2010-08-01 | BWBR0003862 | Bekostigingsbesluit WPO
This commit is contained in:
parent
a54ca1b7cb
commit
f50196df41
1 changed files with 121 additions and 78 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit bekostiging WPO
|
|||
bwb_id: BWBR0003862
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1998-07-17'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2010-07-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0003862
|
||||
citeertitel: Besluit bekostiging WPO
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -307,19 +307,19 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen van basisscholen, bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend volgens de volgende formule: het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen = (A + B + C + D)/179.
|
||||
**1.** Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen van basisscholen, bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend volgens de volgende formule: het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen = (A + B + C + D).
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De factoren A, B, C en D van de formule, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend:
|
||||
|
||||
A = 9 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in het derde lid;
|
||||
A = 0,05 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in het derde lid;
|
||||
|
||||
B = 6,17 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder op de datum, bedoeld in het derde lid;
|
||||
B = 0,0343 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder op de datum, bedoeld in het derde lid;
|
||||
|
||||
C = 280 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 2,06), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul;
|
||||
C = 1,5642 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 0,0115), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul;
|
||||
|
||||
D = 3,2 x het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, waarbij als teldatum wordt aangemerkt de datum, bedoeld in het derde lid.
|
||||
D = 0,0179 x het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, waarbij als teldatum wordt aangemerkt de datum, bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -351,27 +351,11 @@ De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding v
|
|||
|
||||
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt voor elke leerling met een leerlinggebonden budget die op de school is ingeschreven verhoogd volgens de onderstaande tabel:
|
||||
|
||||
| toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van | bedrag | waarvan verplicht her te besteden o.g.v. art. 70a wet |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| | EURO | EURO |
|
||||
| a. dove kinderen | 2229 | 1257 |
|
||||
| b. slechthorende kinderen | 1332 | 463 |
|
||||
| c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen | 1332 | 463 |
|
||||
| d. lichamelijk gehandicapte kinderen | 1384 | 514 |
|
||||
| e. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap | 1332 | 463 |
|
||||
| f. zeer moeilijk lerende kinderen | 1128 | 309 |
|
||||
| g. meervoudig gehandicapte kinderen | 1332 | 463 |
|
||||
| h. cluster 4 | 1332 | 463 |
|
||||
|
||||
per 1 augustus 2010:
|
||||
|
||||
Basisscholen
|
||||
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Bedrag | Her te besteden bedrag |
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Bedrag exclusief her te besteden bedrag | Her te besteden bedrag |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. Dove kinderen | € 1.075 | € 1.389 |
|
||||
| b. Slechthorende kinderen | € 959 | € 511 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden | € 959 | € 511 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraak moeilijkheden | € 959 | € 511 |
|
||||
| d. Lichamelijk gehandicapte kinderen | € 960 | € 491 |
|
||||
| e. Langdurig zieke kinderen met lichamelijke handicap | € 959 | € 442 |
|
||||
| f. Zeer moeilijk lerende kinderen | € 905 | € 295 |
|
||||
|
|
@ -382,13 +366,11 @@ Basisscholen
|
|||
| Slechthorend en zeer moeilijk lerend | € 959 | € 511 |
|
||||
| Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend | € 959 | € 442 |
|
||||
|
||||
Speciale scholen voor basisonderwijs
|
||||
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Bedrag | Her te besteden bedrag |
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Bedrag exclusief her te besteden bedrag | Her te besteden bedrag |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. Dove kinderen | € 866 | € 1.389 |
|
||||
| b. Slechthorende kinderen | € 750 | € 511 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden | € 750 | € 511 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraak moeilijkheden | € 750 | € 511 |
|
||||
| d. Lichamelijk gehandicapte kinderen | € 751 | € 491 |
|
||||
| e. Langdurig zieke kinderen met lichamelijke handicap | € 750 | € 442 |
|
||||
| f. Zeer moeilijk lerende kinderen | € 696 | € 295 |
|
||||
|
|
@ -427,9 +409,9 @@ Speciale scholen voor basisonderwijs
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0596 formatieplaats.
|
||||
**1.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0595 formatieplaats.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0415 formatieplaats.
|
||||
**2.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0414 formatieplaats.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0452 formatieplaats.
|
||||
|
||||
|
|
@ -448,7 +430,7 @@ d. leeftijdsbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat w
|
|||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.** Indien de totale bekostiging voor personeelskosten berekend op grond van artikel 120, eerste lid, van de wet vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in artikel 26, en in voorkomende gevallen vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in de artikelen 24, 25, 28, 29 en 30, voor een basisschool minder bedraagt dan een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de basisschool op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, wordt de bekostiging voor personeelskosten verhoogd tot het bedrag van laatstbedoelde uitkomst.
|
||||
**1.** Indien de totale bekostiging voor personeelskosten berekend op grond van artikel 120, eerste lid, van de wet vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in artikel 26, en in voorkomende gevallen vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in de artikelen 24, 25 en 28, voor een basisschool minder bedraagt dan een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de basisschool op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, wordt de bekostiging voor personeelskosten verhoogd tot het bedrag van laatstbedoelde uitkomst.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie 2,6927 formatieplaats.
|
||||
|
||||
|
|
@ -525,14 +507,14 @@ Met het hebben gevolgd van een schoolopleiding op maximaal het niveau praktijkon
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aan het bevoegd gezag van een basisschool wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van het aantal leerlingen toegekend indien:
|
||||
Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen toegekend indien:
|
||||
|
||||
a. het aantal leerlingen op de eerste dag van een maand in een van de maanden augustus tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van 103% van het aantal leerlingen op de teldatum en vervolgens telkens indien het aantal leerlingen van die school op de eerste dag van enige maand in de periode van september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei van het aantal leerlingen is toegekend; en
|
||||
b. het bevoegd gezag van die school het aantal leerlingen binnen 4 weken op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
|
||||
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op de eerste schooldag dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens telkens indien de som van de bedoelde aantallen leerlingen op de eerste dag van enige maand in de periode september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei is toegekend; en
|
||||
b. het bevoegd gezag het aantal leerlingen binnen 4 weken op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de berekening van 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de uitkomst naar beneden afgerond op een geheel getal.
|
||||
**2.** Bij de berekening van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de uitkomst per school naar beneden afgerond op een geheel getal.
|
||||
|
||||
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft plaatsgevonden en wordt berekend voor het aantal leerlingen dat het verschil is tussen enerzijds het toegenomen totale aantal leerlingen en anderzijds 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, onderscheidenlijk het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal aanvullende bekostiging in verband met groei is toegekend.
|
||||
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft plaatsgevonden, en wordt berekend voor het aantal leerlingen dat het verschil is tussen enerzijds de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van het schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen en anderzijds de som van 103% van bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, onderscheidenlijk de som van bedoelde aantallen leerlingen op grond waarvan voor de laatste maal aanvullende bekostiging in verband met groei is toegekend. Indien de telling heeft plaatsgevonden op de eerste schooldag en deze in de maand september valt, ontstaat de aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum éénmalig toegekend.
|
||||
|
||||
**4.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal leerlingen, dat de uitkomst is van de berekening in het derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -540,46 +522,19 @@ b. het bevoegd gezag van die school het aantal leerlingen binnen 4 weken op een
|
|||
|
||||
**6.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0487 formatieplaats.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Indien op de dag voorafgaand aan de datum waarop de in het vierde lid bedoelde aanspraak ontstaat, de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de wet, van de in het eerste lid bedoelde school is gebaseerd op een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan 145 of minder bedraagt dan 148 indien reeds aanvullende bekostiging als bedoeld in het eerste lid is toegekend, wordt het in het derde lid bedoelde bedrag voor aanvullende bekostiging:
|
||||
|
||||
a. indien het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, minder bedraagt dan 148, verminderd met de uitkomst van de formule:
|
||||
|
||||
[((LL – VL) * (Bv)) * Mt] / 12
|
||||
b. indien het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, gelijk is aan of meer bedraagt dan 148, verminderd met de uitkomst van de formule:
|
||||
|
||||
[((148 – VL) * (Bv)) * Mt] / 12
|
||||
|
||||
waarbij:
|
||||
|
||||
LL = het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
|
||||
|
||||
VL = het aantal leerlingen op de teldatum verhoogd met 3% en naar beneden afgerond op een geheel getal, dan wel het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal in het schooljaar aanvullende bekostiging op grond van dit artikel aan de school is toegekend,
|
||||
|
||||
Bv = het basisbedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag, dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar,
|
||||
|
||||
Mt = het aantal maanden liggend tussen de maand van de toekenning van de aanvullende bekostiging in verband met groei en het einde van het schooljaar.
|
||||
|
||||
**8.** Indien gedurende het schooljaar waarin de in het derde lid bedoelde aanspraak ontstaat, voor de school aanspraak bestaat op aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, en de aanvullende bekostiging berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, groter is dan of gelijk is aan de toegekende aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, wordt de aanvullende bekostiging berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, verminderd met de aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23.
|
||||
|
||||
**9.** Indien gedurende het schooljaar waarin de in het derde lid bedoelde aanspraak ontstaat, voor de school aanspraak bestaat op aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, en de aanvullende bekostiging berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, kleiner is dan de toegekende aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, wordt de aanvullende bekostiging, berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, op nul gesteld.
|
||||
|
||||
**10.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het zevende lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het zevende lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0145 formatieplaats.
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aan het bevoegd gezag van een basisschool wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor bijzondere groei toegekend, indien:
|
||||
Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor bijzondere groei toegekend, indien:
|
||||
|
||||
a. het aantal leerlingen van die school op 1 mei van een schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
|
||||
b. het aantal leerlingen van die school op 1 juni van een schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
|
||||
c. het aantal leerlingen van die school op 1 juni van een schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
|
||||
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
|
||||
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
|
||||
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien het bevoegd gezag van die school het aantal leerlingen op grond waarvan het bevoegd gezag aanspraak maakt op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, binnen 4 weken na de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
|
||||
**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien het bevoegd gezag het aantal leerlingen op grond waarvan het bevoegd gezag aanspraak maakt op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, binnen 4 weken na de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld.
|
||||
|
||||
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend overeenkomstig artikel 29.
|
||||
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend en toegekend overeenkomstig artikel 29.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
|
|
@ -610,16 +565,104 @@ b. een her te besteden basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijds
|
|||
|
||||
Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie de hoeveelheid die in onderstaande tabel is aangegeven bij de betreffende toelaatbaarheidsverklaring.
|
||||
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel a | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel b |
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel a | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel b |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. dove kinderen | 0,2179 | 0,1846 |
|
||||
| b. slechthorende kinderen | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| d. lichamelijk gehandicapte kinderen | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| e. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| f. zeer moeilijk lerende kinderen | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| g. meervoudig gehandicapte kinderen | 0,2179 | 0,0821 |
|
||||
| h. cluster 4 | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| a. Dove kinderen | 0,2179 | 0,1846 |
|
||||
| b. Slechthorende kinderen | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraak moeilijkheden | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| d. Lichamelijk gehandicapte kinderen | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| e. Langdurig zieke kinderen met lichamelijke handicap | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| f. Zeer moeilijk lerende kinderen | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| g. cluster 4 | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| h. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie: | | |
|
||||
| Doof en zeer moeilijk lerend | 0,2179 | 0,0821 |
|
||||
| Doof en blind | 0,2179 | 0,0821 |
|
||||
| Slechthorend en zeer moeilijk lerend | 0,2179 | 0,0821 |
|
||||
| Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend | 0,2179 | 0,0709 |
|
||||
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel a | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel b |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. Dove kinderen | 0,1477 | 0,1846 |
|
||||
| b. Slechthorende kinderen | 0,0359 | 0,0821 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraak moeilijkheden | 0,0359 | 0,0821 |
|
||||
| d. Lichamelijk gehandicapte kinderen | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| e. Langdurig zieke kinderen met lichamelijke handicap | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| f. Zeer moeilijk lerende kinderen | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| g. cluster 4 | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| h. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie: | | |
|
||||
| Doof en zeer moeilijk lerend | 0,1477 | 0,0821 |
|
||||
| Doof en blind | 0,1477 | 0,0821 |
|
||||
| Slechthorend en zeer moeilijk lerend | 0,1477 | 0,0821 |
|
||||
| Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend | 0,1477 | 0,0709 |
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIIa. Meting en beoordeling leerresultaten basisschool
|
||||
|
||||
### Artikel 34.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, van de wet worden gemeten aan de hand van de door het bevoegd gezag gekozen toetsen, indien die toetsen:
|
||||
|
||||
a. kennis en vaardigheden van ten minste rekenen en wiskunde en Nederlandse taal meten;
|
||||
b. voldoen aan het kwaliteitsoordeel betreffende validiteit en betrouwbaarheid van een onafhankelijke commissie;
|
||||
c. gegevens bevatten om schoolvorderingen te meten;
|
||||
d. landelijk genormeerd kunnen worden; en
|
||||
e. zijn afgenomen in overeenstemming met de afnameaanwijzingen, die zijn opgenomen in de toetshandleiding bij de desbetreffende toets.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de beoordeling van de toetsresultaten hanteert de inspectie objectieve, relatieve normen. De grenzen die de inspectie als norm voor het oordeel voldoende dan wel onvoldoende resultaat hanteert, zijn gecorrigeerd voor groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat deze correctie in elk geval betrekking heeft op leerlingen als bedoeld in artikel 27, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de meting van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de wet, kan een correctie plaatsvinden met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. leerlingen die zijn geïndiceerd voor leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 10e van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
b. leerlingen voor wie op grond van psychosociale of cognitieve gronden specifieke voorzieningen noodzakelijk zijn en zijn getroffen en voor wie een ontwikkelingsperspectief aan de hand van de voor hen geldende tussendoelen is opgesteld;
|
||||
c. leerlingen die in het zevende of achtste jaar zijn ingestroomd;
|
||||
d. leerlingen die een andere toets hebben afgelegd dan de andere leerlingen in dat schooljaar dan wel geen toets hebben afgelegd en op wie de onderdelen a, b en c niet van toepassing zijn;
|
||||
e. kleine scholen.
|
||||
|
||||
**2.** In uitzonderlijke situaties kan een correctie plaatsvinden bij de meting van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de wet voor leerlingen die niet vallen onder het eerste lid onder a tot en met d.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.3
|
||||
|
||||
Indien het aantal leerlingen op basis waarvan de leerresultaten worden gemeten in een of meer schooljaren binnen een periode van 3 schooljaren minder is dan 10 wordt gebruik gemaakt van de toetsgegevens over 5 schooljaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.4
|
||||
|
||||
**1.** Toetsen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 34.1, eerste lid, worden opgenomen in een ministeriële regeling.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden geregeld:
|
||||
|
||||
a. voor elke toets als bedoeld in artikel 34.1, eerste lid, de uitwerking van de wijze waarop de beoordeling tot stand komt;
|
||||
b. voor zover van toepassing, de wijze van correctie van de meting vanwege het feit dat de leerling is geïndiceerd voor leerwegondersteunend onderwijs;
|
||||
c. de wijze van correctie van de meting voor groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen;
|
||||
d. voor zover van toepassing, de wijze van correctie van de meting voor leerlingen die een andere toets hebben afgelegd dan de andere leerlingen dan wel geen toets hebben afgelegd;
|
||||
e. wijze van beoordeling van de leerresultaten van kleine scholen;
|
||||
f. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende leerresultaat baseert.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De systematiek van de beoordeling van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de wet wordt vastgesteld dan wel gewijzigd met inachtneming van de volgende procedure:
|
||||
|
||||
a. gelet op recente ontwikkelingen, een eigen analyse en signalen van organisaties uit het onderwijsveld, beslist de inspecteur-generaal van het onderwijs of hij Onze Minister een voorstel doet voor wijziging in de systematiek van de beoordeling van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de wet;
|
||||
b. over het concept-voorstel overlegt de inspecteur-generaal van het onderwijs met de daarvoor in aanmerking komende organisaties uit het onderwijsveld;
|
||||
c. de inspecteur-generaal van het onderwijs legt het voorstel voor aan Onze Minister, onder vermelding van de wijze waarop in het voorstel rekening is gehouden met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld;
|
||||
d. Onze Minister besluit naar aanleiding van het voorstel over wijziging van de systematiek van de beoordeling van leerresultaten of een daarvoor noodzakelijk voorstel van wet of ontwerp-algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid.
|
||||
|
||||
**2.** Wijzigingen in de in de ministeriële regeling opgenomen toetsen, in de vaststelling en correctie van meting alsmede in de normering als gevolg van actualisatie van toetsgegevens, worden vastgesteld op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.6
|
||||
|
||||
Indien er geen of onvoldoende gegevens zijn voor een betrouwbaar oordeel over de meting van de leerresultaten, verricht de inspectie een aanvullend onderzoek, volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften. Het aanvullend onderzoek kan onder meer omvatten:
|
||||
|
||||
a. het verkrijgen van nadere gegevens van de school over de resultaten en de doorstroom van leerlingen;
|
||||
b. onderzoek en verificatie ter plekke.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Correcties op de bekostiging
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue