2020-01-01 | BWBR0010646 | Uitvoeringsbesluit WEB
This commit is contained in:
parent
b9baa81bb0
commit
f7dff06a32
1 changed files with 48 additions and 48 deletions
|
|
@ -34,7 +34,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** De paragrafen 1, 2, 4, 5, 6 en 6a zijn van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°, van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** Paragraaf 3 onderscheidenlijk de paragrafen 4 en 5 heeft betrekking onderscheidenlijk hebben mede betrekking op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan agrarische opleidingscentra.
|
||||
**2.** Paragraaf 3 onderscheidenlijk de paragrafen 4 en 5 heeft betrekking onderscheidenlijk hebben mede betrekking op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan agrarische opleidingscentra.
|
||||
|
||||
**3.** De paragrafen 5, 6 en 6a hebben mede betrekking op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten, alsmede op de in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogescholen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -112,10 +112,10 @@ waarbij wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
- *Dbbl:* elke deelnemer die
|
||||
|
||||
a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
|
||||
a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
|
||||
b. daadwerkelijk die opleiding volgt en
|
||||
c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding;
|
||||
- *Dbol:* elke deelnemer die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding;
|
||||
- *Dbol:* elke deelnemer die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *PF:* de op grond van het vijfde lid voor de opleiding waarin de deelnemer is ingeschreven geldende prijsfactor;
|
||||
- *Cf:* de op grond van het vierde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de entreeopleiding.
|
||||
|
||||
|
|
@ -131,14 +131,14 @@ Cf wordt als volgt berekend:
|
|||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *Dbbl1:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol1:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbbl2:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol2:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
|
||||
- *Dbbl1:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol1:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbbl2:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol2:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
|
||||
|
||||
**5.** PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de berekening, bedoeld in dit artikel, tellen de deelnemers die op de genoemde tijdstippen voor de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014, zijn ingeschreven als ingeschreven deelnemers voor de entreeopleiding.
|
||||
**6.** Voor de berekening, bedoeld in dit artikel, tellen de deelnemers die op de genoemde tijdstippen voor de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet zoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014, zijn ingeschreven als ingeschreven deelnemers voor de entreeopleiding.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -169,13 +169,13 @@ waarbij wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
- *Dbbl:* elke deelnemer die
|
||||
|
||||
a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
|
||||
a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
|
||||
b. daadwerkelijk die opleiding volgt en
|
||||
c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding, en
|
||||
c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding, en
|
||||
|
||||
1° daadwerkelijk op die datum die opleiding in de praktijk van het beroep volgt, dan wel
|
||||
2° indien een deelnemer een opleiding volgt waarvoor kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar daarop volgend de opleiding in de praktijk van het beroep volgt;
|
||||
- *Dbol:* elke deelnemer die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
2° indien een deelnemer een opleiding volgt waarvoor kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar daarop volgend de opleiding in de praktijk van het beroep volgt;
|
||||
- *Dbol:* elke deelnemer die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *PF:* de op grond van het vierde lid voor de opleiding waarin de deelnemer is ingeschreven geldende prijsfactor;
|
||||
- *Cf:* de op grond van het vijfde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding.
|
||||
|
||||
|
|
@ -193,10 +193,10 @@ Cf wordt als volgt berekend:
|
|||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *Dbbl1:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol1:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbbl2:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol2:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
|
||||
- *Dbbl1:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol1:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbbl2:* het aantal bbl-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *Dbol2:* het aantal bol-deelnemers dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -221,7 +221,7 @@ Onder deelnemer wordt mede begrepen de examendeelnemer, bedoeld in artikel 2.2.2
|
|||
|
||||
Indien het eerder behaalde diploma, bedoeld in DiE van een hoger niveau is dan het diploma bedoeld in D, dan wordt het diploma bedoeld in D buiten beschouwing gelaten. Indien in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar meerdere diploma’s op dezelfde datum zijn afgegeven, telt steeds het laagste diploma als het eerder behaalde diploma.
