2017-01-01 | BWBR0036112 | Loonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten en nettopensioenregelingen

This commit is contained in:
Coornhert 2017-01-01 12:00:00 +00:00
parent 511ac2107c
commit f4180a88dd

View file

@ -12,17 +12,17 @@ citeertitel: Loonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premiere
# Loonheffingen, inkomstenbelasting, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten en nettopensioenregelingen
*Dit besluit vervangt het besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Staatscourant 2013, 4432. Dit besluit is een actualisering van het voornoemde besluit en bevat tevens een uitbreiding voor nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.*
*Dit besluit vervangt het besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M, Staatscourant 2013, 4432. Dit besluit is een actualisering van het voornoemde besluit en bevat tevens een uitbreiding voor nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.*
*Het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten is nader uitgewerkt op basis van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, de wijziging van die wet en het Belastingplan 2014.*
*In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). De in het besluit opgenomen tabellen zijn daaraan aangepast.*
*In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). De in het besluit opgenomen tabellen zijn daaraan aangepast.*
*De in bijlage IV opgenomen premiestaffel is uitgebreid met twee staffels die van toepassing zijn als partijen gebruik maken van de aangepaste AOW-inbouwbedragen van artikel 10aa van het UBLB 1965.*
## 1. Inleiding
De invoering van de Pensioenwet per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de pensioenovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit evenals de voorgaande besluiten CPP2009/1487M en BLKB2013/43M, de fiscale regels voor pensioenregelingen die de Pensioenwet aanduidt als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als de voorgenoemde twee besluiten bevat dit besluit netto-staffels. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen.
De invoering van de Pensioenwet per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de pensioenovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit evenals de voorgaande besluiten CPP2009/1487M en BLKB2013/43M, de fiscale regels voor pensioenregelingen die de Pensioenwet aanduidt als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als de voorgenoemde twee besluiten bevat dit besluit netto-staffels. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen.
De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten op artikel 19d, onderdeel a, van de Wet LB en vinden plaats met instemming van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
@ -30,9 +30,9 @@ De wijzigingen ten opzichte van het voorgaande besluit zijn de volgende.
Dit besluit bevat een uitbreiding voor nettopensioen als bedoeld in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001.
Het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten is nader uitgewerkt op basis van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (kamerstukken 33 610) en Wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014 (kamerstukken 33 847).
Het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten is nader uitgewerkt op basis van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (kamerstukken 33 610) en Wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen en het Belastingplan 2014 (kamerstukken 33 847).
In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). Naar aanleiding daarvan zijn de in het besluit opgenomen tabellen voor zover nodig aangepast.
In deze wetten wordt de pensioenopbouw gebaseerd op een bereikbaar pensioen van 75% van het gemiddelde loon in 40 opbouwjaren. Bovendien wordt het pensioengevend loon gemaximeerd op € 100.000 (2015). Naar aanleiding daarvan zijn de in het besluit opgenomen tabellen voor zover nodig aangepast.
De in bijlage IV opgenomen premiestaffel is uitgebreid met twee staffels die van toepassing zijn als partijen gebruik maken van de aangepaste AOW-inbouwbedragen van artikel 10aa van het UBLB 1965.
@ -75,7 +75,7 @@ In artikel 10 van de PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
• een kapitaalovereenkomst of
• een premieovereenkomst.
Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 200506, 30 413, nr. 3 p. 3233) maken partijen bij een premieovereenkomst primair een afspraak over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie.
Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 200506, 30 413, nr. 3 p. 3233) maken partijen bij een premieovereenkomst primair een afspraak over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie.
Er zijn in beginsel drie soorten premieovereenkomsten te onderscheiden:
@ -152,17 +152,17 @@ Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie ten hoogste geli
### 7.1. Inleiding
In het bij besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M ingetrokken besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M, heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling moeten de rechten uitgedrukt in euros het uitgangspunt zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum worden getoetst aan de grenzen van artikel 18a tot en met artikel 18h van de Wet LB. Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d van de Wet LB niet toegestaan.
In het bij besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M ingetrokken besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M, heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling moeten de rechten uitgedrukt in euros het uitgangspunt zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum worden getoetst aan de grenzen van artikel 18a tot en met artikel 18h van de Wet LB. Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d van de Wet LB niet toegestaan.
In het besluit CPP2003/2813M heb ik de genoemde regelingen tijdelijk aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Ik heb daarbij meegedeeld dat ik mijn beleid zou bezien bij de invoering van de PW. Artikel 11 van de PW bepaalt dat de uitkering in het kader van een pensioenovereenkomst wordt vastgesteld in een wettig Nederlands betaalmiddel. Het beleid is daarom bij besluit CPP2007/552M herzien en de aanwijzing uit CPP2003/2813M is daarbij ingetrokken. Deze intrekking van het beleid blijft van kracht, ook na intrekking van het besluit CPP2007/552M met ingang van 1 januari 2014.onderdeel De beleidsherziening geldt ook voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden die niet onder de PW vallen. Reden hiervoor is de hierboven vermelde strijdigheid van deze regelingen met de wettelijke bepalingen in de loonbelasting. Daarnaast is een gelijke fiscale behandeling gewenst van alle pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden.
In het besluit CPP2003/2813M heb ik de genoemde regelingen tijdelijk aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Ik heb daarbij meegedeeld dat ik mijn beleid zou bezien bij de invoering van de PW. Artikel 11 van de PW bepaalt dat de uitkering in het kader van een pensioenovereenkomst wordt vastgesteld in een wettig Nederlands betaalmiddel. Het beleid is daarom bij besluit CPP2007/552M herzien en de aanwijzing uit CPP2003/2813M is daarbij ingetrokken. Deze intrekking van het beleid blijft van kracht, ook na intrekking van het besluit CPP2007/552M met ingang van 1 januari 2014.onderdeel De beleidsherziening geldt ook voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden die niet onder de PW vallen. Reden hiervoor is de hierboven vermelde strijdigheid van deze regelingen met de wettelijke bepalingen in de loonbelasting. Daarnaast is een gelijke fiscale behandeling gewenst van alle pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden.
### 7.2. Overgangsrecht
Artikel 12, eerste lid, van de IAPW, bepaalt dat artikel 11 van de PW slechts geldt voor pensioenaanspraken die worden verworven na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Artikel 11 van de PW is in werking getreden op 1 januari 2008. De in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M gegeven tijdelijke aanwijzing blijft daarom van kracht op pensioenaanspraken die tot 1 januari 2008 zijn verworven. Uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 2008 kunnen worden gedaan in beleggingseenheden. Voor zover van toepassing blijven voor deze aanspraken en uitkeringen de voorwaarden gelden van besluit CPP2003/2813M, ook na 1 januari 2008. Deze voorwaarden zijn opgenomen in bijlage VI. Alle uitkeringen die berusten op aanspraken die op of na 1 januari 2008 zijn of worden verworven, moeten worden gedaan in euros. De aanspraken zijn anders niet vrijgesteld op basis van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Partijen kunnen er voor kiezen om de voor 1 januari 2008 verworven aanspraken met uitkeringen in beleggingseenheden geheel of gedeeltelijk om te zetten in aanspraken op uitkeringen in euros. Deze keuze is onherroepelijk. Het omzetten van aanspraken op uitkeringen in euros in aanspraken op uitkeringen in beleggingseenheden is naar mijn oordeel met ingang van 1 januari 2008 in strijd met artikel 11 van de PW. Voorts zal een dergelijke omzetting leiden tot toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB. De gehele pensioenaanspraak wordt belast omdat het pensioen niet meer voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Zie ook onderdeel 7.1, eerste alinea.
Artikel 12, eerste lid, van de IAPW, bepaalt dat artikel 11 van de PW slechts geldt voor pensioenaanspraken die worden verworven na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Artikel 11 van de PW is in werking getreden op 1 januari 2008. De in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M gegeven tijdelijke aanwijzing blijft daarom van kracht op pensioenaanspraken die tot 1 januari 2008 zijn verworven. Uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 2008 kunnen worden gedaan in beleggingseenheden. Voor zover van toepassing blijven voor deze aanspraken en uitkeringen de voorwaarden gelden van besluit CPP2003/2813M, ook na 1 januari 2008. Deze voorwaarden zijn opgenomen in bijlage VI. Alle uitkeringen die berusten op aanspraken die op of na 1 januari 2008 zijn of worden verworven, moeten worden gedaan in euros. De aanspraken zijn anders niet vrijgesteld op basis van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Partijen kunnen er voor kiezen om de voor 1 januari 2008 verworven aanspraken met uitkeringen in beleggingseenheden geheel of gedeeltelijk om te zetten in aanspraken op uitkeringen in euros. Deze keuze is onherroepelijk. Het omzetten van aanspraken op uitkeringen in euros in aanspraken op uitkeringen in beleggingseenheden is naar mijn oordeel met ingang van 1 januari 2008 in strijd met artikel 11 van de PW. Voorts zal een dergelijke omzetting leiden tot toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB. De gehele pensioenaanspraak wordt belast omdat het pensioen niet meer voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Zie ook onderdeel 7.1, eerste alinea.
## 8. Nettopensioenregelingen bedoeld in
In de Verzamelwet pensioenen 2014 (kamerstukken 33 863) en Belastingplan 2015 (kamerstukken 34 002) is nadere invulling gegeven aan de invoering van een nettopensioenregeling (in de tweede pijler) voor pensioenopbouw over het loon dat ingevolge artikel 18ga van de Wet LB niet tot het pensioengevend loon behoort. De voorwaarden voor de nettopensioenregeling zijn opgenomen in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001. De nettopensioenregeling voorziet in een afzonderlijke box 3-vrijstelling voor arbeidsgerelateerd nettopensioen. Voor de vormgeving en begrenzing van de box 3-vrijstelling voor nettopensioen is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels voor beschikbare-premieregelingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
In de Verzamelwet pensioenen 2014 (kamerstukken 33 863) en Belastingplan 2015 (kamerstukken 34 002) is nadere invulling gegeven aan de invoering van een nettopensioenregeling (in de tweede pijler) voor pensioenopbouw over het loon dat ingevolge artikel 18ga van de Wet LB niet tot het pensioengevend loon behoort. De voorwaarden voor de nettopensioenregeling zijn opgenomen in afdeling 5.3B van de Wet IB 2001. De nettopensioenregeling voorziet in een afzonderlijke box 3-vrijstelling voor arbeidsgerelateerd nettopensioen. Voor de vormgeving en begrenzing van de box 3-vrijstelling voor nettopensioen is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels voor beschikbare-premieregelingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
De maximale omvang van de beschikbare premie voor een nettopensioen is geregeld in de artikelen 5.17a, 5.17b en 5.17c van de Wet IB 2001. Daar is bepaald dat de beschikbare premie voor een nettopensioen ten hoogste kan worden bepaald met inachtneming van de uitgangspunten, bedoeld in artikel 18a, derde lid, onderdelen a, b en c, van de Wet LB. In bijlage VII is een staffel opgenomen berekend tegen een rekenrente van 4% welke kan worden gebruikt als staffel die voldoet aan de hiervoor genoemde wettelijke grondslagen.
@ -180,11 +180,11 @@ De staffels, alsmede de geldende voorwaarden en bijzonderheden, zijn opgenomen i
## 9. Vervallen regelingen
Ten overvloede merk ik op dat het besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M met ingang van 1 januari 2015 is vervallen.
Ten overvloede merk ik op dat het besluit van 12 februari 2013, nr. BLKB2013/43M met ingang van 1 januari 2015 is vervallen.
## 10. Inwerkingtreding en vervaldatum
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
## Bijlage I. Aanwijzing als bedoeld in