2019-01-01 | BWBR0003664 | Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945

This commit is contained in:
Coornhert 2019-01-01 12:00:00 +00:00
parent c24cba5088
commit ffea0f0a0f

View file

@ -149,8 +149,8 @@ d. de Raad kan, bij beschikking, van het bepaalde onder c afwijken indien naar z
De grondslag wordt bepaald op:
a. ten minste een bedrag van € 1.867,87 per maand per 1 januari 1983per 1 juli 2018: € 2.195,11;
b. ten hoogste een bedrag van € 3.877,64 per maand per 1 januari 1983 per 1 juli 2018: € 4.557,06.
a. ten minste een bedrag van € 1.867,87 per maand per 1 januari 1983per 1 januari 2019: € 2.224,52;
b. ten hoogste een bedrag van € 3.877,64 per maand per 1 januari 1983 per 1 januari 2019: € 4.618,12.
**9.** De grondslag, waarnaar de uitkering aan de weduwe of weduwnaar bedoeld in artikel 7, onder d tot en met f, wordt berekend, wordt vastgesteld op hetzelfde bedrag als waarop de grondslag voor het burger-oorlogsslachtoffer zou zijn vastgesteld, indien hij op de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, nog in leven zou zijn geweest en op die datum voldaan zou hebben aan het bepaalde in artikel 7, onder a of b.
@ -209,7 +209,7 @@ b. 50, indien de weduwe of weduwnaar van het burger-oorlogsslachtoffer geen mind
**3.** a. De uitkering aan de minderjarige volle wees van het burger-oorlogsslachtoffer wordt naar behoefte individueel bepaald. Bij vaststelling van de uitkering wordt rekening gehouden met geëigende voorzieningen ter zake van kosten van onderwijs en opleiding.
b. De onder a bedoelde uitkering kan zo nodig worden voortgezet tot uiterlijk het bereiken van de 27-jarige leeftijd door de betrokkene, indien hij, hetzij in verband met een dagstudie, hetzij in verband met arbeidsongeschiktheid, door het ontbreken van andere geëigende voorzieningen op die uitkering is aangewezen.
**4.** De uitkering, berekend met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt niet meer dan een bedrag ter grootte van 80% van het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder b, vermenigvuldigd met 3/4 en vermeerderd met een bedrag ter grootte van 20% van het bedrag dat na inhouding van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd nog niet heeft bereikt, gelijk is aan 90% van het netto-minimumloon, rekening houdend met de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964.
**4.** De uitkering, berekend met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt niet meer dan een bedrag ter grootte van 80% van het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder b, vermenigvuldigd met 3/4 en vermeerderd met een bedrag ter grootte van 20% van het bedrag dat na inhouding van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd nog niet heeft bereikt, gelijk is aan 90% van het netto-minimumloon, rekening houdend met de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964.
**5.** De uitkering, berekend met toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onder b, bedraagt niet meer dan een bedrag ter grootte van 80% van het bedrag, bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder b, vermenigvuldigd met 5/7 en vermeerderd met een bedrag ter grootte van 20% van de uitkering bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet.
@ -371,7 +371,7 @@ Vervallen
### Artikel 27
Het bedrag, bedoeld in artikel 28, vierde lid, onder a, wordt door Onze Minister herzien, indien en voor zover de ontwikkeling van de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
Het bedrag, bedoeld in artikel 28, vierde lid, wordt door Onze Minister herzien, indien en voor zover de ontwikkeling van de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
### Artikel 27a
@ -394,7 +394,7 @@ d. de overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde.
**3.** Met inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet, alsmede de daarmede vergelijkbare uitkeringen welke worden verleend aan het overheidspersoneel.
**4.** De inkomsten uit vermogen, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden berekend naar het vermogen dat de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, bezitten. Deze inkomsten worden op jaarbasis bepaald op een percentage van dat vermogen dat gelijk is aan het forfaitaire rendementspercentage, genoemd in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Van het aldus berekende bedrag wordt een bedrag vrijgelaten, waarvan de hoogte door Onze Minister wordt bepaald.
**4.** De inkomsten uit vermogen, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden berekend naar het vermogen dat de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, bezitten. Deze inkomsten worden op jaarbasis gesteld op het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ten eerste genoemde percentage van het gedeelte van het vermogen dat behoort tot rendementsklasse I, vermeerderd met het in dat lid ten tweede genoemde percentage van het gedeelte van het vermogen dat behoort tot rendementsklasse II. De omvang van het gedeelte van het vermogen dat behoort tot een van beide rendementsklassen wordt bepaald aan de hand van de voor die twee rendementsklassen geldende percentages in de eerste vermogensschijf van de in dat artikel genoemde tabel. Van het aldus berekende bedrag wordt een bedrag vrijgelaten, waarvan de hoogte door Onze Minister wordt bepaald.
**5.** Bij bedrijfsbeëindiging vindt het bepaalde in het eerste lid, onder c, en het vierde lid, van dat tijdstip af overeenkomstige toepassing.