2024-01-01 | BWBR0046981 | Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022

This commit is contained in:
Coornhert 2024-01-01 12:00:00 +00:00
parent d0d7230183
commit f23c099a20

View file

@ -1026,10 +1026,8 @@ b. het kalenderjaar waarin de verkoop plaatsvond, indien artikel 3.7, tweede lid
### Artikel 4.1
**1.** Het bepaalde in de artikelen 4.1 tot en met
4.8 is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van
immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106
BW.
**1.** Het bepaalde in de artikelen 4.1 tot en met 4.8 is uitsluitend van toepassing op aanvragen
tot vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 BW.
**2.** Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade in
beginsel aan de hand van de gestandaardiseerde methode die is beschreven in de
@ -1112,7 +1110,7 @@ Voor wat betreft de locatie van de woning(en) van de aanvrager maakt het Institu
| Gebied | Aanwijzing persoonsaantasting | |
| --- | --- | --- |
| Het effectgebied als bedoeld in artikel 4.2, niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het effectgebied als bedoeld in artikel 4.2, niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
@ -1213,10 +1211,9 @@ Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke scha
**1.**
Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een
persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3
tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de intensiteit van de
aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het Instituut de volgende (mate
van) persoonsaantasting aannemelijk:
persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de
intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het
Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Persoonsaantasting | Vergoeding | |
| --- | --- | --- | --- |
@ -1225,10 +1222,9 @@ Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een
| 7 t/m 9 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 10 t/m 14 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
**2.** Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het
Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van
persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding
toe.
**2.** Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het
bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel
genoemde schadevergoeding toe.
### Artikel 4.8
@ -1286,6 +1282,340 @@ Indien de aanvrager de persoonlijke impact analyse, bedoeld in het eerste lid,
persoonsaantasting, de in het vierde lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding
toe.
### Paragraaf 4.1. Algemene bepalingen
### Artikel 4.1
**1.** Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op aanvragen tot vergoeding van
immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 Burgerlijk
Wetboek.
**2.** Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een
natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig is,
wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de artikelen 4.1a tot en met 4.8.
**3.** Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een
natuurlijk persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag minderjarig is, als
bedoeld in artikel 1:233 Burgerlijk
Wetboek, wordt behandeld met toepassing van het bepaalde in de artikelen 4.9 tot en met 4.11.
### Paragraaf 4.2. Immateriële schade van meerderjarige natuurlijke
personen
### Artikel 4.1a
**1.** Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade aan
de hand van de gestandaardiseerde methode, zoals beschreven in deze
paragraaf.
**2.** In afwijking van het eerste lid, beoordeelt het Instituut een aanvraag aan de
hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in zijn
aanvraag of anderszins voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag stelt dat een
correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot
onvoldoende schadevergoeding zou leiden.
**3.** In het geval, bedoeld in het tweede lid, stelt het Instituut de aanvrager
schriftelijk of mondeling in de gelegenheid, om de feiten en omstandigheden te
stellen en aannemelijk te maken die onderbouwen dat hij recht heeft op vergoeding
van immateriële schade. Het Instituut zal deze aanvraag vervolgens individueel
beoordelen.
### Artikel 4.2
**1.** Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die
op de dag van ontvangst van de aanvraag meerderjarig zijn en die in de periode
vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag op enig moment
woonachtig zijn geweest in het effectgebied waar het bewijsvermoeden van
toepassing is (geweest), of ten aanzien van wier woning(en) gelegen binnen dat
effectgebied ten tijde van de bewoning een vergoeding is toegekend vanwege fysieke
schade die het gevolg is van bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie
van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of
als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
**2.**
Het Instituut beziet de volgende feiten en omstandigheden met betrekking tot de
adressen waarop de aanvrager blijkens de Basisregistratie Personen (BRP)
woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het
doen van de aanvraag, om de nadelige gevolgen van bodembeweging door
mijnbouwactiviteiten op de aanvrager in te schatten:
a. de locatie van de woning(en) van de aanvrager;
b. de veiligheidssituatie ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager;
c. de omvang van de fysieke schade aan woning(en) van de aanvrager, tot
uitdrukking komend in de hoogte van de daarvoor toegekende
schadevergoeding;
d. de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de aanvraag tot vergoeding
van de fysieke schade aan de woning(en) van de aanvrager.
**3.** De feiten en omstandigheden genoemd in het tweede lid kunnen een aanwijzing
vormen voor het bestaan van een persoonsaantasting. Aan de hand van de combinatie
en het gewicht van deze aanwijzingen bepaalt het Instituut of het een
persoonsaantasting aannemelijk acht en, zo ja, welke mate van persoonsaantasting
aannemelijk is en welke schadevergoeding daarvoor moet worden toegekend.
### Artikel 4.3
**1.**
Voor wat betreft de locatie van de woning(en) van de aanvrager maakt het
Instituut onderscheid tussen de volgende situaties en de daarbij behorende
aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Gebied | Aanwijzing persoonsaantasting | |
| --- | --- | --- |
| Het effectgebied als bedoeld in artikel 4.2, niet zijnde een van de hierna bedoelde gebieden. | 0 | Geen aanwijzing |
| Het gebied waarbinnen op grond van de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment tot 10% waardedaling is opgetreden. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Het gebied waar ingevolge de adviezen van de Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de in artikel 3.3 bedoelde peildatum op enig moment minimaal 10% waardedaling is opgetreden. | 2 | Aanwijzing |
**2.** Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het
doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de
locatie die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt
bepalend.
### Artikel 4.4
**1.**
Voor wat betreft de veiligheidssituatie van de woning(en) van de aanvrager
onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende
aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Situatie | Aanwijzing persoonsaantasting | |
| --- | --- | --- |
| Geen sprake van een objectieve indicator voor onveiligheid in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 0 | Geen aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager maakt naar weten van de aanvrager onderdeel uit of heeft onderdeel uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de Nationaal Coördinator Groningen in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 1 | Lichte aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 2 | Aanwijzing |
| Ten aanzien van de woning(en) van de aanvrager is door het bevoegd gezag een acuut onveilige situatie door mijnbouwschade vastgesteld in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was. | 3 | Sterke aanwijzing |
| De woning(en) van de aanvrager konden naar het oordeel van het bevoegd gezag tijdelijk niet meer bewoond worden of zijn door het bevoegd gezag onbewoonbaar verklaard in de periode dat de aanvrager op dit adres c.q. deze adressen woonachtig was, als gevolg van een door het bevoegd gezag vastgestelde acuut onveilige situatie door mijnbouwschade dan wel als gevolg van de noodzaak tot het treffen van versterkingsmaatregelen. | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
**2.** Indien de aanvrager in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot het moment van het
doen van de aanvraag op verschillende adressen woonachtig is geweest, is de
omstandigheid die de sterkste aanwijzing voor een persoonsaantasting vormt
bepalend.
### Artikel 4.5
**1.**
Voor wat betreft de omvang van de fysieke schade aan de woning(en) betrekt het
Instituut de som van alle uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade op de
adressen waarop de aanvrager op enig moment gedurende de procedure tot afhandeling
van die fysieke schade woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de
volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een
persoonsaantasting:
| Som vergoedingen fysieke schade | Aanwijzing persoonsaantasting | |
| --- | --- | --- |
| *€ 0 tot € 1.000* | 0 | Geen aanwijzing |
| *€ 1.000 tot € 10.001* | 1 | Lichte aanwijzing |
| *€ 10.001 tot € 25.000* | 2 | Aanwijzing |
| *€ 25.000 tot € 45.000* | 3 | Sterke aanwijzing |
| *€ 45.000 of meer* | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
**2.** Indien de aanvrager geen eigenaar was van de woning op het adres waarop de
procedure tot afhandeling van fysieke schade als bedoeld in het eerste lid
betrekking heeft, wordt de vergoeding voor fysieke schade voor 50% betrokken in de
som van uitgekeerde vergoedingen voor fysieke schade.
