2011-01-01 | BWBR0006152 | Uitvoeringsbesluit WHW

This commit is contained in:
Coornhert 2011-01-01 12:00:00 +00:00
parent 206207a9db
commit fddbc2546a

View file

@ -30,24 +30,29 @@ g. instellingsbestuur: een instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderd
h. register: het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, derde lid, van de wet;
i. CROHO-onderdeel: een onderdeel van het register, bedoeld in artikel 3.1;
j. CRIHO: het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.52 van de wet;
k. onderwijsdeel wo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel a;
l. onderwijsdeel hbo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel b, of vierde lid, onderdeel b;
m. onderzoekdeel wo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel c;
k. onderwijsdeel wo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel a;
l. onderwijsdeel hbo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel b, of vierde lid, onderdeel b;
m. onderzoekdeel wo: het onderdeel van de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel c;
n. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3 van de wet;
o. opleiding van eerste inschrijving: opleiding waarvoor een persoon het collegegeld, bedoeld in artikel 7.45 van de wet, is verschuldigd en waarvoor geen vermindering of vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, eerste of twee lid, van de wet is verkregen;
o. opleiding van eerste inschrijving:
1° de opleiding waarvoor een student het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.43, eerste lid van de wet, is verschuldigd en waarvoor geen vermindering of vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, derde of vierde lid, van de wet is verkregen, of,
2° de opleiding waarvoor een persoon die het collegegeld, bedoeld in artikelen 7.43, tweede lid of 7.44 van de wet is verschuldigd, zich als eerste heeft ingeschreven;
p. ongedeelde opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de wet;
q. persoon: een student die behoort tot de groep van studerenden bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 of de Surinaamse nationaliteit bezit;
q. vervallen;
r. student: een persoon die
1°. blijkens het CRIHO als student voor een opleiding van eerste inschrijving is ingeschreven,
2°. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, van de wet, en
3°. in Nederland, België, Luxemburg, of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland woont;
s. peildatum: 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld;
1°. in Nederland, België, Luxemburg of een van de deelstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland woont; en
2°. behoort tot een van de groepen van studerenden, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 of de Surinaamse nationaliteit bezit; en
3°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een bacheloropleiding, terwijl hem nog geen graad is verleend; of
4°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een masteropleiding, terwijl hem nog niet de graad Master is verleend;
s. peildatum: 30 september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld;
t. peilperiode: de periode van 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld, tot en met 30 september in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld;
u. wettelijke studielast: het aantal studiepunten dat een opleiding omvat, bedoeld in de artikelen 7.4a, eerste tot en met zevende lid, en 7.4b, eerste tot en met zevende lid, van de wet;
v. graad: een blijkens het CRIHO verleende graad Bachelor of graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, van de wet, die is verleend aan een persoon die op enig tijdstip tussen 1 oktober in het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar en het moment van graadverlening in Nederland, België, of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland woonde;
w. promotie: de promotie, bedoeld in artikel 7.18 van de wet;
x. academisch ziekenhuis: een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de wet.
u. wettelijke studielast: het aantal studiepunten dat een opleiding omvat, bedoeld in de artikelen 7.4a, eerste tot en met zevende lid, en 7.4b, eerste en tweede lid, van de wet onderscheidenlijk artikel 5.4 van dit besluit;
v. wettelijke studielast: het aantal studiepunten dat een opleiding omvat, bedoeld in de artikelen 7.4a, eerste tot en met zevende lid, en 7.4b, eerste tot en met zevende lid, van de wet;
w. graad: een blijkens het CRIHO verleende graad Bachelor of graad Master, bedoeld in artikel 7.10a, eerste of tweede lid, van de wet, die is verleend aan een persoon;
x. promotie: de promotie, bedoeld in artikel 7.18 van de wet;
y. academisch ziekenhuis: een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de wet.
## Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende studenten
@ -233,24 +238,6 @@ Vervallen
### Artikel 4.1
**1.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een persoon die het afsluitend examen van een ongedeelde opleiding met goed gevolg heeft afgelegd gelijkgesteld met een persoon aan wie zowel de graad Bachelor als de graad Master is verleend.
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een persoon aan wie de graad Master is verleend, die op enig moment in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de peilperiode als student voor een ongedeelde opleiding was ingeschreven en aan wie in die periode niet de graad Bachelor is verleend, gelijkgesteld met een persoon aan wie zowel de graad Bachelor als de graad Master is verleend.
**3.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een persoon die het kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.8a van de wet, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, met goed gevolg heeft afgelegd gelijkgesteld met een persoon aan wie de graad Bachelor is verleend.
**4.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden voortgezette hbo-opleidingen als bedoeld in artikel 18.20 van de wet gelijkgesteld met masteropleidingen. Een persoon die het afsluitend examen van een dergelijke opleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt gelijkgesteld met een persoon aan wie de graad Master is verleend.
