diff --git a/circulaire/leidraad-invordering-1990/BWBR0004800/README.md b/circulaire/leidraad-invordering-1990/BWBR0004800/README.md index a1a936b6d77..fe72be123bc 100644 --- a/circulaire/leidraad-invordering-1990/BWBR0004800/README.md +++ b/circulaire/leidraad-invordering-1990/BWBR0004800/README.md @@ -33,7 +33,7 @@ In deze leidraad wordt verstaan onder: - negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag; - negatieve voorlopige aanslag of voorlopige teruggaaf: de aanslag als bedoeld in artikel 13 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag; - Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; -- wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van de Wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, ook wel de WSNP genoemd. +- wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van titel III van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, ook wel de WSNP genoemd. - Onder de overige in deze leidraad gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als hetgeen daaromtrent in de wet wordt verstaan. De inning van de eigen middelen voor de Europese Unie vindt voor een belangrijk gedeelte plaats met toepassing van hetgeen is vastgelegd in verordeningen. Met name het CDW vormt in dit verband een belangrijk gedeelte van het raamwerk waarbinnen geopereerd moet worden. @@ -54,11 +54,17 @@ De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt De wet bevat voorschriften ter verwezenlijking van de aanspraken die de Staat op de belastingschuldigen heeft. Deze voorschriften beogen de invordering op eenvoudige, weinig kostbare en doeltreffende wijze te doen plaatshebben. De bepalingen van deze leidraad strekken er toe het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De leidraad beoogt niet een uiteenzetting te geven van de bestaande jurisprudentie. -Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1, Awb niet van toepassing zijn op de wet, wordt, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb gehandeld. +Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1. Awb niet van toepassing zijn op de wet, handelt de ontvanger in het kader van de invordering, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht. -De ontvanger dient bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop, e.d.). Zie in dit verband het tiende lid van deze paragraaf. +Zoveel als mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb, inclusief de mogelijkheden tot verlenging, van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. -Het voorgaande betekent onder meer dat de ontvanger handelt overeenkomstig deze leidraad, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen (vgl. art. 4:84 Awb). Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb. +Voor beschikkingen op aanvraag geldt derhalve een termijn van 8 weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door het noemen van een redelijke termijn: zie de artikelen 4:13, 4:14 en 4:15 Awb; + +Voor bezwaarschriften en beroepschriften in het kader van administratief beroep geldt een termijn van 6 weken met de mogelijkheid tot verlenging met 4 weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg: zie de artikelen 7:10 en 7:24 Awb. + +Een ander voorbeeld van een bepaling uit de Awb die van toepassing is in het kader van de invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals opgenomen in deze leidraad. Afwijking van die beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb. + +Naast het zoveel als mogelijk is handelen in overeenstemming met de Awb dient de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop, e.d.). Zie in dit verband het tiende lid. Als de invordering op verschillende wijzen kan geschieden, geldt als uitgangspunt dat de voor de fiscus eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze de voorkeur verdient. @@ -622,7 +628,7 @@ Indien de betekening echter geschiedt overeenkomstig artikel 47 Rv, luidt het he De tenuitvoerlegging van tegen dezelfde belastingschuldige uitgevaardigde dwangbevelen heeft zoveel mogelijk tegelijkertijd plaats. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Tevens dient de nodige souplesse te worden betracht. Dit brengt met zich mee dat zo nodig de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat, dan wel deze onderbreekt of beëindigt, als hij reden heeft te vermoeden dat de ontvanger niet tot het geven van de beslagopdracht zou zijn overgegaan als hem alle omstandigheden bekend waren geweest, dan wel aangetoond kan worden dat de betaling c.q. een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25, § 1, eerste lid, van deze leidraad en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist. -Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, wordt niet eerder tot tenuitvoerlegging overgegaan dan nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:18 BW, is verstreken, tenzij alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De termijn van drie maanden kan door de kantonrechter worden verlengd. In het geval dat de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. Wanneer het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de beslagen goederen overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag en met een dergelijke afdoening, gelet op het geheel der omstandigheden, naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen binnen het in deze leidraad geformuleerde beleid. +Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, wordt niet eerder tot tenuitvoerlegging overgegaan dan nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken, tenzij alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De termijn van drie maanden kan door de kantonrechter worden verlengd. In het geval dat de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. Wanneer het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de beslagen goederen overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag en met een dergelijke afdoening, gelet op het geheel der omstandigheden, naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen binnen het in deze leidraad geformuleerde beleid. De belastingdeurwaarder kan op grond van artikel 438, vierde lid, Rv bij een executiegeschil dat om een onverwijlde voorziening vraagt zich rechtstreeks tot de voorzieningenrechter wenden met een van het bezwaar opgemaakt proces-verbaal. Hij zal van deze bevoegdheid slechts gebruikmaken met toestemming van de ontvanger. @@ -713,7 +719,7 @@ Vervallen. Wanneer op de wijze van artikel 439 e.v. Rv beslag op computerapparatuur is gelegd, dan valt alleen de zogenaamde "hard-ware" onder dit beslag. De belastingdeurwaarder dient, voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan, na te gaan of deze apparatuur nog de zogenaamde "soft-ware", zoals bestanden, programma's, e.d., bevat. Is dat het geval, dan dient de belastingschuldige de mogelijkheid te worden geboden om die bestanden, etc. te verwijderen en een back-up te maken. Hierna kan worden overgegaan tot het formatteren van de harde schijf op een zodanige wijze dat alle bestanden, etc. worden gewist. Zo nodig dient voor deze werkzaamheden (extern) deskundige hulp te worden ingeroepen. De kosten die de Belastingdienst in verband met deze hulp moet maken, worden aan de belastingschuldige op grond van artikel 6 Kostenwet invordering rijksbelastingen in rekening gebracht. -De ontvanger dient er voor zorg te dragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de volgens de Waarborgwet 1986 vereiste stempeltekenen, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen, is de ontvanger verplicht ten minste drie dagen tevoren aangifte te doen bij Verispect BV, Postbus 654, 2600 AR te Delft (tel. nr. 015-2691500 en fax nr. 015-2850507). +De ontvanger dient er voor zorg te dragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de volgens de Waarborgwet 1986 vereiste stempeltekenen, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen, is de ontvanger verplicht ten minste drie dagen tevoren aangifte te doen bij Waarborg Holland. Bij de aangifte vermeldt de ontvanger in ieder geval de navolgende gegevens: @@ -807,9 +813,13 @@ Bij de beslaglegging dringt de belastingdeurwaarder niet aan op het doen van ver Door het leggen van een derdenbeslag ondergaat de opeisbaarheid van de onder het beslag vallende vordering geen wijziging. De beslaglegger, i.c. de ontvanger, heeft echter de bevoegdheid niet opeisbare vorderingen, die door opzegging opeisbaar gemaakt kunnen worden, op te zeggen. De ontvanger dient bij het terughoudend gebruikmaken van deze bevoegdheid de belangen van de belastingschuldige niet uit het oog te verliezen. -Derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente en de daar op volgende afkoop of belening van die polis kan voor de belastingschuldige verstrekkende financiële gevolgen hebben. Voor het leggen van derdenbeslag onder een verzekeringsmaatschappij op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente is daarom vooralsnog toestemming van het ministerie vereist. Bij de beslissing of tot het aanvragen om toestemming voor het leggen van derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente moet worden overgegaan, weegt de ontvanger alle betrokken belangen zorgvuldig af en gaat na of de belastingschuldige niet onredelijk wordt benadeeld. Ook wordt in de overwegingen betrokken of sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening. Tevens besteedt de ontvanger aandacht aan de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst moet tevens rekening worden gehouden met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling (zie ook art. 44a, § 1, tweede lid, van deze leidraad) die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd. +Bij een derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt – naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv – het volgende: -Indien de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt of de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wordt niet tot uitwinning van het derdenbeslag, afkoop of belening overgegaan, maar laat de ontvanger, in overleg met belastingschuldige, het beslag liggen tot de expiratiedatum. Voorts is van belang dat de omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, op zichzelf niet aan derdenbeslag in de weg hoeft te staan. De belastingaanslagen waarvoor de toestemming wordt gevraagd moeten onherroepelijk vaststaan en ze moeten in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Na de verleende toestemming handelt de ontvanger bij het leggen van het derdenbeslag overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 479l tot en met 479q Rv. +– De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening. +– De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling (zie ook artikel 44, paragraaf 1, lid 2, van deze leidraad) die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd. +– Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de ontvanger – in overleg met belastingschuldige – het beslag liggen tot de expiratiedatum. +– De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg. +– De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, kan de ontvanger op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Genoemd bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak. @@ -867,7 +877,7 @@ Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen van ver Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voorzover deze door het verzet wordt bestreden. Dit brengt met zich mee dat wanneer het verzet zich richt tegen een bepaalde wijze van tenuitvoerlegging of tegen de beslaglegging op bepaalde goederen deze wijze van tenuitvoerlegging c.q. het beslag voor die bepaalde goederen niet wordt voortgezet totdat daarover in de verzetprocedure is beslist. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel op andere wijze c.q. voortzetting van het beslag op andere goederen kan ongehinderd doorgang vinden. Richt het verzet zich tegen de rechtsgeldigheid van het dwangbevel, dan wordt iedere vorm van tenuitvoerlegging van dat dwangbevel geschorst omdat bij toewijzing van dat verzet tevens de rechtsongeldigheid van iedere vorm van tenuitvoerlegging vaststaat. -Als het verzet zich richt tegen de tenuitvoerlegging voor een deel van het bedrag waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd (bijvoorbeeld alleen de bestuurlijke boete), wordt de tenuitvoerlegging voor het resterende bedrag niet geschorst. Is sprake van een beslag onder een derde en de derde heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie schriftelijk aan de derde mee, onder vermelding van de grond waarop deze schorsing berust en vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476 Rv dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Tevens wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van het verzet is opgeheven. Als het verzet wordt gedaan op de dag van de openbare verkoop, wordt overleg gepleegd met het ministerie over het al dan niet doorzetten van de executoriale verkoop. +Als het verzet zich richt tegen de tenuitvoerlegging voor een deel van het bedrag waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd (bijvoorbeeld alleen de bestuurlijke boete), wordt de tenuitvoerlegging voor het resterende bedrag niet geschorst. Is sprake van een beslag onder een derde en de derde heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie schriftelijk aan de derde mee, onder vermelding van de grond waarop deze schorsing berust en vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476 Rv dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Tevens wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van het verzet is opgeheven. Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW, kan hij, na verkregen toestemming van het ministerie, team ondernemingen, besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten. Artikel 17 van de wet vermeldt geen gronden voor verzet. Als voorbeelden van deze gronden worden hier genoemd: de belastingschuld is voldaan, verminderd of kwijtgescholden; het recht op dwanginvordering is verjaard of het dwangbevel is tegen de verkeerde persoon uitgevaardigd. @@ -913,7 +923,16 @@ Wanneer de derde voldoet aan de vordering van de ontvanger, maar later blijkt da Wanneer een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand wordt de belastingaanslag verminderd of vernietigd wordt de hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of terugbetaald aan de belastingschuldige. Aan de derde zal geen terugbetaling plaatshebben, omdat de derde jegens de belastingschuldige is gekweten en dus geen partij meer is. -In een faillissement vallen de belastingschulden (als ook invorderingsrente en heffingsrente) voorzover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring. Met betrekking tot bijvoorbeeld de inkomsten- en de vennootschapsbelasting wordt, tenzij het tegendeel blijkt, ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag. Hieruit volgt dat in het faillissement moeten worden geverifieerd de bedragen die tot aan de dag van de faillietverklaring geacht kunnen worden verschuldigd te zijn, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen in beginsel als boedelschuld worden aangemeld. Omdat een ander standpunt tot welhaast onoverkomelijke moeilijkheden zou leiden, kan bij de splitsing van een belastingaanslag worden uitgegaan van een toerekening naar tijdsgelang. Wanneer een belastingaanslag is gesplitst worden voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld en het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt twee aparte vorderingen gedaan. +Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke betalingen) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet. De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan. De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag. + +In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet, vindt de vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: + +a. op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten; +b. de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste twee maanden overschreden; +c. de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen; +d. de onder c vermelde voorwaarde geldt niet voor aanslagen in de motorrijtuigenbelasting. Voor deze aanslagen geldt naast de voorwaarden genoemd onder a en b als extra voorwaarde dat op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt sprake moet zijn van een motorrijtuigenbelastingschuld die door middel van reguliere invorderingsmiddelen (voor particulieren: de vordering, voor ondernemers: de tenuitvoerlegging van het dwangbevel) naar verwachting niet zal worden voldaan binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf genoemd tijdstip. + +In een faillissement vallen de belastingschulden (als ook invorderingsrente en heffingsrente) voorzover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring. Met betrekking tot bijvoorbeeld de inkomsten- en de vennootschapsbelasting wordt, tenzij het tegendeel blijkt, ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag. Hieruit volgt dat in het faillissement de bedragen moeten worden geverifieerd die verschuldigd zijn tot aan de dag van de faillietverklaring, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen niet verifieerbaar zijn en eventueel als boedelschuld moeten worden aangemeld. Omdat een ander standpunt tot welhaast onoverkomelijke moeilijkheden zou leiden, kan bij de splitsing van een belastingaanslag worden uitgegaan van een toerekening naar tijdsgelang. Wanneer een belastingaanslag is gesplitst worden voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld en het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt twee aparte vorderingen gedaan. Omdat het vorenstaande betrekking heeft op de materiële belastingschuld is het niet van belang of de schuld is belichaamd in een voorlopige, definitieve, navorderings- of naheffingsaanslag (conserverende belastingaanslagen daaronder begrepen), terwijl evenmin de dagtekening terzake doet. Wel wordt er zoveel mogelijk voor gezorgd dat de belastingaanslagen - als het juiste bedrag nog niet kan worden bepaald zo nodig in de vorm van een voorlopige of een nadere voorlopige aanslag - op een zodanig tijdstip tot stand komen, dat indiening ter verificatie tijdig kan plaatshebben. Voor de vraag of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Indien die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de boete in het faillissement worden aangemeld. Ligt de dagtekening na uitspraak van het faillissement, ook al heeft de boete betrekking op een situatie van vóór het faillissement, dan kan de boete niet meer in het faillissement worden aangemeld. @@ -1025,7 +1044,7 @@ Voor zaken waarop met toepassing van het bodemrecht verhaal kan worden gezocht, Een met toepassing van het bodemrecht gelegd beslag op niet aan de belastingschuldige toebehorende zaken vervalt niet door het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of door het faillissement van de belastingschuldige. Het beslag op dergelijke bodemzaken kan ook nog worden gelegd na het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of van het faillissement, mits de zaken zich op het moment van de beslaglegging nog op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Ook tijdens een zogenoemde afkoelingsperiode is het mogelijk bodembeslag te leggen. Een bodembeslag dat tijdens een afkoelingsperiode in een faillissement of surseance wordt gelegd, kan echter niet worden tegengeworpen aan de derde-eigenaar van een zaak, als deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak (artt. 63c en 241c Fw.). Als de derde-eigenaar de bodemzaak heeft verpand, geldt hetzelfde voor de pandhouder van die zaak die een dergelijk exploot heeft uitgebracht. -Het voor of tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelegde beslag vervalt zodra ten aanzien van de derde-eigenaar de uitspraak, houdende de vaststelling van het saneringsplan, in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de rechter reeds een vroeger tijdstip daarvoor heeft bepaald. Het voor of tijdens het faillissement gelegde beslag vervalt wanneer de derde-eigenaar in staat van faillissement wordt verklaard. De ontvanger meldt zijn vordering alsdan ter verificatie aan in de schuldsaneringsregeling dan wel het faillissement van de derde tot een bedrag gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de in beslag genomen zaken, maar ten hoogste tot het bedrag van de vordering. Hij beroept zich hierbij op de fiscale voorrang. Een vordering op grond van artikel 19 van de wet kan in dit geval niet worden gedaan. +Het voor of tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelegde beslag vervalt zodra ten aanzien van de derde-eigenaar de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken. Het voor of tijdens het faillissement gelegde beslag vervalt wanneer de derde-eigenaar in staat van faillissement wordt verklaard. De ontvanger meldt zijn vordering alsdan ter verificatie aan in de schuldsaneringsregeling dan wel het faillissement van de derde tot een bedrag gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de in beslag genomen zaken, maar ten hoogste tot het bedrag van de vordering. Hij beroept zich hierbij op de fiscale voorrang. Een vordering op grond van artikel 19 van de wet kan in dit geval niet worden gedaan. De ontvanger gaat ervan uit dat een verzet op de voet van artikel 456 Rv of artikel 538 e.v. Rv tegen de verkoop van roerende c.q. onroerende zaken de voortgang van de executie niet van rechtswege opschort. @@ -1054,8 +1073,6 @@ Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de ontvange Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. -De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken. - Een beroepschrift dat te laat is ingediend, maar dat betrekking heeft op een beslag dat nog steeds ligt, zal door de directeur niet ontvankelijk worden verklaard, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest. Een in verband met te late indiening niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift, zal de directeur, ambtshalve in behandeling nemen. In dat geval wordt de executie van de desbetreffende zaken, indien redelijkerwijs nog mogelijk, opgeschort. De ontvanger prolongeert, ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak daartoe, in het algemeen eveneens als een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft. Als de belanghebbende zich, voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt, wijst deze de belanghebbende voor zoveel nodig op de mogelijkheid een beroepschrift tot de directeur te richten. Als de ontvanger in dit stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de opheffing van een beslag door de ontvanger in dat geval niet plaatsvindt dan na overleg met de directeur. Komt de ontvanger na de indiening van een beroepschrift, maar voordat doorzending aan de directeur heeft plaatsgevonden, tot de slotsom dat ten onrechte beslag is gelegd, dan heft hij het beslag op en bevordert de intrekking van het beroepschrift. Heeft doorzending van het beroepschrift aan de directeur reeds plaatsgevonden dan wordt het beslag na overleg met de directeur opgeheven. Er volgt dan nog wel een beslissing van de directeur op het beroepschrift. De beslissing van de directeur op een beroepschrift dat is ingediend tegen de inbeslagneming van bodemzaken als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet voor belastingaanslagen als bedoeld in dat lid, behoort niet alleen afhankelijk te zijn van juridische overwegingen. Er dient, nadat met betrekking tot de juridische verhoudingen voldoende duidelijkheid is verkregen, ook voor overwegingen van billijkheid en eisen van goed beleid een grote plaats te worden ingeruimd. In dat beleid past dat het eigendomsrecht van een derde wordt ontzien in de gevallen waarin sprake is van reële eigendom van de derde. Het bepaalde in artikel 14, § 2, zevende lid, laatste volzin, van deze leidraad is in dit verband van overeenkomstige toepassing. @@ -1154,7 +1171,7 @@ De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al dan In het algemeen blijft verrekening met een te betalen bedrag dat door de belastingschuldige wordt betwist achterwege, indien voor dit bedrag uitstel van betaling in de zin van artikel 25, § 2, van deze leidraad is verleend. Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige, bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie met de hoogte van de bestreden belastingschuld, zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en voorts geen voldoende zekerheid is gesteld. Bovendien vindt, in afwijking van de eerste volzin, verrekening wel plaats als de belastingschuldige hierom verzoekt. -De ontvanger kan aan een belastingschuldige uit te betalen bedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen bedragen. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast. In dat geval is verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk. Verrekening met een belastingaanslag kan plaatsvinden vanaf de datum van de dagtekening van het aanslagbiljet +De ontvanger kan aan een belastingschuldige uit te betalen bedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen bedragen. Dat geldt niet alleen voor bedragen die betrekking hebben op rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen maar ook voor bedragen van de daarmee verband houdende (bestuurs- of civielrechtelijke) vorderingen van belastingschuldige op de Staat of de ontvanger. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast. In dat geval is verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk. Verrekening met een belastingaanslag kan plaatsvinden vanaf de datum van de dagtekening van het aanslagbiljet In het geval van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, kan verrekening pas plaatsvinden voorzover er betalingstermijnen zijn verstreken, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet, in welk geval verrekening mogelijk is vanaf het moment dat zich één van de daar genoemde situaties voordoet. Ondanks dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen door de B/CA niet automatisch verrekend met belastingaanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit betekent echter niet dat in het geheel niet tot verrekening binnen de betalingstermijn wordt overgegaan. De ontvanger is bevoegd om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen. @@ -1212,8 +1229,6 @@ Vervallen. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. -De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken. - De beslissing van de directeur geschiedt bij beschikking. De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending of uitreiking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in casu de pandhouder of cessionaris. Als op het beroepschrift afwijzend is beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat, na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt, acht dagen zijn verstreken. Gedurende deze termijn wordt het uit te betalen bedrag noch uitbetaald noch verrekend. Wordt het beroepschrift niet tijdig ingediend dan wordt de belastingschuldige niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep. In dat geval onderzoekt en beslist de directeur ambtshalve of met inachtneming van het vorenstaande aanleiding bestaat aan het beroep tegemoet te komen, tenzij vóór de indiening van het beroepschrift het uit te betalen bedrag al is verrekend. @@ -1283,7 +1298,7 @@ Gelegde beslagen blijven liggen. De bepaling verhindert uiteraard niet dat een v Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, dan wel de directeur afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan. Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege, als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen dus niet. Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. Voorts geldt deze termijn niet als het uitstel is verleend in het kader van een prolongatie (zie artikel 14, § 1, lid 11a, van deze leidraad). -Als uitstel van betaling wordt gevraagd voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag kan de ontvanger dit alleen voor een korte termijn verlenen om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog het ingevulde en ondertekende aangiftebiljet in te dienen. De door de ontvanger te bepalen termijn waarbinnen het biljet moet worden ingediend zal worden gesteld op ten hoogste één maand na dagtekening van zijn beschikking. Wanneer het biljet niet binnen deze termijn wordt ingediend, wordt aan de belastingschuldige medegedeeld dat het uitstel derhalve is vervallen. Aan de belastingschuldige wordt niet nogmaals uitstel van betaling verleend om het biljet alsnog in te dienen. Geen uitstel als hiervoor bedoeld wordt verleend wanneer het een heffing van een andere instantie betreft waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog aangifte te doen. +Als uitstel van betaling wordt gevraagd voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag kan de ontvanger dit alleen voor een korte termijn verlenen om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog het aangiftebiljet in te dienen. De door de ontvanger te bepalen termijn waarbinnen het biljet moet worden ingediend zal worden gesteld op ten hoogste één maand na dagtekening van zijn beschikking. Wanneer het biljet niet binnen deze termijn wordt ingediend, wordt aan de belastingschuldige medegedeeld dat het uitstel derhalve is vervallen. Aan de belastingschuldige wordt niet nogmaals uitstel van betaling verleend om het biljet alsnog in te dienen. Geen uitstel als hiervoor bedoeld wordt verleend wanneer het een heffing van een andere instantie betreft waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog aangifte te doen. Voor een aanslag die uitsluitend wordt opgelegd met het doel de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag te behouden, een en ander als bedoeld in artikel 11, lid 3, artikel 16, lid 3 en artikel 20, lid 3, van de AWR, verleent de ontvanger ambtshalve uitstel van betaling. Het uitstel wordt verleend voor het gehele bedrag van de aanslag en duurt voort tot het moment waarop de inspecteur de belastingplichtige de precieze elementen van de aanslag heeft meegedeeld. @@ -1313,8 +1328,6 @@ Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of een ve Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. -De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken. - Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de ontvanger op een verzoek om uitstel kan beroep worden ingesteld. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden. Blijkt tijdens de beroepsprocedure dat uitstel had moeten worden verleend, dan behoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen. Zoals hiervoor is aangegeven, kan de belastingschuldige tegen bepaalde uitstelbeschikkingen beroep instellen bij de directeur. Mocht de belastingschuldige echter bij de ontvanger zelf (schriftelijk) bezwaar maken, of voor dezelfde belastingschuld een herhaald verzoek om uitstel indienen, dan behandelt de ontvanger het geschrift als een beroepschrift. Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet tot een (voor de belastingschuldige) gunstigere beslissing, geeft hij echter een nieuwe beschikking. Wanneer de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij de directeur. @@ -1590,7 +1603,7 @@ Wanneer uitstel van betaling is verleend voor een (conserverende) belastingaansl Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, elfde lid, van de wet betreft het recht van successie of schenking over de waarde van het ondernemingsvermogen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 31a, derde lid, en 35c, eerste en tweede lid, van de Successiewet 1956. -Het uitstel eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn vijf jaar zijn verstreken. De inspecteur vermindert overeenkomstig het bepaalde in artikel 53c van de Successiewet 1956 de in de conserverende aanslag begrepen belasting, als bedoeld in artikel 31a, derde lid, van de Successiewet 1956, na een periode van voortzetting van de onderneming of het aandeelhouderschap van vijf jaren, tot nihil. +Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk vijf jaar later. De inspecteur vermindert overeenkomstig het bepaalde in artikel 53c van de Successiewet 1956 de in de conserverende aanslag begrepen belasting, als bedoeld in artikel 31a, derde lid, van de Successiewet 1956, na een periode van voortzetting van de onderneming of het aandeelhouderschap van vijf jaren, tot nihil. Het uitstel wordt beëindigd: @@ -1603,7 +1616,7 @@ Indien voor een bedrag uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 2 Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, twaalfde lid, van de wet betreft het recht van successie of schenking over de waarde van het ondernemingsvermogen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 31a, vierde lid, en 35c, derde lid, van de Successiewet 1956. -Het uitstel eindigt van rechtswege uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaar zijn verstreken. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar. +Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk tien jaar later. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar. Het uitstel wordt beëindigd: @@ -1616,7 +1629,7 @@ Indien voor een bedrag uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 2 Ingevolge artikel 25, dertiende lid, van de wet kan uitstel van betaling worden verleend voor belastingaanslagen in de rechten van successie of schenking voorzover die rechten kunnen worden toegerekend aan een (overbedelings)vordering die de belastingschuldige heeft verkregen op de medeverkrijger(s) terzake van een door deze medeverkrijger(s) verkregen ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, van de Successiewet 1956. -Het uitstel eindigt van rechtswege uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaar zijn verstreken. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar. +Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk tien jaar later. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar. Het uitstel wordt beëindigd: @@ -1728,12 +1741,12 @@ De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36 maan a. een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging van Volkskrediet tot stand is gekomen, dan wel een overeenkomst tot stand is gekomen waarvan de strekking overeenkomt met die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen; b. de schuldhulpverlener lid of geassocieerd lid is van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet, dan wel de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer; c. de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers; -d. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige, afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten, in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; en -e. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst zal zijn betaald een bedrag van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien in het kader van een wettelijke schuldsanering in rechte een saneringsplan zou worden vastgesteld. +d. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige, afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten, met uitzondering van het bepaalde in artikel 288, lid 2, onderdeel b. van de Faillissementswet, in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; en +e. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van tenminste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering. Het uitstel wordt pas verleend als schriftelijk is bericht door de schuldhulpverlener dat de overeenkomst tot schuldregeling zal worden voortgezet. Met betrekking tot de voorwaarde onder c wordt opgemerkt dat de betreffende regeling ook van toepassing is op een natuurlijk persoon die zijn bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening heeft gestaakt en aannemelijk is dat die belastingschuldige in de toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep meer zal uitoefenen. Voorts wordt opgemerkt dat, gelet op de onder d gestelde voorwaarde, nu de wettelijke schuldsaneringsregeling ook betrekking kan hebben op belastingaanslagen, waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend, zoals belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting, de onderhavige regeling ook van toepassing is op die belastingaanslagen. Met andere woorden ook voor belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend, kan in dit kader gedurende 36 maanden uitstel van betaling worden verleend. In dit verband wordt verwezen naar art. 26, § 2a, lid 14, van deze leidraad. -De belastingaanslagen die in de uitstelregeling kunnen worden opgenomen zijn de aanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Vanaf het moment dat de schuldhulpverlener verzoekt om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen, worden gedurende drie maanden geen dwanginvorderingsmaatregelen genomen en worden lopende invorderingsmaatregelen, zo nodig, in overleg met de schuldhulpverlener, opgeschort. Onder bijzondere omstandigheden kan de ontvanger deze termijn verlengen. In afwijking van het voorgaande neemt de ontvanger de invordering weer ter hand, nadat hij een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener heeft ontvangen, waaruit blijkt dat de overeenkomst tot schuldregeling niet wordt voortgezet. Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra het voormelde uitstel is verleend. Gedurende het uitstel is verrekening mogelijk van belastingaanslagen waarvoor uitstel van betaling is verleend met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Als sprake is van een verleend uitstel van betaling in het kader van een overeenkomst tot schuldregeling handelt de ontvanger in voorkomende gevallen gedurende de periode van uitstel als ware sprake van een wettelijke schuldsaneringsregeling. Nieuw opkomende belastingschulden, die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, kunnen echter gedurende de periode dat uitstel van betaling is verleend worden kwijtgescholden, indien, ware er geen sprake van een overeenkomst tot schuldregeling, kwijtschelding zou hebben plaatsgevonden op grond van de betreffende bepalingen van artikel 26 van deze leidraad. +De belastingaanslagen die in de uitstelregeling kunnen worden opgenomen zijn de aanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Vanaf het moment dat de schuldhulpverlener verzoekt om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen, worden gedurende drie maanden geen dwanginvorderingsmaatregelen genomen en worden lopende invorderingsmaatregelen, zo nodig, in overleg met de schuldhulpverlener, opgeschort. Onder bijzondere omstandigheden kan de ontvanger deze termijn verlengen. In afwijking van het voorgaande neemt de ontvanger de invordering weer ter hand, nadat hij een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener heeft ontvangen, waaruit blijkt dat de overeenkomst tot schuldregeling niet wordt voortgezet. Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra het voormelde uitstel is verleend. Gedurende het uitstel is verrekening mogelijk van belastingaanslagen waarvoor uitstel van betaling is verleend met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling. Nieuw opkomende belastingschulden, die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, kunnen echter gedurende de periode dat uitstel van betaling is verleend worden kwijtgescholden, indien, ware er geen sprake van een overeenkomst tot schuldregeling, kwijtschelding zou hebben plaatsgevonden op grond van de betreffende bepalingen van artikel 26 van deze leidraad. De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het tweede, derde en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen 14 dagen zijn verplichtingen correct nakomt. De ontvanger trekt het uitstel in indien: @@ -1817,7 +1830,7 @@ Daarvan is onder andere sprake als: a. het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig belasting is geheven; b. vervallen; -c. c. een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het betreft een voorlopige teruggaaf voorzover die niet voor beslag vatbaar is; +c. een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het betreft een voorlopige teruggaaf voorzover die niet voor beslag vatbaar is; d. vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen; e. belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd; f. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat een loonbelastingverklaring niet of onjuist is ingevuld, tenzij de belastingschuldige aantoont dat het niet of onjuist invullen niet aan hem kan worden verweten; @@ -1881,7 +1894,7 @@ Als "waarde" wordt de prijs in aanmerking genomen die de autohandel bereid is te Met betrekking tot de onmisbaarheid in verband met de uitoefening van een beroep wordt opgemerkt dat in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van de regeling sprake is van "die" auto. Daarmee wordt aangegeven dat de auto waarover de belastingschuldige beschikt, moet passen binnen de uitoefening van zijn functie. De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk worden gemaakt met een verklaring van een vertrouwensarts, niet zijnde de huisarts of behandelend specialist. De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut. -Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukkende huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag. Wanneer de huur, de hypotheekrente, de erfpachtcanon, de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn die langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling. +Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukkende huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid Rv, en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag. Wanneer de huur, de hypotheekrente, de erfpachtcanon, de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn die langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling. Een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van de WSF of Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in de vorm van een lening, wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Een spaartegoed dat geacht mag worden te zijn verkregen in de vorm van een zodanige lening wordt evenmin als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen, voorzover het gespaarde bedrag de component lening in de studietoelage niet overschrijdt. Ook een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van een regeling voor een persoonsgebonden budget wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Incidentele ontvangsten op bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel mede in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering (zie lid 15 van deze paragraaf). De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in het kader van de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt. @@ -1907,8 +1920,8 @@ Het netto-besteedbare inkomen wordt gevormd door: - uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de alimentatie-uitkering); - overige inkomsten, met uitzondering van: -a. de in een voorlopige teruggaaf begrepen kinderkorting alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan 5 jaar is de in een voorlopige teruggaaf begrepen combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting, een en ander als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; -b. een toeslag op grond van de Wet kinderopvang; +a. de in een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting begrepen combinatiekorting, aanvullende combinatiekorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting voor een alleenstaande ouder met een kind jonger dan vijf jaar; +b. een toeslag op grond van de Wet kinderopvang of de Wet op het kindgebonden budget; c. een vergoeding voor pleegouders ten behoeve van het levensonderhoud van een pleegkind; d. een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van de bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan; e. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen; @@ -1922,7 +1935,7 @@ Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gest Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs ontvangen een basistoelage en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een tegemoetkoming in de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het middelbaar beroepsonderwijs of het hoger onderwijs ontvangen een basisbeurs en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een aanvullende beurs en een lening op grond van de WSF. -De inkomsten worden gesteld op een forfaitair bedrag. Dit forfaitaire bedrag is het betreffende bedrag van kolom A van bijlage 1b van deze leidraad. Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Echter voorzover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag vermeld in kolom D van bijlage 1b, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van kolom A en kolom D verhoogd met die toeslagen. +De inkomsten worden gesteld op een forfaitair bedrag. Dit forfaitaire bedrag is het betreffende bedrag van kolom A van bijlage 1b van deze leidraad. Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Echter voorzover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag vermeld in kolom C van bijlage 1b, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van kolom A en kolom C verhoogd met die toeslagen. Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking genomen. De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt daarentegen wèl als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dit geval is de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage, die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar, geheel of gedeeltelijk ontbreekt. @@ -1932,10 +1945,10 @@ Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden Het gaat in casu om de volgende bedragen: -- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2.133 per kalenderjaar; +- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2160 per kalenderjaar; - een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95 per maand met een maximum van € 764 per jaar; - een kostenvergoeding in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar; -- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 177 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. +- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 181 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. Tot de overige inkomsten kunnen worden gerekend de ouderlijke bijdrage in geld die jongeren ontvangen en de (aanvullende) bijzondere bijstand voor jongeren (zie lid 17, hiervoor). Ook de inkomsten uit het houden van kostgangers en de inkomsten uit kamerverhuur en onderverhuur worden tot de overige inkomsten gerekend. Zie in dit verband ook artikel 26, lid 24A, van deze leidraad. @@ -1954,13 +1967,13 @@ In het vorige lid dient voor: a. € 184,85 in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: € 183,03 voor éénpersoonsouderenhuishoudens en € 181,22 voor meerpersoonsouderenhuishoudens; b. € 621,78 – € 184,85 = € 436,93 in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 621,78 – € 183,03 = € 438,75 onderscheidenlijk € 621,78 – € 181,22 = € 440,56. -De niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten, verminderd met de zorgtoeslag ingevolge de Wet op de zorgtoeslag, mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AWBZ. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden. +De niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid Rv (de normpremie voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder is € 54 per maand; de normpremie voor echtgenoten is € 77 per maand), en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag, mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AWBZ. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden. Uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de zogenaamde alimentatieverplichtingen) en de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage (de bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand) worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering gebracht. Aflossingen op leningen waarbij het geleende bedrag is aangewend voor de betaling van belastingschulden, andere dan die genoemd in artikel 8, tweede lid, van de regeling, worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in aanmerking genomen. De ontvanger kan de belastingschuldige vragen om aan te tonen dat het geleende bedrag inderdaad voor betaling van de belastingaanslagen is aangewend. -Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering worden gebracht bedragen forfaitair € 8,50 per dag, dus ongeacht de werkelijke kosten, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld. Als sprake is van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats. +Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering worden gebracht bedragen forfaitair € 8,90 per dag, dus ongeacht de werkelijke kosten, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld. Als sprake is van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de bruto-betaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Dit beginsel dat geen rekening wordt gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers is gebaseerd op het uitgangspunt dat de fiscus als preferent schuldeiser niet behoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in lid 24 van deze paragraaf. @@ -1968,9 +1981,9 @@ Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld, kunnen de kosten van bestaan Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die thans gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn: -- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 898 en maximum € 1.122; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1.176; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1.176. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf; -- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 786 en maximum € 1.010; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1.057. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is; -- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 561 en maximum € 786; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 858. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. +- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 908 en maximum € 1135; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1190; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1190. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf; +- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 794 en maximum € 1021; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1070. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is; +- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 568 en maximum € 794; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 868. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. NB: Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind. Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind. @@ -1978,20 +1991,20 @@ Voorbeelden Voorbeeld 1 -X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 890. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 800. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 890 en bedraagt dus € 801. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 785. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 785. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 800 minus € 785 = € 15 × 80% = € 12. +X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 890. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 800. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 890 en bedraagt dus € 801. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 794. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 794. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 800 minus € 794 = € 6 × 80% = € 4,80. Voorbeeld 2 -Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 900. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 900 en bedraagt dus € 810. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 1.009 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 785. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 810. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 770 minus € 785 = nihil. +Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 900. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 900 en bedraagt dus € 810. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 1021 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 794. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 810. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 770 minus € 794 = nihil. Voorbeeld 3 -X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 898. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil. +X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 908. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil. Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met -- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 185 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 53; -- voor gehuwden: € 288 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 76. +- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 187,09 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 54; +- voor gehuwden: € 291,00 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 77. Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden. @@ -2006,16 +2019,15 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder: - schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst: de schuldsaneringsregelingen zoals bedoeld in artikel 26, § 3 van deze leidraad en de artikelen 20 t/m 22 van de regeling juncto artikel 26, § 4 van deze leidraad; - aangeboden akkoord: een akkoord dat wordt aangeboden om te komen tot een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling; gerechtelijk akkoord: het akkoord als bedoeld in de artikelen 19a, eerste lid en 22a, eerste lid, van de regeling; - buitengerechtelijk akkoord: het akkoord als bedoeld in de artikelen 19a, tweede lid en 22a, tweede lid, van de regeling; -- dwangakkoord: een akkoord, als gevolg waarvan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eindigt, waaraan de ontvanger is gebonden, doch waarmee hij niet heeft ingestemd; -- saneringsplan: een door de rechter op grond van titel III afdeling 7 van de Faillissementswet vastgesteld plan in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling. +- dwangakkoord: een akkoord, als gevolg waarvan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eindigt, waaraan de ontvanger is gebonden, doch waarmee hij niet heeft ingestemd. Met de WSNP wordt bereikt dat een natuurlijk persoon, waarvan rederlijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, niet tot in lengte van jaren door zijn schuldeisers achtervolgd kan worden. Uitgangspunt is namelijk de "schone lei". Voor het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling is niet vereist dat gedurende de looptijd van de regeling een bepaald minimumbedrag aan de schuldeisers kan worden uitgekeerd. Het is dus mogelijk dat de schuldeisers niets of vrijwel niets op hun vorderingen ontvangen. Wel moet de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning leveren om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De wettelijke schuldsaneringsregeling kan van toepassing worden verklaard op zowel natuurlijke personen die geen onderneming drijven als op natuurlijke personen die wel een onderneming drijven. Het gaat daarbij dus om natuurlijke personen met een eenmanszaak, zij die in een maatschap een zelfstandig beroep uitoefenen of zij die (beherend) vennoot zijn in een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap. De WSNP beoogt in belangrijke mate de bereidheid van schuldeisers tot het treffen van een buitengerechtelijk akkoord te bevorderen. De WSNP bevat namelijk bepalingen die door schuldeisers als ongunstig zullen worden ervaren: -- vèrgaande bevoegdheden van de rechter: de rechter kan een saneringsplan vaststellen zonder instemming van de schuldeisers (ook de bevoorrechte); +- vèrgaande bevoegdheden van de rechter: de rechter kan de toepassing van de schuldsanering uitspreken zonder instemming van de schuldeisers (ook de bevoorrechte); - de rechter-commissaris heeft onder omstandigheden de bevoegdheid om een aangeboden akkoord dat door de schuldeisers is verworpen toch bindend vast te stellen; - er treedt een moratorium in werking in die zin dat schuldeisers - de separatisten uitgezonderd -- geen verhaal meer kunnen zoeken voor vorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling ziet (gelegde beslagen vervallen zodra de uitspraak houdende de vaststelling van het saneringsplan in kracht van gewijsde is gegaan en een eventuele gijzeling van de belastingschuldige eindigt van rechtswege door de uitspraak tot de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling); +- geen verhaal meer kunnen zoeken voor vorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling ziet (gelegde beslagen vervallen met ingang van de dag waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken en een eventuele gijzeling van de belastingschuldige eindigt van rechtswege door de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling); - naast de bevoorrechte schuldeisers ontvangen ook de concurrente schuldeisers een uitkering. De artikelen 19a en 22a van de regeling, waarin bepalingen zijn opgenomen voor die situaties waarin een akkoord wordt aangeboden, strekken ertoe de doelstellingen van de WSNP, namelijk het zoveel mogelijk treffen van buitengerechtelijke akkoorden, ook voor de Belastingdienst te laten gelden. De bepalingen in artikel 19a zien op natuurlijke personen die geen bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen. Die in artikel 22a op natuurlijke personen die wel een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen. De bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het ontslag van de betalingsverplichting van een aansprakelijk gestelde. Opgemerkt wordt dat als omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord kan worden getoetst aan het terzake geldende beleid ingevolge artikel 19a of artikel 22a van de regeling, als de schuldenaar daarom uitdrukkelijk verzoekt. Verwezen wordt in dit verband naar hoofdstuk XI, § 5, eerste lid, van deze leidraad. @@ -2036,33 +2048,42 @@ Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de wettelijke s Boedelschuldeisers -Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan gedurende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling worden in beginsel aangemerkt als boedelschulden. De wettelijke schuldsaneringsregeling werkt niet ten aanzien van de vorderingen van de boedelschuldeisers. Boedelschuldeisers moeten uit de boedel worden betaald. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de bewindvoerder worden voldaan. Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de bewindvoerder om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval is beslag op en uitwinning van tot de boedel behorende goederen mogelijk. De boedelschuldeisers die niet uit de boedel voldaan kunnen worden, behouden na afloop van de toepassing van de regeling een volledig afdwingbare vordering op de schuldenaar. De ontvanger kan tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling in het kader van de invordering van boedelschulden niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen. +Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan gedurende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vormen in de praktijk veelal boedelschulden. De wettelijke schuldsaneringsregeling werkt niet ten aanzien van de vorderingen van de boedelschuldeisers. Boedelschuldeisers moeten uit de boedel worden betaald. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de bewindvoerder worden voldaan. Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de bewindvoerder om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval is beslag op en uitwinning van tot de boedel behorende goederen mogelijk. De boedelschuldeisers die niet uit de boedel voldaan kunnen worden, behouden na afloop van de toepassing van de regeling een volledig afdwingbare vordering op de schuldenaar. De ontvanger kan tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling in het kader van de invordering van boedelschulden niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen. + +Kwijtschelding + +Als belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van na de toepassing van de WSNP opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling. De schuldsaneringsregelingen van de Belastingdienst voor particulieren en ex-ondernemers (artikel 26, § 3 van deze leidraad) en ondernemers (de artikelen 20 t/m 22 van de regeling juncto artikel 26, § 4 van deze leidraad) blijven van kracht voor die gevallen waarin een (buiten)gerechtelijk akkoord op grond van artikel 19a of artikel 22a van de regeling dan wel toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet mogelijk is. Te denken valt in dit verband aan de situatie waarin een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen (artikel 288 FW, zie hierna). De schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst voor ondernemers blijft overigens in ieder geval van toepassing op ondernemers/niet-natuurlijke personen (B.V.'s, maar ook eenmans-B.V.'s.). -De ontvanger zal alleen tot een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling toetreden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (zie hierna). Bij het toetreden tot een buitengerechtelijk akkoord zal de ontvanger er zich eerst van moeten vergewissen of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel 288 FW, welk artikel de weigeringsgronden voor de rechter bevat ten aanzien van een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Deze zijn: +De ontvanger zal alleen tot een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling toetreden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (zie hierna). Bij het toetreden tot een buitengerechtelijk akkoord zal de ontvanger er zich eerst van moeten vergewissen of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel 288 FW, dat dwingend voorschrijft welke toelatingsvereisten en afwijzingsgronden gelden voor de rechter met betrekking tot een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. -imperatieve afwijzingsgronden +Een schuldenaar wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling: + +a. als aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met betalen van zijn schulden. +b. Als aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest. De hier bedoelde ‘goede trouw’ houdt niet direct verband met artikel 3:11 BW of met de redelijkheid en billijkheid, maar moet vooral gezien worden als een gedragsmaatstaf. Omstandigheden die kunnen worden meegewogen zijn de aard (bijvoorbeeld fraudeschulden) en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, de inspanningen die de schuldenaar heeft gedaan om tot betaling te komen, het frustreren van verhaalsacties en de vraag of en wanneer eerder een faillissement of wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. +c. Als aannemelijk is dat de schuldenaar zijn verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De schuldenaar zal globaal moeten aangeven hoe en wat hij denkt te kunnen verdienen, besparen, sparen en aflossen. Bovendien zal hij aandacht moeten besteden aan de vraag hoe hij specifieke problemen het hoofd denkt te bieden. Bij deze toelatingseis komt ook door de schuldenaar in het verleden getoonde betalingsgedrag aan de orde. Een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wanneer: -- de schuldenaar in staat geacht wordt te kunnen voortgaan met betalen; -- er gegronde vrees is dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de regeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Dit kan worden getoetst aan het door de schuldenaar in het verleden getoonde betalingsgedrag. Heeft de schuldenaar getracht goederen aan het verhaal van zijn schuldeisers te onttrekken (door verbergen of vervreemden) of voortdurend getracht zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, dan zou deze afwijzingsgrond aan de orde kunnen zijn; -- de wettelijke schuldsaneringsregeling al op de schuldenaar van toepassing is. Dit is denkbaar wanneer de schuldenaar tijdens de (eerste) wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden maakt waarop die schuldsaneringsregeling niet van toepassing is. +a. de wettelijke schuldsaneringsregeling al op de schuldenaar van toepassing is. Dit is denkbaar wanneer de schuldenaar tijdens de (eerste) wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden maakt waarop die schuldsaneringsregeling niet van toepassing is. +b. De poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet. -facultatieve afwijzingsgronden +Deze afwijzingsgrond blijft overigens buiten toepassing bij de beoordeling door de ontvanger van een akkoord in het kader van een minnelijke schuldsaneringsregeling. +c. Er schulden uit misdrijf zijn als bedoeld in artikel 358, lid 4, FW die niet langer dan vijf jaar vóór indiening van het verzoekschrift zijn opgelegd. +d. In de tien jaar voorafgaande aan het verzoekschrift de wettelijke schuldsaneringsregeling op de schuldenaar van toepassing is geweest. Hierop zijn twee uitzonderingen voor het geval de schuldsaneringsregeling eerder voortijdig is beëindigd: -Een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen wanneer: +– omdat de schuldenaar tijdens de regeling al zijn schulden heeft afgelost dan wel in staat bleek zijn betalingen te hervatten; +– vanwege het ontstaan van bovenmatige schulden zonder dat dit aan de schuldenaar is toe te rekenen. -- de schuldenaar binnen tien jaar voorafgaand aan de dag waarop een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend in staat van faillissement heeft verkeerd of wanneer na 1 december 1998 binnen tien jaar voorafgaand aan de dag waarop een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is geweest; -- aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. De hier bedoelde "goede trouw" houdt niet direct verband met artikel 3:11 BW of met de redelijkheid en billijkheid, maar is meer een gedragsmaatstaf. Omstandigheden die kunnen worden meegewogen zijn de aard (bijvoorbeeld fraudeschulden) en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, de inspanningen die de schuldenaar heeft gedaan om tot betaling te komen, het frustreren van verhaalsacties en de vraag of en wanneer eerder een faillissement of wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. De ontvanger zal in een concreet geval aan de hand van deze gronden moeten beoordelen wat de rechter in die situatie zou besluiten: wel of geen wettelijke schuldsaneringsregeling. De inlichtingenverplichtingen van hoofdstuk VII van de wet kunnen de ontvanger daarbij helpen. +Ondanks het ontbreken van goede trouw en van het hebben van schulden uit misdrijven kan de schuldenaar toch worden toegelaten tot de WSNP als hij de omstandigheden onder controle heeft gekregen die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden (artikel 288 lid 3 FW). Dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar die omstandigheden onder controle heeft gekregen, zal moeten blijken uit de door de schuldenaar getroffen maatregelen. -Een "vertaling" van artikel 288 FW levert de volgende checklist op (niet limitatief): +De ontvanger zal in een concreet geval aan de hand van bovengenoemde gronden moeten beoordelen wat de rechter in die situatie zou besluiten: wel of geen wettelijke schuldsaneringsregeling. De inlichtingenverplichtingen van hoofdstuk VII van de wet kunnen de ontvanger daarbij helpen. Een ‘vertaling’ van artikel 288 FW levert de volgende checklist op (niet limitatief): -- kan belastingschuldige doorgaan met betalen van schulden (er is voldoende geld/vermogen beschikbaar of komt op korte termijn beschikbaar; onderneming maakt nog winst; er zijn teruggaven te verwachten etc.) of is er sprake van een uitzichtloze situatie; -- is er gegronde vrees voor benadeling van de fiscus of niet behoorlijke nakoming van een te sluiten buitengerechtelijk akkoord (dit kan worden getoetst aan de hand van ervaringen ten aanzien van aangifte- en betalingsgedrag, strafrechtelijk verleden, vertrek naar het buitenland etc.); -- is de belastingschuldige in het verleden al failliet geweest of is de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing geweest; -- is aannemelijk dat de belastingschuldige niet te goeder trouw is geweest (bijvoorbeeld blijkend uit het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden/frustreren c.q. pogingen tot frustreren van verhaalsacties) en in hoeverre is er sprake van verwijtbaarheid dat het zover is gekomen (tijdstip en frequentie van aangaan van schulden, zijn er inspanningen geweest om schulden te verminderen). +– kan belastingschuldige doorgaan met betalen van schulden (er is voldoende geld/vermogen beschikbaar of komt op korte termijn beschikbaar; onderneming maakt nog winst; er zijn teruggaven te verwachten etc.) of is er sprake van een uitzichtloze situatie; +– is er gegronde vrees voor benadeling van de fiscus of niet behoorlijke nakoming van een te sluiten buitengerechtelijk akkoord (dit kan worden getoetst aan de hand van ervaringen ten aanzien van aan-gifte- en betalingsgedrag, strafrechtelijk verleden, vertrek naar het buitenland etc.); +– is de wettelijke schuldsaneringsregeling op belastingschuldige van toepassing geweest; +– is aannemelijk dat de belastingschuldige niet te goeder trouw is geweest (bijvoorbeeld blijkend uit het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden of het doen van pogingen tot frustreren van verhaalsacties) en in hoeverre is er sprake van verwijtbaarheid (tijdstip en frequentie van aangaan van schulden, zijn er inspanningen geweest om schulden te verminderen); relevant is ook de vraag of de belastingschuldige inmiddels de omstandigheden onder controle heeft die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. In artikel 19a van de regeling zijn met betrekking tot particulieren twee situaties geregeld waarin sprake is van een (buiten)gerechtelijk akkoord. De eerste situatie, uitgewerkt in het eerste lid, is die waarin, nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, toch nog een akkoord aan de schuldeisers wordt aangeboden. De tweede situatie, geregeld in het tweede lid, heeft betrekking op een akkoord dat wordt aangeboden in het geval dat er geen of nog geen sprake is van een door de rechter (al dan niet voorlopig) uit te spreken wettelijke schuldsaneringsregeling. Het gaat hierbij om de gevallen waarin, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, de belastingschuldige in een situatie verkeert waarin hij materieel in aanmerking komt voor de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Onder de in artikel 19a, tweede lid, van de regeling opgenomen zinsnede "afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten" dient tevens te worden begrepen de overlegging van de in artikel 285, eerste lid, onderdeel e, FW bedoelde verklaring die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar moet worden afgegeven omtrent de financiële positie van de schuldenaar. Mocht uit die verklaring blijken dat de belastingschuldige niet beschikt over enige aflossingsmogelijkheid dan heeft de rechter de bevoegdheid de wettelijke schuldsaneringsregeling zonder verificatievergadering na een jaar te beëindigen. Deze bepaling houdt dus in dat in dit soort gevallen de belastingschuldige na een jaar al een "schone lei" kan krijgen, zonder dat er enigerlei uitkering is gedaan. @@ -2072,11 +2093,11 @@ Bij de beoordeling van het (buiten)gerechtelijk akkoord moet allereerst worden v De inhoud van een akkoord, niet zijnde een dwangakkoord, wordt door de wilsovereenstemming tussen de onderhandelende partijen bepaald en kan van alles behelzen. Echter de ontvanger verleent uitsluitend zijn medewerking aan een dergelijk akkoord als aan de volgende voorwaarden is voldaan: -De ontvanger dient in het kader van een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als preferent schuldeiser op zijn vorderingen ten minste het dubbele percentage te ontvangen van hetgeen de concurrente schuldeisers op hun vorderingen krijgen uitgekeerd en het te ontvangen bedrag dient ten minste dezelfde omvang te hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt. Er moet een reële verwachting zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de fiscale verplichtingen na te komen die ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken (artikel 19a, eerste lid en artikel 22a, eerste lid, van de regeling), dan wel die ontstaan nadat een akkoord om een buitengerechtelijk akkoord te bewerkstelligen is aangeboden (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). De ontvanger mag niet worden achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers voor wat betreft de omvang van het te ontvangen percentage en het tempo van uitbetaling daarvan. De ontvanger dient er naar te streven dat in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord betaling ineens plaatsvindt. Wanneer echter in een uitzonderingssituatie betaling in termijnen is overeengekomen, dient de ontvanger zoveel als mogelijk is zekerheid te eisen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag. Opgemerkt wordt dat indien in het (buiten)gerechtelijk akkoord belastingschulden zullen worden begrepen waarvoor derden aansprakelijk zijn of kunnen worden gesteld, in de voorwaarden waaronder het (buiten)gerechtelijk akkoord wordt gesloten, dient te worden opgenomen dat de kwijtschelding pas zal worden geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer door de ontvanger kunnen worden verkregen. De ontvanger kan overigens van opneming van een zodanige voorwaarde afzien. In dat geval zal hij echter in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen, deze eventuele baten in het kader van de aansprakelijkheid tot uitdrukking moeten laten komen. +De ontvanger dient in het kader van een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als preferent schuldeiser op zijn vorderingen ten minste het dubbele percentage te ontvangen van hetgeen de concurrente schuldeisers op hun vorderingen krijgen uitgekeerd en het te ontvangen bedrag dient ten minste dezelfde omvang te hebben als kan worden verkregen indien de rechter de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart. Er moet een reële verwachting zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de fiscale verplichtingen na te komen die ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken (artikel 19a, eerste lid en artikel 22a, eerste lid, van de regeling), dan wel die ontstaan nadat een akkoord om een buitengerechtelijk akkoord te bewerkstelligen is aangeboden (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). De ontvanger mag niet worden achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers voor wat betreft de omvang van het te ontvangen percentage en het tempo van uitbetaling daarvan. De ontvanger dient er naar te streven dat in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord betaling ineens plaatsvindt. Wanneer echter in een uitzonderingssituatie betaling in termijnen is overeengekomen, dient de ontvanger zoveel als mogelijk is zekerheid te eisen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag. Opgemerkt wordt dat indien in het (buiten)gerechtelijk akkoord belastingschulden zullen worden begrepen waarvoor derden aansprakelijk zijn of kunnen worden gesteld, in de voorwaarden waaronder het (buiten)gerechtelijk akkoord wordt gesloten, dient te worden opgenomen dat de kwijtschelding pas zal worden geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer door de ontvanger kunnen worden verkregen. De ontvanger kan overigens van opneming van een zodanige voorwaarde afzien. In dat geval zal hij echter in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen, deze eventuele baten in het kader van de aansprakelijkheid tot uitdrukking moeten laten komen. -Gelet op de doelstellingen van de WSNP dient de ontvanger aan de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in artikel 19a, eerste en tweede lid en artikel 22a, eerste en tweede lid, van de regeling mee te werken indien hij naar redelijke verwachting daarmee hetzelfde resultaat kan boeken als het geval zou zijn indien de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou uitmonden in een door de rechter vastgesteld saneringsplan. In laatstbedoeld geval zou hij een tweemaal zo hoog percentage op zijn vorderingen uitgekeerd krijgen als aan de concurrente schuldeisers zou worden uitbetaald. Dit is dan ook één van de voorwaarden die de ontvanger stelt in het geval een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden. +Gelet op de doelstellingen van de WSNP dient de ontvanger aan de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in artikel 19a, eerste en tweede lid en artikel 22a, eerste en tweede lid, van de regeling mee te werken indien hij naar redelijke verwachting daarmee hetzelfde resultaat kan boeken als in het geval de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zou zijn verklaard. In laatstbedoeld geval zou hij een tweemaal zo hoog percentage op zijn vorderingen uitgekeerd krijgen als aan de concurrente schuldeisers zou worden uitbetaald. Dit is dan ook één van de voorwaarden die de ontvanger stelt in het geval een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden. -Een volgende voorwaarde voor toetreding tot een (buiten)gerechtelijk akkoord is dat het te ontvangen bedrag ten minste dezelfde omvang moet hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt. Deze voorwaarde kan met name van belang zijn in die situaties waarin sprake is van verpande zaken van de belastingschuldige waarop het bodemvoorrecht van de ontvanger (artikel 21, tweede lid, van de wet) van toepassing is. Indien de rechter een saneringsplan vaststelt, komt het bodemvoorrecht van de ontvanger tot uitdrukking in de omvang van het bedrag dat de ontvanger op zijn vorderingen krijgt uitgekeerd. Dit vloeit voort uit artikel 299, derde lid, FW dat de artikelen 57 tot en met 59 van die wet van overeenkomstige toepassing verklaart. Dat houdt in dat de bewindvoerder erop moet toezien dat de executie-opbrengst van verpande zaken in de boedel valt voorzover er sprake is van schuldeisers met vorderingen waaraan een hogere rang dan (stil) pand verbonden is. De systematiek van verdeling bij het doen van uitkeringen uit de boedel brengt overigens met zich mee dat - anders dan in geval van faillissement - deze opbrengst niet alleen aan de ontvanger maar ook aan de andere schuldeisers ten goede komt. Wanneer een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden is de kans echter groot dat - anders dan in het geval een saneringsplan wordt vastgesteld - het bodemvoorrecht niet tot uitdrukking komt in het bedrag dat de ontvanger wordt aangeboden. Immers, de pandhouder - separatist - neemt in principe niet deel aan een (buiten)gerechtelijk akkoord. Na de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord vindt kwijtschelding plaats van de bevoorrechte schuld voorzover deze niet is voldaan. Zou de pandhouder vervolgens tot executie overgaan van de verpande zaken dan zou de gehele opbrengst ten goede komen aan de pandhouder zonder dat de ontvanger nog enig recht op de opbrengst kan doen gelden. Door de eis te stellen dat het in een (buiten)gerechtelijk akkoord aan de ontvanger aangeboden bedrag ten minste van dezelfde omvang is als kan worden verkregen indien een saneringsplan wordt vastgesteld, wordt voorkomen dat de ontvanger door zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van het (buiten)gerechtelijk akkoord een geringere opbrengst ten deel zou vallen dan het geval zou zijn indien de wettelijke schuldsaneringsregeling zou worden afgewikkeld. Aangezien de ontvanger het recht behoudt om lopende de wettelijke schuldsaneringsregeling over te gaan tot beslaglegging en executie van bodemzaken ex artikel 22, derde lid, van de wet, zal hij, indien hij afziet van executie van de bodemzaken en deelneemt aan een (buiten)gerechtelijk akkoord, de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking laten komen in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen. Komt in het bedrag dat hij in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen niet het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uiting, dan stemt de ontvanger in beginsel niet in met een akkoord. +Een volgende voorwaarde voor toetreding tot een (buiten)gerechtelijk akkoord is dat het te ontvangen bedrag ten minste dezelfde omvang moet hebben als kan worden verkregen indien de rechter de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart. Deze voorwaarde kan met name van belang zijn in die situaties waarin sprake is van verpande zaken van de belastingschuldige waarop het bodemvoorrecht van de ontvanger (artikel 21, tweede lid, van de wet) van toepassing is. Indien de rechter de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart, komt het bodemvoorrecht van de ontvanger tot uitdrukking in de omvang van het bedrag dat de ontvanger op zijn vorderingen krijgt uitgekeerd. Dit vloeit voort uit artikel 299, derde lid, FW dat de artikelen 57 tot en met 59 van die wet van overeenkomstige toepassing verklaart. Dat houdt in dat de bewindvoerder erop moet toezien dat de executie-opbrengst van verpande zaken in de boedel valt voorzover er sprake is van schuldeisers met vorderingen waaraan een hogere rang dan (stil) pand verbonden is. De systematiek van verdeling bij het doen van uitkeringen uit de boedel brengt overigens met zich mee dat - anders dan in geval van faillissement - deze opbrengst niet alleen aan de ontvanger maar ook aan de andere schuldeisers ten goede komt. Wanneer een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden is de kans echter groot dat - anders dan in het geval de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard - het bodemvoorrecht niet tot uitdrukking komt in het bedrag dat de ontvanger wordt aangeboden. Immers, de pandhouder - separatist - neemt in principe niet deel aan een (buiten)gerechtelijk akkoord. Na de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord vindt kwijtschelding plaats van de bevoorrechte schuld voorzover deze niet is voldaan. Zou de pandhouder vervolgens tot executie overgaan van de verpande zaken dan zou de gehele opbrengst ten goede komen aan de pandhouder zonder dat de ontvanger nog enig recht op de opbrengst kan doen gelden. Door de eis te stellen dat het in een (buiten)gerechtelijk akkoord aan de ontvanger aangeboden bedrag ten minste van dezelfde omvang is als kan worden verkregen indien de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, wordt voorkomen dat de ontvanger door zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van het (buiten)gerechtelijk akkoord een geringere opbrengst ten deel zou vallen dan het geval zou zijn indien de wettelijke schuldsaneringsregeling zou worden afgewikkeld. Aangezien de ontvanger het recht behoudt om lopende de wettelijke schuldsaneringsregeling over te gaan tot beslaglegging en executie van bodemzaken ex artikel 22, derde lid, van de wet, zal hij, indien hij afziet van executie van de bodemzaken en deelneemt aan een (buiten)gerechtelijk akkoord, de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking laten komen in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen. Komt in het bedrag dat hij in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen niet het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uiting, dan stemt de ontvanger in beginsel niet in met een akkoord. Tevens een voorwaarde om toe te treden tot een (buiten)gerechtelijk akkoord is dat er reële vooruitzichten dienen te zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de lopende verplichtingen tijdig na te komen. Het gaat in casu dan om (materiële) belastingschuld ontstaan na de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel ontstaan na de aanbieding van een akkoord ter bewerkstelliging van een buitengerechtelijk akkoord. In tegenstelling tot de wettelijke schuldsaneringsregeling komt bij het (buiten)gerechtelijk akkoord de liquidatie van het ondernemingsvermogen niet aan de orde. Na de totstandkoming van het (buiten)gerechtelijke akkoord moet de onderneming echter weer voldoende levensvatbaar zijn. Wanneer is te voorzien dat de belastingschuldige de lopende verplichtingen niet zal kunnen nakomen, kan ook worden getwijfeld aan de levensvatbaarheid van het bedrijf. De ontvanger zal in dat geval niet zijn medewerking aan een (buiten)gerechtelijk akkoord verlenen. @@ -2256,8 +2277,6 @@ Wanneer een belastingschuldige geen administratief beroep instelt tegen de afwij Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht. -De directeur beslist binnen acht weken na ontvangst van het beroepschrift met dien verstande dat de termijn die belastingschuldige nodig heeft om het beroepschrift aan te vullen de beslistermijn opschort. De directeur kan daarnaast de beslistermijn verlengen met ten hoogste vier weken. - Bij de beoordeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding wordt uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld in het eerste verzoek en van de normen die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Als bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige zodanig is gedaald dat de bij het eerste verzoek berekende betalingscapaciteit over de periode van twaalf maanden - te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend - in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening van de betalingscapaciteit plaats. Daarbij wordt het inkomen in aanmerking genomen dat wordt genoten over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening van de betalingscapaciteit vindt niet plaats als in de periode van twaalf maanden wijzigingen in de betalingscapaciteit optreden ten gevolge van wijzigingen in bijvoorbeeld de huur of de normen van de kosten van levensonderhoud. Wanneer een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet eerder voortgezet dan nadat 10 dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Wordt binnen de termijn van 10 dagen een beroepschrift ingediend dan wordt gedurende de behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Indiening van het beroepschrift na de termijn van 10 dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat, als het belang van de invordering zich daartegen niet verzet, van de directeur mag worden verwacht dat hij alsnog ambtshalve de in het beroepschrift aangedragen grieven op hun merites beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Wanneer het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hiervan is echter in ieder geval sprake wanneer inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen. @@ -2270,7 +2289,7 @@ Wanneer een belastingschuldige de ontvanger verzoekt om kwijtschelding van zijn De ontvanger kan ook besluiten de belastingschuldige niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel als dit minder, is de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. Deze verrekeningsvoorwaarde wordt uitdrukkelijk in de beschikking van de ontvanger opgenomen. -Als de ontvanger besluit de belastingschuldige voorshands niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld zal hij voorwaarden stellen. Wanneer de belastingschuldige die voorwaarden niet nakomt, kan de ontvanger zijn eerdere toezegging bij beschikking intrekken. +Als de ontvanger besluit de belastingschuldige voorshands niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld zal hij voorwaarden stellen. Wanneer de belastingschuldige die voorwaarden niet nakomt, kan de ontvanger zijn eerdere toezegging bij beschikking intrekken. De ontvanger gaat hier pas toe over nadat hij belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de toezegging in te trekken als niet binnen 14 dagen alsnog aan de voorwaarden wordt voldaan. Anders dan kwijtschelding is een toezegging onder voorwaarden herroepelijk. De meest voorkomende voorwaarden/situaties waarin de ontvanger besluit tot niet verder bemoeilijken, zijn: @@ -2388,8 +2407,6 @@ Als de vermindering van een belastingaanslag tevens een gevolg is van het feit d Als een nog openstaande belastingaanslag wordt verminderd op één van de gronden als genoemd in artikel 28, zesde lid, van de wet, blijft invorderingsrente verschuldigd over het voor de vermindering openstaande bedrag, omdat bij deze verminderingen de laatste zinsnede van het eerste lid van artikel 28 van de wet niet van toepassing is (zie voorbeeld 3 in bijlage VB bij deze leidraad). De rente wordt berekend over de periode vanaf de eerste dag na de laatste vervaldag tot en met de dag van dagtekening van de verminderingsbeschikking. Als deze rente niet wordt betaald, kan hiervoor de invordering worden opgestart. -Als gevolg van het vervallen van het drempeltijdvak per 1 juli 1997 bestaat geen behoefte meer aan de specifieke bepalingen van artikel 28, zesde lid, onderdelen b, c en d, van de wet. Dit heeft tot gevolg dat bij een vermindering van een belastingaanslag - over het jaar 1997 of later - in verband met het feit dat zich één van de situaties voordoet als bedoeld in artikel 28, zesde lid, onderdelen b, c of d, van de wet vergoeding van invorderingsrente plaatsvindt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 28, vierde lid, van de wet. - ### Artikel 29 In artikel 29 van de wet is de hoogte van het percentage van de invorderingsrente geregeld. Peildata voor de vaststelling van het rentepercentage zijn 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november van ieder jaar. Daadwerkelijke wijziging van het percentage kan plaatsvinden per 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober. Het rentepercentage dat geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut is gelijk aan dat van de wettelijke rente. Het percentage van de wettelijke rente kan per 1 januari en per 1 juli worden gewijzigd. @@ -2580,7 +2597,7 @@ Om het de inlener mogelijk te maken zich een beeld te vormen van het betalingsge Op grond van artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 is de werkgever verplicht om op het tijdstip waarop het loon aan de werknemer wordt uitbetaald de verschuldigde loonbelasting in te houden. De aansprakelijkheid voor de loonbelasting van de inlener ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Ten tijde van de aansprakelijkstelling dient te worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid - zoals ontstaan ten tijde van de wettlelijke inhoudingsplicht - nog verschuldigd is. Daartoe wordt het bedrag van de (primaire) aansprakelijkheid verminderd met de betalingen door de werkgever/uitlener (op aangifte en/of op naheffingsaanslag), voorzover deze betalingen althans toegerekend kunnen worden aan de werknemer die de werkzaamheden heeft verricht. De toerekening van betalingen aan de "werknemer" kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de werkgever/uitlener en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen met betrekking tot de verschillende aangiftetijdvakken. Als afdrachten/betalingen ten tijde van de aansprakelijkstelling rederlijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werknemers, vindt een evenredige toedeling daarvan plaats aan alle werknemers die gedurende het heffingstijdvak in dienst zijn geweest van de uitlener. Het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid - pro resto - bestaat, wordt verkregen door het bedrag van de primaire aansprakelijkheid te verminderen met de aan de werknemer toe te rekenen afdrachten en/of betalingen. -De inlener die zich niet met vrucht op disculpatie kan beroepen is in beginsel ten volle aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is in verband met het verrichten van de werkzaamheden door de werknemer van de uitlener, ook als deze loonbelasting berekend is met toepassing van het anoniementarief. Een matiging van de primaire aansprakelijkheid dient evenwel te worden verleend als de inlener op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van de werkzaamheden - kan worden geïndividualiseerd. De inlener kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam, adres, woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het sofi-nummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase en geschiedt aan de hand van de volgende herrekeningsregels. Het terzake van de werkzaamheden betaalde loon van de werknemer wordt gebruteerd met gebruikmaking van een marginaal percentage, welk percentage wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de "geknipte" tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA bij deze leidraad. De belasting terzake van de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat en noch de positie van de inhoudingsplichtige noch die van andere voor de naheffingsaanslag aansprakelijken regardeert, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad. +De inlener die zich niet met vrucht op disculpatie kan beroepen is in beginsel ten volle aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is in verband met het verrichten van de werkzaamheden door de werknemer van de uitlener, ook als deze loonbelasting berekend is met toepassing van het anoniementarief. Een matiging van de primaire aansprakelijkheid dient evenwel te worden verleend als de inlener op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van de werkzaamheden - kan worden geïndividualiseerd. De inlener kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam, adres, woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het BSN/sofinummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase en geschiedt aan de hand van de volgende herrekeningsregels. Het terzake van de werkzaamheden betaalde loon van de werknemer wordt gebruteerd met gebruikmaking van een marginaal percentage, welk percentage wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de "geknipte" tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA bij deze leidraad. De belasting terzake van de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat en noch de positie van de inhoudingsplichtige noch die van andere voor de naheffingsaanslag aansprakelijken regardeert, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad. Deze "tariefmatiging", die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag, vindt niet plaats en beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft mitsdien achterwege als de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener met anoniem (zwart) personeel werkte. @@ -2775,7 +2792,7 @@ De volgende omstandigheden kunnen worden genoemd waarin een beroep op niet-verwi Ingeval de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan zijn werkgever heeft verstrekt dan wel de identiteit van de werknemer niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, en ingeval de werknemer terzake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de werkgever (inhoudingsplichtige) dit weet of redelijkerwijs moet weten, bedraagt de belasting op grond van het bepaalde in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 52% van het loon (anoniementarief). De aannemer is voor de met toepassing van het anoniementarief berekende en door zijn onderaannemer terzake van het werk verschuldigde loonbelasting aansprakelijk. -Een matiging is echter op zijn plaats als de aansprakelijke aannemer op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van het werk - kan worden geïndividualiseerd. De aannemer kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam-, adres- en woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het sofi-nummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. +Een matiging is echter op zijn plaats als de aansprakelijke aannemer op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van het werk - kan worden geïndividualiseerd. De aannemer kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam-, adres- en woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het BSN/sofinummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. In het laatste geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende aannemer verlagen aan de hand van de hierna gegeven herrekeningsregels. Deze matiging van de hoogte van de aansprakelijkheid kan plaatsvinden hetzij ten tijde van de aansprakelijkstelling hetzij naar aanleiding van een tegen de aansprakelijkstelling ingediend bezwaarschrift als bedoeld in artikel 49, derde lid, van de wet en is overigens niet van invloed op de hoogte en de verschuldigdheid van de naheffingsaanslag zelf. De herrekening vindt plaats door het loon terzake van het werk te bruteren tegen een marginaal percentage dat wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de "geknipte" tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA. De belasting terzake van het werk waarvoor de aansprakelijkheid bestaat wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende aannemer zelf aangaat en noch de positie van de inhoudingsplichtige noch die van andere voor de naheffingsaanslag aansprakelijken regardeert, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35, § 11, eerste lid, en dus niet in de berekening als bedoeld in artikel 35, § 3, eerste lid, van deze leidraad. Deze "tariefmatiging" vindt niet plaats en beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft mitsdien achterwege als de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer met anoniem (zwart) personeel werkte. @@ -3227,6 +3244,12 @@ Aan de tweede eis waaraan de bestuurder moet voldoen is in elk geval niet voldaa De bestuurders zijn niet op grond van artikel 36 van de wet aansprakelijk op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid voor de onbetaald gebleven vennootschapsbelasting van het lichaam die verschuldigd is uit anderen hoofde dan de heffing op grond van artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Eén en ander laat onverlet de aansprakelijkheid uit enige andere wettelijke bepaling. +### Artikel 36b + +Artikel 36b van de wet voorziet in een aansprakelijkheid voor de bestuurder van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, voor de onbetaald gebleven aansprakelijkheidsschuld van dat lichaam. Onder aansprakelijkheidsschuld moet worden verstaan: loon- of omzetbelasting waarvoor een lichaam bij beschikking als bedoeld in artikel 49, lid 1, van de wet, aansprakelijk is gesteld. + +Als de ontvanger bestuurders van verschillende vennootschappen die deel uitmaken van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting aansprakelijk kan stellen op grond van artikel 36b van de wet en het de ontvanger bekend is bij welk onderdeel van de fiscale eenheid de materiële omzetbelastingschuld is ontstaan, zal hij als eerste de bestuurder van dat onderdeel aansprakelijk stellen. Dat betekent dat bestuurders van andere onderdelen van de fiscale eenheid pas aansprakelijk kunnen worden gesteld indien de invordering ten laste van de in de vorige volzin bedoelde bestuurder onvoldoende soelaas biedt. + ### Artikel 37 De ratio van het eerste lid van dit artikel is gelegen in de veelal voorkomende nauwe relatie tussen de in dit artikel genoemde personen en lichamen en de in het buitenland wonende of gevestigde belastingschuldige c.q. aansprakelijke, op grond waarvan ervan mag worden uitgegaan dat zij invloed (hadden) kunnen uitoefenen op de betaling van de belastingschulden. Artikel 37, tweede lid, strekt ertoe bij sportbeoefening tegen beloning door buitenlanders of bij optredens van niet in Nederland wonende artiesten en buitenlandse gezelschappen de betaling van de dientengevolge verschuldigde loonbelasting zoveel als mogelijk is zeker te stellen. @@ -3386,6 +3409,12 @@ Als een onderdeel van de fiscale eenheid met een beroep op het bepaalde in artik De hoofdelijke aansprakelijkheid van de onderdelen van de fiscale eenheid (zie het eerste lid van deze paragraaf) geldt niet voor de omzetbelastingschuld die materieel is ontstaan voor 1 januari 1989. Voor deze tijdvakken geldt dat de ondernemingen die deel uitmaken van een fiscale eenheid slechts aansprakelijk zijn voor de omzetbelastingschuld ten name van de fiscale eenheid die bij hen materieel is ontstaan. +### Artikel 43a + +Artikel 43a van de wet creëert voor de verpakkingenbelasting een risicoaansprakelijkheid voor ondernemers die deel uitmaken van een concern als bedoeld in artikel 36s, onderdeel g, van de Wbm. Betreft het concern een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, dan zijn alle delen van de fiscale eenheid hoofdelijk aansprakelijk voor de verpakkingenbelastingschuld van het concern en kan deze schuld op ieder van hen worden verhaald. Betreft het concern echter een franchiseverband of een vrijwillig filiaalbedrijf (als bedoeld in dat onderdeel g), dan is slechts sprake van een partiële aansprakelijkheid: een producent of een importeur (als bedoeld in artikel 36s, onderdeel e onderscheidenlijk f) – of een producent tevens importeur – die een onderdeel vormt van het concern, is slechts aansprakelijk voor het gedeelte van de verpakkingenbelastingschuld van het concern dat aan hem kan worden toegerekend. + +Doordat artikel 43, tweede lid, van de wet ook van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, kan de ontvanger een vermindering of teruggaaf verpakkingenbelasting bevrijdend voldoen aan één van de ondernemers die deel uitmaken van het concern. + ### Artikel 44 De in artikel 44 van de wet opgenomen aansprakelijkheidsbepaling ziet op de gevallen waarin met toepassing van artikel 2.15 en artikel 2.17, tweede tot en met zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 inkomensbestanddelen van een derde zijn toegerekend aan de belastingschuldige. @@ -3627,9 +3656,11 @@ Als de ontvanger een derde aansprakelijk stelt op grond van de artikelen 34, 35, - de in aanmerking te nemen vrijwarende betalingen van de inlener/aannemer (rechtstreekse stortingen en/of betalingen via de g-rekening); - voorzover de aansprakelijkstelling de koper van reeds vervaardigde kleding betreft, wordt gemotiveerd aangegeven waarom geen beroep op de disculpatiemogelijkheid kan worden gedaan. -Op grond van het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de wet dient de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Derhalve kan aan de aansprakelijkgestelde alle informatie worden verstrekt die de ontvanger bij bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie zou moeten overleggen. Een dergelijke informatieplicht bestaat niet met betrekking tot gegevens die geen rechtstreeks verband houden met de belasting. Gegevens en/of bescheiden met betrekking tot de aansprakelijkheid zelf, de berekening van de omvang van de aansprakelijkheid, de g-rekening of de depotrekening van de belastingschuldige, andere belastingaanslagen van de belastingschuldige, diens (ex-)werknemers, overige aansprakelijke bestuurders, aannemers en andere derden, vallen in beginsel onder de verbodsbepaling van artikel 67 van de wet. +Op grond van het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de wet dient de ontvanger de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken dienen desgevraagd ook andere gegevens te worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep. -In verband echter met het motiveringsvereiste met betrekking tot beroep, hoger beroep en beroep in cassatie, zal de ontvanger in dat kader bepaalde gegevens en bescheiden moeten verstrekken. Deze gegevens en/of bescheiden kunnen desgevraagd aan de aansprakelijkgestelde worden verstrekt. +De gegevens worden, na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde, vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt. + +Hoewel artikel 49, vijfde lid, van de wet ziet op de gegevens met betrekking tot de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing mits deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als hiervoor genoemd hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen. Vervallen. @@ -3965,9 +3996,11 @@ Verwezen wordt in dit verband naar het Voorschrift fiscaal-strafrechtelijke bepa ### Artikel 67 -Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de Minister van Financiën van deze plicht ontheffing kan verlenen. In het Voorschrift Informatieverstrekking 1993 is van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. +In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift, als sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen of als de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Daarnaast kan de Minister van Financiën op grond van het derde lid ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen. -Ten aanzien van de vraag welke informatie aan een aansprakelijkgestelde kan worden verstrekt en welke informatie hem op grond van artikel 67, eerste lid, van de wet moet worden geweigerd, wordt verwezen naar artikel 49, § 2, zesde lid, van deze leidraad. +Als de belastingschuldige zelf verzoekt informatie te geven over de belastingschulden die hij heeft, zal de ontvanger die informatie ook kunnen verstrekken zonder de geheimhoudingsplicht te schenden. Ontheffing door de Minister is in dat geval niet nodig. + +Overigens kunnen er situaties zijn die het verstrekken van informatie op verzoek van de belastingschuldige zelf om andere reden onwenselijk maken (bijvoorbeeld in strafzaken). Verzoeken van derden die hetzij met een uitdrukkelijk beroep op de Wet Openbaarheid van bestuur (Wob), hetzij in combinatie met een verzoek om ontheffing van de geheimhoudingsplicht, feitelijke informatie verzoeken over de (onder andere fiscale) aangelegenheden van degene voor wiens belastingschulden zij aansprakelijk zijn gesteld, worden in beginsel afgewezen. @@ -4019,7 +4052,7 @@ In tegenstelling tot de vorige invorderingswet heeft deze wet een officiële cit Voor de beleidsuitgangspunten die door de fiscus worden gehanteerd waar het het aanvragen van het faillissement van belastingschuldigen betreft wordt verwezen naar artikel 3, § 3, van deze leidraad. -Uiterlijk binnen drie maanden na de definitieve van toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt de verificatie plaats. Uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan dat tijdstip dienen de vorderingen bij de bewindvoerder ter verificatie te zijn aangemeld. Het is zaak de vorderingen zo snel als mogelijk is ter verificatie aan te melden, waarbij de voorkeur uitgaat naar geformaliseerde belastingschulden. Ook nog niet geformaliseerde vorderingen kunnen worden gemeld, vergelijk artikel 133 FW +Uiterlijk binnen drie maanden na de van toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt de verificatie plaats. Uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan dat tijdstip dienen de vorderingen bij de bewindvoerder ter verificatie te zijn aangemeld. Het is zaak de vorderingen zo snel als mogelijk is ter verificatie aan te melden, waarbij de voorkeur uitgaat naar geformaliseerde belastingschulden. Ook nog niet geformaliseerde vorderingen kunnen worden gemeld, vergelijk artikel 133 FW Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven geacht worden van dag tot dag te ontstaan naarmate zich belastbare feiten voordoen. Opgemerkt wordt dat conserverende belastingschulden eveneens ter verificatie bij de bewindvoerder dienen te worden aangemeld. @@ -4037,7 +4070,7 @@ Schuldvorderingen waarvoor zekerheid is gesteld worden op de gewone wijze onder Gedurende het faillissement worden geen vorderingen gedaan onder schuldenaren van de gefailleerde. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de invordering van belastingaanslagen die onder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen. -Over het algemeen zijn belastingschulden die materieel na de uitspraak van het faillissement zijn ontstaan boedelschulden. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan. +Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan na de uitspraak van het faillissement vormen in de praktijk veelal boedelschulden. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan. Als de totale boedelschulden niet integraal kunnen worden voldaan dient de ontvanger er op toe te zien dat de boedelschulden met inachtneming van de toegekende preferenties worden gerangschikt. Het salaris van de curator is bevoorrecht boven de belastingschulden. @@ -4198,7 +4231,7 @@ Met betrekking tot de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het g Kwijtschelding is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. Evenzo zal in die gevallen ook geen toezegging worden gedaan dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd. Het vorenstaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend c.q. kosten buiten invordering worden gelaten wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden c.q. buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad. -Indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en die betekeningskosten in totaal alsdan meer zouden bedragen dan € 10.151 zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 10.151. +Indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en die betekeningskosten in totaal alsdan meer zouden bedragen dan € 10.283 zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 10.283. ### Artikel XIII @@ -4522,7 +4555,7 @@ Het door het ministerie gevoerde beleid is er op gericht om slechts in bijzonder Hoofdstuk 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bevat de procedureregels die gelden voor inkomensafhankelijke regelingen die door Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd. -De inkomensafhankelijke regelingen die door Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd zijn: de Wet op de huurtoeslag, de Wet op de zorgtoeslag en de Wet kinderopvangtoeslag. In dit hoofdstuk van de Leidraad zal, gemakshalve, steeds gebruik worden gemaakt van de term ‘toeslag’ daar waar de Awir in algemene termen spreekt van een ‘tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling’. Daarnaast wordt de term ‘toeslagenschuld’ gehanteerd ter aanduiding van de betalingsverplichting die belanghebbende heeft jegens Belastingdienst/Toeslagen op grond van een terugvorderingsbeschikking. +De inkomensafhankelijke regelingen die door Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd zijn: de Wet op het kindgebonden budget, de Wet op de zorgtoeslag en de Wet kinderopvangtoeslag. In dit hoofdstuk van de Leidraad zal, gemakshalve, steeds gebruik worden gemaakt van de term ‘toeslag’ daar waar de Awir in algemene termen spreekt van een ‘tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling’. Daarnaast wordt de term ‘toeslagenschuld’ gehanteerd ter aanduiding van de betalingsverplichting die belanghebbende heeft jegens Belastingdienst/Toeslagen op grond van een terugvorderingsbeschikking. Paragraaf 3 van hoofdstuk 2 Awir heeft betrekking op de wijze van uitbetaling en terugvordering van een toeslag en omschrijft tevens de bevoegdheden die Belastingdienst/Toeslagen heeft om een teruggevorderde toeslag in te vorderen. Behalve de invorderingsbevoegdheden die Belastingdienst/Toeslagen heeft op grond van de Awir kan Belastingdienst/Toeslagen ook gebruik maken van de bevoegdheden die het civiele recht een schuldeiser biedt. @@ -4665,17 +4698,23 @@ In de uitoefening van invorderingstaken door Belastingdienst/Toeslagen kan de St Vervallen. -## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 juli 2007 +## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 januari 2008 + +Gehuwden + +Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de Wwb bedraagt de beslagvrije voet per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met: + +Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, bedraagt de beslagvrije voet de som van 90% van de bijstandsnorm die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden. ## Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering -Partnertoeslag per maand € 529,03 +Partnertoeslag per maand € 535,11 -Eenoudertoeslag per maand € 423,34 +Eenoudertoeslag per maand € 428,21 -Partnertoeslag per maand € 529,03 +Partnertoeslag per maand € 535,11 -Eenoudertoeslag per maand € 423,34 +Eenoudertoeslag per maand € 428,21. ## Bijlage 1c. Overzicht normen huurtoeslag