2005-03-01 | BWBR0002672 | Wet op de vennootschapsbelasting 1969
This commit is contained in:
parent
d0f47dc2f9
commit
f7d418b84a
1 changed files with 26 additions and 14 deletions
|
|
@ -44,7 +44,7 @@ Als ondernemingen als bedoeld zijn in het eerste lid, letter *f*, worden aangeme
|
|||
|
||||
Onder nijverheidsbedrijven worden mede begrepen bedrijven die gas, elektriciteit of warmte produceren, transporteren of leveren alsmede bedrijven die netten of leidingen aanleggen of beheren ten behoeve van het transport van gas, elektriciteit of warmte.
|
||||
|
||||
**4.** Heeft de oprichting van een lichaam plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van de artikelen 13 tot en met 13d, 13f, 13g, 13i tot en met 13k, 14a, 14b, 15, 15a en 28b, het lichaam steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.
|
||||
**4.** Heeft de oprichting van een lichaam plaatsgevonden naar Nederlands recht, dan wordt voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van de artikelen 13 tot en met 13d, 13g, 13i tot en met 13k, 14a, 14b, 15, 15a en 28b, het lichaam steeds geacht in Nederland te zijn gevestigd. Een Europese naamloze vennootschap die bij haar oprichting werd beheerst door Nederlands recht, wordt voor de toepassing van de eerste volzin geacht te zijn opgericht naar Nederlands recht.
|
||||
|
||||
**5.** De lichamen, vermeld in het eerste lid, letters *a, b* en *c*, worden geacht hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -57,7 +57,7 @@ Lichamen waarvan uitsluitend Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen onmid
|
|||
a. het Nederlands Meetinstituut NV;
|
||||
b. de N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC);
|
||||
c. de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij;
|
||||
d. De Nederlandse Munt N.V.;
|
||||
d. De Koninklijke Nederlandse Munt N.V.;
|
||||
e. lichamen waarin een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort in de zin van de Wet energiedistributie, een belang heeft, alsmede lichamen die met een zodanige rechtspersoon in een groep zijn verbonden in de zin van artikel 24*b* van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, welke lichamen activiteiten verrichten die eerstgenoemde rechtspersoon ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet energiedistributie niet zelf mag verrichten, tenzij die lichamen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;
|
||||
f. lichamen die een bedrijf uitoefenen als bedoeld in het derde lid, tweede volzin, met uitzondering van lichamen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren;
|
||||
g. NOB Holding N.V.;
|
||||
|
|
@ -66,6 +66,7 @@ i. de N.V. Luchthaven Schiphol;
|
|||
j. de N.V. KLIQ;
|
||||
k. de N.V. Bank Nederlandse Gemeenten;
|
||||
l. de Nederlandse Waterschapsbank N.V.;
|
||||
m. ADC Archeologisch Diensten Centrum N.V.;
|
||||
|
||||
alsmede de lichamen waarin deze rechtspersonen een belang hebben en de lichamen waarvan deze rechtspersonen een bestuurder kunnen benoemen of ontslaan, met uitzondering van lichamen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water leveren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -310,7 +311,7 @@ Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 10, 10b, 10d, 13, 13b, 13ba,1
|
|||
a. een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;
|
||||
b. een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige;
|
||||
c. een lichaam waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige;
|
||||
d. een lichaam dat met de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in de artikelen 15 en 15a, tenzij het de toepassing betreft van de artikelen 10d, 15ad en 15b.
|
||||
d. een lichaam dat met de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in de artikelen 15 en 15a, tenzij het de toepassing betreft van de artikelen 10d, 13f, 15ad en 15b.
|
||||
|
||||
Onze Minister kan op verzoek van een samenwerkende groep van niet-verbonden lichamen de inspecteur machtigen, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, deze groep aan te merken als verbonden lichamen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
|
|
@ -556,13 +557,13 @@ c. de omvang van het liquidatieverlies is gebleken en tevens blijkt dat is volda
|
|||
|
||||
### Artikel 13f
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 13*d* vindt de deelnemingsvrijstelling wel toepassing ten aanzien van een liquidatieverlies op een deelneming in een niet in Nederland gevestigd lichaam, indien die deelneming is verkregen van een niet in Nederland gevestigd verbonden lichaam en het lichaam waarin wordt deelgenomen is ontbonden binnen drie jaar na de verkrijging van de deelneming door de belastingplichtige, dan wel, in het geval van ontbinding na deze drie jaar, de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen geheel of voor een gedeelte is gestaakt binnen bedoelde termijn van drie jaar.
|
||||
**1.** Indien een deelneming is verkregen van een verbonden lichaam en binnen 36 maanden na de verkrijging door de belastingplichtige is het lichaam waarin wordt deelgenomen ontbonden of heeft zijn onderneming geheel of voor een gedeelte gestaakt, wordt in afwijking van de artikelen 13d en 13e geen liquidatieverlies in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de aldaar bedoelde deelneming is verkregen van een in Nederland gevestigd verbonden lichaam terwijl dat lichaam deze deelneming rechtstreeks of door tussenkomst van een of meer met de belastingplichtige verbonden lichamen, heeft verkregen van een niet in Nederland gevestigd verbonden lichaam. In dit geval wordt voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde termijn van drie jaar de bezitsduur van de deelneming door een in Nederland gevestigd verbonden lichaam aangemerkt als bezitsduur van de belastingplichtige.
|
||||
**2.** Het eerste lid vindt geen toepassing voorzover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het liquidatieverlies is toe te rekenen aan een waardedaling van de deelneming als gevolg van sedert de verkrijging nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien onmiddellijk of middellijk tot het vermogen van het ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord waarop het eerste of tweede lid toepassing heeft gevonden, of zou hebben gevonden indien het ontbonden lichaam in Nederland gevestigd zou zijn geweest, wordt voor de toepassing van artikel 13*d* het liquidatieverlies slechts in aanmerking genomen voor zover dit verlies het verlies dat ingevolge het eerste of tweede lid wel onder de deelnemingsvrijstelling valt, of zou vallen indien het ontbonden lichaam in Nederland gevestigd zou zijn geweest, te boven gaat.
|
||||
**3.** Indien onmiddellijk of middellijk tot het vermogen van het ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord waarop het eerste lid toepassing heeft gevonden, of zou hebben gevonden als het ontbonden lichaam in Nederland gevestigd zou zijn geweest, wordt voor de toepassing van de artikelen 13d en 13e het liquidatieverlies slechts in aanmerking genomen voorzover dit het verlies te boven gaat dat door de toepassing van het eerste lid buiten aanmerking is gebleven, of zou zijn gebleven als het ontbonden lichaam in Nederland gevestigd zou zijn geweest.
|
||||
|
||||
**4.** Voor zover de deelnemingsvrijstelling ingevolge het eerste of tweede lid toepassing vindt ten aanzien van een liquidatieverlies, vindt artikel 13*e* ten aanzien van dat liquidatieverlies geen toepassing.
|
||||
**4.** De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag in hoeverre het tweede lid toepassing vindt, kan voorafgaand aan het tijdstip waarop het liquidatieverlies in aanmerking wordt genomen een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
|
||||
|
||||
### Artikel 13g
|
||||
|
||||
|
|
@ -700,7 +701,7 @@ b. indien de splitsende rechtspersoon blijft bestaan: de splitsende rechtspersoo
|
|||
|
||||
**8.** Bij het bepalen van de winst komen renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en die verband houden met de verwerving van de aandelen in een lichaam, terwijl ten gevolge van de splitsing zowel de geldlening als het vermogen van het lichaam waarin de aandelen zijn verworven, deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van eenzelfde lichaam, in de acht volgende jaren nadat alle aandelen in de dochtermaatschappij in het bezit zijn gekomen van de moedermaatschappij slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van het lichaam dat de geldlening heeft opgenomen, zou hebben belopen indien de splitsing niet zou hebben plaatsgevonden. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en welke verband houden met de verwerving van dan wel terugbetaling op aandelen welke ten gevolge van de splitsing zijn uitgegeven. Onze Minister kan nadere regelen geven met betrekking tot het bepalen van het in de eerste volzin bedoelde bedrag dat de winst zou hebben belopen, gedurende de in de eerste volzin aangegeven periode van acht jaren en de verrekening van rente die bij het einde van die periode van acht jaren nog niet in aftrek is gekomen.
|
||||
|
||||
**9.** Het bepaalde in het achtste lid vindt geen toepassing voorzover blijkt dat het lichaam waaraan de geldlening is verschuldigd met het oog op de verwerving van de aandelen rechtens dan wel in feite direct of indirect in dezelfde mate vermogen uit hoofde van geldlening heeft aangetrokken van niet verbonden lichamen en voorts vindt artikel 15ad, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, overeenkomstige toepassing.
|
||||
**9.** Het bepaalde in het achtste lid vindt geen toepassing voorzover blijkt dat het lichaam waaraan de geldlening is verschuldigd met het oog op de verwerving van de aandelen rechtens dan wel in feite direct of indirect in dezelfde mate vermogen uit hoofde van geldlening heeft aangetrokken van niet verbonden lichamen en voorts vindt artikel 15ad, derde lid, onderdeel c, en vierde lid, overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**10.** De splitsende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent de vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing kan voor de splitsing een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
|
||||
|
||||
|
|
@ -724,7 +725,7 @@ b. indien de splitsende rechtspersoon blijft bestaan: de splitsende rechtspersoo
|
|||
|
||||
**6.** Bij het bepalen van de winst komen renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en die verband houden met de verwerving van de aandelen in een lichaam, terwijl ten gevolge van de fusie zowel de geldlening als het vermogen van het lichaam waarin de aandelen zijn verworven, deel zijn gaan uitmaken van het vermogen van eenzelfde lichaam, in de acht volgende jaren nadat alle aandelen in de dochtermaatschappij in het bezit zijn gekomen van de moedermaatschappij slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van het lichaam dat de geldlening heeft opgenomen, zou hebben belopen indien de fusie niet zou hebben plaatsgevonden. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en welke verband houden met de verwerving van dan wel terugbetaling op aandelen welke ten gevolge van de fusie zijn uitgegeven. Onze Minister kan nadere regelen geven met betrekking tot het bepalen van het in de eerste volzin bedoelde bedrag dat de winst zou hebben belopen, gedurende de in de eerste volzin aangegeven periode van acht jaren en de verrekening van rente die bij het einde van die periode van acht jaren nog niet in aftrek is gekomen.
|
||||
|
||||
**7.** Het bepaalde in het zesde lid vindt geen toepassing voorzover blijkt dat het lichaam waaraan de geldlening is verschuldigd met het oog op de verwerving van de aandelen rechtens dan wel in feite direct of indirect in dezelfde mate vermogen uit hoofde van geldlening heeft aangetrokken van niet verbonden lichamen en voorts vindt artikel 15ad, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, overeenkomstige toepassing.
|
||||
**7.** Het bepaalde in het zesde lid vindt geen toepassing voorzover blijkt dat het lichaam waaraan de geldlening is verschuldigd met het oog op de verwerving van de aandelen rechtens dan wel in feite direct of indirect in dezelfde mate vermogen uit hoofde van geldlening heeft aangetrokken van niet verbonden lichamen en voorts vindt artikel 15ad, derde lid, onderdeel c, en vierde lid, overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**8.** De verkrijgende rechtspersoon wordt ten tijde van de fusie als een met de belastingplichtige verbonden lichaam,“lichaam,” moet zijn “lichaam” aangemerkt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1142,7 +1143,14 @@ Voordelen die niet reeds uit anderen hoofde in aanmerking zijn genomen, worden g
|
|||
|
||||
### Artikel 15e
|
||||
|
||||
**1.** Indien de belastingplichtige op de voet van artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, een herinvesteringsreserve heeft gevormd en aannemelijk is dat het uiteindelijke belang in de belastingplichtige nadien in belangrijke mate is gewijzigd, wordt deze reserve in afwijking in zoverre van het laatstgenoemde artikel direct voorafgaande aan die wijziging aan de winst toegevoegd, tenzij de bezittingen van de belastingplichtige de laatste drie maanden voor de wijziging niet grotendeels bestaan uit beleggingen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien aannemelijk is dat op enig tijdstip het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, gelden in afwijking in zoverre van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de volgende regels:
|
||||
|
||||
a. een ten tijde van die wijziging reeds gevormde herinvesteringsreserve wordt direct voorafgaande aan die wijziging aan de winst toegevoegd;
|
||||
b. na die wijziging kan een herinvesteringsreserve slechts worden gevormd ter zake van vervreemde bedrijfsmiddelen waarvan het besluit tot vervreemding is genomen na die wijziging.
|
||||
|
||||
De eerste volzin is niet van toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende de laatste drie maanden voorafgaande aan de wijziging zijn bezittingen voor minder dan de helft hebben bestaan uit beleggingen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1183,6 +1191,8 @@ Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van:
|
|||
a. de belastbare winst uit een in Nederland gedreven onderneming, zijnde het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of van een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming);
|
||||
b. het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap indien het aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, is afdeling 4.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1203,9 +1213,9 @@ f. werkzaamheden als bedoeld in onderdeel e, indien deze na een onderbreking wor
|
|||
|
||||
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing ingeval de gerechtigde tot de schuldvordering is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie en aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
1°. de gerechtigde tot de schuldvordering en de Nederlandse vennootschap hebben één van de in de bijlage bij Richtlijn nr. 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (Pb L 157) opgenomen rechtsvormen;
|
||||
1°. de gerechtigde tot de schuldvordering heeft één van de in de bijlage bij Richtlijn nr. 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (Pb L 157) opgenomen rechtsvormen;
|
||||
2°. de gerechtigde tot de schuldvordering is voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de in Nederland gevestigde vennootschap, de in Nederland gevestigde vennootschap is voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de gerechtigde tot de schuldvordering of een ander is voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de gerechtigde tot de schuldvordering en van de in Nederland gevestigde vennootschap;
|
||||
3°. de gerechtigde tot de schuldvordering en de Nederlandse vennootschap zijn in de lidstaat van vestiging onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, ten derde, van de eerdergenoemde richtlijn;
|
||||
3°. de gerechtigde tot de schuldvordering en de Nederlandse vennootschap zijn in de lidstaat van vestiging onderworpen, zonder er van te zijn vrijgesteld, aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, ten derde, van de eerdergenoemde richtlijn;
|
||||
4°. de gerechtigde tot de schuldvordering wordt in de lidstaat van vestiging niet geacht volgens een met een derde staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten van de Europese Unie te zijn gevestigd;
|
||||
5°. de schuldvordering behoort bij de gerechtigde tot de schuldvordering niet tot het vermogen van een buiten de lidstaten van de Europese Unie gelegen vaste inrichting.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1505,7 +1515,9 @@ Artikel I, onderdeel J, vierde lid, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet ink
|
|||
|
||||
### Artikel 31d
|
||||
|
||||
Indien de belastingplichtige ten gevolge van de wijziging met ingang van 1 januari 2004 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van die datum bij de waardering van pensioenverplichtingen moet overgaan op een ander waarderingsstelsel of op de hantering van een andere overlevingstafel of een andere leeftijdsterugstelling, wordt zolang de waarde van die verplichtingen ten gevolge daarvan uitkomt op een bedrag dat lager is dan de in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond, de laatst genoemde waarde in aanmerking genomen.
|
||||
**1.** Indien de belastingplichtige ten gevolge van de wijziging met ingang van 1 januari 2004 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van die datum bij de waardering van een pensioenverplichting moet overgaan op een ander waarderingsstelsel of op de hantering van een andere overlevingstafel of een andere leeftijdsterugstelling, wordt zolang de verplichting nog bestaat en de waarde van die verplichting ten gevolge van die wijziging uitkomt op een bedrag dat lager is dan de volgens het tweede lid gecorrigeerde waarde van de in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond, de gecorrigeerde waarde in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
**2.** De in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond, wordt verlaagd met de sedert 1 januari 2004 gedane uitkeringen ingevolge de in het eerste lid bedoelde pensioenverplichting en met de sedert dat tijdstip aan derden betaalde premies of koopsommen voor zover die betrekking hebben op de pensioenverplichting.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
|
|
@ -1529,7 +1541,7 @@ Indien in het kader van een bedrijfsfusie artikel VII van de Wet van 28 december
|
|||
|
||||
### Artikel 33b
|
||||
|
||||
De artikelen 3.40 tot en met 3.46 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn niet van toepassing op lichamen als bedoeld in artikel III, onderdeel B, van de Wet tot wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioenlichamen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue