2007-01-01 | BWBR0018831 | Wet verplichte beroepspensioenregeling

This commit is contained in:
Coornhert 2007-01-01 12:00:00 +00:00
parent 5d79188262
commit f354e0a870

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet verplichte beroepspensioenregeling
bwb_id: BWBR0018831
type: wet
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2006-01-01'
datum_inwerkingtreding: '2007-01-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0018831
citeertitel: Wet verplichte beroepspensioenregeling
---
@ -16,65 +16,104 @@ citeertitel: Wet verplichte beroepspensioenregeling
**1.**
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. pensioen: ouderdoms-, invaliditeits-, weduwen-, weduwnaars-, partner- en wezenpensioen;
c. nabestaandenpensioen: weduwen-, weduwnaars-, partner- en wezenpensioen;
d. beroepsgenoot: een natuurlijk persoon die deel uitmaakt van een bepaalde beroepsgroep;
e. beroepspensioenregeling:
aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen;
accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen;
arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot, waarop recht bestaat nadat de arbeidsongeschiktheid 104 weken heeft geduurd of, indien er sprake is van een beroepsgenoot in loondienst, waarop recht bestaat na afloop van de periode bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet of, indien de beroepsgenoot Ziektewetuitkering ontvangt, na afloop van de periode bedoeld in artikel 29, vijfde en negende lid, van de Ziektewet;
basispensioenregeling: de collectieve beroepspensioenregeling of het deel van de beroepspensioenregeling waaraan de beroepsgenoot op basis van de beroepspensioenregeling gehouden is om deel te nemen;
beëindiging van de deelneming: het beëindigen van de pensioenverwerving op basis van de beroepspensioenregeling anders dan door:
1°. het overlijden van de beroepsgenoot; of
2°. het ingaan van het ouderdomspensioen;
beroepsgenoot: een natuurlijk persoon die deel uitmaakt van een bepaalde beroepsgroep;
beroepspensioenfonds: een voor een bepaalde beroepsgroep werkend pensioenfonds, als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet, dat is opgericht ter uitvoering van een beroepspensioenregeling;
beroepspensioenregeling:
1°. door beroepsgenoten overeengekomen rechten en plichten ten aanzien van pensioen ten behoeve van beroepsgenoten en gewezen beroepsgenoten, dan wel
2°. indien de aan een beroepspensioenregeling deelnemende zelfstandige of beroepsgenoot in een andere lidstaat dan Nederland is gevestigd, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;
f. deelnemer: de beroepsgenoot die op grond van een beroepspensioenregeling pensioenaanspraken verwerft jegens de pensioenuitvoerder;
g. gewezen deelnemer: de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot die geen pensioenaanspraken op grond van de beroepspensioenregeling meer verwerft jegens de pensioenuitvoerder en die bij beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken heeft behouden jegens de pensioenuitvoerder;
h. pensioengerechtigde: de persoon voor wie op grond van de beroepspensioenregeling pensioen is ingegaan;
i. beroepspensioenvereniging: een vereniging waarvan beroepsgenoten lid zijn en die volledige rechtsbevoegdheid bezit, waarvan het statutair doel uitsluitend omvat het verzorgen van een beroepspensioenregeling en waarbij het lidmaatschap niet automatisch voortvloeit uit het lidmaatschap van enig andere organisatie;
j. beroepspensioenfonds: een voor een bepaalde beroepsgroep werkend pensioenfonds, dat is opgericht ter uitvoering van een beroepspensioenregeling;
k. verzekeraar: een verzekeraar die op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 gekwalificeerd is tot het sluiten van een verzekering of verzekeringen van pensioen in of naar Nederland;
l. pensioenuitvoerder: het beroepspensioenfonds en de verzekeraar;
m. verzekeringsovereenkomst: een overeenkomst van schadeverzekering of een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
n. verplichtstelling: de verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling op grond van artikel 3, eerste lid;
o. premie: de in geld uitgedrukte prestatie verschuldigd aan de pensioenuitvoerder bestemd voor de verzekering van pensioen en de daaraan verbonden kosten;
p. basispensioenvoorziening: het deel van de beroepspensioenregeling waaraan elke beroepsgenoot in ieder geval deelneemt;
q. vrijwillige pensioenvoorziening: een pensioenvoorziening die deel uitmaakt van de beroepspensioenregeling en waarbij de beroepsgenoot de keuze heeft hieraan deel te nemen;
r. beschikbare premieregeling: een beroepspensioenregeling waarbij als uitgangspunt uitsluitend de premie wordt genomen waarbij die premie resulteert in een kapitaal dat wordt omgezet in pensioen;
s. pensioeninstelling uit een andere lidstaat: een op basis van kapitaaldekking gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland en die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst:
beroepspensioenvereniging: een vereniging waarvan beroepsgenoten lid zijn en die volledige rechtsbevoegdheid bezit, waarvan het statutaire doel uitsluitend omvat het verzorgen van een beroepspensioenregeling en waarbij het lidmaatschap niet automatisch voortvloeit uit het lidmaatschap van enig andere organisatie;
bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van andere lidstaten dan Nederland die op grond van artikel 6, onderdeel g, van richtlijn 2003/41/EG zijn aangewezen om de in die richtlijn vastgelegde taken te verrichten;
bijdrage: iedere geldsom die wordt voldaan aan een pensioenuitvoerder in het kader van de uitvoering van beroepspensioenregelingen en uitvoeringsovereenkomsten;
bijzonder partnerpensioen: de aanspraak op partnerpensioen die op grond van artikel 68, eerste, tweede of derde lid, verkregen wordt door de gewezen partner;
buitenlandse instelling: een instelling met zetel buiten Nederland, niet zijnde een pensioeninstelling of verzekeraar in een andere lidstaat, een van de Europese Gemeenschappen of een instelling als bedoeld in artikel 81, tweede lid;
deelnemer: de beroepsgenoot die op grond van een beroepspensioenregeling pensioenaanspraken verwerft jegens de pensioenuitvoerder;
elektronisch: door middel van een elektronische informatiedrager die de ontvanger in staat stelt de verstrekte informatie duurzaam te bewaren;
gedetacheerd beroepsgenoot: een beroepsgenoot die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel II van verordening (EEG) nr.1408/71 van de Raad van de Europese gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsten (Pb EG L 149), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van oorsprong;
gepensioneerde: pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan;
gewezen deelnemer: de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot die geen pensioenaanspraken op grond van de beroepspensioenregeling meer verwerft jegens de pensioenuitvoerder en die bij beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken heeft behouden jegens de pensioenuitvoerder;
kapitaalregeling: een beroepspensioenregeling inzake een vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een pensioenuitkering;
lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
nabestaandenpensioen: partnerpensioen of wezenpensioen;
ontvangende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder aan wie in het kader van waardeoverdracht waarde wordt overgedragen;
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
ouderdomspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor de beroepsgenoot of de gewezen beroepsgenoot bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom;
overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of pensioenrechten;
overdragende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder die in het kader van waardeoverdracht waarde overdraagt aan een andere pensioenuitvoerder;
partner: echtgenoot, geregistreerde partner of partner in de zin van de beroepspensioenregeling;
partnerpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor de echtgenoot, de geregistreerde partner of de partner, de gewezen echtgenoot, de gewezen geregistreerde partner of gewezen partner wegens het overlijden van de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot;
partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of partnerrelatie in de zin van de beroepspensioenregeling;
pensioen: ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen;
pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van de beroepspensioenregeling het pensioen is ingegaan;
pensioeninstelling uit een andere lidstaat: een op basis van kapitaaldekking gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland en die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst:
1°. individueel of collectief tussen een of meerdere werkgevers en een of meerdere werknemers of hun respectievelijke vertegenwoordigers, of
2°. met zelfstandigen,
en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;
t. zetel: de plaats waar een rechtspersoon volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd of, indien het een beroepspensioenfonds of pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft, de plaats waar deze volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd en zijn hoofdbestuur heeft of, indien het een pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft die geen rechtspersoon is of een natuurlijke persoon betreft, de plaats waar die pensioeninstelling of persoon zijn hoofdbestuur heeft;
u. lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
v. richtlijn 2003/41/EG: richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10);
w. bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van andere lidstaten dan Nederland die op grond van artikel 6, onderdeel g, van richtlijn 2003/41/EG zijn aangewezen om de in die richtlijn vastgelegde taken te verrichten.
pensioenrecht: het recht op een ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
pensioenreglement: de door de pensioenuitvoerder opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer;
pensioenuitvoerder: een beroepspensioenfonds of een verzekeraar die zetel heeft in Nederland;
pensioenverplichtingen: verplichtingen van de pensioenuitvoerder uit hoofde van pensioenaanspraken en pensioenrechten;
premie: de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde structurele prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder en die bestemd is voor de verzekering van pensioen en de daaraan verbonden kosten;
premieregeling: een beroepspensioenregeling inzake een vastgestelde premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een pensioenuitkering;
richtlijn 2003/41/EG: richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10);
scheiding: echtscheiding, ontbinding na scheiding van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door dood of vermissing of beëindiging van een partnerrelatie in de zin van de beroepspensioenregeling;
schriftelijk: in schrifttekens op papier;
toeslag: een verhoging van:
1°. een pensioenrecht;
2°. een pensioenaanspraak van een gewezen deelnemer, mits die verhoging bij een kapitaalregeling niet voortvloeit uit rente- of winstdeling of bij een premieregeling niet voorvloeit uit behaald beleggingsrendement; of
3°. een pensioenaanspraak van een deelnemer op grond van een uitkeringsregeling gebaseerd op het middelloonstelsel of gebaseerd op een vastebedragenregeling, mits de verhoging geen verband houdt met een verhoging van de pensioengrondslag, de toename van het in aanmerking te nemen aantal jaren of een wijziging van de beroepspensioenregeling;
toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten of De Nederlandsche Bank N.V., ieder voor zover belast met de uitoefening van het toezicht bij of krachtens artikel 146;
uitkeringsregeling: een beroepspensioenregeling inzake een vastgestelde pensioenuitkering;
uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst tussen de beroepspensioenvereniging en de pensioenuitvoerder over de uitvoering van de beroepspensioenregeling;
verplichtstelling: de verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling op grond van artikel 5, eerste lid;
verzekeraar: een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen;
voorwaarden in verband met de partnerrelatie: huwelijkse voorwaarden, voorwaarden van een geregistreerd partnerschap of voorwaarden in verband met een partnerrelatie in de zin van de beroepspensioenregeling;
vrijwillige pensioenregeling: het deel van de beroepspensioenregeling waaraan de beroepsgenoot op basis van de beroepspensioenregeling de mogelijkheid heeft om deel te nemen;
waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van opgebouwde pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend ten behoeve van:
1°. andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij dezelfde of een andere pensioenuitvoerder; of
2°. dezelfde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij een andere pensioenuitvoerder;
wezenpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een kind tot wie de overleden beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot als ouder in familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of pleegkind, wegens het overlijden van de beroepsgenoot of gewezen beroepsgenoot;
zetel: de plaats waar een rechtspersoon volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd of, indien het een pensioenfonds, beroepspensioenfonds of pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft, de plaats waar deze volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd en zijn hoofdbestuur heeft of, indien het een pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft die geen rechtspersoon is of een natuurlijke persoon betreft, de plaats waar die pensioeninstelling of persoon zijn hoofdbestuur heeft.
**2.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder beroepspensioenvereniging: een daarmee door Onze Minister gelijkgestelde instelling.
### Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
Een uitkering voor een gemoedsbezwaarde als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen is geen pensioen in de zin van deze wet.
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
d. huwelijkse voorwaarden: voorwaarden van een geregistreerd partnerschap;
e. scheiding of echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing;
f. weduwe of weduwnaar: achtergebleven partij bij een geregistreerd partnerschap;
g. weduwen- en weduwnaarspensioen: pensioen ten behoeve van achtergebleven geregistreerde partners.
### Artikel 3
### Artikel 2a
**1.** De artikelen 929, 935, eerste lid, 936, tweede tot en met zesde lid, 941, vijfde lid, 969, 972, 977, tweede lid, 978, 979, 980, tweede lid en 983 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een beroepspensioenregeling.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**2.** Het verminderen of vervallen van een uitkering op grond van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van artikel 930, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een deelnemer niet is voldaan aan de in artikel 928 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven mededelingsplicht betreffende zijn risico. In dat geval beperkt de vermindering of het verval van de uitkering zich tot het risico met betrekking tot de in de eerste zin bedoelde persoon. Voorzover de eerste zin in de weg staat aan vermindering dan wel verval van een uitkering, heeft het beroepspensioenfonds of de verzekeraar een recht van verhaal op de beroepspensioenvereniging.
### Artikel 2b
**3.** Een beding als bedoeld in artikel 941, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**4.** Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek strijden met deze wet blijven die bepalingen van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing.
### Artikel 4
De Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op de verhouding tussen een verzekeraar en een aanspraak- of pensioengerechtigde.
## Hoofdstuk 2. De verplichtstelling
### Artikel 3
### Artikel 5
**1.**
@ -87,24 +126,26 @@ b. die beroepspensioenvereniging een naar het oordeel van de minister belangrijk
**3.** Indien zowel zelfstandig werkzame beroepsgenoten als beroepsgenoten die in loondienst werkzaam zijn deelnemen aan de beroepspensioenregeling wordt pas voldaan aan het eerste lid, onderdeel b, wanneer voor beide groepen afzonderlijk is aangetoond dat de beroepspensioenvereniging een belangrijke meerderheid van die beroepsgenoten vertegenwoordigt.
**4.** Vrijwillige pensioenvoorzieningen als bedoeld in artikel 13, vierde lid, onderdeel d, onder 2°, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 worden gelijkgesteld met in de verplichtgestelde beroepspensioenregelingen opgenomen verplichte basispensioenvoorzieningen.
**4.** Vrijwillige pensioenregelingen als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel b, worden gelijkgesteld met in de verplichtgestelde beroepspensioenregelingen opgenomen verplichte basispensioenregelingen.
### Artikel 4
### Artikel 6
**1.**
De aanvraag, bedoeld in artikel 3, gaat vergezeld van:
De aanvraag, bedoeld in artikel 5, gaat vergezeld van:
a. een verklaring waaruit blijkt dat aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt voldaan;
a. een verklaring waaruit blijkt dat aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt voldaan;
b. een gewaarmerkt exemplaar van de op het moment van de aanvraag geldende statuten en reglementen van de beroepspensioenvereniging.
**2.**
Indien de beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds gaat de aanvraag tevens vergezeld van:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het desbetreffende beroepspensioenfonds;
b. een door het bestuur van het beroepspensioenfonds gewaarmerkt exemplaar van de reglementen van het beroepspensioenfonds;
c. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 61.
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het beroepspensioenfonds;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van het reglement of de reglementen van het beroepspensioenfonds;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de uitvoeringsovereenkomst;
d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 140;
e. een eventuele overeenkomst tot overdracht of herverzekering.
**3.**
@ -115,29 +156,29 @@ b. een door de beroepspensioenvereniging gewaarmerkt afschrift van de getekende
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aanvraag alsmede met betrekking tot de bij te voegen stukken nadere regels worden gesteld.
### Artikel 5
### Artikel 7
**1.** Zolang de verplichtstelling duurt zijn de artikelen 5, derde en vierde lid, tot en met artikel 105 en de daarop berustende bepalingen van toepassing.
**1.** Zolang de verplichtstelling duurt zijn de artikelen 7, derde en vierde lid, tot en met artikel 214 en de daarop berustende bepalingen van toepassing.
**2.** Na beëindiging van de verplichtstelling blijven de artikelen 5, derde en vierde lid, tot en met artikel 105 en de daarop berustende bepalingen van toepassing voorzover ze betrekking hebben op de periode waarover de verplichtstelling duurde.
**2.** Na beëindiging van de verplichtstelling blijven de artikelen 7, derde en vierde lid, tot en met artikel 214 en de daarop berustende bepalingen van toepassing voorzover ze betrekking hebben op de periode waarover de verplichtstelling duurde.
**3.** De deelnemers leven de beroepspensioenregeling en de daarop gebaseerde besluiten na.
**4.** Indien de beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds leven de deelnemers de statuten van dat beroepspensioenfonds en de daarop gebaseerde besluiten na.
### Artikel 6
### Artikel 8
Een beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door:
a. een daartoe door een beroepspensioenvereniging opgericht beroepspensioenfonds; of
b. een verzekeraar, op grond van één daartoe door een beroepspensioenvereniging met die verzekeraar gesloten verzekeringsovereenkomst;
c. een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, die beschikt over een daartoe verleende vergunning, bedoeld in artikel 71i, onderdeel a, en de bevoegde autoriteiten in kennis heeft gesteld als bedoeld in artikel 71i, onderdeel b.
a. een pensioenuitvoerder;
b. een pensioeninstelling uit een andere lidstaat die beschikt over een daartoe verleende vergunning als bedoeld in artikel 193 en de bevoegde autoriteiten in kennis heeft gesteld als bedoeld in artikel 193; of
c. een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, mits die verzekeraar op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen.
### Artikel 7
### Artikel 9
**1.** Onze Minister kan de verplichtstelling wijzigen indien daartoe een aanvraag wordt gedaan door een beroepspensioenvereniging die voldoet aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
**1.** Onze Minister kan de verplichtstelling wijzigen indien daartoe een aanvraag wordt gedaan door een beroepspensioenvereniging die voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
**2.** Artikel 3, derde lid en artikel 4, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing.
**2.** Artikel 5, derde lid en artikel 6, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel d, en derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.**
@ -148,47 +189,47 @@ b. een door het beroepspensioenfonds gewaarmerkt exemplaar van de wijzigingen va
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld.
### Artikel 8
**1.** Indien een wijziging van de beroepspensioenregeling heeft plaatsgevonden zendt de beroepspensioenvereniging een door haar gewaarmerkt afschrift van wijziging van de beroepspensioenregeling, binnen twee weken nadat de wijziging tot stand is gekomen aan Onze Minister en aan De Nederlandsche Bank N.V.
**2.** Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de wijziging van de beroepspensioenregeling en vermeldt dat binnen vier weken bij hem zienswijzen omtrent het al dan niet voldoen aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b, naar voren kunnen worden gebracht.
**3.** Indien de zienswijzen daartoe aanleiding geven verzoekt Onze Minister binnen acht weken na de mededeling in de Staatscourant de beroepspensioenvereniging aan te tonen dat nog wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
**4.** Artikel 3, derde lid, artikel 9, vierde lid, artikel 10 en artikel 13 zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 9
**1.** Op verzoek van Onze Minister toont de beroepspensioenvereniging die voortzetting van de verplichtstelling wenst binnen acht weken na dat verzoek aan dat nog wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
**2.** Onze Minister doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ten minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds de datum waarop voor het laatst is gebleken dat wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
**3.**
Als de datum waarop voor het laatst is gebleken dat nog wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b wordt aangemerkt:
a. de datum waarop de verplichtstelling is opgelegd;
b. de datum waarop de verplichtstelling is gewijzigd, of
c. de datum waarop na het verzoek van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, artikel 8, derde lid of artikel 10 is aangetoond dat aan de daar gestelde eisen wordt voldaan.
**4.** Indien de beroepspensioenvereniging niet binnen acht weken na het verzoek, bedoeld in het eerste lid, heeft aangetoond dat nog wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b, doet Onze Minister daarvan mededeling in de Staatscourant.
**5.** Artikel 3, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 10
**1.** Acht weken voordat er twee jaren zijn verstreken sinds de mededeling, bedoeld in artikel 9, vierde lid, doet Onze Minister opnieuw een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid. Indien de beroepspensioenvereniging, binnen acht weken na dat verzoek niet aantoont dat nog wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b, trekt Onze Minister met betrekking tot de betrokken beroepsgroep de verplichtstelling in.
**1.** Indien een wijziging van de beroepspensioenregeling heeft plaatsgevonden zendt de beroepspensioenvereniging een door haar gewaarmerkt afschrift van wijziging van de beroepspensioenregeling, binnen twee weken nadat de wijziging tot stand is gekomen aan Onze Minister en aan de toezichthouder.
**2.** Indien uitsluitend met betrekking tot de beroepsgenoten die in loondienst werkzaam zijn door de beroepspensioenvereniging niet is aangetoond dat nog wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b, trekt Onze Minister de verplichtstelling in afwijking van het eerste lid, slechts in met betrekking tot die groep.
**2.** Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van de wijziging van de beroepspensioenregeling en vermeldt dat binnen vier weken bij hem zienswijzen omtrent het al dan niet voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b, naar voren kunnen worden gebracht.
**3.** Indien de zienswijzen daartoe aanleiding geven verzoekt Onze Minister binnen acht weken na de mededeling in de Staatscourant de beroepspensioenvereniging aan te tonen dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
**4.** Artikel 5, derde lid, artikel 11, vierde lid, artikel 12 en artikel 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 11
**1.** Onverminderd artikel 12 trekt Onze Minister de verplichtstelling in indien daartoe een aanvraag wordt gedaan door een beroepspensioenvereniging die voldoet aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
**1.** Op verzoek van Onze Minister toont de beroepspensioenvereniging die voortzetting van de verplichtstelling wenst binnen acht weken na dat verzoek aan dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
**2.** Onze Minister doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ten minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds de datum waarop voor het laatst is gebleken dat wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
**3.**
Als de datum waarop voor het laatst is gebleken dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b wordt aangemerkt:
a. de datum waarop de verplichtstelling is opgelegd;
b. de datum waarop de verplichtstelling is gewijzigd, of
c. de datum waarop na het verzoek van Onze Minister, bedoeld in het eerste lid, artikel 10, derde lid of artikel 12 is aangetoond dat aan de daar gestelde eisen wordt voldaan.
**4.** Indien de beroepspensioenvereniging niet binnen acht weken na het verzoek, bedoeld in het eerste lid, heeft aangetoond dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b, doet Onze Minister daarvan mededeling in de Staatscourant.
**5.** Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 12
**1.** Acht weken voordat er twee jaren zijn verstreken sinds de mededeling, bedoeld in artikel 11, vierde lid, doet Onze Minister opnieuw een verzoek als bedoeld in artikel 11, eerste lid. Indien de beroepspensioenvereniging, binnen acht weken na dat verzoek niet aantoont dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b, trekt Onze Minister met betrekking tot de betrokken beroepsgroep de verplichtstelling in.
**2.** Indien uitsluitend met betrekking tot de beroepsgenoten die in loondienst werkzaam zijn door de beroepspensioenvereniging niet is aangetoond dat nog wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b, trekt Onze Minister de verplichtstelling in afwijking van het eerste lid, slechts in met betrekking tot die groep.
### Artikel 13
**1.** Onverminderd artikel 14 trekt Onze Minister de verplichtstelling in indien daartoe een aanvraag wordt gedaan door een beroepspensioenvereniging die voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
**2.**
Onverminderd artikel 12 kan Onze Minister de verplichtstelling intrekken voor een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten indien:
Onverminderd artikel 14 kan Onze Minister de verplichtstelling intrekken voor een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten indien:
a. daartoe een aanvraag wordt gedaan door een beroepspensioenvereniging,
b. die beroepspensioenvereniging een naar het oordeel van de minister belangrijke meerderheid van die groep of groepen beroepsgenoten vertegenwoordigt, en
@ -198,29 +239,29 @@ c. deze intrekking niet tot gevolg heeft dat de verplichtstelling slechts restee
**4.** De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, gaat vergezeld van een verklaring waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het tweede lid, onderdeel b.
**5.** Artikel 3, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aanvragen, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, alsmede met betrekking tot de bij te voegen stukken nadere regels worden gesteld.
### Artikel 12
### Artikel 14
**1.** In uitzonderlijke gevallen kan Onze Minister de verplichtstelling ambtshalve voor alle of voor één of meer bepaalde groepen van deelnemers intrekken.
**2.** Van een uitzonderlijk geval is in ieder geval sprake indien er in een beroepspensioenfonds geen activiteiten plaatsvinden.
**2.** Van een uitzonderlijk geval is in ieder geval sprake indien er geen bijdragen meer aan de pensioenuitvoerder worden gedaan.
### Artikel 13
### Artikel 15
**1.** Bij een besluit tot intrekking van de verplichtstelling geeft Onze Minister aan per welke datum de verplichtstelling wordt ingetrokken.
**2.** In afwijking van artikel 10 en 11 trekt Onze Minister de verplichtstelling niet in zolang tegen die intrekking overwegende bezwaren bestaan in verband met de bescherming van de rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere rechthebbenden op pensioen.
**2.** In afwijking van artikel 12 en 13 trekt Onze Minister de verplichtstelling niet in zolang tegen die intrekking overwegende bezwaren bestaan in verband met de bescherming van de rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden.
**3.** Bij de intrekking kunnen door Onze Minister ter bescherming van de rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere rechthebbenden op pensioen voorschriften worden gegeven met betrekking tot hun rechten en verplichtingen.
**3.** Bij de intrekking kunnen door Onze Minister ter bescherming van de rechten van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden voorschriften worden gegeven met betrekking tot hun rechten en verplichtingen.
**4.** Bij het besluit van intrekking kan Onze Minister voorschrijven dat de beroepspensioenvereniging binnen zes maanden na dat besluit bij De Nederlandsche Bank N.V. een plan voor afbouw indient.
**4.** Bij het besluit van intrekking kan Onze Minister voorschrijven dat de beroepspensioenvereniging binnen zes maanden na dat besluit bij de toezichthouder een plan voor afbouw indient.
**5.** Vanaf de dag van publicatie in de Staatscourant van het besluit tot intrekking van de verplichtstelling worden geen nieuwe deelnemers tot de beroepspensioenregeling toegelaten.
### Artikel 14
### Artikel 16
**1.**
@ -237,19 +278,19 @@ h. het niet verder in behandeling nemen van een aanvraag.
**2.** Bij de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c, e en f, vermeldt Onze Minister de termijn waarbinnen zienswijzen tegen de inhoud van hetgeen is meegedeeld schriftelijk bij hem naar voren kunnen worden gebracht.
### Artikel 15
### Artikel 17
**1.** In dit artikel wordt verstaan onder gedetacheerd beroepsgenoot: een beroepsgenoot die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsten (Pb EG L 149), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van oorsprong.
**1.** Indien tijdens detachering in Nederland de betaling van premies in een andere lidstaat wordt voortgezet, is de in Nederland gedetacheerde beroepsgenoot vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van premies in Nederland.
**2.** Indien tijdens detachering in Nederland de betaling van premies in een andere lidstaat wordt voorgezet, is de in Nederland gedetacheerde beroepsgenoot vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van premies in Nederland.
**2.** Een gedetacheerd beroepsgenoot kan tijdens de detachering blijven deelnemen aan de beroepspensioenregeling.
### Artikel 16
### Artikel 18
**1.** Onverminderd artikel 15 kan onze Minister een persoon die slechts tijdelijk in Nederland werkzaam is, op aanvraag in een bijzonder, individueel geval voorwaardelijk of onvoorwaardelijk voor de periode dat die persoon in Nederland werkzaam is ontheffing verlenen van de verplichtstelling.
**1.** Onverminderd artikel 17 kan onze Minister een persoon die slechts tijdelijk in Nederland werkzaam is, op aanvraag in een bijzonder, individueel geval voorwaardelijk of onvoorwaardelijk voor de periode dat die persoon in Nederland werkzaam is ontheffing verlenen van de verplichtstelling.
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot de aanvraag worden gesteld.
### Artikel 17
### Artikel 19
**1.** Van de verplichtstelling, wordt op zijn aanvraag, door de pensioenuitvoerder ontheffing verleend aan de persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering.
@ -259,15 +300,15 @@ h. het niet verder in behandeling nemen van een aanvraag.
### Paragraaf 1. Algemene eisen aan de beroepspensioenregeling
### Artikel 18
### Artikel 20
**1.** Een beroepspensioenregeling is in overwegende mate bestemd voor zelfstandig werkende beroepsgenoten.
**2.** Een beroepspensioenregeling bevat in ieder geval een basispensioenvoorziening.
**2.** Een beroepspensioenregeling bevat in ieder geval een basispensioenregeling.
**3.** Een beroepspensioenregeling kan meer dan één beroepsgroep omvatten of zijn beperkt tot een deel van een beroepsgroep.
### Artikel 19
### Artikel 21
**1.** De inhoud van de beroepspensioenregeling wordt opgenomen in een pensioenreglement.
@ -283,11 +324,11 @@ c. de aanspraken die de deelneming geeft, en het systeem van financiering van di
**4.** Indien de beroepspensioenregeling wordt uitgevoerd door een verzekeraar wordt de inhoud van de beroepspensioenregeling tevens opgenomen in het verzekeringscontract dat wordt gesloten tussen de beroepspensioenvereniging en de verzekeraar.
### Artikel 20
### Artikel 22
Uitsluiting van deelneming aan een beroepspensioenregeling op grond van het aantal uren dat het beroep wordt uitgeoefend, het gerealiseerde inkomen, het overeengekomen loon of de gerealiseerde omzet, is niet toegestaan.
### Artikel 21
### Artikel 23
**1.** De premie is voor alle deelnemers gelijk of bedraagt voor alle deelnemers een gelijk percentage van de gerealiseerde omzet, het gerealiseerde inkomen of het gerealiseerde loon dan wel van het gedeelte van de gerealiseerde omzet, het gerealiseerde inkomen of gerealiseerde loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat er voor verschillende vormen van pensioen verschillende premies kunnen worden vastgesteld.
@ -295,29 +336,29 @@ Uitsluiting van deelneming aan een beroepspensioenregeling op grond van het aant
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. beschikbare premieregelingen, en
b. premies ten behoeve van vrijwillige pensioenvoorzieningen.
a. premieregelingen, en
b. premies ten behoeve van vrijwillige pensioenregelingen.
### Artikel 22
### Artikel 24
**1.** De beroepspensioenregeling kan een verplichting voor iedere deelnemer inhouden tot het bijhouden van een zodanige boekhouding, dat daaruit de gegevens blijken welke de pensioenuitvoerder nodig heeft voor de vaststelling van het deelnemerschap en de aanspraken, rechten en verplichtingen van de deelnemer.
**1.** De beroepspensioenregeling kan een verplichting voor iedere deelnemer inhouden tot het bijhouden van een zodanige boekhouding, dat daaruit de gegevens blijken welke de pensioenuitvoerder nodig heeft voor de vaststelling van het deelnemerschap en de pensioenaanspraken, pensioenrechten en verplichtingen van de deelnemer.
**2.** Iedere deelnemer verleent de pensioenuitvoerder desgevraagd inzage in de in het eerste lid bedoelde boekhouding en in de bescheiden die daaraan ten grondslag liggen, voor zover daaruit de in dat lid bedoelde gegevens zijn af te leiden.
**3.** Iedere deelnemer verstrekt desgevraagd de inlichtingen welke de pensioenuitvoerder nodig heeft voor de vaststelling van het deelnemerschap en de aanspraken, rechten en verplichtingen van die deelnemer.
**3.** Iedere deelnemer verstrekt desgevraagd de inlichtingen welke de pensioenuitvoerder nodig heeft voor de vaststelling van het deelnemerschap en de pensioenaanspraken, pensioenrechten en verplichtingen van die deelnemer.
**4.** De persoon, die de inzage van de boekhouding en bescheiden en de verstrekking van de gegevens weigert, kan zich niet met vrucht beroepen op enige geheimhoudingsplicht, ook al mocht deze hem bij wet zijn opgelegd.
### Artikel 22a
### Artikel 25
Het is een beroepspensioenfonds verboden bijdragen te ontvangen van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in een andere lidstaat dan Nederland:
a. zonder een daartoe door De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning; en
b. zonder De Nederlandsche Bank N.V. van het voornemen daartoe in kennis te hebben gesteld, op de wijze, bedoeld in artikel 22b, en met inachtneming van artikel 71f.
a. zonder een daartoe door de toezichthouder verleende vergunning; en
b. zonder de toezichthouder van het voornemen daartoe in kennis te hebben gesteld, op de wijze, bedoeld in artikel 26, en met inachtneming van artikel 190.
### Artikel 22b
### Artikel 26
**1.** Een beroepspensioenfonds stelt De Nederlandsche Bank N.V. in kennis van een voornemen bijdragen te gaan ontvangen van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
**1.** Een beroepspensioenfonds stelt de toezichthouder in kennis van een voornemen bijdragen te gaan ontvangen van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
**2.**
@ -327,21 +368,120 @@ a. de lidstaat waar de zelfstandige of beroepsgenoot is gevestigd;
b. de naam van de in de andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot; en
c. de voornaamste kenmerken van de beroepspensioenregeling die voor die zelfstandige of beroepsgenoot zal worden uitgevoerd.
### Artikel 22c
### Artikel 27
Het beroepspensioenfonds neemt bij de uitvoering van een beroepspensioenregeling voor een in een andere lidstaat dan Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving en de voorschriften die krachtens de artikelen 11 en 18, zevende lid, van richtlijn 2003/41/EG moeten worden nageleefd, in acht. De Nederlandse sociale en arbeidswetgeving is niet van toepassing op de uitvoering van de beroepspensioenregeling.
### Paragraaf 1.2. De beroepspensioenregeling
### Artikel 28
Vervallen
### Artikel 29
Vervallen
### Artikel 30
Vervallen
### Artikel 31
Vervallen
### Artikel 32
Vervallen
### Artikel 33
De verwerving van pensioenaanspraken in het kader van een uitkeringsregeling of een kapitaalregeling vindt gedurende de deelneming ten minste evenredig in de tijd plaats.
### Artikel 34
**1.** In geval van verlaging van de pensioengrondslag van een beroepsgenoot worden de op grond van de beroepspensioenregeling tot het tijdstip van verlaging opgebouwde pensioenaanspraken niet gewijzigd.
**2.** In geval van verlaging van de pensioengrondslag blijven de opgebouwde pensioenaanspraken behouden en worden de pensioenaanspraken vastgesteld overeenkomstig artikel 66.
**3.** Elk beding in strijd met het eerste of tweede lid is nietig.
### Paragraaf 1.3. De uitvoeringsovereenkomst
### Artikel 35
Vervallen
### Artikel 36
In de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgelegd hoe de betaling van de premies door de beroepsgenoot aan de pensioenuitvoerder geschiedt, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. een beroepsgenoot voldoet uiterlijk binnen een maand na afloop van elk kwartaal de premie welke over dat kwartaal is verschuldigd, aan de pensioenuitvoerder;
b. wanneer de premie op basis van een langere termijn dan een kwartaal wordt vastgesteld en in rekening gebracht, is deze termijn ten hoogste gelijk aan een jaar en voldoet de beroepsgenoot uiterlijk binnen een maand na afloop van elk kwartaal een vierde gedeelte van de verschuldigde jaarpremie op basis van een schatting van de pensioenuitvoerder, aan de pensioenuitvoerder; en
c. de totale jaarpremie wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar voldaan aan de pensioenuitvoerder.
### Artikel 37
De in artikel 36 genoemde termijnen gelden niet indien sprake is van een beëindiging van de deelneming. In dat geval wordt de ten tijde van de beëindiging nog verschuldigde premie binnen dertien weken voldaan.
### Artikel 38
Een beroepspensioenfonds informeert elk kwartaal schriftelijk de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden wanneer sprake is van een premieachterstand ter grootte van 5% van de totale door het beroepspensioenfonds te ontvangen jaarpremie en tevens niet voldaan wordt aan de bij of krachtens artikel 126 geldende eisen inzake het minimaal vereist eigen vermogen.
### Artikel 39
Vervallen
### Artikel 40
In een uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar met zetel buiten Nederland waarin bij de totstandkoming of op een later tijdstip wordt gekozen voor ander dan Nederlands recht, wordt de volgende clausule opgenomen:
Ongeacht het gekozen rechtsstelsel is ten aanzien van deze uitvoeringsovereenkomst in ieder geval de Wet verplichte beroepspensioenregeling van toepassing.
### Paragraaf 2.1. Taken pensioenuitvoerder
### Paragraaf 2. Informatie en gegevensverstrekking
### Artikel 41
### Artikel 23
Een pensioenuitvoerder heeft tot taak een beroepspensioenregeling uit te voeren op basis van een uitvoeringsovereenkomst.
**1.** De pensioenuitvoerder verstrekt gegevens betreffende een deelnemer, een gewezen deelnemer, een pensioengerechtigde of een andere rechthebbende op pensioen slechts aan de desbetreffende persoon.
### Artikel 42
**1.**
Een pensioenuitvoerder richt zijn organisatie zodanig in dat een goed bestuur is gewaarborgd waardoor er in ieder geval:
a. verantwoording wordt afgelegd aan de aanspraak- en pensioengerechtigden; waarvoor bij beroepspensioenfondsen een verantwoordingsorgaan is ingesteld; en
b. intern toezicht is.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste lid regels worden gesteld. Die regels kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de naleving van in die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen principes voor goed pensioenfondsbestuur.
### Artikel 43
**1.** Indien een pensioenuitvoerder werkzaamheden uitbesteedt aan een derde draagt hij er zorg voor dat deze derde de bij of krachtens deze wet gestelde regels, die van toepassing zijn op de uitbestedende pensioenuitvoerder, naleeft.
**2.**
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. werkzaamheden worden aangewezen die niet mogen worden uitbesteed;
b. regels worden gesteld met betrekking tot de uitbesteding in verband met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde; en
c. regels worden gesteld met betrekking tot de beheersing van risicos die verband houden met de uitbesteding.
### Artikel 44
**1.** De pensioenuitvoerder registreert de deelnemingsjaren van de deelnemers en verstrekt hierover informatie aan de deelnemers en gewezen deelnemers.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid waaronder de perioden die in aanmerking komen als deelnemingsjaren.
### Artikel 45
Vervallen
### Paragraaf 2.2. Informatie en gegevensverstrekking
### Artikel 46
**1.** De pensioenuitvoerder verstrekt gegevens betreffende een deelnemer, een gewezen deelnemer, een andere aanspraakgerechtigde of een pensioengerechtigde slechts aan de desbetreffende persoon.
**2.**
@ -349,21 +489,21 @@ Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. er sprake is van een wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking;
b. gegevensverstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de beroepspensioenregeling;
c. gegevensverstrekking noodzakelijk is in verband met de toepassing van de artikelen 41, 42 of 43;
d. het gegevensverstrekking betreft aan De Nederlandsche Bank N.V. voorzover deze gegevensverstrekking nodig is voor de vervulling van haar krachtens deze wet opgelegde taken, of
c. gegevensverstrekking noodzakelijk is in verband met de toepassing van de artikelen 81 tot en met 99;
d. het gegevensverstrekking betreft aan de toezichthouder voorzover deze gegevensverstrekking nodig is voor de vervulling van zijn krachtens deze wet opgelegde taken, of
e. er sprake is van het verstrekken van naam-, adres- en woonplaatsgegevens aan verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die als statutair doel of mede als statutair doel hebben het behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een beroepspensioenregeling.
**3.** Indien er gegevensverstrekking als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of onderdeel e heeft plaatsgevonden, zijn het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing op de persoon of de rechtspersoon aan wie de gegevens zijn verstrekt.
**4.** In afwijking van het eerste lid kan een deelnemer, gewezen deelnemer, de pensioengerechtigde of andere rechthebbende op pensioen, de pensioenuitvoerder machtigen zijn gegevens te verstrekken aan een door hem aan te wijzen derde. De pensioenuitvoerder onthoudt zich daarbij van suggesties met betrekking tot de aan te wijzen derde.
**4.** In afwijking van het eerste lid kan een deelnemer, gewezen deelnemer, een andere aanspraakgerechtigde of een pensioengerechtigde, de pensioenuitvoerder machtigen zijn gegevens te verstrekken aan een door hem aan te wijzen derde. De pensioenuitvoerder onthoudt zich daarbij van suggesties met betrekking tot de aan te wijzen derde.
### Artikel 24
### Artikel 47
**1.** Behoudens het geven van algemene informatie, geeft de pensioenuitvoerder deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en andere rechthebbenden op pensioen slechts informatie over de beroepspensioenregeling die door de pensioenuitvoerder zelf wordt uitgevoerd.
**1.** Behoudens het geven van algemene informatie, geeft de pensioenuitvoerder deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden slechts informatie over de beroepspensioenregeling die door de pensioenuitvoerder zelf wordt uitgevoerd.
**2.** Indien er in verband met de uitvoering van een beroepspensioenregeling gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de persoon of de rechtspersoon aan wie de gegevens zijn verstrekt.
**2.** Indien er in verband met de uitvoering van een beroepspensioenregeling gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de persoon of de rechtspersoon aan wie de gegevens zijn verstrekt.
### Artikel 25
### Artikel 48
**1.** De pensioenuitvoerder zorgt dat de deelnemers bij toetreding tot de beroepspensioenregeling schriftelijk op de hoogte gesteld worden van de inhoud van de beroepspensioenregeling.
@ -371,7 +511,7 @@ e. er sprake is van het verstrekken van naam-, adres- en woonplaatsgegevens aan
**3.** De pensioenuitvoerder stelt de belanghebbenden in staat desgewenst tussentijds van de geldende beroepspensioenregeling kennis te nemen.
### Artikel 26
### Artikel 49
**1.** Bij toetreding tot de beroepspensioenregeling verstrekt de pensioenuitvoerder een opgave van de hoogte van het te bereiken reglementaire pensioen dan wel van de verzekerde bedragen.
@ -383,11 +523,33 @@ e. er sprake is van het verstrekken van naam-, adres- en woonplaatsgegevens aan
**5.** De pensioenuitvoerder verstrekt op verzoek van de deelnemer een opgave van de over de jaren 1994 tot en met 2000 toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen.
**6.** De pensioenuitvoerder verstrekt eenmalig aan de deelnemers, en aan de gewezen deelnemers eenmalig op verzoek, een opgave van de premievrije waarde op 1 januari 2006 van de aanspraken, opgebouwd ten behoeve van een pensioenuitkering in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.
**6.** De pensioenuitvoerder verstrekt eenmalig aan de deelnemers, en aan de gewezen deelnemers eenmalig op verzoek, een opgave van de premievrije waarde op 1 januari 2006 van de aanspraken, opgebouwd ten behoeve van een pensioenuitkering in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het bepaalde in het zesde lid, de wijze waarop de premievrije waarde wordt berekend en het tijdvak waarbinnen de eenmalige opgave wordt verstrekt.
### Artikel 27
### Artikel 26a
**1.**
Het bestuur van een beroepspensioenfonds verstrekt op verzoek aan de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere rechthebbenden op pensioen en hun vertegenwoordigers:
a. voldoende inlichtingen over de rechten en plichten van de bij de beroepspensioenregeling betrokken partijen;
b. voldoende inlichtingen over de financiële, technische en andere aan de beroepspensioenregeling verbonden risico's;
c. voldoende inlichtingen over de aard en spreiding van de risico's;
d. de jaarrekeningen en de jaarverslagen;
e. binnen een redelijke termijn, alle relevante informatie over wijzigingen in de voorschriften inzake de beroepspensioenregeling;
f. de in artikel 61, derde lid, bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen;
g. duidelijke en wezenlijke gegevens over:
1°. indien van toepassing, het richtniveau van de pensioenuitkeringen;
2°. het niveau van de uitkeringen in geval van beëindiging van de deelneming;
3°. wanneer de deelnemer het beleggingsrisico draagt, alle beschikbare beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing, en de feitelijke beleggingsportefeuille, evenals gegevens over de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen;
4°. de modaliteiten voor de afkoop van de aanspraken op pensioen, om onder aanwending van de afkoopsom pensioen of aanspraken op pensioen te verwerven overeenkomstig een andere pensioenregeling in de zin van deze wet of een andere pensioenvoorziening in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet, bij de instelling waar die andere pensioenregeling of pensioenvoorziening is ondergebracht in geval van beëindiging van de deelneming;
h. beknopte informatie over de situatie van het beroepspensioenfonds en over het actuele financieringsniveau van hun totale individuele aanspraken.
**2.** Bij de ingang van zijn pensioen op grond van een beroepspensioenregeling, ontvangt de pensioengerechtigde de nodige informatie over de uitkeringen waarop hij recht heeft en over de wijze van uitbetaling.
### Artikel 50
De pensioenuitvoerder verstrekt een bewijsstuk ter zake van de bestaande aanspraken aan:
@ -395,17 +557,81 @@ a. de deelnemer bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en bij inga
b. degenen, die rechthebbenden zijn op nabestaandenpensioen, na het overlijden van de deelnemer dan wel diens echtgenoot of partner;
c. de gewezen echtgenoot, bedoeld in artikel 34.
### Artikel 51
Vervallen
### Artikel 52
Vervallen
### Artikel 53
Vervallen
### Artikel 54
Vervallen
### Artikel 55
Vervallen
### Artikel 56
Vervallen
### Artikel 57
**1.**
De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner en de pensioengerechtigde op verzoek:
a. het voor hem geldende pensioenreglement;
b. het jaarverslag en de jaarrekening van de pensioenuitvoerder;
c. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
d. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
e. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
**2.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**3.** De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer op verzoek een opgave van de hoogte van zijn opgebouwde pensioenaanspraken.
**4.** De pensioenuitvoerder verstrekt de in het eerste lid bedoelde informatie op verzoek ook aan vertegenwoordigers van deelnemers, van gewezen deelnemers, van gewezen partners of van pensioengerechtigden.
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in dit artikel bedoelde informatie en de wijze waarop deze wordt verstrekt.
### Artikel 58
**1.** De pensioenuitvoerder verstrekt deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden die zich in een andere lidstaat vestigen informatie over hun pensioenaanspraken en pensioenrechten en over de mogelijkheden die hun op grond van de pensioenregeling worden geboden.
**2.** De informatie die op grond van het eerste lid wordt verstrekt is ten minste overeenkomstig de informatie die wordt verstrekt aan deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden die in Nederland blijven.
### Artikel 59
**1.** De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie, bedoeld in de artikelen 48 tot en met 58, tijdig en de informatie, bedoeld in de artikelen 48 tot en met 56, 57, eerste lid, onderdeel d, tweede tot en met vierde lid, en 58 in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen.
**2.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**3.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**4.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
### Artikel 60
De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie schriftelijk, tenzij de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner instemt met elektronische verstrekking.
### Paragraaf 3. Opbouw, financiering en aanspraken
### Artikel 28
### Artikel 61
De opbouw en de financiering van de pensioenaanspraken vinden gedurende het deelnemerschap ten minste evenredig in tijd plaats.
### Artikel 28a
### Artikel 62
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
De pensioenuitvoerders richten een pensioenregister in dat uiterlijk op 1 januari 2011 operationeel is.
### Artikel 29
### Artikel 63
**1.** Indien in een ouderdomspensioen is voorzien verkrijgt de deelnemer, tenzij artikel 33 toepassing vindt, bij het eindigen van zijn deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ten minste een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen.
@ -415,31 +641,61 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**4.** Indien het gaat om een beroepspensioenregeling in de vorm van een beschikbare premieregeling is het tweede lid niet van toepassing en geldt dat de deelnemer bij beëindiging van de deelneming ten minste een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen verkrijgt op grond van de betaalde en nog verschuldigde premies naarmate de voor pensioeningang vereiste duur van de deelneming is verstreken.
### Artikel 30
### Artikel 64
Indien in een weduwen- of weduwnaarspensioen respectievelijk een partnerpensioen is voorzien, verkrijgt de deelnemer, tenzij artikel 33 toepassing vindt, bij beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ten behoeve van zijn echtgenoot respectievelijk zijn partner een door de pensioenuitvoerder naar redelijkheid vast te stellen premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen respectievelijk partnerpensioen.
De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering uit hoofde van een pensioenrecht op verzoek van de pensioengerechtigde in een andere lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat waar die pensioenuitvoerder is gevestigd, waarbij transactiekosten op de uitkering uit hoofde van het pensioenrecht in mindering kunnen worden gebracht.
### Artikel 31
### Artikel 65
De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming een opgave bevattende de hoogte van de premievrije aanspraken als bedoeld in de artikelen 29 en 30.
**1.** Een pensioenuitvoerder kan voor de deelnemer die gewezen beroepsgenoot wordt een vrijwillige voortzetting van de beroepspensioenregeling uitvoeren indien de vrijwillige voortzetting gedurende ten hoogste drie jaar vanaf de beëindiging van het beroep voortduurt.
### Artikel 32
**2.** In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van tien jaar voor zover de genoemde gewezen beroepsgenoot, aansluitend aan de beëindiging van het beroep, gedurende die periode winst uit onderneming geniet als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
**1.** De aanspraak, bedoeld in artikel 29 en 30, dient in elk geval steeds aan het einde van ieder kalenderjaar dan wel, indien dat eerder is, bij beëindiging van de deelneming volledig te zijn gefinancierd.
**3.** Van de in het eerste lid genoemde termijn kan worden afgeweken indien het beëindigen van het beroep van die deelnemer wordt veroorzaakt door arbeidsongeschiktheid. De periode waarin sprake kan zijn van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de duur van de arbeidsongeschiktheid indien deze langer is.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. kan op grond van bijzondere omstandigheden een langere termijn, van ten hoogste dertien weken, toestaan voor de financiering als bedoeld in het eerste lid.
**4.** De deelnemer die vrijwillig wil voortzetten doet binnen drie maanden vanaf de beëindiging van het beroep het verzoek daartoe bij de pensioenuitvoerder.
### Artikel 32a
### Artikel 66
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Bij beëindiging van de deelneming behoudt de gewezen deelnemer de tot dat moment op grond van het pensioenreglement opgebouwde pensioenaanspraken indien er sprake is van een uitkeringsregeling of een kapitaalregeling. Deze pensioenaanspraak dient volledig gefinancierd te zijn op het moment van beëindiging. In geval van premievrijmaking op grond van artikel 39, vierde lid, wordt daarmee bij de vaststelling van de opgebouwde aanspraken rekening gehouden.
### Artikel 33
**2.**
**1.** De beroepspensioenregeling kan inhouden dat een deelnemer die korter dan een jaar heeft deelgenomen aan de beroepspensioenregeling bij beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een uitkering ontvangt die ten minste gelijk is aan de betaalde premies voor pensioen dat een premievrije aanspraak oplevert, tenzij hij elders verworven pensioenaanspraken heeft ingebracht.
Bij een premieregeling wordt bij beëindiging van de deelneming de vaststelling van de pensioenaanspraken als volgt uitgevoerd: het tot op dat moment ontstane kapitaal voortvloeiend uit de tot de beëindiging beschikbaar gestelde premies wordt:
**2.** De beroepspensioenregeling kan in plaats van het in het eerste lid bedoelde tijdstip, waarop de deelneming eindigt, een later tijdstip van uitkering noemen, doch niet later dan twee jaren na het eindigen van die deelneming, noch later dan het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt.
a. belegd tot de pensioendatum;
b. aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal dat beschikbaar komt op de pensioendatum; of
c. aangewend voor een verzekerde levenslange uitkering vanaf de pensioendatum, al dan niet in combinatie met een aanspraak op nabestaandenpensioen.
### Artikel 34
**3.** Indien de opzet van de premieregeling zodanig is dat de beschikbaar gestelde premie direct, en niet pas bij de beëindiging van de deelneming, wordt aangewend voor een uitkering of kapitaal, dan geldt het eerste lid.
**4.** Deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na beëindiging van de deelneming aan een beroepspensioenregeling naar een andere lidstaat van de Europese Unie verhuizen behouden hun pensioenaanspraak in dezelfde mate als deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na beëindiging van de deelneming in Nederland blijven.
**5.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
### Artikel 67
Vervallen
### Artikel 68
**1.** Indien de partnerrelatie van een deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer een aanspraak op partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd.
**2.** Indien de partnerrelatie van een gewezen deelnemer eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de gewezen deelnemer een aanspraak op partnerpensioen als de gewezen deelnemer ten behoeve van die partner heeft behouden bij het beëindigen van de deelneming.
**3.** Indien een partnerrelatie van een gepensioneerde eindigt door scheiding verkrijgt de gewezen partner van de gepensioneerde een aanspraak op partnerpensioen als de gepensioneerde ten behoeve van zijn partner heeft behouden bij het ingaan van het ouderdomspensioen.
**4.** Het eerste, tweede en derde lid, vindt geen toepassing indien de partners bij voorwaarden in verband met de partnerrelatie of een schriftelijk gesloten overeenkomst met betrekking tot de scheiding anders overeenkomen. Deze voorwaarden of overeenkomst zijn respectievelijk is slechts geldig indien de pensioenuitvoerder zich bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen en bereid is een uit de afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de uitkering aan te passen.
**5.**
Een gewezen partner met een recht op bijzonder partnerpensioen als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft het recht dit te vervreemden aan een eerdere of latere partner van de overleden deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, mits:
a. de pensioenuitvoerder bereid is een eventueel uit die overdracht voortvloeiende wijziging van het risico te dekken;
b. de vervreemding onherroepelijk is; en
c. dit wordt overeengekomen bij notarieel verleden akte.
### Artikel 69
**1.** Indien het huwelijk van een deelnemer eindigt door echtscheiding of ontbinding na scheiding van tafel en bed, verkrijgt zijn gewezen echtgenoot een zodanige premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen, als de deelnemer ten behoeve van die gewezen echtgenoot zou hebben verkregen, indien op het tijdstip van de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk zijn deelneming zou zijn geëindigd anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
@ -447,230 +703,532 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders overeenkomen. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van de pensioenuitvoerder is gehecht, dat deze bereid is een uit de afwijking voortvloeiend pensioenrisico te dekken.
### Artikel 35
### Artikel 70
**1.** De aanspraak op ouderdomspensioen van een deelnemer of gewezen deelnemer wordt zonder toestemming van diens echtgenoot niet bij overeenkomst tussen die deelnemer of gewezen deelnemer en de pensioenuitvoerder verminderd anders dan bij afkoop zoals voorzien bij of krachtens deze wet, tenzij de echtgenoten het recht op pensioenverevening op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten.
Een rechtsvordering tegen een pensioenuitvoerder tot het doen van een uitkering verjaart niet bij leven van de pensioengerechtigde.
**2.** De aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen ten behoeve van de echtgenoot van een deelnemer of gewezen deelnemer wordt zonder toestemming van die echtgenoot niet bij overeenkomst tussen de deelnemer of de gewezen deelnemer en de pensioenuitvoerder verminderd anders dan bij afkoop zoals voorzien bij of krachtens deze wet.
### Artikel 71
**3.** Elk beding, strijdig met het bepaalde in het eerste en tweede lid, is nietig.
### Artikel 36
Indien artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding toepassing vindt is het bepaalde bij of krachtens deze wet van overeenkomstige toepassing op het eigen recht op pensioen van de tot verevening gerechtigde echtgenoot.
Op een pensioenaanspraak die of een pensioenrecht dat een tot verevening gerechtigde echtgenoot of geregistreerde partner op grond van artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding verwerft, zijn de artikelen 69, 73, 82 tot en met 85, 87, 88 en 93 tot en met 97 niet van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 4. Uitruil, afkoop, waardeoverdracht
### Artikel 37
### Artikel 72
**1.**
Indien in een beroepspensioenregeling wordt voorzien in een ouderdomspensioen en een nabestaandenpensioen dat bij beëindiging van de deelneming een premievrije aanspraak oplevert, wordt aan een deelnemer of een gewezen deelnemer, ongeacht zijn burgerlijke staat, de mogelijkheid geboden, in elk geval met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan, in plaats van nabestaandenpensioen te kiezen voor één of meer van de volgende vormen van ouderdomspensioen:
Indien een beroepspensioenregeling voorziet in de opbouw van een ouderdomspensioen en een partnerpensioen, biedt de beroepspensioenregeling aan de deelnemer of gewezen deelnemer met betrekking tot perioden van opbouw vanaf 1 januari 2006, ongeacht zijn burgerlijke staat, het recht in elk geval met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan, in plaats van partnerpensioen te kiezen voor één van de volgende wijzigingen van het ouderdomspensioen:
a. een hoger ouderdomspensioen;
b. een eerder ingaand ouderdomspensioen;
c. een hoger en eerder ingaand ouderdomspensioen.
b. een eerder ingaand ouderdomspensioen; of
c. een hoger en een eerder ingaand ouderdomspensioen.
**2.**
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de aanspraak op bijzonder partnerpensioen van de gewezen partner.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
**3.** Indien er in de beroepspensioenregeling geen recht op de keuzemogelijkheid als bedoeld in het eerste lid is opgenomen heeft de deelnemer of gewezen deelnemer het recht om te kiezen voor één van deze mogelijkheden.
a. het vrijwillige nabestaandenpensioen;
b. het wezenpensioen;
c. de aanspraak van de gewezen echtgenoot, bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid.
**4.** De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.
**3.** De collectieve actuariële waarde van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid, dat wordt gekozen in plaats van het nabestaandenpensioen, bedoeld in het eerste lid, is ongeacht de datum waarop de keuze wordt gemaakt, ten minste gelijkwaardig aan de collectieve actuariële waarde van dat nabestaandenpensioen.
**5.** De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de collectieve actuariële waarde van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid, dat wordt gekozen in plaats van het partnerpensioen, bedoeld in het eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt gemaakt, ten minste gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen berekende collectieve actuariële waarde van dat partnerpensioen.
**4.** Bij de keuze, bedoeld in het eerste lid, is, in voorkomend geval in afwijking van artikel 35, tweede lid, de toestemming van de echtgenoot vereist of is de toestemming van de partner die is aangemeld in het kader van een partnerpensioen vereist. Voor de toepassing van dit artikellid is artikel 42, eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing.
**6.** Bij de keuze, bedoeld in het eerste of derde lid, is de toestemming vereist van de partner die begunstigde is voor het in het eerste lid bedoelde partnerpensioen.
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de keuzemogelijkheid, de wijze waarop de keuzemogelijkheid wordt geboden en de collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in het derde lid.
**7.** Het vierde en vijfde lid zijn van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
### Artikel 38
**8.** Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid slechts van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
**9.** In afwijking van het zevende lid kunnen het vierde en vijfde lid van toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2007 indien dit is overeengekomen in de pensioenregeling.
**10.** Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
**11.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid.
### Artikel 73
**1.** Indien in een beroepspensioenregeling de deelnemer of gewezen deelnemer de mogelijkheid wordt geboden in plaats van een bepaald pensioen geheel of gedeeltelijk te kiezen voor een ander soort pensioen, anders dan bedoeld in artikel 37, is de collectieve actuariële waarde van dat andere pensioen ten minste gelijkwaardig aan de collectieve actuariële waarde van het eerst genoemde pensioen.
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de keuzemogelijkheid, de wijze waarop de keuzemogelijkheid geboden wordt en de collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 39
**1.** Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde enig recht op zijn pensioen of zijn aanspraak op pensioen aan een ander toekent, anders dan het verlenen van zekerheid voor het verkrijgen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 is slechts geldig voor zover beslag op zijn pensioen geldig zou zijn bij ontbreken van andere inkomsten.
**2.** Volmacht tot invordering van het pensioen, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
**3.** Onverminderd de artikelen 40, 41, 42 en 43 kan pensioen of een aanspraak op pensioen slechts worden afgekocht in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen.
**4.** Elk beding strijdig met dit artikel, is nietig.
### Artikel 40
**1.** In afwijking van artikel 39, derde lid, heeft zowel de pensioenuitvoerder zonder toestemming van de rechthebbende, als de rechthebbende zonder toestemming van de pensioenuitvoerder het recht tot afkoop van zijn pensioen, indien het ouderdomspensioen op het tijdstip van ingang een bij ministeriële regeling bepaald bedrag niet te boven gaat.
**2.** De afkoopsom wordt ter hand gesteld van de rechthebbende.
**3.** In het geval de rechthebbende zich in het buitenland heeft gevestigd, geldt voor het in het eerste lid bedoelde bedrag het tweevoudige en is de pensioenuitvoerder op verzoek van de rechthebbende verplicht voor het tijdstip van ingang aanspraken op pensioen af te kopen indien op het tijdstip van afkoop de hoogte van de pensioenaanspraak het tweevoudige van het in het eerste lid bedoelde bedrag niet te boven gaat.
**4.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt bij ministeriële regeling telkens herzien met ingang van 1 januari met hetzelfde percentage waarmee de consumentenindex Alle Huishoudens, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek, over de maand oktober daaraan voorafgaande naar boven of beneden afwijkt van die index over de maand oktober van het jaar voorafgaande aan de eerstgenoemde maand oktober.
**5.** De afkoopsom is voor mannen en vrouwen gelijk.
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het vijfde lid.
**7.** Elk beding strijdig met dit artikel, is nietig.
### Artikel 41
### Artikel 74
**1.**
Een pensioenuitvoerder is verplicht in geval van individuele beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op verzoek van een gewezen deelnemer aanspraken op pensioen af te kopen, indien:
Indien de beroepspensioenregeling de deelnemer of gewezen deelnemer de mogelijkheid biedt:
a. die afkoop waaraan geen besluit van de beroepspensioenvereniging ten grondslag ligt, ertoe strekt het de rechthebbende mogelijk te maken om onder aanwending van de afkoopsom pensioen of aanspraken op pensioen te verwerven overeenkomstig een andere pensioenregeling in de zin van deze wet of een andere pensioenvoorziening in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet, bij de instelling waar die andere pensioenregeling of pensioenvoorziening is ondergebracht;
b. de afkoopsom rechtstreeks wordt overgedragen aan die instelling, en
c. de aanspraken op pensioen worden verworven jegens een pensioenuitvoerder of jegens een pensioenfonds als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet.
a. in plaats van een bepaald soort pensioen geheel of gedeeltelijk te kiezen voor een ander soort pensioen, dan het pensioen, bedoeld in de artikelen 72 en 73;
b. de ingangsdatum van het ouderdomspensioen te vervroegen of uit te stellen;
c. de hoogte van het ouderdomspensioen te laten variëren; of
d. tot een keuze anders dan bedoeld in de voorgaande onderdelen,
waarborgt de pensioenuitvoerder dat bij gebruikmaking van de keuzemogelijkheid geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet per keuzerecht die voldoet aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
**2.** Bij gebruikmaking van een in het eerste lid bedoelde keuzemogelijkheid is de toestemming vereist van de partner die begunstigde is voor partnerpensioen indien de hoogte daarvan door gebruikmaking van de keuzemogelijkheid wordt verlaagd.
**3.** Het eerste lid is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
**4.** Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid slechts van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
**5.** In afwijking van het derde lid kan het eerste lid van toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2007 indien dit is overeengekomen in de beroepspensioenregeling.
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
### Artikel 75
**1.**
De hoogte van een pensioen kan na ingang variëren mits:
a. de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75% van de hoogste uitkering; en
b. de mate van variatie uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid blijft in de periode tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de 65-jarige leeftijd, van de uitkering buiten aanmerking het gedeelte dat overeenkomt met het bedrag bedoeld in artikel 18d, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
### Artikel 76
**1.**
Vervreemding of elke andere handeling, waardoor de aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde enig recht op zijn pensioenaanspraken of pensioenrechten aan een ander toekent is nietig, tenzij:
a. verpanding plaatsvindt voor het verlenen van zekerheid voor het verkrijgen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990; of
b. vervreemding plaatsvindt op grond van artikel 68, vijfde lid.
**2.** Een volmacht tot invordering van uitkeringen uit hoofde van een pensioenrecht, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
### Artikel 77
**1.** Afkoop is slechts mogelijk in bij of krachtens de artikelen 78 tot en met 80 en 129 bedoelde situaties of in geval van toepassing van artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht.
**2.** Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
### Artikel 78
**1.**
De pensioenuitvoerder heeft het recht om op zijn vroegst twee jaar na beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer af te kopen, indien op basis van de tot het tijdstip van beëindiging opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zal bedragen dan € 400 per jaar, tenzij:
a. dit recht op afkoop in de beroepspensioenregeling en uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten; of
b. de gewezen deelnemer de pensioenuitvoerder binnen twee jaar na beëindiging van de deelneming heeft gemeld dat de gewezen deelnemer een procedure tot waardeoverdracht is gestart.
**2.** Indien de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen ligt voor het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van twee jaar, heeft de pensioenuitvoerder het recht om bij de ingang van het ouderdomspensioen een aanspraak op ouderdomspensioen en eventuele andere aanspraken ten behoeve van de gewezen deelnemer of zijn nabestaanden af te kopen, indien de uitkering van het ouderdomspensioen op de ingangsdatum minder bedraagt dan € 400 per jaar.
**3.** De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het eerste lid bedoelde recht informeert de gewezen deelnemer over zijn besluit hieromtrent binnen zes maanden na afloop van de periode van twee jaar na beëindiging van de deelneming en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.
**4.** De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het tweede lid bedoelde recht informeert de gepensioneerde over zijn besluit hieromtrent binnen zes maanden na de ingang van het pensioen en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.
**5.** De pensioenuitvoerder stelt de afkoopwaarde van de pensioenaanspraken ter beschikking aan de gewezen deelnemer dan wel de gepensioneerde, met uitzondering van de afkoopwaarde van een bijzonder partnerpensioen, die ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen partner.
**6.** De pensioenuitvoerder vergoedt rente over de periode tussen het besluit tot afkoop en de betaling van de afkoopwaarde.
**7.**
De pensioenuitvoerder kan op het in het tweede lid bedoelde tijdstip of na de in het derde lid bedoelde termijn van 2 jaar en zes maanden afkopen indien:
a. de gewezen deelnemer of gepensioneerde daarmee instemt; en
b. de hoogte van het ouderdomspensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan het in het eerste lid bedoelde grensbedrag.
**8.** Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij regeling van Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari op basis van de consumentenprijsindex Alle Huishoudens, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De herziening wordt bepaald door de procentuele wijziging die dat indexcijfer over de maand oktober, voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar.
**9.** De pensioenuitvoerder waarborgt met betrekking tot perioden van opbouw vanaf 1 januari 2007 bij de vaststelling van de afkoopwaarde door vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
**10.** Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
**11.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er nadere regels worden gesteld aan het vaststellen van de rente en de afkoopwaarde, bedoeld in het zesde lid.
### Artikel 79
**1.** De pensioenuitvoerder heeft jegens de partner het recht om een recht op partnerpensioen en eventuele andere pensioenrechten ten behoeve van de nabestaanden van dezelfde deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde af te kopen, indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum minder bedraagt dan het op basis van artikel 78 bepaalde bedrag, tenzij dit recht op afkoop in de beroepspensioenregeling en uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten.
**2.** De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste lid bedoelde recht informeert de partner hierover binnen zes maanden na de ingangsdatum en gaat binnen die termijn over tot uitbetaling van de afkoopwaarde aan de partner.
**3.**
De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde termijn afkopen indien:
a. de partner daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan het op basis van artikel 78 bepaalde bedrag.
**4.** Artikel 78, zesde en negende tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 80
**1.** De pensioenuitvoerder heeft jegens de gewezen partner het recht om een aanspraak op bijzonder partnerpensioen af te kopen indien de uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum minder zal bedragen dan het op basis van artikel 78 bepaalde bedrag, tenzij dit recht op afkoop in de beroepspensioenregeling en uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten.
**2.** De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste lid bedoelde recht informeert de gewezen partner hierover binnen zes maanden na de melding van de scheiding en gaat binnen die termijn over tot uitbetaling van de afkoopwaarde aan de gewezen partner.
**3.**
De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde termijn afkopen indien:
a. de gewezen partner daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan het op basis van artikel 78 bepaalde bedrag.
**4.** Artikel 78, zesde en negende tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 81
**1.**
Voor de toepassing van de artikelen 82 tot en met 100 wordt onder ontvangende pensioenuitvoerder mede verstaan:
1°. een pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet; en
2°. de Stichting Notarieel pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt.
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen instellingen worden aangewezen jegens wie een pensioenuitvoerder een verplichting tot waardeoverdracht heeft.
**3.** Waardeoverdracht is slechts mogelijk in de in de artikelen 82 tot en met 100 bedoelde situaties.
**4.** Voor de toepassing van de artikelen 83, 88, eerste lid, onderdeel d, en 89, eerste lid, onderdeel c, wordt onder een beroepspensioenfonds dat optreedt als ontvangende pensioenuitvoerder mede verstaan een pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of de Stichting Notarieel pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt.
### Artikel 82
**1.**
De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens pensioenaanspraken over te dragen indien:
a. er sprake is van een individuele beëindiging van de deelneming;
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende pensioenuitvoerder van de nieuwe beroepspensioenregeling of de werkgever; en
c. de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen instemt met de overdracht van de waarde van de aanspraak op partnerpensioen;
tenzij sprake is van een van de in de artikelen 83 en 84 omschreven situaties.
**2.** De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek tot waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
**3.** De plicht van de overdragende pensioenuitvoerder om de waarde rechtstreeks over te dragen en de plicht van de ontvangende pensioenuitvoerder om de waarde aan te wenden ontstaat indien de deelnemer binnen zes maanden na aanvang van de verwerving van pensioenaanspraken in de door de ontvangende pensioenuitvoerder uitgevoerde pensioenregeling een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken aan de ontvangende pensioenuitvoerder en daarna het verzoek tot waardeoverdracht doet aan de ontvangende pensioenuitvoerder.
**4.** De ontvangende pensioenuitvoerder waarborgt dat de actuariële waarde van de door de deelnemer te verwerven pensioenaanspraken ten minste gelijk is aan de op dezelfde grondslagen berekende waarde van de over te dragen pensioenaanspraken.
**5.** De overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder brengen in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening.
**6.** Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde, de waarde van met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken alsmede de in acht te nemen procedures.
### Artikel 83
De in artikel 82 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet zolang:
a. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een beroepspensioenfonds is waarbij de technische voorzieningen niet meer volledig door waarden worden gedekt; of
b. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een verzekeraar is:
1°. waarop de noodregeling als bedoeld in artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht, van toepassing is; of
2°. die failliet is.
### Artikel 84
De in artikel 82 en 99 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet met betrekking tot pensioenaanspraken indien de deelneming is geëindigd vóór 1 januari 2006.
### Artikel 85
**1.**
Indien de in artikel 83 genoemde omstandigheden niet meer van toepassing zijn:
a. herleven de in artikel 82 bedoelde plichten van de overdragende pensioenuitvoerder en de ontvangende pensioenuitvoerder;
b. wordt de in artikel 82, derde lid, omschreven verplichting van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen en daarna een verzoek tot waardeoverdracht te doen verlengd tot zes maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.
**2.** Een overdragende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de in artikel 83 bedoelde omstandigheden op hem van toepassing zijn verzoeken tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert, wanneer deze omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in die periode gewezen deelnemer zijn geworden en de betrokken ontvangende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde over te dragen.
**3.** Een ontvangende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de in artikel 83 genoemde omstandigheden op hem van toepassing zijn verzoeken tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert wanneer deze omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in die periode een verzoek tot waardeoverdracht hebben gedaan en de betrokken overdragende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde over te dragen.
### Artikel 86
**1.**
Indien in de in artikel 82 bedoelde situatie geen plicht tot waardeoverdracht bestaat omdat:
a. de deelnemer niet voldaan heeft aan de in artikel 82, derde lid, omschreven verplichting om binnen zes maanden een opgave te vragen; of
b. sprake is van de in artikel 84 bedoelde situatie,
is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht indien voldaan wordt aan de in artikel 82, eerste lid, onderdeel a, b en c, en vierde lid genoemde voorwaarden.
**2.**
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
Indien in de in artikel 82 bedoelde situatie geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, omdat er geen sprake is van een individuele beëindiging, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht indien:
a. de financiële toestand van het beroepspensioenfonds waardeoverdracht naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. niet toelaat;
b. niet alle premies zijn betaald aan de verzekeraar: voorzover deze premies niet zijn betaald.
a. wordt voldaan aan de in artikel 82, eerste lid, onderdeel b en c, en vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerders aan wie door een groep gewezen deelnemers verzoeken tot waardeoverdracht worden gedaan, dit schriftelijk hebben gemeld aan de toezichthouder; en
c. de toezichthouder binnen drie maanden na de melding geen verbod tot waardeoverdracht heeft opgelegd aan een van beide pensioenuitvoerders.
**3.** Een pensioenuitvoerder is verplicht op verzoek van een deelnemer de afkoopsom op grond van het eerste lid, artikel 32b, eerste lid van de Pensioen- en spaarfondsenwet en artikel 16a van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en Spaarfondsenwet aan te wenden ter verwerving van aanspraken op pensioen voor die deelnemer.
**3.** Indien de financiering van de aanspraken van de gewezen deelnemer bij de overdragende pensioenuitvoerder nog niet is voltooid overeenkomstig artikel 66 kan de pensioenuitvoerder ondanks de lagere waarde en de daaruit bij de ontvangende pensioenuitvoerder resulterende lagere pensioenaanspraken de waarde overdragen indien de gewezen deelnemer en zijn partner schriftelijk hiermee instemmen en mits sprake is van de in artikel 84 bedoelde situatie.
**4.** Met betrekking tot het eerste en derde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld ten aanzien van de berekening van de waarde van de af te kopen aanspraken op pensioen en de met de afkoopsom in te kopen aanspraken op pensioen alsmede de in acht te nemen procedure. Deze regels kunnen met betrekking tot aanspraken op nabestaandenpensioen het recht op afkoop van de gewezen deelnemer beperken. De Stichting van de Arbeid verstrekt Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
### Artikel 87
**5.** Een pensioenuitvoerder is verplicht op verzoek van een gewezen deelnemer bij diens aanstelling in vaste dienst van een van de Europese Gemeenschappen een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 29 af te kopen en de afkoopsom over te dragen aan de betrokken Gemeenschap. Bij de berekening van de afkoopsom zijn de rekenregels van het derde lid van toepassing. Een pensioenuitvoerder is bevoegd op verzoek van de gewezen deelnemer en diens echtgenoot of partner een premievrije aanspraak op weduwen-, weduwnaars- of partnerpensioen als bedoeld in artikel 30 in de in de eerste zin bedoelde afkoop en overdracht te betrekken.
**1.** De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer de waarde van diens pensioenaanspraken aan te wenden in het kader van het keuzerecht overeenkomstig de artikelen 72 en 73 of de keuzemogelijkheden overeenkomstig artikel 74.
### Artikel 42
**2.** De pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening.
### Artikel 88
**1.**
Onverminderd het tweede lid en de artikelen 41 en 43 is een pensioenuitvoerder uitsluitend bevoegd pensioen of aanspraken op pensioen af te kopen voor zover de beroepspensioenregeling dat mogelijk maakt en indien:
Een beroepspensioenfonds is bevoegd om op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer de waarde van zijn pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalregeling of een premieregeling per de pensioendatum rechtstreeks over te dragen aan een andere pensioenuitvoerder indien:
a. de rechthebbende daarmee instemt;
b. de afkoop ertoe strekt het de rechthebbende mogelijk te maken om onder aanwending van de afkoopsom pensioen of aanspraken op pensioen te verwerven overeenkomstig dezelfde beroepspensioenregeling of de afkoop ertoe strekt uitvoering te geven aan een besluit van de beroepspensioenvereniging om onder aanwending van de afkoopsom pensioen of aanspraken op pensioen te verwerven overeenkomstig een andere beroepspensioenregeling;
c. met de pensioenbelangen van de echtgenoot of de gewezen echtgenoot op redelijke wijze rekening is gehouden;
d. de afkoopsom of zodanig wordt vastgesteld dat het te verwerven pensioen voor mannen en vrouwen gelijk is of, indien sprake is van een beschikbare premieregeling, zodanig wordt vastgesteld dat de omvang van het te verwerven pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van de afkoopsom gelijk is;
e. onverminderd de artikelen 37 en 38, het in te kopen pensioen collectief actuarieel gelijkwaardig is aan het af te kopen pensioen;
f. de aanspraken op pensioen worden verworven jegens een pensioenuitvoerder of jegens een pensioenfonds als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet;
g. het voornemen tot afkoop door het beroepspensioenfonds uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van afkoop schriftelijk wordt gemeld aan De Nederlandsche Bank N.V. in die gevallen waarin er sprake is van groepsgewijze afkoop en De Nederlandsche Bank N.V. binnen die periode niet van eventuele bezwaren heeft doen blijken.
a. de beroepspensioenregeling hierin voorziet;
b. de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen instemt met de overdracht van de waarde van de aanspraak op partnerpensioen;
c. de overdrachtswaarde zodanig door het overdragende beroepspensioenfonds wordt vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan; en
d. indien de ontvangende pensioenuitvoerder een beroepspensioenfonds is, de deelnemer reeds pensioenaanspraken heeft jegens dat beroepspensioenfonds.
**2.** In het geval van liquidatie van het beroepspensioenfonds kan afkoop overeenkomstig het eerste lid plaatsvinden.
**2.** Het eerste lid, onderdeel c, is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
**3.** Een pensioenuitvoerder is, voorzover de beroepspensioenregeling dat mogelijk maakt bevoegd aanspraken op pensioen af te kopen, indien die afkoop ertoe strekt het de rechthebbende mogelijk te maken om op de datum waarop het pensioen ingaat onder aanwending van de afkoopsom bij een andere instelling pensioen te verwerven, mits de afkoopsom rechtstreeks wordt overgedragen aan die instelling en wordt voldaan het eerste lid, onderdeel a, c, d en e en f.
**3.** Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid, onderdeel c, van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
### Artikel 43
**4.** In afwijking van het tweede lid kunnen de in het eerste lid, onderdeel c, opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2007 indien dit is overeengekomen in de beroepspensioenregeling.
Onverminderd de artikelen 41 en 42 is een pensioenuitvoerder uitsluitend bevoegd pensioen of aanspraken op pensioen bij beëindiging van de deelneming af te kopen voor zover de beroepspensioenregeling dat mogelijk maakt en indien:
**5.** Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
a. de rechthebbende daarmee instemt;
b. die afkoop waaraan geen besluit van de beroepspensioenvereniging ten grondslag ligt, ertoe strekt het de rechthebbende mogelijk te maken om onder aanwending van de afkoopsom pensioen of aanspraken op pensioen te verwerven overeenkomstig een andere pensioenregeling als bedoeld in deze wet of een andere pensioenvoorziening in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet bij de instelling waar die andere pensioenregeling of pensioenvoorziening is ondergebracht;
c. de afkoopsom rechtstreeks wordt overgedragen aan die instelling;
d. het pensioen of de aanspraken op pensioen worden verworven jegens een pensioenuitvoerder of jegens een pensioenfonds als bedoeld in de Pensioen- en spaarfondsenwet;
e. met de pensioenbelangen van de echtgenoot of gewezen echtgenoot op redelijke wijze rekening is gehouden;
f. het pensioen of de aanspraak op pensioen door de instelling jegens welke het pensioen of aanspraak op pensioen wordt verworven, aldus wordt vastgesteld, dat de actuariële waarde ervan ten minste gelijk is aan de op dezelfde grondslagen berekende actuariële waarde van het af te kopen pensioen of de af te kopen aanspraken op pensioen, en
g. het voornemen tot afkoop door het beroepspensioenfonds uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van afkoop schriftelijk wordt gemeld aan De Nederlandsche Bank N.V. in die gevallen waarin sprake is van groepsgewijze afkoop en De Nederlandsche Bank N.V. binnen die periode niet van eventuele bezwaren heeft doen blijken.
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
### Paragraaf 5. Toeslagen
### Artikel 89
### Artikel 44
Vervallen
**1.** Indien een instelling op ingegane ouderdomspensioenen van pensioengerechtigden die tot de ingang van hun pensioen aan de beroepspensioenregeling hebben deelgenomen toeslagen, hoe ook genaamd, verleent, heeft de pensioengerechtigde die aan dezelfde beroepspensioenregeling heeft deelgenomen maar voorafgaand aan de ingang van zijn pensioen gewezen deelnemer was er jegens de instelling recht op dat hem op zijn ingegaan ouderdomspensioen overeenkomstige toeslagen worden verleend met inachtneming van dezelfde uitgangspunten.
### Artikel 90
**2.** Op de overeenkomstige toeslagen kunnen in mindering worden gebracht toeslagen op ingegaan ouderdomspensioen welke de pensioengerechtigde over hetzelfde tijdvak uit andere hoofde ontvangt.
**1.** In geval van overdracht van pensioenkapitaal op de pensioendatum ten behoeve van aankoop van een periodieke pensioenuitkering, is de overdragende pensioenuitvoerder verplicht binnen acht weken na het verzoek hiertoe van de gepensioneerde, het pensioenkapitaal over te dragen aan de door de gepensioneerde aangewezen ontvangende pensioenuitvoerder.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de weduwe of weduwnaar van de gewezen deelnemer of pensioengerechtigde voor wat betreft toeslagen op weduwenof weduwnaarspensioen.
**2.** De overdragende pensioenuitvoerder is verplicht tot vergoeding van de schade die de gepensioneerde ondervindt ten gevolge van de aan die pensioenuitvoerder toerekenbare niet tijdige overdracht; de schade is ten minste gelijk aan de wettelijke rente op het uit te keren of over te dragen pensioenkapitaal.
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de partner van een gewezen deelnemer na het overlijden van die gewezen deelnemer voor wat betreft toeslagen op zijn partnerpensioen.
### Artikel 91
**5.** Bij ministeriële regeling wordt aangegeven wat voor de toepassing van dit artikel onder gewezen deelnemer wordt verstaan.
**1.**
### Artikel 45
De pensioenuitvoerder is op verzoek van de beroepspensioenvereniging bevoegd tot collectieve waardeoverdracht indien:
**1.** Indien een instelling op ingegane ouderdomspensioenen van pensioengerechtigden die tot de ingang van hun pensioen aan de beroepspensioenregeling hebben deelgenomen toeslagen, hoe ook genaamd, verleent, heeft de gewezen deelnemer die aan dezelfde regeling heeft deelgenomen, er jegens die instelling recht op dat hem op zijn premievrije aanspraak op ouderdomspensioen overeenkomstige toeslagen worden verleend met inachtneming van dezelfde uitgangspunten.
a. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst door de beroepspensioenvereniging met de overdragende pensioenuitvoerder de waarde onder te brengen bij de ontvangende pensioenuitvoerder met wie de beroepspensioenvereniging een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten; of
b. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met een wijziging van de beroepspensioenregeling de waarde van pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij dezelfde pensioenuitvoerder overeenkomstig die gewijzigde beroepspensioenregeling.
**2.** Op de overeenkomstige toeslagen kunnen in mindering worden gebracht toeslagen op zijn premievrije aanspraak op ouderdomspensioen welke de gewezen deelnemer over hetzelfde tijdvak uit anderen hoofde ontvangt.
**2.**
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen deelnemer voor wat betreft toeslagen op zijn premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarpensioen.
Bij een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen deelnemer wat betreft toeslagen op zijn premievrije aanspraak op partnerpensioen.
a. de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de pensioengerechtigden hebben geen bezwaren jegens de pensioenuitvoerder kenbaar gemaakt tegen de waardeoverdracht nadat zij over het voornemen schriftelijk zijn geïnformeerd;
b. de overdrachtswaarde wordt door de overdragende pensioenuitvoerder zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan; en
c. het voornemen tot waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht opgelegd.
**5.** Bij ministeriële regeling wordt aangegeven wat voor de toepassing van dit artikel onder gewezen deelnemer wordt verstaan.
**3.** Het tweede lid, onderdeel b, is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
### Paragraaf 6. Deelneming bij verblijf in een andere lidstaat
**4.** Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde datum zijn opgebouwd is de eis van individuele actuariële gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 82, vierde lid, van toepassing, tenzij in de beroepspensioenregeling is overeengekomen dat de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van toepassing zijn.
### Artikel 46
**5.** Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel b van het tweede lid van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
**1.** In dit artikel wordt verstaan onder gedetacheerd beroepsgenoot: een beroepsgenoot die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsten (Pb EG L 149), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van oorsprong.
**6.** Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
**2.** Een gedetacheerd beroepsgenoot kan tijdens de detachering blijven deelnemen aan de beroepspensioenregeling.
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
### Artikel 47
### Artikel 92
Deelnemers en andere rechthebbenden die zich na beëindiging van de deelneming aan een beroepspensioenregeling naar een andere lidstaat begeven behouden hun aanspraak op pensioen in dezelfde mate als deelnemers en andere rechthebbenden die na beëindiging van de deelneming in Nederland blijven.
**1.** De pensioenuitvoerder is verplicht tot waardeoverdracht aan een andere pensioenuitvoerder bij liquidatie van de eerstgenoemde pensioenuitvoerder.
### Artikel 48
**2.**
**1.** De pensioenuitvoerder verstrekt deelnemers en gewezen deelnemers die zich naar een andere lidstaat begeven informatie over hun aanspraken op pensioen en over de mogelijkheden die hen op grond van de beroepspensioenregeling worden geboden.
In geval van een waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid gelden de volgende voorwaarden:
**2.** De informatie die op grond van het eerste lid wordt verstrekt is ten minste overeenkomstig de informatie die wordt verstrekt aan deelnemers en gewezen deelnemers die in Nederland blijven.
a. het voornemen tot waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht opgelegd;
b. de overdrachtswaarde zodanig door de overdragende pensioenuitvoerder wordt vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn, waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan.
### Artikel 49
**3.** Het tweede lid, onderdeel b, is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2007 zijn opgebouwd.
De pensioenuitvoerder betaalt het pensioen op verzoek van de rechthebbende in een andere lidstaat dan de lidstaat waar die pensioenuitvoerder is gevestigd, waarbij transactiekosten op het pensioen in mindering gebracht kunnen worden.
**4.** Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde datum zijn opgebouwd is de eis van individuele actuariële gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 82, vierde lid, van toepassing tenzij in de beroepspensioenregeling is overeengekomen dat de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van toepassing zijn.
**5.** Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel b van het tweede lid van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2006.
**6.** Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
### Artikel 93
**1.**
De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens pensioenaanspraken over te dragen aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met een zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 8, indien voldaan wordt aan de in artikel 82 genoemde voorwaarden, met dien verstande dat:
a. de in artikel 83 gestelde eis inzake de ontvangende pensioenuitvoerder niet van toepassing is; en mits
b. de mogelijkheden tot afkoop van de waarde van de overgedragen pensioenaanspraken na de waardeoverdracht niet ruimer zijn dan op basis van deze wet.
**2.** Indien op grond van de in artikel 83 genoemde omstandigheden tijdelijk geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, maar deze plicht overeenkomstig artikel 85 herleeft, is artikel 85, derde lid, niet van toepassing.
**3.** De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening.
### Artikel 94
**1.**
De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens pensioenaanspraken over te dragen aan een van de Europese Gemeenschappen of aan een op grond van artikel 81, tweede lid, door Onze Minister aangewezen instelling, indien:
a. er sprake is van beëindiging van de deelneming;
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij een van de Europese Gemeenschappen of de aangewezen genoemde instelling;
c. de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen instemt met de overdracht van de waarde van de aanspraak op partnerpensioen; en
d. de waarde rechtstreeks wordt overgedragen aan de betrokken Europese Gemeenschap of de aangewezen instelling.
**2.** De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening.
**3.** De op grond van artikel 82, zevende lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 95
**1.** De pensioenuitvoerder die een verzoek tot waardeoverdracht ontvangt van een gewezen deelnemer waarbij beoogd wordt de waarde over te dragen aan een buitenlandse instelling, meldt dit aan de toezichthouder.
**2.**
Waardeoverdracht aan een buitenlandse instelling is alleen mogelijk wanneer ten genoegen van de toezichthouder wordt aangetoond dat:
a. voldaan wordt aan de in artikel 82, eerste lid, onderdeel a tot en met c, genoemde voorwaarden;
b. de in artikel 83 bedoelde omstandigheden op de overdragende pensioenuitvoerder niet van toepassing zijn;
c. de buitenlandse instelling de pensioenregeling uitvoert waaraan de beroepsgenoot deelneemt;
d. de buitenlandse instelling in het land van vestiging is onderworpen aan een vorm van overheidstoezicht;
e. de vermogens van de instelling en de werkgever juridisch zijn gescheiden door het bestaan van een aparte juridische entiteit van de instelling, door een speciale preferentieregeling ten gunste van pensioengerechtigden of anderszins; en
f. de mogelijkheden tot afkoop van de overgedragen pensioenaanspraken na de waardeoverdracht niet ruimer zijn dan op basis van deze wet.
### Artikel 96
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de gewezen deelnemer de waarde van zijn pensioenaanspraken over te dragen aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 8, indien wordt voldaan aan de in artikel 86 opgenomen voorwaarden.
### Artikel 97
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer de waarde van zijn pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalregeling of een premieregeling per de pensioendatum rechtstreeks over te dragen aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 8, indien wordt voldaan aan de in artikel 88 opgenomen voorwaarden.
### Artikel 98
**1.** De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de beroepspensioenvereniging over te gaan tot collectieve waardeoverdracht overeenkomstig artikel 91, indien de beroepspensioenvereniging een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten met een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 8.
**2.** Aan de in artikel 92 geformuleerde verplichting tot waardeoverdracht in geval van liquidatie kan ook worden voldaan door waardeoverdracht aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoeld in artikel 8 in plaats van aan een pensioenuitvoerder.
### Artikel 99
**1.**
Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader van waardeoverdracht een waarde van een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland aan te nemen die verband houdt met een beroepspensioenregeling waarop deze wet tot het tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de pensioenuitvoerder gehouden daarvoor als ontvangende pensioenuitvoerder op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende deelnemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende pensioenuitvoerder;
b. de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen instemt met de overdracht van de waarde van de aanspraak op partnerpensioen;
c. op de pensioenuitvoerder de in artikel 83 genoemde omstandigheden niet van toepassing zijn; en
d. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
**2.** De ontvangende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening.
### Artikel 100
Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader van waardeoverdracht een waarde van een buitenlandse instelling aan te nemen die verband houdt met een pensioenregeling waarop deze wet tot het tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de pensioenuitvoerder bevoegd daarvoor als ontvangende pensioenuitvoerder op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende deelnemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende pensioenuitvoerder;
b. de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen instemt met de overdracht van de waarde van de aanspraak op partnerpensioen;
c. op de pensioenuitvoerder de in artikel 83 genoemde omstandigheden niet van toepassing zijn; en
d. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
### Paragraaf 5. Overige bepalingen
### Artikel 101
Inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand, die de pensioenuitvoerder nodig heeft met het oog op de uitvoering van zijn taak, zijn vrij van leges.
### Artikel 102
**1.** Het sociaal-fiscaal nummer, bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, kan door de pensioenuitvoerder in een door hem beheerde persoonsregistratie worden opgenomen en bij het verstrekken van gegevens daaruit worden gebruikt.
**2.**
De pensioenuitvoerder gebruikt dit sociaal-fiscaal nummer uitsluitend:
a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking heeft; of
b. in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het sociaal-fiscaal nummer in een persoonsregistratie.
### Artikel 103
**1.** Bij voorwaardelijke toeslagverlening dient er een consistent geheel te zijn tussen de gewekte verwachtingen, de financiering en het realiseren van voorwaardelijke toeslagen.
**2.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**3.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
### Artikel 104
Een pensioenuitvoerder vermeldt in zijn jaarverslag of in het afgelopen boekjaar:
a. aan de pensioenuitvoerder dwangsommen en boetes zijn opgelegd, en zo ja, hoeveel deze in totaal hebben bedragen;
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 166 aan de pensioenuitvoerder is gegeven;
c. een bewindvoerder als bedoeld in artikel 168 is aangesteld;
d. een kortetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 135 van toepassing is;
e. een langetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 133 van toepassing is;
f. de beëindiging van de situatie, bedoeld in artikel 167, waarin de bevoegdheidsuitoefening van alle of bepaalde organen van een beroepspensioenfonds is gebonden aan toestemming van de toezichthouder.
### Artikel 105
Overlijdt een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde ten gevolge van een van het risico uitgesloten oorzaak en betrof het een partnerpensioen op opbouwbasis, dan keert de pensioenuitvoerder aan de partner een periodieke uitkering van partnerpensioen uit die gebaseerd is op de premievrije waarde berekend naar de dag voorafgaande aan het overlijden.
## Hoofdstuk 4. Beroepspensioenfonds
### Paragraaf 1. Bestuur van het beroepspensioenfonds
### Artikel 50
### Artikel 106
Een beroepspensioenfonds is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.
### Artikel 51
### Artikel 107
**1.** Het bestuur van een beroepspensioenfonds is verplicht binnen drie maanden na oprichting van het fonds dit te melden bij De Nederlandsche Bank N.V. door middel van een door De Nederlandsche Bank N.V. vast te stellen formulier.
**1.** Het beroepspensioenfonds meldt binnen drie maanden na zijn oprichting deze oprichting aan de toezichthouder door middel van een door de toezichthouder vastgesteld formulier.
**2.** Binnen de in het eerste lid genoemde termijn zendt het bestuur van het beroepspensioenfonds een afschrift van de akte van oprichting, en een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van de reglementen.
**2.**
### Artikel 52
Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden gevoegd:
**1.** Het bestuur van een beroepspensioenfonds bestaat uit vertegenwoordigers van de beroepspensioenvereniging die de verplichtstelling heeft aangevraagd.
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het beroepspensioenfonds;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van het reglement of de reglementen van het beroepspensioenfonds;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de uitvoeringsovereenkomst;
d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 140; en
e. een eventuele overeenkomst tot overdracht of herverzekering.
**2.** Elke bestuurder van een beroepspensioenfonds is bevoegd een deskundige te raadplegen, en zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste één vierde van de bestuurders zich daarvoor heeft uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.
### Artikel 108
### Artikel 53
Het beroepspensioenfonds zendt:
**1.** Het dagelijks beleid van een beroepspensioenfonds wordt bepaald door ten minste twee personen.
a. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van de statuten;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van wijziging van de reglementen;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst;
d. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen in de actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 140; en
e. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen in de eventuele overeenkomst tot herverzekering of tot overdracht,
**2.** De deskundigheid, reputatie, beroepskwalificatie en beroepservaring van de personen die het beleid van een beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen, dient naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. voldoende te zijn met het oog op de belangen van de bij het beroepspensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en overige belanghebbenden.
binnen twee weken na totstandkoming van die wijziging aan de toezichthouder.
**3.** De voornemens, handelingen of antecedenten van de personen die het beleid van het beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen, mogen De Nederlandsche Bank N.V. geen aanleiding geven tot het oordeel dat, met het oog op de belangen, bedoeld in het tweede lid, de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat.
### Artikel 109
**4.** De personen die het beleid van een beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het fonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en overige belanghebbenden en zorgen ervoor dat deze zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
Het bestuur van een beroepspensioenfonds bestaat uit vertegenwoordigers van de beroepspensioenvereniging die de verplichtstelling heeft aangevraagd.
**5.** Het bestuur van het beroepspensioenfonds brengt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het beleid van het fonds bepalen of mede bepalen vooraf ter kennis aan De Nederlandsche Bank N.V.
### Artikel 110
**6.** Een wijziging als bedoeld in het vijfde lid wordt niet doorgevoerd indien De Nederlandsche Bank N.V. binnen zes weken na ontvangst van de melding, of, indien De Nederlandsche Bank N.V. om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of inlichtingen, aan het bestuur van het beroepspensioenfonds bekend maakt dat zij niet met de voorgenomen wijziging instemt.
**1.** Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een beroepspensioenfonds.
**7.** Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten, bedoeld in het derde lid, stelt het bestuur van het beroepspensioenfonds De Nederlandsche Bank N.V. daarvan onverwijld schriftelijk is kennis.
**2.** De personen die het beleid van een beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het beroepspensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en de pensioengerechtigden en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
**8.** De Nederlandsche Bank N.V. stelt beleidsregels vast met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
**3.** Het beleid van een beroepspensioenfonds wordt bepaald of mede bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van het beroepspensioenfonds.
**9.** De Nederlandsche Bank N.V. verstrekt aan een autoriteit die op grond van de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht effectenverkeer 1995 belast is met het toezicht op kredietinstellingen, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders de gegevens of inlichtingen die zij verkregen heeft bij de vervulling van de haar op grond van deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid van personen als bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk de voornemens, de handelingen of de antecedenten van personen als bedoeld in het derde lid, voor zover De Nederlandsche Bank N.V. van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.
**4.** Iedere bestuurder van een beroepspensioenfonds is bevoegd een deskundige te raadplegen, of zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste één vierde van de bestuurders zich daarvoor heeft uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.
### Artikel 54
**5.** Het bestuur van een beroepspensioenfonds draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van het beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen buiten twijfel staat.
**1.** Een beroepspensioenfonds beschikt over een gedragscode die voor bestuurders en medewerkers van het beroepspensioenfonds voorschriften geeft ter voorkoming van belangenconflicten, van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij het beroepspensioenfonds aanwezig informatie.
**6.** Het bestuur van het beroepspensioenfonds meldt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het beleid van het beroepspensioenfonds bepalen of mede bepalen vooraf aan de toezichthouder.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. kan regels stellen met betrekking tot de inhoud de gedragscode, bedoeld in het eerste lid.
**7.**
### Artikel 55
Een wijziging als bedoeld in het zesde lid wordt niet doorgevoerd indien:
**1.** Ieder van de bestuurders van het beroepspensioenfonds draagt er zorg voor dat het bepaalde bij of krachtens deze wet alsmede de bepalingen van de statuten en reglementen van het beroepspensioenfonds worden nageleefd.
a. de toezichthouder binnen zes weken na ontvangst van de melding van de wijziging aan het beroepspensioenfonds bekend maakt dat het niet met de voorgenomen wijziging instemt; of
b. de toezichthouder om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht en binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of inlichtingen aan het beroepspensioenfonds bekend maakt dat het niet met de voorgenomen wijziging instemt.
**2.** Ieder van de bestuurders van een beroepspensioenfonds is verplicht te zorgen, dat het beleid van het fonds wordt gevoerd overeenkomstig de in artikel 61 bedoelde actuariële en bedrijfstechnische nota.
**8.** Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten die van invloed is op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het vijfde lid, stelt het beroepspensioenfonds de toezichthouder daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
### Artikel 56
**9.** De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door de toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
**10.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het derde en het vijfde tot en met het achtste lid.
### Artikel 111
Iedere bepaling die het lidmaatschap van het bestuur onmogelijk maakt op grond van het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd is nietig.
### Artikel 112
Iedere bepaling die een instemmingsrecht inhoudt van een partij, die geen orgaan is van het beroepspensioenfonds, inzake een besluit of voorgenomen besluit van het beroepspensioenfonds is nietig, tenzij in deze wet anders is bepaald.
### Artikel 113
**1.**
@ -686,601 +1244,1003 @@ g. de liquidatie van het beroepspensioenfonds, met name ook wat betreft de verpl
**2.** Het is niet toegestaan in de statuten van een beroepspensioenfonds bepalingen op te nemen die het bestuurslidmaatschap onmogelijk maken op grond van de hoedanigheid van gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of op grond van het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd.
### Artikel 57
### Artikel 114
De voor pensioenen bestemde gelden van een beroepspensioenfonds worden, tenzij artikel 58 toepassing vindt, aangewend tot het overdragen of het herverzekeren van het risico dat voortspruit uit de in de statuten en enig pensioenreglement van het beroepspensioenfonds neergelegde verplichtingen, door het sluiten van overeenkomsten van verzekering met een verzekeraar.
**1.** Een beroepspensioenfonds verricht slechts activiteiten in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden.
### Artikel 58
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter zake van activiteiten die door beroepspensioenfondsen kunnen worden verricht.
**1.** Als uit een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 61, blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 32, 60, 61 en 62 en bovendien aan de eisen die op grond van het tweede lid worden gesteld, behoeft overdracht of herverzekering van het risico, bedoeld in artikel 57 niet plaats te hebben.
### Artikel 115
**2.** Zodra het beroepspensioenfonds verplichtingen heeft ten aanzien waarvan artikel 57 geen toepassing heeft gevonden, doet het bestuur van het fonds daarvan onverwijld mededeling aan De Nederlandsche Bank N.V. Het bepaalde bij en krachtens artikel 61, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Een beroepspensioenfonds kan uitsluitend een vrijwillige pensioenregeling uitvoeren, indien dit een aanvulling op een door datzelfde beroepspensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling betreft.
### Artikel 59
### Artikel 116
**1.**
Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een uitkeringsregeling welke wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds voldoet aan de volgende voorwaarden:
Een beroepspensioenfonds stelt toereikende technische voorzieningen vast met betrekking tot het geheel van uit de statuten en reglementen voortvloeiende pensioenverplichtingen en beschikt te allen tijde over voldoende en passende activa om deze technische voorzieningen te dekken. De technische voorzieningen worden elk jaar berekend. De berekening wordt uitgevoerd en gewaarmerkt door een actuaris op grond van de met het bij of krachtens deze wet bepaalde overeenstemmende actuariële methoden en met inachtneming van de volgende beginselen:
a. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling bedraagt in enig jaar niet meer dan een derde van de over dat jaar verschuldigde premie voor de basispensioenregeling;
b. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling is voor alle deelnemers gelijk of bedraagt voor alle deelnemers een gelijk percentage van de gerealiseerde omzet, het gerealiseerde inkomen of het gerealiseerde loon dan wel het gedeelte van de gerealiseerde omzet, het gerealiseerde inkomen of gerealiseerde loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat voor verschillende soorten pensioen en voor verschillende pensioenregelingen verschillende premies kunnen worden vastgesteld; of
c. de kosten verbonden aan het toeslagbeleid worden niet ten laste gebracht van de individuele deelnemers, maar ten laste van de collectiviteit van het beroepspensioenfonds en voor de toeslagverlening gelden dezelfde voorwaarden die van toepassing zijn op de basispensioenregeling.
a. het minimumbedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door het beroepspensioenfonds uitgevoerde beroepspensioenregeling. Het minimumbedrag moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen aan de pensioengerechtigden, kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering van de passiva worden gehanteerd, worden eveneens op prudente wijze bepaald, waarbij een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht wordt genomen, indien van toepassing;
b. de toegepaste maximale rentepercentages worden op prudente wijze bepaald. Bij de bepaling van deze prudente rentepercentages wordt rekening gehouden met:
### Artikel 117
1°. het rendement van de overeenkomstige activa die door het beroepspensioenfonds worden beheerd en met de toekomstige beleggingsopbrengsten, of
2°. marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige of staatsobligaties;
c. de voor de berekening van de technische voorzieningen gebruikte tabellen inzake overlijden of arbeidsongeschiktheid en levensverwachting worden gebaseerd op prudente beginselen, rekening houdend met de hoofdkenmerken van de deelnemersgroep en de beroepspensioenregelingen, in het bijzonder de verwachte veranderingen in de relevante risico's;
d. de methode en de grondslag van de berekening van de technische voorzieningen blijven van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als gevolg van een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.
Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een kapitaalregeling welke wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling bedraagt in enig jaar niet meer dan een derde van de over dat jaar verschuldigde premie voor de basispensioenregeling; of
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of gewezen deelnemer wordt, wordt het opgebouwde kapitaal omgezet in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke uitkering indien dat ook met betrekking tot de basispensioenregeling geschiedt of de basispensioenregeling een uitkeringsregeling betreft en zijn daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke gelden bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming door deze omstandigheden.
### Artikel 118
Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een premieregeling welke wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de premie voor de vrijwillige pensioenregeling bedraagt in enig jaar niet meer dan een derde van de over dat jaar verschuldigde premie voor de basispensioenregeling;
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of gewezen deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen omgezet in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke uitkering, indien dat ook met betrekking tot de basispensioenregeling geschiedt of de basispensioenregeling een uitkeringsregeling betreft en zijn daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke gelden bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming door deze omstandigheden; of
c. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of gewezen deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen omgezet in een verzekerd kapitaal, indien dat ook met betrekking tot de basispensioenregeling geschiedt of de basispensioenregeling een kapitaalregeling betreft en zijn daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke gelden bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming door deze omstandigheden.
### Artikel 119
Indien een beroepspensioenfonds meerdere beroepspensioenregelingen uitvoert vormen deze beroepspensioenregelingen financieel één geheel.
### Artikel 120
Een beroepspensioenfonds kan de mogelijkheid bieden tot verhoging van de pensioenaanspraken indien het deel van de pensioenaanspraken dat voortvloeit uit deze inkoop overeenkomstig de pensioenaanspraken op grond van de basispensioenregeling wordt behandeld.
## Hoofdstuk 5. Financieel toetsingskader inzake beroepspensioenfondsen
### Artikel 121
**1.** Een beroepspensioenfonds stelt toereikende technische voorzieningen vast met betrekking tot het geheel van pensioenverplichtingen.
**2.**
Een beroepspensioenfonds dat niet volledig het risico, bedoeld in artikel 57, heeft overgedragen of herverzekerd houdt, naast de technische voorzieningen, permanent bij wijze van buffer een eigen vermogen aan dat:
De berekening wordt uitgevoerd met inachtneming van de volgende beginselen:
a. in overeenstemming is met het soort risico en de aard van het eigen vermogen met betrekking tot het geheel van de uit de statuten en reglementen voortvloeiende pensioenverplichtingen;
b. vrij is van alle voorzienbare verplichtingen; en
c. dient als veiligheidskapitaal om verschillen op te vangen tussen de verwachte en daadwerkelijke uitgaven en winsten.
a. de technische voorzieningen worden berekend op basis van marktwaardering;
b. de voor de berekening van de technische voorzieningen gebruikte grondslagen inzake overlijden of arbeidsongeschiktheid en levensverwachting worden gebaseerd op prudente beginselen; en
c. de methode en de grondslag van de berekening van de technische voorzieningen blijven van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd, tenzij wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als gevolg van een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de berekening van het minimumbedrag van het eigen vermogen, bedoeld in het tweede lid, overeenkomstig de artikelen 27 en 28 van richtlijn nr. 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 betreffende levensverzekering (PbEG L 345/24).
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van berekening van het minimum bedrag van de technische voorzieningen, de daarbij in acht te nemen voorzichtigheidsmarges en kunnen regels worden gesteld over de frequentie waarmee de technische voorzieningen worden berekend.
### Artikel 59a
### Artikel 122
**1.** Een beroepspensioenfonds kan, indien het geen beroepspensioenregelingen uitvoert voor een of meerdere deelnemers die in een andere lidstaat dan Nederland zijn gevestigd, in afwijking van artikel 59, eerste lid, gedurende een korte periode over onvoldoende activa beschikken, mits het beroepspensioenfonds beschikt over een daartoe opgesteld en door De Nederlandsche Bank N.V. goedgekeurd herstelplan.
Ouderdomspensioen wordt gefinancierd op basis van kapitaaldekking.
**2.** Wanneer een beroepspensioenfonds niet meer over voldoende activa beschikt, dient het een concreet en haalbaar herstelplan in om tijdig de activa, die noodzakelijk zijn om de technische voorzieningen volledig te dekken, te herstellen. Het herstelplan houdt rekening met de gehele, specifieke situatie van het beroepspensioenfonds.
**3.** Wanneer een beroepspensioenregeling tijdens de periode, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beëindigd, stelt het beroepspensioenfonds De Nederlandsche Bank N.V. hiervan op de hoogte en stelt het fonds een procedure vast om de op de beëindigde beroepspensioenregeling betrekking hebbende activa en passiva aan een ander pensioenfonds, beroepspensioenfonds, verzekeraar of pensioeninstelling uit een andere lidstaat over te dragen, welke procedure ter kennis van De Nederlandsche Bank N.V. wordt gebracht.
**4.** Het beroepspensioenfonds stelt, wanneer het derde lid van toepassing is, een algemeen overzicht van de procedure, bedoeld in het derde lid, beschikbaar voor de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere rechthebbenden op pensioen of de vertegenwoordigers van de genoemde personen in overeenstemming met het vertrouwelijkheidsbeginsel.
### Artikel 60
### Artikel 123
**1.**
Een beroepspensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent person-regel en met name met de volgende voorschriften:
Een beroepspensioenfonds stelt een kostendekkende premie vast die bestaat uit:
a. de activa worden belegd in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en andere rechthebbenden op pensioen;
b. de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd. Activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen;
c. de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten activa, worden tot een prudent niveau beperkt;
d. beleggingen in derivaten zijn toegestaan voorzover deze bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Dergelijke beleggingen worden op een prudente basis gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende activa, en worden mede in aanmerking genomen bij de waardering van de activa van het beroepspensioenfonds. Het beroepspensioenfonds vermijdt voorts een bovenmatig risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;
e. de activa worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde activa, of een bepaalde emittent of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden. Beleggingen in activa, uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen het beroepspensioenfonds niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie;
f. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een groep van ondernemingen aan het beroepspensioenfonds bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie.
a. de premie die actuarieel benodigd is in verband met de pensioenverplichtingen;
b. de opslag die nodig is voor het in stand houden van het vereist eigen vermogen als bedoeld in artikel 127;
c. de opslag die nodig is voor uitvoeringskosten van het beroepspensioenfonds; en
d. de premie die actuarieel benodigd is ten behoeve van toeslagverlening indien gekozen is voor financiering op de wijze, bedoeld in artikel 132, onderdeel a, b of d.
**2.** Het eerste lid, onderdelen e en f, is niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties.
**2.** De kostendekkende premie kan worden gedempt.
**3.** Het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing tot 23 september 2010, tenzij het beroepspensioenfonds bijdragen ontvangt van een of meerdere ondernemingen die zetel hebben in een andere lidstaat dan Nederland.
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake het eerste en het tweede lid.
**4.** Het is een beroepspensioenfonds verboden leningen aan te gaan of namens derde partijen als garant op te treden, tenzij de lening tijdelijk wordt aangegaan voor liquiditeitsdoelstellingen.
### Artikel 124
**5.** In dit artikel wordt verstaan onder «bijdragende onderneming»: een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige, dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een beroepspensioenfonds bijdragen betaalt.
**1.** Het beroepspensioenfonds kan uitsluitend korting verlenen op de kostendekkende premie of de gedempte premie indien ten aanzien van de pensioenverplichtingen wordt voldaan aan de artikelen 121, 127 en 128 en de eventuele voorwaardelijke toeslagen kunnen worden nagekomen overeenkomstig de artikelen 103 en 132.
### Artikel 60a
**2.**
Een beroepspensioenfonds verricht slechts activiteiten in verband met pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daarmee verband houden.
Het beroepspensioenfonds kan uitsluitend terugstorten indien:
### Artikel 61
a. ten aanzien van de pensioenverplichtingen wordt voldaan aan de artikelen 121, 127 en 128;
b. de voorwaardelijke toeslagen met betrekking tot de voorgaande tien jaar zijn verleend en kunnen worden verleend overeenkomstig de artikelen 103 en 132;
c. de korting op de pensioenaanspraken en pensioenrechten op grond van artikel 129 in de voorgaande tien jaar gecompenseerd is.
**1.** Het beroepspensioenfonds stelt een actuariële en bedrijfstechnische nota vast waarin in elk geval een omschrijving is opgenomen van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het tweede lid en het bepaalde bij en krachtens de artikelen 32, 59, 59a, 60, en 62.
### Artikel 125
**2.** Een beroepspensioenfonds beschikt over goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen.
Een beroepspensioenfonds vermeldt in zijn jaarrekening en jaarverslag:
**3.** In de actuariële en bedrijfstechnische nota wordt een verklaring inzake beleggingsbeginselen opgenomen welke verklaring ten minste onderwerpen omvat als toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen. Deze verklaring wordt om de drie jaren en voorts onverwijld na iedere belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid herzien.
a. de hoogte van de totale kostendekkende premie, bedoeld in artikel 123, eerste lid;
b. de hoogte van de totale gedempte premie, bedoeld in artikel 123, tweede lid; en
c. de hoogte van de totale feitelijke premie.
**4.** Het bestuur van het fonds legt de in het eerste lid bedoeld nota alsmede iedere wijziging daarvan onverwijld over aan De Nederlandsche Bank N.V.
**5.** De Nederlandsche Bank N.V. kan regels stellen met betrekking tot de tijdstippen en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het vierde lid.
### Artikel 62
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 59, 59a, 60 en 61. Daarbij kan worden bepaald dat ingeval van overdracht of herverzekering als bedoeld in artikel 57, artikel 61 en die regels, met uitzondering van artikel 61, derde lid, niet van toepassing zijn dan wel dat daarvan mag worden afgeweken.
### Artikel 63
**1.** Het boekjaar van een beroepspensioenfonds loopt van 1 januari tot en met 31 december.
**2.** Het beroepspensioenfonds legt aan De Nederlandsche Bank N.V. jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening, een jaarverslag en overige gegevens over het verstreken boekjaar over, waarin een volledig beeld van de financiële toestand van het fonds gegeven wordt en waaruit ten genoegen van De Nederlandsche Bank N.V. blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde bij en krachtens deze wet en dat de belangen van de bij het beroepspensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en overige belanghebbenden voldoende gewaarborgd geacht kunnen worden. In de jaarrekening en het jaarverslag wordt rekening gehouden met iedere door het beroepspensioenfonds uitgevoerde beroepspensioenregeling.
**3.** Het beroepspensioenfonds ten aanzien waarvan artikel 58 toepassing vindt, legt aan De Nederlandsche Bank N.V. bovendien jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een actuarieel verslag betreffende het beroepspensioenfonds over, voorzien van de verklaring van een actuaris.
**4.** De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek.
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid. Daarbij kunnen regels worden gesteld omtrent het in bepaalde gevallen meermalen per jaar overleggen van gegevens of verklaringen als bedoeld in dit artikel.
**6.** De Nederlandsche Bank N.V. kan regels stellen met betrekking tot de wijze van overlegging van de in dit artikel bedoelde bescheiden.
## Hoofdstuk 5. Verzekeringsovereenkomst
### Artikel 64
In de verzekeringsovereenkomst waarin bij de totstandkoming of op een later tijdstip wordt gekozen voor ander dan Nederlands recht, wordt de volgende clausule opgenomen:
Ongeacht het gekozen rechtsstelsel is op deze verzekeringsovereenkomst in elk geval de Wet verplichte beroepspensioenregeling van toepassing.
### Artikel 65
### Artikel 126
**1.**
Begunstigde(n) in de verzekeringsovereenkomsten zijn:
Een beroepspensioenfonds beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen, tenzij:
a. voor de ouderdoms- en invaliditeitsvoorzieningen: de deelnemer;
b. voor de toegezegde weduwen-, weduwnaars- of partnervoorziening al naar gelang van de aard van de voorziening: de deelnemer dan wel diens echtgenoot of partner;
c. voor de toegezegde wezenvoorziening: de pensioengerechtigde kinderen, een en ander behoudens de artikelen 34 en 42.
a. een beroepspensioenfonds tot volledige overdracht, herverzekering of onderbrenging is overgegaan; en
b. de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het beroepspensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen.
**2.** Mits de verzekeraar daarmee instemt kan worden bepaald dat in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding respectievelijk scheiding van tafel en bed in plaats van de verzekerde diens gewezen echtgenoot respectievelijk diens echtgenoot wordt aangewezen als begunstigde voor het geheel of een deel van de toegezegde ouderdomsvoorziening.
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de omvang en de samenstelling van het minimaal vereist eigen vermogen bepaald.
### Artikel 66
### Artikel 127
De actuariële methoden, volgens welke de berekening van premievrije waarden en afkoopwaarden geschiedt alsmede elke wijziging daarvan, worden door de verzekeraar aan De Nederlandsche Bank N.V. medegedeeld. Die methoden mogen worden toegepast zolang De Nederlandsche Bank N.V. daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
**1.** Een beroepspensioenfonds beschikt over een vereist eigen vermogen.
### Artikel 67
**2.** Een beroepspensioenfonds stelt het vereist eigen vermogen zodanig vast dat met een zekerheid van 97½ procent wordt voorkomen dat het beroepspensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen.
Elk bewijs van verzekering als bedoeld in deze wet wordt voorzien van het opschrift: Verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 6, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake de berekening en de samenstelling van het vereist eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid, en het bepaalde in het tweede lid.
### Artikel 67a
### Artikel 128
**1.** De artikelen 929, 935, eerste lid, 936, tweede tot en met zesde lid, 941, vijfde lid, 969, 972, 977, tweede lid, 978, 979, 980, tweede lid en 983 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van deze wet.
De technische voorzieningen en de aan het beroepspensioenfonds verstrekte leningen worden volledig door waarden gedekt.
**2.** Het verminderen of vervallen van een uitkering op grond van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van artikel 930, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een deelnemer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, niet is voldaan aan de in artikel 928 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek omschreven mededelingsplicht betreffende zijn risico. In dat geval beperkt de vermindering of het verval van de uitkering zich tot het risico met betrekking tot de in de eerste zin bedoelde persoon. Voorzover de eerste zin in de weg staat aan vermindering dan wel verval van een uitkering, heeft het beroepspensioenfonds of de verzekeraar een recht van verhaal op de beroepspensioenvereniging of de werkgever.
### Artikel 129
**3.** Een beding als bedoeld in artikel 941, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.
**1.**
**4.** Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek strijden met deze wet blijven die bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing.
Een beroepspensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien:
## Hoofdstuk 6. Toezicht
a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt;
b. het beroepspensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke termijn de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen door waarden te dekken zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden onevenredig worden geschaad; en
c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet om uiterlijk binnen een jaar te voldoen aan artikel 126.
### Paragraaf 1. Aanwijzing van De Nederlandsche Bank N.V.
**2.** Een beroepspensioenfonds informeert de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden schriftelijk over het besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.
### Artikel 68
**3.** De vermindering, bedoeld in het eerste lid, kan op zijn vroegst een maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en toezichthouder hierover geïnformeerd zijn, worden gerealiseerd.
De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
### Artikel 130
### Artikel 68a
**1.**
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Een beroepspensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de volgende uitgangspunten:
### Artikel 68b
a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden; en
b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter waarborging van het prudente beleggingsbeleid nadere regels gesteld.
### Paragraaf 2. Jaarverslag
**3.** De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, en de regels die op grond van het tweede lid worden gesteld ten aanzien van de diversificatie van waarden zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties.
### Artikel 69
### Artikel 131
De Nederlandsche Bank N.V. brengt jaarlijks aan Onze Minister verslag uit over haar werkzaamheden en bevindingen over de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
**1.** Een beroepspensioenfonds gaat geen leningen aan, tenzij de lening tijdelijk wordt aangegaan voor liquiditeitsdoelstellingen en treedt niet namens derde partijen op als garant.
### Artikel 69a
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het eerste lid met betrekking tot de tijdelijkheid van de lening en de liquiditeitsdoelstellingen.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 132
### Artikel 69b
**1.**
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Beroepspensioenfondsen kunnen de voorwaardelijke toeslagverlening financieren door:
### Artikel 69c
a. het creëren van technische voorzieningen;
b. het creëren van eigen vermogen boven het vereist eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;
c. het putten uit het eigen vermogen boven het vereist eigen vermogen ten behoeve van de toeslagverlening;
d. het hanteren van een opslag op de premie; of
e. overrendement.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake het eerste lid.
### Artikel 69d
### Artikel 133
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Wanneer een beroepspensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan voorzien dat het niet meer voldoet of zal voldoen aan de bij of krachtens artikel 127 gestelde vereisten ten aanzien van het eigen vermogen, meldt het beroepspensioenfonds dit onverwijld aan de toezichthouder.
### Artikel 69e
**2.** In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het beroepspensioenfonds binnen drie maanden of zoveel eerder als de toezichthouder bepaalt ter instemming bij de toezichthouder een concreet en haalbaar langetermijnherstelplan in. In dit langetermijnherstelplan werkt het beroepspensioenfonds uit hoe het uiterlijk binnen 15 jaar zal voldoen aan artikel 127.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**3.** Het beroepspensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het langetermijnherstelplan.
### Artikel 69f
**4.**
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Het beroepspensioenfonds rapporteert gedurende de uitvoering van het langetermijnherstelplan de toezichthouder jaarlijks of het herstel verloopt overeenkomstig de doelstellingen van het langetermijnherstelplan; waarbij wordt aangegeven:
### Artikel 69g
a. welke activiteiten het beroepspensioenfonds in het afgelopen jaar heeft uitgevoerd;
b. welke resultaten deze activiteiten tot dan toe hebben gehad; en
c. hoe de actuele positie van het beroepspensioenfonds is.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**5.** De toezichthouder beoordeelt ten minste eenmaal per drie jaar of aanvullende maatregelen nodig zijn zodat het langetermijnherstelplan ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.
### Artikel 69h
**6.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud en opstelling van een langetermijnherstelplan.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 134
### Paragraaf 3. Overige taken De Nederlandsche Bank N.V.
**1.**
### Artikel 70
Wanneer gedurende de looptijd van het langetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 133, ingrijpende wijzigingen plaatsvinden in:
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. verzamelt en bewerkt voor het door Onze Minister te voeren beleid inzake beroepspensioenregelingen de daarvoor van belang zijnde gegevens over beroepspensioenregelingen en over het aantal personen dat onder de werking van die regelingen valt.
a. de samenstelling van de technische voorzieningen; of
b. de samenstelling, de omvang en de waarde van de beleggingen,
**2.** Onze Minister of de Sociaal Economische Raad kunnen beschikken over de resultaten van de uitvoering van het eerste lid.
meldt het beroepspensioenfonds dit onverwijld aan de toezichthouder.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het soort gegevens van pensioenuitvoerders waarover Onze Minister of de Sociaal Economische Raad kunnen beschikken bij de uitvoering van het eerste en tweede lid.
**2.**
### Artikel 71
De toezichthouder geeft aan of:
**1.** De pensioenuitvoerder verstrekt op verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 70, eerste lid.
a. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden gehandhaafd;
b. het bestaande langetermijnherstelplan binnen drie maanden dan wel eerder moet worden vervangen door een nieuw langetermijnherstelplan, waarbij rekening gehouden wordt met de reeds verstreken looptijd van het te vervangen langetermijnherstelplan. Dit nieuwe langetermijnherstelplan wordt ter instemming bij de toezichthouder ingediend; dan wel
c. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden ingetrokken en niet vervangen hoeft te worden door een nieuw langetermijnherstelplan.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. organiseert ten minste een keer per jaar een overleg met belanghebbenden aangaande pensioenen.
### Artikel 135
### Artikel 71a
**1.** Wanneer een beroepspensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan voorzien dat het niet meer voldoet of niet zal voldoen aan de bij of krachtens artikel 126 gestelde vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen, meldt het beroepspensioenfonds dit onverwijld aan de toezichthouder.
De Nederlandsche Bank N.V. beheert een register waarin alle beroepspensioenfondsen met zetel in Nederland worden ingeschreven. In het register wordt, indien een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 22a, een beknopte weergave van de inhoud van de aan het fonds verleende vergunning opgenomen.
**2.**
### Artikel 71b
In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het beroepspensioenfonds binnen twee maanden of zoveel eerder als de toezichthouder bepaalt, een concreet en haalbaar kortetermijnherstelplan ter instemming bij de toezichthouder in. In dit kortetermijnherstelplan werkt het beroepspensioenfonds uit hoe het uiterlijk binnen drie jaar zal voldoen aan artikel 126 waarbij:
De Nederlandsche Bank N.V. is verplicht nauw samen te werken met de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten uit andere lidstaten dan Nederland, zoals voorgeschreven door richtlijn 2003/41/EG.
a. de kans op herstel verbetert;
b. de risicos voor de aanspraak- en pensioengerechtigden niet toenemen; en
c. de kans op toeslagverlening niet negatief worden beïnvloed.
### Paragraaf 3a. Verlening vergunning grensoverschrijdende activiteiten
**3.**
### Artikel 71c
In afwijking van het tweede lid geldt voor het kortetermijnherstelplan een termijn van een jaar indien:
De vergunning, bedoeld in artikel 22a, onderdeel a, wordt op aanvraag door De Nederlandsche Bank N.V. verleend wanneer het beroepspensioenfonds:
a. niet is voldaan aan de voorwaarden in het tweede lid sub a, b en c; of
b. het beroepspensioenfonds bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
a. is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 71a; en
b. voldoet aan de artikelen 19, tweede lid, onderdeel c, 53, tweede lid, 59, eerste lid, en 26a.
**4.** Het beroepspensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het kortetermijnherstelplan.
### Artikel 71d
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud en opstelling van een kortetermijnherstelplan.
De Nederlandsche Bank N.V. kan de vergunning, bedoeld in artikel 22a, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk intrekken of daaraan nadere voorschriften verbinden wanneer:
### Artikel 136
a. het beroepspensioenfonds niet langer voldoet aan artikel 71c;
**1.** De toezichthouder kan, rekening houdend met de specifieke situatie van het beroepspensioenfonds en in het belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een beroepspensioenfonds geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bij of krachtens de artikelen 126, 127, 129, eerste lid, onderdeel a, 132 en 133 bepaalde, indien het beroepspensioenfonds aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.
**2.** De toezichthouder kan in bijzondere gevallen, rekening houdend met de specifieke situatie van het beroepspensioenfonds en in het belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een beroepspensioenfonds dat geen bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot, geheel of gedeeltelijk, ontheffing verlenen van het bij of krachtens artikel 135 bepaalde.
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.
### Artikel 137
Onze Minister kan na overleg met de toezichthouder vrijstelling verlenen van de in artikel 133 en 135 genoemde termijnen van 15 jaar respectievelijk drie en een jaar, indien er sprake is van een uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal beroepspensioenfondsen niet kan voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde vereisten inzake het vereiste eigen vermogen en het minimaal vereist eigen vermogen.
### Artikel 138
**1.** Een beroepspensioenfonds richt zijn organisatie zodanig in dat deze een beheerste en integere bedrijfsvoering waarborgt.
**2.**
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfrisicos;
b. integriteit;
c. de soliditeit van het beroepspensioenfonds, waaronder wordt verstaan:
1°. het beheersen van financiële risicos; en
2°. het beheersen van andere risicos die de soliditeit van het beroepspensioenfonds kunnen aantasten;
d. het beheersen van de financiële positie over de lange termijn door periodiek een continuïteitsanalyse te maken.
### Artikel 139
**1.**
Bij algemene maatregel van bestuur worden, ten behoeve van de berekeningen, bedoeld bij de artikelen 121, 123, tweede lid, 127, 133, 135 en 138, regels gesteld over:
a. het minimale percentage van het gemiddelde loon- of prijsindexcijfer;
b. het maximaal te hanteren gemiddelde rendement op vastrentende waarden; en
c. de maximaal te hanteren risicopremies op onder andere aandelen en onroerend goed.
**2.** De in het eerste lid bedoelde regels worden iedere drie jaren getoetst, rekening houdend met financieel-economische ontwikkelingen in het verleden en realistische inzichten ten aanzien van toekomstige financieel-economische verwachtingen.
**3.** Voordat de voordracht van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt gedaan vraagt Onze Minister het oordeel van een commissie bestaande uit een vertegenwoordiger van De Nederlandsche Bank N.V., van het Centraal Planbureau, twee leden op voordracht van de Stichting van de Arbeid en een door Onze Minister aan te wijzen lid.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het derde lid bedoelde commissie.
**5.** De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
### Artikel 140
**1.** Het beroepspensioenfonds stelt een actuariële en bedrijfstechnische nota vast waarin in elk geval een omschrijving is opgenomen van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bij of krachtens de artikelen 35, 103, 121 tot en met 132 en 138 bepaalde. De actuariële en bedrijfstechnische nota bevat voorts een verklaring inzake beleggingsbeginselen en een beschrijving van de sturingsmiddelen.
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de actuariële en bedrijfstechnische nota.
**3.** Voorzover risicos zijn overgedragen, herverzekerd of ondergebracht kan de omschrijving, bedoeld in het eerste lid, beperkt blijven tot een verwijzing naar hetgeen daarover in de betreffende overeenkomsten is opgenomen.
**4.** De verklaring inzake beleggingsbeginselen wordt om de drie jaren en voorts onverwijld na iedere belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid herzien.
### Artikel 141
Een beroepspensioenfonds met zetel in Nederland stelt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag overeenkomstig titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vast, met dien verstande dat de in artikel 360, derde lid, 396 en 397 van genoemd wetboek geformuleerde uitzonderingen niet van toepassing zijn.
### Artikel 142
**1.** Een beroepspensioenfonds doet het boekjaar gelijk lopen met het kalenderjaar.
**2.** Een beroepspensioenfonds verstrekt periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten aan de toezichthouder die de toezichthouder nodig heeft voor de juiste uitoefening van zijn taak, bedoeld in artikel 146.
**3.**
De staten omvatten uitsluitend:
a. informatie over de organisatie van het beroepspensioenfonds;
b. een bestuursverslag;
c. een balans;
d. informatie over financiële relaties en transacties van het beroepspensioenfonds;
e. een rekening van baten en lasten;
f. informatie inzake de dekkingsgraad;
g. informatie inzake het vereist eigen vermogen;
h. actuariële staten, gewaarmerkt door een bevoegde actuaris, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van een actuaris;
i. informatie over het deelnemersbestand;
j. informatie inzake de uitgevoerde beroepspensioenregeling en eventueel andere door het beroepspensioenfonds uitgevoerde regelingen;
k. premiegegevens;
l. informatie inzake herverzekering;
m. informatie inzake verplichtingen van het beroepspensioenfonds voor risico van de deelnemers.
**4.** Met zijn verklaring bedoeld in het derde lid, onderdeel h, bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat voldaan is aan de artikelen 121 tot en met 135. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.
**5.** De staten zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant. Ten bewijze dat de staten door hem zijn onderzocht, waarmerkt de accountant de staten.
**6.**
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de inhoud en de modellen van de staten; en
b. de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de verstrekking.
### Artikel 143
**1.** De bevoegde actuaris die het actuarieel verslag waarmerkt, is onafhankelijk van het beroepspensioenfonds en verricht geen andere werkzaamheden voor het beroepspensioenfonds.
**2.** Het is de waarmerkende actuaris niet toegestaan de werkzaamheden, bedoeld in artikel 142, vierde lid, uit te oefenen voor een beroepspensioenfonds wanneer een andere actuaris of andere deskundige die behoort tot dezelfde organisatie als de waarmerkende actuaris, andere werkzaamheden verricht voor hetzelfde beroepspensioenfonds, tenzij de organisatie van de waarmerkende actuaris een door de toezichthouder goedgekeurde gedragscode heeft over de onafhankelijkheid van de waarmerkende actuaris.
### Artikel 144
De toezichthouder kan een beroepspensioenfonds de verplichting opleggen om binnen een door de toezichthouder te stellen termijn over te gaan tot herverzekering, overdracht of onderbrenging indien dit naar het oordeel van de toezichthouder noodzakelijk is in verband met:
a. de actuariële en bedrijfstechnische opzet van het beroepspensioenfonds; of
b. de deskundigheid en betrouwbaarheid van het bestuur.
### Artikel 145
Wanneer een beroepspensioenregeling eindigt tijdens de periode waarin een kortetermijnherstelplan van kracht is:
a. stelt het beroepspensioenfonds de toezichthouder hiervan op de hoogte;
b. gaat het beroepspensioenfonds binnen een door de toezichthouder te stellen termijn over tot het overdragen, herverzekeren of onderbrengen van de pensioenverplichtingen op basis van een procedure welke ter kennis en instemming van de toezichthouder wordt gebracht; en
c. stelt het beroepspensioenfonds een algemeen overzicht van de procedure, bedoeld in onderdeel b, beschikbaar voor de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden of de vertegenwoordigers van de genoemde personen in overeenstemming met het vertrouwelijkheidbeginsel.
## Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving en overige taken toezichthouder
### Paragraaf 1. De toezichthouder
### Artikel 146
**1.** De Stichting Autoriteit Financiële Markten is belast met het gedragstoezicht.
**2.** Gedragstoezicht is toezicht gericht op de naleving van de normen ten aanzien van voorlichting door pensioenuitvoerders aan deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden en de normen ten aanzien van het begrenzen van beleggingsvrijheid bij de uitvoering van premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de individuele deelnemer of gewezen deelnemer.
**3.** De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het prudentieel toezicht en het materieel toezicht.
**4.** Prudentieel toezicht is toezicht gericht op de normen ten aanzien van de financiële soliditeit van beroepspensioenfondsen en het bijdragen aan de financiële stabiliteit van de sector van beroepspensioenfondsen.
**5.** Materieel toezicht is toezicht gericht op alle normen in deze wet die geen onderdeel uitmaken van gedrags- of prudentieel toezicht.
**6.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn de bij besluit van de toezichthouder aangewezen personen belast. Van een besluit als bedoeld in de eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
**7.**
Bij algemene maatregel van bestuur:
a. worden regels gesteld omtrent de toedeling van de taken en bevoegdheden met betrekking tot het prudentieel toezicht, het gedragstoezicht en het materieel toezicht van deze wet aan de toezichthouders;
b. worden regels gesteld over de wijze waarop de toezichthouders samenwerken; en
c. worden eisen gesteld aan de toezichthouders, waaronder voorschriften gericht op een zodanige besluitvorming binnen de toezichthouder dat een onafhankelijke vervulling van de uit deze wet voortvloeiende taken en bevoegdheden is gewaarborgd.
### Artikel 147
**1.**
De toezichthouder treedt bij de uitoefening van het toezicht op de naleving van deze wet niet in de beoordeling van de individuele rechtsverhouding tussen:
a. een pensioenuitvoerder en een beroepspensioenvereniging;
b. een pensioenuitvoerder en een beroepsgenoot; en
c. een pensioenuitvoerder en een aanspraak- of pensioengerechtigde.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de uitvoeringsovereenkomst en het pensioenreglement.
### Artikel 148
**1.**
De toezichthouder draagt met betrekking tot de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden uit hoofde van deze wet zorg voor:
a. een tijdige voorbereiding en een voor de onder toezicht staanden kenbare, transparante en consistente uitvoering;
b. de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;
c. de zorgvuldige behandeling van een ieder die met hem in aanraking komt;
d. de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten die worden ontvangen.
**2.** De toezichthouder treft voorzieningen, waardoor een ieder die met hem in aanraking komt in de gelegenheid is voorstellen tot verbetering van werkwijzen en procedures te doen.
**3.** In het jaarverslag, bedoeld in artikel 151, doet de toezichthouder verslag van hetgeen tot uitvoering van het eerste en het tweede lid is verricht.
### Paragraaf 2. Rekening en verantwoording
### Artikel 149
**1.** De toezichthouder stelt jaarlijks een begroting op van de in het daaropvolgende jaar te verwachten baten en lasten, investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot de uitvoering van de bij en krachtens deze wet opgedragen taken en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden. De begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de lasten en de uitgaven structureel worden gedekt door de baten en de inkomsten.
**2.** De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.
**3.** Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening of verantwoording waarmee Onze Minister heeft ingestemd.
**4.** Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten, dan wel inkomsten en uitgaven, of in het in de begroting vervatte beleid, doet de toezichthouder daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de verschillen en hun oorzaak en zonodig onder indiening van een gewijzigde of aanvullende begroting.
### Artikel 150
**1.** De toezichthouder zendt de begroting, bedoeld in artikel 149, eerste lid, voor 1 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar, en de begroting, bedoeld in artikel 149, vierde lid, onverwijld ter instemming aan Onze Minister.
**2.** De instemming met de begroting kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Ingeval van gebleken strijdigheid wordt instemming niet onthouden dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de begroting aan te passen, binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn.
**3.** De toezichthouder doet onverwijld na instemming mededeling van de begroting in de Staatscourant en houdt deze gedurende ten minste twee jaren na instemming op elektronische wijze ter inzage.
**4.** Wanneer Onze Minister niet voor 1 januari van het jaar waarop deze betrekking heeft met de begroting heeft ingestemd, kan de toezichthouder, in het belang van een juiste uitvoering van zijn taak, voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige onderdelen in de begroting van het voorafgaande jaar waren toegestaan.
### Artikel 151
**1.** De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarverslag op. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het daartoe gevoerde beleid uit hoofde van deze wet in het voorafgaande jaar. Het jaarverslag beschrijft voorts het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg.
**2.** De toezichthouder zendt het jaarverslag voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar aan Onze Minister.
**3.** De toezichthouder houdt het jaarverslag gedurende ten minste twee jaren op elektronische wijze ter inzage.
### Artikel 152
**1.** De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarrekening of verantwoording op van de bij en krachtens deze wet opgedragen taken en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.
**2.** De jaarrekening of verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de toezichthouder aangewezen accountant.
**3.** De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de toezichthouder uit hoofde van deze wet.
**4.** De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de toezichthouder uit hoofde van deze wet voldoen aan eisen van doelmatigheid.
**5.** De toezichthouder zendt de jaarrekening of verantwoording voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister.
**6.** De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
**7.** De toezichthouder houdt, na instemming, de jaarrekening of verantwoording gedurende ten minste twee jaren op elektronische wijze ter inzage.
### Artikel 153
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de inhoud en indiening van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening of verantwoording.
### Artikel 154
**1.** Het verschil tussen de aan het eind van een begrotingsjaar gerealiseerde baten en inkomsten van de toezichthouder en de gerealiseerde lasten en uitgaven van de toezichthouder vormt het exploitatiesaldo.
**2.** Indien in enig boekjaar een exploitatiesaldo ontstaat en de toezichthouder dit exploitatiesaldo wil betrekken bij de in het lopende jaar in rekening te brengen kosten, bedoeld in artikel 155, doet de toezichthouder daaromtrent een voorstel in de jaarrekening of verantwoording.
### Artikel 155
**1.** De toezichthouder brengt de kosten van de werkzaamheden die hij verricht in verband met de uitvoering van de taken op grond van deze wet in rekening bij de pensioenuitvoerders ten aanzien waarvan die werkzaamheden worden verricht, voor zover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting. Tot de kosten behoren onder meer de kosten die hij ter voorbereiding op de uitvoering van nieuwe onderdelen van zijn taak heeft gemaakt, voordat deze aan hem werden opgedragen. De kosten voor verzekeraars en beroepspensioenfondsen worden gescheiden in rekening gebracht.
**2.** De kosten worden gebaseerd op de begroting waarmee Onze Minister heeft ingestemd en op het exploitatiesaldo, indien Onze Minister heeft ingestemd met de jaarrekening of verantwoording waarin een voorstel als bedoeld in artikel 154, tweede lid, is opgenomen.
**3.** Op de begrote kosten worden de opbrengsten uit boetes en verbeurde dwangsommen, voor zover de hieraan ten grondslag liggende besluiten van de toezichthouder in het voorafgaande jaar onherroepelijk zijn geworden, in mindering gebracht.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot dit artikel waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen incidenteel en jaarlijks in rekening te brengen kosten. De nadere regels hebben onder meer betrekking op de wijze waarop de toezichtkosten worden berekend, de toerekening van toezichthandelingen en -kosten aan pensioenuitvoerders en de doorberekening van de toezichtkosten aan de pensioenuitvoerders.
### Artikel 156
**1.**
De toezichthouder organiseert overleg over:
a. de door de toezichthouder op te stellen begroting;
b. de door de toezichthouder gerealiseerde baten en lasten alsmede inkomsten en uitgaven, en verrichte werkzaamheden;
c. de kosten voor de pensioenuitvoerders die verband houden met de uitvoering van de taken op grond van deze wet en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden; en
d. de jaarrekening of verantwoording.
**2.** Het overleg wordt gevoerd door de toezichthouder en een daarvoor in aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van de onder zijn toezicht staande pensioenuitvoerders. Onze Minister kan ambtenaren aanwijzen die namens hem het overleg bijwonen.
**3.** Het overleg vindt minimaal twee maal per jaar plaats.
**4.** De toezichthouder maakt het verslag van het overleg binnen een redelijke termijn na het overleg openbaar.
### Artikel 157
Tegen besluiten van Onze Minister inzake instemming met de begroting of de jaarrekening of verantwoording kan geen beroep worden ingesteld als bedoeld in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
### Paragraaf 3. Bevoegdheden Onze Minister
### Artikel 158
**1.**
Onze Minister houdt toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door de toezichthouder;
b. de doeltreffendheid van de uitvoering van deze wet door de toezichthouder.
**2.** Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen 37, 38 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 159
**1.** Onze Minister is bevoegd aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de wijze waarop de toezichthouder de uit deze wet voortvloeiende taken en bevoegdheden uitvoert of heeft uitgevoerd.
**2.** De toezichthouder verstrekt kosteloos aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die op grond van deze wet omtrent afzonderlijke pensioenuitvoerders, werkgevers of natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen, is de toezichthouder niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke pensioenuitvoerder, werkgever of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een pensioenuitvoerder of werkgever ten aanzien waarvan surséance van betaling is verleend, die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
**3.** Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.
**4.** Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder de bij of krachtens deze wet opgedragen taken en toegekende bevoegdheden uitoefent of heeft uitgeoefend.
**5.** Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen.
**6.** Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
**7.** De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
### Artikel 160
**1.** Onze Minister kan aan de toezichthouder een aanwijzing geven over de uitoefening van de aan de toezichthouder bij of krachtens deze wet opgedragen taken en toegekende bevoegdheden wanneer de toezichthouder hierin naar het oordeel van Onze Minister tekort schiet. Onze Minister treedt daarbij niet in individuele gevallen.
**2.** De toezichthouder is gehouden overeenkomstig de aanwijzing te handelen.
### Artikel 161
**1.** Indien naar het oordeel van Onze Minister de toezichthouder een of meerdere van zijn bij of krachtens deze wet opgedragen taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
**2.** Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister besluiten een of meer onderdelen van de taken van de toezichthouder zelf uit te voeren of door een andere organisatie te laten uitvoeren. Alsdan komen de desbetreffende bevoegdheden van de toezichthouder toe aan Onze Minister onderscheidenlijk de andere toezichthouder.
**3.** De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
**4.** Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
### Paragraaf 4. Handhaving
#### Paragraaf 4.1. Algemeen in Nederland zetel hebbende pensioenuitvoerders
### Artikel 162
De pensioenuitvoerder, de beroepspensioenvereniging, de accountant en de actuaris verstrekken aan de toezichthouder kosteloos de door deze gevorderde inlichtingen, gegevens en bescheiden.
### Artikel 163
**1.** De toezichthouder kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van deze wet van een ieder inlichtingen vorderen.
**2.** De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.** Voorzover de toezichthouder voor het uitoefenen van het gedragstoezicht ten aanzien van beroepspensioenfondsen waaraan de andere toezichthouder een vergunning heeft verleend of welke in het register is opgenomen, gegevens nodig heeft over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 138, tweede lid, onderdeel a en b, vordert de eerstgenoemde toezichthouder geen inlichtingen, dan nadat de andere toezichthouder is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de andere toezichthouder niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.
**4.** Van het derde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder, worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een overtreding van de regels bij of krachtens deze wet gesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
### Artikel 164
**1.** De pensioenuitvoerder en de beroepspensioenvereniging zijn verplicht de zakelijke gegevens en bescheiden die betrekking hebben op beroepspensioenregelingen en andere bij of krachtens deze wet geregelde onderwerpen in Nederland beschikbaar te hebben en deze gedurende ten minste zeven jaren na het boekjaar waarop ze betrekking hebben beschikbaar te houden.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie.
### Artikel 165
**1.**
Een accountant die het onderzoek naar de staten, bedoeld in artikel 142, vijfde lid, uitvoert meldt de toezichthouder zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met deze wet;
b. de nakoming van de door het beroepspensioenfonds aangegane verplichtingen bedreigt; of
c. leidt tot de weigering van het afgeven van de verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
**2.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op de actuaris die het onderzoek naar de staten, bedoeld in artikel 142, vierde lid, uitvoert.
**3.** De accountant of actuaris verstrekt zo spoedig mogelijk kosteloos alle inlichtingen aan de toezichthouder die deze redelijkerwijs nodig heeft voor het toezicht op de naleving van deze wet. De toezichthouder stelt het betrokken beroepspensioenfonds in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant of actuaris.
**4.** De accountant of actuaris biedt desgevraagd de toezichthouder inzicht in zijn controlewerkzaamheden.
**5.** De accountant of actuaris die op grond van dit artikel tot een melding of het verstrekken van inlichtingen aan de toezichthouder is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde als gevolg daarvan lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding of het verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.
### Artikel 166
**1.** De toezichthouder kan een pensioenuitvoerder die niet voldoet aan deze wet, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aangegeven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
**2.** De toezichthouder kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid eveneens aan een beroepspensioenfonds geven indien hij tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het beroepspensioenfonds in gevaar kunnen brengen.
### Artikel 167
**1.** De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van het beroepspensioenfonds indien dat beroepspensioenfonds niet voldoet aan hetgeen ingevolge deze wet is bepaald.
**2.**
Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:
a. nadat door het beroepspensioenfonds niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 166 gevolg is gegeven;
b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een adequate functionering van het beroepspensioenfonds ernstig in gevaar brengt en dat beroepspensioenfonds voorafgaand in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit; of
c. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen van de aanspraak- en pensioengerechtigden ernstig in gevaar brengt en dat beroepspensioenfonds voorafgaand in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.
**3.** Onverminderd het eerste en tweede lid kan de toezichthouder besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een beroepspensioenfonds indien hij bij dat beroepspensioenfonds tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit, of de liquiditeit van dat beroepspensioenfonds in gevaar kunnen brengen.
**4.** Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan het beroepspensioenfonds is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.
**5.**
Na de benoeming van een curator:
a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van het beroepspensioenfonds de curator alle medewerking;
b. kan de toezichthouder de betrokken organen of vertegenwoordigers van het beroepspensioenfonds toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring te verrichten;
c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen curator vervangen;
d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van het beroepspensioenfonds dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover het beroepspensioenfonds, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.
**6.** Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste of derde lid niet langer aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming van de curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking onverwijld bekend aan het beroepspensioenfonds.
**7.**
De toezichthouder kent aan een op grond van het eerste lid aangewezen persoon een bezoldiging toe. De bezoldiging komt ten laste van:
a. het beroepspensioenfonds of, wanneer de financiële omstandigheden van het beroepspensioenfonds dit niet toestaan;
b. de toezichthouder.
### Artikel 168
**1.**
Op verzoek van de toezichthouder kan de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam over een beroepspensioenfonds een bewindvoerder aanstellen, indien:
a. een beroepspensioenfonds blijk geeft van een zodanig wanbeleid dat de belangen van de aanspraak- en pensioengerechtigden een onmiddellijke voorziening vereisen; of
b. het bestuur is komen te ontbreken.
**2.** De toezichthouder dient zijn verzoekschrift tot aanstelling van een bewindvoerder in tweevoud in. De griffier doet een exemplaar van het verzoekschrift onverwijld aan het beroepspensioenfonds toekomen.
**3.**
Indien de ondernemingskamer het verzoek toewijst, bepaalt zij de duur waarvoor de bewindvoerder wordt aangesteld. Zij kan deze duur op verzoek van de toezichthouder of van de bewindvoerder verlengen dan wel verkorten. De ondernemingskamer kent de bewindvoerder een bezoldiging toe ten laste van:
a. het beroepspensioenfonds of, wanneer de financiële omstandigheden van het beroepspensioenfonds dit niet toestaan;
b. de toezichthouder.
**4.** De bewindvoerder treedt in de plaats van het bestuur of een of meerdere door de ondernemingskamer aangewezen leden van het bestuur van het beroepspensioenfonds.
**5.** De voorlopige tenuitvoerlegging van de beschikking tot aanstelling van een bewindvoerder kan worden bevolen, indien het verzoek daartoe is gedaan op een van de gronden, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b.
### Artikel 169
**1.** Indien een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze zijn taak met betrekking tot het beroepspensioenfonds naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichthouder ten aanzien van deze accountant of actuaris bepalen dat hij niet langer bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met betrekking tot dat beroepspensioenfonds af te leggen.
**2.** De toezichthouder doet mededeling van het besluit, bedoeld in het eerste lid, aan het beroepspensioenfonds.
### Artikel 170
**1.** De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van een overtreding van de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
**2.** De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom.
### Artikel 171
**1.** De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van een overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 8, 21, 22, 23, 25, 26, 35, 36, 38, 39, eerste lid, 43, 44, 46 tot en met 59, 60, 61, tweede en vierde lid, 63, 69, 72, 73, 74, 75, 78, derde tot en met zesde, negende en elfde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, eerste tot en met vijfde en zevende lid, 85, tweede en derde lid, 91, tweede en zevende lid, 92, tweede en zevende lid, 93, eerste lid, 94, eerste en tweede lid, 95, 99, 102, tweede lid, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 110, eerste, tweede, derde, vijfde tot en met achtste en tiende lid, 113, 114, 115, 116, 117, 118, 123, 124, 125, 129, tweede, vierde en vijfde lid, 130, 131, 132, 133, eerste tot en met vierde en zesde lid, 134, 135, 138, 140, 141, 142, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 145, 162, 164, 165, eerste tot en met vierde lid, 166, eerste lid, 167, vijfde lid, 191, 193, 197, derde en vierde lid, 198 en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
**2.** De bestuurlijke boete komt toe aan de toezichthouder.
**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boetes.
### Artikel 172
**1.** In de artikelen 173 tot en met 182 wordt verstaan onder overtreder: degene die de overtreding, bedoeld in artikel 171, pleegt of medepleegt.
**2.** Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 173
De toezichthouder legt geen bestuurlijke boete op wanneer de overtreding van de voorschriften, bedoeld in artikel 171, niet aan de overtreder kan worden verweten.
### Artikel 174
**1.** Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900.000 bedraagt.
**2.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.
**3.** De toezichthouder kan het bedrag van de bestuurlijke boete lager vaststellen dan in de algemene maatregel van bestuur is bepaald, wanneer de overtreder aannemelijk maakt dat de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
### Artikel 175
**1.** Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen.
**2.** Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
### Artikel 176
**1.** Indien de toezichthouder voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft deze de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
**2.** In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt de toezichthouder de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen.
### Artikel 177
**1.** De toezichthouder legt de bestuurlijke boete op bij beschikking.
**2.**
De beschikking vermeldt in elk geval:
a. het feit ter zake waarvan de bestuurlijke boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en
c. de termijn, bedoeld in artikel 178, eerste lid, waarbinnen de boete moet worden betaald.
### Artikel 178
**1.** De bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
**2.** De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 176, tweede lid, is aangewezen.
**3.** Indien de bestuurlijke boete niet tijdig is betaald, stuurt de toezichthouder schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.
**4.** Bij gebreke van tijdige betaling kan de toezichthouder de bestuurlijke boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.
**5.** Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
**6.** Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de toezichthouder.
**7.** Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.
**8.** Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de bestuurlijke boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.
### Artikel 179
**1.** De werking van de beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 176, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
### Artikel 180
**1.** De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
**2.** Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 171 vervalt, indien de toezichthouder ter zake van die overtreding reeds een bestuurlijke boete heeft opgelegd.
### Artikel 181
**1.** De bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.
**2.** De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
### Artikel 182
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.
### Artikel 183
**1.**
De toezichthouder kan met het oog op de bescherming van de belangen van de pensioen- of aanspraakgerechtigden ter openbare kennis brengen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die kennisgeving hebben geleid:
a. overtreding van de verbodsbepalingen uit deze wet en de overtredingen, bedoeld in artikel 195;
b. het feit ter zake waarvan een aanwijzing is gegeven, het overtreden voorschrift, het feit dat de aanwijzing is gegeven en de door de pensioenuitvoerder te volgen gedragslijn, alsmede de naam, het adres en de vestigingsplaats van de pensioenuitvoerder aan wie de aanwijzing is gegeven;
c. het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, het feit dat de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede de naam, het adres en de vestigingsplaats van de overtreder aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd;
d. het feit dat een herstelplan als bedoeld in artikel 133 of artikel 135 is ingediend, alsmede de naam, het adres en de vestigingsplaats van het beroepspensioenfonds dat het herstelplan heeft ingediend.
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 184
**1.** De toezichthouder stelt, indien hij besluit een openbare kennisgeving uit te zullen vaardigen als bedoeld in artikel 183 de betrokken pensioenuitvoerder in kennis van het besluit.
**2.** De beschikking vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de kennisgeving, de gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare kennisgeving zal worden uitgevaardigd.
### Artikel 185
**1.** Het ter openbare kennis brengen geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de bekendmaking van de beschikking, bedoeld in artikel 184, aan de betrokkene.
**2.** Indien de betrokkene verzoekt om een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de werking van de beschikking opgeschort totdat er een uitspraak is van de voorzieningenrechter van de rechtbank.
### Artikel 186
De toezichthouder maakt een besluit tot het aanstellen van een bewindvoerder ingevolge deze wet na bekendmaking openbaar, tenzij de openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht op de naleving van deze wet.
#### Paragraaf 4.2. Vergunningverlening en toezicht grensoverschrijdende activiteiten van in Nederland zetel hebbende beroepspensioenfondsen
### Artikel 187
De vergunning, bedoeld in artikel 25, onderdeel a, wordt op aanvraag door de toezichthouder verleend wanneer het beroepspensioenfonds:
a. is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 204; en
b. voldoet aan de artikelen 21, tweede lid, 36, 49 tot en met 57, 110, 121, 138 en 142, tweede lid.
### Artikel 188
De toezichthouder kan de vergunning, bedoeld in artikel 25, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk intrekken of daaraan nadere voorschriften verbinden wanneer:
a. het pensioenfonds niet langer voldoet aan artikel 187;
b. de bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de vergunning zou hebben geleid;
c. de verlening van de vergunning anderszins onjuist was en het fonds dit wist of behoorde te weten, of
c. de verlening van de vergunning anderszins onjuist was en het fonds dit wist of behoorde te weten; of
d. van de vergunning gedurende twee jaren, na de dagtekening van de beschikking waarbij de vergunning is verleend, geen gebruik is gemaakt.
### Paragraaf 3b. Toezicht grensoverschrijdende activiteiten beroepspensioenfondsen
### Artikel 189
### Artikel 71e
**1.** De toezichthouder doet binnen drie maanden na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 26, tweede lid, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de zelfstandige of beroepsgenoot is gevestigd, tenzij het beroepspensioenfonds niet beschikt over de vergunning, bedoeld in artikel 25, onderdeel a, of de toezichthouder reden heeft te betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële positie van het beroepspensioenfonds, of de deskundigheid en betrouwbaarheid van de personen die het fonds besturen met de in die lidstaat voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn.
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. doet, binnen drie maanden na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 22b, tweede lid, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de zelfstandige of beroepsgenoot is gevestigd, tenzij het beroepspensioenfonds niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 22a, onderdeel a, of De Nederlandsche Bank N.V. reden heeft te betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële positie van het beroepspensioenfonds, of de goede reputatie en de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die het fonds besturen met de in die lidstaat voorgenomen activiteiten verenigbaar zijn.
**2.** De toezichthouder doet gelijktijdig mededeling aan het fonds van de verstrekking van de gegevens aan de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. doet gelijktijdig mededeling aan het beroepspensioenfonds van de verstrekking van de gegevens aan de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid.
**3.** De toezichthouder doet mededeling aan het fonds van informatie over de toepasselijke bepalingen van sociale en arbeidswetgeving, ontvangen van de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid.
**3.** De Nederlandsche Bank N.V. doet mededeling aan het fonds van informatie over de toepasselijke bepalingen van sociale en arbeidswetgeving, ontvangen van de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 190
### Artikel 71f
Een beroepspensioenfonds kan na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 189, derde lid, dan wel nadat twee maanden zijn verstreken na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 189, tweede lid, beginnen met het uitvoeren van de voorgenomen pensioenregeling.
Een beroepspensioenfonds kan na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 71e, derde lid, dan wel nadat twee maanden zijn verstreken na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 71e, tweede lid, beginnen met het uitvoeren van de voorgenomen pensioenregeling.
### Artikel 191
### Artikel 71g
**1.** De toezichthouder verbiedt een beroepspensioenfonds bijdragen te ontvangen van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in een andere lidstaat wanneer de toezichthouder reden heeft tot twijfel als bedoeld in artikel 189, eerste lid, of het fonds niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 25, onderdeel a.
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. verbiedt een beroepspensioenfonds bijdragen te ontvangen van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in een andere lidstaat dan Nederland wanneer De Nederlandsche Bank N.V. reden heeft tot twijfel als bedoeld in artikel 71e, eerste lid, of het fonds niet beschikt over een vergunning, bedoeld in artikel 22a, onderdeel a.
**2.** De toezichthouder kan een fonds verbieden nog langer bijdragen te ontvangen van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in een andere lidstaat wanneer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is, melding heeft gemaakt van een door het fonds gemaakte inbreuk op de toepasselijke sociale en arbeidswetgeving.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. kan een beroepspensioenfonds verbieden nog langer bijdragen te ontvangen van een zelfstandige of beroepsgenoot die is gevestigd in een andere lidstaat dan Nederland wanneer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is, melding heeft gemaakt van een door het fonds gemaakte inbreuk op de toepasselijke sociale en arbeidswetgeving.
**3.** De toezichthouder legt een verbod als bedoeld in dit artikel op in de vorm van een aanwijzing als bedoeld in artikel 166.
**3.** De Nederlandsche Bank N.V. legt een verbod als bedoeld in dit artikel op in de vorm van een aanwijzing als bedoeld in artikel 81.
### Artikel 192
### Artikel 71h
De toezichthouder neemt, in coördinatie met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de beroepspensioenregeling, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een beroepspensioenfonds een einde maakt aan een vastgestelde inbreuk op de toepasselijke regelgeving.
De Nederlandsche Bank N.V. neemt, in coördinatie met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de beroepspensioenregeling, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een beroepspensioenfonds een einde maakt aan een vastgestelde inbreuk op de toepasselijke regelgeving.
#### Paragraaf 4.3. Toezicht grensoverschrijdende activiteiten pensioeninstellingen uit andere lidstaat
### Paragraaf 3c. Toezicht grensoverschrijdende activiteiten pensioeninstellingen uit andere lidstaat
### Artikel 71i
### Artikel 193
Het is een pensioeninstelling uit een andere lidstaat verboden bijdragen te aanvaarden van een in Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot zonder:
a. een daartoe verleende vergunning van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel heeft; en
b. zonder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling zetel heeft in kennis te hebben gesteld van het voornemen een pensioenregeling uit te voeren voor een in Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
b. de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling zetel heeft in kennis te hebben gesteld van het voornemen een beroepspensioenregeling uit te voeren voor een in Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.
### Artikel 71j
### Artikel 194
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. informeert, binnen twee maanden na de datum van ontvangst van gegevens als bedoeld in artikel 22b, tweede lid, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel heeft en die deze gegevens hebben verstrekt, over de bepalingen van de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving die van toepassing zijn op de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door de in Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot en de artikelen 25, 26 en 26a.
**1.** De toezichthouder informeert, binnen twee maanden na de datum van ontvangst van gegevens als bedoeld in artikel 26, tweede lid, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel heeft en die deze gegevens hebben verstrekt, over de bepalingen van de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving die van toepassing zijn op de beroepspensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door de in Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot en de artikelen 49 tot en met 57 en 63.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. stelt de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, in kennis van elke significante wijziging in de op de beroepspensioenregeling toepasselijke sociale en arbeidswetgeving die gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling en voorts van iedere wijziging in de artikelen 25, 26 en 26a.
**2.** De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, in kennis van elke significante wijziging in de op de beroepspensioenregeling toepasselijke sociale en arbeidswetgeving die gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling en voorts van iedere wijziging in de artikelen 49 tot en met 57 en 63.
### Artikel 71k
### Artikel 195
Wanneer bij het toezicht door De Nederlandsche Bank N.V. blijkt dat de pensioeninstelling uit een andere lidstaat bij de uitvoering van een pensioenregeling waaraan door een in Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot wordt bijgedragen in strijd met de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving of de artikelen 25, 26 en 26a handelt, stelt De Nederlandsche Bank N.V. de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling haar zetel heeft hiervan onverwijld in kennis, onder mededeling van deze kennisgeving aan de pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Wanneer de toezichthouder blijkt dat een pensioeninstelling uit een andere lidstaat bij de uitvoering van een pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een in Nederland gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot in strijd met de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving of de artikelen 49 tot en met 57 en 63 handelt, stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling haar zetel heeft hiervan onverwijld in kennis, onder mededeling van deze kennisgeving aan de pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
### Artikel 71l
### Artikel 196
**1.** Indien een pensioeninstelling uit een andere lidstaat inbreuk blijft maken op de op de pensioenregeling toepasselijke Nederlandse sociale en arbeidswetgeving, in weerwil van de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel heeft getroffen maatregelen of omdat die bevoegde autoriteiten geen passende maatregelen hebben getroffen, kan De Nederlandsche Bank N.V., na die bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de inbreuk op de toepasselijke regelgeving door de pensioeninstelling te beëindigen en, voorzover zulks volstrekt noodzakelijk is, de pensioeninstelling te beletten activiteiten te verrichten voor de Nederlandse bijdragende zelfstandige of beroepsgenoot.
**1.** Indien een pensioeninstelling uit een andere lidstaat inbreuk blijft maken op de op de pensioenregeling toepasselijke Nederlandse sociale en arbeidswetgeving, in weerwil van de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel heeft getroffen maatregelen of omdat die bevoegde autoriteiten geen passende maatregelen hebben getroffen, kan de toezichthouder, na die bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om de inbreuk op de toepasselijke regelgeving door de pensioeninstelling te beëindigen en, voorzover zulks volstrekt noodzakelijk is, de pensioeninstelling te beletten activiteiten te verrichten voor de Nederlandse bijdragende zelfstandige of beroepsgenoot.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. kan, ter uitvoering van het eerste lid, de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 81, 85 en 87, toepassen.
**2.** De toezichthouder kan, ter uitvoering van het eerste lid, de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 166, 170 en 171 toepassen.
**3.** De Nederlandsche Bank N.V. kan, na toepassing van artikel 71k, de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 81, 85 en 87, toepassen wanneer een pensioeninstelling uit een andere lidstaat artikel 71h niet naleeft.
**3.** De toezichthouder kan, na toepassing van artikel 195, de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 166, 170 en 171 toepassen wanneer een pensioeninstelling uit een andere lidstaat artikel 193 niet naleeft.
### Paragraaf 4. Toezicht op de naleving; bevoegdheden van De Nederlandsche Bank N.V.
### Paragraaf 5. Overige taken en bevoegdheden
### Artikel 72
### Artikel 197
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden van een pensioenuitvoerder waarop deze wet en de daarop berustende bepalingen van toepassing zijn.
**1.** De toezichthouder verstrekt op verzoek, kosteloos, aan Onze Minister alle gegevens en inlichtingen die voor het door Onze Minister te voeren beleid inzake pensioen en het onderzoek naar de toereikendheid van deze wet noodzakelijk zijn.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. kan personen bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aanwijzen om de in het eerste lid neergelegde bevoegdheid uit te oefenen. Op de in de eerste volzin bedoelde gemachtigde personen zijn de artikelen 5:13 en 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
**2.** De toezichthouder beheert ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak een databank, stelt een informatieplan en een beheersplan op en zendt deze plannen aan Onze Minister. De toezichthouder zendt wijzigingen in het informatieplan en het beheersplan aan Onze Minister.
**3.** Een ieder die de zakelijke gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid onder zich heeft, legt deze daartoe door De Nederlandsche Bank N.V. gevorderd open.
**3.** Pensioenuitvoerders verstrekken de toezichthouder desgevraagd en kosteloos alle gegevens en inlichtingen die deze nodig heeft voor het vervullen van de in het eerste lid beschreven taak.
**4.** De pensioenuitvoerder en de beroepspensioenvereniging hebben de zakelijke gegevens en bescheiden in Nederland beschikbaar en houden deze gedurende ten minste zeven jaren na het boekjaar waarop ze betrekking hebben beschikbaar.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de in de databank op te nemen gegevens en inlichtingen, de wijze waarop de gegevens en inlichtingen worden verwerkt en beheerd en de instellingen aan wie gegevens uit de databank worden verstrekt.
**5.** Het vierde lid is niet van toepassing op een verzekeraar met een zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie of een pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
### Artikel 198
### Artikel 73
**1.** Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of instantie als bedoeld in artikel 197, derde lid, onderscheidenlijk 199, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
De pensioenuitvoerder en de beroepspensioenvereniging verstrekken De Nederlandsche Bank N.V. binnen de door haar te bepalen termijn kosteloos de inlichtingen die zij voor de vervulling van de haar bij deze wet of de daarop berustende bepalingen opgelegde taak nodig acht.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.
### Paragraaf 5. Accountant en actuaris
### Artikel 74
**1.** De accountant, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, biedt desgevraagd aan De Nederlandsche Bank N.V. inzicht in zijn controlewerkzaamheden en verstrekt haar alle overige inlichtingen die redelijkerwijze kunnen worden geacht nodig te zijn voor de vervulling van de haar bij deze wet of de daarop berustende bepalingen opgelegde taak.
**2.**
De accountant, bedoeld in het eerste lid, meldt De Nederlandsche Bank N.V. zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden die bestaan uit het opstellen van een verklaring over de getrouwheid, kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met deze wet of de daarop berustende bepalingen;
b. de nakoming van de door het beroepspensioenfonds aangegane verplichtingen bedreigt, of
c. leidt tot weigering van het afgeven van de verklaring over de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden daaromtrent.
**3.** De accountant die op grond van het tweede lid een melding aan De Nederlandsche Bank N.V. heeft gedaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde als gevolg daarvan lijdt, tenzij aannemelijk wordt dat hij gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid die melding niet had mogen doen.
### Artikel 75
**1.** Artikel 74, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op de actuaris die het actuarieel verslag van een verklaring voorziet.
**2.** De actuaris die een melding aan De Nederlandsche Bank N.V. overeenkomstig artikel 74, tweede lid, onderdelen a en b, heeft gedaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde als gevolg daarvan lijdt, tenzij aannemelijk wordt dat hij, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid die melding niet had mogen doen.
### Artikel 76
**1.** Tot het opstellen van de in artikel 75, eerste lid, bedoelde verklaring, alsmede tot het verrichten van andere tot de normale beroepsbezigheden van actuarissen behorende werkzaamheden voor een beroepspensioenfonds is tegenover De Nederlandsche Bank N.V. bevoegd degene, tegen wiens aanwijzing of handhaving bij het fonds De Nederlandsche Bank N.V. geen bedenkingen heeft geuit.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. kan tegen de aanwijzing of handhaving van een actuaris slechts bedenkingen uiten, indien de betrokkene, naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V., niet of niet meer de nodige waarborgen biedt, dat hij de hem toevertrouwde taak naar behoren zal vervullen.
### Paragraaf 6. Getuigen en deskundigen
### Artikel 77
**1.** Ter bevordering van een goede vervulling van de haar bij deze wet en de daarop berustende bepalingen opgelegde taken, kan De Nederlandsche Bank N.V. getuigen en deskundigen oproepen welke personen verplicht zijn op die oproep te verschijnen.
**2.** Het in het eerste lid bedoelde oproepen van getuigen en deskundigen gebeurt op de door De Nederlandsche Bank N.V. te bepalen wijze.
**3.** Het oproepen van getuigen en deskundigen door middel van dagvaarding gebeurt door een deurwaarder of een voor de uitvoering van de politietaak aangestelde ambtenaar of een andere ambtenaar of functionaris, voor zover die ambtenaar of functionaris door Onze Minister van Justitie daartoe op de door de artikelen 586 en 587 van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven wijze is aangewezen.
**4.** De termijn van het oproepen bedraagt ten minste drie vrije dagen.
### Artikel 78
**1.** Indien een getuige of deskundige geen gehoor geeft aan de dagvaarding, maakt De Nederlandsche Bank N.V. daarvan proces-verbaal op. Zij kan een getuige of deskundige een tweede keer doen dagvaarden en daarbij een bevel tot medebrenging voegen.
**2.** Tot het uitbrengen van een dagvaarding en tot de tenuitvoerlegging van een bevel tot medebrenging verleent het openbaar ministerie desgevorderd zijn tussenkomst.
### Artikel 79
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. is bevoegd de getuige de eed af te nemen. Artikel 177 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing.
**2.** De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.
**3.** De deskundigen verrichten hun taak onpartijdig en naar beste weten.
**4.** Personen die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen hun medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
**5.** Tot het afnemen van verhoren van getuigen en deskundigen houdt De Nederlandsche Bank N.V. zitting ter plaatse, door haar naar gelang van de omstandigheden te bepalen. Zij kan aan een of meer van de leden van haar bestuur opdragen een getuige of deskundige te gaan horen.
### Artikel 80
**1.** Aan getuigen en deskundigen wordt op hun verlangen door de directie van De Nederlandsche Bank N.V. vergoeding toegekend overeenkomstig artikel 8:36 van de Algemene wet bestuursrecht.
**2.** De kosten van de verrichtingen van deurwaarders worden berekend op de voet van het tarief van gerechtskosten in strafzaken.
### Paragraaf 7. Aanwijzing door De Nederlandsche Bank N.V.
### Artikel 81
**1.** In het kader van het toezicht op grond van deze wet kan De Nederlandsche Bank N.V. indien zij dat noodzakelijk acht in het belang van de deelnemers, de gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, of andere belanghebbenden, aan een beroepspensioenfonds een aanwijzing geven onder mededeling van de termijn waarbinnen aan die aanwijzing moet worden voldaan.
**2.** Het in het eerste lid bedoelde beroepspensioenfonds volgt de aanwijzing binnen de door De Nederlandsche Bank N.V. gestelde termijn op.
### Artikel 82
**1.** Indien aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 81 binnen de in dat artikel gestelde termijn niet of onvoldoende gevolg is gegeven, kan De Nederlandsche Bank N.V. aan het beroepspensioenfonds aanzeggen dat het vanaf een bepaald tijdstip zijn bevoegdheden slechts mag uitoefenen na toestemming door een of meer door De Nederlandsche Bank N.V. aangewezen personen en met inachtneming van de aanwijzingen van deze personen. De aanzegging wordt terstond van kracht.
**2.** Indien naar het oordeel van De Nederlandsche Bank N.V. onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, kan zij zonder voorafgaande aanwijzing onmiddellijk uitvoering geven aan het eerste lid, nadat zij het beroepspensioenfonds in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
**3.** Het beroepspensioenfonds verleent de door De Nederlandsche Bank N.V. aangewezen personen alle medewerking. De Nederlandsche Bank N.V. kan het bestuur van het beroepspensioenfonds toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten.
**4.** De door De Nederlandsche Bank N.V. aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de bekendmaking van de aanzegging, bedoeld in het eerste lid, behoudens de bevoegdheid van De Nederlandsche Bank N.V. om deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste een jaar. Een zodanige verlenging maakt De Nederlandsche Bank N.V. aan het beroepspensioenfonds bekend. De verlenging wordt terstond van kracht.
**5.** De Nederlandsche Bank N.V. kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen.
**6.** Voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het eerste lid, zijn degenen die deze handelingen als orgaan van het beroepspensioenfonds verrichten, persoonlijk aansprakelijk tegenover het beroepspensioenfonds. Het beroepspensioenfonds kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste toestemming ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn.
**7.** De Nederlandsche Bank N.V. trekt in elk geval de maatregel, bedoeld in het eerste lid, in zodra zij van oordeel is, dat deze maatregel niet langer noodzakelijk is.
**8.** De Nederlandsche Bank N.V. kan aan een op grond van het eerste lid aangewezen persoon een bezoldiging toekennen ten laste van het beroepspensioenfonds.
### Paragraaf 8. Bewindvoerder over een beroepspensioenfonds
### Artikel 83
### Artikel 199
**1.**
Op verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. kan de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam over een beroepspensioenfonds een bewindvoerder aanstellen, indien:
De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 198, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, verstrekken aan de andere toezichthouder of een toezichthoudende instantie, tenzij:
a. het beheer van een beroepspensioenfonds blijk geeft van een zodanig wanbeleid dat de belangen van de deelnemers en andere gerechtigden een onmiddellijke voorziening vereisen;
b. het bestuur van het beroepspensioenfonds is komen te ontbreken.
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. dient haar verzoekschrift tot aanstelling van een bewindvoerder in tweevoud in.
**3.** De griffier doet een exemplaar van het verzoekschrift onverwijld aan het beroepspensioenfonds toekomen.
**4.** Indien de ondernemingskamer het verzoek toewijst, bepaalt zij de duur waarvoor de bewindvoerder is aangesteld. Zij kan deze duur op verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. of van de bewindvoerder verlengen dan wel verkorten.
**5.** De ondernemingskamer kan de bewindvoerder een bezoldiging toekennen ten laste van het beroepspensioenfonds.
**6.** De bewindvoerder treedt in de plaats van het bestuur van het beroepspensioenfonds.
**7.** De voorlopige tenuitvoerlegging van de beschikking tot aanstelling van een bewindvoerder kan worden bevolen, indien het verzoek daartoe is gedaan op de grond, genoemd in het eerste lid, onderdeel a.
### Paragraaf 9. Ontheffing
### Artikel 84
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. kan desgevraagd in bijzondere gevallen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 29, eerste en tweede lid, 30, 31, 33, 42, eerste lid, onderdeel f, 43, onderdeel d, 53, eerste lid en 63, eerste tot en met derde lid ontheffing verlenen, indien zij van oordeel is, dat de belangen van de personen die betrokken zijn bij een beroepspensioenregeling voldoende gewaarborgd zijn.
**2.** Geen ontheffing wordt verleend, wanneer het verzoek daartoe betrekking heeft op afkoop van pensioen of een aanspraak op pensioen, anders dan met het oog op verwerving van aanspraken op pensioen jegens een in het buitenland gevestigde instelling.
**3.** De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
**4.**
De ontheffing kan worden ingetrokken indien:
a. één of meer van de redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;
b. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, dat indien deze ook ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend, of
c. één of meer van de aan de ontheffing verbonden beperkingen of voorschriften niet wordt of worden nageleefd.
**5.** De Nederlandsche Bank N.V. stelt beleidsregels vast over het nemen van beslissingen ter zake van ontheffing. De beleidsregels worden gepubliceerd in de Staatscourant.
### Paragraaf 10. Dwangsom
### Artikel 85
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van het niet naleven van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 19, 20, 21, 22a, 22c, 23, 24, 26a, 28, 32, 37, 38, 39, 41, eerste lid, 42, 44, 45, 50, 51, 53, eerste tot en met zevende lid, 54, eerste lid, 55, 57, 58, 59, 59a, 60, 61, eerste tot en met vierde lid, 63, eerste tot en met vijfde lid, 71, eerste lid, 72, derde en vierde lid, 73, 74, eerste en tweede lid, 75, eerste lid en 81, tweede lid.
**2.** De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
### Artikel 86
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het niet naleven van de in artikel 85 genoemde voorschriften en het daaraan voorafgaande onderzoek.
### Paragraaf 11. Bestuurlijke boete
### Artikel 87
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. beboetbaar feit: een gedraging in strijd met deze wet terzake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd;
b. boete: de bestuurlijke sanctie die bestaat uit de onvoorwaardelijke verplichting tot het betalen van een bepaalde geldsom aan De Nederlandsche Bank N.V.
### Artikel 88
De Nederlandsche Bank N.V. kan een bestuurlijke boete opleggen terzake van het niet naleven van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 6, 19, 20, 21, 22a, 22c, 23, 24, 26a, 28, 32, 37, 38, 39, 41, eerste lid, 42, 44, 45, 50, 51, 53, eerste tot en met zevende lid, 54, eerste lid, 55, 57, 58, 59, 59a, 60, 61, eerste tot en met vierde lid, 63, eerste tot en met vijfde lid, 71, eerste lid, 72, derde en vierde lid, 73, 74, eerste en tweede lid, 75, eerste lid, 79, tweede en derde lid, 81, tweede lid en 82, eerste en derde lid.
### Artikel 89
**1.** Beboetbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.
**2.**
Indien een beboetbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon kan de boete worden opgelegd aan:
1°. de rechtspersoon, of
2°. degene die opdracht heeft gegeven tot de gedraging waardoor de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet of de daarop berustende bepalingen niet zijn nageleefd alsmede tegen hem die feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedraging, of
3°. de onder 1° en 2° genoemde tezamen.
**2.** Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een andere toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
**3.**
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt met een rechtspersoon gelijkgesteld:
Indien een toezichthoudende instantie aan de toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
1°. de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, en
2°. de maatschap.
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; of
b. voorzover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Justitie, indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
### Artikel 90
**4.** De Autoriteit Financiële Markten dan wel het organisatieonderdeel van De Nederlandsche Bank N.V. dat is belast met de in artikel 146, derde lid, genoemde taak kan vertrouwelijke informatie of gegevens verstrekken aan het organisatieonderdeel van De Nederlandsche Bank N.V. dat is belast met het vervullen van haar monetaire taak, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van die taak.
**1.** Het bedrag van de boete wordt bepaald als voorzien in de bijlage met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 907 560 bedraagt.
**5.** Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op het uitwisselen van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen tussen de met verschillende taken belaste organisatieonderdelen van de toezichthouder.
**2.** In de bijlage wordt bepaald bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.
### Artikel 200
**3.** De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
**1.**
**4.** De Nederlandsche Bank N.V. kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.
De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 198, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een persoon als bedoeld in de onderdelen a, b, c, d of e voorzover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taak:
### Artikel 91
De persoon jegens wie door De Nederlandsche Bank N.V. een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens het begaan van een beboetbaar feit een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
### Artikel 92
**1.** Indien De Nederlandsche Bank N.V. voornemens is om de persoon door wie een beboetbaar feit is begaan een boete op te leggen, wordt deze hiervan in kennis gesteld onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
**2.** In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt De Nederlandsche Bank N.V. binnen een door hem te bepalen termijn de persoon, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 90 is aangewezen.
### Artikel 93
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het niet naleven van de in artikel 88 genoemde artikelen en de daarop berustende bepalingen en het daaraan voorafgaande onderzoek.
### Artikel 94
**1.** Een boete wordt opgelegd bij beschikking van De Nederlandsche Bank N.V.
a. een bewindvoerder die ingevolge artikel 168 is benoemd;
b. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 223a van de Faillissementswet is benoemd;
c. een bewindvoerder die ingevolge artikel 215, tweede lid, van de Faillissementswet is benoemd;
d. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 14 van de Faillissementswet is benoemd;
e. een curator die ingevolge artikel 14 van de Faillissementswet is aangesteld.
**2.**
In de beschikking wordt in ieder geval vermeld:
De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. het beboetbare feit ter zake waarvan de boete opgelegd wordt, alsmede het overtreden voorschrift;
b. de hoogte van de boete en de gegevens op basis waarvan de hoogte van de boete is bepaald, en
c. de termijn, waarbinnen de boete moet worden betaald.
a. indien de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
b. indien de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zijn verkregen van de andere toezichthouder of een toezichthoudende instantie, en deze andere toezichthouder of die toezichthoudende instantie niet instemt met het verstrekken van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen.
### Artikel 95
**3.** De curator die is aangesteld in het faillissement van een pensioenuitvoerder kan, in afwijking van artikel 198, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid verstrekken aan de rechtbank, voorzover die geen betrekking hebben op een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een poging de pensioenuitvoerder in staat te stellen zijn activiteiten voort te zetten.
**1.** De werking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd wordt geschorst totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
**4.** Artikel 198, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voorzover het gaat om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een pensioenuitvoerder die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing op vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een poging de desbetreffende pensioenuitvoerder in staat te stellen zijn activiteiten voort te zetten.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 92, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
### Artikel 201
### Artikel 96
**1.** De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 198, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een instantie die is belast met de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden of aan een deskundige die door een dergelijke instantie met een opdracht is belast, voor zover de verlangde gegevens of inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die opdracht.
**1.** De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt na verloop van drie jaren na de dag waarop het beboetbare feit is begaan.
**2.** Indien de instantie, bedoeld in het eerste lid, het voornemen heeft toepassing te geven aan de bevoegdheid tot het bij de toezichthouder vorderen van de uitlevering van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp of aan de bevoegdheid tot het vorderen van de inzage of een afschrift van bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of 126a van het Wetboek van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de Wet op de economische delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 198, eerste lid, stelt die instantie voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de toezichthouder in de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.
**2.** De beslissing om een boete op te leggen stuit de in het eerste lid bedoelde termijn.
### Artikel 202
### Artikel 97
**1.**
**1.** De boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.
De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 198, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:
**2.** De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sinds de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 92, tweede lid, is aangewezen.
a. een accountant die het onderzoek naar de staten uitvoert, bedoeld in artikel 142, vijfde lid, of die is belast met de wettelijke controle van de jaarrekening van een pensioenuitvoerder, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die pensioenuitvoerder en noodzakelijk zijn voor de controle; of
b. een actuaris die het onderzoek naar de staten uitvoert, bedoeld in artikel 142, vierde lid, of die is belast met de wettelijke controle van een pensioenuitvoerder, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die pensioenuitvoerder en noodzakelijk zijn voor de controle.
### Artikel 98
**2.**
**1.** Bij gebreke van betaling van de boete stuurt De Nederlandsche Bank N.V. schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken alsnog aan de verplichtingen te voldoen. De verschuldigde boete wordt verhoogd met de kosten die op de aanmaning betrekking hebben.
De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste lid indien:
**2.** De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze binnen de in de aanmaning gestelde termijn niet wordt voldaan, wordt ingevorderd overeenkomstig artikel 99.
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
### Artikel 99
**1.** Bij gebreke van betaling van de boete vordert De Nederlandsche Bank N.V. van de persoon aan wie de boete is opgelegd de verschuldigde boete, verhoogd met de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel in.
**2.** Het dwangbevel wordt op kosten van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de boete is opgelegd bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van Boek 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
**3.** Gedurende zes weken na de dag van betekening van het dwangbevel staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van De Nederlandsche Bank N.V.
**4.** Het verzet wordt niet gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoge geldsom is vastgesteld.
**5.** Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de president van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.
### Paragraaf 12. Toezicht door Onze Minister
### Artikel 100
**1.** De Nederlandsche Bank N.V. verstrekt op verzoek van Onze Minister gegevens of inlichtingen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet en de daarop berustende bepalingen of de wijze waarop De Nederlandsche Bank N.V. deze wet en de daarop berustende bepalingen uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt, alsmede gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op de uitvoering van de artikelen, genoemd in artikel 101.
**2.** De Nederlandsche Bank N.V. verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister De Nederlandsche Bank N.V. vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die op grond van hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen is bepaald over afzonderlijke beroepspensioenfondsen zijn verstrekt of zijn verkregen, en die geen betrekking hebben op de uitvoering van de artikelen, genoemd in artikel 101 is De Nederlandsche Bank N.V. niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken aan Onze Minister indien deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijk beroepspensioenfonds, rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een pensioenfonds dat in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
**3.** Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem op grond van het eerste lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Ook kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen. In dat geval zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.
**3.** Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een andere toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
**4.**
Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij op grond van het eerste of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over:
Indien een instantie of persoon als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
a. de toereikendheid van deze wet en de daarop berustende bepalingen, of
b. de wijze waarop De Nederlandsche Bank N.V. deze wet en de daarop berustende bepalingen uitvoert of heeft uitgevoerd.
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste, tweede of derde lid; of
b. voorzover die instantie of persoon op een andere wijze dan in deze wet voorzien met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
**5.** Onze Minister en de derde bedoeld in het derde lid, zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen.
### Artikel 203
**6.** Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin openbaar maken.
De toezichthouder organiseert ten minste één keer per jaar een overleg met belanghebbenden aangaande pensioenen.
**7.** De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende onder zich heeft.
### Artikel 204
### Artikel 101
De toezichthouder beheert een register waarin alle beroepspensioenfondsen met zetel in Nederland worden ingeschreven. In het register wordt, indien van toepassing, vermeld in welke lidstaten een fonds pensioenregelingen uitvoert.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de uitvoering door De Nederlandsche Bank N.V. van de artikelen 20, 21, 23, 24, 29, 30, 34, 35, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 70 en 71.
### Artikel 205
### Paragraaf 13. Kosten uitvoering deze wet
De toezichthouder is verplicht nauw samen te werken met de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten uit andere lidstaten dan Nederland, overeenkomstig richtlijn 2003/41/EG.
### Artikel 102
### Artikel 206
**1.** De pensioenuitvoerder vergoedt de kosten die aan de uitvoering van deze wet zijn verbonden.
**1.** De toezichthouder kan desgevraagd in bijzondere gevallen van het bepaalde bij of krachtens artikel 142, eerste tot en met derde lid, ontheffing verlenen, indien hij van oordeel is, dat de belangen van de personen die betrokken zijn bij een pensioenregeling voldoende gewaarborgd zijn.
**2.** Onze Minister stelt nadere regels vast over het vergoeden van de kosten, bedoeld in het eerste lid, waarbij van het eerste lid kan worden afgeweken indien een verzekeraar op grond van artikel 186 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 ook kosten vergoedt.
**2.** De ontheffing wordt verleend bij beschikking.
### Artikel 207
**1.** De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
**2.** Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
**3.**
De ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:
a. een of meer van de redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen;
b. na de verlening zich zodanige feiten of omstandigheden hebben voorgedaan of zijn gebleken dat, indien deze ook ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend;
c. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt nageleefd.
**4.** De toezichthouder stelt beleidsregels vast over de verlening van ontheffing.
### Paragraaf 6. Overige bepalingen
### Artikel 208
**1.** Onze Minister zendt jaarlijks het jaarverslag, de verantwoording en alle andere van belang zijnde door de toezichthouder aan Onze Minister uitgebrachte toezichtrapportages, in de vorm waarin zij aan hem zijn voorgelegd, zonodig voorzien van zijn oordeel, aan de Staten-Generaal.
**2.** Onze Minister zendt elke vijf jaar een verslag aan de Staten-Generaal over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de toezichthouder.
### Artikel 209
**1.** Overtreding van de artikelen 107, 162, 164, 165, eerste tot en met vierde lid, en 167, vijfde lid, onderdeel a, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Overtreding van artikel 166, eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van de vierde categorie.
**2.** Met een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft overtreding van voorschriften, krachtens deze wet bij algemene maatregel van bestuur gegeven, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin dezer wet aangeduid.
**3.** De in of krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
## Hoofdstuk 7. Rechtsvordering
### Artikel 103
### Artikel 210
**1.** Indien een premie na aanmaning per aangetekende brief niet of niet geheel binnen dertig dagen wordt voldaan kan de pensioenuitvoerder, vertegenwoordigd door de personen die op grond van de statuten bevoegd zijn de pensioenuitvoerder in rechte te vertegenwoordigen, de premie, wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten en de aanmaningskosten invorderen bij dwangbevel.
**2.** De in het eerste lid bedoelde aanmaning vermeldt de inhoud van het eerste en vierde tot en met het achtste lid van dit artikel en van artikel 5, derde lid.
**2.** De in het eerste lid bedoelde aanmaning vermeldt de inhoud van het eerste en vierde tot en met het achtste lid van dit artikel en van artikel 7, derde lid.
**3.**
@ -1302,137 +2262,39 @@ e. de datum waarop de in het eerste lid bedoelde aanmaning is geschied.
**8.** Het recht tot invorderen bij dwangbevel strekt zich uit tot de kosten van vervolging.
### Artikel 104
### Artikel 211
**1.** Voor burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering op grond van een beroepspensioenregeling is de kantonrechter bevoegd.
**2.** In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
### Artikel 104a
### Artikel 212
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
**1.** Het verantwoordingsorgaan, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, kan een verzoek in het kader van het recht op enquête, bedoeld in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, indienen bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam indien voorafgaand aan de indiening van dat verzoek het intern toezicht, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, zich daarover heeft uitgesproken.
## Hoofdstuk 8. Informatie uit de basisadministratie en burgerlijke stand
**2.** De artikelen 346 tot en met 359 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 105
**3.** De kosten die verband houden met het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoek komen ten laste van het beroepspensioenfonds indien zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van het verantwoordingsorgaan en het beroepspensioenfonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
Inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand, welke met het oog op deelneming in een beroepspensioenregeling of uitkering op grond van beroepspensioenregeling ten aanzien van deelnemers, gewezen deelnemers, of pensioengerechtigden aan de pensioenuitvoerder worden verstrekt, zijn vrij van leges.
## Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
## Hoofdstuk 9. Wijziging van wetten
### Artikel 213
### Artikel 106
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk op het terrein van communicatie, toezicht en administratieve lasten.
Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet.
### Artikel 214
### Artikel 107
**1.** Ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor 1 januari 2006 is verplichtgesteld, doet Onze Minister de eerste keer het verzoek, bedoeld in artikel 11, eerste lid, ten minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds 1 januari 2006, tenzij er na 1 januari 2006 een wijziging van de verplichtstelling heeft plaatsgevonden.
Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.
**2.** Artikel 17 is slechts van toepassing op detacheringen die op of na 25 juli 2001 zijn aangevangen.
### Artikel 108
**3.** De laatste volzin van artikel 66, eerste lid, is ten aanzien van aanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2006 en die op 1 januari 2006 niet voldoen aan de laatste volzin van artikel 66, eerste lid, gedurende tien jaren na 1 januari 2006 niet van toepassing, met dien verstande dat de financiering van die aanspraken ten minste in gelijke delen per kalenderjaar plaatsvindt. De toezichthouder kan toestaan dat, in afwijking van de eerste zin, gedurende een langere periode, maar niet langer dan gedurende vijftien jaar geen toepassing wordt gegeven aan de laatste volzin van artikel 66, eerste lid, voor zover dat noodzakelijk is ter voorkoming van onaanvaardbare financiële gevolgen voor de betrokken beroepspensioenregeling of de betrokken beroepsgenoten.
Wijzigt de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
**4.** Artikel 109, eerste lid, en artikel 111 zijn ten aanzien van een beroepspensioenfonds waarvan de beroepspensioenregeling voor 1 januari 2006 is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor die datum een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, eerst van toepassing met ingang van 1 januari 2008.
### Artikel 109
**5.** Voor de toepassing van artikel 8 wordt onder «een daartoe door een beroepspensioenvereniging opgericht beroepspensioenfonds» mede verstaan een beroepspensioenfonds dat een beroepspensioenregeling uitvoert die voor 1 januari 2006 is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor die datum een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, met betrekking tot de uitvoering van die regeling.
Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening.
### Artikel 110
Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.
### Artikel 111
Wijzigt de Wet op de medische keuringen.
### Artikel 112
Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
### Artikel 113
Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
### Artikel 114
Wijzigt de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
### Artikel 114a
Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
### Artikel 115
Wijzigt de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
### Artikel 115a
Wijzigt de Wet op het notarisambt.
## Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
### Artikel 116
**1.** Op een aanvraag tot het verplichtstellen van deelneming in een bepaalde beroepspensioenregeling ontvangen voor de inwerkingtreding van artikel 3, eerste lid, beslist Onze Minister volgens de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling zoals deze luidde ten tijde van de ontvangst van de aanvraag.
**2.** Op bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 3, eerste lid, wordt beslist op grond van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenfonds zoals deze luidde ten tijde van de indiening.
**3.** Een verplichting tot het deelnemen in een beroepspensioenregeling op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3, eerste lid, wordt aangemerkt als een verplichtstelling op grond van artikel 3, eerste lid.
**4.** Ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor de inwerkingtreding van artikel 9, eerste lid, is verplichtgesteld, doet Onze Minister de eerste keer het verzoek, bedoeld in artikel 9, eerste lid, ten minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds de datum van inwerkingtreding van artikel 9, eerste lid, tenzij er na de inwerkingtreding van artikel 9, eerste lid, een wijziging van de verplichtstelling heeft plaatsgevonden.
**5.** Artikel 15 en 46 zijn slechts van toepassing op detacheringen die op of na 25 juli 2001 zijn aangevangen.
**6.** Artikel 19 is ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor de inwerkingtreding van dat artikel is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van dat artikel een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, eerst van toepassing met ingang van het tweede jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het artikel.
**7.** Artikel 21 is ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor de inwerkingtreding van dat artikel is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van dat artikel een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan eerst van toepassing met ingang van 1 januari 2007.
**8.** Een vrijstelling die is verleend op grond van artikel 26 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 16, wordt aangemerkt als een ontheffing op grond van artikel 16.
**9.** Artikel 32 is ten aanzien van aanspraken die zijn opgebouwd voor de inwerkingtreding van artikel 3, eerste lid, voorzover het aanspraken betreft die op de datum van inwerkingtreding van dat artikellid niet voldoen aan de eis van artikel 32, eerste lid, gedurende tien jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3, eerste lid, niet van toepassing, met dien verstande dat de financiering van die aanspraken ten minste in gelijke delen per kalenderjaar plaatsvindt. De Nederlandsche Bank kan toestaan dat, in afwijking van de eerste zin gedurende een langere periode, maar niet langer dan gedurende vijftien jaar geen toepassing wordt gegeven aan artikel 32, voor zover dat noodzakelijk is ter voorkoming van onaanvaardbare financiële gevolgen voor de betrokken beroepspensioenregeling of de betrokken beroepsgenoten.
**10.** Artikel 35 en artikel 39, derde lid, zijn ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor de inwerkingtreding van dat artikel respectievelijk artikellid is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van dat artikel respectievelijk artikellid een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, eerst van toepassing met ingang van het tweede jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikellid.
**11.** Artikel 37 is uitsluitend van toepassing op aanspraken die worden opgebouwd na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel.
**12.** Artikel 41 zijn ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor de inwerkingtreding van artikel 41 is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van artikel 41 een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, eerst van toepassing met ingang van het tweede jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 41.
**13.** Artikel 41 is niet van toepassing indien de deelneming is geëindigd voor de inwerkingtreding van dat artikel.
**14.** De artikelen 37, derde lid, 38, 40, vijfde lid, 42, eerste lid, onderdeel d en e en 108 zijn slechts van toepassing op aanspraken die worden opgebouwd vanaf 1 januari 2007.
**15.** Bij de toepassing van artikel 42 is op pensioen of aanspraken op pensioen die voor 1 januari 2007 zijn opgebouwd artikel 43, onderdeel f van toepassing, tenzij artikel 42 wordt toegepast in verband met een keuze als bedoeld in artikel 37 of 38 en de pensioenuitvoerder in de beroepspensioenregeling artikel 42, eerste lid, onderdeel d en e, van toepassing heeft verklaard.
**16.** Artikel 52, eerste lid, en artikel 56, tweede lid, zijn ten aanzien van een beroepspensioenfonds waarvan de beroepspensioenregeling voor de inwerkingtreding van dat artikellid is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van dat artikellid een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, eerst van toepassing met ingang van het derde jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het betreffende artikellid.
**17.** Ten aanzien van personen die al op 31 december 2000 het beleid van het beroepspensioenfonds bepaalden of mede bepaalden kan een beoordeling als bedoeld in artikel 53, tweede en derde lid, achterwege blijven voor de resterende duur van hun aanstellings- of benoemingstermijn.
**18.** Vervallen.
**19.** Artikel 106, twaalfde en dertiende lid, is eerst van toepassing met ingang van het tweede jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 39, derde lid.
**20.** Artikel 111 is ten aanzien van een beroepspensioenregeling die voor de inwerkingtreding van dat artikel is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van dat artikel een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, eerst van toepassing met ingang van het tweede jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel.
**21.** De geldboetes op grond van artikel 27 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3, eerste lid, gesteld op strafbare feiten waarvoor op grond van deze wet slechts een dwangsom of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd en die zijn begaan voor het tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, in werking treedt, blijven van toepassing op deze strafbare feiten.
**22.** Ten behoeve van een beroepspensioenregeling die voor de inwerkingtreding van artikel 3 is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van dat artikel een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan wordt binnen een jaar na de inwerkingtreding van dat artikel een beroepspensioenvereniging opgericht.
**23.** Voor de toepassing van artikel 6 wordt onder «een daartoe door een beroepspensioenvereniging opgericht beroepspensioenfonds» mede verstaan een beroepspensioenfonds dat een beroepspensioenregeling uitvoert die voor de inwerkingtreding van artikel 3 is verplichtgesteld of ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van dat artikel een aanvraag tot verplichtstelling is gedaan, met betrekking tot de uitvoering van die regeling.
**24.** Voor de toepassing van de artikelen 7, 8, 9, 11, 13, 42, 43, 72 en 73 wordt onder «beroepspensioenvereniging» gedurende het eerste jaar na inwerkingtreding van artikel 3, mede verstaan: voor de betrokken beroepsgroep voldoende representatieve organisatie van beroepsgenoten.
### Artikel 117
De Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling wordt ingetrokken.
### Artikel 117a
De Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds wordt ingetrokken.
### Artikel 118
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
### Artikel 119
### Artikel 215
Deze wet wordt aangehaald als: Wet verplichte beroepspensioenregeling.