2006-12-13 | BWBR0014168 | Mijnbouwwet

This commit is contained in:
Coornhert 2006-12-13 12:00:00 +00:00
parent d55a652da5
commit fd75e9b53b

View file

@ -34,7 +34,7 @@ n. mijnbouwwerk: een werk dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur
1°. ten behoeve van het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte;
2°. ten behoeve van het opslaan van stoffen;
3°. die samenhangen met de in de onderdelen 1° en 2° bedoelde werken;
o. mijnbouwinstallatie: een installatie die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van mijnbouwwerken die verankerd zijn in of aanwezig zijn boven de bodem van een oppervlaktewater;
o. mijnbouwinstallatie: een mijnbouwwerk dat verankerd is in of aanwezig is boven de bodem van een oppervlaktewater;
p. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.
### Artikel 2
@ -102,7 +102,7 @@ Onverminderd de artikelen 7 en 8 kan een vergunning slechts worden geweigerd:
a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten,
c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder een eerdere vergunning, of
c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 25, eerste lid, onder een eerdere vergunning, of
d. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a, b en c gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen.
**2.** Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en 102.
@ -155,7 +155,7 @@ Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanv
**2.** Onze Minister plaatst hiertoe een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in artikel 17. Indien het een aanvraag om een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, wordt de uitnodiging tevens geplaatst in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
**3.** Anderen kunnen aanvragen indienen tot dertien weken na de plaatsing van de uitnodiging in de Staatscourant of, ingeval het koolwaterstoffen betreft, het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
**3.** Anderen kunnen aanvragen indienen tot dertien weken na de dag van plaatsing van de uitnodiging in de Staatscourant of, ingeval het koolwaterstoffen betreft, het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
**4.**
@ -206,7 +206,7 @@ b. het samenvoegen van twee of meer vergunningen, waardoor een vergunning voor e
### Artikel 20
**1.** De houder van een vergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Artikel 7, tweede lid, en artikel 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, zijn van overeenkomstige toepassing.
**1.** De houder van een vergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Artikel 7, tweede lid, en artikel 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, zijn van overeenkomstige toepassing. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.
**2.** Indien de houder van een vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de vergunning als bedoeld in artikel 19, onderdeel a.
@ -346,7 +346,7 @@ d. het belang van een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwar
**1.** Het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen geschiedt overeenkomstig een winningsplan.
**2.** De houder van een winningsvergunning of de krachtens in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon dient een winningsplan in bij Onze Minister.
**2.** De houder van een winningsvergunning of de krachtens artikel 22 aangewezen persoon dient een winningsplan in bij Onze Minister.
**3.** Het winningsplan behoeft de instemming van Onze Minister.
@ -382,7 +382,7 @@ b. in verband met het risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbode
**2.** Onze Minister kan zijn instemming verlenen onder beperkingen of daaraan voorschriften verbinden, indien deze gerechtvaardigd worden door een grond als genoemd in het eerste lid.
**3.** Onze Minister kan zijn instemming intrekken of de beperkingen en voorschriften wijzigen, indien dat gerechtvaardigd wordt door de in het eerste lid genoemde gronden.
**3.** Onze Minister kan zijn instemming intrekken of de beperkingen en voorschriften wijzigen, indien dat gerechtvaardigd wordt door de in het eerste lid genoemde gronden. De derde volzin van artikel 34, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een besluit inzake intrekking van een besluit omtrent instemming met een winningsplan en inzake wijziging van beperkingen en voorschriften als bedoeld in de eerste volzin.
### Artikel 37
@ -421,7 +421,7 @@ b. het opslaan van stoffen.
De volgende onderdelen van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing:
a. hoofdstuk 7, de artikelen 8.1, tweede lid, 8.16, 8.19, eerste lid, 8.20, eerste lid, 8.21, 8.40, eerste en tweede lid, 8.44, eerste lid, en afdeling 13.2;
a. hoofdstuk 7, de artikelen 8.1, tweede lid, 8.16, 8.19, eerste lid, 8.20, eerste lid, 8.21, 8.40, eerste en tweede lid, 8.41, 8.42, 8.44, en afdeling 13.2;
b. artikel 8.6 ten aanzien van het verlenen van een vergunning;
c. de artikelen 8.39a, 8.39b, 8.39c en 8.39e ten aanzien van het verlenen, het wijzigen of het intrekken van een vergunning;
d. titel 15.4 ten aanzien van een beschikking omtrent:
@ -449,7 +449,7 @@ d. titel 15.4 ten aanzien van een beschikking omtrent:
**1.** Onze Minister kan rond een mijnbouwinstallatie een veiligheidszone van een door hem te bepalen omvang instellen. Zodanige veiligheidszone kan zich niet verder uitstrekken dan tot een afstand van 500 meter, gemeten vanaf de buitenzijde van de installatie.
**2.** Het is een ieder verboden zich zonder ontheffing van Onze Minister te bevinden binnen een krachtens het eerste lid vastgestelde veiligheidszone anders dan ten behoeve van het verrichten van een verkenningsonderzoek of het op grond van een vergunning opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de aanvraag, wijziging of intrekking van een ontheffing.