|
||||
|
||||
Indien een diploma is behaald door een deelnemer die drie aaneengesloten voorgaande kalenderjaren niet op 1 oktober was ingeschreven, blijven diploma’s behaald voor deze onderbreking buiten beschouwing.
|
||||
Indien een diploma is behaald door een deelnemer die drie aaneengesloten voorgaande kalenderjaren niet op 1 oktober was ingeschreven, blijven diploma’s behaald voor deze onderbreking buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -231,11 +231,11 @@ Indien een diploma is behaald door een deelnemer die drie aaneengesloten voorgaa
|
|||
|
||||
### Artikel 2.2.5
|
||||
|
||||
**1.** De gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.4, vijfde lid, van de wet worden uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar ingediend bij Onze Minister. Indien Onze Minister van een instelling de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, heeft ontvangen en hierdoor niet tijdig over de gegevens kan beschikken, kan Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vaststellen conform de voorschriften in het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
**1.** De gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.4, vijfde lid, van de wet worden uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar ingediend bij Onze Minister. Indien Onze Minister van een instelling de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, heeft ontvangen en hierdoor niet tijdig over de gegevens kan beschikken, kan Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vaststellen conform de voorschriften in het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de toepassing van artikel 2.2.1 wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs in afwijking van artikel 2.2.2 en artikel 2.2.3, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep zoals vermeld in het eerste lid van die artikelen, vastgesteld op de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
**3.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**4.** Indien toepassing van artikel 2.2.2 en artikel 2.2.3 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -265,23 +265,23 @@ Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een agrarisch opleidingscentrum voo
|
|||
|
||||
In deze formule wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- Liv: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het voorbereidend beroepsonderwijs inclusief de geïndiceerde leerlingen voor praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs,
|
||||
- Lil: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het leerwegondersteunend onderwijs of het praktijkonderwijs,
|
||||
- Liv: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het voorbereidend beroepsonderwijs inclusief de geïndiceerde leerlingen voor praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs,
|
||||
- Lil: het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende jaar aan het desbetreffende agrarisch opleidingscentrum staat ingeschreven voor het leerwegondersteunend onderwijs of het praktijkonderwijs,
|
||||
- PLiv: de op grond van het derde lid voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde prijs per leerling beroepsonderwijs,
|
||||
- PLil: het op grond van artikel 85b1, zesde lid en artikel 89a1, vijfde lid, Wet voortgezet onderwijs voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde ondersteuningsbedrag per onder Lil genoemde leerling en
|
||||
- VVi: de bij ministeriële regeling vastgestelde vaste voet per instelling.
|
||||
|
||||
**3.** Jaarlijks voor 1 november van het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, worden bij ministeriële regeling de prijs per leerling en de vaste voet per instelling vastgesteld. Bij de jaarlijkse vaststelling van de prijs per leerling wordt rekening gehouden met het beschikbare budget van het Rijk.
|
||||
**3.** Jaarlijks voor 1 november van het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, worden bij ministeriële regeling de prijs per leerling en de vaste voet per instelling vastgesteld. Bij de jaarlijkse vaststelling van de prijs per leerling wordt rekening gehouden met het beschikbare budget van het Rijk.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid worden leerlingen die vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn en die op 1 oktober korter dan één jaar in Nederland verblijven, niet meegeteld.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid worden leerlingen die vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn en die op 1 oktober korter dan één jaar in Nederland verblijven, niet meegeteld.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister stelt vier keer per jaar de rijksbijdrage vast voor een agrarisch opleidingscentrum voor de exploitatiekosten voor het voorbereidend beroepsonderwijs aan leerlingen als bedoeld in het vierde lid. Daartoe worden de leerlingen als bedoeld in het vierde lid meegeteld die op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober aan een agrarisch opleidingscentrum staan ingeschreven voor voorbereidend beroepsonderwijs. Het bedrag per leerling wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
|
||||
**5.** Onze Minister stelt vier keer per jaar de rijksbijdrage vast voor een agrarisch opleidingscentrum voor de exploitatiekosten voor het voorbereidend beroepsonderwijs aan leerlingen als bedoeld in het vierde lid. Daartoe worden de leerlingen als bedoeld in het vierde lid meegeteld die op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober aan een agrarisch opleidingscentrum staan ingeschreven voor voorbereidend beroepsonderwijs. Het bedrag per leerling wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Huisvesting
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4.1
|
||||
|
||||
**1.** De rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.6, lid 1a, van de wet wordt berekend door het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar aan de school was ingeschreven te vermenigvuldigen met een jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
|
||||
**1.** De rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.6, lid 1a, van de wet wordt berekend door het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar aan de school was ingeschreven te vermenigvuldigen met een jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het voorbereidend beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -317,13 +317,13 @@ Onze Minister brengt op de rijksbijdrage voor een instelling voor een kalenderja
|
|||
|
||||
Dbbl3: Dbbl, bedoeld in de artikelen 2.2.2, tweede lid, en 2.2.3, tweede lid, voor de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding;
|
||||
|
||||
DC1: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet, voor de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding;
|
||||
DC1: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet, voor de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding;
|
||||
|
||||
Dbbl4: Dbbl, bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, voor de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding;
|
||||
|
||||
DC2: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet, voor de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding.
|
||||
DC2: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet, voor de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de berekening van het in het eerste lid bedoelde bedrag telt het aantal bbl-deelnemers Dbbl3 en Dbbl4 dat op 1 augustus van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de leeftijd van 18 nog niet heeft bereikt, niet mee.
|
||||
**2.** Bij de berekening van het in het eerste lid bedoelde bedrag telt het aantal bbl-deelnemers Dbbl3 en Dbbl4 dat op 1 augustus van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de leeftijd van 18 nog niet heeft bereikt, niet mee.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6a. Gehandicapte deelnemers
|
||||
|
||||
|
|
@ -382,10 +382,10 @@ Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor exploitatie- en huisvestingskosten
|
|||
|
||||
Waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *IDW:* het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding vavo en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *IDW:* het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding vavo en daadwerkelijk die opleiding volgt;
|
||||
- *IVW:* het aantal vakken van het eindexamen of deeleindexamen dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar bij de desbetreffende instelling is afgesloten met een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering door bij die instelling ingeschreven deelnemers vavo;
|
||||
- *IDiW:* het aantal diploma’s vavo dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar door de examencommissie van de desbetreffende instelling is afgegeven aan bij die instelling ingeschreven deelnemers vavo;
|
||||
- *LDW:* het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een opleiding vavo bij alle instellingen tezamen
|
||||
- *LDW:* het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een opleiding vavo bij alle instellingen tezamen
|
||||
- *LVW:* het aantal vakken van het eindexamen of deeleindexamen dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar bij alle instellingen tezamen door deelnemers vavo is afgesloten met een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering;
|
||||
- *LDiW:* het aantal diploma’s vavo dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar door de examencommissies van alle instellingen tezamen is afgegeven aan deelnemers vavo;
|
||||
- *LB:* het landelijk beschikbare budget voor het vavo.
|
||||
|
|
@ -404,11 +404,11 @@ De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
|||
|
||||
### Artikel 2a.2.3
|
||||
|
||||
**1.** De gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j, van de wet, en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2a.4, vijfde lid, van de wet, worden uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar ingediend bij Onze Minister. Indien Onze Minister van een instelling de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, heeft ontvangen en hierdoor niet tijdig over de gegevens kan beschikken, kan Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vaststellen conform de voorschriften in het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
**1.** De gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j, van de wet, en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2a.4, vijfde lid, van de wet, worden uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar ingediend bij Onze Minister. Indien Onze Minister van een instelling de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, heeft ontvangen en hierdoor niet tijdig over de gegevens kan beschikken, kan Onze Minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze instelling voor het desbetreffende kalenderjaar vaststellen conform de voorschriften in het tweede tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de toepassing van artikel 2a.2.1 wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage, in afwijking van artikel 2a.2.1, eerste lid, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep, zoals vermeld in het eerste lid van die artikelen, vastgesteld op de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
**3.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**4.** Indien toepassing van artikel 2a.2.1, met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -472,15 +472,15 @@ De uitkering educatie die per kalenderjaar aan een college van burgemeester en w
|
|||
|
||||
waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
Og: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende gemiddelde percentage inwoners van de gemeente van 15 tot en met 75 jaar met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, vermenigvuldigd met het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
|
||||
Og: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende gemiddelde percentage inwoners van de gemeente van 15 tot en met 75 jaar met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, vermenigvuldigd met het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
|
||||
|
||||
On: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld Og voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
|
||||
|
||||
Ag: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.
|
||||
Ag: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.
|
||||
|
||||
An: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld AG voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
|
||||
|
||||
Bg: Het aantal WWB-uitkeringen aan personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
|
||||
Bg: Het aantal WWB-uitkeringen aan personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
|
||||
|
||||
Bn: de som van bovenbedoeld Bg voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
|
||||
|
||||
|
|
@ -792,13 +792,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 6.1.3
|
||||
|
||||
Indien 12% van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten beroepsonderwijs voor een kalenderjaar voor een instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, minder bedraagt dan het op grond van artikel 3 of artikel 4, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 7 of artikel 8, van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 zoals deze luidde op 31 december 1999, voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.
|
||||
Indien 12% van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten beroepsonderwijs voor een kalenderjaar voor een instelling, vermeerderd met het gedeelte van de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.4.1, minder bedraagt dan het op grond van artikel 3 of artikel 4, alsmede in voorkomende gevallen op grond van artikel 7 of artikel 8, van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector 1999 zoals deze luidde op 31 december 1999, voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde bedrag voor de desbetreffende instelling, ontvangt de instelling voor het desbetreffende kalenderjaar een aanvulling tot dat bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1.4
|
||||
|
||||
**1.** Voor de berekening van de overgangsbekostiging beroepsonderwijs van een instelling wordt de rijksbijdrage voor een instelling voor het kalenderjaar 2015, berekend op grond van artikel 2.2.1, eerste en tweede lid, zoals dat artikel met ingang van 1 augustus 2014 luidt, vergeleken met de rijksbijdrage voor beroepsonderwijs zoals die voor het kalenderjaar 2015 zou zijn vastgesteld volgens de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid en tweede lid, en 2.4.1, eerste lid, zoals deze luidden op 31 juli 2014.
|
||||
**1.** Voor de berekening van de overgangsbekostiging beroepsonderwijs van een instelling wordt de rijksbijdrage voor een instelling voor het kalenderjaar 2015, berekend op grond van artikel 2.2.1, eerste en tweede lid, zoals dat artikel met ingang van 1 augustus 2014 luidt, vergeleken met de rijksbijdrage voor beroepsonderwijs zoals die voor het kalenderjaar 2015 zou zijn vastgesteld volgens de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid en tweede lid, en 2.4.1, eerste lid, zoals deze luidden op 31 juli 2014.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de uitvoering van de vergelijking bedoeld in het eerste lid wordt bij de berekening van de rijksbijdrage voor 2015 volgens de berekeningswijze op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen zoals die luidden op 31 juli 2014, uitgegaan van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 2.1.3, eerste lid, voor 2015, verminderd met het voor alle instellingen vastgestelde budget, bedoeld in artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet. De aldus berekende rijksbijdrage van een instelling wordt verhoogd met het bedrag dat voor die instelling op grond van artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet is berekend. Dit bedrag wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
||||
**2.** Bij de uitvoering van de vergelijking bedoeld in het eerste lid wordt bij de berekening van de rijksbijdrage voor 2015 volgens de berekeningswijze op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen zoals die luidden op 31 juli 2014, uitgegaan van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 2.1.3, eerste lid, voor 2015, verminderd met het voor alle instellingen vastgestelde budget, bedoeld in artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet. De aldus berekende rijksbijdrage van een instelling wordt verhoogd met het bedrag dat voor die instelling op grond van artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet is berekend. Dit bedrag wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
||||
|
||||
**3.** Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling hoger is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2015 verminderd met 80% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
||||
|
||||
|
|
@ -814,7 +814,7 @@ Indien 12% van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten ber
|
|||
|
||||
**1.** Indien een instelling de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, ten behoeve van de bekostiging voor het kalenderjaar 2015 niet tijdig indient, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2.2.5, de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2015 en, in afwijking van artikel 6.1.4, de overgangsbekostiging voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 voor deze instelling voorlopig vaststellen met gebruik van de gegevens van het kalenderjaar 2012, respectievelijk het studiejaar 2012–2013.
|
||||
|
||||
**2.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2014 de gegevens bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
**2.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2014 de gegevens bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 6.1.4 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -834,7 +834,7 @@ Indien 12% van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten ber
|
|||
|
||||
**1.** Indien een instelling de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, ten behoeve van de bekostiging voor het kalenderjaar 2019 niet tijdig indient, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2.2.5, de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2019 en, in afwijking van artikel 6.1.6 de overgangsbekostiging voor de kalenderjaren 2019, 2020 en 2022 voor deze instelling voorlopig vaststellen met gebruik van de gegevens van het kalenderjaar 2016, respectievelijk het studiejaar 2016-2017.
|
||||
|
||||
**2.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2018 de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
**2.** De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2018 de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 6.1.6 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -850,7 +850,7 @@ a. voor elke instelling wordt een bedrag vastgesteld dat overeenkomt met het bed
|
|||
b. voor elke instelling wordt een bedrag vastgesteld door het deel van het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2a.1.3, voor het jaar 2015 dat overblijft na aftrek van de op grond van onderdeel a berekende bedragen, te verdelen volgens de berekening, bedoeld in artikel 2a.2.1, eerste lid; en
|
||||
c. de uitkomsten van de berekeningen op grond van de onderdelen a en b worden rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
||||
|
||||
**2.** Indien Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j, van de wet voor het bekostigingsjaar 2015 niet uiterlijk 1 juli 2014 heeft ontvangen, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bedrag voor de desbetreffende instelling berekend door het bedrag dat de instelling in 2014 heeft ontvangen op grond van de Regeling overgangsbekostiging vavo 2013 en 2014 te vermenigvuldigen met een derde. Het aldus berekende bedrag wordt in mindering gebracht op het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde deel van het landelijk budget voordat dit overeenkomstig dat onderdeel wordt verdeeld. Artikel 2a.2.3, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Indien Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j, van de wet voor het bekostigingsjaar 2015 niet uiterlijk 1 juli 2014 heeft ontvangen, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, wordt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bedrag voor de desbetreffende instelling berekend door het bedrag dat de instelling in 2014 heeft ontvangen op grond van de Regeling overgangsbekostiging vavo 2013 en 2014 te vermenigvuldigen met een derde. Het aldus berekende bedrag wordt in mindering gebracht op het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde deel van het landelijk budget voordat dit overeenkomstig dat onderdeel wordt verdeeld. Artikel 2a.2.3, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Het rijksbijdragedeel ten behoeve van de kosten van gehandicapte deelnemers voor het bekostigingsjaar 2015 wordt vastgesteld door het budget, bedoeld in artikel 2a.3.1, eerste lid, voor het bekostigingsjaar 2015 over de instellingen te verdelen naar rato van de voor dat jaar op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -864,7 +864,7 @@ a. voor elke instelling wordt een bedrag vastgesteld dat overeenkomt met het bed
|
|||
b. voor elke instelling wordt een bedrag vastgesteld door het deel van het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2a.1.3, voor het jaar 2016 dat overblijft na aftrek van de op grond van onderdeel a berekende bedragen, te verdelen volgens de berekening, bedoeld in artikel 2a.2.1, eerste lid; en
|
||||
c. de uitkomsten van de berekeningen op grond van de onderdelen a en b worden rekenkundig afgerond op hele euro’s.
|
||||
|
||||
**2.** Indien Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j, van de wet voor het bekostigingsjaar 2016 niet uiterlijk 1 juli 2015 heeft ontvangen, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, wordt artikel 2a.2.3, tweede lid, toegepast op de berekening van het in het in eerste lid, onderdeel b, bedoelde bedrag. Het aldus berekende bedrag wordt in mindering gebracht op het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde deel van het landelijk budget voordat dit overeenkomstig dat onderdeel wordt verdeeld. Artikel 2a.2.3, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Indien Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onderdelen a, b, c, e, f, g, h en j, van de wet voor het bekostigingsjaar 2016 niet uiterlijk 1 juli 2015 heeft ontvangen, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, wordt artikel 2a.2.3, tweede lid, toegepast op de berekening van het in het in eerste lid, onderdeel b, bedoelde bedrag. Het aldus berekende bedrag wordt in mindering gebracht op het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde deel van het landelijk budget voordat dit overeenkomstig dat onderdeel wordt verdeeld. Artikel 2a.2.3, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Het rijksbijdragedeel ten behoeve van de kosten van gehandicapte deelnemers voor het bekostigingsjaar 2016, wordt vastgesteld door het budget, bedoeld in artikel 2a.3.1, eerste lid, voor het bekostigingsjaar 2016 over de instellingen te verdelen naar rato van de voor dat jaar op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -929,9 +929,9 @@ Voor het kalenderjaar 2016 wordt de uitkering educatie die aan een college van b
|
|||
|
||||
waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudget zoals dat luidde op 31 december 2014;
|
||||
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudget zoals dat luidde op 31 december 2014;
|
||||
|
||||
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudget zoals die luidde op 31 december 2014;
|
||||
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudget zoals die luidde op 31 december 2014;
|
||||
|
||||
bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het kalenderjaar 2016.
|
||||
|
||||
|
|
@ -943,9 +943,9 @@ Voor het kalenderjaar 2017 wordt de uitkering educatie die aan een college van b
|
|||
|
||||
waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudget zoals dat luidde op 31 december 2014;
|
||||
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudget zoals dat luidde op 31 december 2014;
|
||||
|
||||
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudget zoals die luidde op 31 december 2014;
|
||||
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudget zoals die luidde op 31 december 2014;
|
||||
|
||||
bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het kalenderjaar 2017.
|
||||
|
||||
|
|
@ -955,7 +955,7 @@ bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeri
|
|||
|
||||
**1.** Dit besluit treedt, met uitzondering van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 voor zover het betreft de artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4, en 6, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
|
||||
|
||||
**2.** De hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen en artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de hoofdstukken 2 en 6, paragraaf 1, dan wel de hoofdstukken 3 en 6, paragraaf 2, dan wel de hoofdstukken 4 en 6, paragraaf 3, van dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. De bepalingen vinden voor het eerst toepassing ten aanzien van de rijksbijdragen voor het jaar 2000.
|
||||
**2.** De hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen en artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de hoofdstukken 2 en 6, paragraaf 1, dan wel de hoofdstukken 3 en 6, paragraaf 2, dan wel de hoofdstukken 4 en 6, paragraaf 3, van dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. De bepalingen vinden voor het eerst toepassing ten aanzien van de rijksbijdragen voor het jaar 2000.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.4 van dit besluit treden in werking 12 maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de formulieren ten aanzien van de gegevens inzake uitgereikte diploma's niet eerder van toepassing zijn dan over het kalenderjaar 2001 en de overige formulieren niet eerder dan over het studiejaar 2001–2002.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue