diff --git a/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md b/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md index 163b1a48608..ef2bb81ca93 100644 --- a/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md +++ b/wet/wet-op-de-dividendbelasting-1965/BWBR0002515/README.md @@ -103,13 +103,13 @@ Voor de toepassing van het vierde lid: Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 die wordt uitgedeeld aan een in een andere lid-staat van de Europese Unie gevestigd lichaam, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1°. de inhoudingsplichtige en het ontvangende lichaam hebben één van de in de bijlage bij de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (*PbEG* L 225), opgenomen rechtsvormen; -2°. het ontvangende lichaam (moedermaatschappij) is op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld reeds gedurende een ononderbroken periode van één jaar voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de inhoudingsplichtige (dochtermaatschappij); +2°. het ontvangende lichaam (moedermaatschappij) is op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld reeds gedurende een ononderbroken periode van één jaar voor ten minste 20 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de inhoudingsplichtige (dochtermaatschappij); 3°. de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij zijn in de lid-staat van vestiging zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel *c,* van de richtlijn; 4°. de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij worden in de lid-staat van vestiging niet geacht volgens een met een derde Staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lid-staten van de Europese Unie te zijn gevestigd; tenzij op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opgenomen in een door Nederland met de lid-staat van vestiging van de moedermaatschappij gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, de moedermaatschappij geen aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing op dividenden. -**2.** Indien de moedermaatschappij is gevestigd in een lid-staat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten in de vennootschap die de dividenden uitdeelt, geldt in afwijking in zoverre van het eerste lid, als voorwaarde dat die moedermaatschappij in het bezit is van ten minste 25 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige. +**2.** Indien de moedermaatschappij is gevestigd in een lid-staat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten in de vennootschap die de dividenden uitdeelt, geldt in afwijking in zoverre van het eerste lid, als voorwaarde dat die moedermaatschappij in het bezit is van ten minste 20 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige. **3.** @@ -126,9 +126,9 @@ Inhouding van belasting blijft mede achterwege indien de moedermaatschappij, in **2.** Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in artikel 4*a*, vierde lid, wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard. -**3.** Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 25 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 25 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald. +**3.** Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 20 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 20 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 20 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald. -**4.** De zekerheid wordt opgeheven indien de moedermaatschappij één jaar na het in het derde lid bedoelde tijdstip nog steeds voor ten minste 25 percent aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel nog steeds ten minste 25 percent van de stemrechten in die maatschappij bezit. +**4.** De zekerheid wordt opgeheven indien de moedermaatschappij één jaar na het in het derde lid bedoelde tijdstip nog steeds voor ten minste 20 percent aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel nog steeds ten minste 20 percent van de stemrechten in die maatschappij bezit. **5.** De aan het stellen en het opheffen van de zekerheid verbonden kosten komen ten laste van de dochtermaatschappij.