2010-10-01 | BWBR0022929 | Besluit bodemkwaliteit

This commit is contained in:
Coornhert 2010-10-01 12:00:00 +00:00
parent bc413777e9
commit f226cddc5b

View file

@ -95,7 +95,7 @@ Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7
**1.** Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam.
**2.** Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag, tenzij er sprake is van een toepassing als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet.
**2.** Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag.
**3.** De beheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast in een oppervlaktewaterlichaam.
@ -105,7 +105,7 @@ Dit besluit berust mede op de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7
**1.** Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, wordt toegepast, het bevoegd gezag.
**2.** Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.
**2.** Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.
**3.** De beheerder is het bevoegd gezag voor degene die grond of baggerspecie toepast in een oppervlaktewaterlichaam.
@ -147,7 +147,7 @@ c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing i
**3.**
Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken van de bepalingen in dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.
Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken van de bepalingen in dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister respectievelijk de Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.
@ -288,7 +288,7 @@ Een certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een schorsing of
**1.** Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een beschikking, die bij of krachtens wettelijke voorschriften wordt gegeven, niet in behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd die afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.
**2.** De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.1, 8.4 en 8.49 van de Wet milieubeheer, en de artikelen 29, eerste lid, en 39, tweede lid, 39b, 39c, tweede lid, 39d, derde lid, en 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming.
**2.** De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en 8.49 van de Wet milieubeheer, en de artikelen 29, eerste lid, en 39, tweede lid, 39b, 39c, tweede lid, 39d, derde lid, en 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming.
### Artikel 22