt bij terugkeer. +Doordat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab, is het voor de terugkeer naar Mogadishu niet noodzakelijk dat de vreemdeling ervaring heeft met het leven onder Al-Shabaab. Bij de beoordeling of het verblijf in Nederland bij een individuele Somalische vreemdeling heeft geleid tot een verwestersing waarbij een of meer specifieke kenmerken bij terugkeer feitelijk niet meer verborgen kunnen worden gehouden, spelen in ieder geval de volgende elementen een rol: -• de duur van het verblijf van de vreemdeling; hierbij geldt als uitgangspunt dat bij vreemdelingen die meerderjarig waren toen zij Nederland inreisden en die minder dan tien jaar in Nederland hebben verbleven, in beginsel niet wordt aangenomen dat er sprake is van verwestersing. -• de leeftijd bij aankomst in Nederland; zo zal van een vreemdeling die minderjarig was bij inreis, in Nederland onderwijs genoten heeft en meerdere van zijn vormende jaren in Nederland heeft doorgebracht eerder kunnen worden aangenomen dat er sprake is van verwestersing. Hierbij wordt tevens het aantal vormende jaren betrokken dat de vreemdeling in Somalië heeft doorgebracht. -• de mate waarin de vreemdeling de Nederlandse taal beheerst. +• de duur van het verblijf van de vreemdeling in Nederland; hierbij geldt als uitgangspunt dat bij vreemdelingen die meerderjarig waren toen zij Nederland inreisden en die minder dan tien jaar in Nederland hebben verbleven, in beginsel niet wordt aangenomen dat er sprake is van verwestersing; +• de leeftijd bij aankomst in Nederland; zo zal van een vreemdeling die minderjarig was bij inreis, in Nederland onderwijs genoten heeft en meerdere van zijn vormende jaren (de leerplichtige periode) in Nederland heeft doorgebracht eerder kunnen worden aangenomen dat er sprake is van verwestersing. Hierbij wordt tevens het aantal vormende jaren betrokken dat de vreemdeling in Somalië heeft doorgebracht; +• de mate waarin de vreemdeling de Nederlandse taal beheerst; • de mate waarin de vreemdeling deelneemt aan de Nederlandse samenleving. -Bovengenoemde uitgangspunten betekenen niet dat een vreemdeling die op volwassen leeftijd naar Nederland is gekomen en minder dan tien jaar in Nederland heeft verbleven nimmer als verwesterd kan worden beschouwd. De vreemdeling zal dan wel zeer specifieke omstandigheden naar voren moeten brengen om aannemelijk te maken dat hij dusdanig verwesterd is dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Zeker bij verblijf in de asielopvang of bij illegaal verblijf is een dergelijke verwestersing niet goed voorstelbaar, omdat het verblijf in die gevallen niet gericht is op integratie. +#### 23.5. Bescherming -Onder vormende jaren wordt met name verstaan de periode van de leerplichtige leeftijd zoals deze in Nederland geldt. +##### 23.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -Tussentijdse terugkeer naar Centraal- en Zuid-Somalië vormt een duidelijke aanwijzing dat er geen sprake is van verwestersing, tenzij de vreemdeling problemen heeft ondervonden bij deze terugkeer. +De IND verlangt van vreemdelingen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Somalië niet dat zij zich tot de (lokale) autoriteiten hebben gewend voor bescherming. -Indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig verwesterd is dat hij bij terugkeer in Somalië een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, komt de vreemdeling, op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Waar het minderjarigen betreft, komen eventuele ouders, behoudens contra-indicaties van openbare orde, eveneens op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. De eventuele overige gezinsleden kunnen, in het geval zij niet zelfstandig in aanmerking komen voor asiel, behoudens contra-indicaties van openbare orde, in aanmerking komen voor een van hun ouders afhankelijke verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f Vw. +De IND acht het voor de volgende categorieën vreemdelingen in ieder geval niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling in Somalië (inclusief Noord-Somalië) mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -Overeenkomstig artikel 44, tweede lid, Vw wordt een vergunning verleend vanaf het moment dat door de vreemdeling aannemelijk is gemaakt dat hij zodanig verwesterd is dat hij bij terugkeer in Somalië een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.‬ +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis. -##### 4.3. Situatie Noord-Somalië +##### 23.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Voor vreemdelingen afkomstig uit Noord-Somalië geldt geen bijzonder beleid. - -#### 5. Traumatabeleid - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Somalië geen bijzonderheden. - -#### 6. Categoriale bescherming - -Asielzoekers uit Somalië komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). - -Gelet op de aanleiding om het beleid te beëindigen, namelijk het beleid van andere Europese landen in combinatie met geconstateerde fraude en misbruik door Somalische asielzoekers en de datum (d.d. 19 mei 2009) dat het voorstel tot beëindiging door de Tweede Kamer is aangenomen, kunnen asielzoekers uit Somalië die een asielaanvraag hebben ingediend vóór 19 mei 2009, ongeacht de datum van besluit, in beginsel in aanmerking komen voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. Asielzoekers uit Somalië die een asielaanvraag hebben ingediend op of na 19 mei 2009 komen niet langer in aanmerking voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. - -De hoofdregel is dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt herbeoordeeld, dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt geweigerd, indien de grond voor verlening is komen te vervallen. Ten aanzien van Somalië wordt vanwege bijzondere omstandigheden van deze hoofdregel afgeweken. Deze bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de hierboven genoemde redenen om het categoriaal beschermingsbeleid te heroverwegen en te beëindigen. - -Bezien in samenhang met de nog immer zorgwekkende situatie in het land van herkomst, vormt vorenstaande een rechtvaardiging voor afwijking van de hoofdregel en aanleiding tot de volgende uitgangspunten. - -In afwijking van het beleid zoals opgenomen in C5/4.6, worden vergunningen voor bepaalde tijd, die reeds aan Somaliërs zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, niet herbeoordeeld op grond van artikel 32, eerste lid onder c, Vw, om de enkele reden dat de grond voor verlening is komen te vervallen. Noch staat de enkele reden dat de grond voor verlening is komen te vervallen verlenging van vergunningen voor bepaalde tijd, die reeds aan Somaliërs zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in de weg. - -Evenmin wordt deze grond tegengeworpen bij het beoordelen van aanvragen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. - -Gezien de bovenbeschreven omstandigheden geldt als beleidsregel dat herbeoordeling van de vergunningen voor bepaalde tijd, die reeds aan Somaliërs zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, dan wel afwijzen van aanvragen voor vergunningen voor onbepaalde tijd, is gerechtvaardigd in de gevallen waarbij: - -a. sprake is van een andere intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 32 Vw; of -b. blijkt dat sprake was van fraude en misbruik in het kader van de toelatingsprocedure, zoals vingermutilatie; of -c. blijkt dat de hoofdpersoon misbruik maakt van het beleid om (gestelde) gezinsleden te laten overkomen. - -Het enkele feit dat sprake is van fraude of misbruik is voldoende om de vergunning op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw in te trekken, dus ook indien er alsnog geen sprake is van eerder verblijf in een ander land. - -Misbruik in het kader van nareis in relatie tot de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor Centraal- en Zuid-Somalië biedt grond om de vergunning, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, van de hoofdpersoon in te trekken op grond van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw. - -Voorts zullen de betreffende (gestelde) gezinsleden niet worden toegelaten op grond van het nareisbeleid. Voor minderjarige kinderen die reeds in Nederland zijn is het gestelde in C2/6.1 en B14/2 van toepassing. - -In alle Somalische zaken is het gebruikelijke openbare ordebeleid zoals neergelegd in B1/4.4 van toepassing. - -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten - -##### 7.1. Bescherming autoriteiten - -Voor Centraal- en Zuid-Somalië geldt dat de (lokale) autoriteiten in beginsel niet in staat zijn om bescherming aan de bevolking te bieden. Van asielzoekers uit deze gebieden wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. - -##### 7.2. Vlucht- en/of vestigingsalternatief - -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3 is van toepassing. - -Ten aanzien van Somalië wordt aangenomen dat indien er sprake is van een gegronde individuele, persoonlijke vrees, er in beginsel geen sprake is van een binnenlands vlucht- en/of vestigingsalternatief, tenzij de individuele vreemdeling onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden tenminste zes maanden heeft verbleven in: +In Somalië is geen sprake van een binnenlands vlucht- en of/vestigingsalternatief, tenzij de vreemdeling onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden tenminste zes maanden voorafgaand aan zijn vertrek heeft verbleven in: • Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo), in de periode vanaf 1991; • Somaliland, in de periode vanaf 1997; • Sool; of • Sanaag. -Hierbij geldt als verdere voorwaarde dat de vreemdeling in het desbetreffende gebied bescherming van de zijde van zijn clan kan krijgen. +Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich in het desbetreffende gebied onder de bescherming van zijn clan kan stellen. -Een verblijf in een ontheemdennederzetting wordt niet aangemerkt als verblijf onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden. +Uitzonderingen voor wie geen vestigingsalternatief geldt in Somalië (inclusief Noord-Somalië) zijn in ieder geval: -##### 7.3. Veilig land van herkomst +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis. -Somalië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +#### 23.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -##### 7.4. Veilig derde land / land van eerder verblijf +##### 23.6.1. Traumatabeleid -Somalië wordt niet beschouwd als een veilig derde land. +Geen bijzonderheden. -##### 7.5. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +##### 23.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +Geen bijzonderheden. -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s +##### 23.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Ten aanzien van Amv’s uit Somalië kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +Ten aanzien van Somalië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -### [25]. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka +#### 23.7. Categoriale bescherming in de zin van -#### 1. Achtergrond +Vreemdelingen uit Somalië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Sri Lanka. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C22 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, indien: -De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van oktober 2011 over de situatie in Sri Lanka (zie de website van het Ministerie van BuZa). +• de vreemdeling de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend vóór 19 mei 2009; +• de vreemdeling vóór 19 mei 2009 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -#### 2. Besluitmoratorium +Herbeoordeling van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw vindt plaats, indien tenminste één van de volgende situaties zich voordoet: -Ten aanzien van asielzoekers uit Sri Lanka geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +a. er is sprake van een intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 32 Vw; +b. er is sprake van fraude en misbruik tijdens de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zoals vingermutilatie; +c. er is gebleken dat de hoofdpersoon misbruik maakt van het beleid om (gestelde) gezinsleden te laten overkomen. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +In deze gevallen wijst de IND ook de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. -##### 3.1. Tamils +De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, wordt niet herbeoordeeld om de enkele reden dat de verleningsgrond is komen te vervallen. -Het EHRM bevestigt in haar uitspraak van 20 januari 2011 (N.S. t. Denemarken (nr.58359/08) haar conclusie van haar uitspraak van 17 juli 2008 (nr.25904/07) NA t. Verenigd Koninkrijk) dat er voor Tamils die naar Sri Lanka terugkeren geen algemeen risico is voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Indien er serieuze redenen zijn om aan te nemen dat de Sri Lankaanse autoriteiten dusdanige belangstelling hebben voor een Tamil dat deze bij terugkeer wordt gearresteerd of ondervraagd, kan er wel sprake zijn van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Het EHRM benoemt in bovengenoemde uitspraken een aantal risicofactoren dat voor een Tamil het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Sri Lanka kan vergroten. De beoordeling van de aannemelijkheid van het risico voor Tamils die naar Sri Lanka terugkeren dient mede op grond van de aanwezigheid van deze risicofactoren te worden beoordeeld. De genoemde risicofactoren vormen geen checklist en zijn niet uitputtend bedoeld. Iedere genoemde individuele risicofactor hoeft op zich geen aanleiding te geven om er van uit te gaan dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Colombo; zij kunnen dit wel cumulatief zijn in combinatie met enkele andere risicofactoren. Zij dienen in onderling samenhang te worden bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka. +De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, wordt niet afgewezen om de enkele reden dat de verleningsgrond is komen te vervallen. -De door het Hof benoemde risicofactoren zijn de volgende: +#### 23.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -• betrokkene is bij de autoriteiten bekend als LTTE lid of wordt verdacht van deelname aan activiteiten voor de LTTE; -• betrokkene heeft een strafblad of er is een arrestatiebevel uitgevaardigd ten aanzien van betrokkene; -• betrokkene is uit de gevangenis ontsnapt, dan wel op borgtocht vrijgelaten; -• betrokkene heeft een bekentenis of soortgelijke verklaring ondertekend; -• betrokkene is gevraagd om informant te worden; -• betrokkene heeft littekens; -• betrokkene keert terug uit Londen of een andere stad waar fondsen worden geworven voor de LTTE; -• betrokkene heeft Sri Lanka op illegale wijze verlaten; betrokkene is niet in het bezit is van identiteitspapieren; -• de Sri Lankaanse autoriteiten zijn ervan op de hoogte dat hij of zij een asielaanvraag heeft ingediend in het buitenland; en -• betrokkene heeft familieleden die actief zijn voor de LTTE en de autoriteiten zijn hiervan op de hoogte. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -##### 3.2. Vrouwen +Daarbij geldt voor Somalië in ieder geval dat: -Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/3.3 is van toepassing. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat seksueel geweld door de autoriteiten en huiselijk geweld tegen vrouwen zich onverminderd voordoet. Verkrachting en ontvoering van vrouwen door het leger en de politie komen geregeld voor. Met name alleenstaande vrouwen of vrouwen van wie de echtgenoot is gedetineerd of verdwenen lopen een groot risico slachtoffer van seksueel geweld te worden. De daders worden nauwelijks bestraft. Het Bureau for the Protection of Women and Children van de politie is in de praktijk niet voldoende effectief in het geval een vrouw aangifte wil doen. De politie en rechterlijke macht blijken bovendien bevooroordeeld en veroordelend bij klachten met betrekking tot seksueel geweld. Vrouwen zoeken daarom primair bescherming bij de familie om zich aan het geweld te onttrekken maar opvang door familie biedt in veel gevallen onvoldoende bescherming. +#### 23.9. Vertrekmoratorium -Vrouwen en meisjes die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in Sri Lanka, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming. +Ten aanzien van Somalië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 3.3. Dienstplichtigen en deserteurs +#### 23.10. Bijzonderheden -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +Geen bijzonderheden. -In Sri Lanka bestaat geen dienstplicht. Het Sri Lankaanse leger is een vrijwilligersleger. Wel moeten degenen die zich als militairen aanmelden op grond van de wet het leger minimaal vijf jaar dienen. Wegens gebrek aan vrijwilligers voor het leger wordt desertie echter gering bestraft. Het enkele feit dat een vreemdeling is gedeserteerd en hiervoor bestraffing te duchten heeft, is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. +### 24. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka -Ten aanzien van Sri Lanka heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. +#### 24.1. Besluitmoratorium -##### 3.4. Homoseksuelen +Ten aanzien van Sri Lanka geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.10.2 is van toepassing. +#### 24.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Seksuele activiteiten tussen personen van hetzelfde geslacht zijn in Sri Lanka verboden. Er staat een maximum gevangenisstraf op van tien jaar. De autoriteiten voeren geen actief vervolgingsbeleid tegen homoseksuelen. Vanwege de strafbaarstelling die discriminerend en stigmatiserend werkt, bevinden homoseksuelen zich in een kwetsbare positie. Bij mishandeling of discriminatie is men bang aangifte te doen bij de politie. +Geen bijzonderheden. -Indien de vreemdeling zich erop beroept dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag vanwege zijn homoseksualiteit, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming. +#### 24.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -#### 4. Traumatabeleid +##### 24.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Sri Lanka geen bijzonderheden. +De IND beschouwt Sri Lanka niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -#### 5. Categoriale bescherming +##### 24.3.2. Risicogroepen in de zin van -Asielzoekers uit Sri Lanka komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +De IND heeft met betrekking tot Sri Lanka geen risicogroepen aangewezen. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +#### 24.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +##### 24.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.3 is van toepassing. +In Sri Lanka is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 6.2. Veilig land van herkomst +##### 24.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -Sri Lanka wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +In Sri Lanka is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +##### 24.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -Sri Lanka wordt niet beschouwd als veilig derde land. +De IND heeft met betrekking tot Sri Lanka geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +##### 24.4.4. Tamils -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +De IND beoordeelt een verzoek om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw van Srilankaanse Tamils mede aan de hand van de door het Europese Hof van de Rechten van de Mens benoemde risicofactoren. De genoemde risicofactoren vormen geen checklisten en zijn niet uitputtend bedoeld. Iedere genoemde individuele risicofactor hoeft op zich geen aanleiding te geven om er van uit te gaan dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Colombo. Zij kunnen dit wel cumulatief zijn in combinatie met enkele andere risicofactoren. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +De door het Europese Hof van de Rechten van de Mens, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka, zijn: -Ten aanzien van Amv’s uit Sri Lanka kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +• de vreemdeling is bij de Srilankaanse autoriteiten bekend als lid van de LTTE of wordt verdacht van deelname aan activiteiten voor de LTTE; +• de vreemdeling heeft een strafblad of er is een arrestatiebevel uitgevaardigd ten name van de vreemdeling; +• de vreemdeling si uit de gevangenis ontsnapt of op borgtocht vrijgelaten; +• de vreemdeling heeft een bekentenis of een soortgelijke verklaring ondertekend; +• de vreemdeling is door de Srilankaanse autoriteiten gevraagd om informant te worden; +• de vreemdeling heeft littekens; +• de vreemdeling moet naar Sri Lanka terugkeren vanuit Londen of een andere stad waar fondsen worden geworven voor de LTTE; +• de vreemdeling heeft Sri Lanka op illegale wijze verlaten; +• de vreemdeling is niet in het bezit van een identiteitsbewijs; +• de Srilankaanse autoriteiten zijn ervan op de hoogte geraakt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend in het buitenland; +• familieleden van de vreemdeling zijn actief voor de LTTE en de Srilankaanse autoriteiten zijn hiervan op de hoogte. -#### 8. Vertrekmoratorium +#### 24.5. Bescherming -Ten aanzien van asielzoekers uit Sri Lanka geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +##### 24.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -### [25a]. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië +De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties: -#### 1. Achtergrond +• homoseksuelen; en +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Syrië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C22 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Syrië (zie de website van de Rijksoverheid). +##### 24.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -#### 2. Besluitmoratorium +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van asielaanvragen van vreemdelingen afkomstig uit Syrië geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +#### 24.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +##### 24.6.1. Traumatabeleid -##### 3.1. Personen die geen actieve aanhanger zijn van het regime +Geen bijzonderheden. -Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken en andere openbare bronnen blijkt dat er sprake is van grootschalige en ernstige mensenrechtenschendingen tegen burgers door de Syrische autoriteiten. Als gevolg van deze situatie wordt aannemelijk geacht dat personen uit Syrië die vanuit het buitenland terugkeren bij of na inreis een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3EVRM. - Indien geen sprake is van contra-indicaties die het verlenen van een vergunning in de weg staan, komt een asielzoeker uit Syrië die geen actieve aanhanger van het regime is, en die niet in aanmerking komt voor bescherming als verdragsvluchteling, in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid onder b Vw. - -20121748624-08-201221-08-2012WBV2012/2020121748624-08-201221-08-2012WBV2012/2025-08-2012 +##### 24.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -##### 3.2. Actieve aanhangers van het regime +Geen bijzonderheden. -Voor asielzoekers uit Syrië die verklaren, of waarvan bekend is, dat zij het regime van president Bashar Al-Assad actief steunen, wordt bovengenoemd risico in beginsel niet aangenomen en geldt het gebruikelijke toetsingskader. +##### 24.6.3. Specifieke groepen in de zin van -#### 4. Verdere conclusies en beleidsaandachtspunten +Ten aanzien van Sri Lanka zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -##### 4.1. Bescherming autoriteiten +#### 24.7. Categoriale bescherming in de zin van -Voor Syrische asielzoekers die vrezen voor vervolging door niet-overheidsactoren of voor actieve aanhangers van het regime die vrezen voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM geldt het algemene beleid zoals weergegeven in C4/2.2. +Vreemdelingen uit Sri Lanka komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -##### 4.2. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +#### 24.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Gezien de slechte veiligheidssituatie is geen sprake van een vlucht- en of/vestigingsalternatief in Syrië. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -##### 4.3. Veilig land van herkomst +Voor Sri Lanka geldt in ieder geval dat: -Syrië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -##### 4.4. Veilig derde land/land van eerder verblijf +#### 24.9. Vertrekmoratorium -Syrië wordt niet beschouwd als veilig derde land. +Ten aanzien van Sri Lanka geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -##### 4.5. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +#### 24.10. Bijzonderheden -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C10/1. +Geen bijzonderheden. -#### 5. Vertrekmoratorium +### 25. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan -Ten aanzien van asielzoekers uit Syrië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +#### 25.1. Besluitmoratorium -### [26]. Het asielbeleid ten aanzien van Turkije +Ten aanzien van Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -#### 1. Achtergrond +#### 25.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Turkije. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +Geen bijzonderheden. -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Turkije. +#### 25.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -#### 2. Besluitmoratorium +##### 25.3.1. Groepsvervolging in de zin van -Ten aanzien van asielzoekers uit Turkije geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +De IND beschouwt Sudan niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +##### 25.3.2. Risicogroepen in de zin van -##### 3.1. Personen die zich inzetten voor de Koerdische zaak +De IND heeft met betrekking tot Sudan uitsluitend de volgende risicogroepen aangewezen: -Turkse Koerden en anderen die zich door met name politieke, journalistieke of intellectuele activiteiten inzetten voor de Koerdische zaak, kunnen in dit verband in de bijzondere belangstelling staan van de autoriteiten. Het enkele behoren tot deze groep is evenwel geen reden om vervolging aan te nemen. +• vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur); +• vreemdelingen behorend tot de bevolkingsgroep van de Nuba; +• vreemdeling, die (vermeend) aanhanger is van SPLM/Noord in Sudan. -Indien een vreemdeling zich hierop beroept, mag van hem worden verlangd dat hij zijn activiteiten aannemelijk maakt aan de hand van verwijzing naar te verifiëren bronnen, of door overlegging van publicaties en dergelijke. Het zal immers veelal gaan om personen die bijvoorbeeld bepaalde publicaties hebben uitgebracht. +#### 25.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -Indien de asielzoeker aannemelijk maakt dat de daden van de autoriteiten jegens zijn persoon zijn te herleiden tot de gronden van het Vluchtelingenverdrag, kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. +##### 25.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -##### 3.2. Dienstplichtigen en deserteurs +In Sudan is sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM voor: -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +• Vreemdelingen afkomstig uit Noord- en Zuid-Darfur; +• Vreemdelingen afkomstig uit Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile. -In Turkije geldt een dienstplicht voor mannen. Turken in het buitenland worden ook opgeroepen voor vervulling van de dienstplicht. Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van problemen op grond van dienstplichtontduiking, dienstweigering of desertie, dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid tot vrijstelling en afkoop van de dienstplicht. Voor zover bekend voeren de Turkse autoriteiten geen actief opsporingsbeleid ten aanzien van dienstweigeraars. Duizenden in Turkije woonachtige mannen met de Turkse nationaliteit ontduiken de dienstplicht. Het grootste deel van hen wordt niet alsnog gedwongen naar de medische keuring gebracht en tegen hen wordt over het algemeen geen strafprocedure gestart. +De uitzonderlijke situatie van artikel 15c van richtlijn 2004/83 EG is niet gerelateerd aan individuele vrees. -#### 4. Traumatabeleid +Een vreemdeling afkomstig uit Noord en Zuid-Darfur en uit Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile kan een vestigingsalternatief in een ander deel van Sudan hebben, wanneer de dreiging waaraan de vreemdeling wordt blootgesteld niet op de vreemdeling is gericht, maar uitsluitend een gevolg is van extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2004/83 EG. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Turkije geen bijzonderheden. +Dit vestigingsalternatief geldt niet voor de vreemdeling, die: -#### 5. Categoriale bescherming +• behoort tot de niet-Arabische bevolkingsgroep uit Noord- en Zuid-Darfur; +• behoort tot de bevolkingsgroep van de Nuba; +• (vermeend) aanhanger is van SPLM/Noord in Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile. -Asielzoekers uit Turkije komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +Uitzondering hierop is de situatie dat de vreemdeling tenminste zes maanden zonder problemen heeft verbleven in de gebieden waar geen sprake is van een uitzonderlijke situatie. -#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +##### 25.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +In Sudan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +##### 25.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -##### 6.2. Veilig land van herkomst +De IND beschouwt uitsluitend als kwetsbare minderheidsgroep: -Turkije wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +• vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur); +• vreemdelingen behorend tot de bevolkingsgroep van de Nuba. -##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +#### 25.5. Bescherming -Turkije wordt niet beschouwd als veilig derde land. +##### 25.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +De autoriteiten en/of internationale organisaties in Sudan bieden in ieder geval geen bescherming aan de volgende categorieën vreemdelingen: -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor geweldpleging; +• vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis; +• vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur); +• vreemdelingen behorend tot de bevolkingsgroep van de Nuba; +• vreemdeling, die (vermeend) aanhanger is van SPLM/Noord in Sudan. -##### 6.5. Verlies van het Turkse staatsburgerschap +##### 25.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -Verlies van het Turks staatsburgerschap bij besluit van de bevoegde autoriteiten kan plaatsvinden door het doen van afstand van, ontneming van of vervallenverklaring van de toelating tot het Turks staatsburgerschap. Indien een Turkse asielzoeker zich beroept op het feit dat zijn staatsburgerschap hem is ontnomen, is het volgende van belang. +De IND werpt een vlucht- of vestigingsalternatief niet tegen, behoudens de situatie als vermeld in paragraaf C7/25.4.1 Vc. -Alle beslissingen betreffende verkrijging en verlies van het Turkse staatsburgerschap worden in de *Resmi Gazete* (de Staatscourant) gepubliceerd met vermelding van de volledige personalia. Van de vreemdeling wordt derhalve verlangd dat hij het gestelde verlies van het staatsburgerschap aan de hand van deze Staatscourant aantoont. +#### 25.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -Verder bestaat er in Turkije de mogelijkheid een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang te doorlopen, teneinde een verloren nationaliteit te herkrijgen. Van de vreemdeling wordt daarom verlangd dat hij gebruik heeft gemaakt van deze beroepsgang. +##### 25.6.1. Traumatabeleid -Indien het verlies van staatsburgerschap geen verband houdt met één van de gronden van het Verdrag, wordt dit verlies de vreemdeling zelf aangerekend, als consequentie van zijn eigen keuze. Verder is van belang dat indien is aangetoond dat de vreemdeling zijn nationaliteit heeft verloren dit evenmin per definitie een schending van artikel 3 EVRM inhoudt. Het is namelijk niet onwaarschijnlijk dat een staatloze in zijn algemeenheid in een land kan verblijven zonder noemenswaardige hinder te ondervinden van zijn staatloosheid. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat door zijn nationaliteitsverlies tevens zijn bestaan in Turkije onhoudbaar is geworden kan hij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw +Geen bijzonderheden. -in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +##### 25.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard -##### 6.6. Algehele veiligheidssituatie +Geen bijzonderheden. -Uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in sommige landelijke gebieden in Zuidoost-Turkije in de verslagperiode verslechterd was als gevolg van voortdurende confrontaties tussen de PKK en de Turkse strijdkrachten. +##### 25.6.3. Specifieke groepen in de zin van -Bovenstaande informatie vormt evenwel geen aanleiding om te concluderen dat in Zuidoost- Turkije sprake is van een dusdanige situatie van ernstig geweld dat een burger die terugkeert naar dit gebied, enkel vanwege zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. +Ten aanzien van Sudan zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. -#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s +#### 25.7. Categoriale bescherming in de zin van -Minderjarigen hebben in de regel opvangmogelijkheden binnen hun familie. Daarnaast bestaan er opvanghuizen van de (centrale) overheid waar minderjarigen terecht kunnen als er capaciteit is. Echter, deze opvangmogelijkheden zijn minimaal, overvol en beperkt tot de grote steden in het westen van het land. Inmiddels werkt de overheid aan kleinere opvanghuizen. +Vreemdelingen uit Sudan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. -Bij terugkeer in Turkije van alleenstaande minderjarige asielzoekers na een verblijf in het buitenland wordt allereerst nagegaan of de minderjarige daadwerkelijk geen familie meer heeft. Is dit het geval, dan wordt de minderjarige begeleid door een maatschappelijk werker en neemt de Turkse overheid de verantwoordelijkheid voor de minderjarige op zich. Er zijn een aantal NGO’s die hulp bieden bij de opvang en begeleiding van specifieke zwakkere groepen minderjarigen (al dan niet alleenstaand). +#### 25.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen -Voor Amv’s is er derhalve adequate opvang in Turkije voorhanden. Minderjarige asielzoekers van Turkse nationaliteit komen daarom niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven. +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. -#### 8. Vertrekmoratorium +Daarbij geldt voor Sudan in ieder geval dat: -Ten aanzien van asielzoekers uit Turkije geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. -### [27]. Het asielbeleid ten aanzien van Vietnam +#### 25.9. Vertrekmoratorium -#### 1. Datum +Ten aanzien van Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. -Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt. +#### 25.10. Bijzonderheden -#### 2. Achtergrond +Geen bijzonderheden. -Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Vietnam. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. +### 26. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië -De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 22 januari 2003 over de situatie van alleenstaande minderjarigen in Vietnam. +#### 26.1. Besluitmoratorium -#### 3. Besluitmoratorium +Ten aanzien van Syrië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. -Ten aanzien van asielzoekers uit Vietnam geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw. +#### 26.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag -#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen +Geen bijzonderheden. -##### 4.1. Vrouwen +#### 26.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag -Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing. +##### 26.3.1. Groepsvervolging in de zin van -##### 4.2. Dienstplichtigen en deserteurs +De IND beschouwt Syrië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. -Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing. +##### 26.3.2. Risicogroepen in de zin van -#### 5. Traumatabeleid +De IND heeft met betrekking tot Syrië geen risicogroepen aangewezen. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Sri Lanka geen bijzonderheden. +#### 26.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM -#### 6. Categoriale bescherming +##### 26.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van -Asielzoekers uit Vietnam komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). +In Syrië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten +##### 26.4.2. Systematische blootstelling in de zin van -##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief +In Syrië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. -Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing. +##### 26.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van -##### 7.2. Veilig land van herkomst +De IND heeft met betrekking tot Syrië geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. -Vietnam wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst. +##### 26.4.4. Vreemdelingen die geen actieve aanhanger zijn van het regime -##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf +De IND acht het aannemelijk dat vreemdelingen uit Syrië die vanuit het buitenland terugkeren, bij of na inreis een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Een vreemdeling uit Syrië komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw, indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden: -Vietnam wordt niet beschouwd als veilig derde land. +• de vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw; +• de vreemdeling is geen actieve aanhanger van het regime; +• er is geen sprake van de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc die het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de weg staan. -##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag +#### 26.5. Bescherming -Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1. +##### 26.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van -#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s +Geen bijzonderheden. -Voor Amv’s is adequate opvang in Vietnam voorhanden. Amv’s van Vietnamese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Voorts blijkt dat er duidelijkheid bestaat over de ontvangst van de minderjarige in Vietnam door de autoriteiten aldaar. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat bij de feitelijke terugkeer de toegang tot een concrete opvangplaats niet door de Nederlandse autoriteiten geregeld behoeft te worden. +##### 26.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van -De Vietnamese overheid voert een actief beleid om de opvang en integratie tussen verschillende generaties te bevorderen. Gegeven de sociale structuur van de Vietnamese samenleving is het in het algemeen aannemelijk dat alleenstaande minderjarigen worden opgevangen door familieleden in brede zin. Conform de Vietnamese wetgeving zijn bij het overlijden van de ouders overige meerderjarige familieleden in eerste instantie verantwoordelijk voor de opvang van minderjarigen. +Geen bijzonderheden. -Indien dit niet mogelijk is, kunnen zij in sociaal-maatschappelijke opvanginstellingen worden opgevangen. Deze instellingen, zowel op lokaal als op hoger niveau, vallen onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Arbeid, Invaliden en Sociale Zaken. Dit Ministerie is in eerste instantie verantwoordelijk voor de zorg van alleenstaande minderjarigen die niet bij familie kunnen worden opgevangen. Het functioneren van de opvanginstellingen en de verantwoordelijkheden zijn in wettelijke voorschriften neergelegd. De (individuele) voogdijregeling is gebaseerd op het Vietnamees Burgerlijk Wetboek. De praktijk inzake opvang komt met de wet- en regelgeving overeen. Daarnaast zijn ook diverse (internationale) NGO's betrokken bij de opvang van alleenstaande minderjarigen. +#### 26.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van -De situatie en leefomstandigheden in de opvanginstellingen wijken over het algemeen niet af van de algemene leefomstandigheden in Vietnam. Alle noodzakelijke voorzieningen zijn in de instellingen aanwezig. De minderjarigen ontvangen onderwijs en worden voorbereid op een zelfstandig bestaan bij het bereiken van het achttiende levensjaar. +##### 26.6.1. Traumatabeleid -#### 9. Vertrekmoratorium +Geen bijzonderheden. -Ten aanzien van asielzoekers uit Vietnam geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. +##### 26.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard + +Geen bijzonderheden. + +##### 26.6.3. Specifieke groepen in de zin van + +Ten aanzien van Syrië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. + +#### 26.7. Categoriale bescherming in de zin van + +Vreemdelingen uit Syrië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. + +#### 26.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen + +De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc. + +Voor Syrië geldt dat: + +• algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en +• de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang. + +#### 26.9. Vertrekmoratorium + +Ten aanzien van Syrië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. + +#### 26.10. Bijzonderheden + +Geen bijzonderheden. + +### 27. Het beleid ten aanzien van Turkije + +#### 27.1. Besluitmoratorium + +Ten aanzien van Turkije geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw. + +#### 27.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag + +Geen bijzonderheden. + +#### 27.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag + +##### 27.3.1. Groepsvervolging in de zin van + +De IND beschouwt Turkije niet als land waarin sprake is van groepsvervolging. + +##### 27.3.2. Risicogroepen in de zin van + +De IND heeft met betrekking tot Turkije geen risicogroepen aangewezen. + +##### 27.3.3. Vervolging vanwege dienstweigering of desertie + +Het algemene beleid, in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc is van toepassing. + +De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als: + +• de vreemdeling zijn dienstplicht heeft afgekocht; +• de vreemdeling vrijgesteld is van zijn dienstplicht. + +#### 27.4. Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM + +##### 27.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van + +In Turkije is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM. + +##### 27.4.2. Systematische blootstelling in de zin van + +Niet van toepassing. + +##### 27.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van + +De IND heeft met betrekking tot Turkije geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. + +#### 27.5. Bescherming + +##### 27.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van + +Geen bijzonderheden. + +##### 27.5.2. Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van + +Geen bijzonderheden. + +#### 27.6. Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van + +##### 27.6.1. Traumatabeleid + +Geen bijzonderheden. + +##### 27.6.2. Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard + +Geen bijzonderheden. + +##### 27.6.3. Specifieke groepen in de zin van + +Ten aanzien van Turkije zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc. + +#### 27.7. Categoriale bescherming in de zin van + +Vreemdelingen uit Turkije komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. + +#### 27.8. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen + +In Turkije is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc. + +#### 27.9. Vertrekmoratorium + +Ten aanzien van Turkije geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw. + +#### 27.10. Bijzonderheden + +Geen bijzonderheden.