2022-04-01 | BWBR0025740 | Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland

This commit is contained in:
Coornhert 2022-04-01 12:00:00 +00:00
parent 78fd3067dd
commit fcefaeff6e

View file

@ -22,7 +22,7 @@ In de toelichting bij de artikelen die in dit onderdeel worden behandeld, wordt
De procedurebeschrijvingen voor optie en naturalisatie onder artikel 6, derde lid respectievelijk artikel 7 RWN zijn hieronder in hun geheel opgenomen en afgestemd op de situatie in het buitenland. Deze gedeelten kunnen dan ook onafhankelijk gelezen worden van de toelichting in de Handleiding voor Nederland. Toch wordt de gebruiker ook hier gewezen op het belang van de procedures in Nederland, dat immers als uitgangspunt voor de procedures in het buitenland gelden. Tot slot zij vermeld dat de paragraafnummering correspondeert met de Handleiding voor Nederland.
Opties in het buitenland zijn alleen mogelijk in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, onder c, d, i t/m o, artikel 28 RWN, artikel II van de van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270 Besluit DNA-onderzoek vaderschap) en artikel 7, tweede lid, Toescheidingsovereenkomst Suriname (TOS). Voor deze gevallen geldt immers niet het vereiste van toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk. Het betreft bijvoorbeeld minderjarige vreemdelingen die onder (ingesteld) gezamenlijk gezag van een Nederlander en een niet-Nederlander staan of minderjarige vreemdelingen die erkend zijn door een Nederlandse man.
Opties in het buitenland zijn alleen mogelijk in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, onder c, d, i t/m p, artikel 28 RWN, artikel II van de van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270 Besluit DNA-onderzoek vaderschap) en artikel 7, tweede lid, Toescheidingsovereenkomst Suriname (TOS). Voor deze gevallen geldt immers niet het vereiste van toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk. Het betreft bijvoorbeeld minderjarige vreemdelingen die onder (ingesteld) gezamenlijk gezag van een Nederlander en een niet-Nederlander staan of minderjarige vreemdelingen die erkend zijn door een Nederlandse man.
Sinds 1 maart 2009 zijn artikel 4 en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet gewijzigd. Het sinds 1 maart 2009 geldende artikel 4, tweede, derde en vierde lid RWN (Stb. 270) betreft alleen erkenningen en wettigingen die op of ná 1 maart 2009 gerealiseerd zijn. Voor kinderen die nog vreemdeling zijn en op of na 1 april 2003, maar vóór 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, zijn overgangsbepalingen opgesteld die deze kinderen met een optierecht zoveel mogelijk dezelfde rechten geeft als de regelgeving. Deze overgangsbepalingen zijn opgenomen in artikel II van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270)
@ -67,11 +67,11 @@ Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen
### 6-3
3.
De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.
De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien de verklaring strekt tot herkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in het eerste lid, onder p, vraagt de autoriteit advies aan Onze Minister. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.
20097723-04-200930-03-2009WBN2009/120097723-04-200930-03-2009WBN2009/125-04-200901-03-200920098612-05-200930-03-2009WBN2009//120098612-05-200930-03-2009WBN2009//125-04-200901-03-2009
2022350301-02-202226-01-2022WBN2022/12022350301-02-202226-01-2022WBN2022/101-04-2022
#### 6-3. Toelichting ad
@ -139,7 +139,7 @@ Voor iedere optiemogelijkheid is een apart model beschikbaar (voor optieverklari
####### 2.2.3. Te verstrekken gegevens
Op grond van artikel 6, eerste lid, BVVN moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:
Op grond van artikel 6, eerste lid, BVVN moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens verstrekken met betrekking tot:
a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;
b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
@ -174,10 +174,11 @@ Bij optieverklaringen afgelegd in het buitenland geldt uiteraard niet het vereis
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook artikel 6, vijfde lid, BVVN). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
een bewijs van eerder bezit van de Nederlandse nationaliteit. Dit bewijs kan worden verkregen na raadpleging van voor zover aanwezig de eigen administratie of het bestand van het bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken twijfelt aan het beweerde oud-Nederlanderschap of oud-Nederlands onderdaanschap, dient daarvan een bewijs overgelegd te worden door de optant. Zie de toelichting bij artikel 6, eerste lid, onder f (paragraaf 2). Zie ook artikel 22 RWN.
een bewijs met betrekking tot de verkrijging of verlening van de andere nationaliteit (én het tijdstip waarop deze is verkregen). De verliesgronden kunnen bijvoorbeeld blijken uit een door een bevoegde overheidsinstantie afgegeven document. Zie de toelichting bij artikel 26 RWN.
een bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een buitenlands rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het hier bedoelde bewijs kan bijvoorbeeld nodig zijn om te kunnen beoordelen of een minderjarige al dan niet zal delen in de naamsvaststelling van zijn ouder;
een bewijs van verzorging en opvoeding (in geval van een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c of d, RWN).
een bewijs van eerder bezit van de Nederlandse nationaliteit. Dit bewijs kan worden verkregen na raadpleging van voor zover aanwezig de eigen administratie of het bestand van het bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag. Indien de Minister van Buitenlandse Zaken twijfelt aan het beweerde oud-Nederlanderschap of oud-Nederlands onderdaanschap, dient daarvan een bewijs overgelegd te worden door de optant. Zie de toelichting bij artikel 6, eerste lid, onder f (paragraaf 2). Zie ook artikel 22 RWN;
een bewijs met betrekking tot de verkrijging of verlening van de andere nationaliteit (én het tijdstip waarop deze is verkregen). De verliesgronden kunnen bijvoorbeeld blijken uit een door een bevoegde overheidsinstantie afgegeven document. Zie de toelichting bij artikel 26 RWN;
een bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een buitenlands rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het hier bedoelde bewijs kan bijvoorbeeld nodig zijn om te kunnen beoordelen of een minderjarige al dan niet zal delen in de naamsvaststelling van zijn ouder;
een bewijs van verzorging en opvoeding (in geval van een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c of d, RWN);
bewijzen van (op het verliesmoment redelijkerwijs voorzienbare) onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap (in geval van een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN).
####### 2.2.4. Af te leggen verklaringen
@ -238,10 +239,16 @@ Enkele optanten zijn niet verplicht de verklaring verblijf en gedrag te ondertek
####### 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
De Minister van Buitenlandse Zaken die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van originele, zonodig gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten. Zie ook artikel 6, vijfde lid, BVVN.
De Minister van Buitenlandse Zaken die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van originele, zo nodig gelegaliseerde/van apostille voorziene documenten. Zie ook artikel 6, vijfde lid, BVVN.
In de optieprocedure wordt zoveel mogelijk gestreefd naar inontvangstneming van optieverklaringen die ondersteund worden door alle benodigde (bewijs)stukken. Dit is ook in het belang van de optant, aangezien bij weigering van de bevestiging van de optie, de reeds betaalde optiegelden niet worden gerestitueerd. Indien de optant een aantal benodigde gegevens niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met het afleggen van de optieverklaring tot het moment dat alle verlangde gegevens verstrekt kunnen worden. Mocht de optant er echter op staan zijn optieverklaring, ondanks het niet overleggen van de door de Minister van Buitenlandse Zaken gevraagde documenten af te leggen, dan dient de Minister van Buitenlandse Zaken de verklaring in ontvangst te nemen.
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer artikel 6 BvvN).
Overigens kan, ook als een optant is vrijgesteld van het documentatievereiste (zie paragraaf 2.2.5.2 bij artikel 6, derde lid, RWN van deze Circulaire Buitenland), gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden vormen voor afwijzing.
Een optant kan, indien hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken, waarmee een geldig nationaal paspoort en een (indien nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
######## 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
De optant dient -voor zover mogelijk- een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Dit niet alleen in verband met identificatie maar ook om zijn nationaliteit van de optant te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de gegevens in overgelegde akt(e)n van de burgerlijke stand.
@ -351,6 +358,10 @@ Bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN kan in
Indien dit nog niet gebeurd is in een eerdere fase van de procedure bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant stelt de Minister van Buitenlandse Zaken de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in artikel 2, vierde lid, RWN) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken (artikel 10, vierde lid, BVVN). Zie ook hiervoor bij verklaring afleggen in persoon en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
######## 2.4.2.5. Adviesprocedure bij optieverklaring op grond van
Voor de adviesprocedure wordt verwezen naar paragraaf 2.4.2.6 bij de toelichting op artikel 6, derde lid, RWN, zoals die is opgenomen in de Handleiding voor Nederland.
###### 2.5. Bevestiging
Nadat de Minister van Buitenlandse Zaken heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap zal worden bekendgemaakt onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. De Minister van Buitenlandse Zaken bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert (artikel 11, eerste lid, BVVN). In beginsel nodigt de Minister van Buitenlandse Zaken de optant uit voor een bijeenkomst waarin de bevestiging op ceremoniële wijze wordt uitgereikt, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. De optant wordt als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige kind jonger dan zestien jaar opgeroepen te verschijnen. Het minderjarige kind dat ten tijde van de optieverklaring zestien of zeventien jaar oud was wordt ook opgeroepen de uitreiking van de bevestiging bij te wonen. Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
@ -1105,7 +1116,7 @@ Opdat de IND kan beoordelen of de verzoeker in aanmerking komt voor toelating vo
##### 2. Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (
Voor een gedetailleerde beschrijving van de voorwaarden en procedure behorende bij onderhavig artikellid wordt hier in eerste instantie verwezen naar de toelichting onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d van de Handleiding voor Nederland. In beginsel biedt deze toelichting de Minister van Buitenlandse Zaken voldoende houvast om dit artikellid toe te passen.
Voor een gedetailleerde beschrijving van de voorwaarden en procedure behorende bij onderhavig artikellid wordt hier in eerste instantie verwezen naar de toelichting onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d van de Handleiding voor Nederland, waaronder ook de informatie over de Wet inburgering 2021, die per 1 januari 2022 in werking treedt en de gevolgen daarvan voor de naturalisatieprocedures op het gebied van de naturalisatietoets. In beginsel biedt deze toelichting de Minister van Buitenlandse Zaken voldoende houvast om dit artikellid toe te passen.
Enkele procedurele stappen verschillen echter met de situatie in Nederland zoals de wijze waarop het inburgeringsexamen wordt afgenomen en de manier waarop een ontheffingsadvies aan de verzoeker wordt gegeven.
@ -1307,6 +1318,12 @@ Vervallen.
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*