2012-12-07 | BWBR0014394 | Mijnbouwbesluit
This commit is contained in:
parent
fa27da9082
commit
f7471ab552
1 changed files with 25 additions and 25 deletions
|
|
@ -144,7 +144,7 @@ De onderzoeker informeert het Kustwachtcentrum dagelijks over de voortgang van e
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
Het is verboden zonder toestemming van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen bevoegde autoriteit verkenningsonderzoek te verrichten, indien het zicht vanaf het verkenningsvaartuig minder is dan de lengte van de bij het onderzoek te gebruiken of gebruikte kabels.
|
||||
Het is verboden zonder toestemming van een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan te wijzen bevoegde autoriteit verkenningsonderzoek te verrichten, indien het zicht vanaf het verkenningsvaartuig minder is dan de lengte van de bij het onderzoek te gebruiken of gebruikte kabels.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
|
|
@ -152,7 +152,7 @@ Het is verboden zonder toestemming van een door Onze Minister van Verkeer en Wat
|
|||
|
||||
**2.** Het verbod geldt niet indien het verkenningsvaartuig wordt begeleid door een ander vaartuig dat tot taak heeft de overige scheepvaart in en om het onderzoeksgebied op veilige afstand te houden en daartoe is uitgerust met radar-, navigatie- en telecommunicatieapparatuur en voldoende pyrotechnische middelen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, nadere regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde uitrusting.
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, nadere regels worden gesteld omtrent de in het tweede lid bedoelde uitrusting.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.3. Bijzondere regels voor verkenningsonderzoek in oppervlaktewater
|
||||
|
||||
|
|
@ -167,7 +167,7 @@ Het verbod geldt niet indien:
|
|||
a. zich aan boord van het verkenningsvaartuig een persoon bevindt die contact houdt met de overige scheepvaart in en om het onderzoeksgebied in het belang van de veiligheid van de scheepvaart, en
|
||||
b. het vaartuig waarop de in onderdeel a bedoelde persoon zich bevindt, is uitgerust met radar-, navigatie- en telecommunicatieapparatuur, bestemd voor de begeleiding van en de communicatie met de overige scheepvaart in en om het onderzoeksgebied.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, regels worden gesteld omtrent de vereiste bekwaamheid en ervaring van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon, alsmede nadere regels omtrent de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitrusting.
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, regels worden gesteld omtrent de vereiste bekwaamheid en ervaring van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon, alsmede nadere regels omtrent de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitrusting.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
|
|
@ -184,7 +184,7 @@ b. het verkenningsvaartuig wordt begeleid door ten minste twee vaartuigen die to
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat die worden gebruikt als ankergebieden nabij aanloophavens en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat die worden gebruikt als ankergebieden nabij aanloophavens en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -405,7 +405,7 @@ c. het milieu in de directe nabijheid van het opslagcomplex, en is in overeenste
|
|||
|
||||
**4.** De keuze van de monitoringstechnologie in het monitoringsplan wordt gebaseerd op de beste praktijken die bij het opstellen van de ontwerp-vergunning beschikbaar zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Voorts wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden het monitoringsplan drie maanden voor aanvang van de injectie van CO_2 te actualiseren en om de vijf jaar te actualiseren op basis van wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, wijzigingen in de beoordeelde risico’s voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijk kennis en verbeteringen inzake de best beschikbare techniek. Het geactualiseerde monitoringsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister. De monitoring wordt uitgevoerd volgens het goedgekeurde monitoringsplan.
|
||||
**5.** Voorts wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden het monitoringsplan drie maanden voor aanvang van de injectie van CO_2 te actualiseren en om de vijf jaar te actualiseren op basis van wijzigingen in het beoordeelde lekkagerisico, wijzigingen in de beoordeelde risico’s voor het milieu en de volksgezondheid, nieuwe wetenschappelijk kennis en verbeteringen inzake de beste beschikbare techniek. Het geactualiseerde monitoringsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister. De monitoring wordt uitgevoerd volgens het goedgekeurde monitoringsplan.
|
||||
|
||||
### Artikel 29g
|
||||
|
||||
|
|
@ -439,10 +439,10 @@ f. de op de mijnbouwinstallatie aanwezige afvalstoffen en andere stoffen en de e
|
|||
|
||||
Het plan omvat ten minste:
|
||||
|
||||
a. een kaart met daarop de contouren van de verwachte uiteindelijk mate van bodemdaling of -stijging,
|
||||
a. een kaart met daarop de contouren van de verwachte uiteindelijke mate van bodemdaling of -stijging,
|
||||
b. een overzicht met het verloop van de verwachte mate van bodemdaling of -stijging in de tijd,
|
||||
c. een opgaaf van de onzekerheid omtrent de verwachte mate van bodembeweging als bedoeld in de onderdelen b en c,
|
||||
d. een risico-analyse omtrent bodemtrillingen als gevolge van de opslag,
|
||||
d. een risico-analyse omtrent bodemtrillingen als gevolg van de opslag,
|
||||
e. een beschrijving van de mogelijk omvang en verwachte aard van de schade door bodembeweging,
|
||||
f. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken, en
|
||||
g. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken.
|
||||
|
|
@ -690,7 +690,7 @@ Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewat
|
|||
|
||||
**1.** Het is verboden een mijnbouwinstallatie te plaatsen in gebieden die druk worden bevaren en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
**2.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Een ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de scheepvaart.
|
||||
|
||||
|
|
@ -735,13 +735,13 @@ c. is geschikt voor het parkeren van helikopters;
|
|||
d. ligt vrij ten opzichte van andere delen van de mijnbouwinstallatie, en
|
||||
e. is vrij van obstakels en brandbare stoffen.
|
||||
|
||||
**3.** De uitvoerder overlegt aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een gedetailleerde tekening van het helikopterdek en een tekening van de mijnbouwinstallatie waarop het helikopterdek is aangegeven.
|
||||
**3.** De uitvoerder overlegt aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een gedetailleerde tekening van het helikopterdek en een tekening van de mijnbouwinstallatie waarop het helikopterdek is aangegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Het helikopterdek wordt slechts gebruikt na instemming door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Instemming wordt slechts geweigerd op grond van de eisen van het tweede lid. De instemming geldt voor een periode van maximaal drie jaar.
|
||||
**4.** Het helikopterdek wordt slechts gebruikt na instemming door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Instemming wordt slechts geweigerd op grond van de eisen van het tweede lid. De instemming geldt voor een periode van maximaal drie jaar.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.
|
||||
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat worden nadere regels gesteld omtrent de in het tweede lid genoemde eisen.
|
||||
**6.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld omtrent de in het tweede lid genoemde eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
|
|
@ -752,11 +752,11 @@ Een mijnbouwinstallatie is ter waarborging van de veiligheid voorzien van:
|
|||
a. herkenningstekens,
|
||||
b. geluidsbakens,
|
||||
c. lichtbakens, en
|
||||
d. voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zulks bepaalt: elektronische bakens of radarreflectoren.
|
||||
d. voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt: elektronische bakens of radarreflectoren.
|
||||
|
||||
**2.** De mijnbouwinstallatie is voorts voorzien van communicatiemiddelen waarmee onder alle omstandigheden verbinding mogelijk is met de vaste wal en met vaartuigen, die voor verkenning, opsporing of winning in gebruik zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Een mijnbouwinstallatie is verder voorzien van apparatuur waarmee meteorologisch en oceanografische waarnemingen worden verricht, voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zulks bepaalt.
|
||||
**3.** Een mijnbouwinstallatie is verder voorzien van apparatuur waarmee meteorologisch en oceanografische waarnemingen worden verricht, voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -767,11 +767,11 @@ b. zijn voor een voor de opsporing gebruikte mijnbouwinstallatie een unieke aand
|
|||
|
||||
**5.** De ononderbroken werking van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde licht- en geluidsbakens is gewaarborgd.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde verplichtingen. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.
|
||||
**6.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde verplichtingen. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing.
|
||||
|
||||
**7.** Op verzoek van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat toont de uitvoerder aan dat de desbetreffende apparatuur, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.
|
||||
**7.** Op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toont de uitvoerder aan dat de desbetreffende apparatuur, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**8.** Bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, worden regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde herkenningstekens, bakens, reflectoren, de in het tweede lid bedoelde communicatiemiddelen en de in het derde lid genoemde apparatuur en waarnemingen, alsmede het verstrekken van de daarmee verkregen gegevens aan de directeur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.
|
||||
**8.** Bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, worden regels gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde herkenningstekens, bakens, reflectoren, de in het tweede lid bedoelde communicatiemiddelen en de in het derde lid genoemde apparatuur en waarnemingen, alsmede het verstrekken van de daarmee verkregen gegevens aan de directeur van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
|
|
@ -830,7 +830,7 @@ Bij het verzoek om instemming als bedoeld in artikel 55, eerste lid, worden in i
|
|||
|
||||
a. gegevens omtrent de aanwezigheid van leidingen en kabels in de nabijheid van de beoogde plaats van plaatsing;
|
||||
b. gegevens omtrent de gesteldheid van de bodem en de aanwezigheid van obstakels als bedoeld in artikel 48;
|
||||
c. bij een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie: het ontwerp van de dragende constructie alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing en een opgave van de herkenningstekens, geluidsbakens, lichtbakens en, voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zulks bepaalt, elektronische bakens of radarreflectoren van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
c. bij een voor de winning of opslag bestemde mijnbouwinstallatie: het ontwerp van de dragende constructie alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing en een opgave van de herkenningstekens, geluidsbakens, lichtbakens en, voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zulks bepaalt, elektronische bakens of radarreflectoren van de mijnbouwinstallatie;
|
||||
d. bij een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie op een voor de opsporing bestemde locatie: een verklaring van een onafhankelijke deskundige dat de technische integriteit van de mijnbouwinstallatie gewaarborgd is, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
1°. overlegging niet noodzakelijk is indien de verklaring niet ouder is dan vijf jaar en de verklaring reeds eerder is verstrekt;
|
||||
|
|
@ -1029,13 +1029,13 @@ g. vuilnis: etensresten, alle soorten huishoudelijke afvalstoffen en vast afval,
|
|||
|
||||
Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het lozen van:
|
||||
|
||||
a. een oliehoudend mengsel in de gevallen en op de wijze als bepaald bij ministeriële regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
a. een oliehoudend mengsel in de gevallen en op de wijze als bepaald bij ministeriële regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
|
||||
b. sanitair afval:
|
||||
|
||||
1°. vanaf een mijnbouwinstallatie waarop niet meer dan tien personen aanwezig plegen te zijn;
|
||||
2°. vanaf een niet als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, waarop meer dan 50 personen aanwezig plegen te zijn of een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, indien dit afval is afgebroken door middel van een biologisch zuiveringssysteem;
|
||||
3°. vanaf een andere mijnbouwinstallatie dan bedoeld onder 1° en 2°, indien dit afval is behandeld door middel van een mechanisch vermalingssysteem;
|
||||
c. vuilnis, voor zover bestaande uit etensresten, in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, aangegeven.
|
||||
c. vuilnis, voor zover bestaande uit etensresten, in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, aangegeven.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1046,7 +1046,7 @@ b. het gevolg is van schade aan de installatie of aan de uitrusting daarvan, ind
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, nadere regels gesteld met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde lozingen omtrent:
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, nadere regels gesteld met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde lozingen omtrent:
|
||||
|
||||
a. het meten en registreren van toegestane lozingen van oliehoudende mengsels;
|
||||
b. de controle op het oliegehalte van de toegestane lozingen van oliehoudende mengsels.
|
||||
|
|
@ -1059,7 +1059,7 @@ b. de controle op het oliegehalte van de toegestane lozingen van oliehoudende me
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
|
||||
a. de in het tweede lid bedoelde stoffen of preparaten aangewezen;
|
||||
b. regels gesteld die slechts kunnen inhouden:
|
||||
|
|
@ -1087,13 +1087,13 @@ e. de maatregelen die worden overwogen om te voorkomen dat een zodanig voorval z
|
|||
|
||||
### Artikel 83
|
||||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewater regels gesteld omtrent het gebruik van bepaalde stoffen of preparaten op een mijnbouwinstallatie.
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, ter voorkoming van verontreiniging van oppervlaktewater regels gesteld omtrent het gebruik van bepaalde stoffen of preparaten op een mijnbouwinstallatie.
|
||||
|
||||
**2.** Het is verboden stoffen of preparaten te gebruiken als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met de in het eerste lid genoemde ministers, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden, in overeenstemming met de in het eerste lid genoemde minister, welke uitsluitend strekt ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie:
|
||||
|
||||
a. de in het tweede lid bedoelde stoffen of preparaten aangewezen;
|
||||
b. regels gesteld die slechts kunnen inhouden:
|
||||
|
|
@ -1194,7 +1194,7 @@ e. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 94.
|
|||
|
||||
### Artikel 94
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een pijpleiding in de territoriale zee of op het continentaal plat aan te leggen. Indien de pijpleiding zal worden aangelegd in een gebied als bedoeld in artikel 44 of 45 wordt de vergunning verleend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie respectievelijk Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een pijpleiding in de territoriale zee of op het continentaal plat aan te leggen. Indien de pijpleiding zal worden aangelegd in een gebied als bedoeld in artikel 44 of 45 wordt de vergunning verleend door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie respectievelijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
|
||||
**2.** De vergunning wordt geweigerd indien de pijpleiding niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 93 gestelde eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2020,7 +2020,7 @@ Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming.
|
|||
|
||||
### Artikel 195
|
||||
|
||||
De artikelen 6, 8 en 10 van de Wet bodembescherming en het mede daarop berustende Besluit opslag ondergrondse tanks 1998 zijn van toepassing op de opslag van vloeistoffen in ondergrondse tanks binnen een mijnbouwwerk.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 196
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue