2008-07-01 | BWBR0024096 | Leidraad Invordering 2008
This commit is contained in:
parent
218d2f56a1
commit
f6cbbbfc86
1 changed files with 667 additions and 1593 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Leidraad Invordering 2008
|
|||
bwb_id: BWBR0024096
|
||||
type: beleidsregel
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2019-01-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2008-07-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0024096
|
||||
citeertitel: Leidraad Invordering 2008
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -12,9 +12,7 @@ citeertitel: Leidraad Invordering 2008
|
|||
|
||||
## 1. Inleiding en toepassingsgebied
|
||||
|
||||
Dit artikel bevat in 1.1. de inleiding van de Leidraad Invordering 2008.
|
||||
|
||||
In 1.2. is het beleid over het toepassingsgebied van de Invorderingswet 1990 opgenomen in aansluiting op artikel 1 van die wet.
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### 1.1. Inleiding
|
||||
|
||||
|
|
@ -24,40 +22,36 @@ De Leidraad Invordering 2008 is in de plaats getreden van de Leidraad Invorderin
|
|||
|
||||
| Afkorting | Omschrijving |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Adw | Algemene douanewet |
|
||||
| Awb | Algemene wet bestuursrecht |
|
||||
| Awir | Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen |
|
||||
| AWR | Algemene wet inzake rijksbelastingen |
|
||||
| B/CA | Belastingdienst/Centrale administratie, sector betalingsverwerking |
|
||||
| BW | Burgerlijk Wetboek |
|
||||
| DWU | Douanewetboek van de Unie |
|
||||
| CDW | Communautair douanewetboek |
|
||||
| DW | Douanewet |
|
||||
| FW | Faillissementswet |
|
||||
| MSNP | minnelijke schuldsanering natuurlijke personen |
|
||||
| Rv | Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering |
|
||||
| Sr | Wetboek van Strafrecht |
|
||||
| Sv | Wetboek van Strafvordering |
|
||||
| UWV | Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen |
|
||||
| WHOA | Wet homologatie onderhands akkoord |
|
||||
| WSF | Wet Studiefinanciering 2000 |
|
||||
| WSNP | wettelijke schuldsanering natuurlijke personen |
|
||||
| Pw | Participatiewet |
|
||||
| Wwb | Wet werk en bijstand |
|
||||
|
||||
#### 1.1.2. Definities
|
||||
|
||||
– belangenbehartiger: de onafhankelijke belangenbehartiger, bedoeld in het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020;
|
||||
– belastingen: belastingen die van rijkswege door de Belastingdienst worden geheven alsmede de opcenten;
|
||||
– besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;
|
||||
– directeur van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst: de in artikel 4, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 bedoelde (algemeen) directeur van het relevante organisatieonderdeel van de Belastingdienst;
|
||||
– echtgenoot: de echtgenoot bedoeld in artikel 3 van de Pw;
|
||||
– hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep;
|
||||
– loonheffingen: de loonbelasting en de premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen alsmede de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage;
|
||||
– ministerie: ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst, Concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken;
|
||||
– ministerie: ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst, team particulieren en formeel recht of team ondernemingen;
|
||||
– negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag;
|
||||
– negatieve voorlopige aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, AWR tot een negatief bedrag;
|
||||
– ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent;
|
||||
– organisatieonderdeel van de Belastingdienst: een organisatorische eenheid van de Belastingdienst, belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen of andere door de Belastingdienst geheven of in te vorderen bedragen;
|
||||
– particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt;
|
||||
– regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
|
||||
– toeslagschuld: de betalingsverplichting die de belanghebbende heeft tegenover Dienst Toeslagen op grond van een terugvorderingsbeschikking;
|
||||
– toeslagenschuld: de betalingsverplichting die de belanghebbende heeft tegenover Belastingdienst/Toeslagen op grond van een terugvorderingsbeschikking;
|
||||
– voorlopige teruggaaf: de aanslag als bedoeld in artikel 13, tweede lid, AWR;
|
||||
– wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990).
|
||||
|
||||
|
|
@ -75,44 +69,17 @@ De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt
|
|||
|
||||
#### 1.1.5
|
||||
|
||||
In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7, en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet.
|
||||
De ontvanger handelt bij de invordering zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7, en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet.
|
||||
|
||||
Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb).
|
||||
|
||||
Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb).
|
||||
Voor bezwaarschriften en beroepschriften bij administratief beroep geldt een termijn van zes weken met de mogelijkheid tot verlenging met vier weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (zie artikel 7:10 en 7:24, Awb).
|
||||
|
||||
Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:
|
||||
Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient.
|
||||
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen vaststelling executiewaarde bodemzaak als bedoeld in artikel 22bis, negende lid, van de wet;
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen ambtshalve kwijtschelding als bedoeld in artikel 26a van de wet;
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet;
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet;
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel in artikel 63b van de wet;
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen uitstel van betaling voor de vennootschapsbelasting bij de overdracht van vermogensbestanddelen door een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 70g van de wet;
|
||||
– bezwaarschriften tegen beschikkingen uitstel van betaling voor de vennootschapsbelasting bij een overdracht van vermogensbestanddelen door een open commanditaire vennootschap als bedoeld in artikel 70h van de wet;
|
||||
– bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; en
|
||||
– bezwaarschriften tegen voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in de regeling.
|
||||
Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb.
|
||||
|
||||
Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke).
|
||||
|
||||
#### 1.1.5a. Toepassing
|
||||
|
||||
Artikel 4:84 Awb is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van rijksbelastingen. Op grond hiervan is het onder omstandigheden mogelijk om af te wijken van beleidsregels zoals die zijn opgenomen in een beleidsbesluit dat van toepassing is voor de praktijk van de ontvanger, zoals deze leidraad. Afwijking van beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben, die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen.
|
||||
|
||||
Toepassing van artikel 4:84 Awb zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de beleidsregels onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb.
|
||||
|
||||
#### 1.1.5b. Marginale toetsing
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige in zijn verzoek aan de Belastingdienst aannemelijk maakt dat er gegronde twijfels bestaan over de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, toetst de ontvanger de belastingaanslag marginaal. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer openstaat en waarbij evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Als bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger in zoverre geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen begrepen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger invorderingsmaatregelen heeft genomen na indiening van het verzoek tot marginale toetsing, corrigeert hij de afboekingen op de belastingaanslag voor zover deze belastingaanslag niet materieel verschuldigd kan worden geacht. Wanneer het afboekingen betreffen die zien op de periode van vóór de ontvangst van het verzoek dan wel betalingen betreffen die de belastingschuldige uit eigen beweging heeft gedaan, corrigeert de ontvanger dit voor zover dat in redelijkheid nog mogelijk is.
|
||||
|
||||
De ontvanger wijst het verzoek van belastingschuldige af als de inspecteur een tijdig verzoek voor ambtshalve beoordeling ook zou hebben afgewezen.
|
||||
|
||||
#### 1.1.5c. Verzoekschriften aan andere instellingen
|
||||
|
||||
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij Zijne Majesteit de Koning, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer of de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de Nationale ombudsman of het Ministerie van Financiën tot op dat verzoekschrift is beslist. De ontvanger houdt de invordering ook aan als de Belangenbehartiger een casus in behandeling heeft genomen. De ontvanger doet dit tot het moment waarop behandeling van de casus door de Belangenbehartiger definitief is afgerond. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming van het ministerie toch invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke).
|
||||
|
||||
#### 1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen
|
||||
|
||||
|
|
@ -133,15 +100,16 @@ De ontvanger vraagt altijd toestemming als:
|
|||
|
||||
#### 1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen
|
||||
|
||||
Op grond van de artikelen 64 en 438b Rv verricht de deurwaarder geen exploten of andere executiehandelingen tussen 20.00 uur ’s avonds en 07.00 uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende feestdag, behalve na een daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter. In aanvulling hierop geldt dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen treft op Goede Vrijdag.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven.
|
||||
|
||||
Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid, van de wet terstond invordert.
|
||||
|
||||
Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:
|
||||
|
||||
– de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag;
|
||||
– regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag;
|
||||
– de dagen tussen de beide Kerstdagen en Nieuwjaarsdag.
|
||||
– landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag;
|
||||
– de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar.
|
||||
|
||||
#### 1.1.9. Binnenkomst van bescheiden
|
||||
|
||||
|
|
@ -155,7 +123,7 @@ Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft geno
|
|||
|
||||
#### 1.1.10. Positie belastingdeurwaarder
|
||||
|
||||
Belastingdeurwaarder is de door of namens de minister van Financiën als zodanig aangewezen ambtenaar van de Rijksbelastingdienst. De rechten en plichten uit de Ambtenarenwet zijn op hem van toepassing. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger).
|
||||
Belastingdeurwaarder is de door of namens de minister van Financiën als zodanig aangewezen ambtenaar van de Rijksbelastingdienst. De rechten en plichten uit de Ambtenarenwet en het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn op hem van toepassing. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger).
|
||||
|
||||
Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient.
|
||||
|
||||
|
|
@ -177,9 +145,9 @@ De bescheiden die betrekking hebben op een beslissing van schuldige nalatigheid
|
|||
|
||||
#### 1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen
|
||||
|
||||
Op verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af over het betalingsgedrag van de belanghebbende. De verklaring ziet op formele belastingschulden of andere vorderingen ten name van de belanghebbende waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring biedt geen garantie dat de materieel verschuldigde belastingen tot het moment van afgifte van de verklaring volledig zijn voldaan. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. Op de procedure voor de afgifte van de verklaring en op de inhoud ervan, is het bepaalde in artikel 35.12 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.
|
||||
|
||||
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belanghebbende of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belanghebbende blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.
|
||||
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.
|
||||
|
||||
#### 1.1.13. Informatieplicht
|
||||
|
||||
|
|
@ -213,7 +181,7 @@ De begrippen ‘woonplaats’ en ‘plaats van vestiging’ hebben bij de uitvoe
|
|||
|
||||
Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de ontvanger aan bij het begrip ‘woonplaats’ als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW.
|
||||
|
||||
Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen ‘woonplaats’ en ‘plaats van vestiging’ die gelden voor de heffingswet op grond waarvan de belastingschuld – waarvoor de aansprakelijkheid bestaat – is ontstaan.
|
||||
Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk IV van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen ‘woonplaats’ en ‘plaats van vestiging’ die gelden voor de heffingswet op grond waarvan de belastingschuld – waarvoor de aansprakelijkheid bestaat – is ontstaan.
|
||||
|
||||
## 3. Bevoegdheden ontvanger
|
||||
|
||||
|
|
@ -221,8 +189,7 @@ In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
|
||||
– de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger;
|
||||
– het leggen van conservatoir beslag;
|
||||
– het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures;
|
||||
– de Rijksadvocaat.
|
||||
– het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures.
|
||||
|
||||
### 3.1. Fiscale en civiele bevoegheden
|
||||
|
||||
|
|
@ -244,22 +211,12 @@ Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de ontv
|
|||
|
||||
### 3.3. Gerechtelijke procedures – toestemming
|
||||
|
||||
In gerechtelijke procedures voor de burgerlijke rechter waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het ministerie. Het voorgaande geldt niet voor:
|
||||
In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het ministerie. Behalve voor in hoger beroep te voeren zaken geldt het voorgaande niet voor:
|
||||
|
||||
– verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;
|
||||
– kantonzaken;
|
||||
– verzoekschriftprocedures;
|
||||
– procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, of artikel 708, tweede lid, Rv.
|
||||
|
||||
In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het ministerie nodig is.
|
||||
|
||||
### 3.4. Rijksadvocaat
|
||||
|
||||
Aan de advocaat aan wie de rechtsbijstand van de Belastingdienst in invorderingszaken is opgedragen, wordt de persoonlijke titel van rijksadvocaat verleend. In overleg met de rijksadvocaat kan aan één of meer van zijn kantoorgenoten de persoonlijke titel van plaatsvervangend rijksadvocaat worden verleend.
|
||||
|
||||
## 3a
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
– aansprakelijkheidsprocedures.
|
||||
|
||||
## 4. Bevoegdheid belastingdeurwaarder
|
||||
|
||||
|
|
@ -269,7 +226,7 @@ In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de
|
|||
|
||||
De belastingdeurwaarder is bevoegd is tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger.
|
||||
|
||||
Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt.
|
||||
Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt.
|
||||
|
||||
## 5
|
||||
|
||||
|
|
@ -294,7 +251,7 @@ In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
– teveelbetalingen;
|
||||
– het rekenen van rente en kosten bij afboeking;
|
||||
– het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen;
|
||||
– de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete;
|
||||
– de afboeking van de betaling op de bestuurlijk boete;
|
||||
– de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden;
|
||||
– betaling bij vergissing;
|
||||
– het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling.
|
||||
|
|
@ -303,18 +260,15 @@ In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
|
||||
Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de Belastingdienst.
|
||||
|
||||
Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-transactie.
|
||||
Bij betaling door middel van storting van contant geld op het postkantoor, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van storting.
|
||||
|
||||
Bij rechtstreekse betaling aan de Belastingdienst door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling.
|
||||
|
||||
Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
|
||||
Bij betaling door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling.
|
||||
|
||||
### 7.2. De afboeking van de betaling
|
||||
|
||||
Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:
|
||||
|
||||
– Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven, worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen.
|
||||
– Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen), worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken.
|
||||
– Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen. – Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken.
|
||||
– Als de ontvanger ook is belast met de invordering van andere heffingen dan rijksbelastingen, vindt verdeling van de betaling over de vorderingen van de diverse schuldeisers naar evenredigheid plaats, met inachtneming van de preferenties.
|
||||
|
||||
### 7.3. Teveelbetaling
|
||||
|
|
@ -325,6 +279,8 @@ Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al
|
|||
|
||||
Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg.
|
||||
|
||||
Onder betalingskorting wordt in dit verband verstaan: de teruggenomen betalingskorting wegens een verleende vermindering die abusievelijk niet op grond van artikel 24, vierde lid, van de wet is verrekend met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag waarvoor de betalingskorting is verleend. Omdat in voorkomende gevallen tevens kosten in rekening kunnen worden gebracht voor de invordering van de teruggenomen betalingskorting, is de betalingskorting tevens opgenomen in de toerekeningsregel van artikel 7, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente.
|
||||
|
||||
### 7.5. Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen
|
||||
|
|
@ -345,7 +301,11 @@ Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag – w
|
|||
|
||||
Als na afboeking van genoemd resterend bedrag nog een bedrag overblijft, dan wordt dit op de belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de wet. Van deze toerekening naar evenredigheid wordt afgeweken als de derde niet aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete. In dit geval kan namelijk niet op de bestuurlijke boete worden afgeboekt.
|
||||
|
||||
Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde.
|
||||
De ontvanger licht de aansprakelijkgestelde schriftelijk in over de afboeking van zijn betaling.
|
||||
|
||||
De B/CA licht de belastingschuldige schriftelijk in over de afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde.
|
||||
|
||||
De ontvanger licht zowel de aansprakelijkgestelde als de belastingschuldige schriftelijk in over de wijze van afboeking van de betaling.
|
||||
|
||||
### 7.8. Betaling bij vergissing
|
||||
|
||||
|
|
@ -363,43 +323,35 @@ Een kennisgeving blijft achterwege als betaling plaatsvindt op grond van een mac
|
|||
|
||||
## 7a. Uitbetaling van belastingteruggaven
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 4:89 van de Awb Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
In aansluiting op artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling;
|
||||
– de controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling;
|
||||
– uitbetalingsfouten.
|
||||
|
||||
### 7a.1. Aanwijzen bankrekening voor uitbetaling
|
||||
### 7a.1. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling
|
||||
|
||||
Artikel 7a van de wet stelt als voorwaarde voor uitbetalingen aan de belastingschuldige van inkomstenbelasting dat de bankrekening op naam van de belastingschuldige staat. Voor de uitbetaling van toeslagen is in artikel 25 van de Awir eenzelfde voorwaarde gesteld. Een zogenoemde en/of-rekening die mede op naam van de belastingschuldige is gesteld, wordt aangemerkt als een rekening op naam van de belastingschuldige. De belastingschuldige kan niet meer dan één bankrekening aanwijzen voor de uitbetaling van inkomstenbelasting en toeslagen. Dit betekent dat als de belastingschuldige zijn bankrekening voor de uitbetaling van inkomstenbelasting wijzigt, dit tevens de bankrekening wordt voor de uitbetaling van zijn toeslagen en omgekeerd.
|
||||
De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats bij de aangifte of het verzoek in verband waarmee het desbetreffende uit te betalen bedrag wordt vastgesteld. Als de belastingschuldige niet reageert op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Belastingdienst bekende rekeningnummer door de Belastingdienst, geldt dit ook als aanwijzing.
|
||||
|
||||
### 7a.2. Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling
|
||||
Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander rekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld rekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken.
|
||||
|
||||
Controle van een bankrekening die is aangewezen voor uitbetalingen van teruggaven inkomstenbelasting en toeslagen op de tenaamstelling vindt eenmalig plaats bij de aanwijzing van de bankrekening. De Belastingdienst betaalt bevrijdend uit op de aangewezen bankrekening totdat een andere bankrekening is aangewezen en door de Belastingdienst is gecontroleerd.
|
||||
Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden.
|
||||
|
||||
### 7a.3. Uitbetalingsfouten
|
||||
### 7a.2. Uitbetalingsfouten
|
||||
|
||||
Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd.
|
||||
|
||||
In afwijking van de vorige volzin vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat:
|
||||
|
||||
– hij tijdig vóór de uitbetaling bij de Belastingdienst heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en
|
||||
– hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is.
|
||||
Indien en voor zover blijkt dat het eerder betaalde bedrag niet ter beschikking van de belastingschuldige is gekomen – bijvoorbeeld omdat de rekening ten tijde van de bijschrijving een debetstand kent en ook de (eventuele) kredietfaciliteit van de rekening de restitutie niet toelaat – vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats.
|
||||
|
||||
Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking.
|
||||
|
||||
Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van de aanwijzing door de belastingschuldige van een niet op zijn naam staande bankrekening, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. Het bovenstaande geldt niet voor uitbetalingen van inkomstenbelasting en toeslagen, omdat dergelijke uitbetalingen uitsluitend plaatsvinden op een rekeningnummer waarvan de Belastingdienst vooraf de tenaamstelling heeft gecontroleerd.
|
||||
|
||||
## 7b. Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 7b van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald.
|
||||
|
||||
## 8. Bekendmaking aanslag
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties;
|
||||
– bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan;
|
||||
– de verzending van de aanslagbiljetten via TNT-Post;
|
||||
– de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet;
|
||||
– het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -412,12 +364,9 @@ De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuld
|
|||
– als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd;
|
||||
– aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden, worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen.
|
||||
|
||||
### 8.2. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan
|
||||
### 8.2. Verzending aanslagbiljetten via TNT-Post
|
||||
|
||||
De wijze van bekendmaking van de belastingaanslag, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wet, is ter beoordeling van de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen:
|
||||
|
||||
− het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht;
|
||||
− het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid.
|
||||
Voor de verzending van de aanslagbiljetten en andere bescheiden maakt de ontvanger gebruik van de diensten van TNT-Post.
|
||||
|
||||
### 8.3. Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet
|
||||
|
||||
|
|
@ -439,7 +388,7 @@ In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
|
||||
### 9.1. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin voor voorlopige aanslagen (bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet) die zijn gedagtekend in november of eerder, toepassing van de wet er toe zou leiden dat de enige of laatste betalingstermijn eindigt voor 31 december, dan wordt de vervaldag van deze termijn op 31 december gesteld. Bij afwijkende boekjaren wordt de laatste vervaldag steeds op de laatste dag van de maand gesteld.
|
||||
In de gevallen waarin voor voorlopige aanslagen (bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet) die zijn gedagtekend in oktober of eerder, toepassing van de wet er toe zou leiden dat de enige of laatste betalingstermijn eindigt voor 31 december, dan wordt de vervaldag van deze termijn op 31 december gesteld. Bij afwijkende boekjaren wordt de laatste vervaldag steeds op de laatste dag van de maand gesteld.
|
||||
|
||||
### 9.2. Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven
|
||||
|
||||
|
|
@ -462,17 +411,13 @@ Ingevolge artikel 9, zesde en zevende lid, van de wet worden voorlopige teruggav
|
|||
|
||||
De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast.
|
||||
|
||||
### 9.5. Begrippen bij betalingstermijnen
|
||||
### 9.5. Begrip maand bij betalingstermijn
|
||||
|
||||
Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op één maand of is gesteld op zes weken, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van één maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van zes weken vervalt op 12 december.
|
||||
Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op één maand of is gesteld op twee maanden, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van één maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van twee maanden vervalt op 31 december.
|
||||
|
||||
Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van zes weken op 11 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 10 april.
|
||||
Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van twee maanden op 30 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 28 april.
|
||||
|
||||
Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april. Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april.
|
||||
|
||||
### 9.6. Verzuim ontvanger bij uitbetaling
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e., van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan rijksbelastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaats vindt.
|
||||
Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, dan vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand) of twee maanden later (bij een betalingstermijn van twee maanden) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 februari is, dan vervalt de termijn dus op 15 maart dan wel op 15 april.
|
||||
|
||||
## 10. Versnelde invordering
|
||||
|
||||
|
|
@ -520,7 +465,9 @@ Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd
|
|||
|
||||
### 10.5. Beslag en versnelde invordering
|
||||
|
||||
Nadat de ontvanger verhaalsbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige – waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen – dadelijk en ineens invorderbaar.
|
||||
Als voor bepaalde belastingschulden op goederen van de belastingschuldige beslag is gelegd en er worden tijdens de duur van dat beslag nieuwe belastingaanslagen opgelegd, dan kan de ontvanger die belastingaanslagen dadelijk en tot het volle bedrag invorderen.
|
||||
|
||||
Onder belastingschulden vallen in dit verband niet alleen de rijksbelastingen, maar ook belastingen die zijn opgelegd door andere overheidsorganen en door de ontvanger worden ingevorderd, alsmede de vorderingen die door de ontvanger als belasting moeten worden ingevorderd, zoals de sociale verzekeringspremies.
|
||||
|
||||
### 10.6. Verkoop namens derden en versnelde invordering
|
||||
|
||||
|
|
@ -563,7 +510,7 @@ Als de ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de ve
|
|||
|
||||
Vervolging – niet zijnde de eindvervolging – blijft in het algemeen achterwege als het achterstallige bedrag:
|
||||
|
||||
1. kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde) belastingaanslag; en
|
||||
1. kleiner is dan een tiende deel van de (verlaagde) belastingaanslag;
|
||||
2. minder bedraagt dan € 182.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan zich in bijzondere gevallen gerechtigd achten de tussentijdse vervolging achterwege te laten, ook al valt het bedrag buiten de gestelde grenzen.
|
||||
|
|
@ -576,9 +523,7 @@ Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedra
|
|||
|
||||
### 11.5. Betalingsherinnering
|
||||
|
||||
Als de aard of omvang van de belastingschuld daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuld de inkomstenbelasting, de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, de motorrijtuigenbelasting dan wel de vennootschapsbelasting betreft, verzendt de ontvanger eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering.
|
||||
Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de ontvanger de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden.
|
||||
|
||||
Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de ontvanger een aanmaning.
|
||||
|
||||
|
|
@ -617,9 +562,9 @@ Als de ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens o
|
|||
|
||||
Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking.
|
||||
|
||||
Voor successierecht of erfbelasting verleent de ontvanger het dwangbevel tegen ‘de verkrijgers uit de nalatenschap van...’. De ontvanger vermeldt daarbij de namen en adressen van de verkrijgers op het dwangbevel.
|
||||
Voor successierecht verleent de ontvanger het dwangbevel tegen ‘de verkrijgers uit de nalatenschap van...’. De ontvanger vermeldt daarbij de namen en adressen van de verkrijgers op het dwangbevel.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger invordering ten laste van een afzonderlijke verkrijger beoogt voor het deel van het successierecht of erfbelasting dat het gevolg is van de verkrijging van die verkrijger, dan vaardigt hij een (nieuw) dwangbevel uit op naam van die verkrijger.
|
||||
Als de ontvanger invordering ten laste van een afzonderlijke verkrijger beoogt voor het deel van het successierecht dat het gevolg is van de verkrijging van die verkrijger, dan vaardigt hij een (nieuw) dwangbevel uit op naam van die verkrijger.
|
||||
|
||||
## 13. Betekening van het dwangbevel
|
||||
|
||||
|
|
@ -633,7 +578,7 @@ In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
|
||||
De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling.
|
||||
|
||||
Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan PostNL. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging.
|
||||
Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan TNT-Post. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging.
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen
|
||||
|
||||
|
|
@ -641,7 +586,7 @@ De ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel pe
|
|||
|
||||
Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de Belastingdienst bekende adres van de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de basisregistratie personen is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de basisregistratie personen – bijvoorbeeld een postbusadres – kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres.
|
||||
Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de belastingschuldige zijn, dat in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens is geregistreerd. Als de belastingschuldige te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens – bijvoorbeeld een postbusadres – kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres.
|
||||
|
||||
Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een – ten tijde van de terpostbezorging – onjuist adres is verzonden en de belastingschuldige niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -661,7 +606,7 @@ Een ruimere domiciliekeuze vindt slechts plaats wanneer daartoe aanleiding besta
|
|||
|
||||
Een dwangbevel dat – hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder – is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.
|
||||
|
||||
De betekening van een dwangbevel inzake successierecht of erfbelasting vindt plaats op het adres van de in de aangifte gekozen woonplaats, tenzij het dwangbevel is verleend tegen één verkrijger afzonderlijk.
|
||||
De betekening van een dwangbevel inzake successierecht vindt plaats op het adres van de in de aangifte gekozen woonplaats, tenzij het dwangbevel is verleend tegen één verkrijger afzonderlijk.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -672,7 +617,7 @@ De betekening van een dwangbevel ten name van een fiscale eenheid omzetbelasting
|
|||
|
||||
## 14. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
In aansluiting op artikel 14 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– de algemene regels over tenuitvoerlegging;
|
||||
– beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn;
|
||||
|
|
@ -682,7 +627,13 @@ In aansluiting op artikel 4:116 van de Awb en artikel 14 van de wet beschrijft d
|
|||
|
||||
### 14.1. Tenuitvoerlegging algemeen
|
||||
|
||||
20091092921-07-200909-07-2009CPP2009/1047M20091092921-07-200909-07-2009CPP2009/1047M23-07-2009
|
||||
Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening aan de belastingschuldige, kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen (artikel 14, eerste lid, van de wet).
|
||||
|
||||
Als het dwangbevel per post is betekend moet de belastingdeurwaarder een hernieuwd bevel tot betaling betekenen, voordat hij tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaat (artikel 14, tweede lid, van de wet).
|
||||
|
||||
Als de betekening van het hernieuwd bevel tot betaling plaatsvindt conform artikel 47 Rv – dat wil zeggen door achterlating van het bevel in een gesloten envelop of door terpostbezorging van het bevel – gaat de belastingdeurwaarder pas na twee dagen na betekening van het hernieuwde betalingsbevel over tot tenuitvoerlegging.
|
||||
|
||||
In de overige gevallen kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Betekening van een hernieuwd bevel tot betaling hoeft overigens niet plaats te vinden als het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, terstond ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 14, derde lid, van de wet).
|
||||
|
||||
#### 14.1.1. Keuze van invorderingsmaatregelen
|
||||
|
||||
|
|
@ -700,7 +651,11 @@ Als het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt o
|
|||
|
||||
#### 14.1.3. Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden
|
||||
|
||||
Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW is verstreken, tenzij hiermee de belangen van de Staat worden geschaad. Hierbij is het niet van belang of de erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.
|
||||
Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, gaat de belastingdeurwaarder pas tot tenuitvoerlegging over nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW is verstreken.
|
||||
|
||||
Als alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, kan de rechtbank de termijn van drie maanden verlengen.
|
||||
|
||||
Als de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen.
|
||||
|
||||
#### 14.1.4. Volgorde van uitwinning bij beslag
|
||||
|
||||
|
|
@ -747,9 +702,9 @@ Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de
|
|||
|
||||
#### 14.1.10. Onderhandse verkoop
|
||||
|
||||
Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare verkoop, vraagt de ontvanger de belastingschuldige om instemming met de onderhandse verkoop. Indien de belastingschuldige zijn instemming niet verleent en daarbij geen redelijk belang heeft, kan de ontvanger besluiten over te gaan tot onderhandse verkoop.
|
||||
Als een onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken naar verwachting aanzienlijk meer oplevert dan de verwachte opbrengst bij openbare verkoop, dan kan de ontvanger kiezen voor een onderhandse verkoop.
|
||||
|
||||
De ontvanger gaat allereerst na of het bod afkomstig is van een onafhankelijke derde. Als de koopsom direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige komt, gaat de ontvanger niet akkoord met een onderhandse verkoop. Daarnaast houdt de ontvanger rekening met de gerechtvaardigde belangen van eventuele derde-rechthebbenden die zich bij hem bekend hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag. De ontvanger heft het beslag niet op wanneer het aangeboden bedrag direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige afkomstig is.
|
||||
De ontvanger moet hierbij rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van eventuele derde-rechthebbenden die zich bij hem bekend hebben gemaakt. De ontvanger stelt deze derden in de gelegenheid om een bedrag aan te bieden ter opheffing van het beslag.
|
||||
|
||||
Onderhandse verkoop vindt niet plaats als hierdoor de belangen van de Staat worden geschaad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -772,13 +727,13 @@ Zolang niet duidelijk is wat met het strafrechtelijke beslag gebeurt, kan het fi
|
|||
|
||||
De Belastingdienst belemmert zo min mogelijk de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen.
|
||||
|
||||
In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van een reeds gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de Staat worden geschaad.
|
||||
In geval van samenloop van de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen en het nemen van invorderingsmaatregelen tot verhaal van een belastingschuld, treedt de ontvanger terughoudend op. Dit houdt in dat de ontvanger in beginsel niet direct overgaat tot uitwinning van gelegd beslag tenzij hiermee de belangen van de Staat worden geschaad.
|
||||
|
||||
Als de verdachte/veroordeelde naast illegaal inkomen nog legaal inkomen heeft waarvoor belastingaanslagen zijn opgelegd, dan kan de ontvanger wel tot daadwerkelijke uitwinning van die vermogensbestanddelen overgaan, die – anders dan door onderzoek van politie of openbaar ministerie – zijn opgespoord.
|
||||
|
||||
Voor zover sprake is van een maatregel tot schadevergoeding, als bedoeld in artikel 36f, eerste lid, Sr ten behoeve van slachtoffers of benadeelde derden, of anderszins aan slachtoffers of benadeelde derden tegemoet wordt gekomen, treedt de ontvanger niet terughoudend op.
|
||||
|
||||
Als de Belastingdienst – op het moment dat de invordering wel is gestart, maar nog niet tot beslaglegging is overgegaan – in kennis wordt gesteld van een ontnemingszaak en van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van de belastingschuldige, dan treft de ontvanger invorderingsmaatregelen met een conservatoir karakter.Als de belangen van de Staat worden geschaad door opschorting van uitwinning, gaat de ontvanger echter wel over tot uitwinning. Hierbij kan onder meer – doch niet uitsluitend – worden gedacht aan:
|
||||
Als de Belastingdienst – op het moment dat de invordering wel is gestart, maar nog niet tot beslaglegging is overgegaan – in kennis wordt gesteld van een ontnemingszaak en van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van de belastingschuldige, dan treft de ontvanger invorderingsmaatregelen met een conservatoir karakter.Als de belangen van de Belastingdienst worden geschaad door opschorting van uitwinning, gaat de ontvanger echter wel over tot uitwinning. Hierbij kan onder meer – doch niet uitsluitend – worden gedacht aan:
|
||||
|
||||
– een situatie waarin door de daadwerkelijke uitwinning van het inbeslaggenomene niet ter hand te nemen, de verhaalswaarde daarvan in onevenredige mate vermindert (denk hierbij onder meer aan voorraden, personenauto’s en dergelijke);
|
||||
– een situatie waarin het niet uitwinnen van de beslagen zaak leidt tot een schadeactie, hetzij van de zijde van de belastingschuldige, hetzij van de zijde van de medecrediteuren.
|
||||
|
|
@ -805,8 +760,7 @@ Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de bela
|
|||
|
||||
#### 14.2.4. Omvang van het beslag op roerende zaken
|
||||
|
||||
1. Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als, naar het oordeel van de belastingdeurwaarder, in elk geval nodig is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten.
|
||||
2. Gezien het bepaalde in artikel 441, derde lid, Rv, wordt geen beslag gelegd op zaken indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken aanmerkelijk minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. De belastingdeurwaarder kan wel beslag leggen op deze zaken als de belastingschuldige door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen. Daarvan is sprake als het aannemelijk is dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor beslag wordt gelegd, te wijten is aan onwil van de belastingschuldige of als het aannemelijk is dat door de executoriale verkoop van de betreffende zaken kan worden voorkomen dat belastingschulden verder oplopen.
|
||||
Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als – naar het oordeel van de belastingdeurwaarder – ruimschoots voldoende is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten.
|
||||
|
||||
#### 14.2.5. Beslag op roerende zaken van derden
|
||||
|
||||
|
|
@ -841,7 +795,7 @@ De deurwaarder zal in de volgende gevallen echter beslag onder derden leggen als
|
|||
– het voor de belastingdeurwaarder feitelijk onmogelijk is om de zaken zelf te zien, dan wel te inventariseren;
|
||||
– de derde een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, voordat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten.
|
||||
|
||||
Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval een formulier als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv, binnen drie dagen nadat de derde zich erop heeft beroepen dat hij het beslag niet behoeft te dulden.
|
||||
Als de derde een dergelijk beroep doet nadat het exploot van beslag op roerende zaken is afgesloten, legt de belastingdeurwaarder geen afzonderlijk derdenbeslag maar geldt het beslag roerende zaken als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder betekent in dat geval binnen drie dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv.
|
||||
|
||||
Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de executoriale verkoop een beroep zal doen als bedoeld in artikel 461d Rv.
|
||||
|
||||
|
|
@ -849,16 +803,16 @@ Dit laatste geldt ook als de verwachting is gerechtvaardigd dat de derde voor de
|
|||
|
||||
Nadat op roerende zaken beslag is gelegd, wordt zoveel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.
|
||||
|
||||
Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in Rv. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken.
|
||||
Onder bijzondere omstandigheden kan de belastingdeurwaarder beslagen zaken wegvoeren. Hij stelt daartoe een gerechtelijke bewaarder aan als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de ontvanger niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de in beslag genomen zaken.
|
||||
|
||||
Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd. Bijvoorbeeld als de belastingdeurwaarder administratief beslag als bedoeld in artikel 442, eerste lid, Rv, heeft gelegd op een motorrijtuig of een aanhangwagen, en de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet heeft ingeleverd, nadat de belastingdeurwaarder hem daartoe twee keer in de gelegenheid heeft gesteld.
|
||||
Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd.
|
||||
|
||||
Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt:
|
||||
|
||||
– als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet kan worden ingevorderd; en
|
||||
– als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet volledig kan worden ingevorderd; en
|
||||
– de ontvanger na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht.
|
||||
|
||||
Het wegvoeren van zaken, waaronder motorrijtuigen naar aanleiding van een actie op grond van artikel 18 van de wet, gebeurt niet dan na daartoe verkregen toestemming van de directeur van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waar de belastingdeurwaarder die de zaken wil wegvoeren werkzaam is. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de desbetreffende directeur of van een andere door die directeur of zijn plaatsvervanger daartoe aangewezen functionaris.
|
||||
Het wegvoeren van zaken gebeurt niet dan na daartoe verkregen toestemming van de voorzitter van het managementteam van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst of zijn plaatsvervanger.
|
||||
|
||||
#### 14.2.10. Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken
|
||||
|
||||
|
|
@ -873,7 +827,7 @@ De deurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte overgaan wa
|
|||
– de omstandigheden zich voordoen als genoemd in artikel 14.2.9 van deze leidraad; en
|
||||
– de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd.
|
||||
|
||||
Voor de afsluiting is voorafgaande toestemming vereist van de directeur van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waar de belastingdeurwaarder die de ruimte wil afsluiten werkzaam is. De toestemming kan ook worden verkregen van de plaatsvervanger van de desbetreffende directeur of van een andere door die directeur of zijn plaatsvervanger daartoe aangewezen functionaris. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan.
|
||||
Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan.
|
||||
|
||||
#### 14.2.12. bewaarder en beslag roerende zaken
|
||||
|
||||
|
|
@ -897,9 +851,9 @@ Als de belastingdeurwaarder beslag legt op computerapparatuur, dan valt alleen d
|
|||
|
||||
#### 14.2.14. Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken
|
||||
|
||||
De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 2019 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld.
|
||||
De ontvanger moet er voor zorgdragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de stempeltekenen die volgens de Waarborgwet 1986 vereist zijn, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld.
|
||||
|
||||
Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen – al dan niet met het vereiste stempelteken – moet de ontvanger aangifte doen zoals artikel 35 van de Waarborgwet 2019 dat voorschrijft.
|
||||
Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen – al dan niet met het vereiste stempelteken – moet de ontvanger ten minste drie dagen van tevoren aangifte doen bij Waarborg Holland.
|
||||
|
||||
#### 14.2.15. Beslag op illegale zaken
|
||||
|
||||
|
|
@ -919,7 +873,7 @@ Opheffing van het beslag op roerende zaken als bedoeld in artikel 445 Rv wordt a
|
|||
|
||||
#### 14.2.18. Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken
|
||||
|
||||
De ontvanger verhaalt de openstaande schuld waarvoor het beslag roerende zaken is gelegd op de executieopbrengst, inclusief de daarin begrepen omzetbelasting. Voordat de opbrengst op de openstaande schuld wordt afgeboekt, worden eerst de kosten van executie verrekend. De ontvanger boekt de opbrengst vervolgens af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad.
|
||||
De ontvanger boekt de opbrengst van de executie af met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Als er andere schuldeisers zijn die beslag hebben gelegd of als er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, dan wordt zoveel mogelijk getracht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executieopbrengst. Als dat niet mogelijk blijkt, dan is artikel 481 Rv en volgende van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -931,16 +885,11 @@ Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-v
|
|||
|
||||
Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de ontvanger vraagt of een beslag nog ligt, dan verstrekt de ontvanger deze informatie tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet.
|
||||
|
||||
### 14.2a. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens
|
||||
|
||||
1. De belastingdeurwaarder neemt zo nodig in het proces-verbaal van inbeslagneming van een motorrijtuig of aanhangwagen op de voet van artikel 442, eerste lid, Rv, een instructie op inzake het afgeven van het motorrijtuig of de aanhangwagen, als bedoeld in artikel 442, eerste lid, onder e, Rv. Daarin vermeldt de belastingdeurwaarder de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden.
|
||||
2. Als de geëxecuteerde het motorrijtuig of de aanhangwagen niet inlevert volgens de in het eerste lid bedoelde instructie, stelt de belastingdeurwaarder eenmalig opnieuw een inlevermoment vast en stelt hij de geëxecuteerde hiervan schriftelijk op de hoogte. De belastingdeurwaarder vermeldt in de schriftelijke kennisgeving in ieder geval de plaats, datum en het tijdstip waarop het motorrijtuig of de aanhangwagen ingeleverd moet worden.
|
||||
|
||||
### 14.3. Beslag op onroerende zaken
|
||||
|
||||
#### 14.3.1. Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken
|
||||
|
||||
Indien het beslag op een onroerende zaak mede omvat de in of op die zaak aanwezige bestanddelen of natuurlijke vruchten, geldt het volgende. De belastingdeurwaarder kan die bestanddelen of die vruchten wegvoeren om in bewaring te geven indien dit voor het behoud van die bestanddelen of vruchten noodzakelijk is. Het wegvoeren vindt niet plaats dan na daartoe verkregen toestemming van de directeur van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waar de desbetreffende belastingdeurwaarder werkzaam is. Het bepaalde in artikel 14.2.9 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Als gelijktijdig met het beslag op de onroerende zaak beslag wordt gelegd op roerende zaken die in of op de onroerende zaak aanwezig zijn, kan de belastingdeurwaarder deze zaken afvoeren om in bewaring te geven als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijs noodzakelijk is. De belastingdeurwaarder heeft hiervoor toestemming nodig van de ontvanger (zie ook artikel 14.2.9 van deze leidraad).
|
||||
|
||||
#### 14.3.2. Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken
|
||||
|
||||
|
|
@ -970,19 +919,9 @@ Ook wordt van deze opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (e
|
|||
|
||||
In artikel 475 Rv en volgende is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Als blijkt dat – na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring – de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen. De ontvanger stelt de derde hiervan op de hoogte.
|
||||
|
||||
Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander – bijvoorbeeld door een bank – wordt geadministreerd.
|
||||
Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldige toebehoort, dan wel op naam van die ander – bijvoorbeeld door een bank – wordt geadministreerd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de echtgenoot met wie de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, als de echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag vallen.
|
||||
|
||||
In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan degene aan wie de vordering formeel toebehoort binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van die ander is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
#### 14.4.1a. Geen beslag op coronabonus zorgprofessional
|
||||
|
||||
De ontvanger laat geen derdenbeslag leggen onder een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor een bonus die door de zorgaanbieder wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds beslag is gelegd onder de zorgaanbieder, verzoekt de ontvanger niet om afdracht van de bonus of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen.
|
||||
|
||||
#### 14.4.1b. Bankbeslag en energietoeslag
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, een energietoeslag heeft ontvangen, geldt het volgende.
|
||||
|
||||
Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het door de bank op het bankbeslag afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag.
|
||||
In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derdebeslagene) dat zowel aan de belastingschuldige als aan de echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, moet de ontvanger zoveel mogelijk aangeven op welke gronden hij de vordering die op naam van de echtgenoot is geadministreerd, meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
#### 14.4.2. Derdenbeslag of vordering
|
||||
|
||||
|
|
@ -1002,19 +941,7 @@ Als er aanleiding toe bestaat, kan de ontvanger de omvang van het beslag bij de
|
|||
|
||||
#### 14.4.5. Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt
|
||||
|
||||
Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv. Indien de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Indien de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de ontvanger gestelde termijn aanlevert, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld.
|
||||
|
||||
#### 14.4.5.a. Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud
|
||||
|
||||
Wanneer de ontvanger derdenbeslag legt als gevolg waarvan de belastingschuldige niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud, verleent de ontvanger zijn medewerking aan (gedeeltelijke) opheffing van het beslag dan wel stelt hij een passend deel van het door de derde betaalde bedrag beschikbaar aan de belastingschuldige. De ontvanger verleent slechts medewerking onder voorwaarde dat de belastingschuldige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het beslag gedurende een bepaalde periode niet meer kan voorzien in de kosten van levensonderhoud. Voor de vaststelling van het passend deel gaat de ontvanger uit van de kosten van bestaan als bedoeld in artikel 16 van de regeling.
|
||||
|
||||
#### 14.4.5b. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft, geldt het volgende. Als de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, kan hij de ontvanger verzoeken alsnog rekening te houden met het voor hem geldende vrij te laten bedrag. De ontvanger stelt in dat geval het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast. De ontvanger betaalt het verschil tussen het initieel vastgestelde vrij te laten bedrag en het op verzoek vastgestelde vrij te laten bedrag aan de belastingschuldige. Dit doet de ontvanger nadat de bank op het beslag heeft afgedragen.
|
||||
|
||||
#### 14.4.5c. Toepassing 5%-regeling
|
||||
|
||||
De ontvanger past de zogeheten 5% regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het leggen van derdenbeslag. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als de ontvanger van mening is dat de belangen van de Staat worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast.
|
||||
Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet toe als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv.
|
||||
|
||||
#### 14.4.6. Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring
|
||||
|
||||
|
|
@ -1052,7 +979,7 @@ Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbe
|
|||
|
||||
Als de belastingschuldige er uitdrukkelijk om verzoekt of als de ontvanger dit wenselijk acht, wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt aan zowel de belastingschuldige als de derde.
|
||||
|
||||
In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een afschrift van deze kennisgeving.
|
||||
In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennis gegeven aan de derde-beslagene. De ontvanger zendt aan de belastingschuldige een afschrift van deze kennisgeving gezonden.
|
||||
|
||||
#### 14.4.12. Onverschuldigde betaling en derdenbeslag
|
||||
|
||||
|
|
@ -1108,44 +1035,44 @@ Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de bela
|
|||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 15 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 16. Doorlopend beslag
|
||||
## 16. Vervallen termijnen en beslag
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 16 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen.
|
||||
In aansluiting op artikel 16 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de tenuitvoerlegging van een termijndwangbevel.
|
||||
|
||||
### 16.1. Voor 1 januari 2011 gelegde derdenbeslagen
|
||||
### 16.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel
|
||||
|
||||
Als vóór 1 januari 2011 onder de ontvanger derdenbeslag op een voorlopige teruggaaf in de inkomstenbelasting met betrekking tot het jaar 2010 is gelegd, geldt het volgende. Dit beslag wordt geacht mede te omvatten een in termijnen uit te betalen bedrag op grond van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de wet over een volgend jaar voorzover de uit te betalen termijnen van de voorlopige aanslagen op elkaar aansluiten en de schuld waarvoor het beslag is gelegd niet geheel is voldaan. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor een beslag dat is gelegd op een in een of meer termijnen uit te betalen bedrag op grond van een voorschot, als bedoeld in artikel 22, zevende lid, van de Awir.
|
||||
Een éénmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging.
|
||||
|
||||
Als echter moet worden overgegaan tot lijfsdwang voor alle tot het moment van tenuitvoerlegging vervallen termijnen, dan kunnen in die tenuitvoerlegging niet worden begrepen de termijnen die zijn vervallen na de termijn(en) waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd.
|
||||
|
||||
Voor die nader vervallen termijnen moet wel eerst een aanmaning worden verzonden, waarna voor die termijnen een eigen dwangbevel kan worden uitgevaardigd.
|
||||
|
||||
## 17. Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 17 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– het aanhouden van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel bij verzet;
|
||||
– de schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel;
|
||||
– verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering.
|
||||
|
||||
### 17.1. Aanhouden tenuitvoerlegging bij verzet
|
||||
### 17.1. Schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige zich in rechte verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, houdt de ontvanger de (verdere) tenuitvoerlegging van het dwangbevel aan, tenzij:
|
||||
Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW, kan hij – na verkregen toestemming van het ministerie, team Ondernemingen – besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten.
|
||||
|
||||
– de gronden van het verzet naar het oordeel van de ontvanger kansloos zijn, en;
|
||||
– de belangen van de Staat zich verzetten tegen schorsing van de tenuitvoerlegging.
|
||||
Als sprake is van een beslag onder een derde, en de derde heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze schorsing berust.
|
||||
|
||||
De ontvanger vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476 Rv, dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Ook wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van het verzet is opgeheven.
|
||||
|
||||
### 17.2. Verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering
|
||||
|
||||
Als het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt, is verzet mogelijk.
|
||||
|
||||
## 18
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 18 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 19. Doen van een vordering
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 19 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– de algemene regels over het doen van een vordering;
|
||||
– de faillissementsvordering;
|
||||
– vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen;
|
||||
– de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet.
|
||||
– vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen.
|
||||
|
||||
### 19.1. Vordering algemeen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1155,7 +1082,7 @@ Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel
|
|||
|
||||
#### 19.1.1. Bekendmaking vordering
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van de beschikking aan degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.
|
||||
De ontvanger maakt de vordering bekend door toezending van een brief aan degene aan wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger dat wenselijk acht, kan hij de vordering ook aan genoemde personen laten betekenen door de belastingdeurwaarder. Bij de betekening van een vordering handelt de belastingdeurwaarder overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1185,22 +1112,12 @@ Als een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand vermindert of v
|
|||
|
||||
#### 19.1.6. Doorbreken beslagverboden en vordering
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen van de belastingschuldige op derden) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren.
|
||||
Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan.
|
||||
|
||||
De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal de zogeheten 5% regeling niet gelijktijdig toepassen met de regeling, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
#### 19.1.6a. Toepassing 5%-regeling
|
||||
|
||||
De ontvanger past de zogeheten 5%-regeling, bedoeld in artikel 475dc Rv, in beginsel niet toe bij het doen van een vordering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet. De ontvanger past die regeling alleen toe als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de wet en artikel 19.1.7 of als hij van mening is dat de belangen van de Staat worden geschaad als hij de 5%-regeling niet toepast.
|
||||
|
||||
#### 19.1.6b. Geen vordering voor corona bonus zorgprofessional
|
||||
|
||||
De ontvanger doet geen vordering op grond van artikel 19, eerste lid, van de wet, voor een bonus die door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder voor de bonus een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds een vordering is gedaan, is de zorgaanbieder niet verplicht die bonus aan de ontvanger af te dragen, of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen.
|
||||
|
||||
#### 19.1.7. Notoire wanbetaler en vordering
|
||||
|
||||
In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet vindt de vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
|
@ -1212,15 +1129,14 @@ d. de onder c vermelde voorwaarde geldt niet voor aanslagen in de motorrijtuigen
|
|||
|
||||
Voor deze aanslagen geldt – naast de voorwaarden genoemd onder a en b – als extra voorwaarde dat op het tijdstip waarop de vordering plaatsvindt sprake moet zijn van een motorrijtuigenbelastingschuld die door middel van reguliere invorderingsmiddelen (voor particulieren: de vordering; voor ondernemers: de tenuitvoerlegging van het dwangbevel) naar verwachting niet zal worden voldaan binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf genoemd tijdstip.
|
||||
|
||||
#### 19.1.8. Vordering ten laste van de echtgenoot
|
||||
|
||||
Als de echtgenoot van de belastingschuldige recht heeft op gelden, penningen of een vordering heeft op een derde die in de huwelijksgemeenschap vallen, dan kan de ontvanger een vordering ten laste van de echtgenoot doen. Als de vordering ziet op een belastingschuld die niet tot de gemeenschap behoort, beperkt de ontvanger zijn vordering tot de helft van het voor beslag vatbare deel van de vordering op de derde. Deze beperking geldt niet als de echtgenoot instemt met verhaal op het geheel. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk. Voor zover het periodieke uitkeringen betreft die onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet vallen, past de ontvanger de beslagvrije voet toe alsof de echtgenoot de belastingschuldige is. Voor zover de vordering wordt gedaan op een vordering die de echtgenoot van de belastingschuldige heeft op een betaaldienstverlener, is het bepaalde in artikel 1cbis.2 van de regeling van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### 19.2. De faillissementsvordering
|
||||
|
||||
#### 19.2.1. Aan te melden schulden in faillissement
|
||||
|
||||
In een faillissement vallen de belastingschulden voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring dan wel materieel zijn ontstaan na de faillietverklaring, maar voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt. Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement die niet voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring, zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschulden worden aangemeld.
|
||||
In een faillissement vallen de belastingschulden – en ook de invorderingsrente en heffingsrente – voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt:
|
||||
|
||||
– Belastingschulden ontstaan tot aan de datum van het faillissement worden als faillissementsschulden aangemerkt.
|
||||
– Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschuld worden aangemeld.
|
||||
|
||||
De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid en doet twee aparte vorderingen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1229,6 +1145,8 @@ De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid en doet twee ap
|
|||
|
||||
Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet kan de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid.
|
||||
|
||||
Bij het bepalen of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Als die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de ontvanger de boete in het faillissement aanmelden. Als de dagtekening ligt na uitspraak van het faillissement, dan kan de ontvanger de boete niet meer in het faillissement aanmelden, ook al heeft de boete betrekking op een situatie vóór het faillissement.
|
||||
|
||||
#### 19.2.2. Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement
|
||||
|
||||
Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond van artikel 249 Fw worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement.
|
||||
|
|
@ -1249,35 +1167,33 @@ Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger zich met z
|
|||
|
||||
Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd.
|
||||
|
||||
Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via de vordering te betrekken.
|
||||
Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via de vordering te betrekken .
|
||||
|
||||
#### 19.3.2. Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen
|
||||
|
||||
Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering vervolgt door middel van een vordering onder de werkgever of door een andere vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen.
|
||||
Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering vervolgt door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een andere vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen.
|
||||
|
||||
De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post heeft bezorgd.
|
||||
|
||||
De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.
|
||||
|
||||
#### 19.3.3. Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen
|
||||
|
||||
Als een vordering wordt gedaan op periodieke uitkeringen waarvoor geen beslagvrije voet geldt en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d tot en met 475e Rv toe.
|
||||
Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv toe.
|
||||
|
||||
In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast verblijft.
|
||||
|
||||
#### 19.3.3a. Beslagvrije voet en vakantiegeld
|
||||
Voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar en een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar – indien zij een ander inkomen genieten dan een bijstandsuitkering – geldt een beslagvrije voet van 90% van het feitelijk inkomen (+ vakantieaanspraak) met een minimum van 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet werk en bijstand en een maximum van 90% van de bijstandsnorm nadat deze verhoogd is met het bedrag genoemd in artikel 25 van die wet.
|
||||
|
||||
20143803230-12-201416-12-2014BLKB2014/2162M20143803230-12-201416-12-2014BLKB2014/2162M01-01-2015
|
||||
#### 19.3.4. Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet
|
||||
|
||||
#### 19.3.4. Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
|
||||
De beslagvrije voet wordt bepaald aan de hand van de gegevens die bij de ontvanger bekend zijn. Als de ontvanger de beslagvrije voet niet tot een juist bedrag kan vaststellen zonder nadere informatie van de belastingschuldige, stelt hij – op basis van artikel 58 van de wet – de belastingschuldige in de gelegenheid die nadere informatie te verstrekken, bijvoorbeeld in de situatie dat de belastingschuldige een partner heeft en het inkomen van de partner bij de ontvanger niet bekend is.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger een vordering doet op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, ten laste van een belastingschuldige van wie geen woon- of verblijfadres bekend is, stelt hij de beslagvrije voet vast overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv. Zodra de ontvanger bekend wordt met het feit dat de belastingschuldige in Nederland woont of een vaste verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger alsnog de juiste beslagvrije voet vast en past deze toe vanaf de eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het ontbreken van het adresgegeven niet aan hem te wijten is.
|
||||
Als de belastingschuldige de gevraagde informatie niet verstrekt, wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 45% van de bijstandsnorm.
|
||||
|
||||
#### 19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet
|
||||
#### 19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv de beslagvrije voet vast bij het doen van een vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden. Na de vooraankondiging van de vordering kan de belastingschuldige door middel van het aanleveren van informatie de ontvanger op de hoogte stellen over zijn leefsituatie en bronnen van inkomsten. Als de belastingschuldige aantoont wat zijn leefsituatie en inkomen is, stelt de ontvanger op basis van de verstrekte informatie de beslagvrije voet vast. Als de belastingschuldige geen inzicht verschaft of onduidelijkheid blijft bestaan over zijn leefsituatie en inkomstenbronnen blijft de ontvanger uitgaan van de beslagvrije voet overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv.
|
||||
|
||||
Eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, komen in mindering op de beslagvrije voet. Indien de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Indien de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de ontvanger gestelde termijn aanlevert, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, kan hij uit Nederland een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.
|
||||
Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.
|
||||
|
||||
#### 19.3.6. Verrekening ex
|
||||
|
||||
|
|
@ -1285,7 +1201,7 @@ Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege de S
|
|||
|
||||
#### 19.3.7. Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm
|
||||
|
||||
Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandsnorm geacht wordt te betalen.
|
||||
Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandnorm geacht wordt te betalen.
|
||||
|
||||
In een dergelijk geval vermindert de ontvanger de beslagvrije voet met het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1297,26 +1213,6 @@ In dat geval moet worden nagegaan wat de periodieke inkomsten van de belastingsc
|
|||
|
||||
Als de gezamenlijke inkomsten uitkomen boven de beslagvrije voet, dan wordt onder de werkgever of uitkeringsinstantie van de belastingschuldige een vordering gedaan, waarbij wordt aangegeven welk bedrag maandelijks moet worden ingehouden, hierbij rekening houdend met de regeling van de beslagvrije voet.
|
||||
|
||||
#### 19.3.9. Toepassing beslagvrije voet bij AOW-gerechtigden
|
||||
|
||||
De ontvanger kan ten laste van in Nederland woonachtige belastingschuldigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, een vordering doen op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden. Hierbij houdt hij rekening met de hoogste beslagvrije voet die op grond van artikel 475da, eerste lid, Rv, geldt voor de leefsituatie van de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
### 19.4. Beslagvrije voet en overheidsvordering
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt de ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken. Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake is van een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet, berekent de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing. Voordat de ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige op het moment dat de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem geldende beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het meerdere.
|
||||
|
||||
### 19.5. Vrij te laten bedrag en betalingsvordering bij geen adres in Nederland
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft en geen vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft, stelt de ontvanger een vrij te laten bedrag vast, als bedoeld in artikel 1cbis.2, tweede lid, van de regeling. In het geval de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger geen vrij te laten bedrag vast.
|
||||
|
||||
De belastingschuldige, zijnde een natuurlijk persoon, bij wie de ontvanger een betalingsvordering doet, kan een verzoek indienen als bedoeld in artikel 1cbis.2 van de regeling. Indien de belastingschuldige in dit verzoek aantoont wat zijn leefsituatie is, stelt de ontvanger alsnog het (volledige) voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast en stelt dit beschikbaar aan de belastingschuldige nadat op de vordering is afgedragen, ten hoogste tot het verschil tussen het eerder vastgestelde vrij te laten bedrag en het na het verzoek vastgestelde vrij te laten bedrag.
|
||||
|
||||
### 19.6. Vordering en energietoeslag
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bij een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, een energietoeslag heeft ontvangen, een overheidsvordering doet of een betalingsvordering doet, geldt het volgende.
|
||||
|
||||
Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het daarop afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag.
|
||||
|
||||
## 20. Lijfsdwang
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 20 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
|
@ -1324,8 +1220,7 @@ In aansluiting op artikel 20 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
– de voorwaarden van lijfsdwang;
|
||||
– het dreigen met lijfsdwang;
|
||||
– toepassing van lijfsdwang;
|
||||
– lijfsdwang met vonnis ex artikel 585 Rv;
|
||||
– lijfsdwang in geval van civiele vordering.
|
||||
– lijfsdwang met vonnis ex artikel 585 Rv.
|
||||
|
||||
### 20.1. Voorwaarden lijfsdwang
|
||||
|
||||
|
|
@ -1350,14 +1245,10 @@ Onderhoudskosten worden in het geval van lijfsdwang de belastingschuldige niet i
|
|||
|
||||
### 20.4. Lijfsdwang met vonnis ex
|
||||
|
||||
Ook op grond van artikel 4:124 van de Algemene wet bestuursrecht is lijfsdwang mogelijk, namelijk wanneer een vonnis als bedoeld in artikel 585 Rv is verkregen ten laste van een belastingschuldige dan wel een derde.
|
||||
Ook op grond van artikel 3 van de wet is lijfsdwang mogelijk, namelijk wanneer een vonnis als bedoeld in artikel 585 Rv is verkregen ten laste van een belastingschuldige dan wel een derde.
|
||||
|
||||
Al hetgeen is vermeld in artikel 20 van deze leidraad is zoveel mogelijk hierop van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### 20.5. Lijfsdwang in geval van civiele vordering
|
||||
|
||||
De ontvanger heeft de bevoegdheid om een dwangbevel ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang. Naast deze bevoegdheid kan de ontvanger op grond van artikel 20 van de wet ook lijfsdwang toepassen met betrekking tot civiele vorderingen die strekken tot betaling van schadevergoeding aan de ontvanger in verband met een belastingschuld die niet is voldaan. Al hetgeen is vermeld in artikel 20 van deze leidraad is zoveel mogelijk hierop van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## 21. Voorrecht rijksbelastingen
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 21 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
|
@ -1432,11 +1323,11 @@ Het bodemrecht wordt niet toegepast voor de bestuurlijke boeten.
|
|||
|
||||
### 22.3. Overbetekening bodembeslag
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken mogelijk in eigendom toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde lid, Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de belastingdeurwaarder.
|
||||
Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde lid, Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de belastingdeurwaarder.
|
||||
|
||||
Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan de directeur.
|
||||
|
||||
De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip – maar vóór de geplande verkoopdatum – kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken mogelijk eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.
|
||||
De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip – maar vóór de geplande verkoopdatum – kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.
|
||||
|
||||
### 22.4. Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement
|
||||
|
||||
|
|
@ -1476,7 +1367,7 @@ In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke mededeling door naar
|
|||
|
||||
Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van roerende zaken schort de voortgang van de executie niet van rechtswege op.
|
||||
|
||||
Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de ontvanger het opschorten van de invordering de belangen van de Staat schaadt.
|
||||
Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de ontvanger de verzetprocedure alleen wordt gebruikt om de invordering te traineren.
|
||||
|
||||
#### 22.8.4. Beroepschrift ex
|
||||
|
||||
|
|
@ -1500,7 +1391,7 @@ Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt voordat hij
|
|||
|
||||
De directeur motiveert de beslissing ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift. De directeur zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. De ontvanger draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en – zo nodig – aan de bewaarder. Voor de betekening van de beslissing van de directeur worden geen kosten in rekening gebracht.
|
||||
|
||||
Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door de directeur rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van de directeur betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.
|
||||
Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door de directeur rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van de directeur verzonden en betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.
|
||||
|
||||
Als het gewenst is dat de zaken – in afwachting van de beslissing op het beroepschrift – spoedig worden verkocht, dan kan de ontvanger na overleg met de directeur erin toestemmen dat de verkoop door de derde gebeurt mits de opbrengst – die in de plaats van de zaken treedt – in afwachting van de beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1512,27 +1403,15 @@ Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich daarover binnen tien
|
|||
|
||||
#### 22.8.9. Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag
|
||||
|
||||
Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel 435, derde lid, Rv, dan zendt de ontvanger eerst het beroepschrift ter behandeling aan de directeur, voordat hij het verzet ex artikel 435, derde lid, Rv behandelt.
|
||||
Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel 435, derde lid, Rv, dan behandelt de ontvanger eerst het verzet ex artikel 435, derde lid, Rv, voordat hij het beroepschrift doorzendt aan de directeur.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger daarbij van oordeel is dat het beslag kan worden opgeheven, dan bevordert hij de intrekking van het beroepschrift ex artikel 22 van de wet. Bij een verzetprocedure beslist de directeur op het beroepschrift, in die zin dat hij zich zal houden aan de uitspraak gewezen in de verzetprocedure.
|
||||
|
||||
#### 22.8.10. Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex
|
||||
|
||||
20196619720-12-201910-12-20192019-2421120196619720-12-201910-12-20192019-2421101-01-2020
|
||||
Bij de beslissing van de directeur op een beroepschrift dat is ingediend tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor belastingaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt het eigendomsrecht van een derde ontzien in die gevallen waarin sprake is van reële eigendom van de derde.
|
||||
|
||||
#### 22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst
|
||||
|
||||
20196619720-12-201910-12-20192019-2421120196619720-12-201910-12-20192019-2421101-01-2020
|
||||
|
||||
#### 22.8.12. Executie en bodemrecht
|
||||
|
||||
20196619720-12-201910-12-20192019-2421120196619720-12-201910-12-20192019-2421101-01-2020
|
||||
|
||||
### 22.9. Terughoudend beleid bij reëel eigendom derde
|
||||
|
||||
#### 22.9.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Bij de beslissing van de directeur op een beroepschrift dat is ingediend tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor belastingaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt het eigendomsrecht van een derde ontzien in die gevallen waarin sprake is van reëel eigendom van de derde. De executie met toepassing van het bodemrecht van zaken, waarvan de ontvanger weet dat deze niet aan de belastingschuldige toebehoren, maar ten aanzien waarvan geen beroepschrift is ingediend of verzet is gedaan, heeft slechts plaats als zij past in het beleid, dat is verwoord in dit artikel.
|
||||
|
||||
Onder reëel eigendom van de derde wordt verstaan de situatie waarin de zaken zowel juridisch eigendom zijn van de derde, als in economisch opzicht in overwegende mate aan hem toebehoren.
|
||||
Onder reële eigendom van de derde wordt verstaan de situatie waarin de zaken zowel juridisch eigendom zijn van de derde, als in economisch opzicht in overwegende mate aan hem toebehoren.
|
||||
|
||||
Dit terughoudend beleid geldt dus niet als de economische verhouding tussen de belastingschuldige en de zaken aanleiding geeft deze als zijn zaken aan te merken. Verhaal op zaken van een derde is dan gerechtvaardigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1541,202 +1420,63 @@ Als voorbeelden hiervan kunnen gelden:
|
|||
– de gevallen waarin zaken zijn geleverd in huurkoop of onder eigendomsvoorbehoud;
|
||||
– situaties waarin door middel van leasing of andere vormen van huur of bruikleen het economisch risico van waardevermindering van de zaken in overwegende mate bij de belastingschuldige ligt.
|
||||
|
||||
Daarnaast zijn er zes situaties waarin geen sprake is van een terughoudend beleid, hoewel sprake kan zijn van reëel eigendom op grond van deze leidraad. Het betreft:
|
||||
In dit verband wordt verwezen naar het besluit van 15 november 1999, nummer AFZ 99/3262M, Stcrt. 225, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 juni 2001, RTB 2001/2423, Stcrt. 122.
|
||||
|
||||
– Zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld aan de belastingschuldige, terwijl daarnaast tussen de derde en de belastingschuldige een overeenkomst is gesloten waarin een afnameverplichting of afnamebeding ten behoeve van de derde is opgenomen. Met een overeenkomst tussen de derde en de belastingschuldige als bedoeld in de vorige volzin wordt gelijkgesteld een overeenkomst die door de derde met een andere partij is afgesloten en die door belastingschuldige van de derde wordt overgenomen.
|
||||
– Zaken die toebehoren aan de echtgenoot die met de belastingschuldige een gezamenlijke huishouding voert. Dit geldt uitsluitend voor zaken die in beslag genomen zijn in verband met belastingschuld die materieel is ontstaan in de periode waarin een gezamenlijke huishouding werd gevoerd.
|
||||
– Zaken waarbij in het kader van samenspanning tussen de belastingschuldige en de derde de juridische eigendomssituatie is gefingeerd om verhaal te bemoeilijken.
|
||||
– Zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld, terwijl zodanige afspraken zijn gemaakt tussen de belastingschuldige en de derde dat de belastingschuldige – hoewel hij formeel zelfstandig ondernemer is en hij daardoor risico’s draagt – in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist. Dit komt omdat hij dit – in een van de situatie afhankelijke mate – feitelijk moet overlaten aan die derde, zonder wie de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt, niet denkbaar is.
|
||||
– Zaken die zijn vervreemd in het kader van de uitoefening van een pandrecht of een ander tot zekerheid strekkend recht (mede) met het oogmerk deze zaken aan verhaal door de ontvanger te onttrekken.
|
||||
– Zaken waarvan de lessor fiscaal als eigenaar wordt aangemerkt terwijl de fiscale eigendom van die zaken op een eerder tijdstip krachtens een toen bestaande leaseovereenkomst – waaronder mede begrepen aankoopfinancieringscontracten op basis van verpanding van de verworven zaak – bij de huidige lessee heeft berust.
|
||||
In dat besluit – de zogenoemde leaseregeling – is aangegeven onder welke voorwaarden de lessor fiscaal als eigenaar van het lease-object wordt aangemerkt en er dus sprake is van reële eigendom.
|
||||
|
||||
#### 22.9.2. Lease
|
||||
Deze voorwaarden zijn:
|
||||
|
||||
In dit verband wordt verwezen naar het besluit van 15 november 1999, nummer AFZ 99/3262M, Stcrt. 225, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 10 december 2019, nummer 2019-166072.
|
||||
a. de lessor gedraagt zich als eigenaar van het lease-object;
|
||||
b. de lessor heeft de juridische eigendom van het lease-object;
|
||||
c. de lessor loopt (positief/negatief) restwaarderisico ten aanzien van het lease-object.
|
||||
|
||||
In dat besluit – de zogenoemde leaseregeling – is aangegeven onder welke voorwaarden de lessor fiscaal als eigenaar van het leaseobject wordt aangemerkt en er dus sprake is van reëel eigendom.
|
||||
Van dit laatste wordt geacht sprake te zijn:
|
||||
|
||||
##### 22.9.2.1. Leaseregeling
|
||||
– bij contracten met een koopoptie en/of verlengingsoptie voor de lessee als:
|
||||
|
||||
De lessor zal uitsluitend voor de toepassing van het bodemrecht ex artikel 22, derde lid, van de wet, alsmede voor de toepassing van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet IB 2001 en de investeringsfaciliteiten in ieder geval als eigenaar van een door hem op basis van leasing ter beschikking gesteld leaseobject worden aangemerkt indien hij:
|
||||
1. de optieprijs reëel is, dat wil zeggen is vastgesteld op basis van de op het moment van het aangaan van het leasecontract redelijkerwijs te schatten waarde van het lease-object aan het einde van de vaste leaseperiode;
|
||||
2. het bedrag van de koopoptie dan wel de contante waarde van de verlengingsoptiebijdragen niet lager is dan 7,5% van de fiscale kostprijs;
|
||||
3. het lease-object na de vaste leaseperiode niet voor een lager bedrag (dan uit de punten 1 en 2 voortvloeit) ter beschikking wordt gesteld, dan wel wordt vervreemd aan de lessee.
|
||||
– bij contracten zonder koop- en/of verlengingsoptie voor de lessee, als op het moment dat het contract wordt afgesloten de reële verwachting bestaat dat het lease-object na afloop van de vaste leaseperiode nog een substantiële waarde heeft (minimaal 7,5% van de fiscale kostprijs). Als een object na afloop van de vaste leaseperiode tegen een lagere vergoeding dan correspondeert met de hiervoor genoemde waarde aan de lessee ter beschikking wordt gesteld dan wel vervreemd, wordt aangenomen dat hieraan niet is voldaan.
|
||||
|
||||
a. zich als zodanig gedraagt,
|
||||
b. de juridische eigendom van het leaseobject heeft, én
|
||||
c. het positieve en/of negatieve restwaarderisico ten aanzien van het leaseobject loopt (zie hierna).
|
||||
Bij de voormelde contracten bepaalt het besluit vervolgens als belangrijkste voorwaarden dat:
|
||||
|
||||
Het gedragen als eigenaar blijkt onder andere uit het feit dat de lessor, op grond van Nederlandse fiscale maatstaven, met uitsluiting van anderen, het leaseobject activeert op de fiscale balans, dan wel daarover heeft afgeschreven.
|
||||
|
||||
*Het positieve en/of negatieve restwaarderisico*
|
||||
|
||||
De lessor wordt geacht ten aanzien van het leaseobject het positieve en/of negatieve restwaarderisico te lopen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
||||
|
||||
A. Voor overeenkomsten met een koopoptie of verlengingsoptie voor de lessee, als:
|
||||
|
||||
1. de optieprijs reëel is, dat wil zeggen is vastgesteld op basis van de op het moment van het aangaan van de leaseovereenkomst redelijkerwijs te schatten waarde van het leaseobject aan het einde van de vaste leaseperiode;
|
||||
2. het bedrag van de koopoptie, dan wel de contante waarde van de verlengingsoptiebedragen, niet lager is dan 7,5% van de fiscale kostprijs; en
|
||||
3. het leaseobject na de vaste leaseperiode niet voor een lager bedrag dan uit de punten 1 en 2 voortvloeit ter beschikking wordt gesteld, onderscheidenlijk wordt vervreemd, aan de lessee.
|
||||
B. Voor overeenkomsten zonder koopoptie of verlengingsoptie voor de lessee, als:
|
||||
|
||||
– op het moment dat het contract wordt afgesloten, de reële verwachting bestaat dat het leaseobject na afloop van de vaste leaseperiode nog een substantiële waarde heeft.
|
||||
|
||||
Als een object na afloop van de vaste leaseperiode tegen een lagere vergoeding dan overeenstemt met de hiervoor genoemde substantiële waarde aan de lessee ter beschikking wordt gesteld onderscheidenlijk vervreemd, wordt aangenomen dat hieraan niet is voldaan. In dit verband wordt onder substantiële waarde verstaan een waarde van minimaal 7,5% van de fiscale kostprijs.
|
||||
C. Voorts geldt voor de in de onderdelen A en B genoemde overeenkomsten dat:
|
||||
|
||||
1. de vaste leaseperiode niet langer is dan 85% van de geschatte economische levensduur van het leaseobject;
|
||||
1. de vaste leaseperiode niet langer is dan 85% van de geschatte economische levensduur van het lease-object;
|
||||
2. geen afdekking heeft plaatsgevonden van het restwaarderisico bij de lessee of bij een aan de lessee gelieerde partij;
|
||||
3. geen afdekking heeft plaatsgevonden van het restwaarderisico bij een ander dan de lessee of bij een ander dan een aan de lessee gelieerde partij voor een bedrag van minimaal 7,5% van de fiscale kostprijs (zie hierna de toelichting op deze voorwaarde);
|
||||
4. de lessee niet via andere overeenkomsten beschikt over nagenoeg het volledige economische belang bij het leaseobject;
|
||||
5. elementen, die aantoonbaar vreemd zijn aan de voor de verrichte investeringen gangbare grondslag voor de berekening van de investeringsbijdragen, daarbij buiten beschouwing zijn gelaten. De in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor onderhoud zijn bijvoorbeeld zo’n vreemd element;
|
||||
6. de lessor in geval van sale and lease- back de aanspraak op fiscale investeringsfaciliteiten niet zal baseren op een hoger bedrag dan de fiscale kostprijs van het bedrijfsmiddel die gegolden zou hebben voor de lessee zelf;
|
||||
7. als op basis van een overeenkomst recht bestaat op Nederlandse fiscale investeringsfaciliteiten, in de betrokken overeenkomst wordt vermeld welke partij fiscaal eigenaar is. Als zou blijken dat zowel de lessee als de lessor ter zake van hetzelfde object een beroep op investeringsfaciliteiten hebben gedaan, moet de lessor van zijn aanspraak op de betrokken investeringsfaciliteiten afzien.
|
||||
3. geen afdekking heeft plaatsgevonden van het restwaarderisico bij een ander dan de lessee of bij een ander dan een aan de lessee gelieerde partij voor een bedrag van minimaal 7,5% van de fiscale kostprijs;
|
||||
4. de lessee in feite toch niet beschikt – via andere overeenkomsten – over nagenoeg het volledige economisch belang bij het lease-object.
|
||||
|
||||
*Toelichting bij voorwaarde C.3*
|
||||
Als contracten een langere looptijd dan hebben dan vijf jaar wordt het vereiste minimum restwaarderisico per jaar met 0,5% van de fiscale kostprijs verhoogd, voor zover de periode van vijf jaren wordt overschreden. Verder geeft het besluit nog een bijzondere regeling voor specifieke lease-objecten.
|
||||
|
||||
Het afdekkingsverbod van minimaal het vereiste restwaarderisico van 7,5% van de fiscale kostprijs houdt het volgende in. Om fiscaal als eigenaar aangemerkt te worden moet de lessor risico lopen ten aanzien van de restwaardeontwikkeling van het leaseobject. Een negatief restwaarderisico kan op twee manieren worden beperkt. (1) De lessor dekt de eventueel te lopen schade af door de leasetermijnen te verhogen. In dat geval loopt hij het restwaarderisico nog steeds, maar wordt hij er alleen voor gecompenseerd, zelfs in de situatie waarin de waardedaling zich niet voordoet. (2) De lessor dekt het restwaarderisico af door middel van putopties. Hij zal de putoptie benutten als het object sterker in waarde daalt dan verwacht. Het object gaat dan over op degene die de putoptie verstrekt heeft. De laatste partij voelt dan ook de waardedaling, de lessor niet, want hij heeft het object niet meer.
|
||||
Contracten zonder koop- of verlengingsoptie voor de lessee worden gelijkgesteld aan de contracten waarin de lessee een dergelijke optie bezit tegen de ‘alsdan geldende marktwaarde’.
|
||||
|
||||
Hoewel er economisch nauwelijks verschil tussen beide situaties bestaat, is dat verschil er formeel wel: in situatie 1 loopt de lessor een negatief restwaarderisico dat hij vervolgens compenseert door een hoger leasetarief. In situatie 2 loopt de lessor geen negatief restwaarderisico. Situatie 2 staat aan een operationele lease in de weg.
|
||||
Daarnaast zijn er vijf situaties waarin in de regel geen sprake is van een terughoudend beleid, hoewel sprake kan zijn van reële eigendom van de derde in bovenbedoelde zin. Het betreft:
|
||||
|
||||
Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat het gebruik van opties ter indekking van het restwaarderisico voor zover dat 7,5% van de kostprijs te boven gaat, wel tot de mogelijkheden behoort. Bijvoorbeeld: Is de verwachte restwaarde 20% van de kostprijs, dan kan, wanneer een calloptie is verstrekt met een uitoefenprijs van 17,5% van de kostprijs, het negatieve restwaarderisico worden ingedekt door een putoptie te nemen met een uitoefenprijs van 10% van de kostprijs.
|
||||
– Zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld aan de belastingschuldige, terwijl daarnaast tussen de derde en de belastingschuldige een overeenkomst is gesloten waarin een afnameverplichting of afnamebeding ten behoeve van de derde is opgenomen.
|
||||
– Zaken die toebehoren aan de in gezinsverband levende echtgenoot van de belastingschuldige. Dit geldt uitsluitend voor die zaken die in beslag zijn genomen voor de invordering van belastingschulden die materieel tijdens het huwelijk zijn ontstaan.
|
||||
|
||||
D. Bij overeenkomsten met een vaste leaseperiode langer dan vijf jaar wordt het vereiste minimum van het restwaarderisico, zoals dat hierboven is aangegeven onder de onderdelen A.2 en B en C.3, per jaar met 0,5% van de fiscale kostprijs verhoogd, voor zover de periode van vijf jaar wordt overschreden.
|
||||
E. In afwijking van het voorgaande wordt de lessor niet als fiscaal eigenaar van het leaseobject aangemerkt als de leaseovereenkomsten specifieke leaseobjecten betreffen. Als specifieke objecten in voormelde zin worden beschouwd:
|
||||
|
||||
– de objecten waarvan de waarde in het economische verkeer na afloop van de vaste leaseperiode alleen voor de lessee of met de lessee gelieerde partijen nog substantieel is; of
|
||||
– de objecten die naar hun aard of door de wijze waarop de objecten aan het bedrijf van de lessee zijn verbonden aan het einde van de vaste leaseperiode door geen ander dan de lessee gebruikt kunnen worden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het object voor het gebruik door een ander verplaatst zou moeten worden wat niet mogelijk is of vanuit bedrijfseconomisch perspectief onwenselijk is. Dit betekent overigens niet dat een niet verplaatsbaar object altijd een specifiek object is.
|
||||
|
||||
##### 22.9.2.2. Geen terughoudend beleid
|
||||
|
||||
Daarnaast zijn er zes situaties waarin geen sprake is van een terughoudend beleid, hoewel sprake kan zijn van reëel eigendom op grond van artikel 22.9.2.1. Het betreft:
|
||||
|
||||
– Zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld aan de belastingschuldige, terwijl daarnaast tussen de derde en de belastingschuldige een overeenkomst is gesloten waarin een afnameverplichting of afnamebeding ten behoeve van de derde is opgenomen. Met een overeenkomst tussen de derde en de belastingschuldige als bedoeld in de vorige volzin wordt gelijkgesteld een overeenkomst die door de derde met een andere partij is afgesloten en die door belastingschuldige van de derde wordt overgenomen.
|
||||
– Zaken die toebehoren aan de echtgenoot die met de belastingschuldige een gezamenlijke huishouding voert. Dit geldt uitsluitend voor zaken die in beslag genomen zijn in verband met belastingschuld die materieel is ontstaan in de periode waarin een gezamenlijke huishouding werd gevoerd.
|
||||
Ook voor andere samenlevingsverbanden moet het terughoudende standpunt niet worden toegepast. Naarmate een zodanig samenlevingsverband – gelet op de continuïteit van de samenleving en de wijze van presentatie naar buiten – overeenkomsten vertoont met het gezinsverband van echtgenoten, tendeert het beleid voor samenlevingsvormen naar dat voor echtgenoten.
|
||||
– Zaken waarbij in het kader van samenspanning tussen de belastingschuldige en de derde de juridische eigendomssituatie is gefingeerd om verhaal te bemoeilijken.
|
||||
– Zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld, terwijl zodanige afspraken zijn gemaakt tussen de belastingschuldige en de derde dat de belastingschuldige – hoewel hij formeel zelfstandig ondernemer is en hij daardoor risico’s draagt – in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist. Dit komt omdat hij dit – in een van de situatie afhankelijke mate – feitelijk moet overlaten aan die derde, zonder wie de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt, niet denkbaar is.
|
||||
– Zaken die zijn vervreemd in het kader van de uitoefening van een pandrecht of een ander tot zekerheid strekkend recht (mede) met het oogmerk deze zaken aan verhaal door de ontvanger te onttrekken.
|
||||
– Zaken waarvan de lessor fiscaal als eigenaar wordt aangemerkt terwijl de fiscale eigendom van die zaken op een eerder tijdstip krachtens een toen bestaande leaseovereenkomst – waaronder mede begrepen aankoopfinancieringscontracten op basis van verpanding van de verworven zaak – bij de huidige lessee heeft berust.
|
||||
|
||||
##### 22.9.2.3. Beëindiging operationele leaseovereenkomst
|
||||
#### 22.8.11. Beëindiging operationele lease-overeenkomst
|
||||
|
||||
Bij beëindiging van een leaseovereenkomst door het verstrijken van de overeengekomen leaseperiode of door opzegging geldt in het algemeen als uitgangspunt dat een aanvankelijke kwalificatie als reëel eigendom ook na opzegging blijft gelden. Uitzondering hierop is als de lessor het object na beëindiging van de leaseovereenkomst – regulier dan wel voortijdig – zonder rechtsgeldige titel bij de lessee in gebruik laat.
|
||||
Bij beëindiging van een lease-overeenkomst door het verstrijken van de overeengekomen leaseperiode of door opzegging geldt in het algemeen als uitgangspunt dat een aanvankelijke kwalificatie ook na opzegging blijft gelden. Uitzondering hierop is als de lessor het object na beëindiging van de lease-overeenkomst – regulier dan wel voortijdig – zonder rechtsgeldige titel bij de lessee in gebruik laat.
|
||||
|
||||
De lessor moet bij beëindiging van de lease het gebruiksrecht aan de lessee ontzeggen; zowel formeel als de facto. Als ten tijde van de beslaglegging blijkt dat het object ondanks de opzegging van de leaseovereenkomst nog in gebruik is bij de lessee, zal de lessor aan moeten tonen dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid al het mogelijke heeft gedaan en nog steeds doet, om het voortgezette gebruik door de lessee te beëindigen.
|
||||
De lessor moet bij beëindiging van de lease het gebruiksrecht aan de lessee ontzeggen; zowel formeel als de facto. Als ten tijde van de beslaglegging blijkt dat het object ondanks de opzegging van de lease-overeenkomst nog in gebruik is bij de lessee, zal de lessor aan moeten tonen dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid al het mogelijke heeft gedaan en nog steeds doet, om het voortgezette gebruik door de lessee te beëindigen.
|
||||
|
||||
Onder ‘al het mogelijke’ wordt met name meer verstaan dan een formeel verbod op het gebruik: er moet sprake zijn van controle daarop en zo mogelijk het fysiek onmogelijk maken van voortgezet gebruik. Deze voorwaarde is niet van toepassing als de periode tussen opzegging en beslaglegging dusdanig kort is dat van de lessor redelijkerwijs niet kan worden gevergd al de nodige actie te hebben ondernomen.
|
||||
|
||||
## 22bis. Mededeling
|
||||
#### 22.8.12. Executie en bodemrecht
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 22bis van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
De executie met toepassing van het bodemrecht van zaken, waarvan de ontvanger weet dat deze niet aan de belastingschuldige toebehoren, maar ten aanzien waarvan geen beroepschrift is ingediend of verzet is gedaan, heeft slechts plaats als zij past in het beleid, dat is verwoord in artikel 22.8.10 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
– uitzondering verplichte mededeling ex artikel 22bis, tweede of derde lid van de wet;
|
||||
– de onverkorte mededelingsverplichting;
|
||||
– de normale uitoefening van het bedrijf of beroep;
|
||||
– de reactietermijn van de ontvanger na een mededeling;
|
||||
– het overleg naar aanleiding van een mededeling ex artikel 22bis, tweede of derde lid van de wet;
|
||||
– het overgangsrecht.
|
||||
In twijfelgevallen wordt de zaak vooraf aan het oordeel van de directeur onderworpen.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.1
|
||||
## 22a. en
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De verplichting tot mededeling, bedoeld in artikel 22bis, tweede of derde lid van de wet, geldt behoudens de in de wet genoemde gevallen bovendien niet indien de derde of belastingschuldige geen ander voornemen in de zin van artikel 22bis, tweede of derde lid van de wet heeft dan het afvoeren van een bodemzaak van de bodem van de belastingschuldige en:
|
||||
|
||||
A. de bodemzaak in reële eigendom toebehoort aan de derde en om die reden op grond van artikel 22.9.1 van deze leidraad van de toepassing van het bodemrecht is ontheven. Waar op grond van artikel 22.9.1, laatste alinea, van deze leidraad, het bodemrecht niettemin kan worden toegepast, geldt de mededelingsverplichting onverkort. De vorige volzin is niet van toepassing als de fiscale eigendom binnen drie maanden na de initiële machtsverschaffing aan de belastingschuldige is overgegaan naar de lessor. Of;
|
||||
B. 1°. ter zake van de verwerving van die bodemzaak volledige of nagenoeg volledige financiering door de derde is overeengekomen (aankoopfinanciering) waarbij ten behoeve van die derde een pandrecht als bedoeld in artikel 3:237, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek op de betreffende bodemzaak is gevestigd, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. de verpanding een individuele bodemzaak betreft;
|
||||
b. de initiële vordering ter zake waarvan het pandrecht geldt, de aankoopsom of nagenoeg de aankoopsom van de individuele bodemzaak betreft;
|
||||
c. ter zake van de afbetaling van bedoelde vordering ten tijde van de verpanding een vast aantal termijnen is overeengekomen waarvan het beloop overeenkomt of nagenoeg overeenkomt met de economische levensduur van de bodemzaak; en
|
||||
d. het pandrecht van de derde-aankoopfinancier ten tijde van de vestiging ervan aantoonbaar een eerste pandrecht betreft dat ook tegen andere zekerheidshouders kan worden geldend gemaakt.
|
||||
|
||||
Of;
|
||||
2°. ter zake van de verwerving van die bodemzaak een financieringsvorm(aankoopfinanciering) is overeengekomen waardoor de juridische eigendom van die zaak ten tijde van het in het genoemde lid bedoelde handelen verblijft bij of is voorbehouden aan de derde. De onder 1° genoemde cumulatieve voorwaarden a tot en met c zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Voor ‘de individuele bodemzaak’, ‘een individuele bodemzaak’, ‘die zaak’, ‘de bodemzaak’ of ‘die bodemzaak’ zoals genoemd in het eerste lid, onderdeel B, kan gelezen worden ‘het samenstel van bodemzaken die samen één zaak vormen’.
|
||||
|
||||
**3.** Voor ‘individuele bodemzaak’, ‘zaak’ of ‘bodemzaak’ zoals genoemd in het eerste lid, onderdeel B, kan gelezen worden ‘verschillende bodemzaken die gezamenlijk en gelijktijdig verworven en geleverd of verpand worden’.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.2
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 22bis.1., eerste lid, geldt de mededelingsplicht voor de onder onderdeel B genoemde gevallen onverkort indien:
|
||||
|
||||
a. ter zake van de financiering enige betalingsachterstand is ontstaan die ten tijde van het in artikel 22bis, tweede lid, van de wet bedoelde handelen meer dan vier maanden heeft voortgeduurd;
|
||||
b. de derde mede zekerheids- of eigendomsrechten op bodemzaken van de belastingschuldige heeft verworven welke niet uitsluitend strekken ter verzekering van vorderingen die voortvloeien uit de financiering van de verwerving (aankoopfinanciering) van de betreffende zaken;
|
||||
c. de aankoopfinanciering tot stand is gekomen na verloop van drie maanden na de initiële machtsverschaffing van de individuele bodemzaak aan de belastingschuldige; of
|
||||
d. ter zake van de bodemzaak een wederzijdse zekerheden-regeling is overeengekomen waarbij een derde-financier betrokken is.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.2.1
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige niet heeft voldaan aan de verplichting tot mededeling, bedoeld in artikel 22bis, derde lid, van de wet, is de pandhouder of overige derde gehouden tot betaling van het bedrag zoals bepaald in artikel 22bis, twaalfde lid, van de wet. Deze betalingsverplichting geldt niet voor zover de pandhouder of overige derde aannemelijk maakt dat de waarde van de bodemzaken hem direct, noch indirect ten goede is gekomen.
|
||||
|
||||
De pandhouder of overige derde kan dit onder meer aannemelijk maken aan de hand van zijn eigen administratie.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.3
|
||||
|
||||
Onder handelingen die worden verricht in de normale uitoefening van het bedrijf of beroep van de belastingschuldige worden verstaan vervangingsinvesteringen of andere handelingen die nadrukkelijk in het teken staan van de continuïteit van het bedrijf of beroep van de belastingschuldige zoals dat bedrijf ten tijde van die handeling wordt gevoerd respectievelijk het beroep wordt uitgeoefend. Handelingen die plaatsvinden met het oogmerk zekerheid uit te winnen of te versterken, vinden niet plaats in de normale uitoefening van het bedrijf of het beroep.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.4
|
||||
|
||||
In het geval de ontvanger na ontvangst van een mededeling besluit geen beslag te leggen, stelt hij de derde of de belastingschuldige daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de behandelingstermijn van de mededeling houdt de ontvanger zoveel als mogelijk rekening met de hem ter kennis gebrachte gerechtvaardigde belangen van de belastingschuldige en van derden.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.5
|
||||
|
||||
De derde of de belastingschuldige die voornemens is zijn rechten uit te oefenen, dan wel een andere handeling te verrichten of te laten verrichten in de zin van artikel 22bis, tweede of derde lid, van de wet, kan in overleg treden met de ontvanger teneinde overeenstemming te bereiken over de afhandeling van de mededeling. Hierbij zijn de uitgangspunten als beschreven in de artikelen 22bis.5.1. tot en met 22bis.5.3. van deze leidraad van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.5.1
|
||||
|
||||
Op verzoek van de derde of de belastingschuldige die de mededeling heeft gedaan, kan de ontvanger afzien van het leggen van beslag c.q. de vervolging van een naar aanleiding van de mededeling gelegd beslag op de betreffende bodemzaken, tegen betaling van een geldsom. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. de geldsom is niet direct of indirect afkomstig uit het vermogen van de belastingschuldige maar wordt gefinancierd door een derde;
|
||||
b. het beloop van de aangeboden geldsom is ten minste gelijk aan de executiewaarde van de betreffende bodemzaken; en
|
||||
c. de ontvanger behoudt zich het recht voor het restant van de belastingschuld in te vorderen met alle middelen rechtens.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.5.2
|
||||
|
||||
Op verzoek van de belastingschuldige of de derde die de mededeling heeft gedaan, kan de ontvanger afzien van het leggen van beslag c.q. de vervolging van een naar aanleiding van de mededeling gelegd beslag op de betreffende bodemzaken indien dit noodzakelijk is voor de instandhouding van de onderneming of van een deel van de onderneming. Wanneer de bedoelde instandhouding niet kan slagen zonder schuldsanering, is daarbij het bepaalde in de artikelen 26.3 of 73.6 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Waar op grond van deze artikelen zekerheidstelling wordt vereist, omvat die zekerheid tenminste de betreffende bodemzaken.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.5.3
|
||||
|
||||
Op verzoek van de belastingschuldige of de derde die de mededeling heeft gedaan, kan de ontvanger afzien van het leggen van beslag c.q. de vervolging van een naar aanleiding van de mededeling gelegd beslag op de betreffende bodemzaken indien dit noodzakelijk is voor de instandhouding van de onderneming of van een deel van de onderneming. Wanneer de bedoelde instandhouding niet kan slagen zonder dat voor een bepaalde periode uitstel van betaling wordt verleend, is daarbij het bepaalde in de artikelen 25.6.1. tot en met 25.6.2B. van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. In elk geval is voor het uitstel zekerheidstelling vereist, welke zekerheid tenminste de betreffende bodemzaken omvat.
|
||||
|
||||
### Artikel 22bis.6
|
||||
|
||||
Met betrekking tot de financieringsovereenkomsten die zijn gesloten voor 1 juli 2014 is artikel 22bis.2, onderdeel b en d, van deze leidraad niet van toepassing als de derde schriftelijk afstand heeft gedaan van zijn eigendoms- of zekerheidsrechten vóór het in het in artikel 22bis, tweede lid, van de wet bedoelde mededelingsplichtige voornemen.
|
||||
|
||||
## 22a. Bijzonder verhaalsrecht in relatie tot autoverhuurbedrijven en leasemaatschappijen
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 22a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het bijzondere verhaalsrecht in relatie tot autoverhuurbedrijven en leasemaatschappijen.
|
||||
|
||||
### 22a.1. Autoverhuurbedrijven en leasemaatschappijen
|
||||
|
||||
Motorrijtuigen die toebehoren aan autoverhuurbedrijven of leasemaatschappijen zullen in beginsel geen voorwerp zijn van het bijzondere verhaalsrecht van artikel 22a van de wet. Dit is slechts anders als sprake is van misbruik of als de belasting die betrekking heeft op het betreffende motorrijtuig niet is betaald. In het laatste geval blijft de toepassing van het verhaalsrecht beperkt tot die belasting.
|
||||
|
||||
## 23
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 23 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 23a. Bijzonder verhaalsrecht op goederen van het afgezonderd particulier vermogen en op goederen van een derde waarin het afgezonderd particulier vermogen een belang heeft van 5 percent of meer
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 23a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– de situaties waarin het verhaalsrecht gebezigd kan worden;
|
||||
– de volgorde van uitwinning van goederen van de diverse partijen (belastingschuldige, afgezonderd particulier vermogen en de derde).
|
||||
|
||||
### 23a.1. Wanneer kan het bijzonder verhaalsrecht worden ingeroepen
|
||||
|
||||
Het bijzonder verhaalsrecht kan slechts worden ingeroepen in situaties waarin sprake is van belastingaanslagen, voor zover zij aan de belastingschuldige zijn opgelegd als gevolg van een toerekening van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor de invordering van andere belastingschulden dan de in de vorige volzin genoemde, kan het verhaalsrecht niet worden ingeroepen. Voordat het verhaalsrecht wordt toegepast dient vast te staan dat de belastingschuldige in gebreke is met het nakomen van zijn betalingsverplichtingen en zelf onvoldoende verhaal biedt. Indien belastingschuldige over verhaalsactiva beschikt waarover een rechtsgeding aanhangig is of die zich in het buitenland bevinden dan wel anderszins niet eenvoudig zijn uit te winnen, worden die activa niet meegenomen bij de beoordeling of belastingschuldige voldoende verhaal biedt.
|
||||
|
||||
### 23a.2. Volgorde van uitwinning van daarvoor in aanmerking komende goederen.
|
||||
|
||||
Artikel 23a bepaalt dat in gevallen waarin de belastingschuldige in gebreke is met het voldoen van belastingaanslagen die aan hem zijn opgelegd als gevolg van een toerekening van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001, die belastingaanslagen door de ontvanger kunnen worden ingevorderd met gebruikmaking van het in artikel 23a beschreven bijzonder verhaalsrecht. Dit houdt in dat door de ontvanger niet alleen invorderingsmaatregelen kunnen worden getroffen ten laste belastingschuldige maar ook – met gebruikmaking van het bijzonder verhaalsrecht – door het nemen van verhaal op de goederen van
|
||||
|
||||
1) het afgezonderd particulier vermogen;
|
||||
2) een derde waarin het afgezonderd particulier vermogen een belang heeft van 5 percent of meer.
|
||||
|
||||
Indien aan de belastingschuldige belastingaanslagen zijn opgelegd als gevolg van een toerekening van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001, dient de ontvanger – met inachtneming van het in de laatste volzin van 23.2. bepaalde – vooreerst invordering ten laste van belastingschuldige zelf te beproeven.
|
||||
|
||||
Pas daarna beproeft de ontvanger invordering met toepassing van het bijzonder verhaalsrecht zoals beschreven in artikel 23a, onderdeel a, van de wet, op goederen van het afgezonderd particulier vermogen. Pas nadat gebleken is dat invordering op goederen van het afgezonderd particulier vermogen faalt dan wel niet toereikend is om de volledige fiscale verplichtingen aan te zuiveren kan de ontvanger overgaan tot aanwending van het bijzonder verhaalsrecht zoals beschreven in artikel 23a, onderdeel b, van de wet. Verhaal op goederen van de derde als bedoeld in artikel 23a, onderdeel b, kan slechts worden uitgeoefend ten belope van het belang dat het afgezonderd particulier vermogen heeft in die derde.
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 22a en 23 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 24. Verrekening
|
||||
|
||||
|
|
@ -1757,10 +1497,6 @@ Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde belastingteruggaaf
|
|||
|
||||
Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad).
|
||||
|
||||
#### 24.1.1. Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet
|
||||
|
||||
De ontvanger is bevoegd een van de belastingschuldige te innen bedrag te verrekenen met een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarbij houdt hij rekening met de voor de belastingschuldige geldende beslagvrije voet. Als de belastingschuldige na een verrekening aannemelijk maakt dat voor hem een andere beslagvrije voet geldt, past de ontvanger de beslagvrije voet aan en houdt hij rekening met de aangepaste beslagvrije voet vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen.
|
||||
|
||||
### 24.2. Betwiste schuld en verrekening
|
||||
|
||||
In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2 van deze leidraad.
|
||||
|
|
@ -1775,25 +1511,21 @@ Bij een voorlopige belastingaanslag in de inkomstenbelasting en de vennootschaps
|
|||
|
||||
Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet. Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van de voorlopige aanslag vanaf het moment dat zich één van de genoemde situaties voordoet.
|
||||
|
||||
Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering aan de ontvanger is opgedragen.
|
||||
|
||||
### 24.3a. Verrekening teruggaaf
|
||||
|
||||
Een belastingteruggaaf op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan worden verrekend met belastingschuld van de belastingschuldige die materieel is ontstaan voor de datum van zijn faillissement.
|
||||
Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering feitelijk aan de ontvanger is opgedragen. Dit moment wordt gemarkeerd door de toezending van het dwangbevel door de heffende instantie.
|
||||
|
||||
### 24.4. Bekendmaking verrekening
|
||||
|
||||
Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een kennisgeving.
|
||||
|
||||
Het achterwege laten van de bekendmaking heeft niet tot gevolg dat de verrekening nietig is.
|
||||
Deze bekendmaking kan ook namens de ontvanger door de B/CA worden gedaan. Het achterwege laten van de bekendmaking heeft niet tot gevolg dat de verrekening nietig is.
|
||||
|
||||
### 24.5. Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting
|
||||
|
||||
In artikel 24, eerste lid, van de wet is geregeld dat de ontvanger alle in te vorderen en uit te betalen bedragen van alle onderdelen van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting onderling kan verrekenen.
|
||||
In artikel 24, tweede lid, van de wet is geregeld dat de ontvanger alle in te vorderen en uit te betalen bedragen van alle onderdelen van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting onderling kan verrekenen.
|
||||
|
||||
Verrekening is mogelijk voor zover zowel het uit te betalen bedrag als het in te vorderen bedrag materieel zijn ontstaan gedurende het bestaan van de fiscale eenheid. Dit geldt ook als de daadwerkelijke verrekening pas plaatsvindt na verbreking van de fiscale eenheid. Voor teruggaven als gevolg van verliesverrekening geldt echter het volgende.
|
||||
Verrekening is mogelijk voor zover zowel het uit te betalen bedrag als het in te vorderen bedrag materieel zijn ontstaan gedurende het bestaan van de fiscale eenheid. Dit geldt ook als de daadwerkelijke verrekening pas plaatsvindt na verbreking van de fiscale eenheid.
|
||||
|
||||
Verliezen die zijn ontstaan na verbreking van de fiscale eenheid kunnen worden teruggewenteld naar de bestaansperiode. Teruggaven die daaruit voortvloeien, kunnen worden verrekend met belastingschuld die materieel is ontstaan tijdens de bestaansperiode. Het voorgaande geldt mutatis mutandis ook, als er geen sprake is van een verbreking van de fiscale eenheid maar van een wijziging van de samenstelling daarvan.
|
||||
Verliezen die zijn ontstaan na verbreking van de fiscale eenheid kunnen worden teruggewenteld naar de bestaansperiode. Teruggaven die daaruit voortvloeien, kunnen worden verrekend met belastingschuld die materieel is ontstaan tijdens de bestaansperiode.
|
||||
|
||||
Als verliezen die zijn ontstaan tijdens het bestaan van de fiscale eenheid, worden teruggewenteld naar perioden die zijn gelegen vóór het begin van de bestaansperiode, dan vallen de teruggaven buiten de bestaansduur van de fiscale eenheid. Dit neemt niet weg dat verrekening mogelijk is op de voet van artikel 24 van de wet als het om dezelfde belastingschuldige gaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1801,15 +1533,11 @@ Als een dochtermaatschappij in de loop van het boekjaar deel gaat uitmaken van e
|
|||
|
||||
Verrekeningen die plaats hebben gevonden in de periode tussen de voeging en de ontvoeging blijven evenwel in beide gevallen in stand.
|
||||
|
||||
### 24.5a. Verrekeningsbevoegdheid fiscale eenheid vennootschapsbelasting tijdens faillissement
|
||||
|
||||
Voor zover een belastingteruggaaf ten name van een onderdeel van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting materieel is ontstaan gedurende de periode van het faillissement van dit onderdeel, kan deze niet worden verrekend met een schuld van een ander onderdeel van de fiscale eenheid, voor zover die schuld is ontstaan vóór de datum van het faillissement.
|
||||
|
||||
### 24.6. Instemmingsregeling bij cessie en verpanding
|
||||
|
||||
#### 24.6.1. Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding
|
||||
|
||||
In artikel 24, derde lid, van de wet is een instemmingsregeling opgenomen die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie (artikel 3:94 BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW) van een uit te betalen bedrag.
|
||||
In artikel 24, vijfde lid, van de wet is een instemmingsregeling opgenomen die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie (artikel 3:94 BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW) van een uit te betalen bedrag.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te betalen bedrag met de belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het uit te betalen bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1827,7 +1555,7 @@ De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft betrekking op
|
|||
|
||||
Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte betaler.
|
||||
|
||||
Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is. In verband met het cessie- en verpandingsverbod van artikel 7b van de wet geldt dit niet voor uitbetalingen inkomstenbelasting.
|
||||
Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is.
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde – in dit geval de pandhouder of cessionaris – bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de mogelijkheid wordt gewezen bij de directeur beroep in te stellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1875,16 +1603,15 @@ Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden waaronder hi
|
|||
|
||||
Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:
|
||||
|
||||
a. het verzoek niet schriftelijk is ingediend, tenzij sprake is van een verzoek om uitstel als bedoeld in artikel 25.5.3 of 25.6.2d of indien het verzoek via een daartoe opengesteld kanaal is ingediend;
|
||||
b. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is;
|
||||
c. onjuiste gegevens worden verstrekt;
|
||||
d. de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt. Als de verstrekte gegevens onvolledig zijn, stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken;
|
||||
e. de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.13, 25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad);
|
||||
f. de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen;
|
||||
g. de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;
|
||||
h. de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare termijn uitstrekt;
|
||||
i. de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden;
|
||||
j. sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald.
|
||||
a. de medewerking van de verzoeker aan de Belastingdienst naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is;
|
||||
b. onjuiste gegevens worden verstrekt;
|
||||
c. de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;
|
||||
d. de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.13, 25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad);
|
||||
e. de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen;
|
||||
f. de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;
|
||||
g. de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare termijn uitstrekt;
|
||||
h. de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden;
|
||||
i. sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald.
|
||||
|
||||
De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden worden genoemd; er kan niet worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1902,7 +1629,7 @@ g. belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard, hem surseance
|
|||
|
||||
#### 25.1.5. Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen veertien dagen de achterstand te voldoen.
|
||||
Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen de achterstand te voldoen.
|
||||
|
||||
#### 25.1.6. Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel
|
||||
|
||||
|
|
@ -1914,28 +1641,26 @@ Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt de ontv
|
|||
|
||||
Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen invorderingsmaatregelen nemen.
|
||||
|
||||
#### 25.1.8. Na (afwijzen) uitstel veertien dagen wachttijd
|
||||
#### 25.1.8. Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd
|
||||
|
||||
Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, of als de directeur afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan.
|
||||
Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, of als de directeur afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan.
|
||||
|
||||
Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van veertien dagen niet.
|
||||
Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen niet.
|
||||
|
||||
Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van betaling is verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.
|
||||
|
||||
#### 25.1.9. Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige uitstel van betaling vraagt voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag, geeft de ontvanger de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand om alsnog bij de inspecteur een bezwaarschrift tegen de aanslag in te dienen. Dat bezwaarschrift moet vergezeld gaan van het ingevulde aangiftebiljet. De termijn begint te lopen vanaf de dagtekening van de kennisgeving van de ontvanger dat de belastingschuldige een bezwaarschrift en een aangiftebiljet moet indienen. De invordering wordt voor die termijn geschorst.
|
||||
Als de belastingschuldige uitstel van betaling vraagt voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag, dan verleent de ontvanger ten hoogste één maand uitstel om de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen alsnog een aangiftebiljet in te dienen.
|
||||
|
||||
Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.
|
||||
Als de belastingschuldige het aangiftebiljet niet binnen deze termijn indient, dan deelt de ontvanger hem mee dat het uitstel is vervallen. De ontvanger verleent niet nogmaals uitstel van betaling om het aangiftebiljet alsnog in te dienen.
|
||||
|
||||
De ontvanger schorst de invordering niet als het een heffing van een andere instantie betreft, waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog een bezwaarschrift in te dienen en aangifte te doen.
|
||||
De ontvanger verleent geen uitstel zoals hier bedoeld als het een heffing van een andere instantie betreft, waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog aangifte te doen.
|
||||
|
||||
#### 25.1.10. Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten
|
||||
|
||||
Voor een aanslag die uitsluitend wordt opgelegd met het doel de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag te behouden – een en ander als bedoeld in artikel 11, derde lid, artikel 16, derde lid, en artikel 20, derde lid, van de AWR – verleent de ontvanger ambtshalve uitstel van betaling. Het uitstel wordt verleend voor het gehele bedrag van de aanslag en duurt tot het moment waarop de inspecteur de belastingplichtige de precieze elementen van de aanslag heeft meegedeeld.
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent geen ambtshalve uitstel als bedoeld in de eerste alinea als zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de wet en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld ernstig in gevaar komt.
|
||||
|
||||
#### 25.1.11. Uitstel voor een bestuurlijke boete
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete.
|
||||
|
|
@ -1946,7 +1671,7 @@ Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe strekken de bel
|
|||
|
||||
#### 25.1.12. Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen
|
||||
|
||||
20163311228-06-201620-06-2016BLKB2016/777M20163311228-06-201620-06-2016BLKB2016/777M01-07-2016
|
||||
Bij uitstel wegens betalingsmoeilijkheden stelt de ontvanger de voorwaarde dat voor nieuwe belastingaanslagen geen betalingsachterstand zal ontstaan.
|
||||
|
||||
#### 25.1.13. Zekerheid bij uitstel
|
||||
|
||||
|
|
@ -1958,21 +1683,23 @@ Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van voorraden i
|
|||
|
||||
De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de invordering.
|
||||
|
||||
De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden executoriale verkoop heeft plaatsgevonden, of als publicatie daarvan niet meer is te voorkomen.
|
||||
De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden executoriale verkoop in een dagblad heeft plaatsgevonden, of als publicatie daarvan niet meer is te voorkomen.
|
||||
|
||||
Om de belangen van de Staat niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van veertien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.
|
||||
Om de belangen van de Staat niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.
|
||||
|
||||
De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.
|
||||
|
||||
#### 25.1.15. Verzoekschriften aan andere instellingen
|
||||
|
||||
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij Zijne Majesteit de Koning, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer of de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de Nationale Ombudsman of het Ministerie van Financiën tot op dat verzoekschrift is beslist. De ontvanger houdt de invordering ten laste van een belastingschuldige ook aan als de Belangenbehartiger zijn casus in behandeling heeft genomen. De ontvanger doet dit tot het moment waarop behandeling van de casus door de Belangenbehartiger definitief is afgerond. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming van het ministerie toch invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer of de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de Nationale Ombudsman of het Ministerie van Financiën.
|
||||
|
||||
Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden genomen na voorafgaande toestemming van het ministerie.
|
||||
|
||||
### 25.2. Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag
|
||||
|
||||
#### 25.2.1. Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag
|
||||
|
||||
De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag door middel van een bezwaarschrift kenbaar maken. Een in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger verlenen tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift.
|
||||
De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag door middel van een bezwaar- of beroepschrift kenbaar maken. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift. Een in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger verlenen tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet.
|
||||
|
||||
Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel van de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1980,32 +1707,22 @@ De ontvanger kan – als er om wordt verzocht – ook uitstel van betaling verle
|
|||
|
||||
Naast bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen ook bezwaren worden ingebracht tegen een door de inspecteur of de ontvanger genomen beschikking of kennisgeving op grond van enige bepaling van de (belasting)wet. Het beleid is daarop zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### 25.2.2. Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift niet
|
||||
#### 25.2.2. Bezwaarschrift en verzoek om uitstel
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, merkt de ontvanger het bezwaarschrift aan als een verzoek om uitstel van betaling.
|
||||
Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, merkt de ontvanger het bezwaarschrift aan als een verzoek om uitstel van betaling. Dit geldt echter uitsluitend als de belastingschuldige in het bezwaarschrift het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag vermeldt.
|
||||
|
||||
Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.
|
||||
Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een door de belastingschuldige ingesteld beroep tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.
|
||||
|
||||
#### 25.2.2.a. Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift
|
||||
Als de belastingschuldige bij de ontvanger een verzoek om uitstel indient in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift, dan licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek ook aangemerkt als een pro-formabezwaarschrift.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de ontvanger in verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag dan moet hij in het verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag vermelden.
|
||||
#### 25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel in verband met bezwaar
|
||||
|
||||
#### 25.2.2.b. Nadere gegevens
|
||||
In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in verband met bezwaarschrift toe. De ontvanger kan hierbij voorwaarden stellen. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag. In het verzoek moet de belastingschuldige daarom het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag vermelden. De ontvanger kan aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger geeft de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt voor die termijn geschorst.
|
||||
Als het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet in het verzoek om uitstel zijn vermeld, dan stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk mee te delen. Daartoe geeft de ontvanger de belastingschuldige een termijn van ten hoogste één maand vanaf de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens.
|
||||
|
||||
Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.
|
||||
|
||||
Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing op een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het bezwaarschrift zelf.
|
||||
|
||||
Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing op een door de belastingschuldige bij de ontvanger ingediend verzoek om uitstel in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit laatste geval licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt het verzoek tevens aangemerkt als een pro-forma bezwaarschrift.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden overgelegd.
|
||||
|
||||
#### 25.2.3. De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling
|
||||
|
||||
In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2., 25.2.2.A en 25.2.2.B gestelde eisen is voldaan. De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.
|
||||
|
||||
#### 25.2.4. Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure
|
||||
|
||||
Als een belastingschuldige van mening is dat het opleggen van een aanslag door de inspecteur niet in overeenstemming is met een door Nederland gesloten belastingverdrag, kan hij verzoeken om een overlegprocedure.
|
||||
|
|
@ -2023,7 +1740,7 @@ Voor mogelijke rentecorrecties in verband met overlegprocedures zie artikel 31a
|
|||
|
||||
#### 25.2.5. Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar
|
||||
|
||||
Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid als de aard van de belastingschuld dan wel de omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn, daartoe aanleiding geeft. Daarnaast houdt de ontvanger bij zijn beslissing rekening met het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige.
|
||||
Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.
|
||||
|
||||
#### 25.2.6. Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld
|
||||
|
||||
|
|
@ -2041,10 +1758,6 @@ Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldi
|
|||
|
||||
Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de belastingschuldige in bij de bekendmaking van de beschikking omtrent zijn beweegredenen.
|
||||
|
||||
#### 25.2.7a. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bij het verlenen van het uitstel geen nadere voorwaarden heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen vier maanden vanaf de datum dat het uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift schriftelijk aan de belastingschuldige nadere voorwaarden stellen. Hierbij kijkt de ontvanger of de looptijd voor het afdoen van het bezwaarschrift in relatie tot de hoogte van het bestreden bedrag van de aanslag daartoe aanleiding geeft. Voor de beoordeling of hij zekerheid verlangt voor de bestreden belastingschuld, past de ontvanger de in artikel 25.2.5 van deze leidraad opgenomen voorwaarden toe. Indien de belastingschuldige tijdig voldoet aan deze voorwaarden, continueert de ontvanger het uitstel. De ontvanger trekt het uitstel in als de belastingschuldige niet aan deze voorwaarden voldoet.
|
||||
|
||||
#### 25.2.8. Geen uitstel voor het niet-bestreden bedrag
|
||||
|
||||
Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de opschortende voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig wordt betaald.
|
||||
|
|
@ -2059,10 +1772,6 @@ De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in verband m
|
|||
|
||||
De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in behandeling neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag tijdig is voldaan.
|
||||
|
||||
#### 25.2.10. Uitstel voor herzieningsverzoeken en verzoeken om ambtshalve vermindering
|
||||
|
||||
De belastingschuldige kan een herzieningsverzoek in de zin van artikel 9.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan wel een verzoek om ambtshalve vermindering in de zin van artikel 9.6 van die wet, bij de inspecteur indienen. Als de belastingschuldige in verband daarmee uitstel van betaling wenst, moet hij hiervoor een schriftelijk verzoek indienen bij de ontvanger. De ontvanger wijst dit verzoek in het algemeen toe. De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden en verleent slechts uitstel van betaling voor het bedrag waarvoor de belastingschuldige heeft verzocht de belastingaanslag te verlagen. Het verleende uitstel vervalt op het moment dat de inspecteur op het verzoek heeft beslist.
|
||||
|
||||
### 25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag
|
||||
|
||||
#### 25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen
|
||||
|
|
@ -2077,9 +1786,11 @@ Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf als
|
|||
|
||||
#### 25.3.2. Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel
|
||||
|
||||
Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, geeft de ontvanger de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand om alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren. De termijn begint te lopen vanaf de dagtekening van de kennisgeving van de ontvanger dat de belastingschuldige zijn verzoek (nader) moet motiveren. De invordering wordt voor die termijn geschorst.
|
||||
Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, verleent de ontvanger uitstel om de verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren.
|
||||
|
||||
Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.
|
||||
De ontvanger verleent dit uitstel voor ten hoogste één maand na de dagtekening van de uitstelbeschikking. De ontvanger kan voor een langere periode uitstel verlenen als hij dit redelijk acht.
|
||||
|
||||
Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader) is gemotiveerd, is het uitstel vervallen.
|
||||
|
||||
#### 25.3.3. Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag
|
||||
|
||||
|
|
@ -2103,13 +1814,15 @@ Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de omstandighed
|
|||
|
||||
De ontvanger zal een betalingsregeling in ieder geval niet toestaan als de betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen of activiteiten die geen perspectief bieden.
|
||||
|
||||
#### 25.4.2. Uitstel en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen
|
||||
#### 25.4.2. Uitstel en motorrijtuigenbelasting
|
||||
|
||||
In beginsel wijst de ontvanger verzoeken om betalingsregelingen voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen af, vanwege het specifieke karakter van die belasting.
|
||||
De motorrijtuigenbelasting behoort tot de kosten die onverbrekelijk samenhangen met het houden van een motorrijtuig. De ontvanger wijst een verzoek om een betalingsregeling voor motorrijtuigenbelasting om die reden af, tenzij voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 25.5.3 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Een verzoek om een betalingsregeling voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en voor de belasting zware motorrijtuigen wijst de ontvanger af vanwege het zakelijke karakter van die belasting.
|
||||
|
||||
#### 25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling
|
||||
|
||||
Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven. Tenzij anders overeengekomen, verrekent de ontvanger een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting over het lopende jaar niet met een belastingschuld waarvoor een betalingsregeling is verleend.
|
||||
Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven.
|
||||
|
||||
#### 25.4.4. Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance
|
||||
|
||||
|
|
@ -2123,62 +1836,33 @@ De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de gebr
|
|||
|
||||
Als zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de wijziging in de hoogte van de belastingschuld.
|
||||
|
||||
#### 25.4.5. Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijging eigen woning door broers of zussen van de erflater
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling voor het gedeelte van een belastingaanslag in de erfbelasting dat betrekking heeft op een tot de nalatenschap behorende woning. Hierbij gelden de volgende cumulatieve voorwaarden:
|
||||
|
||||
1. De belastingschuldige beschikt over onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingaanslag binnen de betalingstermijn, dan wel de duur van een betalingsregeling als bedoeld in artikel 25.5.1 of 25.6.1 van deze leidraad te betalen.
|
||||
2. De belastingschuldige is een broer of zus van de erflater en verkrijgt de woning op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van Boek 4 van het BW.
|
||||
3. De woning was ten tijde van het overlijden voor de erflater en de belastingschuldige een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
4. De belastingschuldige stond op 1 januari 2010 samen met de erflater op het adres van die woning in de basisregistratie personen ingeschreven.
|
||||
5. De belastingschuldige stond tot het tijdstip van het overlijden gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren samen met de erflater op het adres van die woning in de basisregistratie personen ingeschreven.
|
||||
6. Er is voldoende zekerheid gesteld, waarbij zekerheid in de vorm van hypotheek op (het onverdeelde aandeel in) de woning als voldoende wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek staat het verlenen van uitstel van betaling tot de waarde van dat vermogen overeenkomstig dit artikel in de weg. Daarbij blijft de woning waarop het onderhavige uitstel van betaling ziet buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt beëindigd:
|
||||
|
||||
1. Na verloop van vijf jaar na het tijdstip van verkrijging.
|
||||
2. Als de woning voor de belastingschuldige geen eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 meer is.
|
||||
3. In geval van faillissement van de belastingschuldige.
|
||||
4. Als de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is.
|
||||
|
||||
#### 25.4.6. Tijdelijke goedkeuring voor uitstel van betaling voor schrijnende situaties in de erfbelasting
|
||||
|
||||
1. De ontvanger verleent de belastingschuldige, zijnde een natuurlijk persoon, op diens verzoek, uitstel van betaling voor ten minste vijf jaar voor een belastingaanslag in de erfbelasting, in het geval betaling van die belastingaanslag binnen de wettelijke betalingstermijn tot een schrijnende situatie zou leiden. Bij het verlenen van dit uitstel stelt de ontvanger als voorwaarde dat voldoende zekerheid wordt gesteld.
|
||||
2. Het eerste lid is ook van toepassing op een belastingaanslag, niet betreffende de erfbelasting, voor zover die belastingaanslag valt in de boedel van een nalatenschap van een natuurlijk persoon en betaling van die belastingaanslag binnen de wettelijke betalingstermijn, bij de erfgenaam, zijnde een natuurlijk persoon, tot een schrijnende situatie zou leiden.
|
||||
3. De belastingschuldige verstrekt bij zijn verzoek de benodigde gegevens, waaruit blijkt dat sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid. De ontvanger kan zo nodig om aanvullende gegevens vragen.
|
||||
4. De ontvanger kan afzien van de zekerheidseis als dit voor de belastingschuldige leidt tot onevenredige gevolgen die niet in verhouding staan tot het doel van het stellen van zekerheid.
|
||||
|
||||
### 25.5. Betalingsregeling voor particulieren
|
||||
|
||||
#### 25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. Als voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht, al uitstel van betaling op grond van artikel 25.5.3 is genoten, is de maximale looptijd van de betalingsregeling twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de betalingsregeling op grond van artikel 25.5.3 is toegekend.
|
||||
De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.
|
||||
|
||||
Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan twaalf maanden. Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij betalingsregelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan twaalf maanden duurt.
|
||||
|
||||
Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Artikel 26.1.2. is in deze situaties niet van toepassing indien en voorzover de belastingschuldige gebruik maakt van het daartoe ingestelde verzoekformulier voor uitstel van betaling en hij dit formulier volledig invult.
|
||||
Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan twaalf maanden.
|
||||
|
||||
#### 25.5.2. Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren
|
||||
|
||||
De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen – waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen – tijdig worden nagekomen. De ontvanger kan echter op verzoek van de belastingschuldige toestaan dat nieuwe belastingaanslagen, waarvan het ontstaan of onbetaald laten niet aan de belastingschuldige kan worden toegerekend, in een bestaande betalingsregeling worden opgenomen. Voorwaarde is dat de belastingschuldige zijn gehele betalingscapaciteit al heeft ingezet in het kader van de bestaande betalingsregeling.
|
||||
De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen – waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen – tijdig worden nagekomen.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen, zekerheid eisen als de aard van de belastingschuld dan wel de omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn, daartoe aanleiding geeft. Ook het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.
|
||||
De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid eisen als de aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.
|
||||
|
||||
#### 25.5.3. Kort uitstel particulieren
|
||||
|
||||
Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.
|
||||
b. Vervallen.
|
||||
b. Er staat ten name van de belastingschuldige geen zakelijke schuld open in de zin van artikel 22, derde lid, van de wet.
|
||||
c. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend.
|
||||
d. Het verzoek betreft niet een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet die in meerdere termijnen betaald mag worden.
|
||||
e. De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een dwangbevel is betekend.
|
||||
e. De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een dwangbevel is betekend waarvan de betalingstermijn is verstreken.
|
||||
|
||||
#### 25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren
|
||||
|
||||
In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie.
|
||||
In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.
|
||||
|
||||
Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo nodig nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in artikel 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken. Ook met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2186,31 +1870,31 @@ Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo nodig nader
|
|||
|
||||
De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt met name indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.
|
||||
|
||||
Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.
|
||||
Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de belastingschuldige en diens echtgenoot (zoals bedoeld in artikel 3 Wwb), verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.
|
||||
|
||||
Met toepassing van artikel 3 Wwb wordt als echtgenoot ook aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloedverwant in de eerste graad betreft.
|
||||
|
||||
#### 25.5.6. Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren
|
||||
|
||||
Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit van de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt in belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op de achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook aan in hoeverre een betalingsregeling zinvol is.
|
||||
|
||||
Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek om een betalingsregeling is het inkomen van de belastingschuldige en diens echtgenoot. Net als artikel 3, Wwb merkt deze leidraad hier als echtgenoot ook aan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een bloedverwant in de eerste graad betreft. Het inkomen en de uitgaven ten behoeve van bij de belastingschuldige inwonende kinderen zal bij de berekening van de betalingscapaciteit niet in aanmerking worden genomen. Een uitzondering daarop vormt de ontvangen alimentatie ten behoeve van minderjarige kinderen.
|
||||
|
||||
Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger met betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin de belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke uitgaven.
|
||||
|
||||
De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de betalingsregeling eist de ontvanger 80% van de betalingscapaciteit op. Voor een belastingschuldige die in het buitenland woont, past de ontvanger op het normbedrag voor levensonderhoud eerst het percentage toe dat in artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage bij die regeling is opgenomen voor het woonland van de belastingschuldige. Eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, telt de ontvanger op bij de aldus berekende betalingscapaciteit.
|
||||
|
||||
#### 25.5.6a. Correctie vaststellen nettowoonlasten
|
||||
|
||||
Bij het vaststellen van de nettowoonlasten, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling, vermindert de ontvanger het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met € 37,72.
|
||||
De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de betalingsregeling eist de ontvanger 80% van de betalingscapaciteit op.
|
||||
|
||||
#### 25.5.7. Berekening betalingscapaciteit – bijzondere uitgaven
|
||||
|
||||
De ontvanger kan – afhankelijk van de concrete situatie van de belastingschuldige en zijn gezin – bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en de zogenoemde uitvoeringstolerantie van 20%.
|
||||
De ontvanger kan – afhankelijk van de concrete situatie van de belastingschuldige en zijn gezin – bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger in redelijkheid niet bestreden worden uit het normbedrag voor levensonderhoud en 80% van de betalingscapaciteit.
|
||||
|
||||
#### 25.5.8. Berekening betalingscapaciteit – aflossingsverplichtingen aan derden
|
||||
|
||||
De ontvanger kan aflossingsverplichtingen aan derden, waarvan het niet-nakomen tot ongewenste effecten kan leiden, meenemen bij de berekening van de betalingscapaciteit.
|
||||
In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing als de schuld aan de Belastingdienst een hogere preferentie heeft. De ontvanger kan een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot ongewenste effecten kan leiden.
|
||||
|
||||
#### 25.5.9. Berekening betalingscapaciteit – extra inkomsten
|
||||
|
||||
Bij de berekening van de betalingscapaciteit kan de ontvanger rekening houden met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt.
|
||||
Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger slechts rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou moeten plaatsvinden in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt.
|
||||
|
||||
#### 25.5.10. Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor
|
||||
|
||||
|
|
@ -2218,81 +1902,23 @@ Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een betalingsregelin
|
|||
|
||||
Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd kan worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.
|
||||
|
||||
#### 25.5.11. Betalingsregeling langer dan twaalf maanden
|
||||
#### 25.5.11. Betalingregeling langer dan twaalf maanden
|
||||
|
||||
Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij regelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan twaalf maanden duurt. Hierbij moet in acht worden genomen dat de belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven – waaronder ook de huur of de hypotheeklasten – in de eerste twaalf maanden van de betalingsregeling zodanig moet verminderen, dat na de twaalfde maand zoveel mogelijk de volledige betalingscapaciteit die aan het kwijtscheldingsbeleid is ontleend, kan worden benut om de schuld te voldoen. De ontvanger sluit met de betalingsregeling hier op aan.
|
||||
|
||||
### 25.5a. Verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen
|
||||
|
||||
#### 25.5a.1. Betalingsregeling bij illiquide vermogen
|
||||
|
||||
Aan de belastingschuldige bij wie – na aanwending van het eventuele overige vermogen dat niet bezwaarlijk liquide te maken is – sprake is van vermogen dat bezwaarlijk liquide te maken is als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de regeling (hierna: illiquide vermogen) kan de ontvanger de reguliere uitsteltermijn van twaalf maanden waarin de belastingschuldige zijn betalingscapaciteit inzet, verlengen met inachtneming van het volgende.
|
||||
|
||||
De ontvanger verlengt de uitsteltermijn van twaalf maanden met ten hoogste 60 maanden. In deze periode dient de belastingschuldige een bedrag af te lossen gelijk aan maximaal de (over)waarde van het illiquide vermogen. Bij de maandelijkse termijnbetalingen houdt de ontvanger rekening met de betalingscapaciteit van de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
Als de omstandigheden op grond waarvan de betalingsregeling is toegekend veranderen, is belastingschuldige verplicht de ontvanger zo spoedig mogelijk hierover te informeren. Voorts beoordeelt de ontvanger jaarlijks of er sprake is van een verandering van het inkomen. Als blijkt dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden van het inkomen, berekent de ontvanger opnieuw de betalingscapaciteit van de belastingschuldige. De ontvanger past de betalingsregeling alleen aan als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld.
|
||||
|
||||
Als gedurende de looptijd van de betalingsregeling een nieuwe belastingschuld ontstaat kan de ontvanger deze op verzoek van de belastingschuldige meenemen in de bestaande regeling, indien deze nieuwe belastingschuld binnen de resterende (maximale) betalingstermijn kan worden voldaan. Indien deze nieuwe belastingschuld vanwege onvoldoende betalingscapaciteit niet kan worden meegenomen in de bestaande betalingsregeling beëindigt de ontvanger de betalingsregeling.
|
||||
|
||||
#### 25.5a.2. Onvoldoende betalingscapaciteit voor (voortzetten) betalingsregeling
|
||||
|
||||
Als een belastingschuldige niet of niet langer over voldoende betalingscapaciteit beschikt om de (over)waarde van zijn illiquide vermogen in (de resterende) 60 maanden te voldoen, dan wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af of beëindigt de betalingsregeling. De ontvanger houdt de invordering aan voor een redelijke termijn zodat belastingschuldige het vermogen liquide kan maken dan wel op een andere manier een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het vermogen kan voldoen.
|
||||
|
||||
#### 25.5a.3. Redenen beëindigen betalingsregeling illiquide vermogen
|
||||
|
||||
In aanvulling op artikel 25.1.4. van deze leidraad en op de redenen tot beëindiging van de betalingsregeling genoemd in artikel 25.5a.1 en 25.5a.2, beëindigt de ontvanger de betalingsregeling eveneens als de gerechtigdheid tot het illiquide vermogen wijzigt.
|
||||
|
||||
### 25.6. Betalingsregeling voor ondernemers
|
||||
|
||||
#### 25.6.1. Duur betalingsregeling ondernemers
|
||||
|
||||
Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.
|
||||
Een betalingsregeling moet een zo’n kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.
|
||||
|
||||
De betalingsregeling heeft een looptijd van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. Als voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht, al uitstel van betaling op grond van artikel 25.6.2d is genoten, is de maximale looptijd van de betalingsregeling twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de betalingsregeling op grond van artikel 25.6.2d is toegekend.
|
||||
De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden niet te boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers
|
||||
|
||||
Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen – waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen – bijhoudt.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan bij het verlenen van een betalingsregeling zekerheid eisen (zie artikel 25.1.13). Dit zal hij in ieder geval doen als het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige in het verleden, of de aard of de omvang van de belastingschuld waarvoor om uitstel wordt verzocht, daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt voor de hoogte van de zekerheid is de hoogte van de schuld waarvoor uitstel is verzocht.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2a. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers
|
||||
|
||||
Als een ondernemer (hoofdzakelijk) door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie artikel 25.6.2B) het voor de ontvanger aannemelijk maken dat:
|
||||
|
||||
a. het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen;
|
||||
b. die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn;
|
||||
c. die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden opgelost; en
|
||||
d. dat er sprake is van een levensvatbare onderneming.
|
||||
|
||||
Als de totale belastingschuld ten tijde van de ontvangst van het verzoek om uitstel, minder dan € 20.000 bedraagt, kan de ondernemer volstaan met een eigen verklaring. De ondernemer moet daarin aannemelijk maken dat aan de eisen onder a. tot en met d. wordt voldaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de Staat te beperken, wordt zoveel als mogelijk is door de ontvanger zekerheid verlangd. De zekerheid kan ook omvatten een (bodem)beslag.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2b. Verklaring derde deskundige
|
||||
|
||||
De verklaring van de derde deskundige bevat een beoordeling van de aard van de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk van de waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten en omstandigheden door de deskundige.
|
||||
|
||||
Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. Het kan bijvoorbeeld gaan om een externe consultant, een externe financier, een brancheorganisatie of de (huis)accountant. De ontvanger kan aan de verklaring van de derde deskundige ook eisen stellen.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2c. Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel is gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.6.2D is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2d. Kort uitstel van betaling voor ondernemers
|
||||
|
||||
Ondernemers kunnen zonder nader onderzoek op schriftelijk of telefonisch verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag.
|
||||
|
||||
De voorwaarden die aan de ontvanger stelt aan dit uitstel zijn:
|
||||
|
||||
a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.
|
||||
b. Er staan ten name van de belastingschuldige geen belastingaanslagen open waarvoor dwangbevelen zijn betekend.
|
||||
c. Er staat geen vergrijpboete open.
|
||||
d. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere aanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend.
|
||||
e. Het verzoek betreft niet een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet die in meerdere termijnen betaald mag worden.
|
||||
f. Er is geen sprake van een aangifteverzuim voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht.
|
||||
|
||||
Als de ondernemer op grond van de hiervoor genoemde voorwaarden in aanmerking komt voor kort uitstel van betaling ter zake van belasting die op aangifte moet worden betaald, komt een eventueel in verband met die aangifte opgelegde betalingsverzuimboete te vervallen. Dit geldt niet voor de motorrijtuigenbelasting.
|
||||
Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld (zie artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht.
|
||||
|
||||
#### 25.6.3. Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers
|
||||
|
||||
|
|
@ -2306,9 +1932,9 @@ Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek wordt ingest
|
|||
|
||||
#### 25.7.1. Toetsing uitstelbeschikking door directeur
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige het niet eens is met een door de ontvanger genomen beslissing op grond van artikel 25, eerste lid of tweede lid, van de wet, kan de belastingschuldige daartegen administratief beroep instellen bij de directeur. De belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen.
|
||||
Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of een verleend uitstel beëindigt, kan de belastingschuldige daartegen administratief beroep instellen bij de directeur. De belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen.
|
||||
|
||||
Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep wel invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is toegewezen.
|
||||
|
||||
#### 25.7.2. Beroepsfase uitstel
|
||||
|
||||
|
|
@ -2324,35 +1950,11 @@ De belastingschuldige kan beroep instellen bij de directeur tegen het niet tijdi
|
|||
|
||||
Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van betaling had moeten verlenen, dan hoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.
|
||||
|
||||
#### 25.7.5. Administratief beroep of nieuw verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger
|
||||
#### 25.7.5. Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger
|
||||
|
||||
De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling aan als een administratief beroep dat is gericht aan de directeur. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om uitstel van betaling geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.
|
||||
Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld een herhaald verzoek om uitstel indient, dan behandelt de ontvanger dit als een beroepschrift.
|
||||
|
||||
In de hiervoor genoemde situaties geeft de ontvanger een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor de directeur al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om uitstel van betaling ter zake van een belastingschuld waarvoor de directeur al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van de directeur bij voor administratief beroep vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
## 25a. Uitstel van betaling exitheffingen inkomstenbelasting
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 25a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de zekerheid die de ontvanger verlangt bij het verlenen van uitstel van betaling ter zake van exitheffingen.
|
||||
|
||||
### 25a.1. Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen
|
||||
|
||||
Aan het uitstel van betaling voor exitheffingen kan de voorwaarde worden verbonden om zekerheid te stellen. De beoordeling of sprake is van voldoende zekerheid is een taak van de ontvanger. De ontvanger bepaalt dus bij het verlenen van uitstel van betaling voor exitheffingen of en tot welk bedrag de belastingschuldige zekerheid moet stellen. De ontvanger kan ook gedurende het uitstel (aanvullende) zekerheid vragen. De hoogte van de zekerheid hoeft niet in alle gevallen gelijk te zijn aan het bedrag van de exitheffing. Naarmate het invorderingsrisico voor de ontvanger groter is, zal de mate waarin zekerheid wordt verlangd ook toenemen. Factoren die van invloed zijn op de omvang van de te stellen zekerheid zijn:
|
||||
|
||||
– de verwachte duur van het uitstel: hoe langer het uitstel duurt, des te groter het invorderingsrisico;
|
||||
– het fiscale gedrag van de ondernemer in kwestie: is aan de aangifte- en betalingsverplichtingen voldaan;
|
||||
– de aard van de activa van de onderneming.
|
||||
|
||||
## 25b. Uitstel van betaling exitheffingen vennootschapsbelasting
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 25b van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de zekerheid die de ontvanger verlangt bij het verlenen van uitstel van betaling ter zake van exitheffingen als aannemelijk is dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald.
|
||||
|
||||
### 25b.1. Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen
|
||||
|
||||
Aan het uitstel van betaling voor exitheffingen verbindt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld als aannemelijk is dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald. Of sprake is van gegronde vrees voor onverhaalbaarheid en de belastingschuldige dus zekerheid moet stellen, voor welk bedrag hij zekerheid moet stellen en of de gestelde zekerheid voldoende is, is ter beoordeling aan de ontvanger. De ontvanger kan ook gedurende het uitstel (aanvullende) zekerheid vragen.
|
||||
Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet tot een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing, geeft hij echter een nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij de directeur.
|
||||
|
||||
## 26. Kwijtschelding van belastingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -2380,7 +1982,7 @@ Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige het bed
|
|||
|
||||
Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger waaronder de belastingschuldige ressorteert op een daartoe ingesteld verzoekformulier.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger stelt de belastingschuldige in dat geval in de gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken op het daartoe bestemde formulier in te dienen.
|
||||
Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een verzoekformulier aan de belastingschuldige en stelt deze in de gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken in te dienen.
|
||||
|
||||
In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger het verzoek af.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2400,21 +2002,19 @@ Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan één
|
|||
|
||||
Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de kennisgeving, dan wel – als dit minder is – de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
|
||||
|
||||
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van veertien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.
|
||||
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.
|
||||
|
||||
#### 26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding
|
||||
|
||||
Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij motiveren waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten. Daarbij moet hij alle afwijzingsgronden noemen.
|
||||
|
||||
#### 26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding veertien dagen wachttijd bij voortzetting invordering
|
||||
#### 26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering
|
||||
|
||||
Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of de directeur afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger, voldoet de belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) verschuldigde bedrag binnen veertien dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de betaaltermijnen die op het aanslagbiljet zijn aangegeven. Na deze termijn kan de ontvanger de invordering aanvangen dan wel voortzetten. Artikel 9 van de regeling is gedurende deze wachttijd van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
De termijn van veertien dagen geldt niet als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet. De termijn wordt daarnaast niet of niet geheel verleend als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad.
|
||||
Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als de directeur afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Deze termijn wordt niet of niet geheel verleend als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad.
|
||||
|
||||
#### 26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding
|
||||
|
||||
Om de belangen van de Staat niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet de termijn van veertien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.
|
||||
Om de belangen van de Staat niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.
|
||||
|
||||
Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek dat niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier dat onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde formulier of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de ontbrekende gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad), maar het verzoek afwijst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2437,13 +2037,13 @@ c. een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend
|
|||
d. vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;
|
||||
e. de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is gebleven in verband daarmee middelen te reserveren;
|
||||
f. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat een loonbelastingverklaring niet of onjuist is ingevuld, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat het niet of onjuist invullen niet aan hem kan worden verweten;
|
||||
g. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat de belastingschuldige ten onrechte een verzoek, dan wel een onjuist verzoek om een voorlopige teruggaaf heeft ingediend, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hem dit niet kan worden verweten. Als het verzoek naar waarheid is ingevuld en de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon voorzien dat zich wijzigingen in zijn situatie zouden voordoen die van invloed zijn op de aanspraak op een voorlopige teruggaaf, wordt het in de vorige volzin bedoelde bewijs geacht te zijn geleverd;
|
||||
h. aan de belastingaanslag een negatieve voorlopige aanslag is voorafgegaan die vastgesteld is overeenkomstig de ingediende aangifte, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat het hem niet kan worden verweten dat een correctie van die aangifte heeft plaatsgevonden. De afwijzende beslissing op het kwijtscheldingsverzoek blijft beperkt tot het deel van de belastingaanslag waarvoor de belastingschuldige verwijtbaarheid treft.
|
||||
g. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat de belastingschuldige ten onrechte een verzoek, dan wel een onjuist verzoek om een voorlopige teruggaaf heeft ingediend, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hem dit niet kan worden verweten;
|
||||
h. de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag (gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald;
|
||||
i. aan de belastingaanslag een negatieve voorlopige aanslag is voorafgegaan die vastgesteld is overeenkomstig de ingediende aangifte, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat het hem niet kan worden verweten dat een correctie van die aangifte heeft plaatsgevonden.
|
||||
– de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW;
|
||||
– ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de regeling, voor zover die materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een boedelschuld;
|
||||
– het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die aanslag nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag. In gevallen dat het verzoek overigens zou moeten worden toegewezen, verleent de ontvanger tegelijkertijd (ambtshalve) uitstel van betaling totdat de definitieve aanslag is opgelegd. In de eventuele uitstelbeschikking deelt de ontvanger de belastingschuldige mee dat na oplegging van de definitieve aanslag desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan worden ingediend waarin naast de voorlopige aanslag de definitieve aanslag kan worden betrokken;
|
||||
– door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend;
|
||||
– de gemeentelijke sociale dienst de belastingaanslag vergoedt.
|
||||
– het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die aanslag nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag;
|
||||
– door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.
|
||||
|
||||
Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2453,35 +2053,37 @@ Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen belasti
|
|||
|
||||
#### 26.1.10. Begrip ‘ex-ondernemer’ en kwijtschelding
|
||||
|
||||
Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.
|
||||
Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe of de schuldenregeling voor particulieren en ex-ondernemers.
|
||||
|
||||
Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke) belastingaanslagen.
|
||||
|
||||
#### 26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen
|
||||
|
||||
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij Zijne Majesteit de Koning, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer of de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de Nationale Ombudsman of het Ministerie van Financiën tot op dat verzoekschrift is beslist. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming van het ministerie toch invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer of de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de Nationale Ombudsman of het Ministerie van Financiën. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
|
||||
Onherroepelijke invorderingsmaatregelen mogen alleen worden genomen na voorafgaande toestemming van het ministerie.
|
||||
|
||||
### 26.2. Kwijtschelding van rijksbelastingen voor particulieren
|
||||
|
||||
#### 26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren
|
||||
|
||||
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.
|
||||
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.
|
||||
|
||||
Ook als de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, of bij ongehuwd samenlevenden als sprake is van een samenlevingscontract, is het voorgaande van overeenkomstige toepassing ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag.
|
||||
|
||||
#### 26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren
|
||||
|
||||
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2269 bedraagt.
|
||||
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2269 bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
#### 26.2.3. De auto en kwijtschelding particulieren
|
||||
|
||||
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 3350 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.
|
||||
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend een waarde heeft van € 2269 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.
|
||||
|
||||
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger – zo nodig na een verzoek daartoe – aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald.
|
||||
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als de belastingschuldige aan de ontvanger – zo nodig na een verzoek daartoe – aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige als bedoeld in artikel 3 Wwb, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald.
|
||||
|
||||
#### 26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
Incidentele ontvangsten op een bankrekening (zoals vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige een energietoeslag heeft ontvangen als bedoeld in artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, wordt een bedrag ter hoogte van het ontvangen bedrag aan energietoeslag, niet in aanmerking genomen als vermogen voor de beoordeling van het recht op kwijtschelding.
|
||||
Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.
|
||||
|
||||
De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2501,17 +2103,17 @@ Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen vermogen b
|
|||
|
||||
Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van belang.
|
||||
|
||||
Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de langstlevende echtgenoot. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel mede in aanmerking genomen, ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen worden aangesproken.
|
||||
Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen worden aangesproken.
|
||||
|
||||
Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om kwijtschelding indient.
|
||||
|
||||
#### 26.2.8. Levensloopregeling en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
20093825-02-200911-02-2009CPP2008/2552M20093825-02-200911-02-2009CPP2008/2552M27-02-2009
|
||||
Een spaarsaldo dat is opgebouwd vanwege een levensloopregeling wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
#### 26.2.9. Beroepsvermogen wikker en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
20196619720-12-201910-12-20192019-2421120196619720-12-201910-12-20192019-2421101-01-2020
|
||||
Als sprake is van een belastingschuldige die een uitkering ontvangt ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars, wordt het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
#### 26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
|
|
@ -2519,38 +2121,28 @@ Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn o
|
|||
|
||||
De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend.
|
||||
|
||||
Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvoor kwijtschelding wordt verzocht.
|
||||
Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn echtgenoot (als bedoeld in artikel 3 Wwb) in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het voorgaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. De vaststelling van het totale netto besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen waarvoor kwijtschelding wordt verzocht.
|
||||
|
||||
De verantwoordelijkheid van de echtgenoot voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die betrekking hebben op de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan buiten de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling).
|
||||
De verantwoordelijkheid van de echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de in artikel 3 Wwb bedoelde echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval – afhankelijk van de omstandigheden – het normbedrag voor een alleenstaande dan wel het normbedrag voor een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling).
|
||||
|
||||
#### 26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gesteld op 7% van de aan loonheffingen onderworpen inkomsten waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld.
|
||||
|
||||
Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit eigen wetenschap bekend is, dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking genomen. Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage dan 7 in het geval de belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet. In dat geval moet dus worden uitgegaan van het percentage genoemd in artikel 19, derde lid, van de Pw.
|
||||
Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit eigen wetenschap bekend is, dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
#### 26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+).
|
||||
Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF 2000 en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+ ).
|
||||
|
||||
Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag.
|
||||
Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de partnertoeslag of de één-oudertoeslag.
|
||||
|
||||
De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.
|
||||
|
||||
A. Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 80.
|
||||
B. Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 70 en met het bedrag aan onderwijsretributie.
|
||||
A. Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 53,93.
|
||||
B. Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 47,22 en het bedrag aan onderwijsretributie groot € 82,75.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals hiervoor berekend onder A en B. Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal geldende kosten van bestaan worden om de betalingscapaciteit te kunnen berekenen de navolgende formules gebruikt:
|
||||
|
||||
Formule 1: (P + Q) – R – S = X
|
||||
|
||||
In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul bedraagt.
|
||||
|
||||
Formule 2: X + Y = T
|
||||
|
||||
In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit.
|
||||
|
||||
In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals hiervoor berekend onder A en B. Echter, voor zover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen inkomsten uitstijgt boven het forfaitaire bedrag aan inkomsten als bedoeld onder A of B wordt in dat geval als inkomsten in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het hiervoor bedoelde forfaitaire bedrag aan inkomsten als bedoeld onder A of B.
|
||||
|
||||
#### 26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
|
|
@ -2558,10 +2150,6 @@ Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zij
|
|||
|
||||
De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage – die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar – geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
|
||||
|
||||
#### 26.2.13a. Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
Verstrekkingen die worden ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop geen aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere bijstand, worden niet als inkomen in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
#### 26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen worden opgelegd.
|
||||
|
|
@ -2570,15 +2158,11 @@ Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden
|
|||
|
||||
#### 26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden
|
||||
|
||||
Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Pw (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.
|
||||
|
||||
#### 26.2.15.a. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens
|
||||
|
||||
20177105427-12-201711-12-20172017-22641920177105427-12-201711-12-20172017-22641901-01-2018
|
||||
Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.
|
||||
|
||||
#### 26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren
|
||||
|
||||
Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage – de bijdrage die een gemeente op grond van de Pw van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand – in mindering gebracht.
|
||||
Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage – de bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand – in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
#### 26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP
|
||||
|
||||
|
|
@ -2590,13 +2174,13 @@ Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op
|
|||
|
||||
Van de kunstenaar die in het voorafgaande kalenderjaar geen Wik-uitkering heeft genoten worden de totale inkomsten gesteld op het bedrag van de voor hem geldende bijstandsnorm, met inbegrip van de maximale toeslag.
|
||||
|
||||
#### 26.2.19. Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering
|
||||
#### 26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering
|
||||
|
||||
De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 47 per maand en voor echtgenoten € 106 per maand.
|
||||
De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 54 per maand en voor echtgenoten € 77 per maand.
|
||||
|
||||
#### 26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland
|
||||
|
||||
De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw, wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening gehouden.
|
||||
De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb, wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening gehouden.
|
||||
|
||||
### 26.3. Kwijtschelding van rijksbelastingen voor ondernemers
|
||||
|
||||
|
|
@ -2606,13 +2190,6 @@ Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een saneringsakkoord tus
|
|||
|
||||
Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden zijn uitgewonnen.
|
||||
|
||||
Ook als er geen andere schuldeisers zijn of alleen speciale crediteuren als bedoeld in artikel 26.3.8 van deze leidraad kan de ontvanger kwijtschelding verlenen. De ontvanger zal bij dergelijke saneringsverzoeken de volgende aspecten meewegen in de beoordeling van het verzoek:
|
||||
|
||||
1. Kan de belastingschuldige een verwijt worden gemaakt ter zake van het onbetaald blijven van de belastingschulden (zie artikel 8 van de regeling en artikel 26.1.9 van deze leidraad)?
|
||||
2. Is er sprake van een situatie waarin de belastingschuldige de ontvanger als enig schuldeiser heeft overgelaten door de andere schuldeisers bij voorrang te voldoen (zie artikel 26.3.5 van deze leidraad)?
|
||||
|
||||
De voorwaarden van artikel 22 van de regeling voor medewerking van de ontvanger aan een saneringsakkoord zijn voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### 26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers
|
||||
|
||||
Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of de mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor onbetaald gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit de aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een saneringsakkoord voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt, treedt de ontvanger niet toe tot het akkoord.
|
||||
|
|
@ -2641,16 +2218,6 @@ Voor de berekening van het dubbele percentage dat aan de fiscus moet worden uitg
|
|||
|
||||
Voordat een beoordeling van het aanbod plaatsvindt, moet worden nagegaan of in de periode direct voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek tot sanering wordt ontvangen wellicht extra aflossingen aan bepaalde andere crediteuren hebben plaatsgevonden. Als hiervan sprake is, moet aan de ontvanger – met doorbreking van de eis dat het dubbele percentage moet worden aangeboden – een hoger percentage dan het dubbele ten goede komen.
|
||||
|
||||
Om de totstandkoming van minnelijke saneringsakkoorden van ondernemers te bevorderen, neemt de ontvanger van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 genoegen met ten minste hetzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente crediteuren wordt aangeboden. Voor de toepassing van dit artikel moet daarom voor verzoeken om sanering die in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 zijn ontvangen, in plaats van het dubbele uitkeringspercentage, hetzelfde uitkeringspercentage dat aan concurrente crediteuren op hun vordering zal worden uitgekeerd, worden beoordeeld.
|
||||
|
||||
#### 26.3.5a. Tijdelijk uitkeringspercentage bij saneringsakkoorden
|
||||
|
||||
Om de totstandkoming van minnelijke saneringsakkoorden van ondernemers te bevorderen, neemt de ontvanger van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 genoegen met ten minste hetzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente crediteuren op hun vorderingen wordt aangeboden.
|
||||
|
||||
Voor een saneringsakkoord als bedoeld in artikel 21 van de regeling (zie ook artikel 26.3.1) betekent dit dat de ontvanger daarmee in kan stemmen, als het door hem te ontvangen deel van de belastingschuld, ten minste hetzelfde percentage bedraagt als hetgeen aan concurrente crediteuren die in het akkoord zijn betrokken, op hun vorderingen wordt aangeboden. Dit is van overeenkomstige toepassing in de situatie bedoeld in artikel 26.3.8, tweede gedachtestreepje.
|
||||
|
||||
Deze tijdelijke maatregel is van toepassing op verzoeken om sanering als bedoeld in artikel 21 van de regeling (zie ook artikel 26.3.1) die in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 zijn ontvangen, voor zover het verzoeken betreft van ondernemers die hun onderneming voortzetten.
|
||||
|
||||
#### 26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord
|
||||
|
||||
Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke boete.
|
||||
|
|
@ -2666,21 +2233,10 @@ Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet noodzakelijker
|
|||
– Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op het in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat, staat het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet aan een deelname daaraan door de ontvanger in de weg. Vanzelfsprekend zal in aanmerking moeten worden genomen dat het recht van voorrang van de pandhouder afhankelijk is van – en dus qua belang beperkt is tot – de waarde van het in pand gegeven goed. Voor het niet door pand gedekte gedeelte van zijn vordering kan de pandhouder slechts als concurrent schuldeiser worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder wiens pandrecht betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede volzin, van de wet is voor die zaak lager bevoorrecht dan de fiscus. Voor hem geldt het voorgaande dus niet.
|
||||
– Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde zaak heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van zijn vordering rekening worden gehouden met dat eigendomsvoorbehoud. Het voorgaande is niet van toepassing als de ontvanger met toepassing van het bodemrecht beslag heeft gelegd op deze zaak. In dat geval moet integrale voldoening van de waarde van de bodemzaak worden geëist en voor het restant van de fiscale vordering (ten minste) het dubbele percentage.
|
||||
– Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit te betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van de te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de vordering van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te houden met de te verwachten – maar rechtsgeldig gecedeerde – uit te betalen bedragen.
|
||||
– Dwangcrediteuren. Onder ‘dwangcrediteuren’ worden in dit verband handelscrediteuren verstaan van wie het aannemelijk is dat zij niet bereid zullen zijn aan een akkoord mee te werken, terwijl zonder de betrokkenheid van deze handelscrediteuren de onderneming na de totstandkoming van het saneringsakkoord niet kan worden voortgezet.
|
||||
– De boekhouder of adviseur die stukken moet produceren die voor de beoordeling van een saneringsakkoord nodig zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige betaling van de vordering van de boekhouder of adviseur voor zover deze ziet op die werkzaamheden.
|
||||
– Publieke schuldeisers, indien en voor zover die een vordering hebben op belastingschuldige waarop artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is en die daarom niet mag worden kwijtgescholden, tenzij die vordering vanwege het verwijtbaar handelen of nalaten van belastingschuldige is ontstaan of onbetaald gebleven.
|
||||
|
||||
#### 26.3.9. Betaling bedrag saneringsakkoord
|
||||
Onder ‘dwangcrediteuren’ worden verstaan leveranciers die niet bereid zijn aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming zonder hen niet verder kan werken.
|
||||
|
||||
De betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De ontvanger kan echter toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan indien de belastingschuldige na de sanering het bedrijf of zelfstandig beroep blijft uitoefenen en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen. In het geval de ontvanger betaling in termijnen heeft toegestaan, treedt hij voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de betalingsregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1, 25.6.2 en 25.6.2a van overeenkomstige toepassing waarbij in afwijking van:
|
||||
|
||||
− artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven voor zover die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend;
|
||||
− artikel 25.6.1 van deze leidraad de looptijd van twaalf maanden aanvangt op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking tot kwijtschelding;
|
||||
− artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt;
|
||||
− artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen;
|
||||
− artikel 25.6.2a van deze leidraad het bedrag van het saneringsakkoord in meer dan twaalf maandelijkse termijnen kan worden betaald, indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij het bedrag van het saneringsakkoord niet binnen twaalf maandelijkse termijnen kan voldoen en nakoming van het akkoord is geborgd. Daarnaast hoeft de belastingschuldige met een verklaring van een derde deskundige alleen aannemelijk te maken dat de betalingsproblemen met het saneringsakkoord zullen worden opgelost en dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. De tweede alinea van artikel 25.6.2b van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent kwijtschelding indien het saneringsakkoord in het geheel is nagekomen.
|
||||
Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.
|
||||
|
||||
### 26.4. Administratief beroep
|
||||
|
||||
|
|
@ -2690,15 +2246,13 @@ Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de ontv
|
|||
|
||||
Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger de directeur daarvan in kennis. De ontvanger adviseert de directeur dan om niet aan het beroepschrift tegemoet te komen.
|
||||
|
||||
#### 26.4.2. Administratief beroep of nieuw verzoek om kwijtschelding bij de ontvanger
|
||||
#### 26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding
|
||||
|
||||
De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om kwijtschelding aan als een administratief beroep dat is gericht aan de directeur. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.
|
||||
De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een beroepschrift dat gericht is aan de directeur. Als de ontvanger aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.
|
||||
|
||||
In de hiervoor genoemde situaties geeft de ontvanger een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.
|
||||
De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke, ambtelijke fout.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor de directeur al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om kwijtschelding ter zake van een belastingschuld waarvoor de directeur al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van de directeur bij voor administratief beroep vatbare beschikking.
|
||||
In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de ontvanger een beroepschrift indienen bij de directeur.
|
||||
|
||||
#### 26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding
|
||||
|
||||
|
|
@ -2712,9 +2266,9 @@ Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtscheld
|
|||
|
||||
In alle gevallen waarin de directeur het beroep gegrond oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden.
|
||||
|
||||
#### 26.4.6. Invordering tijdens administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding en ambtshalve behandeling beroepschrift
|
||||
#### 26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding
|
||||
|
||||
Als binnen de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 24 van de regeling een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de behandeling van dit beroepschrift gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.
|
||||
Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de termijn van tien dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.
|
||||
|
||||
Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat – als het belang van de invordering zich daartegen niet verzet – van de directeur mag worden verwacht dat hij alsnog ambtshalve de grieven die in het beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2730,29 +2284,28 @@ Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding had moete
|
|||
|
||||
#### 26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding
|
||||
|
||||
20196619720-12-201910-12-20192019-2421120196619720-12-201910-12-20192019-2421101-01-2020
|
||||
Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of de directeur heeft afwijzend beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger, dan moet de belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) verschuldigde bedrag binnen tien dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de betaaltermijnen die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen. Na deze termijn kan de ontvanger de invordering aanvangen dan wel voortzetten. De termijn van tien dagen geldt niet als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet.
|
||||
|
||||
### 26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen. Tegen het besluit van de ontvanger om geen invorderingsmaatregelen meer te treffen staat geen administratief beroep open.
|
||||
Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel – als dit minder is – de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de ontvanger een nieuwe beschikking, waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is voldaan.
|
||||
Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog openstaande schuld, zal hij aan die beslissing voorwaarden verbinden dan wel daarin een tijdsbepaling opnemen. Anders dan kwijtschelding is een toezegging onder voorwaarden herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, kan de ontvanger zijn eerdere toezegging bij beschikking intrekken. De ontvanger gaat hier pas toe over nadat hij belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de toezegging in te trekken als niet binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden wordt voldaan.
|
||||
|
||||
## 27. Verjaring
|
||||
|
||||
In aansluiting op afdeling 4.4.3.van de Awb en artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
In aansluiting op artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– versnelde invordering en verjaring;
|
||||
– aansprakelijkgestelden en verjaring;
|
||||
– stuiting van de verjaring;
|
||||
– schorsing van de verjaring;
|
||||
– afstand van verjaring;
|
||||
– rente en kosten en verjaring;
|
||||
– verjaring van belastingteruggaven.
|
||||
– rente en kosten en verjaring.
|
||||
|
||||
### 27.1. Versnelde invordering en verjaring
|
||||
|
||||
|
|
@ -2764,9 +2317,9 @@ Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor
|
|||
|
||||
### 27.3. Stuiting van de verjaring
|
||||
|
||||
Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos.
|
||||
De ontvanger stuit de verjaring door de betekening aan de belastingschuldige van een akte van vervolging. Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos.
|
||||
|
||||
Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend. Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige
|
||||
Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend.
|
||||
|
||||
### 27.4. Schorsing van de verjaring
|
||||
|
||||
|
|
@ -2782,11 +2335,7 @@ De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de bel
|
|||
|
||||
### 27.7. Na verjaring geen civiele invordering
|
||||
|
||||
Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de mogelijkheid om een belastingschuld in te vorderen door middel van een dagvaarding.
|
||||
|
||||
### 27.8. Verjaring van belastingteruggaven
|
||||
|
||||
Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is bekendgemaakt.
|
||||
Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de mogelijkheid om in te vorderen door middel van een dagvaarding.
|
||||
|
||||
## 27a. Betalingskorting
|
||||
|
||||
|
|
@ -2801,55 +2350,47 @@ Bij een vermindering van de belastingaanslag kan uitsluitend betalingskorting wo
|
|||
|
||||
In dit geval herberekent de ontvanger de betalingskorting op basis van het nieuwe bedrag van de belastingaanslag en stelt hij dit vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
### 27a.2. Bijzondere situaties
|
||||
|
||||
Om in aanmerking te komen voor de betalingskorting moet de belastingschuldige voor of op de eerste vervaldag het gehele bedrag van de belastingaanslag – formeel verschuldigd op de eerste vervaldag – hebben voldaan. Dit uitgangspunt geldt met name ook, waardoor de betalingskorting derhalve niet zal worden verleend, in de volgende situaties:
|
||||
|
||||
– de belastingschuldige heeft een herzieningsverzoek of bezwaarschrift ingediend en betaalt vooruitlopend op de beslissing uiterlijk op de eerste vervaldag van de aanslag het bedrag dat hij na herziening of vermindering meent verschuldigd te zijn;
|
||||
– de belastingschuldige maakt aanspraak op een belastingteruggave die met de aanslag verrekend kan worden.
|
||||
|
||||
Wanneer de belastingschuldige op of voor de eerste vervaldag van de aanslag een ander bedrag dan de formele belastingschuld heeft betaald, is wat betreft de betaalde maar niet verschenen termijnen het bepaalde in artikel 7.8 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## 28. Invorderingsrente
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– cheque buitenland en invorderingsrente;
|
||||
– correctie berekende invorderingsrente;
|
||||
– vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente;
|
||||
– kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk.
|
||||
– verzuim van de Belastingdienst en invorderingsrente;
|
||||
– rente- of schadevergoeding;
|
||||
– kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk;
|
||||
– verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### 28.1. Cheque buitenland en invorderingsrente
|
||||
|
||||
20092069031-12-200924-12-2009CPP2009/2347M20092069031-12-200924-12-2009CPP2009/2347M01-01-2010
|
||||
Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
|
||||
|
||||
### 28.2. Correctie berekende invorderingsrente
|
||||
|
||||
De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander aanvangstijdstip voor de renteberekening.
|
||||
|
||||
Daarnaast wordt invorderingsrente gecorrigeerd in de volgende gevallen:
|
||||
|
||||
– Voor zover na het in rekening brengen van de invorderingsrente een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen en geen rente wordt vergoed op grond van artikel 28b van de wet. Deze situatie zal zich voordoen:
|
||||
|
||||
– bij vermindering van belastingaanslagen, en;
|
||||
– als een positieve belastingaanslag wordt gevolgd door een negatieve belastingaanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.
|
||||
|
||||
### 28.3. Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente
|
||||
|
||||
Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden verweten aan de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van rente onredelijk en onbillijk is.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.
|
||||
|
||||
### 28.3a. Vermindering in rekening gebrachte invorderingsrente bij uitstel van betaling op grond van
|
||||
|
||||
De ontvanger vermindert in rekening gebrachte invorderingsrente tot nihil, voor zover deze in rekening is gebracht over de periode dat de belastingschuldige uitstel van betaling heeft genoten op grond van artikel 25.4.6.
|
||||
|
||||
### 28.4. Verzuim van de Belastingdienst en invorderingsrente
|
||||
|
||||
20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M01-01-201320122684028-12-201220122684028-12-201201-01-2013Wijziging is herplaatst.
|
||||
Als de behandeling van een bezwaarschrift meer tijd heeft gevergd dan gebruikelijk is, moet de hierdoor belopen rente volledig worden voldaan. Slechts als sprake is van een buitensporig lange behandeling zonder dat de belastingschuldige daarop invloed heeft kunnen uitoefenen, kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan om met betrekking tot de rente een tegemoetkoming te verlenen. Het moet gaan om extreme, schrijnende situaties en de geleden schade moet hoofdzakelijk het gevolg zijn van een duidelijk verzuim van de Belastingdienst.
|
||||
|
||||
De belastingschuldige moet het aan de Belastingdienst te wijten rentenadeel aannemelijk maken. De ontvanger vermindert de rente in overeenstemming met het aangetoonde rentenadeel.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.
|
||||
|
||||
### 28.5. Rente- of schadevergoeding
|
||||
|
||||
20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M01-01-201320122684028-12-201220122684028-12-201201-01-2013Wijziging is herplaatst.
|
||||
Als na formalisering van een uit te betalen bedrag de daadwerkelijke uitbetaling veel langer op zich laat wachten dan gebruikelijk is en deze vertraging is aan de Belastingdienst te wijten, dan vergoedt de ontvanger rente over de periode waarin van vertraging sprake is geweest.
|
||||
|
||||
De ontvanger moet een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om rente- of schadevergoeding motiveren. Als de rechthebbende verzoekt om herziening van de beschikking van de ontvanger, dan stuurt de ontvanger dit verzoek door aan het team Juridische Zaken.
|
||||
|
||||
De ontvanger beslist op een verzoek om rente- of schadevergoeding binnen acht weken. Als dit niet mogelijk is, stelt de ontvanger de verzoeker hiervan in kennis onder vermelding van de termijn waarbinnen wel kan worden beslist.
|
||||
|
||||
### 28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk
|
||||
|
||||
|
|
@ -2859,38 +2400,53 @@ Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De ontvanger
|
|||
|
||||
#### 28.7.1. Vergoeding invorderingsrente
|
||||
|
||||
20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M01-01-201320122684028-12-201220122684028-12-201201-01-2013Wijziging is herplaatst.
|
||||
Als de vermindering van een belastingaanslag tevens een gevolg is van de verrekening van een verlies van een volgend jaar, brengt de ontvanger voor de vergoeding van invorderingsrente een splitsing aan in het bedrag van de vermindering.
|
||||
|
||||
Voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de belastingschuldige voor een vergoeding van invorderingsrente in aanmerking komt, gaat de ontvanger na in hoeverre de belastingaanslag ook zou zijn verminderd als er geen sprake was geweest van verliesverrekening. De ontvanger vergoedt alleen rente over het deel van de vermindering dat ook zonder verliesverrekening zou hebben geleid tot een terug te geven bedrag.
|
||||
|
||||
#### 28.7.2. Verschuldigde invorderingsrente
|
||||
|
||||
20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M20122684028-12-201221-12-2012BLKB2013/M01-01-201320122684028-12-201220122684028-12-201201-01-2013Wijziging is herplaatst.
|
||||
Als een belastingaanslag wordt verminderd als gevolg van een verlies van een volgend jaar, wordt deze vermindering voor de berekening van de invorderingsrente behandeld als een betaling op de belastingaanslag. Als dag van betaling geldt de dagtekening van de verminderingsbeschikking.
|
||||
|
||||
## 28a. en
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 28a en artikel 28b van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 28c
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 28c van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
In het geval dat de bedoelde belastingaanslag geheel of gedeeltelijk is voldaan, wordt over de vermindering geen invorderingsrente vergoed.
|
||||
|
||||
## 29
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 30. Beschikking invorderingsrente
|
||||
## 30. Beschikking betalingskorting en invorderingsrente
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– beschikking terug te nemen betalingskorting;
|
||||
– verzoek tot vermindering rente is bezwaar;
|
||||
– invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie.
|
||||
– betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie;
|
||||
– teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling;
|
||||
– geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting.
|
||||
|
||||
### 30.1. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar
|
||||
### 30.1. Beschikking terugnemen betalingskorting
|
||||
|
||||
De ontvanger informeert de belastingschuldige ook bij voor bezwaar vatbare beschikking over de terug te nemen betalingskorting na een vermindering en de verrekening van die betalingskorting met de vermindering.
|
||||
|
||||
### 30.2. Verzoek tot vermindering rente is bezwaar
|
||||
|
||||
Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.
|
||||
|
||||
### 30.2. Invorderingsrente – (hoger) beroep en cassatie
|
||||
### 30.3. Betalingskorting en invorderingsrente – (hoger) beroep en cassatie
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de invorderingsrente relevant zijn.
|
||||
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de regeling betalingskorting dan wel invorderingsrente relevant zijn.
|
||||
|
||||
### 30.4. Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling
|
||||
|
||||
Als om uitstel van betaling wordt verzocht voor een teruggenomen betalingskorting is het beleid van artikel 25 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Hiervan kan sprake zijn als de ontvanger de teruggenomen betalingskorting bij vergissing niet heeft verrekend met het uit te betalen bedrag van de vermindering.
|
||||
|
||||
Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze leidraad en artikel 34 van de regeling van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### 30.5. Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting
|
||||
|
||||
De wet voorziet niet in een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij de ontvanger de betalingskorting niet verleent. Dit heeft tot gevolg dat tegen het besluit van de ontvanger om de vastgestelde betalingskorting niet in aanmerking te nemen, het rechtsmiddel van bezwaar niet openstaat.
|
||||
|
||||
Als een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het niet verlenen van de betalingskorting, verklaart de ontvanger de belanghebbende niet-ontvankelijk.
|
||||
|
||||
## 31. en
|
||||
|
||||
|
|
@ -2909,13 +2465,9 @@ In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing v
|
|||
|
||||
In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid is zich te disculperen.
|
||||
|
||||
### 32.2. Gemeenschapsschulden
|
||||
### 32.2. Gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid
|
||||
|
||||
De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld.
|
||||
|
||||
### 32.3. Belastingrente, heffingsrente en aansprakelijkheid
|
||||
|
||||
20186865121-12-201806-12-20182018-3071720186865121-12-201806-12-20182018-3071701-01-2019
|
||||
De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld. De ontbinding van een goederengemeenschap ontheft de echtgenoten niet van hun aansprakelijkheid voor gemeenschapsschulden die zijn ontstaan vóór de ontbinding van de gemeenschap. Ieder van de echtgenoten blijft aansprakelijk voor het geheel van de gemeenschapsschulden waarvoor hij/zij voordien aansprakelijk was.
|
||||
|
||||
## 33. Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle rijksbelastingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -2954,43 +2506,30 @@ De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de belastingschuld
|
|||
|
||||
### 33.5. Bestuurder bij aansprakelijkheid
|
||||
|
||||
20177105427-12-201711-12-20172017-22641920177105427-12-201711-12-20172017-22641901-01-2018
|
||||
Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in het Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als bestuurder aangemerkt degene die zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen.
|
||||
|
||||
### 33.6. Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid
|
||||
|
||||
De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is ontstaan.
|
||||
|
||||
### 33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers
|
||||
|
||||
Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten.
|
||||
|
||||
Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.
|
||||
|
||||
Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen.
|
||||
|
||||
## 33a. Aansprakelijkheid van begunstigden
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 33a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 34. Inlenersaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 34 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– vervoersovereenkomsten en huur van bemand materieel;
|
||||
– huurder bemand materieel ook inlener;
|
||||
– extraterritoriale werking van de inlenersaansprakelijkheid;
|
||||
– volgorde aansprakelijkstelling bij inlening;
|
||||
– inlening en g-rekening;
|
||||
– rechtstreekse storting door inlener bij de B/CA;
|
||||
– disculpatie van de inlener;
|
||||
– verklaring betalingsgedrag uitlener;
|
||||
– de omvang van de aansprakelijkheid.
|
||||
|
||||
### 34.1. Vervoersovereenkomsten en huur van bemand materieel
|
||||
### 34.1. Huurder bemand materieel ook inlener
|
||||
|
||||
Degene die uitsluitend personeel inhuurt voor het verrichten van vervoer over de weg is hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 34 van de wet als de werkzaamheden onder zijn toezicht of leiding plaatsvinden. Degene die een vervoersovereenkomst afsluit met een vervoerder (de huur van bemand materieel daaronder begrepen) is in beginsel hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 34 van de wet mits de werkzaamheden die aan het vervoer zijn verbonden onder zijn toezicht of leiding plaatsvinden. Er is geen sprake van toezicht of leiding van de inlener als:
|
||||
Degene die materieel inhuurt met inbegrip van het bedienend personeel is in beginsel hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 34 van de wet als de werkzaamheden onder zijn toezicht of leiding plaatsvinden. In dat geval kwalificeert de huurder van het materieel zich namelijk tevens als (aansprakelijke) inlener van bedienend personeel.
|
||||
|
||||
– het vervoer – al dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde – plaatsvindt op basis van een vervoersovereenkomst waarop de bepalingen van Titel 13, Afdeling 2 van boek 8 BW (artikel 8:1090 e.v. waaronder in ieder geval art 8:1131 BW (retentierecht vervoerder)) van toepassing zijn; en
|
||||
– tenminste de voorwaarden opgenomen in de artikelen 4, 5, 6 en 10 van de Algemene Vervoerscondities (AVC) 2002 van toepassing zijn; en
|
||||
– een vrachtbrief is opgemaakt voor zover deze bij of krachtens wettelijk voorschrift verplicht is.
|
||||
Er is geen sprake van werkzaam zijn onder toezicht of leiding van de inlener, als bij de terbeschikkingstelling van werknemers met materieel, dat materieel van zodanige aard is dat de bediening ervan bijzondere eisen stelt aan kennis en ervaring van het personeel, en die kennis en ervaring bij het inlenende bedrijf niet aanwezig is.
|
||||
|
||||
Als de overeenkomst tussen de verhuurder en de huurder gekwalificeerd moet worden als aanneming van werk, wordt de huurder van het bemande materieel niet op grond van artikel 34 van de wet aansprakelijk gesteld, maar op grond van artikel 35 van de wet (ketenaansprakelijkheid).
|
||||
|
||||
|
|
@ -3006,103 +2545,37 @@ In situaties waar sprake is van doorlenen, alsmede in situaties als bedoeld in a
|
|||
|
||||
Op de volgorde waarin de ontvanger deze derden aansprakelijk stelt, is het bepaalde in artikel 35.11 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. In doorleensituaties betekent dit dat de ontvanger de doorlener als eerste aansprakelijk stelt en pas daarna de uiteindelijke inlener.
|
||||
|
||||
#### 34.3.1. VAR-wuo of VAR-row in plaats van VAR-dga
|
||||
### 34.4. inlening en g-rekening
|
||||
|
||||
20186865121-12-201806-12-20182018-3071720186865121-12-201806-12-20182018-3071701-01-2019
|
||||
#### 34.4.1. Vrijwaring van aansprakelijkheid doorbetaling via de g-rekening van de uitlener
|
||||
|
||||
### 34.4. Inlenersaansprakelijkheid en g-rekening
|
||||
Een g-rekeningovereenkomst kan slechts worden gesloten met de uitlener van arbeidskrachten wiens bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend tegen vergoeding personeel uitleent, dan wel wiens bedrijf – naar redelijkerwijs mag worden aangenomen – op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven.
|
||||
|
||||
#### 34.4.1. Vrijwaring inlenersaansprakelijkheid door betaling via de g-rekening
|
||||
|
||||
Voor de vrijwaring als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
|
||||
|
||||
Als de inlener niet heeft voldaan aan deze voorwaarden, vermindert de ontvanger de primaire aansprakelijkheidsschuld slechts met de stortingen op de g-rekening die de ontvanger hebben bereikt. Om dit laatste te bepalen, zal de ontvanger alle betalingen die de uitlener van zijn g-rekening voor het naheffingtijdvak heeft verricht, optellen en het bedrag van de gekwalificeerde g-betalingen van de som aftrekken. Het saldo van deze berekening rekent de ontvanger toe naar evenredigheid van de g-betalingen met betrekking tot het naheffingtijdvak aan de inleners die niet aan de gestelde voorwaarden hebben voldaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de vrijwarende stortingen zoals hiervoor is aangegeven, met de uitkomst van de berekening zoals in artikel 34.8.1 van deze leidraad is toegelicht. In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.
|
||||
|
||||
#### 34.4.2. Inlenersaansprakelijkheid bij WSNP of faillissement uitlener
|
||||
|
||||
De ontvanger kan de inlener ook aansprakelijk stellen voor bedragen die vanaf de datum van het faillissement van de uitlener op diens g-rekening zijn bijgeschreven, aangezien op die bedragen geen pandrecht meer wordt gevestigd zodat de ontvanger daarop geen bijzondere aanspraken meer kan doen gelden. De bedragen die na faillissementsdatum zijn gestort, vallen in de boedel en kunnen niet meer worden afgeboekt op de belastingschuld.
|
||||
|
||||
Dit geldt ook voor bedragen die op de g-rekening zijn bijgeschreven vanaf de datum van de uitspraak tot toepassing van de WSNP. Ook in verband met de afwikkeling van de WSNP of het faillissement (door de bewindvoerder onderscheidenlijk door de curator), vinden eventuele aansprakelijkstellingen door de ontvanger zo spoedig mogelijk plaats na de datum waarop de WSNP of het faillissement is uitgesproken.
|
||||
|
||||
#### 34.4.3. Wanprestatie/onrechtmatig handelen en inlenersprakelijkheid
|
||||
|
||||
De ontvanger kan zich beroepen op toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) van een g-rekeninghouder, als deze bedragen van de g-rekening heeft overgeboekt in strijd met de g-rekeningovereenkomst waardoor het pandrecht van de fiscus is gefrustreerd. De g-rekeninghouder die deze bedragen op zijn g-rekening ontvangt, begaat een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) als hij deze bedragen niet onmiddellijk terugstort op de g-rekening van de storter.
|
||||
|
||||
Een beroep op onrechtmatig handelen behoort eveneens tot de mogelijkheden. Dit betekent dat de ontvanger moet bewijzen dat is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer gepast is en dat hij schade heeft geleden.
|
||||
|
||||
Er is al sprake van in strijd handelen met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer gepast is, als een g-rekeninghouder bedragen stort of ontvangt terwijl hij wist dat er geen sprake was van inlening en hij deze bedragen niet heeft teruggestort. De schade bestaat uit de niet op de g-rekening verhaalbare loonheffingen en omzetbelasting zoals die ten tijde van de onttrekking verschuldigd zijn en/of later verschuldigd worden, één en ander tot ten hoogste het onttrokken bedrag.
|
||||
|
||||
Betaling op de g-rekening van een uitlener/opdrachtnemer die ook een zelfstandige zonder personeel levert, levert in beginsel geen oneigenlijk gebruik van de g-rekening op.
|
||||
|
||||
#### 34.4.4. Surseance en inlenersaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
Zodra de ontvanger bekend is met een surseanceverlening, verzoekt hij de bewindvoerder schriftelijk of hij – binnen een door de ontvanger te stellen termijn – schriftelijk wil instemmen met de vestiging van een pandrecht op de saldi op de g-rekening die ontstaan vanaf de datum van surseanceverlening.
|
||||
|
||||
Als de bewindvoerder instemming weigert, dan zegt de ontvanger de g-rekening onmiddellijk op.
|
||||
Het kan voorkomen dat degene die feitelijk optreedt als uitlener reeds door onderaannemerschap beschikt over een g-rekening. In dat geval zal de inlener die gebruik maakt van die g-rekening, vrijwaring verkrijgen op de voet van artikel 34, derde en zesde lid, van de wet. Dit betekent dus dat de uitlener feitelijk niet beschikt over het juiste type g-rekening, maar dat dit de vrijwaring niet in de weg staat.
|
||||
|
||||
### 34.5. Rechtstreekse storting door inlener bij de B/CA
|
||||
|
||||
20153563716-10-201509-10-2015BLKB2015/1277M20153563716-10-201509-10-2015BLKB2015/1277M01-01-2016Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
Als de inlener voor de uitlener de verschuldigde loonheffingen en omzetbelasting waarvoor hij aansprakelijk is rechtstreeks heeft gestort bij de B/CA, dan strekt deze betaling tot vermindering van de primaire aansprakelijkheid (ontstaan uit de wet ten tijde van de verloning respectievelijk het verrichten van de dienst), mits de betaling voldoende is gespecificeerd.
|
||||
|
||||
De betaling is in elk geval voldoende gespecificeerd als naast de gegevens van de uitlener zijn vermeld:
|
||||
|
||||
– diens loonbelastingnummer respectievelijk omzetbelastingnummer;
|
||||
– het betreffende factuurnummer;
|
||||
– de periode waarin het werk is verricht.
|
||||
|
||||
Rechtstreekse storting van de verschuldigde loonheffingen en omzetbelasting moet bij afzonderlijke betalingen plaatsvinden.
|
||||
|
||||
### 34.6. Disculpatie van de inlener
|
||||
|
||||
De vraag of sprake is van disculpatie – hetgeen de aansprakelijke inlener(s) aannemelijk zal moeten maken – moet de ontvanger steeds op individuele basis beoordelen.
|
||||
|
||||
De inlener van uitzendondernemingen die voldoen aan de voorwaarden opgenomen in artikel 34.6.1 of 34.6.2 van deze leidraad, heeft automatisch recht op disculpatie van artikel 34, vijfde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
#### 34.6.1. Voorwaarden disculpatie van inlener van SNA-gecertificeerde uitzendondernemingen
|
||||
|
||||
De inlener die inleent van een uitzendonderneming kan onder bepaalde voorwaarden disculpatie verkrijgen. Deze voorwaarden zijn:
|
||||
|
||||
– De uitzendonderneming voldoet aan de NEN-4400-1 of 4400-2 norm en is opgenomen in het register van de Stichting Normering Arbeid (SNA).
|
||||
– De inlener stort 25% van de factuur (inclusief omzetbelasting) op de G-rekening van de in het SNA-register opgenomen uitzendonderneming. Bij verlegging van de omzetbelasting is dit 20%.
|
||||
– De betaling op de G-rekening voldoet aan de voorwaarden voor vrijwarende betalingen op een G-rekening (artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004). Dit houdt onder andere het volgende in:
|
||||
– De factuur van de uitlener voldoet aan de eisen die de Wet op de omzetbelasting daaraan stelt en moet daarnaast vermelden:
|
||||
|
||||
• het nummer of het kenmerk – voor zover aanwezig – van de overeenkomst waarop de factuur ziet;
|
||||
• het tijdvak of de tijdvakken waarin de gefactureerde prestatie is verricht en
|
||||
• de benaming of kenmerk van het werk.
|
||||
– De inlener vermeldt bij de betaling het factuurnummer en ook andere identificatiegegevens van de factuur, voor zover van toepassing.
|
||||
– De administratie van de inlener is zodanig ingericht dat daaruit direct kunnen worden teruggevonden, de gegevens over de overeenkomst, de omvang van de aansprakelijkheid (manurenadministratie) en de betalingen.
|
||||
|
||||
Naast deze voorwaarden op grond van artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004, moet de inlener
|
||||
|
||||
– de identiteit van de ingeleende werknemer kunnen aantonen en
|
||||
– kunnen aantonen dat de werknemer over een geldige verblijfs- of tewerkstellingvergunning beschikt, voor zover van toepassing.
|
||||
|
||||
De inlener kan de identiteit van de ingeleende werknemer aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de arbeidskracht op te nemen:
|
||||
|
||||
– naam-, adres- en woonplaatsgegevens;
|
||||
– de geboortedatum;
|
||||
– het burgerservicenummer;
|
||||
– een specificatie van de gewerkte uren;
|
||||
– de nationaliteit;
|
||||
– het soort identiteitsbewijs, het nummer en de geldigheidsduur;
|
||||
– als dat van toepassing is, de aanwezigheid van een A1-verklaring, verblijfsvergunning, tewerkstellingsvergunning of notificatie;
|
||||
– naam-, adres- en woonplaats van de uitlener en het inschrijvingsnummer van de uitlener bij de Kamer van Koophandel.
|
||||
|
||||
#### 34.6.2. Alternatief voor het storten op de G-rekening voor in een OESO-land beursgenoteerde uitzendondernemingen
|
||||
|
||||
Uitzendondernemingen die beursgenoteerd zijn in een OESO-land kunnen voor bedrijfsonderdelen die NEN 4400-1 of 4400-2 gecertificeerd zijn, zekerheid stellen als alternatief voor het storten op de G-rekening. Deze zekerheid gaat in de vorm van bankgarantie waarop de ontvanger een beroep kan doen als één (of meer) van genoemde bedrijfsonderdelen de loonheffingen en/of de omzetbelasting niet afdraagt (afdragen). De bankgarantie bedraagt 9% van de door alle gecertificeerde bedrijfsonderdelen van de uitzendonderneming over het voorafgaande jaar totaal verschuldigde bedrag aan loonheffingen en omzetbelasting.
|
||||
|
||||
Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat een beursgenoteerde uitzendonderneming een alternatief voor de bankgarantie voorlegt aan de ontvanger. De ontvanger beoordeelt of het alternatief gelijkwaardig is aan de bankgarantie. Als het alternatief voldoet, keurt de ontvanger het alternatief goed door middel van een beschikking.
|
||||
|
||||
De voorwaarden die aan dit alternatief worden gesteld, zijn:
|
||||
|
||||
• Het gemak van uitwinnen en de zekerheid van verhaal moet gelijkwaardig zijn aan het bestaande eerste pandrecht van de ontvanger op de G-rekening;
|
||||
• Het moet gaan om een garantie gelijkwaardig aan een bankgarantie.
|
||||
|
||||
#### 34.6.3. Overgangsregeling
|
||||
|
||||
De regeling als bedoeld in de artikelen 34.6.1 en 34.6.2 gaat in per 1 juli 2012. Vóór 1 juli 2012 geldt dat inleners vrijwaring kunnen krijgen tot het bedrag van de stortingen op de G-rekening. Als de periode van inlening zowel onder de oude als de nieuwe regeling valt, geldt de volgende overgangsregeling. Stortingen op de G-rekening die na 1 juli worden gedaan en die zien op inlening vóór 1 juli 2012 (en dus gerelateerd moeten worden aan termijnen verschuldigde loonheffingen en/of omzetbelasting vóór 1 juli 2012) volgen de oude regeling (vrijwaring tot het bedrag van de storting). Voor de stortingen gedaan na 1 juli 2012 die betrekking hebben op inlening van na die datum geldt het nieuwe regime.
|
||||
In dit verband geldt dat aan branche-initiatieven die erop zijn gericht eventuele malversaties bij aangesloten uitzendbedrijven tegen te gaan, geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend.
|
||||
|
||||
### 34.7. Verklaring betalingsgedrag uitlener
|
||||
|
||||
Op verzoek geeft de ontvanger een verklaring af over het betalingsgedrag van de uitlener. De verklaring betreft de geformaliseerde loonheffingen en omzetbelasting op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring biedt geen garantie dat de materieel verschuldigde loonheffingen en omzetbelasting ten volle zijn voldaan.
|
||||
|
||||
Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener, betrekt de ontvanger de omzetbelasting van de fiscale eenheid in de af te geven verklaring.
|
||||
Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener, betrekt de ontvanger de omzetbelasting niet in de af te geven verklaring. In dat geval is niet de feitelijke uitlener maar de fiscale eenheid voor de omzetbelasting de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
Op de procedure voor de afgifte van de verklaring alsmede op de inhoud ervan, is het bepaalde in artikel 35.12 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3120,34 +2593,21 @@ Als afdrachten/betalingen redelijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepa
|
|||
|
||||
#### 34.8.2. Inlenersaansprakelijkheid en anoniementarief
|
||||
|
||||
De inlener is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door de uitlener over het werk zijn verschuldigd. Dit geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet die zonder toepassing van het maximumpremieloon, respectievelijk het maximumbijdrageloon zijn berekend.
|
||||
De inlener die zich niet met vrucht op disculpatie kan beroepen, is in beginsel ten volle aansprakelijk voor de loonheffingen die verschuldigd zijn in verband met het verrichten van de werkzaamheden door de werknemer van de uitlener. Dit geldt ook als de inspecteur deze loonheffingen heeft berekend met toepassing van het anoniementarief.
|
||||
|
||||
De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als:
|
||||
De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als de inlener op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon voor die werkzaamheden kan worden geïndividualiseerd. De inlener kan dit bijvoorbeeld doen door een door hemzelf bijgehouden administratie over te leggen waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:
|
||||
|
||||
– de inlener de identiteit van de arbeidskracht kan aantonen;
|
||||
– de inlener desgevraagd kan aantonen dat de arbeidskracht over een geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning beschikt;
|
||||
– de inlener gegevens overlegt aan de hand waarvan het loon van de arbeidskracht voor zijn werkzaamheden kan worden geïndividualiseerd.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de inlener de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden door de ingeleende arbeidskrachten. Als mocht blijken dat het in de administratie van de inlener opgenomen burgerservicenummer van de arbeidskracht onjuist is, zal de inlener in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste burgerservicenummer te overleggen.
|
||||
|
||||
De inlener kan de identiteit van de arbeidskracht aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de arbeidskracht op te nemen:
|
||||
|
||||
– naam-, adres- en woonplaatsgegevens;
|
||||
– de naam-, adres- en woonplaatsgegevens;
|
||||
– de geboortedatum;
|
||||
– het burgerservicenummer;
|
||||
– het BSN/sofinummer van de werknemer;
|
||||
– een specificatie van de gewerkte uren;
|
||||
– de nationaliteit;
|
||||
– het soort identiteitsbewijs, het nummer en de geldigheidsduur;
|
||||
– als dat van toepassing is, de aanwezigheid van een A1-verklaring, verblijfsvergunning, tewerkstellingsvergunning of notificatie;
|
||||
– naam-, adres- en woonplaats van de uitlener en het inschrijvingsnummer van de uitlener bij de Kamer van Koophandel.
|
||||
– een kopie van het identiteitsbewijs.
|
||||
|
||||
De administratie moet ook een adequate procedure bevatten aan de hand waarvan de identificatie van de arbeidskracht, de verificatie van het identiteitsbewijs en de vastlegging van de persoonsgegevens plaatsvindt. Deze procedure moet ten minste voldoen aan de bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming, de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en de Richtsnoeren van de Autoriteit Persoonsgegevens. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen aan de hand van herrekeningsregels. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling, maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepfase. Dit gebeurt aan de hand van de volgende herrekeningsregels.
|
||||
Als mocht blijken dat het in de administratie van de inlener opgenomen BSN/sofinummer van de werknemer onjuist is, zal de inlener in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste BSN/sofinummer over te leggen. Als de inlener de identiteit van de werknemer kan aantonen en hij legt tevens de gegevens over aan de hand waarvan het loon van de werknemer kan worden geïndividualiseerd, dan zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling, maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase en dit gebeurt aan de hand van de volgende herrekeningsregels.
|
||||
|
||||
In het geval van matiging wordt bij de brutering van het loon – althans voor zover het de loonbelasting en premie volksverzekeringen betreft – gebruik gemaakt van een marginaal percentage. Het marginale tarief is de uitkomst van een berekening waarbij het (gewogen) gemiddelde tarief dat behoort bij de laagste (geknipte) tariefschijf ex artikel 20a juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt vermenigvuldigd met twee, vervolgens wordt geteld bij het tarief dat behoort bij de tweede tariefschijf (t.a.p.) waarna de som wordt gedeeld door drie. De loonbelasting/premie volksverzekeringen over de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage.
|
||||
Het voor de werkzaamheden betaalde loon van de werknemer wordt gebruteerd met gebruikmaking van een marginaal percentage, dat wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de ‘geknipte’ tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
|
||||
|
||||
De berekening van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet vindt plaats alsof de identiteit van de arbeidskrachten waarvoor de inlener om matiging verzoekt op het moment van inhouding vaststond. De uitkomst van die berekening vormt het bedrag waarvoor de inlener na matiging aansprakelijk gesteld kan worden.
|
||||
|
||||
Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat en niet de positie van de inhoudingsplichtige of die van andere aansprakelijken voor de naheffingsaanslag beïnvloedt, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35.5.1 en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34.8.1 van deze leidraad.
|
||||
De belasting over de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat, en niet de positie van de inhoudingsplichtige of die van andere aansprakelijken voor de naheffingsaanslag beïnvloedt, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35.5.1 en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34.8.1 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Deze ‘tariefmatiging’ – die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag – vindt niet plaats als de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener met anoniem personeel werkte. De beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft daardoor achterwege.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3157,9 +2617,7 @@ Als de ontvanger – voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan – ten
|
|||
|
||||
Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de inlener, zal de ontvanger het verhaalde bedrag vanwege het eerdere derdenbeslag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen, als blijkt dat zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag – ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt – als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger, beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van inlening) tussen de inlener en de uitlener. De hier bedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35.5.1 van deze leidraad dat van overeenkomstige toepassing is verklaard, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34.8.1 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
### 34.9. Latere brutering en inlenersaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
De inlener is ook aansprakelijk voor de loonheffingen die verschuldigd zijn als gevolg van een latere brutering. Een latere brutering kan zich bijvoorbeeld voordoen als blijkt dat de uitlener de nageheven loonheffingen niet op zijn werknemer(s) heeft verhaald en dus voor eigen rekening neemt. De loonheffingen die als gevolg van dit 'voor eigen rekening nemen' verschuldigd zijn, worden aangemerkt als 'belasting ter zake van het werk'.
|
||||
Als in verband met het voorgaande de aansprakelijke inlener onder wie derdenbeslag is gelegd, zich in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de uitlener, dan verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de inlener niet aansprakelijk zal houden voor de in totaal af te dragen geldsommen als gevolg van het derdenbeslag.
|
||||
|
||||
## 35. Ketenaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -3170,6 +2628,7 @@ In aansluiting op artikel 35 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
– het begrip eigenbouwer;
|
||||
– extraterritoriale werking van de ketenaansprakelijkheid;
|
||||
– ketenaansprakelijkheid en g-rekening;
|
||||
– rechtstreekse storting en ketenaansprakelijkheid;
|
||||
– samenloop derdenbeslag en ketenaansprakelijkheid;
|
||||
– (niet-)verwijtbaarheid en ketenaansprakelijkheid;
|
||||
– het anoniementarief en ketenaansprakelijkheid;
|
||||
|
|
@ -3199,9 +2658,9 @@ Niet elke arbeid die resulteert in een tastbaar product kan worden gerekend tot
|
|||
|
||||
Vervaardiging van kleding is een werk van stoffelijke aard en moet ruim worden opgevat. Het gaat om het vervaardigen van kleding van alle soorten en materialen onder welke benaming en voor welk doel dan ook. Hieronder valt ook elke handeling die erop gericht is het eindproduct zelf consumptiegereed (in de meest ruime zin) te maken.
|
||||
|
||||
#### 35.2.2. Vervoersovereenkomsten en werk van stoffelijke aard
|
||||
#### 35.2.2. Zuivere vervoersovereenkomsten en werk van stoffelijk aard
|
||||
|
||||
Vervoersovereenkomsten als bedoeld in artikel 34.1 vallen buiten de werking van artikel 35 van de wet, omdat geen sprake is van een werk van stoffelijke aard. Als het vervoer echter onderdeel uitmaakt van en ondergeschikt is aan een overeenkomst tot uitvoering van een werk van stoffelijke aard, dan moet dat vervoer niet worden afgesplitst van dat grotere geheel.
|
||||
Zuivere vervoersovereenkomsten vallen buiten de werking van artikel 35 van de wet, omdat geen sprake is van een werk van stoffelijke aard. Als het vervoer echter onderdeel uitmaakt van en ondergeschikt is aan een overeenkomst tot uitvoering van een werk van stoffelijke aard, dan moet dat vervoer niet worden afgesplitst van dat grotere geheel.
|
||||
|
||||
Bij de gemengde overeenkomsten waarin de vervoersprestatie niet ondergeschikt is aan het overeengekomen werk van stoffelijke aard, moeten de onderscheiden prestaties in beginsel worden gesplitst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3258,7 +2717,7 @@ Een bedrijf dat bij de feitelijke uitvoering van een bepaald werk zelf geen werk
|
|||
|
||||
#### 35.3.5. Woningcorporaties en eigenbouwerschap
|
||||
|
||||
Woningcorporaties en andere op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet ‘toegelaten instellingen’ oefenen in beginsel een bedrijf uit. Als voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt uitgevoerd – hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur – en het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan incidenteel gebeurt, is de corporatie eigenbouwer. De corporatie moet dan een zodanige ervaring en kennis hebben met betrekking tot het bouwen, dat zij door hiervan gebruik te maken feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.
|
||||
Woningcorporaties en andere op grond van artikel 70, eerste lid, van de Woningwet ‘toegelaten instellingen’ oefenen in beginsel een bedrijf uit. Als voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt uitgevoerd – hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur – en het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan incidenteel gebeurt, is de corporatie eigenbouwer. De corporatie moet dan een zodanige ervaring en kennis hebben met betrekking tot het bouwen, dat zij door hiervan gebruik te maken feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.
|
||||
|
||||
#### 35.3.6. Gemeentelijke grondbedrijven en eigenbouwerschap
|
||||
|
||||
|
|
@ -3288,7 +2747,7 @@ Voor de vrijwaring als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de wet, moet zijn
|
|||
|
||||
Als de aannemer niet heeft voldaan aan deze voorwaarden, vermindert de ontvanger de primaire aansprakelijkheidsschuld slechts met de stortingen op de g-rekening die de ontvanger hebben bereikt. Om dit laatste te bepalen zal de ontvanger alle betalingen die de onderaannemer van zijn g-rekening voor het naheffingtijdvak heeft verricht, optellen en het bedrag van de gekwalificeerde g-betalingen van de som aftrekken. Het saldo van deze berekening rekent de ontvanger toe naar evenredigheid van de g-betalingen met betrekking tot het naheffingtijdvak aan de aannemers die niet aan de gestelde voorwaarden hebben voldaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de vrijwarende stortingen zoals hiervoor is aangegeven, met de uitkomst van de berekening zoals in artikel 35.1 van deze leidraad is toegelicht. In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.
|
||||
De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de ‘vrijwaringen’ als hiervoor toegelicht en/of met de vrijwaring als gevolg van rechtstreekse storting (zie artikel 35.6 van deze leidraad, met de uitkomst van de berekening als in artikel 35.1 van deze leidraad toegelicht). In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.
|
||||
|
||||
#### 35.5.2. Ketenaansprakelijkheid bij WSNP of faillissement onderaannemer
|
||||
|
||||
|
|
@ -3308,17 +2767,27 @@ Er is al sprake van in strijd handelen met de zorgvuldigheid die in het maatscha
|
|||
|
||||
Zodra de ontvanger bekend is met een surseanceverlening, verzoekt hij de bewindvoerder schriftelijk of hij – binnen een door de ontvanger te stellen termijn – schriftelijk wil instemmen met de vestiging van een pandrecht op de saldi op de g-rekening die ontstaan vanaf de datum van surseanceverlening.
|
||||
|
||||
Als de bewindvoerder instemming weigert, dan zegt de ontvanger de g-rekeningovereenkomst onmiddellijk op.
|
||||
Als de bewindvoerder instemming weigert, dan zegt de ontvanger de g-rekening onmiddellijk op.
|
||||
|
||||
### 35.6. Rechtstreekse storting en ketenaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
#### 35.6.1. Rechtstreekse storting door aannemer
|
||||
|
||||
20153563716-10-201509-10-2015BLKB2015/1277M20153563716-10-201509-10-2015BLKB2015/1277M01-01-2016Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
Als de aannemer ten behoeve van zijn onderaannemer de over het werk verschuldigde loonheffingen rechtstreeks heeft gestort bij de B/CA, dan strekt deze betaling tot vermindering van de primaire aansprakelijkheid mits de betaling voldoende is gespecificeerd.
|
||||
|
||||
De betaling is in elk geval voldoende gespecificeerd als naast de gegevens van de onderaannemer zijn vermeld:
|
||||
|
||||
– diens loonbelastingnummer;
|
||||
– de benaming van het werk;
|
||||
– de periode waarin het werk is verricht.
|
||||
|
||||
De rechtstreekse stortingen worden betrokken in de vergelijking als bedoeld in artikel 35.5.1 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
#### 35.6.2. Rechtstreekse storting door aannemer na WSNP, faillissement of surséance
|
||||
|
||||
20153563716-10-201509-10-2015BLKB2015/1277M20153563716-10-201509-10-2015BLKB2015/1277M01-01-2016Artikel II van Stcrt. 2015/35637 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
|
||||
Als de rechtstreekse storting door de aannemer of inlener plaatsvindt of wordt ontvangen na uitspraak van de WSNP of van het faillissement van de onderaannemer of uitlener dan wel na het verlenen van surseance aan de onderaannemer of uitlener, dan kan het ten behoeve van de onderaannemer of uitlener gestorte bedrag worden aangewend ter afboeking op diens belastingschuld.
|
||||
|
||||
Het bedrag hoeft dus niet te worden gerestitueerd aan de bewindvoerder of de curator. Het bepaalde in artikel 35.6.1 van deze leidraad is van toepassing.
|
||||
|
||||
### 35.7. Samenloop derdenbeslag en ketenaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -3328,6 +2797,8 @@ Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de aannemer, zal de ontvanger
|
|||
|
||||
De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35.5.1 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Als in verband met het voorgaande de aansprakelijke aannemer onder wie derdenbeslag is gelegd zich in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring, beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de onderaannemer, dan verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de aannemer niet aansprakelijk zal stellen voor de in totaal af te dragen geldsommen als gevolg van het derdenbeslag.
|
||||
|
||||
### 35.8. (Niet-)verwijtbaarheid en ketenaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
#### 35.8.1. Gehele keten moet niet-verwijtbaar zijn
|
||||
|
|
@ -3358,32 +2829,19 @@ In de navolgende omstandigheden is sprake van verwijtbaarheid tenzij deze omstan
|
|||
|
||||
### 35.9. Het anoniementarief en ketenaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
De aannemer is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door zijn onderaannemer over het werk zijn verschuldigd. Dit geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet die zonder toepassing van het maximumpremieloon, respectievelijk het maximumbijdrageloon zijn berekend.
|
||||
De aannemer is aansprakelijk voor de loonheffingen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door zijn onderaannemer over het werk zijn verschuldigd.
|
||||
|
||||
De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als:
|
||||
|
||||
– de aannemer de identiteit van de werknemer kan aantonen;
|
||||
– de aannemer desgevraagd kan aantonen dat de werknemer over een geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning beschikt;
|
||||
– de aannemer gegevens overlegt aan de hand waarvan het loon van de werknemer voor zijn werkzaamheden kan worden geïndividualiseerd.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de aannemer de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Als mocht blijken dat het in de administratie van de aannemer opgenomen burgerservicenummer van de werknemer onjuist is, zal de aannemer in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste burgerservicenummer te overleggen.
|
||||
|
||||
De aannemer kan de identiteit van de werknemer aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de werknemer op te nemen:
|
||||
De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als de aannemer op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon over het werk kan worden geïndividualiseerd. De aannemer kan dit bijvoorbeeld doen door een door hemzelf bijgehouden administratie over te leggen waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:
|
||||
|
||||
– naam-, adres- en woonplaatsgegevens;
|
||||
– de geboortedatum;
|
||||
– het burgerservicenummer;
|
||||
– het BSN/sofinummer van de werknemer;
|
||||
– een specificatie van de gewerkte uren;
|
||||
– de nationaliteit;
|
||||
– het soort identiteitsbewijs, het nummer en de geldigheidsduur;
|
||||
– als dat van toepassing is, de aanwezigheid van een A1-verklaring, verblijfsvergunning, tewerkstellingsvergunning of notificatie;
|
||||
– naam-, adres- en woonplaats van de onderaannemer.
|
||||
– een kopie van het identiteitsbewijs.
|
||||
|
||||
De administratie moet ook een adequate procedure bevatten aan de hand waarvan de identificatie van de werknemer, de verificatie van het identiteitsbewijs en de vastlegging van de persoonsgegevens plaatsvindt. Deze procedure moet ten minste voldoen aan de bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming, de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en de Richtsnoeren van de Autoriteit Persoonsgegevens. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende aannemer verlagen aan de hand van herrekeningsregels. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling, maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepfase. Dit gebeurt aan de hand van de volgende herrekeningsregels.
|
||||
In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende aannemer verlagen aan de hand van herrekeningsregels. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling, maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepfase en dit gebeurt aan de hand van de volgende herrekeningsregels.
|
||||
|
||||
In het geval van matiging wordt bij de brutering van het loon - althans voor zover het de loonbelasting en premie volksverzekeringen betreft - gebruik gemaakt van een marginaal percentage. Het marginale tarief is de uitkomst van een berekening waarbij het (gewogen) gemiddelde tarief dat behoort bij de laagste (geknipte) tariefschijf ex artikel 20a juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt vermenigvuldigd met twee, vervolgens wordt geteld bij het tarief dat behoort bij de tweede tariefschijf (t.a.p.) waarna de som wordt gedeeld door drie. De loonbelasting/premie volksverzekeringen over de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage.
|
||||
|
||||
De berekening van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet vindt plaats alsof de identiteit van de werknemers waarvoor de aannemer om matiging verzoekt op het moment van inhouding vaststond. De uitkomst van die berekening vormt het bedrag waarvoor de aannemer na matiging aansprakelijk gesteld kan worden.
|
||||
Het voor het werk betaalde loon van de werknemer wordt gebruteerd met gebruikmaking van een marginaal percentage dat wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de ‘geknipte’ tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De belasting ter zake van het werk waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage.
|
||||
|
||||
Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende aannemer zelf aangaat, en niet de positie van de inhoudingsplichtige of die van andere aansprakelijken voor de naheffingsaanslag beïnvloedt, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35.5.1 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3403,10 +2861,6 @@ De ontvanger stelt een aannemer pas aansprakelijk nadat is komen vast te staan d
|
|||
|
||||
Zie voor de volgorde van aansprakelijkstelling van de opdrachtgever in de confectiesector, artikel 35a.4 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
#### 35.11.1. VAR-wuo of VAR-row in plaats van VAR-dga
|
||||
|
||||
20186865121-12-201806-12-20182018-3071720186865121-12-201806-12-20182018-3071701-01-2019
|
||||
|
||||
### 35.12. Verklaring inzake de nakoming van fiscale verplichtingen
|
||||
|
||||
#### 35.12.1. Verklaring betalingsgedrag onderaannemer
|
||||
|
|
@ -3434,7 +2888,7 @@ b. met uitzondering van de bedragen waarvoor (in verband met liquiditeitsproblem
|
|||
|
||||
#### 35.12.3. Verklaring betalingsgedrag en ambtshalve aanslagen
|
||||
|
||||
Als de ontvanger ervan op de hoogte is dat de betrokken onderaannemer in de afgelopen vijf jaar heeft verzuimd aangifte te doen, tengevolge waarvan ambtshalve één of meer naheffingsaanslagen naar geschatte bedragen zijn opgelegd, dan wordt de gevraagde verklaring – ook al zijn die naheffingsaanslagen betaald – afgegeven nadat de onderaannemer alsnog opgaaf heeft gedaan van de volgens hem verschuldigde belasting. Als door de opgaaf een naheffingsaanslag wordt opgelegd, geeft de ontvanger de verklaring af als is voldaan aan de eisen voor het afgeven van een verklaring zoals vermeld in artikel 35.12.2 van de Leidraad.
|
||||
Als de ontvanger ervan op de hoogte is dat de betrokken onderaannemer heeft verzuimd aangifte te doen, tengevolge waarvan ambtshalve één of meer naheffingsaanslagen naar geschatte bedragen zijn opgelegd, dan wordt de gevraagde verklaring – ook al zijn die naheffingsaanslagen betaald – pas afgegeven nadat de onderaannemer alsnog opgaaf heeft gedaan van de volgens hem verschuldigde belasting.
|
||||
|
||||
#### 35.12.4. Verklaring betalingsgedrag en naheffingsaanslagen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3547,8 +3001,7 @@ In aansluiting op artikel 36 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
|||
– kennelijk onbehoorlijk bestuur;
|
||||
– melding betalingsonmacht;
|
||||
– aansprakelijkheid bestuurder;
|
||||
– geen administratieve controle bij bestuurder;
|
||||
– aansprakelijkheid bestuurders van publiekrechtelijke rechtspersonen.
|
||||
– geen administratieve controle bij bestuurder.
|
||||
|
||||
### 36.1. Samenloop met bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement
|
||||
|
||||
|
|
@ -3579,7 +3032,7 @@ De curator in het faillissement van een rechtspersoon kan niet op grond van arti
|
|||
|
||||
De vraag of in een bepaalde situatie sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur zal naar redelijkheid en billijkheid – met inachtneming van de concrete omstandigheden van het geval – moeten worden beantwoord.
|
||||
|
||||
Van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – als zodanig zou hebben gehandeld. Ernstige misslagen en wanbeleid vallen – ook als geen sprake is van (beoogd) persoonlijk voordeel van de bestuurder – zeker onder kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ook bij minder ernstige fouten kan van kennelijk onbehoorlijk bestuur sprake zijn als door onbezonnen, roekeloos of onverantwoordelijk gedrag van een bestuurder bedrijfsrisico’s worden genomen die veel groter zijn dan wat tot normaal ondernemersrisico mag worden gerekend.
|
||||
Van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan slechts worden gesproken als een redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – niet als zodanig zou hebben gehandeld. Ernstige misslagen en wanbeleid vallen – ook als geen sprake is van (beoogd) persoonlijk voordeel van de bestuurder – zeker onder kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ook bij minder ernstige fouten kan van kennelijk onbehoorlijk bestuur sprake zijn als door onbezonnen, roekeloos of onverantwoordelijk gedrag van een bestuurder bedrijfsrisico’s worden genomen die veel groter zijn dan wat tot normaal ondernemersrisico mag worden gerekend.
|
||||
|
||||
#### 36.4.2. Geen kennelijk onbehoorlijk bestuur
|
||||
|
||||
|
|
@ -3587,29 +3040,21 @@ Niet voorzienbare gebeurtenissen of omstandigheden komen niet voor rekening van
|
|||
|
||||
### 36.5. Melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
#### 36.5.1. Betalingsonmacht en de wijze van melding daarvan
|
||||
#### 36.5.1. Op welke wijze melden bij betalingsonmacht
|
||||
|
||||
Onder het begrip betalingsonmacht moet worden verstaan de omstandigheid dat het lichaam voor zijn belastingen als bedoeld in artikel 36, tweede lid van de wet:
|
||||
Een bestuurder of de gemachtigde van de belastingschuldige kan zowel mondeling als schriftelijk een melding van betalingsonmacht doen.
|
||||
|
||||
• onvoldoende liquide middelen heeft om die te voldoen;
|
||||
• tijdelijk te weinig liquide middelen heeft die te voldoen en hij de redelijke verwachting heeft dat hij die verplichting alsnog zal nakomen;
|
||||
• wel voldoende liquide middelen heeft om die te voldoen, maar hij deze daarvoor niet aanwendt in verband met zijn overige opeisbare betalingsverplichtingen.
|
||||
|
||||
In deze omstandigheden moet de belastingschuldige de betalingsonmacht melden aan de ontvanger.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling of sprake is van betalingsonmacht speelt het begrip ‘liquide middelen’ een rol. Voor de toepassing van artikel 36, tweede lid, van de wet worden onder liquide middelen verstaan de kasmiddelen, waaronder de banktegoeden, en de direct opneembare kredietruimte van het lichaam. De melding van betalingsonmacht dient schriftelijk te geschieden door de bestuurder of de gemachtigde van de belastingschuldige. De wijze waarop de schriftelijke melding moet plaatsvinden, is vormvrij. Artikel 7, derde lid, van het besluit is echter onverminderd van toepassing. Voor de melding kan gebruik worden gemaakt van het formulier dat de Belastingdienst in het zogenoemde Persoonlijk Domein van de belastingschuldige beschikbaar stelt.
|
||||
Mondeling melden kan bij de ontvanger op kantoor of telefonisch. Op de belastingschuldige rust de bewijslast dat een mondelinge melding is gedaan en dat daarbij inzicht is gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of niet is betaald. De ontvanger verstuurt bij elke mondelinge melding een meldingsformulier, met het advies om een schriftelijke melding te doen.
|
||||
|
||||
#### 36.5.2. Verzoek waaruit betalingsproblemen blijken en melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
Een schriftelijk verzoek om uitstel van betaling dan wel een schriftelijk verzoek of brief – niet zijnde de melding van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 36.5.1 – waaruit betalingsproblemen blijken, merkt de ontvanger in beginsel aan als een schriftelijke melding van betalingsonmacht. Daarbij geldt dat in het verzoek of de brief inzicht gegeven moet worden in de oorzaak van de betalingsproblemen. Wanneer in het schriftelijke verzoek of de brief geen inzicht wordt gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald, gelden het verzoek en de brief niet als melding van betalingsonmacht.
|
||||
|
||||
Een verzoek om kort uitstel van betaling voor ondernemers als bedoeld in artikel 25.6.2D wordt in beginsel niet aangemerkt als een melding van betalingsonmacht.
|
||||
Verzoeken om uitstel van betaling dan wel verzoeken of brieven waaruit liquiditeitsproblemen blijken, merkt de ontvanger in beginsel wel aan als melding van betalingsonmacht tenzij het naheffingsaanslagen betreft en de verzoeken of brieven worden ontvangen na het tijdstip waarop nog rechtsgeldige melding mogelijk was.
|
||||
|
||||
#### 36.5.3. Melding betalingsonmacht ten kantore
|
||||
|
||||
Bij ieder gesprek ten kantore waarin de (tijdelijke) betalingsproblemen van de belastingschuldige ter sprake komen, wijst de ontvanger op de meldingsplicht. De ontvanger licht ook de implicaties van de melding toe. De ontvanger reikt in alle gevallen een formulier uit waarmee de belastingschuldige de betalingsonmacht schriftelijk kan melden.
|
||||
Bij ieder gesprek ten kantore waarin de (tijdelijke) betalingsproblemen van de belastingschuldige ter sprake komen, wijst de ontvanger op de meldingsplicht. De ontvanger licht ook de implicaties van de melding toe.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige ter plekke aan de meldingsverplichting wil voldoen, doet hij dat schriftelijk onder vermelding van:
|
||||
Als de belastingschuldige ter plekke aan de meldingsverplichting wil voldoen, maakt de ontvanger aantekening van:
|
||||
|
||||
– de aangifte(n) of naheffingsaanslag(en) waarvoor de melding plaatsvindt;
|
||||
– wie de melding doet;
|
||||
|
|
@ -3621,11 +3066,11 @@ Als de ontvanger constateert dat de melding niet meer tijdig kan plaatsvinden, w
|
|||
|
||||
De ontvanger laat altijd weten dat hij de melding in twee fasen kan beoordelen en dat zonodig nadere gegevens zullen worden opgevraagd.
|
||||
|
||||
#### 36.5.4. Termijn melding betalingsonmacht
|
||||
De ontvanger reikt in alle gevallen een meldingsformulier uit met het advies om een schriftelijke melding te doen.
|
||||
|
||||
Hoofdstuk III van het besluit regelt binnen welke termijn de belastingschuldige de betalingsonmacht aan de ontvanger moet melden. Voor de beantwoording van de vraag of de per post verzonden schriftelijke melding de ontvanger tijdig heeft bereikt, wordt aangesloten bij artikel 6:9 van de Awb. Als de belastingschuldige over een bepaald tijdvak geen aangifte heeft gedaan, mag een bestuurder de betalingsonmacht voor dat tijdvak wel melden, mits hij dit doet binnen de termijn die is genoemd in artikel 7, eerste en tweede lid, van het besluit.
|
||||
#### 36.5.4. Geen aangifte en melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
Als de betalingsonmacht ontstaat buiten de termijn waarbinnen de verschuldigde belasting moest zijn afgedragen of voldaan dan wel buiten de termijn waarbinnen de naheffingsaanslag moest zijn betaald moet de belastingschuldige daarvan onverwijld mededeling doen aan de ontvanger. Onverwijld houdt in dat de belastingschuldige de mededeling aan de ontvanger moet doen binnen twee weken na het ontstaan van de betalingsonmacht.
|
||||
Als de belastingschuldige over een bepaald tijdvak geen aangifte heeft gedaan, mag een bestuurder de betalingsonmacht voor dat tijdvak wel melden, mits hij dit doet binnen de termijn die is genoemd in artikel 7, eerste lid, van het besluit.
|
||||
|
||||
#### 36.5.5. Uitstel van betaling in verband met bezwaar en (hoger) beroep en melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
|
|
@ -3637,13 +3082,13 @@ Als uitstel van betaling is verleend in verband met een tijdig ingediend bezwaar
|
|||
|
||||
#### 36.5.6. Surseance en melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
Als aan een rechtspersoon surseance van betaling is verleend, blijft de meldingsplicht bestaan. Als de bewindvoerder betalingsonmacht schriftelijk meldt, wordt die melding aangemerkt als rechtsgeldig. Uitsluitend in gevallen waarin duidelijk blijkt dat de bestuurders hun medewerking aan de melding hebben geweigerd, heeft de melding door de bewindvoerder geen waarde.
|
||||
Als aan een rechtspersoon surseance van betaling is verleend, blijft de meldingsplicht bestaan. Als de bewindvoerder betalingsonmacht meldt, wordt die melding aangemerkt als rechtsgeldig. Uitsluitend in gevallen waarin duidelijk blijkt dat de bestuurders hun medewerking aan de melding hebben geweigerd, heeft de melding door de bewindvoerder geen waarde.
|
||||
|
||||
#### 36.5.7. Faillissement en melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
Als de meldingstermijn afloopt op of na de faillissementsdatum hoeft geen melding van betalingsonmacht meer plaats te vinden. De ontvanger heeft in dat geval bij een eventuele aansprakelijkstelling een bewijslast alsof rechtsgeldig is gemeld. Het voorgaande is niet van toepassing als sprake is van een naheffingsaanslag waarvoor het lichaam of de bestuurder geen melding kan doen omdat sprake is van opzet of grove schuld als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het besluit.
|
||||
Als de meldingstermijn afloopt op of na de faillissementsdatum hoeft geen melding van betalingsonmacht meer plaats te vinden. De ontvanger heeft in dat geval bij een eventuele aansprakelijkstelling een bewijslast alsof rechtsgeldig is gemeld.
|
||||
|
||||
Als een tijdige schriftelijke melding is gedaan en de ontvanger voorafgaand aan het faillissement om ontbrekende informatie dan wel nadere gegevens en inlichtingen of gegevensdragers heeft gevraagd (als bedoeld in de artikelen 36.5.9 tot en met 36.5.11 van deze leidraad) en het faillissement wordt uitgesproken voordat de gestelde termijn verstrijkt, dan wordt de melding als rechtsgeldig aangemerkt. Het lichaam hoeft de gevraagde gegevens niet meer te verstrekken.
|
||||
Als een tijdige melding is gedaan en de ontvanger voorafgaand aan het faillissement om ontbrekende informatie dan wel nadere gegevens en inlichtingen of gegevensdragers heeft gevraagd (als bedoeld in de artikelen 36.5.9 tot en met 36.5.11 van deze leidraad) en het faillissement wordt uitgesproken voordat de gestelde termijn verstrijkt, dan wordt de melding als rechtsgeldig aangemerkt. Het lichaam hoeft de gevraagde gegevens niet meer te verstrekken.
|
||||
|
||||
#### 36.5.8. Melding betalingsonmacht – twee fasen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3658,24 +3103,24 @@ Bij de melding van de betalingsonmacht (in de eerste fase) kunnen zich de volgen
|
|||
|
||||
1. De melding is niet tijdig gedaan.
|
||||
|
||||
In dat geval merkt de ontvanger bij beschikking de melding aan als niet rechtsgeldig. Deze beschikking wordt binnen acht weken na ontvangst van de melding bekendgemaakt onder vermelding van het feit dat de melding niet tijdig is gedaan.
|
||||
In dat geval merkt de ontvanger bij beschikking de melding aan als niet rechtsgeldig. Deze beschikking wordt binnen twee maanden na ontvangst van de melding bekendgemaakt onder vermelding van het feit dat de melding niet tijdig is gedaan.
|
||||
2. De melding is tijdig, maar onvolledig gedaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger moet het lichaam in de gelegenheid stellen alsnog binnen veertien dagen de ontbrekende informatie te verschaffen. Daarbij moet de ontvanger er altijd op wijzen dat hij die informatie vraagt in verband met de meldingsregeling als bedoeld in artikel 36 van de wet. Ook moet hij summier aangeven wat die regeling inhoudt, ook als hij er van uit mag gaan dat de belastingschuldige voldoende op de hoogte is met de regeling. Daarnaast moet de ontvanger er op wijzen dat het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de ontbrekende informatie tot een niet rechtsgeldige melding leidt met consequenties voor de bewijslastverdeling, als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet. Als het lichaam de ontbrekende informatie niet tijdig of onvolledig verstrekt, dan merkt de ontvanger de melding bij beschikking aan als niet rechtsgeldig. De beschikking wordt aan het lichaam binnen acht weken na ontvangst van de melding bekendgemaakt onder opgaaf van redenen.
|
||||
De ontvanger moet het lichaam in de gelegenheid stellen alsnog binnen veertien dagen de ontbrekende informatie te verschaffen. Daarbij moet de ontvanger er altijd op wijzen dat hij die informatie vraagt in verband met de meldingsregeling als bedoeld in artikel 36 van de wet. Ook moet hij summier aangeven wat die regeling inhoudt, ook als hij er van uit mag gaan dat de belastingschuldige voldoende op de hoogte is met de regeling. Daarnaast moet de ontvanger er op wijzen dat het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de ontbrekende informatie tot een niet rechtsgeldige melding leidt met consequenties voor de bewijslastverdeling, als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet. Als het lichaam de ontbrekende informatie niet tijdig of onvolledig verstrekt, dan merkt de ontvanger de melding bij beschikking aan als niet rechtsgeldig. De beschikking wordt aan het lichaam binnen twee maanden na ontvangst van de melding bekendgemaakt onder opgaaf van redenen.
|
||||
3. De melding is tijdig en volledig gedaan.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een tijdige en volledige melding moet de ontvanger beoordelen of er aanleiding bestaat om op grond van artikel 8 van het besluit, het lichaam te verzoeken nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers te verstrekken omtrent de oorzaken van de betalingsonmacht en/of de financiële positie van het lichaam.
|
||||
|
||||
– Als die aanleiding niet bestaat, dan is sprake van een rechtsgeldige melding. In dat geval merkt de ontvanger bij beschikking de melding aan als rechtsgeldig. Daarbij moet de ontvanger het voorbehoud maken dat de melding alsnog als niet rechtsgeldig wordt aangemerkt als later blijkt dat onjuiste informatie is verstrekt. De beschikking wordt aan het lichaam bekendgemaakt binnen acht weken na het tijdstip waarop de melding tijdig en volledig is gedaan.
|
||||
– Als die aanleiding niet bestaat, dan is sprake van een rechtsgeldige melding. In dat geval merkt de ontvanger bij beschikking de melding aan als rechtsgeldig. Daarbij moet de ontvanger het voorbehoud maken dat de melding alsnog als niet rechtsgeldig wordt aangemerkt als later blijkt dat onjuiste informatie is verstrekt. De beschikking wordt aan het lichaam bekendgemaakt binnen twee maanden na het tijdstip waarop de melding tijdig en volledig is gedaan.
|
||||
– Als die aanleiding er wel is, dan gaat de zogenaamde tweede fase in (zie artikel 36.5.11 van deze leidraad).
|
||||
|
||||
De ontvanger verzendt in beginsel geen ontvangstbevestiging van de melding.
|
||||
|
||||
#### 36.5.10. Na melding betalingsonmacht 1e fase – opvragen nadere gegevens
|
||||
|
||||
Als de ontvanger naar aanleiding van een tijdige en volledige melding nadere gegevens, inlichtingen en/of gegevensdragers wenst te verkrijgen omtrent de oorza(a)k(en) van de betalingsonmacht en/of de financiële positie van het lichaam, dan vraagt hij deze op binnen acht weken na ontvangst van die melding of na ontvangst van de in de eerste fase aanvankelijk ontbrekende gegevens.
|
||||
Als de ontvanger naar aanleiding van een tijdige en volledige melding nadere gegevens, inlichtingen en/of gegevensdragers wenst te verkrijgen omtrent de oorza(a)k(en) van de betalingsonmacht en/of de financiële positie van het lichaam, dan vraagt hij deze op binnen twee maanden na ontvangst van die melding of na ontvangst van de in de eerste fase aanvankelijk ontbrekende gegevens.
|
||||
|
||||
Daarbij moet de ontvanger er altijd op wijzen dat hij die gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers vraagt in verband met de meldingsregeling als bedoeld in artikel 36 van de wet. Ook moet hij summier aangeven wat die regeling inhoudt, ook als hij er van uit mag gaan dat de belastingschuldige voldoende op de hoogte is met de regeling. Daarnaast moet de ontvanger erop wijzen dat het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de gevraagde gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers tot een niet rechtsgeldige melding leidt met consequenties voor de bewijslastverdeling, als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet.
|
||||
Daarbij moet de ontvanger er altijd op wijzen dat hij die gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers vraagt in verband met de meldingsregeling als bedoeld in artikel 36 van de wet. Ook moet hij summier aangeven wat die regeling inhoudt, ook als hij er van uit mag gaan dat de belastingschuldige voldoende op de hoogte is met de regeling. Daarnaast moet de ontvanger er opwijzen dat het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de gevraagde gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers tot een niet rechtsgeldige melding leidt met consequenties voor de bewijslastverdeling, als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
De ontvanger moet per geval een redelijke termijn stellen waarbinnen de nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers moeten zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3686,7 +3131,7 @@ De ontvanger controleert of de nadere gegevens en inlichtingen tijdig en volledi
|
|||
Daarbij kunnen zich de volgende situaties voordoen:
|
||||
|
||||
1. De nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers worden niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn verstrekt; de melding is dan niet rechtsgeldig.
|
||||
2. De nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers worden tijdig, maar onvolledig verstrekt. De ontvanger moet het lichaam in de gelegenheid stellen alsnog binnen veertien dagen de ontbrekende nadere gegevens of inlichtingen te verstrekken. Daarbij moet hij er altijd op wijzen dat hij die gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers vraagt in verband met de meldingsregeling als bedoeld in artikel 36 van de wet. Ook moet hij summier aangeven wat die regeling inhoudt, ook als hij er van uit mag gaan dat de belastingschuldige voldoende op de hoogte is met de regeling. Daarnaast moet de ontvanger erop wijzen dat het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de gevraagde gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers tot een niet rechtsgeldige melding leidt met consequenties voor de bewijslastverdeling leidt, als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet.
|
||||
2. De nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers worden tijdig, maar onvolledig verstrekt. De ontvanger moet het lichaam in de gelegenheid stellen alsnog binnen veertien dagen de ontbrekende nadere gegevens of inlichtingen te verstrekken. Daarbij moet hij er altijd op te wijzen dat hij die gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers vraagt in verband met de meldingsregeling als bedoeld in artikel 36 van de wet. Ook moet hij summier aangeven wat die regeling inhoudt, ook als hij er van uit mag gaan dat de belastingschuldige voldoende op de hoogte is met de regeling. Daarnaast moet de ontvanger er opwijzen dat het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van de gevraagde gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers tot een niet rechtsgeldige melding leidt met consequenties voor de bewijslastverdeling leidt, als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
– Verstrekt het lichaam de ontbrekende nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers niet tijdig of onvolledig, dan merkt de ontvanger de melding bij beschikking aan als niet rechtsgeldig.
|
||||
– Verstrekt het lichaam de ontbrekende nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers alsnog binnen de gestelde termijn, dan beoordeelt de ontvanger de melding vervolgens als hierna onder 3 vermeld.
|
||||
|
|
@ -3697,13 +3142,13 @@ b. Als uit de ontvangen gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers niet blij
|
|||
|
||||
Daarbij moet de ontvanger het voorbehoud maken dat de melding alsnog als niet rechtsgeldig wordt aangemerkt, als later blijkt dat onjuiste gegevens en inlichtingen werden verstrekt, dan wel gegevensdragers die onjuiste gegevens bevatten.
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt in alle bovenstaande situaties zijn beslissing binnen acht weken bekend bij beschikking. De termijn van acht weken vangt aan op het moment dat de nadere gegevens en inlichtingen tijdig en volledig zijn verstrekt, dan wel de gevraagde gegevensdragers tijdig en volledig voor raadpleging ter beschikking zijn gesteld.
|
||||
De ontvanger maakt in alle bovenstaande situaties zijn beslissing zo spoedig mogelijk bekend bij beschikking.
|
||||
|
||||
#### 36.5.12. Geldigheidsduur van de melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
De geldigheidsduur vangt aan op de datum van ontvangst van de (uiteindelijk) als rechtsgeldig beoordeelde mededeling van betalingsonmacht.
|
||||
|
||||
Als de toestand van betalingsonmacht blijft voortduren, dan hoeft dit voor de belasting – die na de melding op aangifte verschuldigd wordt – en de vervallen naheffingsaanslagen niet opnieuw te worden gemeld. De vorige volzin geldt niet voor belasting die het lichaam na de melding verschuldigd wordt en waarvoor de inspecteur een naheffingsaanslag oplegt omdat niet of niet tijdig aangifte is gedaan. De toestand van betalingsonmacht als bedoeld in de tweede volzin eindigt in beginsel eerst vanaf het tijdstip waarop de naheffingsaanslagen waarvoor de melding geldig is, zijn betaald. Dit is alleen anders als naar het oordeel van de ontvanger feitelijk geen sprake meer is van een toestand van betalingsonmacht omdat afdracht en voldoening op aangifte zijn hervat. In dat geval herleeft de meldingsplicht op voorwaarde dat de ontvanger het lichaam daarover tijdig en schriftelijk heeft geïnformeerd.
|
||||
Als de toestand van betalingsonmacht blijft voortduren, dan hoeft dit voor de belasting – die na de melding op aangifte verschuldigd wordt – en de vervallen naheffingsaanslagen niet opnieuw te worden gemeld. De toestand van betalingsonmacht als bedoeld in de tweede volzin eindigt in beginsel eerst vanaf het tijdstip waarop de naheffingsaanslagen waarvoor de melding heeft plaatsgevonden, zijn betaald. Dit is alleen anders als naar het oordeel van de ontvanger feitelijk geen sprake meer is van een toestand van betalingsonmacht omdat afdracht en voldoening op aangifte zijn hervat. In dat geval herleeft de meldingsplicht op voorwaarde dat de ontvanger het lichaam daarover tijdig en schriftelijk heeft geïnformeerd.
|
||||
|
||||
#### 36.5.13. Driejaarsperiode bij doorlopende melding betalingsonmacht
|
||||
|
||||
|
|
@ -3725,23 +3170,24 @@ Als een gewezen bestuurder die door de ontvanger aansprakelijk is gesteld, geen
|
|||
|
||||
#### 36.6.3. Aansprakelijkheid nieuwe bestuurder
|
||||
|
||||
Voor de reeds vastgestelde belastingschulden is de bestuurder aansprakelijk bij zijn in functie treden, tenzij hij aannemelijk maakt dat er niet voldoende middelen aanwezig waren om deze schulden te betalen en dat het niet mogelijk is gebleken maatregelen te treffen om de schuld toch te voldoen, zodat de niet-betaling niet aan hem is te wijten. Voor de materieel verschuldigde belastingen die nog niet in een belastingaanslag zijn geformaliseerd is de bestuurder eveneens aansprakelijk bij zijn in functie treden. Artikel 36, derde en vierde lid, van de wet en het daarop gebaseerd beleid zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Voor de reeds vastgestelde belastingschulden is de bestuurder aansprakelijk bij zijn in functie treden, tenzij hij aannemelijk maakt dat er niet voldoende middelen aanwezig waren om deze schulden te betalen en dat het niet mogelijk is gebleken maatregelen te treffen om de schuld toch te voldoen, zodat de niet-betaling niet aan hem is te wijten.
|
||||
|
||||
### 36.7. Geen administratieve controle bij bestuurder
|
||||
|
||||
Zodra een beroepschrift is ingediend tegen de uitspraak van de ontvanger op het bezwaarschrift tegen de aansprakelijkstelling, wordt geen administratieve controle meer ingesteld bij de bestuurder, tenzij de rechter die mogelijkheid toestaat of een onderzoek wordt ingesteld bij een derde niet-aansprakelijk gestelde.
|
||||
|
||||
### 36.8. Aansprakelijkheid bestuurders van publiekrechtelijke rechtspersonen
|
||||
|
||||
In artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bepaald dat publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat, zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting voor zover zij een onderneming drijven. De bestuurders van een dergelijke rechtspersoon vallen dus onder de werking van artikel 36 van de wet. De aansprakelijkheid beperkt zich tot de in artikel 36, eerste lid, van de wet genoemde belastingen die de publiekrechtelijke rechtspersoon verschuldigd is ter zake van de ondernemingsactiviteiten.
|
||||
|
||||
## 36a. Aansprakelijkheid bestuurder voor vennootschapsbelasting
|
||||
|
||||
20171811730-03-201717-03-20172017-5727820171811730-03-201717-03-20172017-5727801-04-2017
|
||||
In aansluiting op artikel 36a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de disculpatiemogelijkheid van de bestuurder.
|
||||
|
||||
### 36a.1. Disculpatiemogelijkheid bestuurder aansprakelijkheid vennootschapsbelasting
|
||||
|
||||
20171811730-03-201717-03-20172017-5727820171811730-03-201717-03-20172017-5727801-04-2017
|
||||
De bestuurder is niet aansprakelijk als hij bewijst dat:
|
||||
|
||||
– het niet aan hem is te wijten dat de onderhavige vennootschapsbelasting niet is voldaan; en
|
||||
– hij op het tijdstip waarop de niet-toegestane handeling met betrekking tot een pensioen- of vut-aanspraak dan wel de aanspraak op een stamrechtuitkering – die aanleiding heeft gegeven tot heffing van vennootschapsbelasting – plaatsvond, wist noch redelijkerwijze moest vermoeden dat de desbetreffende belasting niet zou kunnen worden voldaan.
|
||||
|
||||
Aan de tweede eis waaraan de bestuurder moet voldoen is in elk geval niet voldaan wanneer al ten tijde van de overeenkomst tot afkoop van de pensioenverplichting – met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid – de afwikkeling van die overeenkomst tot gevolg zou hebben dat er voor de voldoening van de vennootschapsbelasting die ten gevolge van de afkoop verschuldigd wordt, geen of onvoldoende middelen beschikbaar zouden zijn.
|
||||
|
||||
## 36b. Aansprakelijkheid bestuurder voor aansprakelijkheidsschuld lichaam
|
||||
|
||||
|
|
@ -3822,17 +3268,9 @@ De aansprakelijkheid strekt zich niet uit tot de belasting die wordt nageheven o
|
|||
|
||||
Bij het eindigen van het ambt van notaris, kan de ex-notaris nog aansprakelijk worden gesteld voor de overdrachtsbelasting waarvoor hij ten tijde van zijn ambtsperiode hoofdelijk aansprakelijk was.
|
||||
|
||||
## 42a. en
|
||||
## 42a. tot en met
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 42a en 42c van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 42d. Aansprakelijkheid voor verschuldigde omzetbelasting door pandhouder, hypotheekhouder of executant
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 42d van de wet beschrijft dit artikel het beleid over aansprakelijkheid bij verhaal op de in de verkoopprijs begrepen omzetbelasting.
|
||||
|
||||
### 42d.1. Hoofdelijke aansprakelijkheid en verhaal op de opbrengst
|
||||
|
||||
De pandhouder, hypotheekhouder of executant is ook hoofdelijk aansprakelijk voor de verschuldigde omzetbelasting ter zake van de levering van de verpande, verhypothekeerde of in beslag genomen zaak indien niet hijzelf de verhaalshandeling heeft verricht maar de uit hoofde van de levering verschuldigde omzetbelasting hem geheel of gedeeltelijk ten goede is gekomen.
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 42a, 42b en 42c van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 43. Aansprakelijkheid fiscale eenheid omzetbelasting
|
||||
|
||||
|
|
@ -3898,32 +3336,28 @@ Als deze genoemde feiten blijken nadat tot aansprakelijkstelling is overgegaan,
|
|||
|
||||
Als de aansprakelijkheid betrekking heeft op de afkoop van meer dan één contract, dan moet toerekening van het totaal verschuldigde bedrag over de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen plaatsvinden aan de onderscheiden contracten, naar evenredigheid van de betaalde premies.
|
||||
|
||||
## 44b
|
||||
## 44b. en
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 44b van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 44b en 44c van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 45
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 45 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 46. Aansprakelijkheid voor rechten van successie of erfbelasting, overgang en schenking of schenkbelasting
|
||||
## 46. Aansprakelijkheid voor rechten van successie, overgang en schenking
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 46 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– volgorde aansprakelijkstelling voor successierecht of erfbelasting;
|
||||
– buiten Nederland wonende verkrijgers en successierecht of erfbelasting.
|
||||
– volgorde aansprakelijkstelling voor successierecht;
|
||||
– buiten Nederland wonende verkrijgers en successierecht.
|
||||
|
||||
### 46.1. Volgorde aansprakelijkstelling voor successierecht of erfbelasting
|
||||
### 46.1. Volgorde aansprakelijkstelling voor successierecht
|
||||
|
||||
Bij aangifte voor het recht van successie of erfbelasting door de executeur blijven de erfgenamen aansprakelijk. Daarnaast ontstaat een aansprakelijkheid van de executeur (zie artikel 47 van de wet).
|
||||
Bij aangifte voor het recht van successie door de executeur blijven de erfgenamen aansprakelijk. Daarnaast ontstaat een aansprakelijkheid van de executeur (zie artikel 47 van de wet).
|
||||
|
||||
De ontvanger zal – als beide aansprakelijkheidsregelingen van toepassing zijn – trachten de belastingschuld eerst te verhalen op de erfgenamen.
|
||||
|
||||
### 46.2. Buiten Nederland wonende verkrijgers en successierecht of erfbelasting
|
||||
### 46.2. Buiten Nederland wonende verkrijgers en successierecht
|
||||
|
||||
De hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 46, tweede lid, van de wet bestaat voor het recht van successie of erfbelasting waarvoor buiten Nederland wonende verkrijgers hoofdelijk schuldenaar zijn.
|
||||
De hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 46, tweede lid, van de wet bestaat voor het recht van successie waarvoor buiten Nederland wonende verkrijgers hoofdelijk schuldenaar zijn.
|
||||
|
||||
De aansprakelijkheid is niet beperkt tot het recht van successie of erfbelasting verschuldigd door verkrijgers die al op het ogenblik van overlijden van de erflater buiten Nederland woonden, maar is ook aanwezig als de verkrijgers pas na zijn overlijden buiten Nederland zijn gaan wonen.
|
||||
De aansprakelijkheid is niet beperkt tot het recht van successie verschuldigd door verkrijgers die al op het ogenblik van overlijden van de erflater buiten Nederland woonden, maar is ook aanwezig als de verkrijgers pas na zijn overlijden buiten Nederland zijn gaan wonen.
|
||||
|
||||
Als de erfgenamen niet met de afwikkeling van de nalatenschap waren belast, zijn zij slechts aansprakelijk tot het bedrag dat overeenkomt met het vermogen van de erflater dat zich ten tijde van diens overlijden in Nederland bevond. De (binnenlandse) erfgenamen kunnen zich dan daarop verhalen. De aansprakelijkheid wordt echter niet beperkt in situaties waarin de ontvanger aannemelijk maakt dat sprake is van misbruik.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3950,39 +3384,12 @@ Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gez
|
|||
|
||||
Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te laten.
|
||||
|
||||
## 48a. Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen inkomstenbelasting
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 48a van de wet beschrijft dit artikel het beleid dat de ontvanger hanteert bij de toepassing van de wettelijke aansprakelijkheid van derden voor belastingaanslagen die samenhangen met bedragen inkomstenbelasting die zijn uitbetaald op een bankrekening waarover die derde heeft kunnen beschikken.
|
||||
|
||||
1. In afwijking van artikel 49.6 van deze leidraad kan de ontvanger als er een vermoeden van fraude is, eerst verhaal zoeken bij de aansprakelijkgestelde.
|
||||
2. Als de ontvanger inkomstenbelasting heeft uitbetaald aan:
|
||||
|
||||
– een lid van de NVVK in het kader van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK;
|
||||
– een gemeente in het kader van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK of overeenkomsten met dezelfde strekking;
|
||||
– een derde die voldoet aan de norm NEN-ISO 9001 en die in het kader van de uitvoering van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer als hiervóór bedoeld of een overeenkomst met dezelfde strekking:
|
||||
|
||||
– een subsidiebeschikking heeft ontvangen van een gemeente, of
|
||||
– een contract heeft met een zorgkantoor voor het leveren van zorg in natura ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
|
||||
|
||||
– een curator;
|
||||
– een bewindvoerder,
|
||||
|
||||
gaat de ontvanger alleen over tot aansprakelijkstelling als:
|
||||
|
||||
– het aan opzet of grove schuld van de schuldhulpverlener, de gemeente, de derde, de curator of de bewindvoerder te wijten is dat onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt die ten grondslag hebben gelegen aan de belastingaanslag, of
|
||||
– de schuldhulpverlener, de gemeente, de derde, de curator of de bewindvoerder financieel voordeel heeft gehad van de te hoge of onterecht uitbetaalde bedragen.
|
||||
3. Als de ontvanger aan een derde inkomstenbelasting heeft uitbetaald van iemand die niet beschikt over een bankrekening op zijn naam en door zijn geestelijke of lichamelijke toestand niet in staat is om een bankrekening op zijn naam te openen, gaat de ontvanger alleen over tot aansprakelijkstelling als die derde:
|
||||
|
||||
– financieel voordeel heeft gehad van de te hoge of onterecht ontvangen teruggaaf inkomstenbelasting, of
|
||||
– wist of behoorde te weten dat de teruggaaf inkomstenbelasting te hoog was of dat er geen recht bestond op de teruggaaf inkomstenbelasting.
|
||||
|
||||
## 49. Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete;
|
||||
– aansprakelijkstelling voor invorderingsrente;
|
||||
– vooraankondiging aansprakelijkstelling;
|
||||
– de aansprakelijkstelling – in gebreke zijn;
|
||||
– informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid;
|
||||
– informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden;
|
||||
|
|
@ -4003,10 +3410,6 @@ Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden gebra
|
|||
|
||||
Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag geen rente in rekening gebracht.
|
||||
|
||||
### 49.2a. Vooraankondiging aansprakelijkstelling
|
||||
|
||||
Voordat de ontvanger een beschikking aansprakelijkstelling uitbrengt waarin omzetbelasting, accijns, energiebelasting of rechten bij invoer en bij uitvoer als bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene douanewet zijn begrepen, stuurt hij een vooraankondiging. In die vooraankondiging geeft de ontvanger de gronden aan waarop hij de aansprakelijkstelling baseert, bijvoorbeeld de resultaten uit een boekenonderzoek. Als bijlage stuurt de ontvanger de conceptbeschikking mee. De ontvanger stelt de belanghebbende in de gelegenheid om binnen drie weken na de dagtekening van de vooraankondiging zijn zienswijze kenbaar te maken.
|
||||
|
||||
### 49.3. De aansprakelijkstelling – in gebreke zijn
|
||||
|
||||
#### 49.3.1. Wanneer in gebreke
|
||||
|
|
@ -4019,7 +3422,9 @@ De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de belastingaansla
|
|||
|
||||
#### 49.3.3. In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’
|
||||
|
||||
Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld, mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld.
|
||||
Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld.
|
||||
|
||||
In dat geval is sprake van een ‘in gebreke zijn’ van de belastingschuldige als bedoeld in het eerste lid van artikel 49 van de wet.
|
||||
|
||||
### 49.4. Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -4029,18 +3434,18 @@ Als de ontvanger een derde aansprakelijk stelt op grond van artikel 34, 35, 35a
|
|||
– het loonbestanddeel dat in die omzet is begrepen of naar aanleiding van die omzet is berekend;
|
||||
– de loonheffingen die over dat loonbestanddeel zijn verschuldigd;
|
||||
– de loonheffingen die door de uitlener/onderaannemer zijn afgedragen en/of zijn betaald over de werkzaamheden/het werk;
|
||||
– de in aanmerking te nemen vrijwarende betalingen van de inlener/aannemer (betalingen via de g-rekening);
|
||||
– de in aanmerking te nemen vrijwarende betalingen van de inlener/aannemer (rechtstreekse stortingen en/of betalingen via de g-rekening);
|
||||
– voor zover het de aansprakelijkstelling van de koper van reeds vervaardigde kleding betreft, wordt gemotiveerd aangegeven waarom geen beroep op de disculpatiemogelijkheid kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
### 49.5. Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden
|
||||
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de wet moet de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.
|
||||
|
||||
Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.
|
||||
|
||||
De gegevens worden – na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde – vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.
|
||||
|
||||
Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.
|
||||
Hoewel artikel 49, vijfde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebbend als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.
|
||||
|
||||
### 49.6. Aansprakelijkheid – eerst uitwinning belastingschuldige
|
||||
|
||||
|
|
@ -4054,27 +3459,27 @@ Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is bepa
|
|||
|
||||
### 49.8. Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling
|
||||
|
||||
#### 49.8.1. Uitstel in verband met bezwaar tegen een beschikking aansprakelijkstelling
|
||||
#### 49.8.1. Bezwaar en uitstel van betaling
|
||||
|
||||
Het beleid voor uitstel van betaling verwoord in artikel 25.2 is van overeenkomstige toepassing:
|
||||
|
||||
a. als bezwaar wordt gemaakt tegen de beschikking aansprakelijkstelling;
|
||||
b. als beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de ontvanger op het bezwaarschrift tegen een beschikking aansprakelijkstelling, en;
|
||||
c. als hoger beroep of beroep in cassatie wordt ingesteld tegen een rechterlijke uitspraak.
|
||||
Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt tevens aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling.
|
||||
|
||||
#### 49.8.2. Beslissing op het bezwaarschrift
|
||||
|
||||
200820522-10-200808-10-2008CPP2008/2115M200820522-10-200808-10-2008CPP2008/2115M24-10-2008
|
||||
De afdoening van bezwaarschriften tegen aansprakelijkstellingen wordt in beginsel binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:10 Awb) afgehandeld. Artikel 49, derde lid, van de wet geeft de ontvanger formeel een beslistermijn van één jaar met de mogelijkheid deze termijn – met schriftelijke toestemming van het ministerie – met maximaal één jaar te verlengen.
|
||||
|
||||
Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen in uitzonderingsgevallen gebruik. Denk hierbij aan de situatie waarin de belanghebbende weigert mee te werken aan een voortvarende afhandeling van het bezwaarschrift.
|
||||
|
||||
### 49.9. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
#### 49.9.1. Bij civiele procedure geen invordering of verrekening
|
||||
|
||||
20186865121-12-201806-12-20182018-3071720186865121-12-201806-12-20182018-3071701-01-2019
|
||||
Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het tot 1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen plaats. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire maatregelen worden genomen.
|
||||
|
||||
#### 49.9.2. Wijziging eis
|
||||
Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van uit te betalen bedragen ten name van de aansprakelijkgestelde met een aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan conservatoir beslag worden gelegd op het uit te betalen bedrag.
|
||||
|
||||
20186865121-12-201806-12-20182018-3071720186865121-12-201806-12-20182018-3071701-01-2019
|
||||
#### 49.9.1. Wijziging eis
|
||||
|
||||
De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot aanpassing van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en artikel 50, zesde lid, van de wet (oud) van toepassing is.
|
||||
|
||||
## 51. Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -4094,22 +3499,15 @@ Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag van de aan
|
|||
|
||||
## 53. Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld;
|
||||
– ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid.
|
||||
In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld.
|
||||
|
||||
### 53.1. Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld
|
||||
|
||||
Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.
|
||||
|
||||
### 53.2. Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent geen ontslag van betalingsverplichting als sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de aansprakelijk gestelde. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de regeling. De vraag of sprake is van verwijtbaarheid beoordeelt de ontvanger op basis van gedragingen van de aansprakelijk gestelde. Dit betekent dat als de aansprakelijkstelling van een bestuurder is gebaseerd op artikel 36, vierde lid, van de wet, het enkele feit dat het lichaam niet op de juiste wijze heeft gemeld niet in de weg hoeft te staan aan ontslag van betalingsverplichting.
|
||||
|
||||
## 54. Mededeling aan de aansprakelijkgestelde
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het aanhouden van de betaling van een teruggaaf bij aansprakelijkstelling.
|
||||
In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld.
|
||||
|
||||
### 54.1. Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling
|
||||
|
||||
|
|
@ -4133,10 +3531,6 @@ Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen instellen,
|
|||
|
||||
Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.
|
||||
|
||||
### 58.3. Invorderingsonderzoek tijdens faillissement
|
||||
|
||||
In faillissement worden de belangen van de ontvanger – naast die van andere schuldeisers – feitelijk behartigd door de curator. Als de ontvanger een verzoek krijgt van de curator om een onderzoek in te stellen, moet het onderzoek in het teken van het invorderingsbelang staan. De ontvanger stelt geen onderzoek in als hij vermoedt dat de informatie er slechts toe strekt dat de curator de (niet fiscale) boedelschulden kan innen.
|
||||
|
||||
## 59. Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 59 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de teruggave van gegevensdragers aan derde.
|
||||
|
|
@ -4164,7 +3558,7 @@ Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of beschikbaarstelli
|
|||
|
||||
Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte en concrete gegevens.
|
||||
|
||||
Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast. Aan de belastingschuldige die niet voldoet aan de verplichting van artikel 60, tweede lid, van de wet, kan de ontvanger een verzuimboete als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet opleggen.
|
||||
Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast.
|
||||
|
||||
Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de ontvanger voor een vastlegging van het gesprek.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4186,51 +3580,9 @@ In aansluiting op artikel 62 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over d
|
|||
|
||||
Artikel 62 van de wet strekt er niet toe de verklaring te toetsen die door de derde-beslagene tijdens de gerechtelijke verklaringsprocedure wordt afgelegd.
|
||||
|
||||
## 62bis
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 62bis van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 62a
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 62a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 63. tot en met
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63, 63a, 63aa en 63ab van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 63b. Bestuurlijke boeten
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 63b van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– algemene uitgangspunten;
|
||||
– betalingsverzuim bij aanslagbelastingen
|
||||
– verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt.
|
||||
|
||||
### 63b.1. Algemene uitgangspunten
|
||||
|
||||
Bij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van hoofdstuk VIIA van de wet zijn, naast de bepalingen van de AWR die in artikelen 63b van de wet worden genoemd, de voorschriften van titel 5.1 en titel 5.4 van de Awb van toepassing. Ook zijn de algemene bepalingen in hoofdstuk 1 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst van toepassing, voor zover deze een invulling geven aan het geldende wettelijke kader.
|
||||
|
||||
### 63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen
|
||||
|
||||
Voor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij de boete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting.
|
||||
|
||||
Ter zake van een verzuim als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet kan de ontvanger een boete opleggen van 5 procent van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van die bepaling. De boete wordt minimaal gesteld op € 50. In afwijking hiervan kan de ontvanger in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, eerste lid, van de wet genoemde maximum opleggen, zonder rekening te houden met de genoemde 5 procent. Als het bedrag waarover de bestuurlijke boete is berekend wordt verlaagd door een vermindering of teruggaaf van belasting over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid verlaagd, tot een minimum van € 50.
|
||||
|
||||
Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met betrekking tot die aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet voorkomen. Als er meerdere dergelijke verzuimen zijn, zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling van de hoogte van de boete vanwege een verzuim, houdt de ontvanger alleen rekening met de belasting die betrekking heeft op de desbetreffende betalingstermijn.
|
||||
|
||||
De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.
|
||||
|
||||
### 63b.3. Verzuimboete bij niet nakomen verplichting
|
||||
|
||||
Ter zake van het verzuim als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet kan de ontvanger een verzuimboete opleggen van 50 procent van het in dat artikel genoemde wettelijk maximum. In afwijking hiervan kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, tweede lid, van de wet genoemde maximum worden opgelegd.
|
||||
|
||||
De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn dan de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.
|
||||
|
||||
## 63c. en
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63c en 64 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63, 63a en 64 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 65. Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf
|
||||
|
||||
|
|
@ -4249,18 +3601,15 @@ Er zijn in deze leidraad op de artikelen 65a en 66 van de wet geen beleidsregels
|
|||
In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
||||
– bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf;
|
||||
– bekendmaking aan derden in het belang van de invordering;
|
||||
– informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen.
|
||||
|
||||
### 67.1. Bekendmaking aan de belastingschuldige
|
||||
### 67.1. Bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf
|
||||
|
||||
De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of erfgenaam.
|
||||
Als de belastingschuldige zelf verzoekt informatie te geven over de belastingschulden die hij heeft, zal de ontvanger die informatie ook kunnen verstrekken zonder de geheimhoudingsplicht te schenden. Ontheffing door de minister is in dat geval niet nodig.
|
||||
|
||||
### 67.2. Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering
|
||||
Overigens kunnen er situaties zijn die het verstrekken van informatie op verzoek van de belastingschuldige zelf om andere reden onwenselijk maken (bijvoorbeeld in strafzaken).
|
||||
|
||||
De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de Invorderingswet 1990. Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van belang is voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) dan wel een vooraankondiging aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49.2a van deze leidraad of een aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt geschonden. Het bepaalde in de artikelen 36.1 en 36.2 van deze leidraad geldt in dit verband niet als een beperking ter zake van de informatieverstrekking aan curatoren.
|
||||
|
||||
### 67.3. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen
|
||||
### 67.2. Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen
|
||||
|
||||
Desgevraagd is de ontvanger op grond van artikel 475g, derde lid, Rv verplicht aan de gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen tegen een schuldenaar, schriftelijk informatie te verstrekken over periodieke betalingen die hij aan die schuldenaar verricht of gaat verrichten op grond van een verleende voorlopige teruggaafbeschikking.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4272,30 +3621,9 @@ Deze informatieplicht behelst uitsluitend gegevens met betrekking tot:
|
|||
|
||||
Het verstrekken van andere informatie dan hiervoor genoemd, is in strijd met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de wet. Aan het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder een verzoek doet op grond van artikel 475g, derde lid, Rv mag de ontvanger het vertrouwen ontlenen dat er een gerechtigdheid bestaat tot het leggen van beslag tegen de schuldenaar in kwestie.
|
||||
|
||||
## 67a
|
||||
## 68. tot en met 72
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op artikel 67a van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 68. tot en met 70ca
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68, 69, 70, 70a, 70aa, 70ba, 70c en 70ca van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 70cc. Overgangsrecht in verband met vervallen artikel 36a per 1 april 2017
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 70cc van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de disculpatiemogelijkheid van de bestuurder.
|
||||
|
||||
## 70cc.1. Disculpatiemogelijkheid aansprakelijkheid bestuurder voor vennootschapsbelasting tot 1 april 2017
|
||||
|
||||
Voor vennootschapsbelasting die een lichaam is verschuldigd op grond van het tot 1 april 2017 geldende artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting, is de bestuurder niet aansprakelijk als hij bewijst dat:
|
||||
|
||||
– het niet aan hem is te wijten dat de onderhavige vennootschapsbelasting niet is voldaan; en
|
||||
– hij op het tijdstip waarop de niet-toegestane handeling met betrekking tot een pensioen- of vut-aanspraak dan wel de aanspraak op een stamrechtuitkering plaatsvond die aanleiding heeft gegeven tot heffing van vennootschapsbelasting, niet wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat de desbetreffende belasting niet zou kunnen worden voldaan.
|
||||
|
||||
Aan de tweede eis is in elk geval niet voldaan, wanneer de bestuurder ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tot afkoop van deze verplichtingen met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid kon voorzien dat de afwikkeling van die overeenkomst tot gevolg heeft dat er voor de voldoening van de ten gevolge van de afkoop verschuldigde vennootschapsbelasting geen of onvoldoende middelen beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
## 70d. tot en met 72
|
||||
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 70d, 70e, 70ea, 70f, 71 en 72 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68, 69, 70, 71 en 72 van de wet geen beleidsregels gemaakt.
|
||||
|
||||
## 73. Insolventieprocedures
|
||||
|
||||
|
|
@ -4305,10 +3633,8 @@ In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures opgenomen:
|
|||
– insolventieprocedure: wettelijke schuldsanering;
|
||||
– insolventieprocedure: surséance;
|
||||
– insolventieprocedure: faillissement;
|
||||
– insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (‘NVVK’) of gemeenten;
|
||||
– insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten;
|
||||
– insolventieprocedure: akkoorden;
|
||||
– wettelijk breed moratorium.
|
||||
– insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering;
|
||||
– insolventieprocedure: akkoorden.
|
||||
|
||||
### 73.1. Algemene uitgangspunten insolventieprocedures
|
||||
|
||||
|
|
@ -4391,32 +3717,16 @@ Zie voor verplichtingensignaal in relatie tot MSNP, WSNP en faillissement artike
|
|||
|
||||
Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt verwezen naar artikel 26.2.17 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
#### 73.2.2. De
|
||||
#### 73.2.2. Na de toepassing van de WSNP
|
||||
|
||||
Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel 356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij de bewindvoerder zijn aangemeld.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen en terugvorderingen (ter zake van toeslagen) die betrekking hebben op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal de ontvanger in beginsel afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat:
|
||||
|
||||
– de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag of terugvordering voorafgaande voorlopige aanslagen / teruggaven of voorschotten dan wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst;
|
||||
– over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact heeft opgenomen met de Belastingdienst; en
|
||||
– de bewindvoerder zelf tijdig relevante wijzigingen zoals bedoeld in artikel 17 Awir heeft doorgegeven, dan wel heeft bewaakt dat de belastingschuldige dit heeft gedaan.
|
||||
|
||||
Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd met een schone lei, die materieel betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de hij de belastingteruggave niet kan verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger, en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) van minder dan € 500 worden uitbetaald aan de belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) € 500 of meer bedraagt, zal de ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te overleggen of de vereffening moet worden heropend.
|
||||
Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.
|
||||
|
||||
Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden aangemerkt.
|
||||
|
||||
Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger voortzetten.
|
||||
|
||||
#### 73.2.3. De
|
||||
|
||||
De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, Fw) en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a, eerste lid, Fw). In die situaties kan de ontvanger de invordering hervatten.
|
||||
|
||||
#### 73.2.4. De
|
||||
|
||||
Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin van artikel 350, vijfde lid, Fw, blijft omzetting in faillissement achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten (artikel 73.4.14).
|
||||
|
||||
### 73.3. Insolventieprocedure – surséance
|
||||
|
||||
#### 73.3.1. Uitstel, kwijtschelding en surséance
|
||||
|
|
@ -4429,44 +3739,6 @@ Voor kwijtschelding in relatie tot surséance wordt verwezen naar artikel 26.1.9
|
|||
|
||||
Zie voor surséance in relatie tot ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid artikel 35.5.4, 35.6.2 en 35.12.11 onderscheidenlijk artikel 36.5.6 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
### 73.3a. WHOA-akkoord
|
||||
|
||||
#### 73.3a.1. Geldend beleid bij aangeboden WHOA-akkoord
|
||||
|
||||
Het beleid in deze leidraad en in de regeling dat ziet op kwijtschelding van belastingen is ook van toepassing op een verzoek om instemming met een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, tenzij daarvan wordt afgeweken in de volgende artikelen.
|
||||
|
||||
#### 73.3a.2. Voorwaarden WHOA-akkoord
|
||||
|
||||
1. De ontvanger kan instemmen met een aan hem aangeboden akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
||||
|
||||
– het akkoord is schriftelijk aangeboden en voldoet aan de in artikel 375 FW gestelde eisen;
|
||||
– de ontvanger is in een klasse ingedeeld waarin zijn wettelijke preferentie voldoende tot uiting komt;
|
||||
– het is aannemelijk dat het aangeboden akkoord, afgezien van de daarvoor nog te verrichten formaliteiten, door de rechtbank zou worden gehomologeerd.
|
||||
2. De ontvanger houdt bij de beoordeling van een aan hem aangeboden bedrag in het kader van een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, rekening met de zogenoemde 20%-regel als bedoeld in artikel 374, tweede lid, FW. De ontvanger kan daardoor onder omstandigheden medewerking verlenen aan een akkoord ondanks dat hij niet het dubbele percentage ontvangt van hetgeen aan concurrente schuldeisers als bedoeld in artikel 374, tweede lid, FW op hun vorderingen zal worden uitgekeerd.
|
||||
3. De ontvanger kan ook instemmen met een aan hem aangeboden akkoord als bedoeld in artikel 370 FW, als dit niet ziet op alle schuldeisers van de belastingschuldige. De ontvanger kan eveneens instemmen met een akkoord als er nog een redelijke mogelijkheid is om een derde aansprakelijk te stellen. Zie in dit verband artikel 73.3a.3.
|
||||
4. De ontvanger kan instemmen met een aan hem aangeboden akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, waarbij een of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan, niet kwijtschelden maar omzetten in aandelen. De ontvanger stemt echter niet in met een akkoord als de betaling van het akkoordbedrag aan hem, geschiedt door omzetting van de belastingschuld in aandelenkapitaal of enige andere betalingsvorm van gelijke strekking.
|
||||
5. Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvoor in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend, met uitzondering van de communautaire middelen.
|
||||
|
||||
#### 73.3a.2a. Tijdelijk uitkeringspercentage WHOA
|
||||
|
||||
Om de totstandkoming van minnelijke saneringsakkoorden te bevorderen, neemt de ontvanger van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 genoegen met ten minste hetzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen wordt aangeboden.
|
||||
|
||||
Voor akkoorden die in het kader van de WHOA (artikel 370, eerste lid, FW) aan de ontvanger worden aangeboden, betekent dit dat de ontvanger daarmee in kan stemmen, als het door hem te ontvangen deel van de belastingschuld ten minste hetzelfde percentage bedraagt als hetgeen aan concurrente crediteuren die in het akkoord zijn betrokken, op hun vorderingen wordt aangeboden. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de zogenoemde 20%-regel als bedoeld in artikel 374, tweede lid, FW. De ontvanger kan daardoor onder omstandigheden ook medewerking verlenen aan een akkoord als bedoeld in artikel 370 FW, ondanks dat hij niet ten minste hetzelfde percentage ontvangt als hetgeen aan concurrente crediteuren als bedoeld in artikel 374, tweede lid, FW, op hun vorderingen zal worden uitgekeerd.
|
||||
|
||||
Deze tijdelijke maatregel is van toepassing op verzoeken om instemming met een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW die in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 zijn ontvangen, voor zover het akkoord is gericht op het voortzetten van de onderneming. Deze maatregel kan bovendien van toepassing worden geacht als de rechtbank wordt verzocht om het akkoord te homologeren (zie artikel 383, eerste lid, FW), indien en voor zover de ontvanger reeds had ingestemd met het akkoord dat aan de rechtbank ter homologatie wordt voorgelegd.
|
||||
|
||||
#### 73.3a.3. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord bij instemming
|
||||
|
||||
Als de ontvanger instemt met een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat het akkoord tot stand is gekomen dan wel is gehomologeerd en hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan voor belastingaanslagen waarvoor derden in redelijkheid aansprakelijk kunnen worden gesteld toezeggen dat daarvoor ten aanzien van de belastingschuldige geen verdere invorderingsmaatregelen worden genomen in plaats van kwijtschelding te verlenen. De ontvanger vermeldt in dat geval in de beschikking dat hij zich het recht voorbehoudt om derden aansprakelijk te stellen voor de betreffende belastingaanslagen.
|
||||
|
||||
#### 73.3a.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming
|
||||
|
||||
Als een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, waarmee de ontvanger niet heeft ingestemd, door de rechtbank wordt gehomologeerd, verleent de ontvanger voor het resterende deel van de belastingaanslagen geen kwijtschelding maar neemt hij geen verdere invorderingsmaatregelen.
|
||||
|
||||
Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum van homologatie van een akkoord die materieel betrekking hebben op een periode waarop het akkoord betrekking heeft, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij de belastingteruggaaf niet kan verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.
|
||||
|
||||
### 73.4. Insolventieprocedure – faillissement
|
||||
|
||||
#### 73.4.1. Faillissementsaanvraag – algemeen
|
||||
|
|
@ -4475,12 +3747,12 @@ De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement aanvraagt, moete
|
|||
|
||||
Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een faillissement aan als:
|
||||
|
||||
– die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of
|
||||
– die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag;
|
||||
– naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn gebleven.
|
||||
|
||||
#### 73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag
|
||||
|
||||
Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig noch te verwachten zijn, dan wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van die rechtspersoon conform artikel 2:19a BW boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon.
|
||||
Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van die rechtspersoon boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon.
|
||||
|
||||
#### 73.4.3. Particulieren en faillissement
|
||||
|
||||
|
|
@ -4492,7 +3764,7 @@ Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van bedrijfsvoering
|
|||
|
||||
#### 73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige – voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen – een verzoek om kwijtschelding doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6 van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen.
|
||||
Als de belastingschuldige – voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen – een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6 van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen.
|
||||
|
||||
Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het aanbod onvoldoende past binnen het door de fiscus gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4504,19 +3776,19 @@ De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan om
|
|||
|
||||
#### 73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag
|
||||
|
||||
De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk toestemming van het ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst, Corporate Dienst Vaktechniek hebben. Het voorgaande geldt ook voor in hoger beroep te voeren zaken over een faillissementsaanvraag.
|
||||
De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk toestemming van het ministerie hebben.
|
||||
|
||||
#### 73.4.7. Steunvordering UWV voor faillissementsaanvraag
|
||||
|
||||
2011327524-02-201116-02-2011DGB2010/7493M2011327524-02-201116-02-2011DGB2010/7493M25-02-2011
|
||||
Als de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van het UWV als zogenoemde steunvordering, doet hij dit alleen als het UWV schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.
|
||||
|
||||
#### 73.4.8. Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag
|
||||
|
||||
Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.6 van deze leidraad is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de ontvanger.
|
||||
Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.7 van deze leidraad is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de ontvanger.
|
||||
|
||||
Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het ministerie vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3 en 73.4.6 van deze leidraad. In dat geval is toestemming van het Ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst, Corporate Dienst Vaktechniek vereist.
|
||||
Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3, 73.4.6 en 73.4.7 van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het ministerie vereist.
|
||||
|
||||
#### 73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring
|
||||
|
||||
|
|
@ -4524,11 +3796,13 @@ Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de faill
|
|||
|
||||
#### 73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement
|
||||
|
||||
Bij de afwikkeling van een faillissement door de curator kan vertraging ontstaan als schuldenaren van de failliet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor diens belastingschulden. Om vertraging tegen te gaan en mogelijke patstellingen in de afwikkeling van het faillissement te voorkomen, kan (uitsluitend) de curator zich tot de ontvanger wenden met het verzoek om een besluit te nemen over het wel of niet aansprakelijk stellen van de schuldenaar van de belastingschuldige. De ontvanger moet het belang van de curator en de door deze vertegenwoordigde schuldeisers betrekken in de besluitvorming of hij tot aansprakelijkstelling zal overgaan.
|
||||
In het faillissement van een belastingschuldige kan een schuldenaar van de belastingschuldige – als deze schuldenaar door de ontvanger aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 34, 35, 35a of 35b van de wet – zich beroepen op een voorwaardelijke regresrecht. Door dit beroep kan de vordering niet worden geïnd.
|
||||
|
||||
De curator overlegt aan de ontvanger alle relevante gegevens met betrekking tot de vorderingen op de betreffende schuldenaren van de failliet. In ieder geval maakt de curator (ook kwantitatief) inzichtelijk, hoe groot het belang van de ontvanger is bij afwikkeling van de boedel mét en zónder inning van de vordering waarvoor een beroep op het regresrecht wordt gedaan.
|
||||
Het beroep op het regresrecht vervalt als zeker is dat de ontvanger de schuldenaar van de belastingschuldige niet aansprakelijk stelt. In een dergelijke situatie kan (uitsluitend) de curator zich tot de ontvanger wenden met het verzoek om een besluit te nemen over het wel of niet aansprakelijk stellen van de schuldenaar van de belastingschuldige. De ontvanger moet het belang van de curator en de door deze vertegenwoordigde schuldeisers betrekken in de besluitvorming of hij tot aansprakelijkstelling zal overgaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger verzendt de curator binnen veertien dagen na ontvangst van de gegevens een ontvangstbevestiging. Als de ontvanger naar aanleiding van de verstrekte gegevens nadere informatie wenst, vermeldt hij dat in de ontvangstbevestiging. Ook geeft hij aan de redelijke termijn waarop de aanvullende gegevens moeten zijn verstrekt.
|
||||
De curator legt aan de ontvanger alle relevante gegevens met betrekking tot de voorwaardelijke regresvordering over. In ieder geval maakt de curator (ook kwantitatief) inzichtelijk, hoe groot het belang van de ontvanger is bij afwikkeling van de boedel mét en zónder inning van de vordering waarvoor een beroep op de voorwaardelijke regresvordering wordt gedaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger verzendt de curator binnen tien dagen na ontvangst van de gegevens een ontvangstbevestiging. Als de ontvanger naar aanleiding van de verstrekte gegevens nadere informatie wenst, vermeldt hij dat in de ontvangstbevestiging. Ook geeft hij aan de redelijke termijn waarop de aanvullende gegevens moeten zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
De ontvanger betrekt in ieder geval de volgende aspecten bij de mogelijke, door hem te nemen beslissingen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4566,115 +3840,68 @@ Als na beëindiging van faillissement daaruit ontvangen gelden moeten worden ter
|
|||
|
||||
#### 73.4.15. Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU – niet Denemarken – en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de EU-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden geopend.
|
||||
Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU – niet Denemarken – en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden geopend.
|
||||
|
||||
Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire of territoriale procedure in Nederland. Een secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure – dus niet de surseance van betaling – en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond.
|
||||
Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire procedure in Nederland. Een dergelijke secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure – dus niet de surseance van betaling – en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond. De ontvanger vraagt een secundaire procedure aan met inachtneming van het in deze leidraad verwoorde beleid.
|
||||
|
||||
#### 73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP
|
||||
|
||||
Als omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger – als de schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt – een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel 19a en 22a van de regeling.
|
||||
|
||||
### 73.5. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten
|
||||
### 73.5. Insolventieprocedure – minnelijke schuldsanering
|
||||
|
||||
#### 73.5.1. Voorwaarden voor MSNP
|
||||
#### 73.5.1. Algemeen
|
||||
|
||||
Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener als hierna bedoeld in onderdeel b. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener waarin staat dat hij activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren.
|
||||
De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36 maanden gedurende de periode van schuldregeling als:
|
||||
|
||||
Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst neemt de ontvanger gedurende een periode van maximaal 240 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen. Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg met de schuldhulpverlener. Daarnaast vindt verrekening alleen plaats met belastingteruggaven die (materieel) zijn ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen. Het in deze alinea beschreven terughoudende beleid geldt niet in situaties waarin op voorhand duidelijk is dat de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling op basis van het hierna in dit artikel beschreven beleid. De ontvanger informeert de schuldhulpverlener hierover.
|
||||
a. een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging van Volkskrediet tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;
|
||||
b. de schuldhulpverlener lid of geassocieerd lid is van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer;
|
||||
c. de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers;
|
||||
d. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige – afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden, met uitzondering van het bepaalde in artikel 288, tweede lid, onderdeel b, Fw – in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;
|
||||
e. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.
|
||||
|
||||
Nadat de schuldhulpverlener de ontvanger schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen, verleent de ontvanger uitstel van betaling voor een periode van, in beginsel, maximaal 18 maanden als:
|
||||
Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.
|
||||
|
||||
a. de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen;
|
||||
b. de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a);
|
||||
c. een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;
|
||||
d. een schuldregelingsovereenkomst tot stand is gekomen conform de Module Schuldregeling in het kader van schuldhulpverlening voor ondernemers van de NVVK of een daarmee gelijk te stellen overeenkomst en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer;
|
||||
e. het aannemelijk is dat het bedrijf of beroep tijdens en na het volledig hebben doorlopen van de schuldregeling met een levensvatbare bedrijfsuitoefening kan worden voortgezet, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer;
|
||||
f. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige - afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden - in aanmerking zou komen voor een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a FW;
|
||||
g. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.
|
||||
De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling zal worden voortgezet.
|
||||
|
||||
De voorwaarden onder d en e zijn niet van toepassing op een ex-ondernemer indien aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf zal uitoefenen of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.
|
||||
Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook van toepassing is op die belastingaanslagen.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan ervoor kiezen om aanslagen, waarvoor hij redelijkerwijs derden aansprakelijk kan stellen, niet te betrekken in de schuldregeling, voor zover deze ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer. Artikel 26.3.2 is hierbij van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan in bijzondere omstandigheden een langere termijn voor uitstel van betaling toekennen dan 18 maanden. Daarbij gelden als voorwaarden dat de schuldhulpverlener daar schriftelijk om verzoekt en aannemelijk maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere periode rechtvaardigen en dat de belangen van de belastingschuldige onevenredig worden geschaad als wordt vastgehouden aan de termijn van 18 maanden.
|
||||
|
||||
Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De schuldhulpverlener streeft ernaar dit onderzoek af te ronden binnen 120 dagen, maar uiterlijk binnen 240 dagen, gerekend vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, zet de schuldhulpverlener de schuldregelingsovereenkomst voort; hij stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet tijdig in het tot stand brengen van de schuldregeling, dan beëindigt hij de schuldregelingsovereenkomst.
|
||||
|
||||
Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend, omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook van toepassing is op die belastingaanslagen.
|
||||
|
||||
De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan worden teruggekomen. In voorkomend geval wordt het bedrag van de verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt substantieel te laag mocht zijn, kan de ontvanger daarop alleen terugkomen indien terzake van die belasting ten tijde van de schatting ten onrechte geen aangifte was gedaan danwel indien de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten dat de schatting te laag was.
|
||||
|
||||
Aanslagen waarvoor de Sociale Verzekeringsbank een onherroepelijk vaststaande beschikking van schuldige nalatigheid heeft afgegeven, blijven voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. Eventuele buitenlandse belastingschulden waarvoor een verzoek om bijstand is gedaan door een andere staat, neemt de ontvanger ook niet mee in de uitstelregeling. In plaats daarvan stuurt de ontvanger het verzoek terug en informeert de andere staat over de voorgenomen minnelijke schuldsaneringsregeling onder toevoeging van de gegevens van de schuldhulpverlener bij wie de andere staat de schuldvordering kan aanmelden.
|
||||
|
||||
#### 73.5.1a. Tijdelijk uitkeringspercentage MSNP voor ondernemers
|
||||
|
||||
Om de totstandkoming van minnelijke saneringsakkoorden van ondernemers te bevorderen, neemt de ontvanger in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 genoegen met ten minste hetzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente crediteuren op hun vorderingen wordt aangeboden.
|
||||
|
||||
Voor schuldregelingen als bedoeld in artikel 73.5.1, die ten behoeve van een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer, tot stand komen, betekent dit dat de ontvanger daarmee in kan stemmen, als het door hem te ontvangen deel van de belastingschuld ten minste hetzelfde percentage bedraagt als hetgeen aan concurrente crediteuren die in het akkoord zijn betrokken, op hun vorderingen wordt aangeboden.
|
||||
|
||||
Deze tijdelijke maatregel is van toepassing op minnelijke schuldregelingen waarbij de onderneming wordt voortgezet en waarvan een afschrift van de stabilisatieovereenkomst, een schriftelijke mededeling dat een schuldregelingsovereenkomst tot stand is gekomen of een schriftelijk aanbod van het akkoordbedrag in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 is ontvangen. Deze maatregel kan bovendien van toepassing worden geacht als de belastingschuldige de rechtbank verzoekt om een akkoord aan de gezamenlijke schuldeisers op te leggen (zie artikel 287a, eerste lid, FW) en de ontvanger reeds had ingestemd met het door hem te ontvangen bedrag in het akkoord dat aan de rechter wordt voorgelegd.
|
||||
De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen.
|
||||
|
||||
#### 73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP
|
||||
|
||||
20166910728-12-201620166910728-12-201601-01-2017Wijziging is herplaatst.20166910728-12-201622-12-20162016-21813020166910728-12-201622-12-20162016-21813001-01-2017
|
||||
Vanaf het moment dat de schuldhulpverlener verzoekt om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen, neemt de ontvanger gedurende drie maanden geen dwanginvorderingsmaatregelen. Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg met de schuldhulpverlener.
|
||||
|
||||
Als bijzondere omstandigheden zich voordoen, kan de ontvanger deze termijn verlengen. Als de ontvanger een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener ontvangt waaruit blijkt dat de overeenkomst tot schuldregeling niet wordt voortgezet, hervat de ontvanger de invordering.
|
||||
|
||||
#### 73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen
|
||||
|
||||
Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen (en de schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet). Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.
|
||||
Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra het uitstel van betaling is verleend. Gedurende het uitstel is verrekening mogelijk van belastingaanslagen waarvoor uitstel van betaling is verleend. Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen.
|
||||
|
||||
#### 73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP
|
||||
|
||||
Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
Als sprake is van een verleend uitstel van betaling vanwege een overeenkomst tot schuldregeling, handelt de ontvanger gedurende de periode van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.
|
||||
Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.
|
||||
|
||||
Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de in artikel 13 van de regeling bedoelde betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder het financieel beheer door de schuldhulpverlener valt. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder financieel beheer van de schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
|
||||
Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
|
||||
|
||||
#### 73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP
|
||||
|
||||
De ontvanger trekt het uitstel in als:
|
||||
|
||||
– hij niet uiterlijk binnen 240 dagen na de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet;
|
||||
– de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat;
|
||||
– de overeenkomst tot schuldregeling wordt beëindigd;
|
||||
– de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen en die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen, onbetaald laat;
|
||||
– de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt;
|
||||
– de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen;
|
||||
– de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de zin van art. 73.5.6.
|
||||
– de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt in de situatie genoemd bij het eerste gedachtestreepje niet ingetrokken als blijkt dat een verzoek om een schuldregeling, als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet of een verzoek tot toelating tot de WSNP, is ingediend bij de rechter. De ontvanger trekt het uitstel in deze situatie niet eerder in, dan nadat de rechter heeft beslist op het verzoek.
|
||||
|
||||
De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen zijn verplichtingen correct nakomt.
|
||||
De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het tweede, derde en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen zijn verplichtingen correct nakomt.
|
||||
|
||||
#### 73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP
|
||||
|
||||
Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling of artikel 22a van de regeling.
|
||||
Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling.
|
||||
|
||||
In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Voor de gevolgen van een buitengerechtelijk akkoord wordt verwezen naar artikel 73.6.3 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
#### 73.5.7. Na de toepassing van de MSNP
|
||||
|
||||
Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen en terugvorderingen (ter zake van toeslagen) die betrekking hebben op de periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling, zal de ontvanger in beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen uit die regeling heeft voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat:
|
||||
|
||||
– de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag of terugvordering voorafgaande voorlopige aanslagen / teruggaven of voorschotten dan wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst;
|
||||
– hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact heeft opgenomen met de Belastingdienst; en
|
||||
– De schuldhulpverlener zelf tijdig relevante wijzigingen zoals bedoeld in artikel 17 Awir heeft doorgegeven, dan wel heeft bewaakt dat de belastingschuldige dit heeft gedaan.
|
||||
|
||||
### 73.5a. Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten
|
||||
|
||||
Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet, niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente, worden in behandeling genomen met inachtneming van het volgende. De ontvanger zal een belangenafweging moeten maken en zich daarbij moeten afvragen of hij al dan niet tot instemming met de schuldregeling kan komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad. Artikel 73.5 is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dit betekent onder meer dat de schuldregeling betrekking moet hebben op natuurlijke personen.
|
||||
|
||||
Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen:
|
||||
|
||||
1. is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;
|
||||
2. is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;
|
||||
3. biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;
|
||||
4. biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de weigerende ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen;
|
||||
5. bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;
|
||||
6. wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger heeft bij volledige nakoming;
|
||||
7. hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de totale schuldenlast;
|
||||
8. staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;
|
||||
9. is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen.
|
||||
|
||||
Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een dergelijk verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan van de schuldregeling voor 18 maanden uitstel van betaling.
|
||||
In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan.
|
||||
|
||||
### 73.6. Insolventieprocedure – akkoorden
|
||||
|
||||
|
|
@ -4682,22 +3909,13 @@ Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een dergelijk ver
|
|||
|
||||
In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP – namelijk het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een rechter – ook voor de Belastingdienst laten gelden.
|
||||
|
||||
Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. Een verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan een ieder indienen, ook de schuldenaar.
|
||||
Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is.
|
||||
|
||||
#### 73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord
|
||||
|
||||
20183570929-06-201820-06-20182018-1135820183570929-06-201820-06-20182018-1135801-07-2018
|
||||
De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard. Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel 288 FW dat de weigeringsgronden voor de rechter bevat op een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
|
||||
#### 73.6.2a. Betaling bedrag saneringsakkoord
|
||||
|
||||
Betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De ontvanger kan toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan enkel indien belastingschuldige een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig zullen worden nagekomen. In dat geval treedt de ontvanger voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de uitstelregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1 en 25.6.2 van toepassing met dien verstande dat in afwijking van:
|
||||
|
||||
– artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend;
|
||||
– artikel 25.6.1 van deze leidraad de looptijd van twaalf maanden aanvangt op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking tot kwijtschelding;
|
||||
– artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt;
|
||||
– artikel 25.6.2 van deze leidraad belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen.
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent pas kwijtschelding indien het saneringsakkoord in al zijn onderdelen is nagekomen.
|
||||
De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met betaling in termijnen eist hij zekerheid.
|
||||
|
||||
Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4705,9 +3923,9 @@ De ontvanger stemt alleen in met een buitengerechtelijk akkoord als het bodemvoo
|
|||
|
||||
#### 73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord
|
||||
|
||||
Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen. Zonodig stelt hij een derdebeslagene of houder van penningen op de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor doorhaling van een beslag op een registergoed.
|
||||
Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft.
|
||||
|
||||
De ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft gevorderd op grond van het buitengerechtelijk akkoord.
|
||||
Een buitengerechtelijk akkoord is niet van invloed op gelegde beslagen. De ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft gevorderd op grond van het buitengerechtelijk akkoord.
|
||||
|
||||
De ontvanger heft een gijzeling op zodra hij toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4719,17 +3937,9 @@ Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden aansprakelijk
|
|||
|
||||
De ontvanger stemt alleen in met een akkoord als het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking komt in het aangeboden bedrag.
|
||||
|
||||
#### 73.6.4a. Tijdelijk uitkeringspercentage buitengerechtelijk akkoord voor ondernemers
|
||||
|
||||
Om de totstandkoming van minnelijke saneringsakkoorden van ondernemers te bevorderen, neemt de ontvanger in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 genoegen met ten minste hetzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente schuldeisers wordt aangeboden.
|
||||
|
||||
Voor een akkoord als bedoeld in artikel 22a van de regeling, betekent dit dat de ontvanger daarmee in kan stemmen, als het door hem te ontvangen deel van de belastingschuld, ten minste hetzelfde percentage bedraagt als hetgeen aan concurrente crediteuren op hun vorderingen wordt aangeboden die in het akkoord zijn betrokken.
|
||||
|
||||
Deze tijdelijke maatregel is van toepassing op akkoorden als bedoeld in artikel 22a van de regeling voor zover deze zijn gericht op het voortzetten van een onderneming en in de periode van 1 augustus 2022 tot 1 april 2024 zijn ontvangen. Deze maatregel kan bovendien van toepassing worden geacht als de belastingschuldige de rechtbank verzoekt om een akkoord aan de gezamenlijke schuldeisers op te leggen (zie artikel 287a, eerste lid, FW) en de ontvanger reeds had ingestemd met het akkoord dat aan de rechter wordt voorgelegd.
|
||||
|
||||
#### 73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord
|
||||
|
||||
Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen.
|
||||
Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft.
|
||||
|
||||
#### 73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord
|
||||
|
||||
|
|
@ -4741,7 +3951,7 @@ De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in een akkoo
|
|||
|
||||
#### 73.6.7. Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord
|
||||
|
||||
Voor het premiedeel AOW dat is begrepen in aanslagen waarvoor de Sociale Verzekeringsbank een onherroepelijk vaststaande beschikking van schuldige nalatigheid heeft afgegeven, mag de ontvanger geen enkele poging tot invordering meer ondernemen. Daarnaast dient de ontvanger deze aanslagen niet ter verificatie in bij een faillissement of WSNP. Dit betekent dat deze aanslagen niet worden meegenomen in een (buiten)gerechtelijk akkoord.
|
||||
Als in het akkoord aanslagen zijn betrokken waarvoor de premieschuldige schuldig nalatig is verklaard, verleent de ontvanger voor die aanslagen geen kwijtschelding, maar worden deze beschouwd als een natuurlijke verbintenis.
|
||||
|
||||
#### 73.6.8. Gevolgen dwangakkoord
|
||||
|
||||
|
|
@ -4749,28 +3959,36 @@ Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een dwangakkoord o
|
|||
|
||||
Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent hij geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.
|
||||
|
||||
Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum van het akkoord die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de belastingteruggaaf niet te kunnen verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.
|
||||
|
||||
#### 73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord
|
||||
|
||||
Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet mogelijk is, vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats bij een zogenoemd saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de regeling. Zie ook artikel 26.3 van deze leidraad.
|
||||
Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.
|
||||
|
||||
### 73.7. Wettelijk breed moratorium
|
||||
|
||||
Gedurende een door de rechtbank afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, schort de ontvanger lopende invorderingsmaatregelen op. Verrekeningen met belastingteruggaven vinden gedurende de afkoelingsperiode niet plaats, ongeacht de periode waarin die teruggaaf is ontstaan. De afkoelingsperiode is niet van invloed op een eventueel verleend uitstel van betaling of een voorwaardelijk verleende kwijtschelding. Hierop blijft het in deze leidraad opgenomen beleid op de artikelen 25 en 26 van de wet van toepassing. Gedurende de afkoelingsperiode schort de ontvanger de uitbetaling aan een derde op in verband met een executoriaal beslag op belastingteruggaven van de belastingschuldige.
|
||||
Zie artikel 26.3. van deze leidraad.
|
||||
|
||||
## 74. Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten
|
||||
|
||||
Voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting zijn in artikel 25 van de wet uitstelfaciliteiten opgenomen in het vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende, zeventiende en achttiende lid.
|
||||
|
||||
Voor belastingaanslagen betreffende de rechten van successie of schenking bevat artikel 25 van de wet uitstelfaciliteiten in het derde, elfde, twaalfde en dertiende lid. In artikel 6 van het besluit en in de hoofdstukken I, IA en IB, van de regeling zijn hierover nadere regels gesteld.
|
||||
|
||||
De uitstelfaciliteiten van artikel 25 hebben zowel betrekking op:
|
||||
|
||||
– belastingschuld die is vervat in een afzonderlijke conserverende aanslag (artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, elfde, twaalfde en zeventiende lid, van de wet);
|
||||
– belastingschuld die is begrepen in een gewone belastingaanslag (artikel 25, derde, negende, dertiende, veertiende, zestiende en achttiende lid, van de wet).
|
||||
|
||||
In artikel 26, tweede en derde lid, van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op grond waarvan – onder de in die leden bepaalde voorwaarden – kwijtschelding kan worden verleend voor belastingaanslagen waarvoor op de voet van artikel 25, vijfde en achtste lid, van de wet uitstel van betaling is verleend. Dit betreffen de zogenoemde conserverende belastingaanslagen.
|
||||
|
||||
In dit artikel is het volgende beleid over uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten opgenomen:
|
||||
|
||||
– algemene uitgangspunten;
|
||||
– uitstel op basis van artikel 25, vijfde lid, van de wet;
|
||||
– duur van het uitstel op basis van artikel 70b van de wet;
|
||||
– duur van het uitstel op basis van artikel 25, zesde lid, van de wet;
|
||||
– nadere voorwaarden voor voortzetting uitstel op basis van artikel 25, achtste lid, van de wet;
|
||||
– rente en uitstel op basis van artikel 25, negende lid, van de wet;
|
||||
– uitstel op basis van artikel 25, twaalfde lid, van de wet;
|
||||
– uitstel op basis van artikel 25, elfde en twaalfde lid, van de wet;
|
||||
– beoordeling verzoek om uitstel en artikel 25, veertiende lid, van de wet;
|
||||
– uitstel op basis van artikel 25, zestiende lid, van de wet;
|
||||
– uitstel en de Regeling beëindiging veehouderijtakken;
|
||||
– uitstel op basis van artikel 25, zeventiende lid, van de wet;
|
||||
– uitstel op basis van artikel 25, achttiende en negentiende lid, van de wet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4778,20 +3996,22 @@ In dit artikel is het volgende beleid over uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteit
|
|||
|
||||
#### 74.1.1. Voorwaarden bij uitstel zonder schriftelijk verzoek
|
||||
|
||||
In het geval waarin op grond van de artikelen 1e en 2, van de regeling of op grond van deze leidraad een schriftelijk verzoek van de belastingschuldige niet nodig is om voor de uitstelfaciliteit in aanmerking te komen, verleent de ontvanger automatisch uitstel van betaling onder de voorwaarden dat:
|
||||
In het geval waarin op grond van de artikelen 1e, 1g en 2, van de regeling of op grond van deze leidraad een schriftelijk verzoek van de belastingschuldige niet nodig is om voor de uitstelfaciliteit in aanmerking te komen, verleent de ontvanger automatisch uitstel van betaling onder de voorwaarden dat:
|
||||
|
||||
a. de belastingschuldige nalaat de zogenoemde verboden handelingen te verrichten; en
|
||||
b. de belastingschuldige desgevraagd aan de ontvanger informatie verstrekt om te kunnen beoordelen of het automatisch verleende uitstel van betaling onverkort kan worden gecontinueerd.
|
||||
|
||||
#### 74.1.2. M-biljet is verzoek om uitstel
|
||||
|
||||
In aanvulling op de artikelen 1e en 2, van de regeling kan een schriftelijk verzoek om voor uitstel in aanmerking te komen ook achterwege blijven, als er sprake is van een conserverende belastingaanslag die wordt opgelegd naar aanleiding van een M-biljet dat is ingediend in verband met de emigratie van een belastingschuldige naar een land dat geen lidstaat is van de Europese Unie.
|
||||
In aanvulling op de artikelen 1e, 1g en 2, van de regeling kan een schriftelijk verzoek om voor uitstel in aanmerking te komen ook achterwege blijven, als er sprake is van een conserverende belastingaanslag die wordt opgelegd naar aanleiding van een M-biljet dat is ingediend in verband met de emigratie van een belastingschuldige naar een land dat geen lidstaat is van de Europese Unie.
|
||||
|
||||
Ook in dat geval verleent de ontvanger automatisch uitstel van betaling.
|
||||
|
||||
#### 74.1.3. Conserverende aanslag met meerdere inkomensbestanddelen
|
||||
|
||||
Er kan een conserverende belastingaanslag opgelegd worden die betrekking heeft op meerdere te conserveren inkomensbestanddelen. Als voor al deze of voor enkele bestanddelen uitstel van betaling wordt verzocht, dan verleent de ontvanger uitstel recht evenredig aan het aandeel van het betreffende inkomensbestanddeel in de grondslag van de geconserveerde belasting.
|
||||
Er kan een conserverende belastingaanslag opgelegd worden die betrekking heeft op meerdere te conserveren inkomensbestanddelen. Als voor al deze of voor enkele bestanddelen uitstel van betaling wordt verzocht, dan verleent de ontvanger uitstel rechtevenredig aan het aandeel van het betreffende inkomensbestanddeel in de grondslag van de geconserveerde belasting.
|
||||
|
||||
Het onderscheid in de verschillende inkomensbestanddelen is gebaseerd op artikel 25, vierde, vijfde en achtste lid en artikel 70b, van de wet. Het uitstel wordt per bestanddeel bij voor bezwaar vatbare beschikking verleend.
|
||||
Het onderscheid in de verschillende inkomensbestanddelen is gebaseerd op artikel 25, vierde, vijfde, zesde en achtste lid, van de wet. Het uitstel wordt per bestanddeel bij voor bezwaar vatbare beschikking verleend.
|
||||
|
||||
#### 74.1.4. Hoogte zekerheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -4815,9 +4035,9 @@ Voor zover de conserverende aanslag meer bedraagt dan de voorlopige conserverend
|
|||
|
||||
Naast de normale vormen van zekerheid, kan zekerheidstelling ook plaatsvinden door verpanding van het pensioenkapitaal aan de Belastingdienst, mits de buitenlandse verzekeraar instemt met die verpanding.
|
||||
|
||||
In dit verband wordt gewezen op artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel a., van de Pensioenwet dat een zodanige verpanding voor pensioenen mogelijk maakt. Overigens geldt dat verpanding van het pensioenkapitaal in het kader van artikel 25, vijfde lid, van de wet geen handeling is die tot invordering van de conserverende belastingaanslag leidt.
|
||||
In dit verband wordt gewezen op artikel 32 van de Pensioen- en spaarfondsenwet dat een zodanige verpanding voor pensioenen mogelijk maakt. Overigens geldt dat verpanding van het pensioenkapitaal in het kader van artikel 25, vijfde lid, van de wet geen handeling is die tot invordering van de conserverende belastingaanslag leidt.
|
||||
|
||||
In aanvulling op artikel 1e, tweede lid, van de regeling kan zekerheidstelling door de belastingschuldige achterwege blijven, als er sprake is van emigratie én waardeoverdracht van kapitaal aan een buitenlandse, niet in een EU-lidstaat, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland gevestigde, aangewezen verzekeraar of pensioenfonds, welke zich heeft verplicht tot het verschaffen van inlichtingen en tot het stellen van zekerheid.
|
||||
In aanvulling op artikel 1e, tweede lid, van de regeling kan zekerheidstelling door de belastingschuldige achterwege blijven, als er sprake is van emigratie én waardeoverdracht van kapitaal aan een buitenlandse, niet in een EU-lidstaat gevestigde, aangewezen verzekeraar of pensioenfonds, welke zich heeft verplicht tot het verschaffen van inlichtingen en tot het stellen van zekerheid.
|
||||
|
||||
#### 74.2.2. Verscheidene contracten en
|
||||
|
||||
|
|
@ -4831,72 +4051,67 @@ De inspecteur zal dan een (nieuwe) belastingaanslag opleggen naar aanleiding van
|
|||
|
||||
### 74.3. Duur van het uitstel op basis van
|
||||
|
||||
De uitsteltermijn voor een conserverende aanslag als bedoeld in artikel 70b van de wet vangt aan vanaf de dag na de vervaldag van de voor die aanslag geldende enige of laatste betalingstermijn.
|
||||
De uitsteltermijn voor een conserverende aanslag als bedoeld in artikel 25, zesde lid, van de wet vangt aan vanaf de dag na de vervaldag van de voor die aanslag geldende enige of laatste betalingstermijn.
|
||||
|
||||
### 74.4. Nadere voorwaarden voor uitstel op basis van
|
||||
Het uitstel eindigt als één van de volgende omstandigheden zich voordoet:
|
||||
|
||||
1. De ontvanger verbindt aan het verlenen van uitstel van betaling op basis van artikel 25, achtste lid, van de wet of aan het voortzetten ervan op grond van artikel 2, zevende tot en met tiende lid, van de regeling de voorwaarde dat de belastingschuldige jaarlijks de volgende gegevens overlegt:
|
||||
– de woning is geen eigen woning meer in de zin van artikel 3.111, Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
– de belastingschuldige geniet een voordeel als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (uitkering op kapitaalverzekering);
|
||||
– er wordt niet meer voldaan aan de voorwaarden van de regeling met betrekking tot de kapitaalverzekering eigen woning, als bedoeld in artikel 3.116, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
a. schriftelijke bescheiden aan de hand waarvan de ontvanger kan bepalen of zich omstandigheden hebben voorgedaan die leiden tot beëindiging van het uitstel, en
|
||||
b. informatie over het actuele adres en de werkelijke verblijfplaats van de belastingschuldige.
|
||||
### 74.4. Nadere voorwaarden voor voortzetting uitstel op basis van
|
||||
|
||||
De schriftelijke bescheiden kunnen de vorm hebben van een naar Nederlandse maatstaven opgestelde fiscale balans en verlies- en winstrekening of andere stukken waaruit de winstuitdelingen en gerechtigden blijken. Het kan ook een gecertificeerde verklaring van de (belasting)autoriteiten van het woonland zijn dat geen handelingen hebben plaatsgevonden die tot beëindiging van het uitstel leiden. De ontvanger stuurt de belastingschuldige na ontvangst van de bescheiden een ontvangstbevestiging.
|
||||
2. De ontvanger kan besluiten om bij een gering invorderingsrisico de frequentie van de aanlevering van schriftelijke bescheiden te verlagen. Factoren die de ontvanger hierbij in aanmerking neemt zijn:
|
||||
|
||||
– de hoogte van de conserverende aanslag;
|
||||
– het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige in het verleden;
|
||||
– de vestigingsplaats van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden;
|
||||
– het land waarnaar de belastingschuldige is geëmigreerd.
|
||||
|
||||
De belastingschuldige moet informatie over het actuele adres en de werkelijke verblijfplaats altijd jaarlijks overleggen.
|
||||
3. Als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b of c, van de regeling hoeft de belastingschuldige bij het verlenen van uitstel van betaling geen zekerheid te stellen. Op het moment van emigratie, onderscheidenlijk verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap, naar een land buiten de Europese Unie, niet zijnde Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, zet de ontvanger het uitstel van betaling alleen voort als de belastingschuldige alsnog zekerheid stelt voor de voldoening van de conserverende aanslag. De belastingschuldige moet van de emigratie, onderscheidenlijk verplaatsing van de werkelijke leiding, onverwijld schriftelijk melding doen bij de ontvanger.
|
||||
4. Het uitstel als bedoeld in het zesde, zevende en achtste lid, van artikel 2 van de regeling wordt alleen voortgezet als de belastingschuldige voldoet aan de door de ontvanger nader te stellen voorwaarden:
|
||||
Nadere voorwaarden voor voortzetting van het uitstel na vervreemding in buitenlandsituaties. Het uitstel als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, van artikel 2 van de regeling zal slechts worden voortgezet als de belastingschuldige instemt met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden:
|
||||
|
||||
– Bij overgang naar de ondernemings- of resultaatssfeer zijn de voorwaarden er op gericht het uitstel te beëindigen in dezelfde situaties als ware de aandelen of winstbewijzen niet overgebracht naar de ondernemings- of resultaatssfeer.
|
||||
– Bij overgang van aandelen of winstbewijzen zal het uitstel worden voortgezet mits de verkrijgers uitdrukkelijk instemmen met de voorwaarden waaronder het uitstel is verleend.
|
||||
– De ontvanger stelt verder de voorwaarde dat degene op wie de aandelen of winstbewijzen zijn overgegaan, zich aansprakelijk stelt voor de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend.
|
||||
– Bij overgang onder algemene titel zal het uitstel worden voortgezet mits de verkrijgers uitdrukkelijk instemmen met de voorwaarden waaronder het uitstel is verleend.
|
||||
– De ontvanger stelt verder de voorwaarde dat degene op wie de aandelen of winstbewijzen onder algemene titel zijn overgegaan, zich aansprakelijk stelt voor de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend.
|
||||
|
||||
### 74.5. Rente en uitstel op basis van
|
||||
|
||||
Als een betalingsregeling is getroffen voor de belastingaanslag die is opgelegd bij vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, is over die betalingen invorderingsrente verschuldigd indien en voor zover de betaling van de verschenen termijnen niet tijdig plaatsvindt.
|
||||
Als een betalingsregeling is getroffen voor de belastingaanslag die is opgelegd bij vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen in de familiesfeer, is over die betalingen invorderingsrente verschuldigd indien en voor zover de betaling van de verschenen termijnen niet tijdig plaatsvindt.
|
||||
|
||||
Invorderingsrente wordt dan berekend vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende termijnen zijn verschenen tot het moment van de feitelijke voldoening. Als het recht op uitstel geheel of ten dele is vervallen, wordt invorderingsrente berekend vanaf het moment dat de rechtvaardigingsgrond voor het uitstel niet langer bestaat.
|
||||
|
||||
### 74.5a. Rente en uitstel op basis van
|
||||
|
||||
Als een betalingsregeling is getroffen voor de belastingaanslag die is opgelegd ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang in verband met de indirecte overdracht (de houdstermaatschappij van de aandelen in de werkmaatschappij draagt de aandelen over) van de aandelen in een vennootschap van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen tegen een lagere prijs dan de waarde in economische verkeer, derhalve een gift, is over de betalingen invorderingsrente verschuldigd indien en voor zover de betaling van de verschenen termijnen niet tijdig plaatsvindt.
|
||||
|
||||
Invorderingsrente wordt dan berekend vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende termijnen zijn verschenen tot het moment van de feitelijke voldoening. Invorderingsrente is tevens verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de wettelijke aanspraak op uitstel van betaling is vervallen omdat niet (meer) aan de daartoe gestelde voorwaarden wordt voldaan.
|
||||
|
||||
### 74.6. Schriftelijk verzoek en
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent uitsluitend uitstel van betaling als de belastingschuldige daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend. Het indienen van een aangiftebiljet voor het recht van successie (erfbelasting) waarin een beroep wordt gedaan op de uitstelfaciliteiten bedoeld in artikel 25, twaalfde lid, van de wet wordt als een zodanig verzoek aangemerkt.
|
||||
### 74.6. Uitstel op basis van
|
||||
|
||||
#### 74.6.1. Schriftelijk verzoek en
|
||||
|
||||
20101007730-06-201029-06-2010DGB2010/3422M20101007730-06-201029-06-2010DGB2010/3422M01-07-201001-01-2010
|
||||
De ontvanger verleent uitsluitend uitstel van betaling als de belastingschuldige daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend. Het indienen van een aangiftebiljet voor het recht van successie waarin een beroep wordt gedaan op de uitstelfaciliteiten bedoeld in artikel 25, elfde en twaalfde lid, van de wet wordt als een zodanig verzoek aangemerkt.
|
||||
|
||||
#### 74.6.2. Rente en
|
||||
|
||||
20092069031-12-200924-12-2009CPP2009/2347M20092069031-12-200924-12-2009CPP2009/2347M01-01-2010
|
||||
Als het recht op uitstel als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de wet geheel of ten dele is vervallen, wordt invorderingsrente berekend vanaf het moment dat de rechtvaardigingsgrond voor het uitstel niet langer bestaat.
|
||||
|
||||
### 74.7. Beoordeling verzoek om uitstel en
|
||||
|
||||
Als uitgangspunt voor de betalingsregeling als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, van de wet geldt de situatie waarin niet (direct) de benodigde middelen worden verkregen om de verschuldigde belasting te voldoen. Wordt de zaak vervreemd of vinden aflossingen plaats, komen in zoverre middelen beschikbaar om de nog openstaande belastingschuld te betalen en is er aanleiding het uitstel te beëindigen.
|
||||
#### 74.7.1. Uitgangspunt betalingsregeling
|
||||
|
||||
#### 74.7.1
|
||||
Als uitgangspunt voor de betalingsregeling als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, van de wet gelden de betalingsmogelijkheden die door de belastingschuldige naar tijd en omvang aannemelijk zijn gemaakt. Bij de beoordeling van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger geen rekening met de waarde van de desbetreffende zaken. De ontvanger zal voor het treffen van een betalingsregeling dus niet verlangen dat (eerst) de waarde van de desbetreffende zaken zal worden aangewend voor de betaling van de belasting.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
Buiten beschouwing blijven ook de aandelen in of de winstbewijzen van een vennootschap waaraan direct of indirect zaken ter beschikking worden gesteld en voor welke zaken afgerekend moet worden omdat deze aandelen of winstbewijzen alleen nog tot een aanmerkelijk belang behoren op grond van de artikelen 4.10 of 4.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de overige vermogensbestanddelen van de belastingschuldige wordt gehandeld in overeenstemming met het reguliere uitstelbeleid.
|
||||
|
||||
#### 74.7.2. Regeling niet van toepassing
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige ten tijde van het uitstelverzoek niet aannemelijk maakt dat hij in staat zal zijn de verschuldigde belasting binnen een periode van tien jaar te voldoen, komt hij niet voor het uitstel in aanmerking.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan hem wel – en onder het stellen van nadere voorwaarden waaronder zekerheidsstelling – in de gelegenheid stellen de zaken, aandelen of winstbewijzen die voor het uitstel buiten de beoordeling worden gehouden binnen één jaar te vervreemden om uit de daarbij te behalen opbrengst de verschuldigde belasting te voldoen.
|
||||
|
||||
### 74.8. Uitstel op basis van
|
||||
|
||||
Als uitgangspunt voor de betalingsregeling als bedoeld in artikel 25, zestiende lid, van de wet geldt de situatie waarin niet (direct) de benodigde middelen worden verkregen om de verschuldigde belasting te voldoen. Voor zover de woning ophoudt een eigen woning te zijn dan wel aflossingen plaatsvinden, komen in zoverre middelen beschikbaar om de nog openstaande belastingschuld te betalen en is er aanleiding het uitstel te beëindigen.
|
||||
Als uitgangspunt voor de betalingsregeling als bedoeld in artikel 25, zestiende lid, van de wet gelden de betalingsmogelijkheden die door de belastingschuldige naar tijd en omvang aannemelijk zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van het direct af te lossen bedrag en van de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige wordt gehandeld in overeenstemming met het reguliere uitstelbeleid.
|
||||
Bij de beoordeling van het direct af te lossen bedrag houdt de ontvanger geen rekening met de waarde van de woning. De ontvanger kan dus niet verlangen dat (eerst) de waarde van de woning wordt aangewend voor de betaling van de belasting.
|
||||
|
||||
### 74.9
|
||||
Voor de overige vermogensbestanddelen van de belastingschuldige wordt bij de beoordeling van het direct af te lossen bedrag gehandeld in overeenstemming met het reguliere uitstelbeleid.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
### 74.9. Uitstel en de Regeling beëindiging veehouderijtakken
|
||||
|
||||
Op de uitstelregeling voor de belastingschuldige die op grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken zijn onderneming staakt, is het beleid opgenomen in deze leidraad zoals dat geldt voor de uitstelregeling ingevolge artikel 25, zestiende lid, van de wet van overeenkomstige toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk in deze leidraad wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
De uitstelregeling is opgenomen in artikel XIVa van de Wet ondernemerspakket 2001. De mogelijkheid tot uitstel op grond hiervan geldt voor veehouders die hun onderneming hebben gestaakt ná 19 maart 2000 en vóór 1 januari 2001.
|
||||
|
||||
### 74.10. Uitstel op basis van
|
||||
|
||||
|
|
@ -4951,7 +4166,7 @@ Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening gebracht
|
|||
|
||||
### 75.3. Rechtsmiddelen en vervolgingskosten
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit Beroep in Belastingzaken.
|
||||
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken 2005.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de Kostenwet relevant zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4979,15 +4194,12 @@ In de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van exploten gee
|
|||
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen:
|
||||
|
||||
– Als de betaling op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden.
|
||||
– Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen:
|
||||
|
||||
– bij vermindering van belastingaanslagen;
|
||||
– als een positieve belastingaanslag wordt gevolgd door een negatieve belastingaanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak;
|
||||
– Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij vermindering van belastingaanslagen, alsmede bij afboeking van definitieve negatieve aanslagen op voorlopige positieve aanslagen van hetzelfde jaar.
|
||||
– Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten. Hierbij valt te denken aan:
|
||||
|
||||
– een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel;
|
||||
– een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits volledig ingevuld;
|
||||
– een ingediend verzoekschrift bij Zijne Majesteit de Koning, de Nationale ombudsman, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, het Ministerie van Financiën, de directeur.
|
||||
– een ingediend verzoekschrift bij Hare Majesteit de Koningin, de Nationale ombudsman, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, het Ministerie van Financiën, de directeur.
|
||||
|
||||
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten. In dat geval komen de hieraan verbonden kosten vanzelfsprekend niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4996,7 +4208,7 @@ Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening gebracht als sp
|
|||
– Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in artikel 14.4.1 van deze leidraad.
|
||||
– Als zaken – die in een onroerende zaak aanwezig zijn – zowel in een beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd.
|
||||
– Als zaken – die op of in een schip van de belastingschuldige aanwezig zijn – zowel in een beslag op het schip als in een beslag op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd
|
||||
– Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande belastingschuld betaalt.
|
||||
– De beslissing om de kosten terug te brengen tot het juiste bedrag dan wel de kosten terug te betalen, gebeurt ambtshalve dan wel na een daartoe ingediend verzoekschrift.
|
||||
|
||||
### 75.7. Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten
|
||||
|
||||
|
|
@ -5006,7 +4218,11 @@ Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in omstan
|
|||
|
||||
### 75.8. Versnelde invordering en vervolgingskosten
|
||||
|
||||
Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, vermeldt de belastingdeurwaarder in de akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als de openstaande belastingschuld binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de beslagkosten.
|
||||
Als invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, worden de daaraan verbonden vervolgingskosten niet ten tijde van het treffen van de genoemde maatregelen in rekening gebracht, indien en voor zover de belastingschuldige op dat tijdstip nog niet in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen.
|
||||
|
||||
De belastingschuldige wordt in elk geval geacht kennis te hebben genomen van zijn belastingschuld en ook in de gelegenheid te zijn geweest deze te voldoen, als na de dag waarop het aanslagbiljet aan hem of – in het geval van rechtspersonen – aan de bestuurder is uitgereikt, twee werkdagen zijn verstreken.
|
||||
|
||||
Na het verstrijken van die twee dagen stelt de belastingdeurwaarder de vervolgingskosten vast bij voor beroep vatbare beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt. In de beschikking wordt er melding van gemaakt dat de kosten dadelijk en ineens invorderbaar zijn.
|
||||
|
||||
### 75.9. Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten
|
||||
|
||||
|
|
@ -5020,67 +4236,68 @@ Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel kosten bu
|
|||
|
||||
### 75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel
|
||||
|
||||
Als door de ontvanger of de belastingdeurwaarder op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere dwangbevelen worden betekend, is de belastingschuldige niet meer betekeningskosten verschuldigd dan het, op grond van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, maximaal in rekening te brengen bedrag voor het betekenen van een dwangbevel.
|
||||
Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan € 10.283, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 10.283.
|
||||
|
||||
## 76. Douane en invordering
|
||||
|
||||
In dit artikel over de Douane en invordering is het volgende beleid opgenomen:
|
||||
|
||||
– de algemene uitgangspunten;
|
||||
– aanspreken borg;
|
||||
– aanspreken borg op basis van een vergunning;
|
||||
– invorderingsrente vergoeden;
|
||||
– uitwinnen van zekerheid voor rechten bij invoer;
|
||||
– bewaren invorderingsbescheiden;
|
||||
– geen zekerheid bij douaneschuld en versnelde invordering.
|
||||
|
||||
### 76.1. Algemene uitgangspunten
|
||||
|
||||
De invordering van de eigen middelen voor de Europese Unie (rechten bij in- en uitvoer) vindt voor een belangrijk deel plaats met toepassing van verordeningen. Met name het DWU en de daarbij horende gedelegeerde verordening en uitvoeringsverordening (hierna tezamen aangeduid als: DWU) zijn in dit verband van belang. De invordering vindt plaats op grond van de wet, maar als de wet strijdig is met het DWU geldt hetgeen in het DWU is bepaald.
|
||||
De invordering van de eigen middelen voor de Europese Unie (rechten bij in- en uitvoer) vindt voor een belangrijk deel plaats met toepassing van verordeningen. Met name het CDW en de Toepassingsverordening CDW (beide aangeduid als CDW) zijn in dit verband van belang. De invordering vindt plaats op grond van de wet, maar als de wet strijdig is met het CDW geldt hetgeen in het CDW is bepaald.
|
||||
|
||||
De wettelijke bepalingen die gelden voor de rechten bij in- en uitvoer zijn in beginsel ook van toepassing op de omzetbelasting ex artikel 22 Wet op de Omzetbelasting, de accijnzen, de verbruiksbelastingen en kolenbelasting die bij invoer verschuldigd worden. Het DWU is dan ook voor deze nationale middelen medebepalend voor het onder de wet te voeren invorderingsbeleid.
|
||||
De wettelijke bepalingen die gelden voor de rechten bij in- en uitvoer zijn in beginsel ook van toepassing op de omzetbelasting ex artikel 22 Wet op de Omzetbelasting, de accijnzen en de verbruiksbelastingen die bij invoer verschuldigd worden. Het CDW is dan ook voor deze nationale middelen medebepalend voor het onder de wet te voeren invorderingsbeleid.
|
||||
|
||||
In alle gevallen houdt de ontvanger rekening met hetgeen in het DWU is bepaald over bezwaar en beroep: elke beslissing moet in de vorm van een beschikking worden genomen en tegen elke beschikking moet beroep mogelijk zijn. Dit betekent dus dat ook bij de invordering tegen elke beslissing beroep mogelijk is.
|
||||
In alle gevallen houdt de ontvanger rekening met hetgeen in het CDW is bepaald over bezwaar en beroep: elke beslissing moet in de vorm van een beschikking worden genomen en tegen elke beschikking moet beroep mogelijk zijn. Dit betekent dus dat ook bij de invordering tegen elke beslissing beroep mogelijk is.
|
||||
|
||||
De bevoegdheid tot invordering door de ontvanger van de douane-onderdelen van de organisatie van de Belastingdienst (hierna: de douane-ontvanger) vloeit voort uit artikel 5, punt 1 DWU en artikel 1:3 Adw. De bevoegdheid van de douane-ontvanger strekt zich uit tot onder meer de invoerrechten (waaronder begrepen de landbouwheffingen en de anti-dumpingheffingen).
|
||||
De bevoegdheid tot invordering door de ontvanger van de douane-onderdelen van de organisatie van de Belastingdienst (hierna: de douane-ontvanger) vloeit voort uit artikel 4, punt 3 CDW en artikel 4 DW. De bevoegdheid van de douane-ontvanger strekt zich uit tot onder meer de douanerechten, de landbouwheffingen en de anti-dumpingheffingen.
|
||||
|
||||
Op grond van de bepalingen in de diverse nationale wetten is de douane-ontvanger ook belast met de invordering voor de ter zake van de invoer verschuldigde omzetbelasting, accijnzen, verbruiksbelastingen en kolenbelasting, alsmede voor de bestuurlijke boeten, rente op achterstallen en de kosten van ambtelijke werkzaamheden. Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden gelden voor de douane-ontvanger in beginsel de bepalingen van de wet en van deze leidraad.
|
||||
Op grond van de bepalingen in de diverse nationale wetten is de douane-ontvanger ook belast met de invordering voor de ter zake van de invoer verschuldigde omzetbelasting, accijnzen en verbruiksbelastingen, alsmede voor de bestuurlijke boeten, de compenserende rente en de kosten van ambtelijke werkzaamheden. Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden gelden voor de douane-ontvanger in beginsel de bepalingen van de wet en van deze leidraad.
|
||||
|
||||
In deze leidraad wordt op diverse plaatsen de directeur aangewezen als instantie bij wie men in administratief beroep kan komen tegen beslissingen van de ontvanger. In voorkomende gevallen gelden deze aanwijzingen ook voor de rechten bij in- en uitvoer.
|
||||
|
||||
Artikel 36 van de wet is van toepassing op belastingaanslagen bij invoer, met name belastingaanslagen omzetbelasting, accijns, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en kolenbelasting.
|
||||
Artikel 36 van de wet is van toepassing op belastingaanslagen bij invoer, met name belastingaanslagen omzetbelasting.
|
||||
|
||||
Artikel 43 van de wet is van toepassing op de omzetbelasting bij invoer.
|
||||
|
||||
### 76.2. Aanspreken borg
|
||||
### 76.2. Aanspreken borg op basis van een vergunning
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige in gebreke is te betalen en er geen uitzicht is op spoedige betaling of verhaal zal de ontvanger de borg aanspreken. Het aanspreken van de borg vindt pas plaats nadat de totale omvang van de verschuldigde belasting is vastgesteld en deze schuld onherroepelijk vast staat. Het aanspreken van de borg vindt zoveel mogelijk in één keer plaats.
|
||||
|
||||
### 76.3
|
||||
### 76.3. Invorderingsrente vergoeden
|
||||
|
||||
20141797627-06-201422-06-2014BLKB2014/1055M20141797627-06-201422-06-2014BLKB2014/1055M01-07-2014
|
||||
Als tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan op grond van de artikelen 236, 237 of 238 van het CDW, omdat het oorspronkelijk op de uitnodiging tot betaling betaalde bedrag niet wettelijk verschuldigd is, wordt invorderingsrente vergoed. Deze rente wordt vergoed over ten hoogste het bedrag dat op de oorspronkelijke uitnodiging tot betaling is voldaan.
|
||||
|
||||
### 76.4. Uitwinnen van zekerheid voor rechten bij invoer
|
||||
|
||||
De ontvanger kan een zekerheid uitwinnen als de schuldenaar na een ingebrekestelling (aanmaning) niet aan een uitnodiging tot betaling voldoet. Als de ontvanger de schuldenaar een betalingsregeling verleent, wint de ontvanger de zekerheid niet uit zolang de schuldenaar aan deze regeling voldoet.
|
||||
De ontvanger kan een zekerheid uitwinnen als de schuldenaar niet aan een uitnodiging tot betaling voldoet. Als de ontvanger de schuldenaar een betalingsregeling verleent, wint de ontvanger de zekerheid niet uit zolang de schuldenaar aan deze regeling voldoet.
|
||||
|
||||
Als de inspecteur wegens onregelmatigheden ook een derde als medeschuldenaar uitnodigt tot betaling, zal de ontvanger eerst dwanginvordering toepassen ten aanzien van degene die de onregelmatigheden heeft begaan, voordat hij de borg aanspreekt. Bij aangifte op eigen naam voor rekening van een derde (indirecte vertegenwoordiging) probeert de ontvanger eerst betaling van deze derde te verkrijgen voordat hij de borg aanspreekt.
|
||||
Als de inspecteur wegens onregelmatigheden ook een derde als medeschuldenaar uitnodigt tot betaling, zal de ontvanger eerst dwanginvordering toepassen ten aanzien van degene die de onregelmatigheden heeft begaan, voordat hij de borg aanspreekt. Bij aangifte op eigen naam voor rekening van een derde (bijvoorbeeld de importeur) probeert de ontvanger eerst betaling van deze derde te verkrijgen voordat hij de borg aanspreekt.
|
||||
|
||||
Als zekerheid is gesteld op grond van communautaire bepalingen of van de Algemene douanewet moet de zekerheid worden uitgewonnen door het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waar de zekerheid is gesteld. Als bij het verlenen van uitstel van betaling als voorwaarde een afzonderlijke zekerheid is gesteld voor belastingen bij invoer, moet deze worden uitgewonnen door de ontvanger die het uitstel heeft verleend.
|
||||
Als zekerheid is gesteld op grond van communautaire bepalingen of van de Douanewet moet de zekerheid worden uitgewonnen door het organisatieonderdeel van de Belastingdienst waar de zekerheid is gesteld. Als bij het verlenen van uitstel van betaling als voorwaarde een afzonderlijke zekerheid is gesteld voor belastingen bij invoer, dan moet deze worden uitgewonnen door de ontvanger die het uitstel heeft verleend.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een in het buitenland gevestigde schuldenaar waarvan bekend is dat in het buitenland zekerheid is gesteld voor Uniedouanevervoer/gemeenschappelijk douanevervoer of een andere douaneregeling dan wel ingeval van tijdelijke opslag, vraagt de ontvanger bij het verzoek om bijstand bij de invordering ook om zo nodig de borg uit te winnen.
|
||||
Als sprake is van een in het buitenland gevestigde schuldenaar waarvan bekend is dat in het buitenland zekerheid is gesteld voor communautair/gemeenschappelijk douanevervoer, dan vraagt de ontvanger bij het verzoek om bijstand bij de invordering ook om zo nodig de borg uit te winnen.
|
||||
|
||||
Als het bedrag van een vordering zo laag is dat dit niet voor verdragsinvordering in aanmerking komt, schrijft de ontvanger bij uitblijven van de betaling na betekening van het dwangbevel de borg aan met het verzoek het verschuldigde bedrag te voldoen.
|
||||
|
||||
### 76.5. Bewaren invorderingsbescheiden
|
||||
|
||||
De bescheiden die betrekking hebben op de invordering van invoerrechten (waaronder begrepen, de landbouwheffingen en de anti-dumpingheffingen), worden gedurende minimaal vier jaar na afdoening bewaard.
|
||||
De bescheiden die betrekking hebben op de invordering van invoerrecht, landbouwheffingen en andere communautaire heffingen, worden gedurende minimaal vier jaar na afdoening bewaard.
|
||||
|
||||
### 76.6. Geen zekerheid bij douaneschuld en versnelde invordering
|
||||
|
||||
Met inachtneming van artikel 97 DWU kan versnelde invordering plaatsvinden als aanvulling of vervanging van de gestelde zekerheid niet tijdig is verricht.
|
||||
Met inachtneming van artikel 198 CDW kan versnelde invordering plaatsvinden als aanvulling of vervanging van de gestelde zekerheid niet tijdig overeenkomstig artikel 56 DW is verricht.
|
||||
|
||||
De termijn waarbinnen aan die eis moet zijn voldaan, is vier weken na de dagtekening van het verzoek tot aanvulling of vervanging.
|
||||
|
||||
Tegen deze beschikking is beroep mogelijk in de zin van artikel 44 DWU.
|
||||
Tegen deze beschikking is beroep mogelijk in de zin van artikel 243 CDW.
|
||||
|
||||
## 77. Verplichtingensignaal motorrijtuigenbelasting
|
||||
|
||||
|
|
@ -5101,12 +4318,11 @@ Toepassing van het verplichtingensignaal kan plaatsvinden als een belastingschul
|
|||
|
||||
Voor toepassing van het verplichtingensignaal tellen echter de volgende aanslagen motorrijtuigenbelasting niet mee:
|
||||
|
||||
a. aanslagen motorrijtuigenbelasting die niet meer worden ingevorderd, omdat invordering een onverdedigbare hardheid zou zijn;
|
||||
b. aanslagen motorrijtuigenbelasting die niet meer worden ingevorderd omdat voor die aanslagen (1) kwijtschelding is verleend, (2) de belastingschuldige de toezegging heeft gekregen dat de ontvanger geen verdere invorderingsmaatregelen zal treffen, of (3) in het kader van beëindiging van de WSNP een schone lei is verleend;
|
||||
c. aanslagen motorrijtuigenbelasting die niet meer worden ingevorderd omdat sprake is van een gering restbedrag;
|
||||
d. aanslagen motorrijtuigenbelasting die als natuurlijke verbintenis worden aangemerkt, bijvoorbeeld na verjaring;
|
||||
e. aanslagen motorrijtuigenbelasting waarvoor een verzoek om uitstel van betaling bij de ontvanger in behandeling is dan wel waarvoor uitstel van betaling door de ontvanger is verleend.
|
||||
f. aanslagen motorrijtuigenbelasting waarvoor een verzoek om kwijtschelding bij de ontvanger in behandeling is.
|
||||
a. aanslagen motorrijtuigenbelasting die betrekking hebben op het belastingjaar 2004 of eerder;
|
||||
b. aanslagen motorrijtuigenbelasting die niet meer worden ingevorderd, omdat invordering een onverdedigbare hardheid zou zijn;
|
||||
c. aanslagen motorrijtuigenbelasting die niet meer worden ingevorderd omdat de belastingschuldige de toezegging heeft gekregen dat de ontvanger voor die aanslagen geen verdere invorderingsmaatregelen zal treffen;
|
||||
d. aanslagen motorrijtuigenbelasting die niet meer worden ingevorderd omdat sprake is van een gering restbedrag;
|
||||
e. aanslagen motorrijtuigenbelasting die als natuurlijke verbintenis worden aangemerkt, bijvoorbeeld na verjaring of na beëindiging van een wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
|
||||
### 77.2. Waarschuwingsbrief voorafgaand aan signalering
|
||||
|
||||
|
|
@ -5122,11 +4338,12 @@ De ontvanger stelt de belastingschuldige in kennis van het aanbrengen van het ve
|
|||
|
||||
### 77.4. Verwijderen verplichtingensignaal
|
||||
|
||||
De ontvanger geeft aan de RDW opdracht een aangebrachte signalering uit het register te verwijderen als alle aanslagen motorrijtuigenbelasting ten name van belastingschuldige zijn voldaan, met uitzondering van de aanslagen genoemd in artikel 77.1, onderdelen a tot en met f, van deze leidraad. Voor de aanslagen motorrijtuigenbelasting waarvoor het verplichtingensignaal is aangebracht en nadien een verzoek om uitstel van betaling is gedaan, blijft het verplichtingensignaal in beginsel gehandhaafd. Dit geldt ook voor een nadien gedaan verzoek om kwijtschelding dat afgewezen wordt.
|
||||
De ontvanger geeft aan de RDW opdracht een aangebrachte signalering uit het register te verwijderen als alle aanslagen motorrijtuigenbelasting ten name van belastingschuldige zijn voldaan, met uitzondering van de aanslagen genoemd in artikel 77.1, onderdelen a tot en met e, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal het verplichtingensignaal opheffen als hem blijkt dat de aanslagen betaald zijn of het recht op invordering ervan is vervallen.
|
||||
De belastingschuldige moet daartoe een schriftelijk verzoek richten aan de ontvanger. De ontvanger zal het verplichtingensignaal ambtshalve opheffen op het moment dat op naam van de belastingschuldige geen openstaande aanslagen motorrijtuigenbelasting meer invorderbaar zijn als gevolg van het feit dat deze aanslagen:
|
||||
|
||||
Naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek kan de ontvanger besluiten een verplichtingensignaal op te heffen. De belastingschuldige moet aantonen dat het verplichtingensignaal leidt tot een onoverkomelijke ernstige vorm van hinder. Daarnaast geldt als voorwaarde dat de belastingschuldige alle nieuwe fiscale verplichtingen met betrekking tot het motorrijtuig volledig en tijdig nakomt.
|
||||
– zijn kwijtgescholden;
|
||||
– na homologatie van een akkoord worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenis.
|
||||
|
||||
De ontvanger stelt de belastingschuldige in kennis van het beëindigen van het verplichtingensignaal.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5134,35 +4351,38 @@ De ontvanger stelt de belastingschuldige in kennis van het beëindigen van het v
|
|||
|
||||
Gedurende de WSNP wordt voor wat betreft het verplichtingensignaal gehandeld als ware er niet sprake van een WSNP. Als het verplichtingensignaal is aangebracht en daarna volgt WSNP, blijft het verplichtingensignaal gehandhaafd.
|
||||
|
||||
Na beëindiging van de WSNP door het verlenen van de schone lei, geldt de datum van die beëindiging als het begin waarop de telling van de aanslagen motorrijtuigenbelasting – voor de vraag of een verplichtingensignaal al dan niet moet worden aangebracht – (opnieuw) een aanvang neemt.
|
||||
Aanslagen waarvoor de schone lei is verleend, tellen niet mee voor de vraag of een verplichtingensignaal moet worden aangebracht. Na beëindiging van de WSNP door het verlenen van de schone lei, geldt de datum van die beëindiging als het begin waarop de telling van de aanslagen motorrijtuigenbelasting – voor de vraag of een verplichtingensignaal al dan niet moet worden aangebracht – (opnieuw) een aanvang neemt.
|
||||
|
||||
### 77.6. De aantekening ‘katvanger’
|
||||
|
||||
Het verplichtingensignaal dat wordt aangebracht voor belastingschuldigen van wie uit onderzoek is gebleken dat een motorrijtuig waarvan hij kentekenhouder is, hem niet toebehoort, voorziet de ontvanger van de aantekening ‘katvanger’.
|
||||
|
||||
Bij katvangers gelden niet de uitzonderingsbepalingen artikel 77.1, onderdelen a tot en met d, van deze leidraad en blijft het versturen van een waarschuwingsbrief achterwege.
|
||||
Bij katvangers gelden niet de uitzonderingsbepalingen artikel 77.1, onderdelen a tot en met e, van deze leidraad en blijft het versturen van een waarschuwingsbrief achterwege.
|
||||
|
||||
## 78. Internationale invordering
|
||||
|
||||
De internationale invordering betreft alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om belasting en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over belastingschuld of belastingaanslag worden daaronder mede begrepen andere vorderingen die onder de werkingssfeer van een internationale regeling betreffende wederzijdse bijstand bij invordering vallen.
|
||||
De internationale invordering betreft alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om belasting en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen.
|
||||
|
||||
Het volgende beleid is in dit artikel opgenomen:
|
||||
|
||||
– doen van een verzoek in situaties die buiten de werking van de EU-Richtlijn 2010/24 vallen;
|
||||
– doen van een verzoek;
|
||||
– overleg met het ministerie;
|
||||
– geen verdere invorderingsmaatregelen treffen;
|
||||
– EU-Richtlijn 2008/55/EG;
|
||||
– overige internationale invordering.
|
||||
|
||||
### 78.1. Doen van een verzoek in situaties die buiten de werking van de EU-Richtlijn 2010/24 vallen
|
||||
### 78.1. Doen van een verzoek
|
||||
|
||||
Een verzoek om bijstand bij de invordering in een andere staat wordt in beginsel pas gedaan wanneer de ontvanger mag aannemen dat het treffen van invorderingsmaatregelen in Nederland niet of niet geheel tot betaling van de schuld zal leiden. Er hoeft niet te worden gewacht tot een daadwerkelijke invorderingsprocedure is gestart of is afgerond.
|
||||
|
||||
De ontvanger verzoekt om bijstand bij de invordering van belastingaanslagen die onherroepelijk vaststaan, geheel invorderbaar zijn en waarvoor een dwangbevel voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Het mag ook gaan om het niet-bestreden gedeelte van een betwiste belastingaanslag of een ambtshalve opgelegde belastingaanslag waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze (gedeeltelijk) materieel verschuldigd is. De ontvanger kan daarnaast altijd een verzoek om conservatoire maatregelen doen als hij zekerheidsmaatregelen noodzakelijk acht.
|
||||
Bijstand bij de invordering wordt door de ontvanger verzocht voor belastingaanslagen die onherroepelijk vaststaan, geheel invorderbaar zijn en waarvoor een dwangbevel voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Het mag daarbij ook gaan om een ambtshalve belastingaanslag, waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze gedeeltelijk materieel verschuldigd is. Voor aanslagen die niet onbetwist of onherroepelijk vaststaan kan de ontvanger ook een verzoek om bijstand bij de invordering doen als hij zekerheidsmaatregelen noodzakelijk acht.
|
||||
|
||||
Als door Nederland met een staat een minimumbedrag is overeengekomen voor het verlenen van bijstand bij de invordering, gaat de ontvanger niet over tot het verzoeken van bijstand aan die staat als het verschuldigde bedrag minder bedraagt dan het afgesproken bedrag. Dit geldt ook voor het doen van een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen in het buitenland.
|
||||
Tot het verzoeken van bijstand aan het buitenland wordt niet overgegaan als het verschuldigde bedrag aan belasting minder dan € 227 bedraagt, tenzij tussen staten een ander minimumbedrag is afgesproken. De ontvanger laat een voorstel tot het nemen van conservatoire maatregelen in het buitenland achterwege als het verschuldigde bedrag lager is dan € 2269, tenzij bijzondere omstandigheden een lager bedrag rechtvaardigen. Bij bijzondere omstandigheden kan voor een lager bedrag inlichtingen worden gevraagd.
|
||||
|
||||
Het komt voor dat bijstand kan worden gevraagd aan een bepaalde staat op grond van verschillende internationale regelingen. Het is dan mogelijk dat de ene regeling een ruimere wederzijdse bijstand toestaat dan de andere. In dat geval kan het verzoek worden gebaseerd op de regeling die de ruimste mogelijkheden biedt.
|
||||
|
||||
Bijstand bij de invordering is ook mogelijk met betrekking tot aansprake-lijkgestelden.
|
||||
|
||||
### 78.2. Overleg met het ministerie
|
||||
|
||||
Verzoeken waarvan de voldoening kan leiden tot aantasting van de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat dan wel invloed kunnen hebben op het gevoerde beleid worden voorgelegd aan het ministerie.
|
||||
|
|
@ -5171,209 +4391,131 @@ Als een belanghebbende zich wendt tot de burgerlijke rechter om te voorkomen dat
|
|||
|
||||
### 78.3. Geen verdere invorderingsmaatregelen treffen
|
||||
|
||||
20173515826-06-201715-06-20172017-11295120173515826-06-201715-06-20172017-11295101-07-2017
|
||||
Het gevoerde beleid met betrekking tot het niet meer treffen van verdere invorderingsmaatregelen voor buitenlandse vorderingen in Nederland is in lijn met het kwijtscheldingsbeleid dat voor Nederlandse belastingschulden wordt gevoerd.
|
||||
|
||||
### 78.4. Eu-
|
||||
|
||||
#### 78.4.1. Invordering betwiste schuld
|
||||
|
||||
2012307520-02-201208-02-2012BLKB2011/2328M2012307520-02-201208-02-2012BLKB2011/2328M21-02-201201-01-2012
|
||||
Op basis van de Richtlijn 2008/55/EG leidt een betwisting van de vordering door de schuldenaar niet tot schorsing van de invorderingsactiviteiten. De ontvanger verleent echter wel uitstel van betaling conform het Nederlandse uitstelbeleid voor betwiste vorderingen. Slechts in de situatie waarin bij bestrijding van fraude een verzoek wordt gedaan een belastingschuld of andere schuldvordering onmiddellijk in te vorderen zonder schorsing, wordt dit uitstel niet verleend.
|
||||
|
||||
#### 78.4.2. Invordering buiten vijfjaarstermijn
|
||||
|
||||
2012307520-02-201208-02-2012BLKB2011/2328M2012307520-02-201208-02-2012BLKB2011/2328M21-02-201201-01-2012
|
||||
Op basis van de Richtlijn 2008/55/EG is de aangezochte lidstaat niet gehouden de gevraagde bijstand te verlenen wanneer het verzoek betrekking heeft op een schuldvordering die meer dan vijf jaar bestaat, te rekenen vanaf het tijdstip van vaststelling van de executoriale titel.
|
||||
|
||||
In de gevallen waarin de schuldvordering of de titel wordt betwist, wordt de termijn berekend vanaf het tijdstip waarop de schuldvordering of de titel onherroepelijk vaststaat. In afwijking hiervan wordt ook buiten deze termijn een bijstandsverzoek in behandeling genomen.
|
||||
|
||||
### 78.5. Overige internationale invordering
|
||||
|
||||
Als een verzoek om wederzijdse bijstand niet mogelijk is, kan de ontvanger door middel van een civiele procedure een Nederlandse belastingschuld in het buitenland trachten in te vorderen. Hiervoor is toestemming van het ministerie vereist.
|
||||
|
||||
### 78.6. Koersverschillen bij internationale invordering
|
||||
|
||||
De ontvanger gaat bij de invordering van een bedrag, dat op verzoek van een bevoegde autoriteit van een staat met een andere valuta dan die van Nederland, uit van de wisselkoers die gold op de datum waarop het oorspronkelijke verzoek door de verzoekende autoriteit is verzonden. Dit geldt eveneens voor een bevoegde autoriteit als de ontvanger een verzoek om bijstand bij de invordering bij hem indient met een andere valuta dan die van Nederland.1Zie artikel 18, tweede lid, Verordening 1189/2011/EU en artikel 24, paragraaf 1, sub paragraaf 250 van de Commentary on the provisions of the convention (Wabb-verdrag) en paragraaf 2.3, sub paragraaf 104 van de OECD Manual on the Implementation of Assistance Collection.
|
||||
|
||||
Eventuele verschillen tussen het bedrag waarvoor om bijstand in de invordering is verzocht en het uiteindelijk ingevorderde bedrag, als gevolg van wisselkoersschommelingen tussen de wisselkoers die gold op het tijdstip van verzending van het verzoek en het tijdstip van ontvangst van de gelden, worden door de ontvanger niet in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
Dit betekent voor de uitvoering het volgende. Als het ingevorderde bedrag gelijk is aan het bedrag van bovengenoemde wisselkoers, dan wordt het totale bedrag van de schuldvordering geacht te zijn ingevorderd. Dit geldt zowel in de situatie dat de ontvanger zelf een verzoek om bijstand in de invordering heeft gedaan, als in de situatie dat de ontvanger op verzoek van een andere staat een bedrag invordert.
|
||||
|
||||
## 79. Invordering van een toeslagschuld (
|
||||
|
||||
Hoofdstuk 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bevat de procedureregels die gelden voor de inkomensafhankelijke regelingen die door Dienst Toeslagen worden uitgevoerd, te weten:
|
||||
Hoofdstuk 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bevat de procedureregels die gelden voor de inkomensafhankelijke regelingen die door Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd, te weten:
|
||||
|
||||
– de Wet op de huurtoeslag;
|
||||
– de Wet op de zorgtoeslag;
|
||||
– de Wet kinderopvangtoeslag;
|
||||
– de Wet op het kindgebonden budget.
|
||||
|
||||
Paragraaf 3 van hoofdstuk 2 Awir omschrijft de bevoegdheden die Dienst Toeslagen heeft om een teruggevorderde toeslag in te vorderen. Dit hoofdstuk beschrijft het beleid bij invordering van toeslagschuld.
|
||||
Paragraaf 3 van hoofdstuk 2 Awir omschrijft de bevoegdheden die Belastingdienst/Toeslagen heeft om een teruggevorderde toeslag in te vorderen. Dit hoofdstuk beschrijft het beleid bij invordering van toeslagschuld.
|
||||
|
||||
De Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door de directeur-generaal Toeslagen, heeft de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, eerste en tweede gedachtestreepje en onderdeel c Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, bedoelde algemeen directeuren, mandaat verleend om namens de Dienst Toeslagen toeslagschuld in te vorderen. In de uitoefening van die invorderingstaak treden zij niet op in hun hoedanigheid van ontvanger maar als het bestuursorgaan Dienst Toeslagen.
|
||||
De voorzitter van het managementteam van Belastingdienst/Toeslagen heeft de voorzitters van de managementteams van de onderdelen van de Belastingdienst die zijn belast met de invordering van rijksbelastingen, mandaat verleend om namens Belastingdienst/Toeslagen toeslagschuld in te vorderen. In de uitoefening van die invorderingstaak treden zij niet op in hun hoedanigheid van ontvanger maar als het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
|
||||
|
||||
De belastingdeurwaarder is in de Awir bevoegd verklaard voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van Dienst Toeslagen.
|
||||
De belastingdeurwaarder is in de Awir bevoegd verklaard voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van Belastingdienst/Toeslagen.
|
||||
|
||||
Het volgende beleid is in dit artikel opgenomen:
|
||||
|
||||
– de betalingsherinnering en toeslagschuld;
|
||||
– invordering toeslagschuld door middel van vordering;
|
||||
– faillissement, WSNP en toeslagschuld;
|
||||
– toeslagschuld na de toepassing van de WSNP en MSNP;
|
||||
– toeslagschuld ontstaan gedurende faillissement, WSNP of MSNP;
|
||||
– minnelijke schuldsaneringsregeling en toeslagschuld;
|
||||
– verrekening en beslagvrije voet;
|
||||
– verrekening en toeslagschuld;
|
||||
– verrekening en uitstel van betaling toeslagschuld;
|
||||
– standaardbetalingsregeling toeslagschuld;
|
||||
– betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit;
|
||||
– uitstel van betaling in verband met bezwaar of herzieningsverzoek;
|
||||
– uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete;
|
||||
– geen verdere invorderingsmaatregelen voor toeslagschuld treffen;
|
||||
– aansprakelijkheid partner voor toeslagschuld;
|
||||
– beslag door derden op toeslag;
|
||||
– informatieverzoek gerechtsdeurwaarder omtrent toeslag;
|
||||
– rijksadvocaat in civiele procedures over toeslagen;
|
||||
– verzoekschriften aan andere instellingen;
|
||||
– aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde toeslagen;
|
||||
– uitbetaling van toeslagen aan een derde die failliet is gegaan of dreigt te failleren;
|
||||
– versnelde invordering toeslagen;
|
||||
– afboeking van de betaling van een toeslagschuld.
|
||||
– informatieverzoek gerechtdeurwaarder omtrent toeslag;
|
||||
– rijksadvocaat in civiele procedures over toeslagen.
|
||||
|
||||
### 79.1. De betalingsherinnering en toeslagschuld
|
||||
|
||||
Als de toeslagschuld niet of niet volledig binnen de betalingstermijn wordt voldaan, zendt Dienst Toeslagen de belanghebbende eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering voordat tot dwanginvordering wordt overgegaan.
|
||||
Als de toeslagschuld niet of niet volledig binnen de betalingstermijn wordt voldaan, zendt Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering voordat tot dwanginvordering wordt overgegaan.
|
||||
|
||||
Het betalingsgedrag van de belanghebbende of diens gedrag met betrekking tot het verstrekken van informatie voor de toekenning van een toeslag of voorschot op een toeslag, kan aanleiding zijn om het zenden van een betalingsherinnering achterwege te laten en direct tot dwanginvordering over te gaan.
|
||||
|
||||
### 79.2. Invordering toeslagschuld door middel van vordering
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 32, zesde lid, Awir kan Dienst Toeslagen gebruik maken van de bevoegdheid tot het doen van een vordering ex artikel 19 van de wet onder de werkgever, de uitkeringsinstantie of een andere derde als bedoeld in het eerste lid van laatstgenoemd artikel.
|
||||
Op grond van artikel 32, zesde lid, Awir kan Belastingdienst/Toeslagen gebruik maken van de bevoegdheid tot het doen van een vordering ex artikel 19 van de wet onder de werkgever, de uitkeringsinstantie of een andere derde als bedoeld in het eerste lid van laatstgenoemd artikel.
|
||||
|
||||
De overeenkomstige toepassing van artikel 19 van de wet houdt in dat aan het doen van een vordering een vooraankondiging vooraf gaat, ook als het gaat om een vordering onder een uitkeringsinstantie.
|
||||
|
||||
### 79.3. Faillissement, WSNP en toeslagschuld
|
||||
|
||||
Zodra Dienst Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zullen eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd.
|
||||
Zodra Belastingdienst/Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zullen eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd.
|
||||
|
||||
De ontvanger meldt namens Dienst Toeslagen de openstaande toeslagschuld over de periode voorafgaand aan het tijdstip van faillissement of schuldsanering, ter verificatie aan bij de curator of de bewindvoerder. Voorafgaand aan de aanmelding van de toeslagschuld blijft verrekening van die schuld met uit te betalen bedragen op basis van een voorschot achterwege.
|
||||
De ontvanger meldt de openstaande toeslagschuld over de periode voorafgaand aan het tijdstip van faillissement of schuldsanering, ter verificatie aan bij de curator of de bewindvoerder. Voorafgaand aan de aanmelding van de toeslagschuld blijft verrekening van die schuld met uit te betalen bedragen op basis van een voorschot achterwege.
|
||||
|
||||
Gedurende het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt eveneens geen verrekening plaats van de aangemelde toeslagschuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot. Uitbetalingen met een eenmalig karakter (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf inkomstenbelasting) kunnen wel worden verrekend indien en voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór de datum van faillissement dan wel de toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling. In het geval vóór de faillissementsuitspraak dan wel voor de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling verrekening van een schuld met een voorschot of een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting heeft plaatsgevonden waarbij (ook) termijnen zijn verrekend die betrekking hebben op de periode na de faillissementsuitspraak respectievelijk de schuldsaneringsregeling, zal de verrekening in zoverre – namelijk voor zover de verrekening heeft plaatsgevonden met dat deel van het voorschot of de teruggaaf dat opeisbaar wordt vanaf datum faillissement of schuldsaneringsregeling – worden teruggedraaid. Dit laatste geldt ook in het geval van verrekening met termijnbedragen ingevolge een betalingsregeling als bedoeld in de artikelen 79.7 en 79.8.
|
||||
Gedurende het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt eveneens geen verrekening plaats van de openstaande toeslagschuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot. Uitbetalingen met een eenmalig karakter (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf inkomstenbelasting) kunnen wel worden verrekend indien en voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór de datum van faillissement dan wel de toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
|
||||
### 79.3a. Toeslagschuld ontstaan gedurende faillissement, WSNP of MSNP
|
||||
### 79.4. Minnelijke schuldsaneringsregeling en toeslagschuld
|
||||
|
||||
Over de betaling van toeslagschuld die is ontstaan gedurende de periode na de datum van de uitspraak tot faillietverklaring dan wel de datum van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of de minnelijke schuldsaneringsregeling, treedt de ontvanger in overleg met de curator of de bewindvoerder. Als de toeslagschuld niet uit de boedel kan worden voldaan is betaling van de schuld met behulp van een betalingsregeling op de voet van de artikelen 79.7 of 79.8 mogelijk. In het geval van een betalingsregeling op de voet van artikel 79.8 houdt de ontvanger bij de vaststelling van het inkomen van de schuldenaar geen rekening met een eventuele afdracht van een deel van dat inkomen aan de bewindvoerder.
|
||||
|
||||
### 79.3b. Toeslagschuld na de toepassing van de
|
||||
|
||||
Zie voor toeslagschulden na de toepassing van de WSNP of MSNP de artikelen 73.2.2, 73.2.3 en 73.2.4 onderscheidenlijk 73.5.7.
|
||||
|
||||
### 79.4. Minnelijke schuldsaneringsregeling, (buiten)gerechtelijk akkoord en toeslagschuld
|
||||
|
||||
Voor een toeslagschuld geldt dat het invorderingsbeleid voor belastingschulden zoals dat is verwoord in de artikelen 73.5 en 73.6 van deze leidraad overeenkomstig wordt toegepast. In aanvulling op artikel 73.5.1, vijfde volzin, en artikel 73.5.3, laatste volzin, geldt dat een verrekening van een voorschot ter zake van toeslagen, die in termijnen behoort te worden uitbetaald, moet worden teruggedraaid voor zover die verrekening betrekking heeft op de voorschottermijnen die verstrijken na de ontvangst van het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst of van de schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 73.5.1, tweede volzin. Dit geldt ook als sprake is van een verrekening met termijnbedragen ingevolge een betalingsregeling als bedoeld in de artikelen 79.7 en 79.8. Voor de toepassing van artikel 73.6 van deze leidraad geldt – anders dan voor belastingschulden – voor toeslagschulden dat de ontvanger in het kader van een akkoord een gelijk percentage opeist als het percentage dat aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen zal worden uitgekeerd.
|
||||
|
||||
### 79.4a. Wettelijk breed moratorium
|
||||
|
||||
Gedurende een door de rechtbank afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, schort de ontvanger lopende invorderingsmaatregelen op. Verrekeningen met uit te betalen toeslagen vinden gedurende de afkoelingsperiode niet plaats, ongeacht de periode waarop de toeslag betrekking heeft. De afkoelingsperiode is niet van invloed op een eventueel verleende betalingsregeling. Hierop blijft het in de artikelen 79.7 en 79.8 van deze leidraad opgenomen beleid van toepassing. Gedurende de afkoelingsperiode schort de Dienst Toeslagen de uitbetaling aan een derde op grond van een executoriaal beslag op uit te betalen toeslagen van de belanghebbende op.
|
||||
Voor een toeslagschuld geldt dat het invorderingsbeleid voor belastingschulden zoals dat is verwoord in artikel 73.5 van deze leidraad overeenkomstig wordt toepast.
|
||||
|
||||
### 79.5. Verrekening en toeslagschuld
|
||||
|
||||
Een toeslagschuld kan worden verrekend met een aan dezelfde belanghebbende uit te betalen teruggaaf die voortvloeit uit een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Van deze bevoegdheid zal alleen gebruik worden gemaakt als de ontvanger de belastingteruggaaf niet met belastingschulden wil verrekenen.
|
||||
|
||||
Het initiatief om tot verrekening over te gaan, zal in de regel liggen bij Dienst Toeslagen. De belanghebbende kan Dienst Toeslagen echter ook verzoeken om van de verrekeningsbevoegdheid gebruik te maken. In dat geval kan ook verrekening plaats vinden voordat de betalingstermijn is verstreken.
|
||||
|
||||
### 79.5a. Verrekening en beslagvrije voet
|
||||
|
||||
De Dienst Toeslagen houdt bij verrekening van uit te betalen voorschotten huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget of een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting met van de belanghebbende te innen toeslagschuld, rekening met de voor de belanghebbende geldende beslagvrije voet. Als de belanghebbende na een verrekening aannemelijk maakt dat voor hem een andere beslagvrije voet geldt, zal de Dienst Toeslagen rekening houden met de aangepaste beslagvrije voet vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen.
|
||||
|
||||
### 79.5b. Verrekening van kinderopvangtoeslag
|
||||
|
||||
Als de belanghebbende door de verrekening van een voorschot kinderopvangtoeslag de lopende kosten voor kinderopvang geheel of gedeeltelijk niet meer kan voldoen, kan hij de Dienst Toeslagen verzoeken de verrekening ongedaan te maken. Als de belanghebbende aannemelijk maakt dat hij door de verrekening een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, vermeerderd met het bedrag van de lopende kosten van de kinderopvang als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid van de Wet kinderopvang, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.7, eerste, tweede en vierde lid van de Wet Kinderopvang, zal de Dienst Toeslagen rekening houden met de beslagvrije voet, vermeerderd met het bedrag van de lopende kosten voor de kinderopvang van de belanghebbende, vanaf de laatste verrekening die plaatsvond vóór de indiening van het verzoek en bij de daaropvolgende verrekeningen.
|
||||
|
||||
### 79.5c. Toeslagverrekening zonder kosten
|
||||
|
||||
**1.** Als belanghebbende een terugvordering niet of niet geheel betaalt en voor de terugvordering geen betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.7 aangaat, of niet om een betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.7 of 79.8 verzoekt, kan Dienst Toeslagen betaling van de terugvordering bewerkstelligen door middel van de maatregel Toeslagverrekening zonder kosten. Dienst Toeslagen verrekent dan de terugvordering met een aan belanghebbende maandelijks uit te keren voorschotbedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Dienst Toeslagen zal gedurende het uitvoeren van de Toeslagverrekening zonder kosten in beginsel niet overgaan tot het nemen van aanvullende invorderingsmaatregelen voor de terugvordering waarvoor de maatregel wordt uitgevoerd. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan Dienst Toeslagen ondanks het uitvoeren van de maatregel wel invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
|
||||
**3.** Belanghebbende kan voorafgaand aan of gedurende de uitvoering van de Toeslagverrekening zonder kosten een verzoek bij Dienst Toeslagen indienen om de maatregel niet uit te voeren of voor het stopzetten van de maatregel. Dienst Toeslagen kent dit verzoek alleen toe als belanghebbende het op dat moment openstaande bedrag van de terugvordering ineens betaalt of als belanghebbende verzoekt om een betalingsregeling om de terugvordering te betalen en Dienst Toeslagen geen aanleiding heeft die betalingsregeling niet toe te kennen. Gedurende de behandeling van het verzoek wordt de maatregel voortgezet.
|
||||
|
||||
**4.** Als de Toeslagverrekening zonder kosten wordt stopgezet, wordt deze niet opnieuw opgestart, ongeacht de reden waarom de maatregel is stopgezet.
|
||||
Het initiatief om tot verrekening over te gaan, zal in de regel liggen bij Belastingdienst/Toeslagen. De belanghebbende kan Belastingdienst/Toeslagen echter ook verzoeken om van de verrekeningsbevoegdheid gebruik te maken. In dat geval kan ook verrekening plaats vinden voordat de betalingstermijn is verstreken.
|
||||
|
||||
### 79.6. Verrekening en uitstel van betaling toeslagschuld
|
||||
|
||||
Zolang door Dienst Toeslagen uitstel is verleend voor de betaling van een toeslagschuld, vindt met betrekking tot deze toeslagschuld in beginsel geen verrekening plaats met termijnbedragen die worden uitbetaald:
|
||||
Zolang door Belastingdienst/Toeslagen uitstel is verleend voor de betaling van een toeslagschuld, vindt met betrekking tot deze toeslagschuld in beginsel geen verrekening plaats met termijnbedragen die worden uitbetaald:
|
||||
|
||||
– op basis van een verleend voorschot op de toeslag;
|
||||
– op grond van een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting.
|
||||
|
||||
Verrekening met termijnbedragen is echter wel toegestaan indien en voor zover deze worden aangewend voor de aflossing van een toeslagschuld door middel van een betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad. De verrekening wordt altijd geacht op basis van termijnen (niet ineens) plaats te vinden.
|
||||
Verrekening met termijnbedragen is echter wel toegestaan indien en voor zover deze worden aangewend voor de aflossing van een toeslagschuld door middel van een betalingsregeling als bedoeld in de artikelen 79.7 en 79.8 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
### 79.7. Standaardbetalingsregeling toeslagschuld
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat de belanghebbende die te veel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling.
|
||||
Uitgangspunt is dat de belanghebbende die teveel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag van de toeslagschuld te voldoen met een standaardbetalingsregeling. De standaardregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door Belastingdienst/Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk.
|
||||
|
||||
De standaardbetalingsregeling gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk. Als een terugvordering meer bedraagt dan € 480, wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maandelijkse termijnen mogelijk is. De belanghebbende lost de toeslagschuld af door maandelijks het termijnbedrag over te maken naar de rekening van de Dienst Toeslagen.
|
||||
De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking. De eerste termijn moet zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking. Als het teruggevorderde bedrag meer bedraagt dan € 480 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden mogelijk is.
|
||||
|
||||
De standaardbetalingsregeling wordt zonder nader onderzoek in te stellen door de Dienst Toeslagen in de terugvorderingsbeschikking aangeboden. Wanneer een belanghebbende instemt met een door de Dienst Toeslagen aangeboden betalingsregeling moet de eerste termijn zijn voldaan op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking, zodat de regeling start. Na het verstrijken van de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking wordt een standaardbetalingsregeling op aanvraag van de belanghebbende verleend.
|
||||
Aflossing kan op twee manieren plaatsvinden:
|
||||
|
||||
De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking of de datum van de beschikking waarbij de Dienst Toeslagen de betalingsregeling toestaat. De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardbetalingsregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering. Er wordt dan een afzonderlijke standaardbetalingsregeling aangeboden voor de nieuwe terugvordering. Op verzoek van de belanghebbende kunnen deze afzonderlijke standaardbetalingsregelingen worden gebundeld tot een gezamenlijke standaardbetalingsregeling. Voor het totaalbedrag geldt dan weer de aflossingssystematiek van ten minste € 20 per maand per terugvordering gedurende maximaal 24 maanden gerekend vanaf de datum van het besluit waarbij de gebundelde betalingsregeling wordt toegekend.
|
||||
1. De belanghebbende maakt maandelijks het termijnbedrag over naar de rekening van de Belastingdienst.
|
||||
2. Belastingdienst/Toeslagen verrekent het termijnbedrag met het maandelijks uit te keren voorschot aan de belanghebbende.
|
||||
|
||||
De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een betalingsregeling af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.
|
||||
|
||||
Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet wordt de betalingsregeling beëindigd.
|
||||
De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering voor dezelfde toeslag. In dat geval vindt een herziening van het bedrag van de standaardregeling plaats. Het bedrag van de nieuwe terugvordering wordt opgeteld bij het nog resterende bedrag van de terugvordering waarvoor de standaardregeling loopt. Voor het totaalbedrag geldt dan weer de aflossingssystematiek van ten minste € 20 per maand gedurende maximaal 24 maanden.
|
||||
|
||||
### 79.8. Betalingsregeling toeslagschuld op basis van betalingscapaciteit
|
||||
|
||||
De Dienst Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardbetalingsregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardbetalingsregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan de Dienst Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardbetalingsregeling te voldoen.
|
||||
Belastingdienst/Toeslagen kan een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Dit kan alleen als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. De belanghebbende moet dan op het daartoe bestemde formulier de benodigde informatie verstrekken aan Belastingdienst/Toeslagen zodat beoordeeld kan worden of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardregeling te voldoen.
|
||||
|
||||
De artikelen 11 tot en met 16 van de regeling en de artikelen 25.5.5 tot en met 25.5.9 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
|
||||
De artikelen 11, 12 en 13 van de regeling zijn hierbij van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
– naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir, met dien verstande dat met het netto besteedbaar inkomen van de partner alleen rekening wordt gehouden als die partner ook de partner van de belanghebbende was gedurende de periode waarop de toeslagschuld van de belanghebbende betrekking heeft;
|
||||
– naast het netto besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir;
|
||||
– bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht.
|
||||
|
||||
Als een verzoek van een belanghebbende als bedoeld in artikel 3a van de Awir is toegewezen, dan wordt de eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir niet als partner aangemerkt voor de toepassing van dit artikel. Dit geldt voor zover de belanghebbende ten tijde van het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling nog steeds verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 3a van de Awir.
|
||||
Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen.
|
||||
|
||||
Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagschuld af te lossen volgens de standaardbetalingsregeling, zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan waarbij de openstaande toeslagschuld in maximaal 24 maanden wordt voldaan.
|
||||
Als echter blijkt dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand, maar voldoende om het bedrag van de toeslagenschuld in maximaal 24 maanden te voldoen – zij het met een lager bedrag dan € 20 – dan zal Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling toestaan die is gebaseerd op die betalingscapaciteit.
|
||||
|
||||
Als blijkt dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand, maar voldoende om het bedrag van de toeslagschuld in maximaal 24 maanden te voldoen – zij het met een lager bedrag dan € 20 – dan zal de Dienst Toeslagen een betalingsregeling toestaan die is gebaseerd op die betalingscapaciteit.
|
||||
Als de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar deze is niet voldoende om de toeslagenschuld af te lossen in 24 maanden, dan zal Belastingdienst/Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op die betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden.
|
||||
|
||||
Als de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar deze is niet voldoende om de toeslagschuld af te lossen in 24 maanden, dan zal de Dienst Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op die betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden.
|
||||
|
||||
Na twaalf maanden kan de Dienst Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Als na ontvangst van het formulier een inkomensverbetering wordt geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe betalingsregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.
|
||||
|
||||
Een persoonlijke betalingsregeling wordt afgewezen als de belanghebbende of de in artikel 3 van de Awir bedoelde partner over voldoende vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling beschikt voor de voldoening van de toeslagschuld, met dien verstande dat bevoorrechte schulden op het vermogen in mindering worden gebracht.
|
||||
|
||||
De Dienst Toeslagen wijst een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling eveneens af wanneer het belang van de invordering zich verzet tegen het verlenen van de betalingsregeling.
|
||||
|
||||
Wanneer een belanghebbende niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldoet, wordt de betalingsregeling beëindigd.
|
||||
|
||||
### 79.8a. Toeslagschuld te wijten aan opzet of grove schuld
|
||||
|
||||
Voor toeslagschulden regelt artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir het uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen. De leden 1 tot en met 6 van dat artikel 7 zijn niet van toepassing als het ontstaan van de terugvordering te wijten is aan opzet of grove schuld (artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir). In aanvulling op dat zesde lid geldt het volgende.
|
||||
|
||||
Voor een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner kan de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling van ten hoogste 24 maanden toestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
– De belanghebbende verzoekt de Belastingdienst/Toeslagen om zo’n regeling.
|
||||
– De belanghebbende of diens partner maakt aannemelijk dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte geïnde voorschot, belichaamd in de toeslagschuld.
|
||||
– De regeling leidt tot betaling van de volledige schuld binnen 24 maanden.
|
||||
|
||||
Als het mogelijk is om een regeling van korter dan 24 maanden te treffen, moet die kortere regeling worden overeengekomen, afhankelijk van de betalingscapaciteit.
|
||||
|
||||
Een toeslagschuld die is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner en waarvoor geen betalingsregeling overeengekomen kan worden, moet geheel worden ingevorderd. Als belanghebbende of diens partner aannemelijk maakt dat zij niet meer beschikken over het ten onrechte ontvangen voorschot, belichaamd in de toeslagschuld, houdt de Belastingdienst/Toeslagen, op verzoek, bij de verrekening van een voorschot met die toeslagschuld, er rekening mee dat belanghebbende een bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dat overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet. In afwijking van wat in de eerste en tweede alinea van dit artikel is geregeld, is in deze gevallen geen sprake van een betalingsregeling.
|
||||
Na twaalf maanden zal Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Als na ontvangst van het formulier een inkomensverbetering wordt geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.
|
||||
|
||||
### 79.9. Geen verdere invorderingsmaatregelen voor toeslagschuld treffen
|
||||
|
||||
Als de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan, als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal Dienst Toeslagen na afloop van die regeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld.
|
||||
Als de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan, als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal Belastingdienst/Toeslagen na afloop van die regeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld.
|
||||
|
||||
Als aan de hand van de gegevens op het door de belanghebbende ingevulde vragenformulier is vastgesteld dat hij niet over enige betalingscapaciteit beschikt, dan zal Dienst Toeslagen de belanghebbende na die vaststelling meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de toeslagenschuld in kwestie.
|
||||
Als aan de hand van de gegevens op het door de belanghebbende ingevulde vragenformulier is vastgesteld dat hij niet over enige betalingscapaciteit beschikt, dan zal Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende na die vaststelling meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen met voor de toeslagenschuld in kwestie.
|
||||
|
||||
In beide situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat gedurende 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de mededeling, eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting – voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald – zullen worden verrekend met de buiten de invordering gelaten schuld.
|
||||
|
||||
### 79.9a. Uitstel van betaling in verband met bezwaar of herzieningsverzoek tegen een terugvorderingsbeschikking
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 8 Uitvoeringsregeling Awir merkt Dienst Toeslagen een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een terugvorderingsbeschikking of een herzieningsverzoek van een terugvorderingsbeschikking aan als een verzoek om uitstel van betaling. In beginsel verleent de Dienst Toeslagen het uitstel, tenzij de belanghebbende ter zake van de betreffende tegemoetkoming of het voorschot daarop onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel de belangen van de Staat zich tegen het verlenen van uitstel verzetten.
|
||||
|
||||
Een beroepschrift, een ingesteld hoger beroep of een verzoek om ambtshalve herziening, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die situaties verzoekt de belanghebbende afzonderlijk om uitstel van betaling.
|
||||
|
||||
### 79.9b. Uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete
|
||||
|
||||
1. De Dienst Toeslagen kan uitstel van betaling verlenen voor een bestuurlijke boete in verband met een gemotiveerd bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete.
|
||||
2. De Dienst Toeslagen kan een betalingsregeling treffen voor een bestuurlijke boete. Daarbij is het bepaalde in de artikelen 79.7 en 79.8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.7 voor bestuurlijke boeten alleen op schriftelijk verzoek kan worden toegekend en aflossing niet middels verrekening van de maandelijks uit te keren voorschotten zal plaatsvinden. In geval een betalingsregeling als bedoeld in artikel 79.8 wordt toegekend voor een bestuurlijke boete, geldt geen maximumtermijn van 24 maanden maar loopt de betalingsregeling voor de boete door totdat de belanghebbende het volledige bedrag van de boete heeft betaald. In het geval de belanghebbende ook een of meer betalingsregelingen met de Belastingdienst heeft getroffen voor de betaling van toeslag- of belastingschulden, wordt de betalingscapaciteit primair ingezet voor de nakoming van de betalingsregeling(en) voor toeslag- of belastingschulden. Het beleid met betrekking tot de toezegging dat geen invorderingsmaatregelen meer worden genomen als bedoeld in artikel 79.9, is niet van toepassing op bestuurlijke boeten.
|
||||
In beide situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting – voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald – zullen worden verrekend met de buiten de invordering gelaten schuld.
|
||||
|
||||
### 79.10. Aansprakelijkheid partner voor toeslagschuld
|
||||
|
||||
|
|
@ -5381,84 +4523,16 @@ De partner van de belanghebbende – als bedoeld in artikel 3 Awir – is op gro
|
|||
|
||||
Een nieuwe partner kan dus niet aansprakelijk worden gesteld voor een toeslagschuld die betrekking heeft op de periode waarin er nog geen sprake was van partnerschap.
|
||||
|
||||
### 79.11. Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde toeslagen
|
||||
### 79.11. Beslag door derden op toeslag
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 33 van de Awir beschrijft dit artikel het beleid dat de Dienst Toeslagen hanteert bij de toepassing van de wettelijke aansprakelijkheid van derden voor terugvorderingen die samenhangen met toeslagen die zijn uitbetaald op een bankrekening waarover die derde heeft kunnen beschikken.
|
||||
Derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat der Nederlanden (het organisatieonderdeel Belastingdienst/Toeslagen). Dat organisatieonderdeel van de Belastingdienst is het bestuursorgaan dat op grond van de Awir is belast met de uitbetaling van de toeslagen.
|
||||
|
||||
1. als de Dienst Toeslagen toeslagen heeft uitbetaald aan:
|
||||
Een gelegd beslag onder (de ontvanger van) de regiokantoren is niet rechtsgeldig. In die gevallen meldt (de ontvanger van) het regiokantoor op het verklaringsformulier geen toeslag verschuldigd te zijn en wordt voor nadere informatie verwezen naar Belastingdienst/Toeslagen.
|
||||
|
||||
− een lid van de NVVK in het kader van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK;
|
||||
− een gemeente in het kader van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK of overeenkomsten met dezelfde strekking;
|
||||
– een derde die voldoet aan de norm NEN-ISO 9001 en die in het kader van de uitvoering van een schuldregelingsovereenkomst of een overeenkomst tot budgetbeheer als hiervóór bedoeld of een overeenkomst met dezelfde strekking:
|
||||
### 79.12. Informatieverzoek gerechtdeurwaarder omtrent toeslag
|
||||
|
||||
– een subsidiebeschikking heeft ontvangen van een gemeente, of
|
||||
– een contract heeft met een zorgkantoor voor het leveren van zorg in natura ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
|
||||
− een curator;
|
||||
− een bewindvoerder,
|
||||
Een gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen ten laste van een schuldenaar is bevoegd aan Belastingdienst/Toeslagen te vragen of er periodieke betalingen worden verricht aan de schuldenaar. Artikel 67.2 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gerechtsdeurwaarder in zijn verzoek om informatie duidelijk moet maken dat hij handelt in opdracht van een schuldeiser die bevoegd is beslag te leggen op een toeslag.
|
||||
|
||||
gaat de Dienst Toeslagen alleen over tot aansprakelijkstelling als:
|
||||
− het aan opzet of grove schuld van de schuldhulpverlener, de gemeente, de derde, de curator of de bewindvoerder te wijten is dat onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen zijn verstrekt die ten grondslag hebben gelegen aan de terugvordering, of
|
||||
− de schuldhulpverlener, de gemeente, de derde, de curator of de bewindvoerder financieel voordeel heeft gehad van de te hoge of onterecht uitbetaalde toeslagen;
|
||||
2. als de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag heeft uitbetaald op de bankrekening van een kinderopvanginstelling die een ‘partnerschapsovereenkomst één rekeningnummer’ (POBR1) heeft gesloten met de Dienst Toeslagen, gaat de Dienst Toeslagen alleen over tot aansprakelijkstelling als de kinderopvanginstelling in strijd met de Awir, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen of de op die wetten berustende bepalingen of in strijd met de voorwaarden die zijn opgenomen in de POBR1 handelt of heeft gehandeld;
|
||||
3. als de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag heeft uitbetaald op de bankrekening van een kinderopvanginstelling die een convenant heeft gesloten met de Dienst Toeslagen waarin zij hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaardt voor terug te vorderen bedragen die samenhangen met de rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling uitbetaalde kinderopvangtoeslag, geldt de in onderdeel 2 beschreven inperking van de mogelijkheid tot aansprakelijkstelling niet. Het bepaalde in artikel 49.6 van deze leidraad is hierbij van overeenkomstige toepassing;
|
||||
4. als de Dienst Toeslagen aan een derde een toeslag heeft uitbetaald van iemand die niet beschikt over een bankrekening op zijn naam en door zijn geestelijke of lichamelijke toestand niet in staat is om een bankrekening op zijn naam te openen, gaat de Dienst Toeslagen alleen over tot aansprakelijkstelling als die derde:
|
||||
### 79.13. Rijksadvocaat in civiele procedures over toeslagen
|
||||
|
||||
− financieel voordeel heeft gehad van de te hoge of onterecht ontvangen toeslagen, of
|
||||
− wist of behoorde te weten dat de toeslag te hoog was of dat er geen recht bestond op de toeslag.
|
||||
|
||||
### 79.12. Beslag door derden op toeslag
|
||||
|
||||
Derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat der Nederlanden (het organisatieonderdeel Dienst Toeslagen). Dat organisatieonderdeel van de Belastingdienst is het bestuursorgaan dat op grond van de Awir is belast met de uitbetaling van de toeslagen.
|
||||
|
||||
Een gelegd beslag onder (de ontvanger van) de regiokantoren is niet rechtsgeldig. In die gevallen meldt (de ontvanger van) het regiokantoor op het verklaringsformulier geen toeslag verschuldigd te zijn en wordt voor nadere informatie verwezen naar Dienst Toeslagen.
|
||||
|
||||
### 79.13. Informatieverzoek gerechtsdeurwaarder omtrent toeslag
|
||||
|
||||
Een gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen ten laste van een schuldenaar is bevoegd aan Dienst Toeslagen te vragen of er periodieke betalingen worden verricht aan de schuldenaar. Artikel 67.2 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gerechtsdeurwaarder in zijn verzoek om informatie duidelijk moet maken dat hij handelt in opdracht van een schuldeiser die bevoegd is beslag te leggen op een toeslag.
|
||||
|
||||
### 79.14. Rijksadvocaat in civiele procedures over toeslagen
|
||||
|
||||
In de uitoefening van invorderingstaken door Dienst Toeslagen kan de Staat betrokken worden in een procedure voor de civiele rechter. In zaken waarin procesvertegenwoordiging verplicht is, zal de rijksadvocaat optreden als procesvertegenwoordiger.
|
||||
|
||||
### 79.15. Verzoekschriften aan andere instellingen
|
||||
|
||||
De Dienst Toeslagen houdt de invordering van de toeslagschuld aan als er een verzoekschrift is ingediend bij Zijne Majesteit de Koning, de Commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer of de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste Kamer de Staten-Generaal, de Nationale Ombudsman of het Ministerie van Financiën tot op dat verzoekschrift is beslist. De Dienst Toeslagen houdt de invordering van een toeslagschuld ook aan als de Belangenbehartiger een casus van de belanghebbende in behandeling heeft genomen. De Dienst Toeslagen doet dit tot het moment waarop behandeling van de casus door de Belangenbehartiger definitief is afgerond. Als naar het oordeel van de Dienst Toeslagen aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de Staat worden geschaad, kunnen na voorafgaande toestemming van het ministerie toch invorderingsmaatregelen getroffen worden.
|
||||
|
||||
### Artikel 79.16
|
||||
|
||||
Als de Dienst Toeslagen, met gebruikmaking van de mogelijkheid in artikel 25, derde lid, van de Awir, toeslagen aan een derde uitbetaalt, stopt zij hiermee in de volgende situaties:
|
||||
|
||||
1. Op het moment dat de derde failliet is verklaard of hem surseance van betaling is verleend.
|
||||
2. Als het faillissement van de derde is aangevraagd of door de derde aangifte tot faillietverklaring is gedaan.
|
||||
|
||||
### 79.17. Versnelde invordering toeslagen
|
||||
|
||||
Het beleid zoals beschreven in de artikelen 10 tot en met 10.7 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing op de versnelde invordering van toeslagen.
|
||||
|
||||
### 79.18. Afboeking van de betaling van een toeslagschuld
|
||||
|
||||
Artikel 7.2 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing bij de betaling van toeslagschulden.
|
||||
|
||||
### 79.19. Onverschuldigdheid vervolgingskosten toeslagschuld
|
||||
|
||||
Artikel 75.6 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van toeslagschulden.
|
||||
|
||||
### 79.20. Corrigeren invorderingsrente
|
||||
|
||||
Artikel 28.2 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van toeslagschulden.
|
||||
|
||||
## 80. Invordering,
|
||||
|
||||
In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen.
|
||||
|
||||
### 80.1. Tenuitvoerlegging termijndwangbevel
|
||||
|
||||
Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging.
|
||||
|
||||
Als echter moet worden overgegaan tot lijfsdwang voor alle tot het moment van tenuitvoerlegging vervallen termijnen, dan kunnen in die tenuitvoerlegging niet worden begrepen de termijnen die zijn vervallen na de termijn(en) waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd.
|
||||
|
||||
Voor die nader vervallen termijnen moet wel eerst een aanmaning worden verzonden, waarna voor die termijnen een eigen dwangbevel kan worden uitgevaardigd.
|
||||
|
||||
### 80.2. Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen
|
||||
|
||||
Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de naheffingsaanslag.
|
||||
In de uitoefening van invorderingstaken door Belastingdienst/Toeslagen kan de Staat betrokken worden in een procedure voor de civiele rechter. In zaken waarin procesvertegenwoordiging verplicht is, zal de rijksadvocaat optreden als procesvertegenwoordiger.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue