2021-01-01 | BWBR0025028 | Mediawet 2008

This commit is contained in:
Coornhert 2021-01-01 12:00:00 +00:00
parent 9f17198dc2
commit fbf759ece8

View file

@ -298,6 +298,10 @@ e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van e
**2.** De verdere werkwijze van de raad van toezicht en de raad van bestuur wordt geregeld in de statuten en reglementen van de NPO.
### Artikel 2.11a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 2.12
**1.** Het college van omroepen adviseert de raad van toezicht en de raad van bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over het beleid inzake het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.
@ -318,6 +322,10 @@ e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van e
**3.** Als uit de mening blijkt dat het college niet instemt met een voorgenomen overeenkomst of een voorgenomen besluit dan wel belangrijke onderdelen daarvan en de raad van bestuur wenst zijn voornemen ongewijzigd te handhaven, legt de raad van bestuur de voorgenomen overeenkomst of het vastgestelde besluit samen met de mening ter instemming voor aan de raad van toezicht.
### Artikel 2.14a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
##### Paragraaf 2.2.1.3. Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, bestuursverslag en statuten
### Artikel 2.15
@ -450,8 +458,8 @@ a. 1°. die in de voorafgaande erkenningperiode een erkenning had;
2°. die is gevormd uit omroepverenigingen die in de voorafgaande periode een erkenning hadden;
3°. die is gevormd uit alle omroepverenigingen die waren vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep die in de voorafgaande periode een erkenning had; of
4°. die is gevormd uit omroepverenigingen als bedoeld onder 2° en 3°;
b. 1°. die voor zover het een omroepvereniging betreft, ten minste 150.000 leden heeft; of
2°. waarvan voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, samen ten minste 150.000 leden hebben en afzonderlijk niet minder dan 50.000 leden;
b. 1°. die voor zover het een omroepvereniging betreft, ten minste 100.000 leden heeft; of
2°. waarvan voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, samen ten minste 100.000 leden hebben en afzonderlijk niet minder dan 50.000 leden;
c. die op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin die erkenning ingaat, een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, eerste lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is en voor zover het een samenwerkingsomroep betreft, ook elke omroepvereniging die hij vertegenwoordigt, op die datum een reserve als bedoeld in artikel 2.174a, tweede lid, heeft waarvan het saldo nihil of positief is; en
d. die de beschikbaarheid van het media-aanbod op de aanbodkanalen, bedoeld in artikel 2.55, derde lid, heeft zeker gesteld en voldoet aan de artikelen 2.142a en 2.178, eerste, tweede en derde lid.
@ -464,7 +472,7 @@ In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan ook in aanmerking komen voor e
a. een of meer omroepverenigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; en
b. een of meer omroepverenigingen die in de voorafgaande erkenningperiode een voorlopige erkenning hadden, waarbij voor elk van deze omroepverenigingen geldt dat:
1°. die omroepvereniging ten minste 150.000 leden heeft; en
1°. die omroepvereniging ten minste 50.000 leden heeft; en
2°. van die omroepvereniging niet tijdens de periode van de voorlopige erkenning onvoldoende is gebleken dat het media-aanbod voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel d.
### Artikel 2.26
@ -519,7 +527,7 @@ Vervallen
Het beleidsplan is afgestemd op het concessiebeleidsplan voor dezelfde periode en bevat in elk geval:
a. het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst;
a. het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod, met in achtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen voor het media-aanbod van de landelijk publieke mediadienst, waarbij wordt aangegeven waaruit binding in de samenleving met de missie en identiteit van de omroeporganisatie blijkt anders dan uit het ledenaantal;
b. de voornemens en afspraken over samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst met andere aanvragers van een erkenning of een voorlopige erkenning, de NPO, de NOS of de NTR; en
c. voor zover het betreft het beleidsplan van een aanvrager van een voorlopige erkenning, de voornemens en afspraken over de wijze waarop zijn verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 2.88, eerste lid, in de samenwerking met de NTR of een omroeporganisatie, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, is gewaarborgd.
@ -891,11 +899,11 @@ d. de wijze waarop de raad van bestuur het tot stand komen van afspraken als bed
**1.**
De NPO stuurt jaarlijks vóór 1 mei aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:
De NPO stuurt jaarlijks vóór 1 juni aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:
a. een beschrijving van de wijze waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen op de verschillende aanbodkanalen uitvoering is gegeven aan de publieke mediaopdracht;
b. de samenstelling van het media-aanbod van de publieke mediadienst op de programmakanalen en voor zover mogelijk op de overige aanbodkanalen, waaronder de uren die besteed zijn aan media-aanbod op de terreinen genoemd in artikel 2.1, eerste lid;
c. een rapportage over de realisering van de doelstellingen van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22;
c. een rapportage over de realisering van de doelstellingen van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, en een verantwoording over de doelmatigheid en doeltreffendheid van die realisering;
d. de naleving van de artikelen 2.115 tot en met 2.123;
e. de naleving van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; en
f. de maatregelen die de NPO treft om de toegankelijkheid van het audiovisueel media-aanbod voor personen met een handicap verder te ontwikkelen.
@ -1883,7 +1891,7 @@ c. de leden van het toezichthoudende orgaan worden benoemd op basis van vooraf v
### Artikel 2.144
**1.** De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag van € 577,093 miljoen, gebaseerd op de in het jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende wettelijke bepalingen aan Onze Minister afgedragen inkomsten en de mutaties in de rijksbegroting vanaf dat moment. Dit bedrag wordt verminderd met € 57,284 miljoen.
**1.** De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag dat voor het jaar 2019 855,002 miljoen euro bedraagt.
**2.**
@ -1991,6 +1999,10 @@ f. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.
**4.** Het media-aanbod, bedoeld in artikel 2.54, tweede lid, komt ten laste van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onder f.
### Artikel 2.150a
Onze Minister kan de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, in de loop van het jaar verhogen naar aanleiding van een bijstelling als bedoeld in artikel 2.148a, tweede lid. Daarbij geeft hij toepassing aan de verdeling, bedoeld in artikel 2.150, eerste lid.
### Artikel 2.151
**1.** Onze Minister stelt de budgetten door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur.
@ -1999,19 +2011,30 @@ f. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.
### Artikel 2.152
De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a, over de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen zodanig dat elke omroeporganisatie een bedrag ontvangt waarvan de omvang wordt berekend naar rato van het aantal omroepverenigingen, overeenkomstig de formule
**1.** De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder a, over de omroeporganisaties met een erkenning, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, zodanig dat elke omroeporganisatie een bedrag ontvangt dat gelijk is aan de som van de bedragen die worden toegerekend aan de organisaties waaruit de omroeporganisatie is samengesteld.
(v : tv) * b, waarbij
**2.**
v = het aantal omroepverenigingen als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, waaruit de omroeporganisatie die een erkenning heeft verkregen, is gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment;
De organisaties waaruit een omroeporganisatie kan zijn samengesteld zijn:
tv = alle omroepverenigingen waaruit alle omroeporganisaties die een erkenning hebben verkregen, zijn gevormd, gerekend vanaf een bij ministeriële regeling te bepalen moment; en
a. een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a;
b. een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24;
c. een omroepvereniging met een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid.
b = het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel a.
**3.**
Bepalend voor de indeling, bedoeld in het tweede lid, is de organisatie waarvan sprake was bij aanvang van de erkenningperiode met begindatum 1 januari 2016, met dien verstande dat:
a. een omroepvereniging die op dat moment was vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep voor de indeling niet afzonderlijk in aanmerking wordt genomen; en
b. met een samenwerkingsomroep gelijk wordt gesteld een omroepvereniging die op 1 januari 2016 was gevormd uit twee of meer omroepverenigingen die afzonderlijk een erkenning hadden bij aanvang van de daaraan voorafgaande erkenningperiode.
**4.** Voor indeling bij het tweede lid, onder c, geldt ook een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, in een erkenningperiode later dan die, bedoeld in het derde lid, maar eerder dan de erkenningperiode waarin het jaar valt waarop op de budgetverdeling betrekking heeft.
**5.** De bedragen die worden toegerekend aan de organisaties, bedoeld in het tweede lid, onder respectievelijk a, b en c, verhouden zich tot elkaar als 3: 2: 1.
### Artikel 2.152a
**1.** De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel b, over de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen zodanig dat elke omroepvereniging over een bedrag beschikt dat gelijk is aan vijftien procent van het bedrag dat geldt op grond van artikel 2.152 voor een omroeporganisatie die uit een omroepvereniging is gevormd.
**1.** De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder b, over de omroepverenigingen met een voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, zodanig dat elke omroepvereniging met een voorlopige erkenning over een bedrag beschikt dat gelijk is aan vijftien procent van het bedrag voor een omroeporganisatie die met toepassing van artikel 2.152, derde lid, wordt ingedeeld als omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24.
**2.** De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen de bedragen, bedoeld in het eerste lid en artikel 2.150, derde lid, van elk van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, ten beheer.
@ -2271,7 +2294,7 @@ b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzig
**2.** De landelijke publieke media-instellingen zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een afschrift daarvan aan de raad van bestuur. De NPO en de landelijke publieke media-instellingen nemen in het bestuursverslag, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.34i, 2.40 en 2.103, in samenhang met de artikelen 48 en 300 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een samengevatte jaarrekening op.
**3.** De raad van bestuur zendt vóór 1 juli zijn opmerkingen over de jaarrekeningen tezamen met de jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat.
**3.** De raad van bestuur zendt vóór 1 juli de jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat.
### Artikel 2.172
@ -3837,6 +3860,10 @@ b. een omroepvereniging als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel c, met een omroepv
De concessie van de NPO, de concessieperiode en de tweede van de twee perioden van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, de tweede periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, de erkenningen en de voorlopige erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste, respectievelijk tweede lid, en de erkenningperiode die gelden op het moment van inwerkingtreding van dit artikel worden, voor zover van toepassing in afwijking van deze wet, van rechtswege met een jaar verlengd.
#### Afdeling 9.2.11. Overgangsrecht maximum percentage reclame- en telewinkelboodschappen in televisieprogramma-aanbod landelijke publieke mediadienst
#### Afdeling 9.2.12. Overgangsrecht aanwijzing regionale publieke media-instelling
### Titel 9.3. Slotbepalingen
### Artikel 9.15