**2.** Het is verboden, zonder ontheffing van Onze Minister, zich te bevinden dan wel enig voorwerp van welke aard ook te hebben of te doen hebben binnen een krachtens het eerste lid vastgestelde veiligheidszone anders dan ten behoeve van het verrichten van een verkenningsonderzoek of het op grond van een vergunning opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de aanvraag, wijziging of intrekking van een ontheffing.
### Artikel 44
@ -483,7 +483,7 @@ d. titel 15.4 ten aanzien van een beschikking omtrent:
**5.** Dit artikel geldt, tenzij in de desbetreffende vergunning anders is bepaald, niet met betrekking tot het winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee, voorzover het winnen of het opslaan plaatsvindt vanuit of in een voorkomen dat gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
**6.** Artikel 41, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een vergunning wordt overgedragen na het bekend worden van schade, de verplichtingen van dit artikel wat betreft die schade blijven rusten op degene die ten tijde van dat bekend worden de houder van de vergunning of de in artikel 23 bedoelde aangewezen persoon was.
**6.** Artikel 41, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een vergunning wordt overgedragen na het bekend worden van schade, de verplichtingen van dit artikel wat betreft die schade blijven rusten op degene die ten tijde van dat bekend worden de houder van de vergunning of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon was.
### Artikel 47
@ -525,14 +525,14 @@ d. het beperken van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem.
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen voorts worden gesteld, voorzover de in het eerste lid bedoelde activiteiten plaatsvinden op of in het continentaal plat of de territoriale zee, ten behoeve van:
a. de scheepvaart, de landsverdediging, de visserij, het instandhouden van de levende rijkdommen van de zee, het zuiver wetenschappelijk onderzoek en het leggen en onderhouden van onderzeese kabels en pijpleidingen;
a. de scheepvaart, de landsverdediging, de visserij, de opwekking van elektriciteit, het instandhouden van de levende rijkdommen van de zee, het zuiver wetenschappelijk onderzoek en het leggen en onderhouden van onderzeese kabels en pijpleidingen;
b. de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten.
**4.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen, voorzover die gesteld worden, beperkingen inhouden.
**5.** De in het eerste lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het verwijderen of achterlaten en op het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen.
**6.** De in het derde lid bedoelde regels, voorzover die gesteld worden ten behoeve van de scheepvaart, de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten of de landsverdediging, kunnen beperkingen inhouden ten aanzien van de locaties waar de in het eerste lid bedoelde activiteiten plaats kunnen vinden.
**6.** De in het derde lid bedoelde regels, voorzover die gesteld worden ten behoeve van de scheepvaart, de opwekking van elektriciteit, de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten of de landsverdediging, kunnen beperkingen inhouden ten aanzien van de locaties waar de in het eerste lid bedoelde activiteiten plaats kunnen vinden.
### Artikel 50
@ -631,7 +631,7 @@ Het tarief over 2003 voor het houden van een opsporingsvergunning is een bedrag
**2.** Het tarief over 2003 voor het houden van een winningsvergunning bedraagt € 600 per 1 januari 2006 € 626 per vierkante kilometer.
**3.** Bij het begin van ieder kalenderjaar worden de in het eerste en tweede lid vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend aan de hand van het indexcijfer, bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1992, houdende begripsomschrijving van het indexcijfer der lonen (Stb. 507), zoals dat gold op 31 december van het voorgaande jaar.
**3.** Bij het begin van ieder kalenderjaar worden de voor dat jaar geldende tarieven, bedoeld in het eerste en tweede lid, bij ministeriële regeling vastgesteld. Deze tarieven worden berekend aan de hand van het indexcijfer, bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1992, houdende begripsomschrijving van het indexcijfer der lonen (Stb. 507), zoals dat gold op 31 december van het voorgaande jaar.
### Artikel 59
@ -1028,13 +1028,15 @@ Afdeling 5.2.2, met uitzondering van artikel 92, tweede lid, onderdeel a, is van
### Artikel 100
**1.** Een afdracht aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht wordt betaald binnen een maand na het tijdstip waarop de afdracht of de vooruitbetaling verschuldigd is geworden.
**1.** Een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht wordt betaald binnen een maand na het tijdstip waarop de afdracht of de vooruitbetaling verschuldigd is geworden.
**2.** Onverminderd het bij of krachtens deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering met overeenkomstige toepassing van de artikelen 11, 12, 14, 17, eerste lid, 25, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, en 29 van de Invorderingswet 1990 met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de ontvanger.
**2.** Onverminderd het bij of krachtens deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering van een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 11, 12, 14, 17, eerste lid, 25, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, en 29 van de Invorderingswet 1990 met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de ontvanger.
**3.** Een afdracht als bedoeld in artikel 98, tweede lid, wordt geheven en ingevorderd met toepassing van paragraaf 5.1.1.5.
### Artikel 101
**1.** Indien een afdracht aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de staat uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht.
**1.** Indien een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de staat uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht.
**2.** Aan de betrokkene wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht over het bedrag waarvoor overeenkomstig artikel 25 van de Invorderingswet 1990 uitstel van betaling is verleend. De rente wordt berekend over het tijdvak waarvoor uitstel is verleend.
@ -1183,7 +1185,7 @@ De bijdrage is:
**4.** Indien uit het advies blijkt dat de schade geheel of gedeeltelijk kan worden toegerekend aan mijnbouwactiviteiten, wordt de bijdrage terugbetaald aan de aanvrager. Dit geldt uitsluitend als het bedrag, genoemd in het advies van de commissie, hoger is dan het bedrag dat de mijnbouwondernemer bereid was te betalen naar aanleiding van de aansprakelijkstelling, bedoeld in artikel 116.
**5.** De in het tweede lid genoemde bedragen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voorzover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
**5.** De in het tweede lid genoemde bedragen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voorzover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
### Artikel 118
@ -1223,7 +1225,7 @@ Bij ministeriële regeling worden in elk geval nadere regels gesteld omtrent de
### Artikel 123
**1.** Degene die activiteiten verricht waarop het bij en krachtens artikel 49, eerste lid, of 51, eerste lid bepaalde van toepassing is verstrekt aan Onze Minister de op grond van het vijfde lid bepaalde gegevens, voorzover de betrokkene in verband met die activiteiten in het bezit van deze gegevens is gekomen.
**1.** Degene die activiteiten verricht waarop het bij en krachtens artikel 49, eerste lid, artikel 51, eerste lid, of 52, eerste lid, bepaalde van toepassing is verstrekt aan Onze Minister de op grond van het vijfde lid bepaalde gegevens, voorzover de betrokkene in verband met die activiteiten in het bezit van deze gegevens is gekomen.
**2.** Onze Minister kan de verstrekte gegevens, of een deel van die gegevens, doen beheren door door hem daartoe aan te wijzen instellingen, welke hem desgevraagd mede van advies dienen aan de hand van die gegevens.
@ -1427,7 +1429,7 @@ Het bedrag dat aan voorschotten kan worden verstrekt bedraagt ten hoogste 60 pro
**1.** Tegen een op grond van deze wet genomen besluit dat van toepassing is op het continentaal plat kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De eerste volzin geldt niet voor een besluit op grond van hoofdstuk 5, met uitzondering van de afdelingen 5.2.1. en 5.2.2.
**2.** Ten aanzien van een beslissing omtrent een mijnbouwmilieuvergunning en een winningsplan als bedoeld in artikel 34, vierde lid, is hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
**2.** Ten aanzien van een besluit omtrent een mijnbouwmilieuvergunning en instemming met een winningsplan is hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 20.3 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op een besluit omtrent een mijnbouwmilieuvergunning voor een mijnbouwwerk te plaatsen of geplaatst aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn en een winningsplan voorzover het winnen van delfstoffen geschiedt vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
**3.** Op het beroep tegen besluiten op grond van hoofdstuk 5, met uitzondering van de in het eerste lid, tweede volzin, genoemde afdelingen, is hoofdstuk V, afdelingen 2 tot en met 4 van de Algemene wet rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hoger beroep en beroep in cassatie kunnen worden ingesteld door de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank, onderscheidenlijk hoger beroep bij het gerechtshof, in te stellen en door het bestuursorgaan dat bevoegd was het bestreden besluit te nemen.
@ -1490,7 +1492,7 @@ b. voor ander dan onder a genoemd gebied: twaalf maanden.
**2.** Onze Minister kan de beperkingen of voorschriften die op grond van artikel 143, derde of zevende lid, aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen of intrekken, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.
**3.** Onze Minister kan ten aanzien van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 die wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, de in artikel 22 bedoelde persoon aanwijzen. Zolang geen aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt als de aangewezen persoon beschouwd degene die de feitelijke werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent. In dat geval is artikel 22, zevende lid, tweede zin, niet van toepassing.
**3.** Onze Minister kan ten aanzien van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 die wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, de in artikel 22 bedoelde persoon aanwijzen. Zolang geen aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt als de aangewezen persoon beschouwd degene die de feitelijke werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent. In dat geval is artikel 22, achtste lid, tweede zin, niet van toepassing.
**4.** Afdeling 5.2.2, is niet van toepassing op een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143. Indien aan zodanige vergunning het voorschrift is verbonden dat de in de vergunning aangewezen vennootschap verzet kan aantekenen tegen een besluit van de vergunninghouder, treedt voor dit voorschrift in de plaats een voorschrift overeenkomstig artikel 96.
@ -1771,9 +1773,9 @@ Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Deze wet wordt aangehaald als: Mijnbouwwet.
## Bijlage . Bijlage bij de artikelen 41, 46 en 54
## Bijlage . Bijlage bij de
De lijn, bedoeld in de artikelen 41, derde lid, 46, vijfde lid, en 54, onderdelen d en e, is de lijn, welke wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c' en L', welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb. 1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder aangegeven:
De lijn, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, tweede lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, welke wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c'' en L', welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb. 1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder aangegeven:
1. genoemd punt L';