diff --git a/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md b/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md index b51657f33cd..d1994f03559 100644 --- a/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md +++ b/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md @@ -1,14 +1,14 @@ --- -titel: Bekostigingsbesluit WPO +titel: Besluit bekostiging WPO bwb_id: BWBR0003862 type: AMvB status: geldend datum_inwerkingtreding: '1998-07-17' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0003862 -citeertitel: Bekostigingsbesluit WPO +citeertitel: Besluit bekostiging WPO --- -# Bekostigingsbesluit WPO +# Besluit bekostiging WPO ## Hoofdstuk I. Algemene bepalingen @@ -18,7 +18,7 @@ citeertitel: Bekostigingsbesluit WPO In dit besluit wordt verstaan onder: -Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; +Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; wet: Wet op het primair onderwijs; @@ -36,7 +36,7 @@ bijzondere school: door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden s nevenvestiging: deel van een school, dat op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van de school werd als zelfstandige school functioneerde; -centrale dienst: centrale dienst die formatie ontvangt als bedoeld in artikel 132 van de wet; +centrale dienst: centrale dienst die bekostiging ontvangt als bedoeld in artikel 132 van de wet; bevoegd gezag van volgens de wet bekostigde scholen: voor wat betreft @@ -45,10 +45,7 @@ b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 55 van de wet; ouders: ouders of voogden; -teldatum: voor wat betreft: - -a. basisscholen: een van de data, bedoeld in artikel 121, eerste en tweede lid, van de wet, -b. speciale scholen voor basisonderwijs: een van de data, bedoeld in artikel 122, derde lid, van de wet; +teldatum: een van de data, bedoeld in artikel 121, eerste en tweede lid, van de wet; leerling: een leerling die op grond van het artikel 39 van de wet tot een school is toegelaten; @@ -69,19 +66,25 @@ b. een besluit van Onze Minister ingevolge het overzicht, bedoeld in artikel 69 c. een besluit van Onze minister ingevolge de artikelen 70 of 73 van de Wet op het basisonderwijs, of d. een besluit van Onze Minister naar aanleiding van een besluit van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 67, vierde lid, of artikel 72, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs, -zoals deze regeling onderscheidenlijk deze wet luidden op 31 december 1996;. - -formatiebudget: het formatiebudget, bedoeld in artikel 123, eerste lid, van de wet; +zoals deze regeling onderscheidenlijk deze wet luidden op 31 december 1996; accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; -leerlinggebonden budget: het budget, dat beschikbaar is op grond van artikel 70a van de wet. +leerlinggebonden budget: het budget, dat beschikbaar is op grond van artikel 70a van de wet; + +formatiebasisbedrag: het formatiebasisbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel a; + +formatieleeftijdsbedrag: het formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b; + +basisbedrag: het basisbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c; + +leeftijdsbedrag: het leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d. ### Titel II. Administratieve voorschriften met betrekking tot aanvang en einde bekostiging, en borgstelling ### Artikel 2 -Het bevoegd gezag van een school ten aanzien waarvan Onze Minister heeft meegedeeld dat de bekostiging een aanvang kan nemen of die ingevolge een beschikking van Onze Minister op grond van artikel 84, 87 of 88 van de wet zal worden bekostigd, zendt Onze Minister uiterlijk 3 maanden voor de datum van ingang van de bekostiging de benodigde administratieve gegevens en bescheiden voor de vaststelling van de vergoedingsbedragen, waaronder ten minste wordt begrepen het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de gegevens en bescheiden. +Het bevoegd gezag van een school ten aanzien waarvan Onze Minister heeft meegedeeld dat de bekostiging een aanvang kan nemen of die ingevolge een beschikking van Onze Minister op grond van artikel 84, 87 of 88 van de wet zal worden bekostigd, zendt Onze Minister uiterlijk 3 maanden voor de datum van ingang van de bekostiging de benodigde administratieve gegevens en bescheiden voor de vaststelling van de bekostigingsbedragen. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de gegevens en bescheiden. ### Artikel 3 @@ -91,11 +94,41 @@ Het bevoegd gezag van een school ten aanzien waarvan Onze Minister heeft meegede ### Artikel 3a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** De aanspraak op de verstrekking van bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de artikelen 129 en 137, eerste lid, van de wet, ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint. + +**2.** De aanspraak op de bekostiging voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in artikel 134, van de wet, ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint. + +**3.** In afwijking van het eerste lid, ontstaat aanspraak op bekostiging voor de uitgaven voor 1 lid van het personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint. + +**4.** + +De in het derde lid bedoelde bekostiging bestaat uit de som van: + +a. een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen respectievelijk van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs op 1 oktober voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van de nieuw geopende school begint; en +b. 2/12 van de aanvullende bekostiging voor schoolleiding, bedoeld in artikel 26. + +**5.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, bedraagt de formatie 2/12 formatieplaats. + +**6.** Onverminderd het derde lid, heeft een school die op de teldatum geen leerlingen heeft geen aanspraak op bekostiging. + +**7.** Indien een school op 1 oktober van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het zesde lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de artikelen 129 en 137, eerste lid, van de wet, met ingang van de eerste dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en het daaropvolgende schooljaar gebaseerd op het aantal leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft. ### Artikel 3b -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +**1.** Aan het bevoegd gezag van een nieuw geopende school wordt, in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor personeelskosten en de bekostiging voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding op basis van de gegevens op de teldatum, een voorschot op de bedoelde bekostiging verstrekt indien het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging aan Onze Minister meldt. + +**2.** + +Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit: + +a. de bekostiging, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid; en +b. de bekostiging, bedoeld in artikel 134 van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid. + +**3.** Op de betaling van het voorschot zijn artikel 13 en artikel 19 van overeenkomstige toepassing. + +**4.** Na vaststelling van de onderscheiden onderdelen van de bekostiging, worden de verstrekte voorschotten verrekend met de uit de respectievelijke vaststellingen voortvloeiende betalingen. + +**5.** Onze Minister kan, indien de bekostiging wegens niet aan het bevoegd gezag van een school toe te rekenen omstandigheden niet tijdig kan worden vastgesteld, in andere gevallen dan die bedoeld in het eerste lid voorschotten verlenen. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 4 @@ -167,46 +200,13 @@ d. de afstand, hemelsbreed gemeten, tussen enerzijds het hoofdgebouw van de desb ### Artikel 5a -**1.** Onder het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten wordt in dit artikel verstaan: het bedrag dat voor elk schooljaar dat de bijzondere school dan wel openbare school, bedoeld in het derde lid, onder a, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden op de wijze als aangegeven in de aanhef van het derde lid, in de Memories van Toelichting van de Rijksbegrotingen voor het jaar waarin het eind van de onderscheiden schooljaren viel, is opgenomen voor het aan die begroting voorafgaande jaar voor het basisonderwijs voor personele uitgaven, gedeeld door het in die begroting opgenomen aantal fulltime-equivalenten bekostigd personeel voor het basisonderwijs. +**1.** In geval van voortijdige beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst wordt voor elk schooljaar dat een bijzondere school dan wel een openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de wet, in stand werd gehouden, door het Rijk een bedrag ingehouden op de bekostiging van de school. -**2.** Onder het landelijk gemiddeld aantal leerlingen wordt in dit artikel verstaan: het totaal aantal leerlingen in het basisonderwijs in een schooljaar, berekend overeenkomstig artikel 152 van de wet, vermeerderd met het schoolgewicht, bedoeld in artikel 15b van het Formatiebesluit WPO, en vervolgens gedeeld door het totaal van het aantal scholen voor basisonderwijs in dat schooljaar. Bij die berekening wordt uitgegaan van de aantallen op de teldata van elk van de schooljaren dat de bijzondere school dan wel openbare school bedoeld in het derde lid, onder a, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, als bedoeld in het derde lid, onder a. +**2.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is de som van de bekostiging, bedoeld in artikel 23, artikel 24 en artikel 26, in elk van die schooljaren. -**3.** +**3.** Voor elk schooljaar dat een bijzondere dan wel een openbare nevenvestiging op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de wet, in stand werd gehouden, wordt door het Rijk een bedrag ingehouden op de bekostiging van de nevenvestiging. -Voor elk schooljaar dat een bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de wet, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, van de wet, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, wordt het bedrag van de kosten hiervan, bedoeld in artikel 157, zesde lid, van de wet, berekend door middel van de formule: - -{(a x y) – (b x y)} + c = z, waarbij - -a = het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie per leerling van de bijzondere dan wel openbare school, die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, waarbij als aantal leerlingen wordt aangemerkt het aantal, bedoeld in artikel 152 van de wet, vermeerderd met het schoolgewicht, bedoeld artikel 15b van het Formatiebesluit WPO, - -b = het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie per leerling van een school met een leerlingenaantal dat gelijk is aan het leerlingenaantal van een school met een landelijk gemiddeld aantal leerlingen, vermeerderd met het leerlingenaantal van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, waarbij als aantal leerlingen wordt aangemerkt het aantal leerlingen van beide scholen tezamen, verhoogd met 3%, op basis van de teldatum van elk schooljaar dat die bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd, onderscheidenlijk in stand werd gehouden, waarbij dat leerlingenaantal is vermeerderd met het schoolgewicht, bedoeld in artikel 15b van het Formatiebesluit WPO, - -c = - -1. het bedrag van de vaste voet in de vergoeding voor materiële instandhouding, als bedoeld in de voor elk schooljaar geldende programma’s van eisen, zoals die zijn vastgesteld op grond van artikel 113 van de wet, van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, voor elk schooljaar tot en met 31 december 1996 gedurende welke de bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, en -2. het bedrag voor de vergoeding voor materiële instandhouding in verband met de schoolgrootte, bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van de wet, van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand gehouden, voor elk schooljaar vanaf 1 januari 1997 gedurende welke de bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, - -y = het aantal leerlingen van de school, die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand gehouden en - -z = het inhoudingsbedrag. - -**4.** Indien de uitkomst van {(a x y) – (b x y)} kleiner is dan nul, wordt de uitkomst van dit onderdeel van de formule op nul gesteld. - -**5.** - -Voor elk schooljaar dat een nevenvestiging van een bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 157, derde lid, van de wet, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid van de wet, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 157, zesde lid, van de wet, berekend door middel van de formule: - -¾ (d – e) + c = z, waarbij: - -c = het bedrag voor de vergoeding voor materiële instandhouding in verband met de schoolgrootte, bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van de wet, van de nevenvestiging van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, voor elk schooljaar vanaf 1 januari 1997 gedurende welke de nevenvestiging van de bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, - -d = het landelijke bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie die de school en de nevenvestiging als zelfstandige scholen zouden ontvangen, - -e = het landelijke bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie die de school en de nevenvestiging zouden ontvangen indien sprake was van één school zonder nevenvestiging en - -z = het inhoudingsbedrag. - -**6.** Het bedrag dat door het Rijk wordt ingehouden op de vergoeding van de school of scholen en nevenvestiging of nevenvestigingen van elk bevoegd gezag dat aan de samenwerkingsovereenkomst deelnam wordt bepaald op de som van de uitkomsten van de toepassing van de formule, genoemd in het derde en vijfde lid, gedeeld door het totaal aantal leerlingen van de school of de scholen en nevenvestiging of nevenvestigingen van de bevoegde gezagsorganen die aan de samenwerkingsovereenkomst deelnamen. De uitkomst van de berekening in de vorige volzin wordt per bevoegd gezag vermenigvuldigd met het aantal leerlingen van de school of scholen en nevenvestiging of nevenvestigingen van dat bevoegd gezag. +**4.** Het bedrag, bedoeld in het derde lid, is de bekostiging, bedoeld in artikel 25, in elk van die schooljaren. ### Titel III. Leerlingenadministratie en leerlingentelling @@ -214,7 +214,7 @@ z = het inhoudingsbedrag. ### Artikel 6 -**1.** De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school beschikbaar is alsmede van de gegevens van de leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de berekening van het formatiebudget ingevolge het Formatiebesluit WPO. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen wordt in deze administratie een onderverdeling gemaakt naar leerlingen van de hoofdvestiging en leerlingen van elk van de nevenvestigingen en draagt de directeur er zorg voor dat de volledige administratie op de hoofdvestiging aanwezig is. +**1.** De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school beschikbaar is alsmede van de gegevens van de leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de berekening van de bekostiging voor personeelskosten. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen wordt in deze administratie een onderverdeling gemaakt naar leerlingen van de hoofdvestiging en leerlingen van elk van de nevenvestigingen en draagt de directeur er zorg voor dat de volledige administratie op de hoofdvestiging aanwezig is. **2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht. @@ -241,13 +241,13 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode **1.** De gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven daarvan in ieder geval deel uitmaken gedurende 5 jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven. -**2.** De gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van het formatiebudget, worden binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, genoemd in het eerste lid, vernietigd. +**2.** De gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de bekostiging voor personeelskosten, worden binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, genoemd in het eerste lid, vernietigd. #### Afdeling 2. Leerlingentelling ### Artikel 10 -**1.** Voor de toepassing van de wet worden, onverminderd artikel 8 en artikel 11, derde lid, de leerlingen op een school meegeteld die op de teldatum op die school staan ingeschreven tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd. +**1.** Voor de toepassing van de wet worden, onverminderd artikel 8 en artikel 11, vijfde lid, de leerlingen op een school meegeteld die op de teldatum op die school staan ingeschreven tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van de leerplichtige leerling als geldige reden aangemerkt een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 (*Stb.* 1971, 406). Ten aanzien van de niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden aangemerkt dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin. @@ -259,7 +259,7 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode **1.** Voor 15 oktober indien de teldatum 1 oktober is dan wel binnen 2 weken na een andere teldatum zendt het bevoegd gezag aan Onze Minister, de inspecteur en, indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders, een opgave van het aantal leerlingen overeenkomstig artikel 10. Deze opgave is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in de opgave een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën. -**2.** De opgave, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 15b van het Formatiebesluit WPO, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba. +**2.** De opgave, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de Nederlandse Antillen of Aruba. **3.** De opgave, bedoeld in het eerste lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen. @@ -271,47 +271,39 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode #### Afdeling 3. Verstrekken gewogen gemiddelde leeftijd leraren +### Artikel 11a + +**1.** Het bevoegd gezag van een school doet jaarlijks voor 1 december aan Onze Minister mededeling van de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van die school op 1 oktober daaraan voorafgaand. + +**2.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van het eerste lid. + +### Artikel 11b + +Het bevoegd gezag verstrekt gelijktijdig met de verklaring, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet, een verklaring omtrent de juistheid en tijdige aanmelding van de gegevens waarop de bekostigingsbedragen zijn of worden gebaseerd. + ### Titel IV. Boekhoudvoorschriften ### Artikel 12 -**1.** Het bevoegd gezag van een bijzondere school draagt zorg voor een overzichtelijke en deugdelijke administratie van de financiële gegevens van elk van de onder zijn beheer staande scholen. - -**2.** - -De administratie van elke bijzondere school omvat alle ontvangsten, gesplitst naar de ontvangsten ingevolge de artikelen 116, 133, 134, 135, 137, 139 tot en met 147, van de wet en de overige ontvangsten, en alle uitgaven onderscheiden naar: - -a. personele uitgaven; -b. de uitgaven voor materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding onderverdeeld in de onderdelen van de programma’s van eisen genoemd in artikel 114, eerste lid, van de wet *i*; -c. uitgaven ten behoeve van voorzieningen in de huisvesting. - -**3.** - -De administratie van elke bijzondere school omvat een overzicht van: - -a. vorderingen, -b. schulden, -c. reserveringen. - -**4.** Aan het einde van ieder kalenderjaar wordt voor elke bijzondere school een overzicht van de in de school aanwezige inventaris opgemaakt en in de administratie opgenomen waaruit in ieder geval blijkt in welk jaar de aanschaffing heeft plaatsgevonden en welke inventaris voor eigen rekening is aangeschaft. - -**5.** Aan het einde van ieder kalenderjaar wordt voor elke bijzondere school een overzicht opgesteld en in de administratie van de school opgenomen van alle uitgaven en ontvangsten die op het desbetreffende kalenderjaar betrekking hebben volgens de in het tweede lid aangegeven verdeling. In dit overzicht dient in elk geval aangegeven te worden tot welk bedrag uitgaven ten laste van onderscheidenlijk de rijksvergoeding, gemeentelijke vergoedingen of eigen middelen zijn gedaan. - -**6.** Het bestuur van een centrale dienst draagt zorg voor een overzichtelijke en deugdelijke administratie van de financiële gegevens van de centrale dienst. De administratie omvat de ontvangsten voor personeel, onderscheiden naar ontvangsten ingevolge artikel 124, 125 en 132, eerste lid, van de wet en de overige ontvangsten voor personeel en alle uitgaven voor personeel, onderscheiden naar uitgaven ingevolge artikel 124, 125 en 132, vijfde lid, van de wet, en overige uitgaven voor personeel. - -### Artikel - Vervallen ## Hoofdstuk II. Vergoeding voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding +### Artikel 12a + +**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet. + +**2.** Indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is en indien het bevoegd gezag het aantal leerlingen op 1 maart van het bekostigingsjaar voor 15 maart van dat jaar heeft gemeld, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast. + +**3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet, aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast. + ### Artikel 13 **1.** Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 134, eerste lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft. -**2.** Indien artikel 15, vijfde lid, van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 134, zesde lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 134, vierde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar. +**2.** Indien artikel 12a, tweede lid, van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 134, zesde lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 134, vierde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar. -**3.** Indien artikel 15, zesde lid, van toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot en met december van het uitkeringsjaar. +**3.** Indien artikel 12a, derde lid, van toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot en met december van het uitkeringsjaar. ### Artikel 14 @@ -327,7 +319,7 @@ B = 6,17 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder op de datum, C = 280 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 2,06), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul; -D = 3,2 x het schoolgewicht, bedoeld in artikel 15b van het Formatiebesluit WPO, waarbij als teldatum wordt aangemerkt de datum, bedoeld in het derde lid. +D = 3,2 x het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, waarbij als teldatum wordt aangemerkt de datum, bedoeld in het derde lid. **3.** @@ -345,24 +337,7 @@ c. indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is: 1 maart van het ### Artikel 15 -**1.** - -Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister ten behoeve van de vergoeding voor dat jaar voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in artikel 134, eerste lid, van de wet, in: - -a. 1°. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de gegevens waarop de vergoeding is vastgesteld, of -2°. indien de gegevens waarop de vergoeding voor dat jaar is vastgesteld naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens, -b. indien ingevolge de melding, bedoeld in artikel 15c, vierde lid, van het Formatiebesluit WPO, aanspraak bestond op verhoging van de formatie, het aantal leerlingen op 1 maart van dat jaar, -c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel *a* onder 1° en 2° en onderdeel *b*. - -**2.** Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister een verklaring van een accountant omtrent de rechtmatigheid van de uitgaven van het voorafgaande jaar, in. - -**3.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 januari een leidraad vast ten behoeve van de controle door de accountant, bedoeld in het eerste en tweede lid. - -**4.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de vergoedingen voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 115 van de wet. - -**5.** Indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is en indien het bevoegd gezag het aantal leerlingen op 1 maart van het uitkeringsjaar voor 15 maart van dat jaar heeft gemeld, stelt Onze Minister voor 1 mei de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast. - -**6.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in het eerste lid onderdeel *c*, aanleiding geeft tot wijziging van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de vergoeding voor dat jaar nader vast. +Vervallen ### Artikel 16 @@ -390,161 +365,252 @@ De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt voor elke leerling met een leerl **3.** De bedragen, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks per 1 augustus, telkens te rekenen met het laatstelijk aangepaste bedrag, bij ministeriële regeling aangepast aan de prijsontwikkeling, overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het bedrag wordt aangepast, en het jaar waarin het bedrag wordt aangepast. -## Hoofdstuk III. Vergoeding voor de uitgaven voor het personeel +## Hoofdstuk III. Bekostiging voor de personeelskosten -### Titel I. Aanvang van de bekostiging +### Titel I. Algemeen ### Artikel 18 -**1.** +**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar. -De aanspraak op vergoeding voor de uitgaven voor het personeel, bestaande uit: +**2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29, 30 en 34, vast binnen 8 weken na ontvangst van de gegevens ten behoeve van de berekening van deze bekostiging. -a. de uitgaven voor het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget, -b. de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden, en -c. de vergoedingen voor de kosten van vervanging van personeel en voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet, ontstaat met ingang van de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint. +**3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast. -**2.** In afwijking van het eerste lid, ontstaat de aanspraak op vergoeding voor de uitgaven voor 1 lid van het personeel ten hoogste acht weken voor de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging begint van een nieuw geopende school. - -### Titel II. Voorschot +**4.** De in het eerste en tweede lid bedoelde bekostigingsbedragen kunnen door Onze Minister worden gewijzigd wegens algemene salarismaatregelen of wegens andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen. ### Artikel 19 -**1.** Onze Minister verstrekt jaarlijks in de maand maart aan het bevoegd gezag van een school ten behoeve van de berekening van een voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet, een overzicht van de voor die school beschikbare formatierekeneenheden met ingang van het schooljaar volgend op de maand waarin het overzicht is verstrekt. Dit overzicht is gebaseerd op het door het bevoegd gezag van die school opgegeven aantal leerlingen op de teldatum, alsmede voor wat speciale scholen voor basisonderwijs betreft, op het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waaraan de school op de teldatum deelneemt. +**1.** De betaling van de bekostigingsbedragen voor personeelskosten, bedoeld in de artikelen 129 en 137 eerste lid, van de wet vindt maandelijks plaats in een bij ministeriële regeling vast te stellen betaalritme dat voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs alsmede voor de verschillende onderdelen van de bekostiging verschillend kan worden vastgesteld. -**2.** Onze Minister verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan het bevoegd gezag van een school een overzicht van beschikbare formatierekeneenheden, waarin de beslissingen van het bevoegd gezag met betrekking tot overdracht van formatierekeneenheden en verzilvering van niet-verbruikte formatierekeneenheden, voor zover die voor 15 mei daaraan voorgaand aan Onze Minister zijn gemeld, zijn verwerkt. +**2.** De betaling van de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 137, tweede lid, van de wet vindt, tenzij bij beschikking anders wordt bepaald, plaats in een aantal gelijke maandelijkse termijnen. + +**3.** De betaling van de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 137, derde lid, van de wet vindt plaats in twaalf gelijke maandelijkse termijnen. + +### Titel II. Vergoedingsgrondslagen ### Artikel 20 -Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de uitgaven voor het personeel aan het bevoegd gezag van een school een voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet, waarvan de hoogte afhankelijk is van de te verwachten vergoeding voor die maand. +**1.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0596 formatieplaats. + +**2.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0415 formatieplaats. + +**3.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0452 formatieplaats. ### Artikel 21 -Voor de wijze van uitkering van de voorschotten op de vergoeding voor de uitgaven voor het personeel, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet, wordt onderscheid gemaakt in: - -a. een bevoegd gezag van een school dat deelneemt aan een bij ministeriële regeling toegestaan systeem van automatisering van de salarisadministratie inzake het basisonderwijs; -b. een bevoegd gezag van een school dat niet deelneemt aan een systeem als bedoeld onder onderdeel *a*. +Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 120, vierde lid, van de wet bedraagt de formatie per leerling 0,0646 formatieplaats. ### Artikel 22 -**1.** Het bevoegd gezag van een school, bedoeld in artikel 21 onderdeel *a*, verstrekt bij benoeming van een personeelslid ten behoeve van de vaststelling van het voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid, onderdeel *a*, van de wet, de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van het voorschot. +Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: -**2.** Ingeval in de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wijzigingen optreden, doet een bevoegd gezag binnen acht weken mededeling daarvan aan het systeem waaraan het deelneemt. +a. formatiebasisbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat niet afhankelijk is van de leeftijd van personeel van de school; +b. formatieleeftijdsbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat vervolgens afhankelijk wordt gesteld van de leeftijd van personeel van de school; +c. basisbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald door de in het desbetreffende artikel genoemde formatie te vermenigvuldigen met het formatiebasisbedrag; +d. leeftijdsbedrag: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald door de in het desbetreffende artikel genoemde formatie te vermenigvuldigen met het formatieleeftijdsbedrag. ### Artikel 23 -**1.** Het bevoegd gezag van een school, bedoeld in artikel 21 onderdeel *b*, verstrekt jaarlijks voor een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip, ten behoeve van de vaststelling van het voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid, onderdeel *a*, van de wet, aan Onze Minister de gegevens betreffende het personeel. +**1.** Indien de totale bekostiging voor personeelskosten berekend op grond van artikel 120, eerste lid, van de wet vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in artikel 26, en in voorkomende gevallen vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in de artikelen 24, 25, 28, 29 en 30, voor een basisschool minder bedraagt dan een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van het personeel van de basisschool op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, wordt de bekostiging voor personeelskosten verhoogd tot het bedrag van laatstbedoelde uitkomst. -**2.** Ingeval in de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wijzigingen optreden, doet het bevoegd gezag binnen acht weken mededeling daarvan aan Onze Minister. +**2.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie 2,6927 formatieplaats. -### Artikel 23a - -**1.** Onze Minister verstrekt jaarlijks in de maand maart aan het bestuur van een centrale dienst het overzicht van de voor de centrale dienst beschikbare formatierekeneenheden met ingang van het schooljaar volgend op de maand waarin het overzicht is verstrekt. Dit overzicht is gebaseerd op de door de bevoegde gezagsorganen van de scholen in het samenwerkingsverband opgegeven aantallen leerlingen van die scholen op de teldatum. - -**2.** Onze Minister verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan het bestuur van een centrale dienst een overzicht van de beschikbare formatierekeneenheden waarin de opgave van het bestuur en de betrokken bevoegde gezagsorganen van de overdracht van formatierekeneenheden aan en door de centrale dienst, bedoeld in artikel 18a van het Formatiebesluit WPO zijn verwerkt, voor zover die voor 15 mei daaraan voorafgaand aan Onze Minister zijn gemeld. - -**3.** De artikelen 20 tot en met 23 zijn van overeenkomstige toepassing. - -### Artikel 23b - -Het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband deelt voor 1 januari aan Onze Minister mee, via welke school dan wel centrale dienst met ingang van het volgende schooljaar de gezamenlijke zorgformatie van de basisscholen moet worden toegekend. +**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool wordt geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. ### Artikel 24 -**1.** Indien de voor de bekostiging benodigde gegevens niet tijdig aan Onze Minister zijn verstrekt, kan Onze Minister bepalen dat de verstrekking van het voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort. +**1.** Een basisschool die op de teldatum minder dan 145 leerlingen had, ontvangt een toeslag voor kleine scholen. -**2.** De verstrekking van het voorschot wordt zo spoedig mogelijk hervat, doch in ieder geval niet later dan in de tweede maand volgende op de maand, waarin de benodigde gegevens door het bevoegd gezag zijn verstrekt. Tevens wordt het gedeelte van het voorschot dat als gevolg van de toepassing van het eerste lid niet is verstrekt, ter beschikking gesteld. +**2.** -### Artikel +De in het eerste lid bedoelde toeslag bestaat uit het verschil tussen: -Vervallen +a. een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar; en +b. een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal leerlingen van de school op de teldatum. + +**3.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bedraagt de formatie 2,1508 formatieplaats. + +**4.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bedraagt de formatie per leerling 0,0149 formatieplaats. + +**5.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool is geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar ### Artikel 25 -Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het voorschot, bedoeld in artikel 20 of 23a, wordt aangevraagd, vastgesteld en verstrekt. +Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de bekostiging voor personeelskosten vermeerderd met drievierde van het verschil tussen: -### Titel III. Vergoeding +a. de som van de aanvullende bekostiging voor kleine scholen die de hoofdvestiging en de nevenvestigingen als zelfstandige scholen tezamen zouden ontvangen, berekend aan de hand van de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de gehele school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, en +b. de aanvullende bekostiging voor kleine scholen die de basisschool als school zonder nevenvestigingen zou ontvangen. ### Artikel 26 -De vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet, wordt aan de hand van de totale omvang van de formatie, bedoeld in artikel 120 onderscheidenlijk 122 van de wet, voor de school afzonderlijk vastgesteld. +**1.** De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt voor basisscholen met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 97 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Voor basisscholen met een aantal leerlingen op de teldatum dat hoger is dan 97 wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag met 2 vermenigvuldigd. + +**2.** De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt voor speciale scholen voor basisonderwijs met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 99 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Voor speciale scholen voor basisonderwijs met een aantal leerlingen op de teldatum dat hoger is dan 99 wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag met 2 vermenigvuldigd. ### Artikel 27 -Vervallen +**1.** + +Voor elke leerling die volgens onderstaande tabel in een categorie kan worden ingedeeld, wordt bij de toelating tot een basisschool het bij die categorie behorende gewicht vastgesteld, met dien verstande dat een leerling slechts bij één categorie wordt ingedeeld. + +| Leerling categorie | Gewicht | | +| --- | --- | --- | +| a. | Leerling van wie beide ouders of verzorgers een schoolopleiding hebben genoten tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs. Indien het betreft een leerling uit een eenoudergezin, geldt deze opleidingseis ten aanzien van de desbetreffende ouder of verzorger. | 0,25 | +| b. | Leerling die verblijft in een internaat of pleeggezin en van wie de vader of moeder het schippersbedrijf uitoefent of heeft uitgeoefend: | 0,4 | +| c. | Leerling van wie de ouders een trekkend bestaan leiden als bedoeld in het Besluit trekkende bevolking WPO, anders dan bedoeld onder b: | 0,7 | +| d. | Leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond die tevens voldoet aan een van de volgende voorwaarden: | | +| | 1. de vader of verzorger heeft een schoolopleiding genoten tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs, | | +| | 2. de moeder of verzorgster heeft een schoolopleiding genoten tot het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs, of | | +| | 3. de meest verdienende ouder of verzorger oefent een beroep uit in loondienst, waarin hij lichamelijke of handarbeid verricht, of geniet geen inkomsten uit tegenwoordige arbeid: | 0,9 | + +Met het hebben genoten van een schoolopleiding tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs wordt gelijkgesteld het hebben doorlopen van ten hoogste de eerste twee leerjaren van een andere vorm van voortgezet onderwijs. + +**2.** Het schoolgewicht wordt berekend door de som van de volgens het eerste lid vastgestelde gewichten van de op de teldatum ingeschreven leerlingen te verminderen met een getal, gelijk aan 9% van het aantal leerlingen op de teldatum. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Indien de uitkomst negatief is, bedraagt het schoolgewicht nul. + +**3.** Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, bestaat het schoolgewicht van de basisschool uit de som van de schoolgewichten die de afzonderlijke vestigingen zouden hebben, indien zij zelfstandige scholen zouden zijn. ### Artikel 28 -**1.** Indien het bedrag aan voorschotten als bedoeld in artikel 20 in een uitkeringsjaar hoger is dan de vergoeding, stort het bevoegd gezag onverwijld het verschil terug in ’s Rijks kas tenzij Onze Minister bepaalt dat verrekening plaatsvindt met nog uit te keren vergoedingen. +**1.** Voor de aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor de bestrijding van onderwijsachterstanden voor een basisschool wordt een basisbedrag per eenheid schoolgewicht toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. -**2.** Indien het bedrag van de vergoeding hoger is dan de dienaangaande verstrekte voorschotten, vergoedt het Rijk onverwijld aan het bevoegd gezag het verschil. +**2.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie per eenheid schoolgewicht 0,0503 formatieplaats. -**3.** Onze Minister kan voorafgaand aan het vaststellen van een vergoeding, een vergoeding voorlopig vaststellen en op de voet van het eerste en het tweede lid tot voorlopige verrekening overgaan. +**3.** Voor een speciale school voor basisonderwijs met een aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de teldatum boven het aantal van 4, wordt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden per leerling boven het aantal van 4 een basisbedrag toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. + +**4.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het derde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het derde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0401 formatieplaats. + +**5.** Voor de toepassing van het eerste en derde lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool respectievelijk nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen respectievelijk van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. ### Artikel 29 -Ten aanzien van de wijze van uitkering van de vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet, is artikel 21 van overeenkomstige toepassing. +**1.** + +Aan het bevoegd gezag van een basisschool wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van het aantal leerlingen toegekend indien: + +a. het aantal leerlingen op de eerste dag van een maand in een van de maanden augustus tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van 103% van het aantal leerlingen op de teldatum en vervolgens telkens indien het aantal leerlingen van die school op de eerste dag van enige maand in de periode van september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei van het aantal leerlingen is toegekend; en +b. het bevoegd gezag van die school het aantal leerlingen binnen 4 weken op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld. + +**2.** Bij de berekening van 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de uitkomst naar beneden afgerond op een geheel getal. + +**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft plaatsgevonden en wordt berekend voor het aantal leerlingen dat het verschil is tussen enerzijds het toegenomen totale aantal leerlingen en anderzijds 103% van het aantal leerlingen op de teldatum, onderscheidenlijk het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal aanvullende bekostiging in verband met groei is toegekend. + +**4.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal leerlingen, dat de uitkomst is van de berekening in het derde lid. + +**5.** Het bedrag dat de uitkomst is van het vierde lid wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden vanaf de maand van toekenning tot het einde van het schooljaar en vervolgens gedeeld door twaalf. + +**6.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0487 formatieplaats. + +**7.** + +Indien op de dag voorafgaand aan de datum waarop de in het vierde lid bedoelde aanspraak ontstaat, de bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van de wet, van de in het eerste lid bedoelde school is gebaseerd op een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan 145 of minder bedraagt dan 148 indien reeds aanvullende bekostiging als bedoeld in het eerste lid is toegekend, wordt het in het derde lid bedoelde bedrag voor aanvullende bekostiging: + +a. indien het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, minder bedraagt dan 148, verminderd met de uitkomst van de formule: + +[((LL – VL) * (Bv)) * Mt] / 12 +b. indien het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, gelijk is aan of meer bedraagt dan 148, verminderd met de uitkomst van de formule: + +[((148 – VL) * (Bv)) * Mt] / 12 + +waarbij: + +LL = het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, + +VL = het aantal leerlingen op de teldatum verhoogd met 3% en naar beneden afgerond op een geheel getal, dan wel het aantal leerlingen op grond waarvan de laatste maal in het schooljaar aanvullende bekostiging op grond van dit artikel aan de school is toegekend, + +Bv = het basisbedrag per leerling, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag, dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, + +Mt = het aantal maanden liggend tussen de maand van de toekenning van de aanvullende bekostiging in verband met groei en het einde van het schooljaar. + +**8.** Indien gedurende het schooljaar waarin de in het derde lid bedoelde aanspraak ontstaat, voor de school aanspraak bestaat op aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, en de aanvullende bekostiging berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, groter is dan of gelijk is aan de toegekende aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, wordt de aanvullende bekostiging berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, verminderd met de aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23. + +**9.** Indien gedurende het schooljaar waarin de in het derde lid bedoelde aanspraak ontstaat, voor de school aanspraak bestaat op aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, en de aanvullende bekostiging berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, kleiner is dan de toegekende aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 23, wordt de aanvullende bekostiging, berekend overeenkomstig het derde, vierde, vijfde en zevende lid, op nul gesteld. + +**10.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het zevende lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het zevende lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0145 formatieplaats. ### Artikel 30 **1.** -Het bevoegd gezag verstrekt jaarlijks voor 1 juli ten behoeve van de afrekening van de vergoeding voor uitgaven voor het personeel, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet: +Aan het bevoegd gezag van een basisschool wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor bijzondere groei toegekend, indien: -a. over het voorafgaande jaar de gegevens betreffende het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget; -b. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid alsmede de tijdige aanmelding van de gegevens waarop de voorschotbedragen en de vergoedingsbedragen zijn of worden gebaseerd; -c. een verklaring van een accountant van de juistheid van de gegevens, bedoeld onder *b*; -d. het in het derde lid bedoelde overzicht vergezeld van een opgave van eventuele mutaties in de gegevens. +a. het aantal leerlingen van die school op 1 mei van een schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of +b. het aantal leerlingen van die school op 1 juni van een schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of +c. het aantal leerlingen van die school op 1 juni van een schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van het aantal leerlingen op 1 mei van dat schooljaar. -**2.** +**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien het bevoegd gezag van die school het aantal leerlingen op grond waarvan het bevoegd gezag aanspraak maakt op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, binnen 4 weken na de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op een daartoe bij ministeriële regeling vastgesteld formulier aan Onze Minister heeft gemeld. -Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 januari ten behoeve van de afrekening, bedoeld in dit artikel, vastgesteld: - -a. de leidraad ten behoeve van de controle door de accountant; -b. de formulieren betreffende de verklaringen bedoeld in het eerste lid, onderdelen *b* en *c*; -c. het formulier voor de verstrekking van de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel *a*. - -**3.** Ten behoeve van de afrekening van de vergoeding verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 1 februari overzichten per school betreffende formatierekeneenheden en verstrekte voorschotten. - -**4.** Onze Minister besluit binnen twee jaren na 1 juli van het jaar waarin de gegevens bedoeld in het eerste lid zijn ingediend, op de afrekening van de vergoeding. - -### Artikel 30a - -Op de vergoeding voor het bij de centrale dienst aangestelde personeel zijn de artikelen 28, 29 en 30 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «artikel 20» wordt gelezen: artikel 23a. - -### Titel IV. Overzicht inzet onderbouwformatie - -### Artikel 30b - -Vervallen - -## Hoofdstuk IV. Vergoeding voor de uitgaven voor nascholing +**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend overeenkomstig artikel 29. ### Artikel 31 -Vervallen +**1.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 132, derde lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling 0,00237 formatieplaats. + +**2.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 132, vierde lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling 0,0654 formatieplaats. ### Artikel 32 -Vervallen +**1.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 124, eerste lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling 0,0452 formatieplaats. + +**2.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 124, tweede lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling 0,0646 formatieplaats. ### Artikel 33 -Vervallen +Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 125, tweede lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling voor elk schooljaar volgend op het schooljaar van de toelating van de leerling tot de speciale school voor basisonderwijs 0,0646 formatieplaats. Indien de toelating heeft plaatsgevonden in de periode van 2 oktober tot 1 augustus daaropvolgend bedraagt de formatie per leerling in het eerste schooljaar volgend op de toelating in afwijking van de eerste volzin 0,1098 formatieplaats. ### Artikel 34 -Vervallen +**1.** -## Hoofdstuk IVa. Specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor onderwijs in allochtone levende talen +Voor een op de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs ingeschreven leerling die toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel b of c, van de Wet op de expertisecentra dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, van genoemde wet wordt een budget toegekend dat bestaat uit de som van: + +a. een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, en +b. een her te besteden basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. + +**2.** + +Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie de hoeveelheid die in onderstaande tabel is aangegeven bij de betreffende toelaatbaarheidsverklaring. + +| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel a | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel b | +| --- | --- | --- | +| a. dove kinderen | 0,2179 | 0,1846 | +| b. slechthorende kinderen | 0,1061 | 0,0821 | +| c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen | 0,1061 | 0,0821 | +| d. lichamelijk gehandicapte kinderen | 0,1061 | 0,0821 | +| e. langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap | 0,1061 | 0,0821 | +| f. zeer moeilijk lerende kinderen | 0,1061 | 0,0821 | +| g. meervoudig gehandicapte kinderen | 0,2179 | 0,0821 | +| h. cluster 4 | 0,1061 | 0,0821 | + +## Hoofdstuk IV. Correcties op de bekostiging ### Artikel 34a -Vervallen +**1.** Indien uit een op grond van artikel 175, eerste of tweede lid, van de wet, ingesteld onderzoek blijkt dat de omvang van de bekostiging voor de uitgaven ten behoeve van de materiële instandhouding, de omvang van de bekostiging voor de personeelskosten, de omvang van enige bijzondere of aanvullende bekostiging onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister tot uiterlijk één jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek correcties aanbrengen op de desbetreffende bekostiging. Onze Minister deelt het bevoegd gezag uiterlijk één jaar na ontvangst van deze bevindingen schriftelijk mede of en zo ja welke correcties hij aanbrengt. + +**2.** Indien uit het jaarverslag, bedoeld in artikel 171 van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet of uit een op grond van artikel 175 van de wet ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging. Onze Minister doet hiervan binnen een jaar na ontvangst van het jaarverslag, respectievelijk binnen een jaar na ontvangst van de bevindingen uit dat onderzoek schriftelijk mededeling aan het bevoegd gezag. + +**3.** Indien daarvoor naar zijn oordeel aanleiding is, kan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde termijnen waarbinnen correcties kunnen worden aangebracht alsmede de in het tweede lid bedoelde termijn met ten hoogste een jaar verlengen. ### Artikel 34b -Vervallen +Een in artikel 34a, eerste lid, bedoelde correctie wordt verrekend met de bekostiging waarop het bevoegd gezag aanspraak heeft of wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, door Onze Minister betaald. + +## Hoofdstuk IVa. Voorschriften betreffende berekening van overschotten bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag + +### Artikel 34c + +**1.** + +Voor de toepassing van artikel 163a van de wet wordt onder exploitatieoverschot verstaan: + +a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 129, 134 en 137 van de wet verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt, +b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten, en +c. voor zover het een niet door een gemeente in stand gehouden school betreft, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding. + +**2.** Het bevoegd gezag meldt het overeenkomstig het eerste lid berekende saldo, verdeeld naar de onderdelen a en b, respectievelijk c, van het eerste lid, tezamen met het jaarverslag over het laatste jaar waarin de school nog geheel of gedeeltelijk voor bekostiging in aanmerking kwam. De opgave gaat vergezeld van een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de opgave. + +**3.** Indien het exploitatieoverschot van een niet door een gemeente in stand gehouden school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en geen onderscheid kan worden gemaakt met de baten respectievelijk de lasten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, geldt als maatstaf voor de verdeling van eerstbedoeld deel van het exploitatieoverschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van de gemeente in een periode van vijf jaren voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister. ## Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen @@ -586,7 +652,7 @@ A = 8,50 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de da ### Artikel 37 -Dit besluit wordt aangehaald als: Bekostigingsbesluit WPO. +Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekostiging WPO. ### Artikel