2012-04-01 | BWBR0007795 | Algemene nabestaandenwet

This commit is contained in:
Coornhert 2012-04-01 12:00:00 +00:00
parent ee3aa1f589
commit fdf7b0c979

View file

@ -225,7 +225,7 @@ e. die al recht op een nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft en die
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, tweede lid, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en een of meer mogendheden van kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels worden gesteld, die afwijken van het eerste lid.
**3.** Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat, indien de echtgenoot overlijdt in of na de maand waarin de nabestaande de leeftijd van 65 jaar bereikt.
**3.** Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat, indien de echtgenoot overlijdt op of na de dag waarop de nabestaande de leeftijd van 65 jaar bereikt.
**4.** De onderdelen *a* en *b* van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de nabestaande, zo hij niet opnieuw zou zijn gehuwd, recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad.
@ -239,7 +239,7 @@ a. niet langer aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b,
b. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; of
c. de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt.
**2.** Het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen, maar in geval van onderdeel *c* met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
**2.** Het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen, maar in geval van onderdeel c met ingang van de dag waarop de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
**3.** Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid, onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.
@ -266,6 +266,13 @@ In afwijking van het eerste lid wordt van het inkomen uit arbeid buiten aanmerki
a. een bedrag gelijk aan 50% van het bruto-minimumloon, alsmede
b. voor zover het inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het in onderdeel *a* bedoelde bedrag, een derde gedeelte van dat meerdere.
**3.**
In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:
X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en
Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
### Artikel 19
De nabestaandenuitkering wordt bij wijziging van het inkomen herzien. Deze herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin die wijziging zich voordoet.
@ -312,7 +319,7 @@ Het recht op halfwezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maan
a. **waarin niet langer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een halfwezenuitkering, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid, wordt voldaan; of
b. **waarin de halfwees de leeftijd van 18 jaar bereikt.
**2.** Het recht op halfwezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande een bruto-ouderdomspensioen voor de ongehuwde pensioengerechtigde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet ontvangt.
**2.** Het recht op halfwezenuitkering eindigt met ingang van de dag waarop de nabestaande een bruto-ouderdomspensioen voor de ongehuwde pensioengerechtigde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet ontvangt.
**3.** Het recht op halfwezenuitkering eindigt, wanneer de halfwees wordt geadopteerd door de echtgenoot van de ouder met ingang van de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
@ -988,6 +995,13 @@ c. met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het overig inkomen
**11.** Van de persoon, bedoeld in het eerste lid, eindigt de in dat lid bedoelde halfwezenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand waarin een recht op halfwezenuitkering ten behoeve van een halfwees als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 2° wordt toegekend.
**12.**
In afwijking van het tweede lid wordt in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, het bruto-minimumloon, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:
X staat voor het aantal dagen gelegen in de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt, voordat de nabestaande deze leeftijd heeft bereikt, en
Y staat voor het aantal dagen van de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
### Artikel 68
Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9, is niet van toepassing op de persoon die:
@ -995,12 +1009,6 @@ Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9, is niet van toepassing op de persoon die:
a) op 31 december 1999 op grond van artikel 14, 22 dan wel 26, recht heeft op een nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan wel wezenuitkering en op die dag niet in Nederland woont, en
b) op 19 december 2005 dit recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan wel wezenuitkering uitsluitend nog heeft op grond van artikel 2 van de wet van 9 december 2004, houdende goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid (Verdrag Nr. 118 aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122 en Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715).
### Artikel 68a
**1.** Hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 9, is niet van toepassing op de persoon op wie die paragraaf als gevolg van de opzegging van een verdrag, beëindiging van de voorlopige toepassing van een verdrag dan wel de beëindiging van een daarmee gelijk te stellen situatie van toepassing zou worden, zolang deze persoon blijft wonen in hetzelfde land als het land waar hij op de dag voor buitenwerkingtreding als gevolg van die opzegging respectievelijk op de dag voor de beëindiging woonde en blijft voldoen aan de overige voorwaarden voor het recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan wel wezenuitkering.
**2.** Onze Minister deelt mede ten aanzien van welk land, met inbegrip van de dag waarop, een verdrag als bedoeld in het eerste lid buitenwerking is getreden dan wel de voorlopige toepassing van een verdrag of een daarmee gelijk te stellen situatie als bedoeld in het eerste lid is beëindigd.
### Artikel 69
**1.** Tot de dag met ingang waarvan hij een nieuw recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van deze wet behoudt de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een tijdelijke uitkering op grond van artikel 13 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet deze uitkering voor de nog resterende periode, die is vastgesteld op grond van dit artikel van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Daarbij wordt inkomen bestaande uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten op de tijdelijke uitkering in mindering gebracht.