**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het
tweede lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
### Artikel 4.6
**1.**
Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke
schade betrekt het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures
tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de
aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was en ten aanzien waarvan
de aanvrager eigenaar was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf
situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
| Som afhandelingsduur | Aanwijzing persoonsaantasting | |
| --- | --- | --- |
| 0 tot 2 jaar | 0 | Geen aanwijzing |
| 2 tot 4 jaar | 1 | Lichte aanwijzing |
| 4 tot 6 jaar | 2 | Aanwijzing |
| 6 tot 8 jaar | 3 | Sterke aanwijzing |
| 8 jaar of meer | 4 | Zeer sterke aanwijzing |
**2.** Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de NAM of het
CVW, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de
schademelding en de uitbetaling van de schadevergoeding.
**3.** Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de TCMG of
het IMG, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen
de datum van de aanvraag tot schadevergoeding en de datum waarop het besluit op de
aanvraag is genomen. In geval van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die
gegrond zijn bevonden, worden de termijnen waarbinnen de afhandeling heeft
plaatsgevonden bij elkaar opgeteld om de totale afhandelingsduur van de
schademelding te bepalen.
**4.** Bij het bepalen van de som van de afhandelingsduur als bedoeld in het eerste
lid, kan het Instituut rekening houden met de termijn waarbinnen de afhandeling
van de procedure(s) op verzoek van de aanvrager is opgeschort of anderszins te
wijten is aan omstandigheden die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager
dienen te worden gelaten.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt met de eigenaar als bedoeld in het
eerste lid gelijkgesteld de duurzaam samenlevende partner van de eigenaar.
### Artikel 4.7
**1.**
Aan de hand van het cumulatieve gewicht van de individuele aanwijzingen voor een
persoonsaantasting zoals bedoeld in de artikelen 4.3 tot en met 4.6, af te leiden uit het getal dat de
intensiteit van de aanwijzing voor de persoonsaantasting aanduidt, acht het
Instituut de volgende (mate van) persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Persoonsaantasting | Vergoeding | |
| --- | --- | --- | --- |
| 0 t/m 3 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 4 t/m 6 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 7 t/m 9 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 10 t/m 14 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
**2.** Behoudens het bepaalde in artikel 4.8, kent het Instituut aan de aanvrager, afhankelijk van het
bestaan en de mate van persoonsaantasting, de in het eerste lid opgenomen tabel
genoemde schadevergoeding toe.
**3.** Het Instituut kent, in afwijking van het tweede lid, aan de aanvrager een
vergoeding van € 5.000 toe, indien het Instituut een aanwijzing (2) of een zeer
sterke aanwijzing (4), als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, heeft aangenomen.
**4.** Indien op grond van artikel 4.1a, tweede
lid, of het tweede of derde lid van dit artikel of artikel 4.8, aan een lid van het huishouden van de aanvrager een
hogere vergoeding voor immateriële schade is toegekend dan waarvoor de aanvrager
in aanmerking komt of zou komen op grond van artikel 4.1a, tweede lid, het tweede
of derde lid van dit artikel, of artikel 4.8, wordt aan die aanvrager krachtens
dit lid eveneens die hogere vergoeding toegekend.
**5.**
In afwijking van het vierde lid, wordt de aan de aanvrager toe te kennen
vergoeding niet gelijk getrokken met de in het vierde lid eerstgenoemde hogere
vergoeding, indien:
a. geen aanwijzing voor een persoonsaantasting voor de aanvrager of het andere
lid van het huishouden is aangenomen voor de veiligheidssituatie van de
woning, als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of in verband met de omvang van de
fysieke schade van de woning als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, of
b. op grond van artikel 4.1a,
tweede lid, een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de
omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk
is de vergoeding gelijk te trekken.
**6.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lid van het huishouden
verstaan de meerderjarige natuurlijke persoon die een besluit op de aanvraag tot
vergoeding van immateriële schade van het Instituut heeft ontvangen en met wie de
aanvrager minimaal zes maanden heeft samengewoond op een in artikel 4.2, tweede lid, bedoeld adres.
### Artikel 4.8
**1.** De aanvrager kan de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden aanvullen door
middel van een door het Instituut vastgestelde en gevalideerde vragenlijst waarmee
de persoonlijke impact van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de persoon
van de aanvrager kan worden ingeschat.
**2.**
Bij deze inschatting betrekt het Instituut de volgende elementen:
1) persoonlijk welbevinden,
2) invloed op het dagelijks functioneren (gedrag) en
3) invloed op sociale relaties. Om de mate van leedervaring te bepalen wordt
voor elk van deze elementen de ervaring van de aanvrager vergeleken met een
representatieve referentiegroep.
**3.**
Het Instituut schat de persoonlijke impact van bodembeweging door
mijnbouwactiviteiten op de persoon van de aanvrager op basis van het cumulatieve
gewicht van de drie elementen in op een van de volgende profielen:
Profiel 1 = tot licht ervaren leed
Profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed
Profiel 3 = ernstig ervaren leed
Profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed
**4.**
Indien de aanvrager de persoonlijke impact analyse, bedoeld in het eerste lid,
heeft ingevuld, acht het Instituut aan de hand van het cumulatieve gewicht van de
aanwijzingen voor een persoonsaantasting in combinatie met het profiel vanuit de
persoonlijke impact analyse, als volgt het bestaan en de mate van
persoonsaantasting aannemelijk:
| Cumulatieve gewicht aanwijzingen | Profiel persoonlijke impact analyse | Persoonsaantasting | Vergoeding | |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 0 t/m 2 | 1, 2, 3 of 4 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 1 | A | Geen persoonsaantasting | - |
| 3 | 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 4 | 1, 2, 3 of 4 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 1 of 2 | B | Persoonsaantasting | € 1.500 |
| 5 t/m 6 | 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 7 | 1, 2, 3 of 4 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 1, 2 of 3 | C | Ernstige persoonsaantasting | € 3.000 |
| 8 t/m 9 | 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
| 10 t/m 14 | 1, 2, 3 of 4 | D | Bijzonder ernstige persoonsaantasting | € 5.000 |
**5.** Het Instituut kent aan de aanvrager, afhankelijk van het bestaan en de mate van
persoonsaantasting, de in het vierde lid opgenomen tabel genoemde schadevergoeding
toe.
### Paragraaf 4.3. Immateriële schade van minderjarige natuurlijke
personen
### Artikel 4.9
Een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade ten behoeve van een natuurlijk
persoon die op de dag van ontvangst van de aanvraag minderjarig is, als bedoeld in
artikel 1:233 Burgerlijk
Wetboek, wordt gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger van de
minderjarige.
### Artikel 4.10
**1.** Het Instituut behandelt een aanvraag tot vergoeding van immateriële schade aan
de hand van de gestandaardiseerde methode, zoals beschreven in artikel
4.11.
**2.** In afwijking van het eerste lid, beoordeelt het Instituut een aanvraag aan de
hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in de
aanvraag of anderszins voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag stelt dat een
correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot
onvoldoende schadevergoeding zou leiden.
**3.** Artikel 4.1a, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing op aanvragen tot vergoeding van
immateriële schade voor minderjarigen.
### Artikel 4.11
**1.** Voor de gestandaardiseerde methode komen natuurlijke personen in aanmerking die
op de dag van ontvangst van de aanvraag minderjarig zijn als bedoeld in artikel 1:233 Burgerlijk
Wetboek en waarvan een wettelijke vertegenwoordiger van die
minderjarige een schadebedrag als bedoeld in dit hoofdstuk is toegekend.
**2.** Bij de gestandaardiseerde methode kent het Instituut aan de minderjarige de
schadevergoeding toe die aan diens wettelijke vertegenwoordiger is toegekend.
**3.** In afwijking van het tweede lid, wordt de aan de minderjarige toe te kennen
vergoeding niet gelijk gesteld aan de in het tweede lid genoemde vergoeding,
indien aan de wettelijk vertegenwoordiger op grond van artikel 4.1a, tweede
lid, een vergoeding is of wordt toegekend en het gelet op de
omstandigheden van het geval naar het oordeel van het Instituut niet redelijk is
de vergoeding gelijk te trekken.
**4.** Indien het Instituut ten aanzien van de wettelijk vertegenwoordigers van de
minderjarige niet hetzelfde bedrag heeft toegekend, is de hoogst toegekende
vergoeding voor immateriële schade bepalend.
## Hoofdstuk 5. Acuut onveilige situatie
### Artikel 5.1