diff --git a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md index 80baf8c46ff..4e8cc3f4a27 100644 --- a/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md +++ b/circulaire/vreemdelingencirculaire-2000-c/BWBR0012288/README.md @@ -48,15 +48,17 @@ Onder vluchtelingen worden vreemdelingen verstaan die voldoen aan de omschrijvin Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De vluchteling is derhalve niet pas vluchteling op het moment van de uitspraak van de beoordelende staat. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir. -Voorzover het gaat om minderjarige asielzoekers, wordt verwezen naar de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus. Deze bevatten specifieke aandachtspunten over de bepaling van vluchtelingschap van alleenstaande minderjarigen. Hierin staat onder meer dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap rekening moet worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige. - De status van vluchteling waarborgt de bescherming voortvloeiende uit het Vluchtelingenverdrag. Dat is met name de bescherming op grond van artikel 33 Vluchtelingenverdrag: de vluchteling zal niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement). Uit het Vluchtelingenverdrag vloeit niet de verplichting voort om een vluchteling een verblijfsvergunning te verlenen. Deze verplichting is echter wel geregeld in artikel 3.105b Vb. -Ingevolge artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag mag slechts in geval van hoge uitzondering hiervan worden afgeweken, indien het een vluchteling betreft ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land. +Ingevolge artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag kan slechts in geval van hoge uitzondering geen aanspraak worden gemaakt op de voordelen van deze bepalingIn artikel 3.105b Vb (zie ook C4/3.11.1.2) is neergelegd op welke grond een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet kan worden geweigerd. -Deze regel is in de Nederlandse regelgeving opgenomen in artikel 3.105b Vb en artikel 3.105c, tweede lid, Vb (zie ook C4/3.11.1.2 en C5/3.2) +##### 2.1.1 + +In artikel 3.35 VV is beschreven waar onder meer rekening mee gehouden dient te worden bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een asielzoeker in aanmerking kan komen voor vluchtelingschap. Voorts wordt ten behoeve van de toets aan geloofwaardigheid en zwaarwegendheid verwezen naar C14/2 en C14/3. + +Voorzover het gaat om minderjarige asielzoekers, wordt verwezen naar de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus. Deze bevatten specifieke aandachtspunten over de bepaling van vluchtelingschap van alleenstaande minderjarigen. Hierin staat onder meer dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap rekening moet worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige. #### 2.2. De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag @@ -68,9 +70,7 @@ Indien een Palestijn zich niet meer in het mandaatgebied van de UNRWA bevindt, v Dit is alleen anders wanneer de vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij niet naar UNRWA-gebied kan terugkeren omdat hij binnen het mandaatgebied van de UNRWA gegronde vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging heeft en hij daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Aan de vreemdeling kan in dat geval op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. -Indien geen verblijfsvergunning op grond van deze bepaling wordt verleend, wordt ook getoetst aan de overige verleningsgronden van artikel 29 Vw en aan de verleningsgronden van de ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B14). - -Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning in Nederland (zie C4/3.11.3). +Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning in Nederland (zie C4/3.11.3). #### 2.3. Karakter van de vervolging @@ -80,27 +80,45 @@ In beginsel is het mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een bevolkingsgr Vaststelling van vluchtelingschap vindt ook in geval van groepsvervolging plaats op individuele basis. -##### 2.3.1. Actoren en daden van vervolging +##### 2.3.1. Actoren van vervolging -Blijkens artikel 3.37a VV kan vervolging plaatsvinden door +Verwezen wordt naar artikel 3.37a VV. -a. de staat, waaronder wordt begrepen nationale, regionale en lokale autoriteiten; -b. partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen; -c. niet-overheidsinstanties (derden). +##### 2.3.2. Daden van vervolging -Indien de vervolging niet plaatsvindt door de centrale autoriteiten van een land, is van belang dat de asielzoeker, van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3). +Allereerst wordt verwezen naar artikel 3.36 VV. -Vervolging door derden wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging (zie artikel 3.37c VV). Onder een (internationale) organisatie wordt in dit verband verstaan een stabiele, op een staat gelijkende instantie die zeggenschap heeft over het grondgebied van het desbetreffende land en die bereid en in staat is om individuele personen te beschermen op soortgelijke wijze als een internationaal erkende staat. +Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake indien de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. -In artikel 3.36 VV is opgesomd welke daden onder welke omstandigheden als vervolging kunnen worden aangemerkt. +Indien discriminatie leidt tot uitsluiting van medische zorg, kan er sprake zijn van vluchtelingschap. Dit is het geval indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat: -##### 2.3.2. Individualiseringsvereiste/groepsvervolging +a. hij bij terugkeer naar het land van herkomst (geheel of gedeeltelijke) uitsluiting van medische zorg te duchten zal hebben; +b. deze uitsluiting plaatsvindt op één van de verdragsrechtelijke vervolgingsgronden; en +c. hierdoor voor hem ernstige medische consequenties zullen ontstaan. -Of iemand als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de betrokken persoon vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of de persoon in een voor hem gevaar opleverende mate persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken. +Het gaat hier om een asielrechtelijke toets. Om die reden kan enkel de uitsluiting op discriminatoire gronden leiden tot vluchtelingschap. Deze toets houdt dan ook geen verband met de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van adequate medische zorg in het herkomstland noch met de vraag naar de beschikbare behandelmogelijkheden in het land van herkomst. -In beginsel is het mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een bevolkingsgroep in zijn geheel vervolging te duchten heeft. Zo'n groep kan bestaan uit leden van een bepaalde politieke partij, aanhangers van een bepaalde godsdienst, leden van een bepaalde etnische of sociale groep of van een bepaalde nationaliteit. Wanneer alle leden van zo'n groep te vrezen hebben voor vervolging, spreekt men van groepsvervolging. In Nederland is tot op heden nooit geoordeeld dat er sprake was van groepsvervolging. +Van ernstige medische consequenties is sprake, indien de onthouding van medische zorg voor de vreemdeling levensbedreigend zal zijn, dan wel invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade zal veroorzaken. Dit is hetzelfde criterium als dat van de medische noodsituatie (zie B8/2.1). Voor de procedurele aspecten bij de adviesaanvraag, zie B8/3. -Vaststelling van vluchtelingschap vindt ook in geval van groepsvervolging plaats op individuele basis. +##### 2.3.3. Actoren van bescherming + +Vervolging wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging, zie artikel 3.37c VV ( zie ook C4/2.2). + +##### 2.3.4. Binnenlands vluchtalternatief + +De asielzoeker, van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3). + +##### 2.3.5. Individualiseringsvereiste/groepsvervolging + +In het geval een groep in een land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van (gewelds)daden van ernstige mensenrechtenschendingen om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep is er sprake van groepsvervolging. Indien sprake is van een dergelijke situatie voor een specifieke groep zal dat in het landgebondenbeleid worden opgenomen. Er zal niet snel sprake zijn van een situatie waarbij een hele groep systematisch wordt blootgesteld. + +In het geval van groepsvervolging zal voor een vreemdeling die zich beroept op het behoren tot deze groep het individualiseringsvereiste beperkt zijn. De vreemdeling dient slechts aannemelijk te maken dat hij tot deze groep behoort. + +Indien geen sprake is van groepsvervolging wordt op individuele basis beoordeeld of iemand als vluchteling moet worden beschouwd. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de betrokken vreemdeling vluchteling is. + +Personen die behoren tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden asielbeleid is aangewezen als een risicogroep kunnen reeds met geringe indicaties aannemelijk maken dat hun gestelde problemen om redenen van één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing. (zie C14/3.6). + +Een groep kan als risicogroep worden aangewezen als blijkt dat vervolging van personen behorend tot deze groep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging. Ook indien de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan aanwijzing als risicogroep aan de orde zijn. #### 2.4. Land van herkomst @@ -114,58 +132,51 @@ Als land van herkomst van een staatloze dient te worden aangemerkt een land waar ##### 2.5.1. Algemeen -Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake indien de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. - -Een asielzoeker wordt als verdragsvluchteling aangemerkt, indien hij aannemelijk maakt dat discriminatie voor hem persoonlijk heeft geleid tot ernstige beperkingen in zijn bestaan én aannemelijk is dat de autoriteiten hem niet hebben kunnen of willen beschermen tegen deze vorm van discriminatie. - -Indien aan de autoriteiten geen bescherming is gevraagd, wordt aandacht besteed aan de vraag waarom dat niet is gebeurd. Als dit wel is gebeurd, maar de vreemdeling heeft het na één mislukte poging niet bij een andere overheidsinstantie geprobeerd, wordt bijzondere aandacht besteed aan de vraag waarom het bij één poging is gebleven. - -Voorts wordt onderzocht of de asielzoeker zich aan de discriminatie kan onttrekken door zich elders in het land te vestigen. Dit is met name van belang indien er sprake is van asielmotieven die verband houden met discriminerende gebruiken die slechts in bepaalde delen van het land strikt worden gehandhaafd. +20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 ##### 2.5.2. Discriminatoire uitsluiting van noodzakelijke medische zorg -Indien discriminatie leidt tot uitsluiting van medische zorg, kan er sprake zijn van vluchtelingschap. Dit is het geval indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat: - -a. hij bij terugkeer naar het land van herkomst (geheel of gedeeltelijke) uitsluiting van medische zorg te duchten zal hebben; -b. deze uitsluiting plaatsvindt op één van de verdragsrechtelijke vervolgingsgronden; en -c. hierdoor voor hem ernstige medische consequenties zullen ontstaan. - -Het gaat hier om een asielrechtelijke toets. Om die reden kan enkel de uitsluiting op discriminatoire gronden leiden tot vluchtelingschap. Deze toets houdt dan ook geen verband met de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van adequate medische zorg in het herkomstland noch met de vraag naar de beschikbare behandelmogelijkheden in het land van herkomst. - -Van ernstige medische consequenties is sprake, indien de onthouding van medische zorg voor de vreemdeling levensbedreigend zal zijn, dan wel invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade zal veroorzaken. Dit is hetzelfde criterium als dat van de medische noodsituatie (zie B8/2.1). Voor de procedurele aspecten bij de adviesaanvraag, zie B8/3. +20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 #### 2.6. Refugiés sur place De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt, heet refugié sur place. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken. -Ten eerste kan iemand een refugié sur place worden, doordat tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst de omstandigheden in het land van herkomst zich zodanig wijzigen, bijvoorbeeld door een machtswisseling, waardoor hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie artikel 3.37b, eerste lid, VV). Indien de politieke overtuiging pas wordt verkondigd na vertrek uit het land van herkomst, kan de vreemdeling refugié sur place worden met name indien hij aannemelijk maakt dat de overtuiging reeds bestond in het land van herkomst. In ieder geval is vereist dat de autoriteiten in het land van herkomst van deze overtuiging op de hoogte zijn of kunnen geraken en dat het bekend zijn van deze overtuiging een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert. +Ten eerste kan iemand een refugié sur place worden, doordat tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst de omstandigheden in het land van herkomst zich zodanig wijzigen, bijvoorbeeld door een machtswisseling, waardoor hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie artikel 3.37b, eerste lid, VV). Ten tweede is het mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst, bijvoorbeeld door het deelnemen aan demonstraties gericht tegen het eigen regime, het aanbieden van petities aan de ambassade van zijn land, of het publiceren van kritische stukken over de politieke situatie in zijn land, gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren. -Deze activiteiten kunnen met name aanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van het gedrag dat in het land van herkomst aanleiding had kunnen geven tot moeilijkheden, dus een voortzetting van activiteiten die de asielzoeker in het land van herkomst heeft ontplooid (zie artikel 3.37b, tweede lid, VV). +Deze activiteiten kunnen met name aanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van het gedrag dat in het land van herkomst aanleiding had kunnen geven tot moeilijkheden, dus een voortzetting van activiteiten die de asielzoeker in het land van herkomst heeft ontplooid (zie artikel 3.37b, tweede lid, VV). De continuïteit van de gedragingen is geen absoluut vereiste om aangemerkt te worden als refugié sur place. -#### 2.7. Godsdienst +Voor het verlenen van een vergunning op deze grond geldt als voorwaarde dat de autoriteiten in het land van herkomst van de hier bedoelde activiteiten op de hoogte zijn of kunnen geraken en dat het bekend zijn van deze activiteiten een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert. -Het begrip ‘godsdienst’ omvat op grond van artikel 3.37, eerste lid, onder b, VV met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald. Hieronder kan iedere godsdienst, levensbeschouwing of sekte worden geschaard, die als zodanig door de asielzoeker wordt beschouwd of door de overheid aan hem wordt toegedicht. +#### 2.7. Beoordeling elementen vervolgingsgronden -Vervolging om reden van godsdienst kan zich op verschillende manieren voordoen, zoals het totale verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs en ernstig discriminerende maatregelen tegen personen van een bepaalde godsdienstige overtuiging. Beperkingen op het recht een godsdienst te belijden moeten dusdanig streng zijn, dat het leven als gevolg van de overtuiging in het land van herkomst daardoor ernstig wordt belemmerd.Van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. +Voor de elementen waarmee rekening gehouden dient te worden bij de beoordeling van de vervolgingsgronden wordt verwezen naar artikel 3.37 VV. + +##### 2.7.1. Godsdienst + +In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.36 VV kan vervolging om reden van godsdienst zich ook nog op andere manieren voordoen, denk bijvoorbeeld aan het verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs en ernstige discriminerende maatregelen tegen personen met een bepaalde godsdienstige overtuiging. + +Er bestaat geen verplichting om een vreemdeling bescherming te bieden op grond van het Vluchtelingenverdrag indien de betreffende vreemdeling in zijn/haar land van herkomst zijn godsdienst niet op gelijke wijze kan uitoefenen als hier te lande. Een enkele beperking of ingreep in de vrijheid van godsdienst zal daarom op zichzelf niet snel als daad van vervolging worden aangemerkt. Slechts indien er sprake is van ernstige schending van de godsdienstvrijheid is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Of er sprake is van een ernstige schending zal afhangen van het specifieke geval en zal moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van hetgeen uit openbare bronnen bekend is over de situatie van aanhangers van een bepaalde godsdienst. + +Van personen die in het land van herkomst een (minderheids)godsdienst aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Wel kan van de vreemdelingeen bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht om daden van vervolging te voorkomen, o.a. wat betreft het actief willen uitoefenen van bekeringsactiviteiten in het land van herkomst. + +##### 2.7.2. Politieke overtuiging + +Indien de asielaanvrager een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging. + +(Politiek) Verzet tegen genitale verminking kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap. + +Indien er een reëel risico is op genitale verminkingen zonder dat dit leidt tot de conclusie dat er sprake is van verdragsrechtelijke vervolging, is C2/3.2 van toepassing. #### 2.8. Politieke overtuiging -Het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt op grond van artikel 3.37, eerste lid, onder e, VV met name in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft over een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 3.37a VV genoemde actoren en hun beleid of methoden. Het is hierbij niet van belang of de vreemdeling zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden. - -Het begrip veronderstelt tevens dat de bedoelde opvatting, mening of gedachte onder de aandacht van de autoriteiten is gekomen, dan wel waarschijnlijk zal komen, ofwel dat de overheid aan de betrokkene deze overtuiging toedicht (artikel 3.37, tweede lid, VV). - -Indien de asielaanvrager een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging, wanneer: - -• de aanvrager afkomstig is uit een samenleving waar de vrouw een strikt gedefinieerde (veelal ondergeschikte) rol vervult én; -• de overheid deze man-vrouwverhouding stimuleert of in stand houdt (bijvoorbeeld door niet in te willen grijpen bij mensenrechtenschendingen door medeburgers). +20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 #### 2.9. Nationaliteit en ras -Het begrip ‘nationaliteit’ is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat met name ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door haar culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat (zie artikel 3.37, eerste lid, onder c, VV). De omvang van deze groepering is daarbij niet relevant. - -Voor het bepalen van ‘ras’ als vervolgingsgrond kan met name worden afgegaan op de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep (zie artikel 3.37, eerste lid, onder a, VV). Bij het vaststellen van ras kan zowel op etnografische als sociale aspecten worden teruggegrepen . +20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 #### 2.10. Sociale groep @@ -173,38 +184,21 @@ Voor het bepalen van ‘ras’ als vervolgingsgrond kan met name worden afgegaan In artikel 3.37, eerste lid, onder d, VV is opgenomen onder welke omstandigheden een groep wordt geacht een ‘specifieke sociale groep’ te vormen. Deze omschrijving functioneert als restcategorie ten opzichte van de overige vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag. -##### 2.10.2. Vervolging van homoseksuelen +##### 2.10.2. Gender (gerelateerde aspecten) -Indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij of zij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar homoseksuele geaardheid, kan dit onder omstandigheden leiden tot de conclusie dat betrokkene vluchteling is in de zin van het Verdrag. Het is staand beleid en staande jurisprudentie dat onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A Vluchtelingenverdrag, mede vervolging wegens seksuele geaardheid wordt begrepen. +Indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij of zij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar homoseksuele geaardheid, kan dit onder omstandigheden leiden tot de conclusie dat betrokkene vluchteling is in de zin van het Verdrag. -Een asielaanvraag waarin beroep wordt gedaan op problemen vanwege de (gestelde) seksuele geaardheid van een asielzoeker moet worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor de positie van homoseksuelen in het land van herkomst. Per land van herkomst verschilt de invloed van de overheid op het maatschappelijk terrein. +Indien er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De asielzoeker moet aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging en dat er sprake is van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo zal een enkele boete veelal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. -Indien er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. Voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap moet wel sprake zijn van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo zal een enkele boete veelal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. - -De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De asielzoeker moet (zo mogelijk met documenten) aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging. - -Van personen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen. - -Ook wordt erop gewezen dat ook indien de asielzoeker niet daadwerkelijk homoseksueel is, maar het geloofwaardig is dat de autoriteiten hem of haar als zodanig beschouwen en het aannemelijk is dat vervolging plaatsvindt of zal vinden, de asielzoeker eveneens is te beschouwen als verdragsvluchteling. +Van personen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur verborgen houden. Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst. -Indien de asielzoeker zich beroept op discriminatie van de zijde van de overheid of door derden, zie C1/2.5. +Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. In het asielbeleid is het individualiseringsvereiste het uitgangspunt. #### 2.11. Bijzondere aandachtspunten als de asielzoeker een vrouw is -Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. In het asielbeleid is het individualiseringsvereiste het uitgangspunt. Strafvervolging van een voorschrift dat specifiek voor vrouwen geldt, levert vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag op, indien aannemelijk is dat: - -– de bestraffing onevenredig zwaar is en gerelateerd is aan één van de vervolgingsgronden; of -– naast normale bestraffing sprake is van discriminatoire vervolging wegens één van deze gronden. - -Indien een asielzoekster zich erop beroept dat de discriminatie specifiek tegen vrouwen is gericht, dan blijft de toepasselijkheid van één van de vervolgingsgronden een voorwaarde voor concludering tot vluchtelingschap. Uiteraard geldt ook bij een beroep op discriminatie in de zin van vervolging het individualiseringsvereiste. Zo is het enkele bestaan van kledingvoorschriften voor vrouwen nog geen vorm van discriminatie die naar vervolging tendeert. - -Voor de beoordeling van politieke activiteiten van vrouwen, zie C2/2.8. Voor de genderinclusieve benadering, zie C14/3.3. - -(Politiek) Verzet tegen genitale verminking kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap. Indien er een reëel risico is op genitale verminkingen zonder dat dit leidt tot de conclusie dat er sprake is van verdragsrechtelijke vervolging, is C2/3.2 van toepassing. - -Voor de voorbereiding op het nader gehoor voor vrouwen, zie C13/3.1. +20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 #### 2.12. Vervolging wegens dienstweigering of desertie @@ -262,11 +256,9 @@ Een vreemdeling die zich in een derde land bevindt, kan in het voorkomende geval Er is sprake van een commuun delict, indien de asielzoeker in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. -Bestraffing wegens commune delicten leidt in het algemeen niet tot de conclusie dat de asielzoeker verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing die wel verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag. +Bestraffing wegens commune delicten leidt in het algemeen niet tot de conclusie dat de asielzoeker verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing van een bepaald gewicht die verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag. Zie ook 3.36, eerste lid, VV. -Hiervan is sprake indien de vreemdeling voor hetzelfde feit zwaarder wordt bestraft dan anderen, terwijl deze verzwaring verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag, of indien een, op zichzelf algemene, openbare-ordebepaling enkel wordt toegepast ten aanzien een bepaalde categorie personen, terwijl ten aanzien van anderen niet wordt opgetreden. Het gaat hier dus om dat deel van de (tenuitvoerlegging van de) bestraffing, waarin tot uiting komt dat de asielzoeker (ook) wordt gestraft om redenen die verband houden met de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag. - -In dat geval kan de asielzoeker worden gezien als een verdragsvluchteling. Verlening van een verblijfsvergunning asiel kan desondanks onder omstandigheden worden geweigerd, als het gepleegde delict een afwijzingsgrond vormt in de zin van artikel 31, tweede lid, onder k, Vw. +Verlening van een verblijfsvergunning asiel kan worden geweigerd, als het gepleegde delict een afwijzingsgrond vormt in de zin van artikel 31, tweede lid, onder k, Vw. ### 3. Foltering of onmenselijke behandeling @@ -274,97 +266,126 @@ In dat geval kan de asielzoeker worden gezien als een verdragsvluchteling. Verle ##### 3.1.1. Inleiding -Op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan een verblijfsvergunning worden verleend, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. +Op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan een verblijfsvergunning worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan: -##### 3.1.2. Karakter en actoren van de behandeling +– doodstraf of executie; +– folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of +– ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. -Onder folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen worden, blijkens artikel 3.105d Vb, mede verstaan: +Deze bepaling van nationaal recht is vastgesteld op basis van artikel 15 van de richtlijn (2004/83/EG) en heeft ook betrekking op artikel 3 van het EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het EHRM. -a. doodstraf of executie; -b. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. +De verwijdering naar een land waar iemand een voorzienbaar en reëel risico loopt aan een onder artikel 29, eerste lid, onder b, Vw genoemde behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van artikel 3 EVRM. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende. Een reëel risico voor een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Het kan zijn dat het reële risico pas bestaat tijdens het verblijf in het buitenland, dan wel pas ontstaat bij de voorgenomen terugkeer naar het land van herkomst. Op grond van artikel 3.37b VV kan in die gevallen aanleiding bestaan om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. -Er is sprake van een binnenlands gewapend conflict indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land dan wel van een andere groepering. Deze militaire operaties dienen dan aanhoudend en samenhangend van aard te zijn, wil sprake zijn van een gewapend conflict. Ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanig conflict. +Aan een persoon die op grond van vorengenoemde bepaling in aanmerking komt voor bescherming, wordt een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw verleend. Slechts in geval van uitzondering mag hiervan worden afgeweken, zie artikel 3.105e Vb (zie ook C4/3.11.1.3). -Indien de vreemdeling afkomstig is uit een deel, waar geen sprake is van een gewapend conflict en evenmin van gevolgen voor hem van een elders in het land bestaand gewapend conflict, zal hij bij terugkeer naar dat deel geen schade leiden die in verband kan worden gebracht met een zodanig conflict en daarom buiten de reikwijdte van artikel 3.105d, onder b, Vb vallen. +###### 3.1.1.1. Beoordeling feiten en omstandigheden -De aanwezigheid van een gewapend conflict wordt beoordeeld naar het moment van de beslissing op de asielaanvraag. +In artikel 3.35 VV is beschreven waar onder andere rekening mee gehouden dient te worden bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een asielzoeker in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. -Actoren van een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kunnen op grond van artikel 3.37a VV onder meer zijn: +Voorts wordt ten behoeve van de toets aan geloofwaardigheid en zwaarwegendheid verwezen naar C14/2 en C14/3. -a. de staat, waaronder wordt begrepen nationale, regionale en lokale autoriteiten; -b. partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen; -c. niet-overheidsinstanties (derden). +##### 3.1.2. Actoren van behandeling -Indien de behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw niet plaatsvindt door de centrale autoriteiten van een land, is van belang dat de asielzoeker, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3). +In artikel 3.37a VV is opgesomd door welke actoren onder meer de in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw genoemde behandelingen kunnen plaatsvinden. -Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw door derden wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling (zie C4/2.2). +##### 3.1.3. Actoren van bescherming -##### 3.1.3. Individualiseringsvereiste +Verwezen wordt naar artikel 3.37c VV. Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling (zie ook C4/2.2). -Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Hiertoe dient de vreemdeling specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren te brengen, waaruit dit risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw valt af te leiden. +##### 3.1.4. Binnenlands vestigingsalternatief -In die gevallen dat in het land van herkomst sprake is van een willekeurige geweldssituatie of van willekeurige mensenrechtenschendingen, vormt dit op zichzelf onvoldoende grond om een reëel en individueel risico op eerder beschreven behandeling aan te nemen. +De asielzoeker, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3). -Echter, een reëel en individueel risico bij terugkeer wordt – ook in een situatie van willekeurige geweld of van willekeurige mensenrechtenschendingen – ook aangenomen indien: +##### 3.1.5. Individualiseringsvereiste/geweldssituatie + +Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de hierbedoelde behandeling. + +In zijn algemeenheid is het individualiseringsvereiste het uitgangpunt. + +Voor de toepassing van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw is echter ook van belang dat de algemene gewelds- en mensenrechtensituatie in een land van herkomst wordt betrokken. Hoe ernstiger de situatie van (willekeurig) geweld of mensenrechtensituatie in een land van herkomst is, hoe eerder aannemelijk moet worden geacht dat de asielzoeker, gelet op de individuele feiten en omstandigheden die hij aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd en geloofwaardig zijn bevonden, bij terugkeer een behandeling te wachten staat in strijd met artikel 3 EVRM. + +Artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient op de volgende wijze beoordeeld te worden: + +1. beoordeeld dient te worden of in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land, sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid aldaar, een reëel risico lopen op een door dit artikel verboden behandeling; +2. indien de uitzonderlijke situatie zich niet voordoet, dient beoordeeld te worden of betrokkene behoort tot een groep die systematisch een reëel risico loopt op een door dit artikel verboden behandeling; +3. indien bovengenoemde situaties zich niet voordoen, dient beoordeeld te worden of betrokkene op grond van het beleid ‘kwetsbare minderheidsgroep’ in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning; +4. indien de voorgaande situaties zich niet voordoen, zal worden getoetst of betrokkene op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt. + +Er is sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3EVRM (en artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG) indien de algehele gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land zo uitzonderlijk slecht is dat voor elke vreemdeling, ongeacht de individuele omstandigheden bij terugkeer een 3 EVRM-risico aanwezig is (in de woorden van het EHRM: *most extreme cases of general violence*). + +Elementen die in het kader van deze toets in samenhang worden gewogen zijn onder meer: + +– of de partijen bij het conflict ofwel oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten ofwel burgers als doel nemen; +– of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen; +– of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk; en, +– de aantallen (a) doden, (b) gewonden en (c) ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd. + +In het geval een groep in een land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling komt een vreemdeling behorende tot deze groep in aanmerking voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b,Vw. Ten aanzien van de vreemdeling die zich beroept op het behoren tot deze groep beperkt het individualiseringsvereiste zich ertoe dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat hij tot deze groep behoort. Nadere, hem persoonlijk betreffende, feiten en omstandigheden behoeven vervolgens niet te worden aangetoond om te komen tot het oordeel dat hij bij terugkeer blootgesteld zal worden aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. In het landgebonden asielbeleid zal worden opgenomen welke groepen systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling. + +Een reëel en individueel risico bij terugkeer wordt – in een situatie van willekeurige geweld of van willekeurige mensenrechtenschendingen – ook aangenomen indien: a. de vreemdeling behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst; en b. hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat in samenhang daarmee een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is. -In het landgebonden asielbeleid (zie C24) wordt aangewezen welke bevolkingsgroepen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep voor zover van belang voor de beoordeling van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.. +In het landgebonden asielbeleid (zie C24) wordt aangewezen welke bevolkingsgroepen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep voor zover van belang voor de beoordeling van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. -Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang: +Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang; en 1. is er sprake van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen; -2. de positie van de bevolkingsgroep in het land van herkomst; en +2. de positie van de bevolkingsgroep in het land van herkomst. 3. de mate waarin de personen van deze groep effectieve bescherming kunnen inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschending, dan wel deze personen zich hieraan effectief kunnen ontrekken door zich elders te vestigen. Voor het onderscheid tussen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen, zie C14/3.6. -Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 EVRM dreigt, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. +Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. -Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. +Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep. In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden, indien er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden. -Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf reeds uit het land was vertrokken. Het oordeel, dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan dus ook gevormd worden op basis van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na vertrek van de vreemdeling. +Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf reeds uit het land was vertrokken. + +Ten slotte wordt beoordeeld of de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. + +Hiertoe dient de vreemdeling specifieke individuele kenmerken *(special distinguishing features)* naar voren te brengen, waaruit dit risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw valt af te leiden. + +Ook in het kader van deze beoordeling dienen de individuele gronden die de vreemdeling naar voren heeft gebracht te worden bezien in het licht van de algehele situatie van het land van herkomst. #### 3.2. Genitale verminking ##### 3.2.1. Inleiding -Genitale verminking is een handeling die leidt tot beschadiging, totale of gedeeltelijke verwijdering van de vrouwelijke uitwendige geslachtsorganen. Het is een praktijk die in grote delen van West- en Oost-Afrika in meerdere of mindere mate voorkomt. Genitale verminking wordt door de Nederlandse overheid beschouwd als een zeer ernstige schending van de integriteit van het menselijk lichaam. +Genitale verminking is een handeling die leidt tot beschadiging, totale of gedeeltelijke verwijdering van de vrouwelijke uitwendige geslachtsorganen. Genitale verminking wordt door de Nederlandse overheid beschouwd als een zeer ernstige schending van de integriteit van het menselijk lichaam. -Uit de algemene literatuur kan worden afgeleid dat genitale verminking met name plaatsvindt vóór de vijftienjarige leeftijd. Daarom wordt in relatie tot de genitale verminking op deze plaats de term ‘meisje’ of ‘dochter’ gebruikt. Dit laat onverlet dat in voorkomende gevallen ook (volwassen) vrouwen slachtoffer kunnen worden van genitale verminking. +Voor de beoordeling van (politiek) verzet tegen genitale verminking, zie C2/2.6.1.2 -Voor de beoordeling van (politiek) verzet tegen genitale verminking, zie C2/2.8. - -Voor personen die vrouwen genitaal verminken, of besnijden, zie C4/3.11.3.2. +Voor de beoordeling van personen die vrouwen genitaal verminken, of besnijden, zie C4/3.11.3.2. ##### 3.2.2. Doelgroep -Indien een meisje in haar land van herkomst een risico loopt op genitale verminking, kan sprake zijn van een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM. Gelet hierop kan zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. +Indien een meisje in haar land van herkomst een gegronde vrees heeft voor genitale verminking, kan sprake zijn van een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM. Gelet hierop kan zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Vorenstaande kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking. -De ouder, die genitale verminking van zijn minderjarige dochter(s) vreest, kan eveneens in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Het spreekt voor zich dat de ouder alleen voor een dergelijke vergunning in aanmerking kan komen, indien de dochter in het bezit wordt gesteld van de hier bedoelde verblijfsvergunning asiel. Bovendien dient de ouder tegelijkertijd met de dochter Nederland te zijn ingereisd dan wel dient de dochter in Nederland te zijn geboren. Indien de ouder Nederland is ingereisd, nadat de dochter reeds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel, dan is het reguliere toelatingsbeleid van toepassing. +De ouder, die genitale verminking van zijn minderjarige dochter(s) vreest, kan eveneens in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw . De vrees bij de ouder wordt echter niet aangenomen indien blijkt dat de ouder de actor is van de hierbedoelde gevreesde handeling of deze faciliteert. De ouder wordt alleen in het bezit gesteld van een dergelijke vergunning, indien de dochter in het bezit wordt gesteld van de hier bedoelde verblijfsvergunning asiel. Bovendien dient de ouder voorafgaand aan of tegelijkertijd met de dochter Nederland te zijn ingereisd dan wel dient de dochter in Nederland te zijn geboren. Indien de ouder Nederland is ingereisd, nadat de dochter reeds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel, dan is het reguliere toelatingsbeleid van toepassing. Andere familieleden dan de ouder(s) komen niet voor inwilliging op grond van bovenstaand beleid in aanmerking. Kinderen uit het gezin, die zelf niet bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eventueel wel onder de toepasselijke voorwaarden op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. ##### 3.2.3. Voorwaarden -Indien bij terugkeer sprake is van een reëel risico op genitale verminking, dan kan het meisje in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: +Indien bij terugkeer sprake is van gegronde vrees voor genitale verminking, dan kan het meisje in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: -a. er bestaat een risico van genitale verminking én; -b. de autoriteiten van het land van herkomst kunnen of willen geen bescherming bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking én; +a. er bestaat een reëel risico op genitale verminking; én, +b. de autoriteiten van het land van herkomst kunnen of willen geen bescherming bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking; én, c. er wordt geen vestigingsalternatief in het land van herkomst aanwezig geacht. Indien wordt voldaan aan alle drie de voorwaarden, die hieronder nog nader worden uitgewerkt, dan kan bij terugkeer een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM worden aangenomen. Met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt geen onderscheid gemaakt in de verschillende soorten genitale verminking. -Indien twijfel bestaat aan de geloofwaardigheid van de verklaringen met betrekking tot een dreigende genitale verminking, kan het relaas door de asielzoekster eventueel nader worden onderbouwd door het op vrijwillige basis overleggen van een medische verklaring, waaruit blijkt dat zij nog niet besneden is. +Indien twijfel bestaat aan de geloofwaardigheid van de verklaringen met betrekking tot een dreigende genitale verminking, bestaat voor de asielzoekster de mogelijkheid om haar verklaringen nader te onderbouwen door het op vrijwillige basis overleggen van een medische verklaring, waaruit blijkt dat zij nog niet besneden is. Dit geldt met name voor meisjes ouder dan vijftien en volwassen vrouwen, die blijkens de algemene literatuur doorgaans al besneden zijn. @@ -380,15 +401,13 @@ Daarnaast is bij de beoordeling of sprake is van een vestigingsalternatief, het ##### 3.2.4. In Nederland geboren meisjes -Meisjes, die in Nederland zijn geboren terwijl de asielprocedure van de ouders nog loopt, en die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eveneens voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking komen. Het beroep op een dreigende genitale verminking kan meegenomen worden in de lopende asielprocedure. Indien niet direct bij de eerste gelegenheid een beroep is gedaan op een dreigende genitale verminking, wordt dat de betrokkene niet aangerekend, voorzover een dergelijk beroep leidt tot een inwilliging. - -##### 3.2.5. Tweede of volgende aanvragen - -Voor meisjes, die in Nederland zijn geboren en die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking, terwijl de ouders reeds zijn uitgeprocedeerd in een eerdere asielprocedure, kan een nieuw asielverzoek worden ingediend. Dit geldt eveneens voor in Nederland geboren meisjes, waarvan een beroep op een dreigende genitale verminking om procedurele redenen niet in een eerdere asielprocedure van de ouders kon worden meegenomen. +Meisjes, die in Nederland zijn geboren en die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eveneens voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking komen. Het beroep op een dreigende genitale verminking kan meegenomen worden in de lopende asielprocedure of kan tijdens een nieuw asielverzoek worden aangevoerd. In deze gevallen wordt geen toepassing gegeven aan artikel 4:6 Awb. -Bij meisjes, van wie in een tweede of volgende asielaanvraag vast komt te staan dat zij op grond van bovengenoemd beleid alsnog in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt, wanneer schending van artikel 3 EVRM dreigt, geen toepassing gegeven aan artikel 4:6 Awb, tweede lid. +##### 3.2.5. Tweede of volgende aanvragen + +20111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1220111751930-09-201128-09-2011WBV2011/1201-10-2011 ### 4. In redelijkheid kan terugkeer niet worden verlangd