2009-07-01 | BWBR0004163 | Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
This commit is contained in:
parent
b8ec4af660
commit
f43ec20d3e
1 changed files with 32 additions and 67 deletions
|
|
@ -124,7 +124,7 @@ De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bed
|
|||
|
||||
1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht;
|
||||
2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2009: € 20.335,00 per jaar;
|
||||
3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2009: € 20.335,00 per jaar bedragen; en
|
||||
3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 juli 2009: € 20.610,00 per jaar bedragen; en
|
||||
4°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.** Het recht op uitkering komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de gewezen zelfstandige en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
|
||||
|
|
@ -133,9 +133,9 @@ De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bed
|
|||
|
||||
De grondslag bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat voor:
|
||||
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 641,93;
|
||||
b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.155,47;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 898,70.
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 647,54;
|
||||
b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.165,56;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 906,55.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister herziet de bedragen, genoemd in het tweede lid, 2° en 3°, met ingang van een door hem te bepalen dag zodanig, dat deze netto gelijk zijn aan het netto minimumloon.
|
||||
|
||||
|
|
@ -374,102 +374,73 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Indien de belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien zich onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het bestaan, de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, niet binnen de door het college, daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigert het college de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
|
||||
**1.** Het college weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, dan wel ter zake van het niet binnen de door het college, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen, daarvoor vastgestelde termijn nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel indien de belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het bestaan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven indien:
|
||||
|
||||
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende terzake een verwijt kan worden gemaakt; of
|
||||
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of
|
||||
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. In afwijking van de eerste zin, weigert het college de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt, weigert het college de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld bij of krachtens artikel 8.
|
||||
**3.** Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld bij of krachtens artikel 8 indien de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
|
||||
|
||||
**4.** Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
|
||||
|
||||
**5.** Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid.
|
||||
**5.** Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid.
|
||||
|
||||
**6.** Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, kan het college afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
|
||||
**6.** Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
|
||||
|
||||
**7.** Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel.
|
||||
**7.** Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**8.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het vierde lid nadere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3a. Administratieve boeten
|
||||
### Paragraaf 3a. Bestuurlijke boeten
|
||||
|
||||
### Artikel 20a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, legt het college hem een boete op van ten hoogste € 2 269.
|
||||
**1.** Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste € 2 269 ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen.
|
||||
|
||||
**2.** De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
|
||||
**2.** Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering kan het college afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
|
||||
**3.** Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten af te zien van het opleggen van een boete.
|
||||
**4.** Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Degene aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
|
||||
|
||||
**6.** Voor zover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
|
||||
|
||||
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels gesteld.
|
||||
**5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
|
||||
|
||||
### Artikel 20b
|
||||
|
||||
**1.** Indien het college jegens de belanghebbende een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende niet langer verplicht terzake van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het college voornemens is om aan de belanghebbende een boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Op verzoek van de belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het college er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het college de belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het college er op verzoek van de belanghebbende die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 20c
|
||||
|
||||
**1.** Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 20f zal worden tenuitvoergelegd.
|
||||
|
||||
**2.** Op verzoek van de belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het college er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
|
||||
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 20d
|
||||
|
||||
**1.** Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
|
||||
|
||||
**2.** De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
|
||||
|
||||
**3.** Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid mededeling aan het college.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 20e
|
||||
|
||||
**1.** Een boete wordt opgelegd binnen een jaar nadat het college de belanghebbende overeenkomstig artikel 20*b*, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien terzake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden vangt de termijn van een jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het college heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
|
||||
|
||||
**2.** Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 20f
|
||||
|
||||
**1.** Het besluit waarbij een boete is opgelegd levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zevende lid.
|
||||
**1.** Het college verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet werk en inkomen kunstenaars of algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand die de overtreder ontvangt.
|
||||
|
||||
**2.** Indien degene aan wie een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet werk en inkomen kunstenaars of algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd tenuitvoergelegd door verrekening met die uitkering of bijstand.
|
||||
**2.** Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de bestuurlijke boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college van de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien degene aan wie een boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede lid ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
|
||||
**3.** Indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank het bedrag van die bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek van het college aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
|
||||
**4.** De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
|
||||
|
||||
**5.** Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering of bijstand als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend en tenuitvoergelegd.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
**6.** De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel van het vijfde lid, dan wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
|
||||
Zolang de belanghebbende zijn verplichting, bedoeld in artikel 20a, vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
|
||||
|
||||
**7.** Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
|
||||
|
||||
**8.** De betekening en tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan geschieden door de deurwaarder, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel 256 van die wet is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**9.** Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door het college op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college.
|
||||
|
||||
**10.** De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
|
||||
|
||||
**11.** Het tiende lid geldt niet zolang de belanghebbende zijn verplichting bedoeld in artikel 20a, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
|
||||
a. is het college, in afwijking van artikel 4:93, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
|
||||
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. De betaling van de uitkering
|
||||
|
||||
|
|
@ -508,7 +479,7 @@ b. bij ontstentenis van de onder *a* bedoelde persoon, het kind of de kinderen i
|
|||
|
||||
**1.** De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in de artikelen 17, derde of vierde lid, of 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van de betrokkene teruggevorderd.
|
||||
|
||||
**2.** Het in aanmerking nemen van in de voorafgaande drie maanden ontvangen inkomen, wordt niet als terugvordering beschouwd.
|
||||
**2.** Het college is bevoegd tot verrekening van de in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering.
|
||||
|
||||
**3.** De uitkering wordt van de belanghebbende teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -611,13 +582,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, op de wijze als omschreven in artikel 28 zal worden tenuitvoergelegd.
|
||||
|
||||
**2.** De persoon van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering ingevolge deze paragraaf van belang zijn.
|
||||
De persoon van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** Het besluit tot terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
|
||||
**1.** Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 25, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 20f is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het college de aflossingsbedragen lager vaststellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -787,10 +756,6 @@ b. indien vóór het bereiken van het van toepassing zijnde tijdstip, bedoeld on
|
|||
|
||||
**12.** Het tiende en elfde lid en dit lid vervallen met ingang van de eerste dag van de dertiende kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders.
|
||||
|
||||
### Artikel 38a
|
||||
|
||||
Het college kan ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, onderdeel a, degene die uitkering op grond van deze wet ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met zesde en achtste tot en met tiende lid, van de Wet werk en bijstand alsmede de regels, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen e en f, van die wet, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
Gereserveerd.
|
||||
|
|
@ -1096,7 +1061,7 @@ Voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrech
|
|||
|
||||
### Artikel 60a
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
|
||||
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 60b
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue