2001-01-01 | BWBR0002705 | Besluit beleggingsinstellingen
This commit is contained in:
parent
ad27eddbfa
commit
f540c75b2a
1 changed files with 33 additions and 25 deletions
|
|
@ -20,25 +20,19 @@ Indien een beleggingsinstelling heeft gekozen voor het vormen van een herbeleggi
|
|||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.** Het in artikel 28, tweede lid, onderdeel *b,* van de wet bedoelde gedeelte van de winst is het positieve bedrag van de voor uitdeling beschikbare winst verminderd met de te verrekenen uitdelingstekorten.
|
||||
**1.** Het in artikel 28, tweede lid, onderdeel *b,* van de wet bedoelde gedeelte van de winst is de voor uitdeling beschikbare winst verminderd met de te verrekenen uitdelingstekorten.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Als voor uitdeling beschikbare winst wordt aangemerkt het bedrag van de in het jaar genoten belastbare winst:
|
||||
Als voor uitdeling beschikbare winst wordt aangemerkt het positieve bedrag van de in het jaar genoten belastbare winst verminderd met een evenredig gedeelte van:
|
||||
|
||||
a. verminderd met een evenredig gedeelte van:
|
||||
a. de aan commissarissen toegekende beloningen voor zover deze op grond van artikel 11, eerste lid, van de wet niet aftrekbaar zijn;
|
||||
b. de giften voor zover deze op grond van artikel 16, eerste lid, van de wet niet aftrekbaar zijn;
|
||||
c. de belasting die buiten Nederland in enige vorm naar de winst wordt geheven over voordelen uit niet in Nederland gelegen onroerende zaken, indien voor de beleggingsinstelling te dier zake een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is;
|
||||
d. de kosten en lasten voorzover deze op grond van artikel 8 van de wet in verbinding met artikel 3.14 en 3.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet aftrekbaar zijn;
|
||||
e. de belasting die wordt geheven op grond van Artikel IV, onderdeel B, van Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
1°. de aan commissarissen toegekende beloningen voor zover deze op grond van artikel 11, eerste lid, van de wet niet aftrekbaar zijn;
|
||||
2°. de voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam die op grond van artikel 13ab van de wet bij het bepalen van de winst in aanmerking worden genomen;
|
||||
3°. het saldo aan renten dat op grond van artikel 15b van de wet bij het bepalen van de in een jaar genoten winst niet in aftrek komt;
|
||||
4°. de giften voor zover deze op grond van artikel 16, eerste lid, van de wet niet aftrekbaar zijn;
|
||||
5°. de belasting die buiten Nederland in enige vorm naar de winst wordt geheven over voordelen uit niet in Nederland gelegen onroerende zaken, indien voor de beleggingsinstelling te dier zake een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is;
|
||||
6°. de kosten en lasten voorzover deze op grond van artikel 8 van de wet in verbinding met artikel 3.14 en 3.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet aftrekbaar zijn;
|
||||
7°. de belasting die wordt geheven op grond van Artikel IV, onderdeel B, van Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Inkomstenbelasting 2001;
|
||||
8°. winst die op grond van artikel 15, zestiende lid, tweede zin, van de wet in aanmerking wordt genomen; en
|
||||
b. vermeerderd met een evenredig gedeelte van het voortgewentelde saldo aan renten dat op de voet van artikel 15b, vijfde lid, van de wet in aftrek komt bij het bepalen van de winst van dat jaar.
|
||||
|
||||
**3.** Als uitdelingstekort wordt aangemerkt hetzij het verlies van een jaar vermeerderd met de bedragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 8°, en verminderd met het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, hetzij het negatieve bedrag waartoe de verminderingen en vermeerdering van de belastbare winst, bedoeld in dat lid, per saldo mochten leiden.
|
||||
**3.** Als uitdelingstekort wordt aangemerkt hetzij het verlies van een jaar vermeerderd met de in het tweede lid onder de onderdelen a, b, c, d en e bedoelde bedragen, hetzij het negatieve bedrag waartoe de in dat lid bedoelde verminderingen van de belastbare winst mochten leiden.