**5.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een hbo-opleiding, anders dan een voortgezette opleiding, een bachelor- of een masteropleiding, gelijkgesteld met een bacheloropleiding. Een persoon die het afsluitend examen van een dergelijke opleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt gelijkgesteld met een persoon aan wie de graad Bachelor is verleend.
**6.** Voor de toepassing van artikel 4.8 wordt voor de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, ten 1°, onder graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs verstaan: een graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs, die is verleend in de peilperiode of de daaraan voorafgaande periode van vijf jaar.
**7.** Voor de toepassing van de artikelen 4.9 en 4.20 wordt voor de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, ten 1°, onder graad Bachelor verstaan: een graad Bachelor, die is verleend aan een persoon aan wie niet reeds in peilperiode of de daaraan voorafgaande periode van vijf jaar de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, en voor de overige universiteiten: een graad Bachelor, die is verleend aan een persoon aan wie niet reeds de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend.
**8.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijven inschrijvingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 augustus 1991 en getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 augustus 1991 buiten beschouwing.
### Artikel 4.2
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt jaarlijks, in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgesteld, de omvang vast van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op een ander gebied dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van de delen daarvan.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit stelt jaarlijks, in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit die voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgesteld, de omvang vast van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van de delen daarvan.
@ -274,20 +261,20 @@ b. een onderwijsdeel hbo,
c. een onderzoekdeel wo, en
d. een deel ontwerp en ontwikkeling hbo.
### Artikel 4.2
**1.** Het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel a, wordt overeenkomstig afdeling 2 van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriële regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel a.
**2.** Het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel b, wordt overeenkomstig afdeling 2 van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriële regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel b.
**3.** Het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel c, wordt overeenkomstig afdeling 3, paragraaf 1, van dit hoofdstuk verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriële regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel c.
**4.** Het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel d, wordt overeenkomstig afdeling 3, paragraaf 2, verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel d.
**5.** Het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, wordt over de universiteiten verdeeld overeenkomstig afdeling 4.
### Artikel 4.3
**1.** Het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel a, wordt over de universiteiten met uitzondering van Wageningen Universiteit verdeeld overeenkomstig afdeling 2, paragraaf 1. Het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel a, wordt toegekend aan Wageningen Universiteit.
**2.** Het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel b, wordt overeenkomstig afdeling 2, paragraaf 2, verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel b.
**3.** Het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel c, wordt over de universiteiten met uitzondering van Wageningen Universiteit verdeeld overeenkomstig afdeling 6, paragraaf 1. Het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel c wordt toegekend aan Wageningen Universiteit.
**4.** Het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, onderdeel d, wordt overeenkomstig afdeling 3, paragraaf 2, verdeeld over de instellingen die opleidingen in het hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het deel ontwerp en ontwikkeling hbo, bedoeld in artikel 4.2, vierde lid, onderdeel d.
**5.** Het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, wordt over de universiteiten verdeeld overeenkomstig afdeling 4.
### Artikel 4.4
**1.** Het instellingsbestuur verstrekt uiterlijk 30 november in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan Onze minister de ingevolge dit besluit voor de toepassing van afdeling 2 en artikel 4.20 noodzakelijke gegevens.
**2.** Het instellingsbestuur heeft tot 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar de gelegenheid de aangeleverde gegevens, bedoeld in het eerste lid, te corrigeren.
@ -296,190 +283,107 @@ d. een deel ontwerp en ontwikkeling hbo.
**4.** Het instellingsbestuur van een universiteit verstrekt uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister een overzicht van het aantal proefschriften en ontwerperscertificaten, bedoeld in artikel 4.21.
**5.** Het instellingsbestuur van de Universiteit Maastricht verstrekt uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister tevens een overzicht van de aantallen eerstejaars en van de aantallen graden, bedoeld in artikel 4.11.
**5.** Het instellingsbestuur van de Universiteit Maastricht verstrekt uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister tevens een overzicht van de aantallen inschrijvingen en van de aantallen graden, bedoeld in artikel 4.12.
### Artikel 4.5
**6.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk en hoofdstuk 5 wordt inzake de gegevens voorafgaand aan de peilperiode uitgegaan van de gegevens uit het CRIHO zoals vastgelegd in een historisch bestand hoger onderwijs aan de hand van de door instellingen aan het CRIHO aangeleverde gegevens over de periode 1 september 1991 tot en met 30 september 2008 inzake getuigschriften, graden en inschrijvingen voor zover deze bij ministeriële regeling zijn gelijkgesteld met bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden als bedoeld in dit besluit.
**1.** De gecorrigeerde gegevens, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, en de gegevens, bedoeld in artikel 4.4, vierde en vijfde lid, gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.
**7.** Aan het historisch bekostigingsbestand hoger onderwijs, bedoeld in het zesde lid, worden vanaf september 2008 jaarlijks toegevoegd de bekostigde inschrijvingen en de bekostigde graden, vastgesteld op basis van artikel 4.10.
### Artikel 4.4
**1.** De gecorrigeerde gegevens, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, en de gegevens, bedoeld in artikel 4.3, vierde en vijfde lid, gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.
**2.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld over de controle van de jaarrekening, de besteding van de rijksbijdrage en de juistheid van de door de instellingsbesturen opgegeven bekostigingsgegevens, daaronder begrepen voorschriften over de controle op de rechtmatigheid van de verkrijging van de rijksbijdrage en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de rijksbijdrage.
### Artikel 4.6
### Artikel 4.5
De bedragen en verdelingen, vastgesteld op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd, voor zover wijzigingen in de onderdelen van de rijksbegroting die op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking hebben daartoe aanleiding geven.
### Artikel 4.7
### Artikel 4.6
Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 4.6, 4.9, 4.10, 4.12, 4.17, 4.19, 4.20, 4.21, 4.22,4.23, 4.25, 4.26 en 4.27, wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet.
Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 4.5, 4.11, 4.22 tot en met 4.27 en 5.2, wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet.
### Afdeling 2. Bepalingen over de rijksbijdrage vanwege het verzorgen van onderwijs
#### Paragraaf 1. Onderwijsdeel wo
### Artikel 4.7
**1.** Uit elk van de onderwijsdelen wordt aan de rijksbijdrage van een instelling een bedrag toegevoegd dat gelijk is aan de som van de bedragen per opleiding, bedoeld in het tweede lid, voor alle opleidingen behorend tot de desbetreffende soort hoger onderwijs die door die instelling worden verzorgd.
**2.** Het bedrag per opleiding is het product van het studentgebonden bedrag, bedoeld in het derde lid, en het aantal bekostigde inschrijvingen en graden voor die opleiding, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.10, eerste lid.
**3.**
Het studentgebonden bedrag per bekostigde inschrijving of graad is:
1°. voor opleidingen in wetenschappelijk onderwijs, het quotiënt van een door Onze Minister te bepalen percentage van het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, resterend na toepassing van artikel 4.11, eerste lid, en de som van de aantallen bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden bij opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;
2°. voor opleidingen in hoger beroepsonderwijs, het quotiënt van een door Onze Minister te bepalen percentage van het onderwijsdeel hbo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, resterend na toepassing van artikel 4.11, eerste lid, en de som van de aantallen bekostigde inschrijvingen en bekostigde graden bij opleidingen in hoger beroepsonderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;
### Artikel 4.8
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel wo wordt over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1° en ten 3°, verdeeld naar rato van de som van de aantallen te bekostigen eerstejaars per opleiding voor de desbetreffende universiteit.
**1.** Een in het CRIHO geregistreerde inschrijving voor een opleiding van eerste inschrijving van een student voor een bacheloropleiding geldt als een bekostigde inschrijving op de peildatum, indien het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bacheloropleidingen kleiner is dan de wettelijke studielast van de desbetreffende opleiding, gedeeld door 60.
**2.**
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inschrijving van een student voor een masteropleiding.
Onder eerstejaars wordt verstaan:
a. een student die op enig moment in de peilperiode is ingeschreven, die in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de peilperiode niet op 1 oktober aan de desbetreffende instelling was ingeschreven en aan wie, indien hij voor een bacheloropleiding is ingeschreven, niet de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, of
b. een student aan wie reeds de graad Bachelor in het hoger beroepsonderwijs is verleend, die op enig moment in de peilperiode is ingeschreven voor een masteropleiding en die in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de peilperiode niet op 1 oktober aan de desbetreffende instelling was ingeschreven voor een masteropleiding.
**3.** Het aantal te bekostigen eerstejaars van een opleiding is gelijk aan het product van het aantal eerstejaars en de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
**4.**
De factoren, bedoeld in het derde lid, zijn:
a. voor opleidingen met een laag bekostigingsniveau 1,
b. voor opleidingen met een hoog bekostigingsniveau 1,5, en
c. voor opleidingen met een topbekostigingsniveau 1,5.
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op inschrijvingen aan de Open Universiteit.
### Artikel 4.9
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel wo wordt over de universiteiten verdeeld op basis van de aantallen graden per opleiding die in de peilperiode door een universiteit zijn verleend.
**1.** Onder bekostigde graad Bachelor wordt verstaan: een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a van de wet, in de peilperiode verleend aan een student.
**2.** Het aantal te bekostigen graden in een opleiding is gelijk aan het product van het aantal graden, verleend in die opleiding en de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
**3.**
De factoren, bedoeld in het tweede lid, zijn:
a. voor graden Bachelor bij opleidingen met een laag bekostigingsniveau: 2/3,
b. voor graden Bachelor bij opleidingen met een hoog bekostigingsniveau: 1,
c. voor graden Bachelor bij opleidingen met een topbekostigingsniveau: 6/5,
d. voor graden Master bij opleidingen met een laag bekostigingsniveau: 1/3,
e. voor graden Master bij opleidingen met een hoog bekostigingsniveau: 1/2, en
f. voor graden Master bij opleidingen met een topbekostigingsniveau: 9/5.
**4.** Uit het onderwijsdeel wo wordt aan een universiteit een bedrag toegekend, vastgesteld door het in het tweede lid berekende aantal te bekostigen graden te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
**5.** Indien de som van de bedragen per universiteit, bedoeld in het vierde lid, afwijkt van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil van het bedrag bedoeld in het eerste lid en die som verdeeld op basis van de percentages in bijlage 4 bij dit besluit.
**2.** Onder bekostigde graad Master wordt verstaan: een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a van de wet, in de peilperiode verleend aan een student.
### Artikel 4.10
De onderwijsopslag van een universiteit bestaat uit:
**1.**
a. een bedrag dat voor de desbetreffende universiteit is vastgesteld bij ministeriële regeling in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen, en
b. het voor de desbetreffende universiteit bij ministeriële regeling vastgestelde percentage van het deel van het onderwijsdeel wo dat resteert na toepassing van de artikelen 4.8 en 4.9 en na aftrek van de som van de bedragen, bedoeld in onderdeel a.
Het aantal bekostigde inschrijvingen en graden voor een opleiding is het product van de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding, bedoeld in het tweede lid, en de som van:
a. het aantal bekostigde inschrijvingen voor die opleiding, en
b. het aantal bekostigde graden dat in die opleiding is verleend.
**2.** De factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van de opleidingen worden vastgesteld bij ministeriële regeling. Deze factoren kunnen verschillen voor opleidingen in het wetenschappelijk onderscheidenlijk het hoger beroepsonderwijs, en voor bachelor- onderscheidenlijk masteropleidingen.
### Artikel 4.11
Bij de vaststelling van het aantal te bekostigen eerstejaars en het aantal te bekostigen graden van de Universiteit Maastricht worden de op grond van artikel 4.8, derde lid, respectievelijk artikel 4.9, tweede lid, berekende aantallen vermeerderd met de aantallen te bekostigen eerstejaars met de Nederlandse nationaliteit, respectievelijk de aantallen te bekostigen graden van personen met de Nederlandse nationaliteit van de transnationale Universiteit Limburg. Onder de aantallen eerstejaars en graden met de Nederlandse nationaliteit worden tevens begrepen de aantallen eerstejaars en graden van ingeschrevenen die noch de Nederlandse noch de Belgische nationaliteit bezitten, en die voor bekostiging door de Nederlandse overheid in aanmerking worden genomen op grond van artikel 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg.
**1.** Onze Minister kan uit het onderwijsdeel van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder a onderscheidenlijk b, en vierde lid, onder a onderscheidenlijk b, aan een universiteit onderscheidenlijk een hogeschool een bedrag toekennen dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen.
#### Paragraaf 2. Onderwijsdeel hbo
**2.** Het gedeelte van een onderwijsdeel dat resteert na toepassing van het eerste lid en van artikel 4.7 wordt over de universiteiten onderscheidenlijk hogescholen verdeeld volgens percentages, vastgesteld bij ministeriële regeling.
### Artikel 4.12
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel hbo wordt over de hogescholen verdeeld naar rato van de opleiding-gewogen onderwijsvraag van de hogescholen.
**1.** Onder een opleiding, bedoeld in het artikel 4.10, eerste lid, verzorgd door de Universiteit Maastricht, is begrepen een opleiding verzorgd door de transnationale Universiteit Limburg, bedoeld in artikel 2.5, lid 1a, onder b, van de wet.
**2.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderwijsdeel hbo wordt over de hogescholen verdeeld naar rato van de instelling-gewogen onderwijsvraag van de hogescholen.
**2.** Bij de vaststelling van het aantal bekostigde inschrijvingen en het aantal bekostigde graden van de Universiteit Maastricht worden de op grond van artikel 4.10, eerste lid, berekende aantallen vermeerderd met de aantallen inschrijvingen van personen met de Nederlandse nationaliteit, respectievelijk de aantallen graden van personen met de Nederlandse nationaliteit van de transnationale Universiteit Limburg. Onder de aantallen inschrijvingen en graden met de Nederlandse nationaliteit worden tevens begrepen de aantallen inschrijvingen en graden van ingeschrevenen die de Nederlandse noch de Belgische nationaliteit bezitten en die voor bekostiging door de Nederlandse overheid in aanmerking worden genomen op grond van artikel 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg.
**3.** De opleiding-gewogen onderwijsvraag van een hogeschool is gelijk aan het totaal van de volgens artikelen 4.14 tot en met 4.18 berekende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogeschool verzorgde opleidingen, nadat deze per opleiding is vermenigvuldigd met de factor behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
**4.** De instelling-gewogen onderwijsvraag van een hogeschool is gelijk aan het totaal van de volgens de artikelen 4.14 tot en met 4.18 berekende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogeschool verzorgde opleidingen, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling voor de desbetreffende hogeschool vast te stellen factor.
**5.**
De factoren, bedoeld in het derde lid, zijn:
a. voor opleidingen met een laag bekostigingsniveau 1,
b. voor opleidingen met een hoog bekostigingsniveau 1,28, en
c. voor opleidingen met een topbekostigingsniveau 1,5.
**3.** Voor de toepassing van de artikelen 4.9 en 4.20 gelden voor de Open Universiteit als bekostigde graden de graden die zijn verleend in de peilperiode aan een persoon die is ingeschreven bij de Open Universiteit, voldoet aan het bepaalde in artikel 1.1, onderdeel r, onder 1° en 2° en bij inschrijving voor een onderwijseenheid die deel uitmaakt van een bacheloropleiding nog geen graad is verleend of bij inschrijving voor een onderwijseenheid die deel uitmaakt van een masteropleiding nog niet de graad Master is verleend.
### Artikel 4.13
**1.** In dit artikel wordt verstaan onder «de hogeschool»: de hogeschool waarvoor de rijksbijdrage wordt berekend.
**2.** In dit artikel en in de artikelen 4.14 en 4.17 wordt verstaan onder aantal inschrijvingsjaren van een persoon: het aantal malen dat deze persoon, voorafgaand aan de peildatum, op 1 oktober aan de hogeschool als student was ingeschreven.
**3.** Indien een opleiding door een andere hogeschool is overgedragen aan de hogeschool en indien een persoon op 1 oktober voorafgaand aan de overgang aan de andere hogeschool als student voor die opleiding was ingeschreven en op 1 oktober volgend op de overgang aan de hogeschool als student voor die opleiding was ingeschreven, worden voor de bepaling van het aantal inschrijvingsjaren van deze persoon de inschrijvingen aan de andere hogeschool gelijkgesteld met inschrijvingen aan de hogeschool.
**4.** Indien de hogeschool is ontstaan uit een fusie van twee of meer hogescholen die heeft plaatsgevonden voor of op de peildatum en indien de persoon voor wie het aantal inschrijvingsjaren wordt bepaald aan een of meer van de fusiepartners als student ingeschreven is geweest, wordt het aantal inschrijvingsjaren van die persoon aan de hogeschool vermeerderd met het aantal inschrijvingsjaren aan de fusiepartner waar hij het laatst als student was ingeschreven.
**5.** Indien de hogeschool is ontstaan uit een fusie van twee of meer hogescholen die heeft plaatsgevonden na de peildatum, wordt de onderwijsvraag per opleiding van de fusiepartners berekend alsof geen fusie heeft plaatsgevonden en vervolgens per opleiding gesommeerd.
Vervallen
### Artikel 4.14
**1.** In dit artikel wordt verstaan onder opleiding: een bacheloropleiding, niet zijnde een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst.
**2.** De onderwijsvraag van een opleiding wordt bepaald door de onderwijsvraagfactor voor de groep van opleidingen waartoe de opleiding behoort, te vermenigvuldigen met het aantal studenten dat op de peildatum ingeschreven staat voor de desbetreffende opleiding. Bijlage 5 bij dit besluit bevat de indeling van de groepen van opleidingen.
**3.** De onderwijsvraagfactor van een groep van opleidingen wordt berekend met de volgende formule:
**4.** Een afgestudeerde is een persoon aan wie in de peilperiode de graad Bachelor voor een opleiding behorend tot die groep van opleidingen als bedoeld in het tweede lid, is verleend.
**5.**
Een uitvaller is een persoon:
a. die op eerste dag van de peilperiode als student was ingeschreven voor een opleiding behorend tot die groep,
b. aan wie in de peilperiode door die hogeschool geen graad is verleend, en
c. die op de peildatum geen student is aan die hogeschool.
**6.**
Het gecorrigeerde aantal inschrijvingsjaren van een afgestudeerde of een uitvaller is
a. voor een afgestudeerde die op de eerste dag van de peilperiode niet als student aan de desbetreffende hogeschool was ingeschreven: 1,35;
b. voor een afgestudeerde of uitvaller die op de eerste dag van de peilperiode als student aan de desbetreffende hogeschool was ingeschreven en voor wie sprake was van herinstroom: het aantal inschrijvingsjaren vanaf het moment van herinstroom, vermeerderd met 1,35;
c. voor een afgestudeerde of uitvaller die op de eerste dag van de peilperiode als student aan de desbetreffende hogeschool was ingeschreven en voor wie geen sprake was van herinstroom: het aantal inschrijvingsjaren.
**7.** Onder herinstroom wordt verstaan de situatie waarin een persoon in een kalenderjaar na 1998 op 1 oktober als student aan een hogeschool staat ingeschreven waar deze op 1 oktober in het voorafgaande kalenderjaar niet, maar op 1 oktober van een eerder kalenderjaar wel als student stond ingeschreven. Onder moment van herinstroom wordt verstaan: 1 oktober in het kalenderjaar waarin voor de laatste maal sprake was van herinstroom.
Vervallen
### Artikel 4.15
**1.** Tot de studenten, bedoeld in artikel 4.14, tweede lid, worden niet gerekend de studenten aan wie de desbetreffende hogeschool vóór de peildatum een graad heeft verleend, tenzij ze zijn ingeschreven voor een opleiding op het gebied van onderwijs of het gebied van gezondheidszorg.
**2.**
Tot de afgestudeerden, bedoeld in artikel 4.14, worden niet gerekend de personen:
a. van wie het aantal inschrijvingsjaren kleiner is dan drie, of
b. aan wie de desbetreffende hogeschool vóór de peilperiode een graad heeft verleend.
**3.**
Tot de uitvallers, bedoeld in artikel 4.14, worden niet gerekend de personen:
a. die in de peilperiode zijn overleden,
b. aan wie de desbetreffende hogeschool vóór de peilperiode een graad heeft verleend,
c. aan wie de desbetreffende hogeschool in de peilperiode de graad Associate degree, zoals bedoeld in artikel 7.10b van de wet, heeft verleend, of
d. die op de eerste dag van de peilperiode bij de betrokken hogeschool als student waren ingeschreven voor een opleiding die in de peilperiode door de betrokken hogeschool is overgedragen aan een andere hogeschool en die op de peildatum voor de desbetreffende opleiding bij die andere hogeschool als student zijn ingeschreven.
Vervallen
### Artikel 4.16
**1.** In afwijking van artikel 4.14, derde lid, is de onderwijsvraagfactor voor een opleiding die na 1 oktober in het zevende kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar voor de eerste maal in het CROHO is opgenomen en die geen voortzetting vormt van een andere opleiding die behoort tot dezelfde groep van opleidingen, gelijk aan 0,945.
**2.** In afwijking van het artikel 4.14, derde lid, is de onderwijsvraagfactor voor een opleiding waarvoor blijkens het CROHO in de peilperiode en op de peildatum geen nieuwe studenten kunnen worden ingeschreven en die niet is voortgezet in een andere opleiding die behoort tot dezelfde groep van opleidingen, gelijk aan 0,945.
**3.** Indien de aantallen afgestudeerden en uitvallers, bedoeld in artikel 4.14, voor een groep van opleidingen beide gelijk zijn aan nul, is in afwijking van artikel 4.14, derde lid, de onderwijsvraagfactor gelijk aan 0,945.
Vervallen
### Artikel 4.17
**1.** De onderwijsvraag van een bacheloropleiding op het gebied van de kunst en een bacheloropleiding tot leraar op het gebied van de kunst is de som van het aantal studenten dat op de peildatum voor de desbetreffende opleiding is ingeschreven en de helft van het aantal personen aan wie in de peilperiode door de desbetreffende instelling de graad Bachelor in die opleiding is verleend.
**2.**
Bij het bepalen van het aantal studenten, bedoeld in het eerste lid, worden niet meegeteld:
a. studenten van wie het aantal inschrijvingsjaren sinds 2000 voor de opleiding of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool meer is dan vier, en
b. studenten die in enig jaar voor 2000 op 1 oktober als student waren ingeschreven voor de opleiding of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool.
**3.** Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld wat wordt verstaan onder «de opleiding of dezelfde opleiding aan een andere hogeschool».
Vervallen
### Artikel 4.18
De onderwijsvraag van een masteropleiding is gelijk aan het aantal studenten op de peildatum.
Vervallen
### Artikel 4.19
De onderwijsopslag van een hogeschool bestaat uit:
a. een bedrag dat voor de desbetreffende hogeschool is vastgesteld bij ministeriële regeling in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen, en
b. het voor de desbetreffende hogeschool bij ministeriële regeling vastgestelde percentage van het deel van het onderwijsdeel hbo dat resteert na toepassing van artikel 4.12 en na aftrek van de som van de bedragen, bedoeld in onderdeel a.
Vervallen
### Afdeling 3. Bepalingen over de rijksbijdrage vanwege het verrichten van onderzoek
@ -487,7 +391,7 @@ b. het voor de desbetreffende hogeschool bij ministeriële regeling vastgestelde
### Artikel 4.20
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt over de universiteiten verdeeld op basis van de aantallen graden per opleiding die in de peilperiode door een universiteit zijn verleend.
**1.** Een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de som van de aantallen bekostigde graden per opleiding, bedoeld in artikel 4.9, die in de peilperiode door een universiteit zijn verleend.
**2.** Het aantal te bekostigen graden in een opleiding is gelijk aan het product van het aantal graden, verleend in die opleiding, de factor 2 voor zover het een graad Master betreft, en de factor, behorend bij het bekostigingsniveau van de desbetreffende opleiding.
@ -499,11 +403,7 @@ a. voor een laag bekostigingsniveau: 1,
b. voor een hoog bekostigingsniveau: 1,5, en
c. voor een topbekostigingsniveau: 3.
**4.** Uit het onderzoekdeel wo wordt aan een universiteit een bedrag toegekend dat wordt vastgesteld door het in het tweede lid berekende aantal te bekostigen graden te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
**5.** Indien de som van de bedragen, bedoeld in het vierde lid, afwijkt van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en die som verdeeld over de universiteiten op basis van de percentages in bijlage 6 van dit besluit.
**6.** Onder de aantallen graden, bedoeld in het eerste lid, verleend door de Universiteit Maastricht, zijn begrepen de aantallen graden, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.11, verleend door de transnationale Universiteit Limburg, bedoeld in artikel 2.5a van de wet.
**4.** Onder de aantallen graden, bedoeld in het eerste lid, verleend door de Universiteit Maastricht, zijn begrepen de aantallen graden, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.12, tweede lid, verleend door de transnationale Universiteit Limburg, bedoeld in artikel 2.5a van de wet.
### Artikel 4.21
@ -523,7 +423,7 @@ c. voor een topbekostigingsniveau: 3.
**1.** Uit het onderzoekdeel wo kunnen aan de rijksbijdrage van de universiteiten de bedragen, vastgesteld bij ministeriële regeling, worden toegevoegd.
**2.** De verdeling van het deel van het onderzoekdeel wo dat na toepassing van de artikelen 4.19 tot en met 4.22 en het eerste lid resteert, wordt, onverminderd artikel 4.6, over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1°, bij ministeriële regeling vastgesteld.
**2.** De verdeling van het deel van het onderzoekdeel wo dat na toepassing van de artikelen 4.20 tot en met 4.22 en het eerste lid resteert, wordt, onverminderd artikel 4.5, over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1°, bij ministeriële regeling vastgesteld.
**3.** Indien een universiteit naar het oordeel van Onze minister onvoldoende rekening houdt met de prioriteit- en posterioriteitstelling van de wetenschapsgebieden die zijn aangeduid in het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, wordt daarover en over de mogelijke gevolgen voor de bekostiging van de desbetreffende universiteit overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.1 van de wet.
@ -586,8 +486,8 @@ Vergoeding van het bedrag onder a vindt plaats met ingang van het begrotingsjaar
Van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 resteert wordt:
a. 7,5 procent gelijkelijk verdeeld over de universiteiten waaraan een academisch ziekenhuis is verbonden,
b. 3,5 procent verdeeld naar rato van het aantal eerstejaars, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, aan de opleidingen geneeskunde, geneeskunde, klinisch onderzoeker en arts, klinisch onderzoeker van de universiteit,
c. 14 procent verdeeld naar rato van het aantal door de universiteit in de peilperiode verleende graden Master voor de opleidingen geneeskunde, geneeskunde, klinisch onderzoeker en arts, klinisch onderzoeker,
b. 21 procent verdeeld naar rato van het aantal bekostigde inschrijvingen, bedoeld in artikel 4.8, aan de opleidingen geneeskunde, geneeskunde-klinisch onderzoeker en arts-klinisch onderzoeker van de universiteit,
c. 14 procent verdeeld naar rato van het aantal door de universiteit verleende bekostigde graden Master, bedoeld in artikel 4.9, voor opleidingen geneeskunde, geneeskunde-klinisch onderzoeker en arts-klinisch onderzoeker van de universiteit,
d. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag toegevoegd aan de rijksbijdrage van de desbetreffende universiteit.
**2.** Het deel van het deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek dat na toepassing van de artikelen 4.25 en 4.26 en het eerste lid resteert, wordt verdeeld volgens de percentages, genoemd in bijlage 13 bij dit besluit.
@ -596,17 +496,41 @@ d. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag toegevoegd aan de rijks
### Artikel 5.1
**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum doet, in afwijking van artikel 4.4, eerste en tweede lid, het instellingsbestuur van de Open universiteit uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister een opgave van de aantallen graden, bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.20. Deze gegevens gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.
**2.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum doet, in afwijking van artikel 4.4, eerste en tweede lid, het instellingsbestuur van een universiteit, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, ten 3°, uiterlijk 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar Onze minister een opgave van de aantallen eerstejaars, bedoeld in artikel 4.8, en de aantallen graden, bedoeld in de artikelen 4.9 en 4.20. Deze gegevens gaan vergezeld van een verklaring van een accountant.
Vervallen
### Artikel 5.2
Vervallen
**1.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder leraren- of gezondheidszorgopleiding verstaan: een opleiding die is ingedeeld in het CROHO-onderdeel onderwijs of het onderdeel gezondheidszorg of een bij ministeriële regeling daarmee gelijkgestelde opleiding.
**2.**
Indien een persoon is ingeschreven voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding wordt in afwijking van artikel 1.1, onderdeel r, onder 3° en 4°, het volgende gelezen:
3°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een bacheloropleiding leraren- of gezondheidszorgopleiding, terwijl hem nog geen graad voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend; of
4°. blijkens het CRIHO is ingeschreven voor een masteropleiding leraren- of gezondheidszorgopleiding, terwijl hem nog geen graad Master voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend.
**3.** Indien het tweede lid van toepassing is en de student is reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding verleend, blijven voor de toepassing van artikel 4.8 de bekostigde inschrijvingen voor een bacheloropleiding voorafgaand aan het moment van de eerste graadverlening voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding buiten beschouwing.
**4.** Indien het tweede lid van toepassing is en de student is reeds een graad Master voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding verleend, blijven voor de toepassing van artikel 4.8 de bekostigde inschrijvingen voor een masteropleiding voorafgaand aan het moment van de verlening van de eerste graad Master voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding buiten beschouwing.
### Artikel 5.3
Vervallen
**1.** Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt onder een bacheloropleiding ook verstaan een inschrijving voor een ongedeelde opleiding van een persoon aan wie nog niet de graad Bachelor is verleend en bij wie het aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bachelor- en ongedeelde opleidingen kleiner is dan drie. Onder een masteropleiding wordt ook verstaan een inschrijving voor een ongedeelde opleiding van een persoon bij wie het aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor bachelor- of ongedeelde opleidingen drie of meer bedraagt of aan wie de graad Bachelor is verleend. De studielast van deze masteropleiding is gelijk aan de studielast van de ongedeelde opleiding verminderd met 180.
**2.** Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt voor een student aan wie reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend en bij wie het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding kleiner is dan drie, een inschrijving voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding beschouwd als een inschrijving voor een bacheloropleiding.
**3.** Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een inschrijving voor een ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding van een student aan wie reeds een graad voor een andere dan een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend en bij wie het totaal aantal eerder bekostigde inschrijvingen voor een bachelor- of ongedeelde leraren- of gezondheidszorgopleiding drie of meer bedraagt of aan wie de graad Bachelor voor een leraren- of gezondheidszorgopleiding is verleend, beschouwd als een inschrijving voor een masteropleiding met een studielast die gelijk is aan de studielast van de ongedeelde opleiding verminderd met 180.
**4.** Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een inschrijving voor een universitaire lerarenopleiding als bedoeld in artikel 18.64 van de wet of voor een voortgezette hbo-opleiding als bedoeld in artikel 18.20 van de wet beschouwd als een inschrijving voor een masteropleiding.
**5.**
Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt als een student aan wie de graad Master is verleend, tevens beschouwd een student die:
a. het afsluitend examen van een universitaire lerarenopleiding als bedoeld in artikel 18.64 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd, of
b. het afsluitend examen van een voortgezette hbo-opleiding als bedoeld in artikel 18.20 van de wet met goed gevolg heeft afgelegd.
**6.** Voor de toepassing van hoofdstuk 4 en dit hoofdstuk wordt een student die het afsluitend examen van een ongedeelde opleiding met goed gevolg heeft afgelegd beschouwd als een student aan wie zowel de graad Bachelor als de graad Master is verleend.
### Artikel 5.4
@ -684,12 +608,16 @@ Indien bij de opleidingen niet expliciet is aangegeven dat het bachelor- of mast
## Bijlage 4. , behorend bij
Vervallen
## Bijlage 5. , behorend bij
De door een hogeschool aangeboden opleidingen die behoren tot dezelfde hoofdgroep en die de deeltijdse dan wel een niet-deeltijdse vorm hebben, vormen een groep.
Vervallen
## Bijlage 6. , behorend bij
Vervallen
## Bijlage 7. , behorend bij
Onderwijs verbonden aan de Universiteit van Amsterdam