diff --git a/wet/wet-bdu-verkeer-en-vervoer/BWBR0017828/README.md b/wet/wet-bdu-verkeer-en-vervoer/BWBR0017828/README.md index 6e75f8f7081..fb0778f0488 100644 --- a/wet/wet-bdu-verkeer-en-vervoer/BWBR0017828/README.md +++ b/wet/wet-bdu-verkeer-en-vervoer/BWBR0017828/README.md @@ -16,53 +16,44 @@ citeertitel: Wet BDU verkeer en vervoer In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat; -b. plusregio: een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat; -c. inliggende gemeenten: gemeenten die zijn gelegen binnen een provincie en buiten een plusregio; -d. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een regionaal openbaar lichaam; -e. uitkering: een brede doeluitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid of artikel 3, eerste lid; -f. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt; -g. verkeer- en vervoerbeleid: het samenstel van maatregelen gericht op aanleg, verbetering van de functionaliteit en op de instandhouding van de gebruiksfunctie van onroerende voorzieningen ten behoeve van het vervoer van personen en goederen, op exploitatie van openbaar en daarmee gelijkgesteld vervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000, op verkeersveiligheid en op de overige maatregelen gericht op beïnvloeden van de keuze van een vervoersmodaliteit. +a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; +b. openbaar lichaam: een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000; +c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam; +d. uitkering: een brede doeluitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid; +e. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt; +f. verkeer- en vervoerbeleid: het samenstel van maatregelen gericht op aanleg, verbetering van de functionaliteit en op de instandhouding van de gebruiksfunctie van onroerende voorzieningen ten behoeve van het vervoer van personen en goederen, op exploitatie van openbaar en daarmee gelijkgesteld vervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000, op verkeersveiligheid en op de overige maatregelen gericht op beïnvloeden van de keuze van een vervoersmodaliteit. ## Hoofdstuk 2. Verstrekking van de uitkering ### Artikel 2 -**1.** Onze Minister verstrekt jaarlijks voor het uitkeringsjaar aan provincies een brede doeluitkering ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het provinciaal verkeer- en vervoerbeleid. - -**2.** - -Gedeputeerde staten kunnen een gedeelte van de uitkering verstrekken aan: - -a. een samenwerkingsverband van inliggende gemeenten ten behoeve van de kosten van de uitvoering van het intergemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid; -b. een inliggende gemeente ten behoeve van de kosten van de uitvoering van het gemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid; -c. een waterschap ten behoeve van de kosten van de aanleg en uitbreiding van de capaciteit van wegen, de verkeersveiligheid op wegen en daaraan gerelateerde voorzieningen voor wegen waarvan het beheer bij reglement aan het waterschap is opgedragen. +Vervallen ### Artikel 3 -**1.** Onze Minister verstrekt jaarlijks voor het uitkeringsjaar aan een plusregio een brede doeluitkering ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het regionaal verkeer- en vervoerbeleid. +**1.** Onze Minister verstrekt jaarlijks voor het uitkeringsjaar aan een openbaar lichaam een brede doeluitkering ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het regionaal verkeer- en vervoerbeleid in het krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied. **2.** Het dagelijks bestuur kan een gedeelte van de uitkering verstrekken aan: -a. een gemeente die deel uitmaakt van de plusregio ten behoeve van de kosten van de uitvoering van het gemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid; +a. een gemeente die deel uitmaakt van het krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied ten behoeve van de kosten van de uitvoering van het gemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid; b. een waterschap ten behoeve van de kosten van de aanleg en uitbreiding van de capaciteit van wegen, de verkeersveiligheid op wegen en daaraan gerelateerde voorzieningen voor wegen waarvan het beheer bij reglement aan het waterschap is opgedragen; -c. een provincie ten behoeve van de kosten van de aanleg van provinciale wegen binnen een plusregio. +c. een provincie ten behoeve van de kosten van de aanleg van provinciale wegen binnen een krachtens artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 aangewezen gebied. ### Artikel 4 **1.** De uitkering wordt niet aangewend voor kosten van algemeen bestuurlijke aard. -**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld over de verstrekking en de betaling van de uitkering aan provincies onderscheidenlijk regionale openbare lichamen. +**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld over de verstrekking en de betaling van de uitkering. ## Hoofdstuk 3. Berekening van de uitkering ### Artikel 5 -**1.** De verdeling over provincies en regionale openbare lichamen van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag is gebaseerd op bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde gebiedsgerichte structuurkenmerken en andere kenmerken. +**1.** De verdeling over de openbare lichamen van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag is gebaseerd op bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde gebiedsgerichte structuurkenmerken en andere kenmerken. -**2.** Op basis van de structuurkenmerken wordt voor iedere provincie onderscheidenlijk voor iedere plusregio afzonderlijk het percentuele aandeel berekend van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag. +**2.** Op basis van de structuurkenmerken wordt voor ieder openbaar lichaam afzonderlijk het percentuele aandeel berekend van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag. **3.** Op basis van de andere kenmerken wordt het absolute aandeel berekend van het voor het totaal van de uitkeringen beschikbare bedrag. @@ -70,7 +61,7 @@ c. een provincie ten behoeve van de kosten van de aanleg van provinciale wegen b **5.** -Onze Minister kan in overeenstemming met gedeputeerde staten en de dagelijkse besturen uitgaven doen voor: +Onze Minister kan in overeenstemming met de dagelijkse besturen uitgaven doen voor: a. het te voeren gemeenschappelijk verkeer- en vervoerbeleid; b. het verlenen van een subsidie aan een rechtspersoon die het te voeren gemeenschappelijk verkeer- en vervoerbeleid behartigt. @@ -81,38 +72,19 @@ b. het verlenen van een subsidie aan een rechtspersoon die het te voeren gemeens ### Artikel 6 -**1.** Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur stellen jaarlijks voor 15 september een bestedingsplan vast ten behoeve van de besteding van de uitkering voor het volgende uitkeringsjaar. - -**2.** Het bestedingsplan wordt onverwijld gewijzigd indien bij verstrekking van de bijdrage blijkt dat het in de beschikking opgenomen bedrag afwijkt van het bedrag waarop het bestedingsplan is gebaseerd. - -**3.** Het bestedingsplan bevat in ieder geval een overzicht van de in het uitkeringsjaar te verrichten bestedingen en reserveringen ten laste van de uitkering. - -**4.** - -Een provinciaal bestedingsplan bevat in ieder geval een verdeling van de uitkering over: - -a. maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeer- en vervoerbeleid die worden uitgevoerd door de provincie; en -b. maatregelen met betrekking tot het gemeentelijk en intergemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid die worden uitgevoerd door een inliggende gemeente of door een samenwerkingsverband van gemeenten, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a. - -**5.** Indien bestuurlijke overeenkomsten zijn gesloten als bedoeld in artikel 12 van de Planwet verkeer en vervoer, wordt hiermee bij het opstellen van het bestedingsplan rekening gehouden. - -**6.** Het bestedingsplan, bedoeld in het eerste lid, wordt aan Onze Minister toegezonden voor 1 februari van het uitkeringsjaar. +Vervallen ### Artikel 7 -**1.** Gedeputeerde staten betrekken bij de voorbereiding van het bestedingsplan, bedoeld in artikel 6, de naar zijn oordeel meest belanghebbende bestuursorganen. Daartoe behoren in ieder geval de besturen van de inliggende gemeenten. - -**2.** Indien het bestedingsplan afwijkt van de uitkomsten van het bestuurlijke overleg worden de redenen hiervoor in het bestedingsplan vermeld. +Vervallen ### Artikel 8 -**1.** Ten behoeve van de voorbereiding van het bestedingsplan, bedoeld in artikel 6, vindt door gedeputeerde staten in ieder geval afstemming plaats met de besturen van de aangrenzende provincies, de besturen van de in de provincie gelegen regionale openbare lichamen en de besturen van de waterschappen die zijn gelegen binnen een provincie en buiten een plusregio voor wegen waarvan het beheer bij reglement aan het waterschap is opgedragen; - -**2.** Ten behoeve van de voorbereiding van het bestedingsplan, bedoeld in artikel 6, vindt door het dagelijks bestuur in ieder geval afstemming plaats met het bestuur van de provincie waarin de plusregio is gelegen en de besturen van de in de plusregio gelegen waterschappen voor wegen waarvan het beheer bij reglement aan het waterschap is opgedragen. +Vervallen ### Artikel 9 -**1.** Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur kunnen een gedeelte van de uitkering reserveren voor het doen van uitgaven in de jaren die volgen op het uitkeringsjaar. +**1.** Het dagelijks bestuur kan een gedeelte van de uitkering reserveren voor het doen van uitgaven in de jaren die volgen op het uitkeringsjaar. **2.** Vervallen. @@ -122,20 +94,20 @@ b. maatregelen met betrekking tot het gemeentelijk en intergemeentelijk verkeer- ### Artikel 10 -De provincie onderscheidenlijk de plusregio legt financiële verantwoording af over de besteding en reservering ten laste van de uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. +Het openbaar lichaam legt financiële verantwoording af over de besteding en reservering ten laste van de uitkering op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. ### Artikel 11 **1.** -Onze Minister kan een uitkering ten nadele van de provincie onderscheidenlijk de plusregio wijzigen indien: +Onze Minister kan een uitkering ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen indien: -a. uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, onderscheidenlijk uit de verantwoordingsinformatie niet blijkt dat de uitkering is besteed aan de voorbereiding en de uitvoering van het provinciale onderscheidenlijk het regionale verkeer- en vervoerbeleid en, indien een gedeelte van de uitkering is gereserveerd, uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, onderscheidenlijk uit de verantwoordingsinformatie niet blijkt dat dit is gebeurd in overeenstemming met artikel 9 of de reservering niet herkenbaar in de verantwoording is vastgelegd; +a. uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat de uitkering is besteed aan de voorbereiding en de uitvoering van het regionale verkeer- en vervoerbeleid en, indien een gedeelte van de uitkering is gereserveerd, uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat dit is gebeurd in overeenstemming met artikel 9 of de reservering niet herkenbaar in de verantwoording is vastgelegd; b. geen verantwoording is afgelegd die overigens voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels. -**2.** Alvorens tot wijziging over te gaan stelt Onze Minister gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur in de gelegenheid te worden gehoord. +**2.** Alvorens tot wijziging over te gaan stelt Onze Minister het dagelijks bestuur in de gelegenheid te worden gehoord. -**3.** De wijziging van de uitkering ten nadele van de provincie of van de plusregio vindt plaats binnen vijf jaar na het einde van het uitkeringsjaar. +**3.** De wijziging van de uitkering ten nadele van het openbaar lichaam vindt plaats binnen vijf jaar na het einde van het uitkeringsjaar. ### Artikel 12 @@ -143,15 +115,15 @@ Onverschuldigde betalingen gedaan in het kader van de toepassing van deze wet ku ### Artikel 13 -**1.** Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur verstrekken desgevraagd inlichtingen omtrent de besteding en de reservering ten laste van de uitkering aan de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001. +**1.** Het dagelijks bestuur verstrekt desgevraagd inlichtingen omtrent de besteding en de reservering ten laste van de uitkering aan de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de accountantsdienst, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001. -**2.** De ambtenaren van de accountantsdienst kunnen ten aanzien van de financiële verantwoording door de provincie onderscheidenlijk de plusregio tevens informatie inwinnen bij de in artikel 10, tweede lid, bedoelde accountant. +**2.** De ambtenaren van de accountantsdienst kunnen ten aanzien van de financiële verantwoording door het openbaar lichaam tevens informatie inwinnen bij accountant. ### Artikel 14 **1.** -Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur verstrekken aan Onze Minister desgevraagd informatie met het oog op: +Het dagelijks bestuur verstrekt aan Onze Minister desgevraagd informatie met het oog op: a. de uitoefening van zijn bevoegdheden krachtens deze wet; b. zijn verantwoordelijkheid voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid dat aan zijn begroting ten grondslag ligt. @@ -186,28 +158,19 @@ Wijzigt de Spoorwegwet. ### Artikel 21 +Wijzigt de Wet kabelbaaninstallaties. + Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ## Hoofdstuk 7. Overgangsrecht ### Artikel 22 -**1.** In afwijking van artikel 2, eerste lid, en artikel 3, eerste lid, kan de eerste verstrekking van de uitkering ook plaatsvinden in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft. - -**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt in afwijking van artikel 6 door gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur binnen acht weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een bestedingsplan vastgesteld. - -**3.** - -Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, blijven de regels zoals die golden op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de bijdrage voor de exploitatie van het openbaar vervoer, bedoeld in artikel 76 van de Wet personenvervoer 2000, die is verstrekt in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat: - -a. de bijdrage kan worden besteed aan of gereserveerd voor verkeer- en vervoerbeleid; -b. op de verantwoording van de bijdrage hoofdstuk 5 van toepassing is. - -**4.** In het geval toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt bij de berekening van de uitkering, bedoeld in artikel 5, tweede lid, de bijdrage, bedoeld in het derde lid, in mindering gebracht. +Vervallen ### Artikel 23 -De regels zoals die golden op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de rijksbijdrage voor de exploitatie van openbaar vervoer die betrekking heeft op de jaren die vooraf gaan aan het eerste uitkeringsjaar. +Vervallen ### Artikel 24 @@ -215,11 +178,11 @@ Vervallen ### Artikel 25 -Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de reserveringstermijn, de bestedingsdoelen en de berekende rente van de voor de inwerkingtreding van deze wet door provincies onderscheidenlijke regionale openbare lichamen gereserveerde bedragen voor verkeer- en vervoerbeleid ingevolge de in de algemene maatregel van bestuur genoemde besluiten en regelingen. +Vervallen ### Artikel 26 -De voordracht voor een krachtens artikel 4, 5, 10 of 25 vast te stellen maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. +Vervallen ### Artikel 27