|
||||
|
||||
**4.** Een uitdelingstekort wordt verrekend met de voor uitdeling beschikbare winst van de acht volgende jaren. De verrekening geschiedt in de volgorde waarin de uitdelingstekorten zijn ontstaan en de voor uitdeling beschikbare winsten zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -54,9 +48,9 @@ In aanvulling op artikel 8 van de wet wordt uitreiking van aandelen aan een bele
|
|||
|
||||
**1.** Beleggingsinstellingen die daarvoor kiezen, kunnen een herbeleggingsreserve vormen. Deze keuze geldt ook voor volgende jaren.
|
||||
|
||||
**2.** In de reserve wordt opgenomen een bedrag gelijk aan de som van het in het jaar volgens goed koopmansgebruik berekende saldo van koerswinsten en koersverliezen op effecten, het saldo van winsten en verliezen ter zake van de vervreemding van overige beleggingen en het ingevolge artikel 10, zesde lid, berekende saldo van herwaarderingswinsten en herwaarderingsverliezen verminderd met een evenredig gedeelte van de kosten die met het beheer van de beleggingen verband houden.
|
||||
**2.** In de reserve wordt opgenomen een bedrag gelijk aan het in het jaar volgens goed koopmansgebruik berekende saldo van koerswinsten en koersverliezen op effecten en van winsten en verliezen ter zake van vervreemding van overige beleggingen verminderd met een evenredig gedeelte van de kosten die met het beheer van de beleggingen verband houden.
|
||||
|
||||
**3.** De herbeleggingsreserve wordt verminderd met een evenredig gedeelte van het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 8°, en vermeerderd met een evenredig gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b.
|
||||
**3.** Op de herbeleggingsreserve wordt in mindering gebracht een evenredig gedeelte van het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met e.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de toepassing van het tweede en derde lid zou leiden tot een vermindering van de reserve die groter is dan de herbeleggingsreserve aan het begin van het jaar, blijft de vermindering beperkt tot de omvang van de reserve aan het begin van het jaar, en wordt het nog niet in mindering gebrachte deel aangemerkt als een verlies ter zake van vervreemding van beleggingen in het volgende jaar. De inspecteur stelt het naar het volgende jaar over te brengen verlies vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
|
|
@ -79,7 +73,27 @@ b. de boekwaarde van de beleggingen.
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De in artikel 28, eerste lid, onderdeel *b,* van de wet bedoelde tegemoetkoming ter zake van buiten Nederland door inhouding geheven belasting wordt, ingeval de beleggers in de beleggingsinstelling op het tijdstip waarop een uitkering ter beschikking wordt gesteld over het jaar voorafgaande aan dat waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, uitsluitend zijn in Nederland wonende natuurlijke personen of in Nederland gevestigde aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen, gesteld op het bedrag van de in voormelde onderdeel *b* bedoelde belasting dat verrekenbaar zou zijn met de inkomstenbelasting indien de in het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft aan de beleggingsinstelling opgekomen opbrengst van effecten en schuldvorderingen uitsluitend aan in Nederland wonende natuurlijke personen zou zijn opgekomen. Ingeval de in Nederland gevestigde aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen beleggingsinstellingen zijn, geldt het bepaalde in de vorige volzin slechts indien de aandelen of de bewijzen van deelgerechtigdheid in deze beleggingsinstellingen rechtstreeks dan wel door tussenkomst van andere beleggingsinstellingen in het bezit zijn van in Nederland wonende natuurlijke personen of in Nederland gevestigde aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen, andere dan beleggingsinstellingen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Ingeval de beleggers in de beleggingsinstelling op het in het eerste lid aangegeven tijdstip niet uitsluitend de in dat lid bedoelde personen of lichamen zijn, wordt de tegemoetkoming berekend volgens de formule
|
||||
|
||||
, waarin
|
||||
|
||||
T voorstelt: de tegemoetkoming;
|
||||
|
||||
B voorstelt: het bedrag van de in het eerste lid bedoelde belasting;
|
||||
|
||||
Sr voorstelt: hetgeen op het in het eerste lid aangegeven tijdstip is gestort op de aandelen of de bewijzen van deelgerechtigdheid in de beleggingsinstelling welke rechtstreeks dan wel door tussenkomst van andere beleggingsinstellingen in het bezit zijn van in Nederland wonende natuurlijke personen of in Nederland gevestigde aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen, andere dan beleggingsinstellingen;
|
||||
|
||||
S voorstelt: hetgeen op het in het eerste lid aangegeven tijdstip is gestort op alle in omloop zijnde aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in de beleggingsinstelling.
|
||||
|
||||
**3.** Het verzoek om tegemoetkoming wordt ingediend bij de inspecteur uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarin de in het eerste lid bedoelde opbrengst van effecten en schuldvorderingen aan de beleggingsinstelling is opgekomen. Bij het verzoek wordt een berekening gegeven van de gevraagde tegemoetkoming; voor zover de berekening wegens het ontbreken van exacte gegevens op een schatting berust, dient deze schatting aannemelijk te worden gemaakt. Indien de berekening ontbreekt kan op grond daarvan de tegemoetkoming worden geweigerd. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**4.** Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een tegemoetkoming ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur tot het bedrag van de te veel gegeven tegemoetkoming een navorderingsaanslag vaststellen als ware dit bedrag te weinig geheven vennootschapsbelasting.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan in bijzondere gevallen onder door hem te stellen voorwaarden afwijkingen toestaan van het bepaalde in het eerste en het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
|
|
@ -99,23 +113,17 @@ Ten aanzien van beleggingsinstellingen bedraagt de belasting nul percent van het
|
|||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** Een lichaam wordt uitsluitend met ingang van een jaar als beleggingsinstelling aangemerkt. Ingeval het lichaam vóór dat tijdstip reeds aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, is dit het jaar volgende op dat waarin aan het bepaalde in het tweede lid is voldaan.
|
||||
**1.** Een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een fonds voor gemene rekening wordt uitsluitend met ingang van een jaar als beleggingsinstelling aangemerkt. Ingeval het lichaam vóór dat tijdstip reeds aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, is dit het jaar volgende op dat waarin aan het bepaalde in het tweede lid is voldaan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Aan het einde van het jaar, voorafgaande aan dat met ingang waarvan een lichaam als beleggingsinstelling wordt aangemerkt, worden:
|
||||
Aan het einde van het jaar, voorafgaande aan dat met ingang waarvan een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een fonds voor gemene rekening als beleggingsinstelling wordt aangemerkt, worden:
|
||||
|
||||
a. de bezittingen te boek gesteld voor de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend;
|
||||
b. de reserves als bedoeld zijn in artikel 3.53, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, opgenomen in de winst.
|
||||
|
||||
**3.** Ingeval een beleggingsinstelling in de loop van een jaar niet langer voldoet aan het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de wet wordt het lichaam reeds met ingang van dat jaar niet meer als beleggingsinstelling aangemerkt, met dien verstande dat ingeval niet wordt voldaan aan het bepaalde in het tweede lid, onderdeel *b,* van dat artikel het lichaam niet meer als beleggingsinstelling wordt aangemerkt met ingang van het jaar waarop de voor uitdeling beschikbare winst betrekking heeft. De bij het begin van het jaar, met ingang waarvan het lichaam niet meer als beleggingsinstelling wordt aangemerkt, aanwezige afrondingsreserve wordt opgenomen in de winst van dat jaar.
|
||||
|
||||
**4.** Het negatieve saldo aan besmette voordelen, bedoeld in artikel 13ab, zevende lid, van de wet, dat is ontstaan in een periode waarin een belastingplichtige als beleggingsinstelling is aangemerkt (statusperiode), vermeerdert niet een positief saldo van besmette voordelen als bedoeld in artikel 13ab, eerste en tweede lid, van de wet buiten de statusperiode.
|
||||
|
||||
**5.** Het op de voet van artikel 15b, vijfde lid, van de wet voortgewentelde saldo aan renten dat is ontstaan in de statusperiode, komt niet in aftrek bij het bepalen van de winst buiten de statusperiode. Het op de voet van artikel 15b, vijfde lid, van de wet voortgewentelde saldo aan renten dat buiten de statusperiode is ontstaan, komt niet in aftrek bij het bepalen van de winst binnen de statusperiode.
|
||||
|
||||
**6.** Aan het einde van het jaar, voorafgaande aan dat met ingang waarvan een lichaam niet langer als beleggingsinstelling wordt aangemerkt, worden de beleggingen te boek gesteld voor de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue