--- titel: Binnenvaartregeling bwb_id: BWBR0025958 type: ministeriele-regeling status: geldend datum_inwerkingtreding: '2022-02-15' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0025958 citeertitel: Binnenvaartregeling --- # Binnenvaartregeling ## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ### Paragraaf 1. Begripsbepalingen ### Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - *bevoegde autoriteit:* autoriteit als bedoeld in artikel 6, derde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 of bedoeld in artikel 1.18; - *besluit:* Binnenvaartbesluit; - *CBR:* Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk (Z-H); - *competentieverklaring dekbemanningslid:* door een bevoegde autoriteit afgegeven verklaring waarin wordt verklaard dat een matroos, volmatroos of stuurman voldoet aan de competentienormen van het operationele niveau van Richtlijn 2017/2397; - *dienstboekje:* persoonlijk register waarin de gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, met name de vaartijden en de gemaakte reizen; 1°. *duwbak:* schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, geschikt om te worden geduwd en dat: 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn; 1°. 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk 2°. 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn; - *duwstel:* hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken; - *ES-QIN:* Europese standaard voor kwalificaties in de binnenvaart, editie 2019, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart, ingesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bij plenaire zitting in juni 2015 en raadpleegbaar op: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2020/03/ES-QIN_2019_nl.pdf; - *ES-TRIN:* Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, editie 2025/1, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart, ingesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bij plenaire zitting in juni 2015 en raadpleegbaar op: https://www.cesni.eu/wp-content/uploads/2024/11/ES_TRIN_2025_signed_nl.pdf; - *Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2020/12:* Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2020/12 van de Commissie van 2 augustus 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft normen betreffende competenties en de overeenkomstige kennis en vaardigheden voor praktijkexamens, de goedkeuring van simulatoren en medische geschiktheid; - *Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473:* Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473 van de Commissie van 20 januari 2020 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de normen voor gegevensbanken voor EU-kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken; - *gekoppeld samenstel:* samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel; - *groot konvooi:* een duwstel waarbij het product van de totale lengte en de totale breedte van het geduwde vaartuig 7.000 vierkante meter of meer bedraagt; - *groot pleziervaartbewijs I:* groot pleziervaartbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren; - *groot pleziervaartbewijs II:* groot pleziervaartbewijs voor de vaart op alle binnenwateren; - *hecht samenstel:* een duwstel of een gekoppeld samenstel; - *ICC:* internationaal certificaat van competentie als bedoeld in resolutie 40, nr. TRANS/SC.3/147, van de Working Party on Inland Transport van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, van 16 oktober 1998, overeenkomstig bijlage 7.5 bij deze regeling; - *klein vaarbewijs I:* klein vaarbewijs voor de vaart op rivieren, kanalen en meren; - *klein vaarbewijs II:* klein vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren; - *kwalificatiecertificaat:* door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een dekbemanningslid aan de voorschriften van Richtlijn 2017/2397 voldoet; - *kwalificatiecertificaat deksman:* een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de deksman; - *kwalificatiecertificaat lichtmatroos:* een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de lichtmatroos; - *kwalificatiecertificaat matroos:* een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de matroos; - *kwalificatiecertificaat schipper:* door een bevoegde autoriteit afgegeven certificaat zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet waarin wordt verklaard dat een schipper een vaarbevoegdheid bezit en aan de voorschriften van Richtlijn 2017/2397 wordt voldaan; - *kwalificatiecertificaat stuurman:* een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de stuurman; - *kwalificatiecertificaat volmatroos:* een kwalificatiecertificaat voor dekbemanningsleden waarmee wordt aangetoond dat aan de competentievereisten wordt voldaan die op grond van richtlijn 2017/2397 worden gesteld aan de volmatroos; - *minister:* Minister van Infrastructuur en Waterstaat; a. *open rondvaartboot:* passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 20 meter en dat: a. is ingericht en bestemd uitsluitend voor rondvaarten met een niet-onderbroken vaarduur van ten hoogste twee uren, b. geen gesloten opbouw heeft, c. geen doorlopend dek heeft, en d. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4; a. a. is ingericht en bestemd uitsluitend voor rondvaarten met een niet-onderbroken vaarduur van ten hoogste twee uren, b. b. geen gesloten opbouw heeft, c. c. geen doorlopend dek heeft, en d. d. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4; - *patrouillevaartuig:* schip voor zover ingezet voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak; - *richtlijn 87/540/EEG:* richtlijn nr. 87/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma’s, certificaten en andere titels (PbEG L 322); - *richtlijn 96/50/EG:* richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEU L 235); - *Richtlijn 2017/2397:* Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad (PbEU 2017, L 345); a. *rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype:* passagiersschip met een lengte op de waterlijn van minder dan 25 meter, zoals ontwikkeld voor de rondvaarten in Amsterdam, en dat: a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord, b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met grote ramen, c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn, d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, en e. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4; a. a. één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord, b. b. is voorzien van een grotendeels doorgaande opbouw met grote ramen, c. c. een tot beneden het gangboord verzonken open kuip kan hebben van ten hoogste 25% van de lengte op de waterlijn, d. d. een stuurstand heeft aan de voorzijde van de passagiersaccommodatie, en e. e. is bestemd voor gebruik op de binnenwateren van zones 3 of 4; - *RosR:* het door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde Reglement onderzoek schepen op de Rijn, zoals opgenomen in bijlage 1.1; - *Rsp:* bij resolutie van 8 december 2022 (protocol 2022-II-9) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgesteld Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn; - *SAB:* Stichting Afvalstoffen & Vaardocumenten Binnenvaart; - *schipper:* dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading; - *specifieke vergunning:* een door een bevoegde autoriteit afgegeven aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper waarmee wordt aangegeven dat de schipper aan aanvullende voorschriften van Richtlijn 2017/2397 voldoet; - *vaarbewijs:* bewijs van vaarbevoegdheid; - *vaartijd:* tijd, uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een door de bevoegde autoriteit gevalideerde reis met een vaartuig op binnenwateren, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen; - *verordening (EEG) 2919/85:* verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (PbEG L 280); - *verordening (EU) 2016/1628:* verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L 252). ### Paragraaf 2. Binnenwateren ### Artikel 1.2 Binnenwateren zijn de wateren die in Nederland zijn gelegen binnen de langs de Nederlandse kust gaande lijn, die loopt van: – – het snijpunt van de breedtecirkel 53°26'.5 N met de Duitse kust ter plaatse van Upleward, – – vandaar naar het punt met de coördinaten 53°26'.5 N en 006°55'.9 E, – – vandaar naar een punt gelegen 25 meter westelijk van de kop van de strekdam van Borkum, – – vandaar via de noordelijkste punten van Rottumeroog, Rottumerplaat en de zandplaat Simonszand, naar het oostelijkste punt van Schiermonnikoog, en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van Schiermonnikoog, – – vandaar naar het noordelijkste punt van de zandplaat Het Rif, – – vandaar naar het oostelijkste punt van Ameland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, – – vandaar naar het oostelijkste punt van Terschelling en voorts langs de noordelijke kustlijn naar het westelijkste punt van dit eiland, – – vandaar naar het noordelijkste punt van Vlieland en voorts langs de noordelijke kust naar het westelijkste punt van dit eiland, – – vandaar naar het noordelijkste punt van Texel en voorts langs de westelijke kust tot het snijpunt van de kustlijn en de lijn tussen het Loodsmansduin te Texel, met de coördinaten 53°01'.3 N en 004°43'.7 E, en het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E op het eiland Noorderhaaks, – – vandaar naar het punt met de coördinaten 52°58'.4 N en 004°39'.4 E, – – vandaar naar de Noord-Hollandse kust ter hoogte van de vuurtoren Kijkduin bij Den Helder en voorts langs de kust van Noord- en Zuid-Holland, waarbinnen zijn begrepen de hoofden van IJmuiden, Scheveningen en Hoek van Holland, tot aan de Haringvlietdam, – – vandaar langs de zeezijde van deze dam en de zeezijde van de buitenhaven van Stellendam, naar Goeree en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de Brouwersdam, – – vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Schouwen en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de afsluiting in de Oosterschelde, – – vandaar langs de zeezijde van deze afsluiting, over de havenhoofden van de vluchthaven Neeltje Jans en de Noordland Buitenhaven (Roompotsluis), naar Noord-Beveland en voorts langs de kustlijn hiervan naar de Veersedam, – – vandaar langs de zeezijde van deze dam naar Walcheren en voorts langs de westelijke kust hiervan naar de lichtopstand de Nolle, met de coördinaten 51°26'.9 N en 003°33'.1 E, bij Vlissingen, – – vandaar naar de lichtopstand Nieuwe Sluis, met de coördinaten 51°24'.4 N en 003°31'.3 E, in Zeeuws-Vlaanderen en voorts langs de noordwestelijke kust hiervan over de hoofden van de haven van Cadzand-Bad naar het punt van grensovergang tussen Nederland en België. ### Artikel 1.3 De zones, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet zijn: a. a. de zones 2, 3 en 4 genoemd in bijlage I van richtlijn (EU) 2016/1629; b. b. de zone R, die de binnenwateren omvat, bedoeld in onderdeel a, waarvoor een certificaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, volgens de bewoordingen van dat artikel bij het in werking treden van de wet. ### Paragraaf 3. Algemene bepalingen met betrekking tot documenten ### Artikel 1.4 Onverminderd het bepaalde in het Rsp ten aanzien van het aanvragen van Rijnpatenten, kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen wordt voor het aanvragen van een krachtens de wet vereist document de wijze van aanvragen toegepast die de afgevende instantie voorschrijft. ### Artikel 1.5 **1.** De verplichting tot het aan boord hebben van documenten, afgegeven ingevolge of krachtens de wet, geldt niet voor de volgende vaartuigen: a. a. bokken; b. b. kranen; c. c. baggermolens; d. d. hopperzuigers; e. e. elevatoren; f. f. schepen zonder verblijven, zoals duwbakken, dekschuiten, pontons; g. g. open rondvaartboten, behalve ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs en mits het certificaat van onderzoek ter plaatse waar de rondvaarten beginnen, aanwezig is; h. h. binnenschepen waarvoor ingevolge artikel 785, tweede lid, van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geen verplichting tot teboekstelling bestaat, behalve motorboten als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit ten aanzien van de verplichting met betrekking tot het vaarbewijs. **2.** De vrijstelling voor de in het eerste lid, onderdeel f, genoemde schepen geldt alleen indien: a. a. op het schip een metalen plaat is aangebracht waarop staan vermeld het certificaatnummer, de zone, onderscheidenlijk zones waarvoor het certificaat van onderzoek geldig is en de datum tot welke het certificaat geldig is; b. b. de vermeldingen, bedoeld in onderdeel a, in goed leesbare letters en cijfers met een diepte van ten minste 6 mm zijn ingehakt en de metalen plaat, bedoeld in onderdeel a, een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm heeft en op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats is bevestigd; c. c. de overeenstemming tussen de vermeldingen op de plaat en de aantekeningen in het certificaat is bevestigd door een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport door middel van het aanbrengen van een stempel op de plaat; d. d. bij gebruik van het schip op de in Nederland gelegen binnenwateren het certificaat bij de eigenaar van het schip in bewaring is; en e. e. bij grensoverschrijding het certificaat aan boord is van het schip dat het duwstel, gekoppeld samenstel of de sleep voortbeweegt. ### Paragraaf 4. Voorschriften voor de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek ### Artikel 1.6 **1.** Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het RosR met de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in bijlage 1.1 bij deze regeling en wordt aangehaald als: Reglement onderzoek schepen op de Rijn. **2.** Bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid handelt de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 1.19, overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van het RosR. **3.** De minister maakt de dienstinstructies, bedoeld in het tweede lid, bekend in de Staatscourant. ### Artikel 1.7 **1.** De gezagvoerder van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.03 tot en met 1.05, en hoofdstuk 8a van het RosR, van de hoofdstukken 3 tot en met 31, met uitzondering van de artikelen 8.07, derde lid, 10.07, derde lid, 15.01, derde en vierde lid, 17.15, tweede en derde lid, 19.05, eerste lid, en 21.06, eerste lid, van ES-TRIN en van de artikelen 3.01, 3.02, eerste lid, onderdeel a, 4.01, 4.02, 5.01, eerste, derde en zesde lid, 10.01, 11.01, 17.01, eerste lid, tweede lid, derde alinea, derde lid en vierde lid, 18.01, 18.02, eerste, tweede en derde lid, 18.03, 18.04, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het Rsp. **2.** De eigenaar van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 1.03 tot en met 1.05, 2.08, eerste lid, 2.09, eerste lid, en hoofdstuk 8a van het RosR en van de hoofdstukken 3 tot en met 31, met uitzondering van de artikelen 8.07, derde lid, 10.07, derde lid, 15.01, derde en vierde lid, 17.15, tweede en derde lid, 19.05, eerste lid, en 21.06, eerste lid, van ES-TRIN en van artikel 19.01, eerste lid, van het Rsp. **3.** De werkgever van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 3.01, 3.02, eerste lid, onderdeel a, 4.01, 4.02, 5.01, eerste, derde en zesde lid, 10.01, 11.01, 17.01, eerste lid, tweede lid, derde alinea, derde lid en vierde lid, 18.01, 18.02, eerste tot en met derde lid, 18.03 en 18.04, eerste, derde, vierde en vijfde lid, van het Rsp. **4.** Een lid van de bemanning van een schip dat de Rijn bevaart, niet zijnde de gezagvoerder, is verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 3.05, eerste lid, onderdeel b, 4.02, en 5.01, eerste, derde en vijfde lid, van het Rsp. **5.** Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de krachtens artikel 1.06, eerste lid, van het RosR of artikel 1.03 van het Rsp aangebrachte tijdelijke afwijkingen. ### Artikel 1.8 Op een tachograaf waarmee vaartijd kan worden geregistreerd als bedoeld in artikel 18.01, derde lid, van het Rsp is bijlage 5, onderdeel V, van ES-TRIN van toepassing, alsmede bijlage 1.4. ### Artikel 1.9 **1.** Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek is van kracht het Rsp, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen, dat is opgenomen in bijlage 1.9. **2.** Onverminderd het eerste lid is op de Rijn in Nederland, met inbegrip van de Waal en de Lek, van toepassing: a. a. hoofdstuk 7, paragrafen 1 en 2; b. b. mits tijdens de vaart de Duits-Nederlandse grens in de ene of de andere richting niet wordt overschreden: 1°. de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 2.9; 2°. de omschrijving van zeeschepen in artikel 5.10; 3°. de vrijstellingen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 5; 4°. de rusttijden bedoeld in het Arbeidstijdenbesluit vervoer, hoofdstuk 5 Binnenvaart. 1°. 1°. de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 2.9; 2°. 2°. de omschrijving van zeeschepen in artikel 5.10; 3°. 3°. de vrijstellingen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 5; 4°. 4°. de rusttijden bedoeld in het Arbeidstijdenbesluit vervoer, hoofdstuk 5 Binnenvaart. ### Artikel 1.10 In plaats van de patenten, bedoeld in artikel 11.01, tweede lid, van het Rsp, volstaat voor de vaart op de Rijn benedenstrooms van het Spijksche Veer, met inbegrip van de Waal en de Lek: a. a. een klein vaarbewijs; b. b. een ingevolge artikel 7.11 erkend bewijs van vaarbekwaamheid; of c. c. een Militair vaarbewijs, geldig voor het besturen van een klein legervaartuig op rivieren, kanalen en meren, afgegeven door het Genie opleidingscentrum. ### Artikel 1.11 **1.** Het radarpatent, bedoeld in artikel 20.09, eerste lid, van het Rsp en de specifieke vergunningen op met behulp van radar te mogen varen, bedoeld in artikel 13.02 van het Rsp en artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c, zijn gelijkwaardig aan elkaar en worden tevens tot en met 17 januari 2032 gelijkgesteld met: a. a. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het Besluit reglement radarpatenten zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het Besluit Patentreglement Rijn; b. b. het radardiploma voor de Rijn, afgegeven krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1965, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn (Stb. 660), zoals dit gold tot de inwerkingtreding van het Besluit Reglement radarpatenten; c. c. het radardiploma binnenvaart, afgegeven krachtens de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de Regeling radarpatent binnenvaart; d. d. het radardiploma Rijn- en binnenvaart, bedoeld in artikel 17, onderdeel b, van de Regeling radardiploma binnenvaart, zoals deze gold tot de inwerkingtreding van de Regeling radarpatent binnenvaart; e. e. het radarbrevet, afgegeven krachtens het koninklijk besluit tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart van 15 oktober 1993 (Belgisch Staatsblad, 2757). **2.** In plaats van met het radarpatent, bedoeld in artikel 20.09, eerste lid, van het Rsp en de specifieke vergunningen op met behulp van radar te mogen varen, bedoeld in artikel 13.02 van het Rsp en artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c, kan voor de vaart op de scheepvaartwegen, bedoeld in artikel 4.06, derde en vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, tot en met 17 januari 2032 worden volstaan met: a. a. de stuurliedendiploma’s, afgegeven krachtens de Wet op de zeevaartdiploma’s, met uitzondering van het diploma stuurman kustsleepvaart en het diploma stuurman beperkte kleine handelsvaart; b. b. het bewijs van bevoegdheid van radarwaarnemer en het bewijs van bevoegdheid van radarnavigator, ter verkrijging van het diploma, bedoeld in onderdeel a; c. c. het bewijs van bevoegdheid, afgegeven krachtens annex II/2, II/3 en II/4 van het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (Trb. 1981, 144); d. d. het radardiploma ruime wateren, afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart. ### Artikel 1.12 Vervallen ### Artikel 1.13 Vervallen ### Artikel 1.14 **1.** Voor de Rijn in Nederland met inbegrip van de Waal en de Lek voldoen de kleur, de sterkte van de lichten, alsmede de goedkeuring van de navigatielantaarns aan de eisen van richtlijn (EU) 2016/1629. **2.** Navigatielantaarns die zijn goedgekeurd met inachtneming van de in artikel 5, eerste lid, van het Besluit Rijnvaartpolitiereglement 1983 (Stb. 389), bedoelde voorschriften worden geacht te zijn goedgekeurd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorschriften. ### Artikel 1.15 Typen van radarapparatuur die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze radarapparatuur tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is. ### Artikel 1.16 Typen van bochtaanwijzers die voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd met inachtneming van de resolutie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart van 23 april 1969 (protocol 1969-II-18) zijn met ingang van 1 januari 2000 niet meer in een schip ingebouwd. Is de goedkeuring geschied voor 1 januari 1990, dan is het gebruik van deze bochtaanwijzers tot 1 januari 2010 aan boord van een schip toegestaan indien een geldige verklaring omtrent inbouw en functioneren daarvan aanwezig is. ### Artikel 1.17 **1.** De inbouw of vervanging, alsmede de reparatie en het onderhoud van radarinstallaties en bochtaanwijzers mogen slechts worden uitgevoerd door bedrijven, die door de bevoegde autoriteit zijn erkend. **2.** De erkenning kan aan een door de bevoegde autoriteit te bepalen termijn worden verbonden en kan door deze worden ingetrokken indien de keuringsvoorwaarden bedoeld in bijlage 5, onderdelen I en II, van ES-TRIN niet langer vervuld zijn. **3.** De bevoegde autoriteit deelt per omgaande aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mee welke bedrijven zijn erkend. ### Artikel 1.17a Het Inland ECDIS-apparaat in de informatiemodus, het daarmee vergelijkbare visualiseringssysteem en de elektronische binnenvaartkaarten moeten aan de in bijlage 1.10 opgenomen minimumeisen voldoen. ### Artikel 1.18 **1.** De bevoegde autoriteit in de zin van de in de artikelen 1.6 en 1.9 bedoelde reglementen is de minister. **2.** In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit: a. a. de directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken in artikel 2.18 van het RosR; b. b. de voorzitter van de commissie van deskundigen in de artikelen 2.11, eerste lid, 2.12, tweede lid, 2.20, eerste, tweede en derde lid, en 2.21, eerste, tweede, derde en vierde lid van het RosR en de artikelen 9.00, tweede lid, 9.01, vijfde lid, 9.05, 9.06, 9.07, 9.08 en artikel 9.09, tweede lid, onderdeel b, en 25.01, tweede lid, onderdeel h, van ES-TRIN; c. c. de hoofdingenieurs-directeuren van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat Oost-Nederland en Zuid-Holland, ieder voor zover het zijn ambtsgebied betreft, in de artikel 2.11, eerste lid, van het RosR en de artikelen 5.03, eerste lid en 23.01 van ES-TRIN; d. d. de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering in de artikelen 2.11, eerste lid. **3.** In afwijking van het eerste lid is de bevoegde autoriteit in het Rsp: a. a. de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport in de artikelen 2.01, 3.03, 4.01, tweede lid, 4.02, derde lid, 5.01, derde lid, 8.01, 8.02, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 8.03, eerste en derde lid, 18.04, eerste, tweede en vierde lid en 20.01, tweede lid; b. b. de in artikel 10.2 aangewezen ambtenaren alsmede de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Politiewet 2012 in artikel 8.03, eerste lid; c. c. de voorzitter van de commissie van deskundigen in artikel 18.04, eerste, tweede en vierde lid; d. d. de Dienst wegverkeer in bijlage 5, onderdeel V, artikel 3, punt 1, van ES-TRIN; e. e. de ambtenaren, bedoeld in artikel 45 van de wet in artikel 8.01; f. f. het CBR in artikelen 1.05, tweede en derde lid, 1.06, eerste en tweede lid, 2.01, 4.01, tweede lid, 4.02, derde lid, 6.01, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 7.03, eerste lid, 8.01, 8.02, 8.03, 12.01, vierde lid, 12.02, derde lid, 12.03, derde lid, 12.04, eerste lid, 12.06, 12.07, 12.08, 13.02, derde en vierde lid, 13.03, vierde, vijfde en zesde lid, 13.04, derde lid, 13.06, tweede lid, 15.04, 15.05, eerste en derde lid, 15.06, tweede lid, 16.02, 16.03, 16.04, 16.05, 16.06, eerste en derde lid, 16.10 en 20.03, tweede en derde lid, 20.10, tweede lid; g. g. de SAB in artikel 2.01. **4.** De in het eerste en derde lid bedoelde bevoegde autoriteiten voeren het Rsp uit overeenkomstig de dienstinstructies van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart betreffende de toepassing van dat reglement. **5.** De minister maakt de in het vierde lid bedoelde dienstinstructies bekend in de Staatscourant. ### Paragraaf 5. De commissie van deskundigen en de technische commissie ### Artikel 1.19 **1.** Er is een commissie van deskundigen. **2.** Van deze commissie maken deel uit: a. a. als deskundigen: de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die zijn belast met het onderzoek van schepen en de afgifte van certificaten van onderzoek, alsmede de hoofdingenieur-directeur van de directie Oost-Nederland van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; b. b. als deskundige, uitsluitend belast met de afgifte van vaartijdenboeken voor de Rijnvaart en de daarbij behorende verklaringen: de hoofdinspecteur Toezichtseenheid Binnenvaart van de Inspectie Leefomgeving en Transport; c. c. als voorzitter: de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport; d. d. als plaatsvervangend voorzitter: de plaatsvervangend inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. **3.** Een besluit genomen door de voorzitter of een deskundige van de commissie wordt gelijkgesteld met een besluit genomen door de commissie van deskundigen. ### Artikel 1.20 **1.** Er is voor de duur van vijf jaar een technische commissie. **2.** Van deze commissie maken als lid deel uit: a. a. vertegenwoordigers van de classificatiebureau’s die als zodanig door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn erkend; b. b. vertegenwoordigers van de overige keuringsinstanties die in opdracht van de minister onderzoek van schepen verrichten; c. c. een vertegenwoordiger van het Deelorgaan Binnenvaart van de Overlegorganen Verkeer en Waterstaat. **3.** Deze commissie staat onder voorzitterschap van de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport. **4.** De werkwijze van deze Commissie is nader geregeld in een door de minister goedgekeurd reglement van orde. ### Paragraaf 6. Rijnvaartverklaring ### Artikel 1.21 Bij bedrijfsmatig vervoer van goederen en personen tussen twee punten gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte, bevindt de Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit of een gewaarmerkt afschrift daarvan zich aan boord van het schip waarvoor het is afgegeven. ### Paragraaf 7. Doorwerking toekomstige wijzigingen van Europese richtlijnen ### Artikel 1.22 Een wijziging van richtlijn (EU) 2016/1629 gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. ## Hoofdstuk 2. Eisen aan ondernemers en bemanningsleden ### Paragraaf 1. Bewijs vakbekwaamheid voor ondernemers in de binnenvaart ### Artikel 2.1 Artikel 6, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op: a. a. vervoer met binnenschepen waarvan het laadvermogen niet meer dan 200 metrieke ton bedraagt; b. b. vervoer van: 1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden gebruikt voor het beroepsvervoer van personen; 2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd; of 3°. aan de vervoerder toebehorende goederen, mits het totale gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn. 1°. 1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden gebruikt voor het beroepsvervoer van personen; 2°. 2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd; of 3°. 3°. aan de vervoerder toebehorende goederen, mits het totale gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn. ### Artikel 2.2 De vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, wordt aangetoond door middel van: a. a. de volgende diploma’s: 1°. het vakdiploma Ondernemer in de binnenvaart van het CBR, 2°. het diploma MBO Rijn- en Binnenvaart, 3°. het diploma Kapitein binnenvaart niveau 3 of niveau 4, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met de opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110 of 95640; 1°. 1°. het vakdiploma Ondernemer in de binnenvaart van het CBR, 2°. 2°. het diploma MBO Rijn- en Binnenvaart, 3°. 3°. het diploma Kapitein binnenvaart niveau 3 of niveau 4, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met de opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110 of 95640; b. b. een op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven vergunning voor het beroepsvervoer van goederen; of c. c. het bewijsstuk, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid. ### Artikel 2.3 Voor de examens ter verkrijging van een diploma als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is een door de minister goedgekeurd examenreglement van toepassing. ### Artikel 2.4 **1.** Natuurlijke personen die bewijzen dat zij voor het tijdstip, bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 87/540/EEG, in een lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte het beroep van ondernemer van nationaal of internationaal goederenvervoer over de binnenwateren wettelijk hebben uitgeoefend, voldoen aan de eis van vakbekwaamheid en ontvangen van de minister op aanvraag een desbetreffend bewijsstuk. **2.** Als bewijsstuk van vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld het document overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 2.1 bij deze regeling. ### Artikel 2.5 **1.** Aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, behoeft gedurende een jaar niet te worden voldaan door: a. a. de erfgenaam of, indien er meer erfgenamen zijn, gezamenlijke erfgenamen van de overleden houder van een bewijs van vakbekwaamheid; b. b. een, door of namens de houder van een bewijs van vakbekwaamheid, gemachtigde in geval van lichamelijke ongeschiktheid of wettelijke onbekwaamheid van de houder van een bewijs van vakbekwaamheid. **2.** De termijn, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, gaat in op de dag van het plaatshebben van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onder a of b. De minister kan op aanvraag in bijzondere gevallen deze termijn met ten hoogste 26 weken verlengen. ### Artikel 2.6 De minister kan op aanvraag een ontheffing als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de wet, verlenen aan een persoon die aantoonbaar beschikt over een praktijkervaring van ten minste drie jaar in het dagelijks beheer van de betrokken onderneming, indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 87/540/EEG. ### Artikel 2.7 De houder van een bewijs van vakbekwaamheid draagt er zorg voor dat dit bewijs op één van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd: a. a. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van het binnenschip; of b. b. aan de hand van de gegevens uit het handelsregister bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007. ### Artikel 2.8 Een wijziging van richtlijn 87/540/EEG gaat voor de toepassing van de artikelen 2.4 en 2.6 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. ### Paragraaf 2. Bekwaamheidseisen voor bemanningsleden ### Artikel 2.9 **1.** Dit artikel is van toepassing op de bemanningsleden van schepen als bedoeld in artikel 12 van het besluit, varend op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren. **2.** Een schipper is: a. a. in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp of een krachtens artikel 20.03, eerste lid, van dat reglement geldig Rijnschipperspatent; b. b. in het bezit van een kwalificatiecertificaat schipper of ander vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet; of c. c. in het bezit van een document als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet. **3.** Een stuurman is: a. a. in het bezit van een kwalificatiecertificaat stuurman als bedoeld in artikel 26a van de wet; of b. b. in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat stuurman als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp. **4.** Een machinist is: a. a. ten minste 18 jaar en in het bezit van een maritiem diploma zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de opleidingscodes 25677, 25679, 25680, 25683, 91943, 91941, 91931 of 91932, dan wel in het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 2.12; b. b. ten minste 18 jaar en in het bezit van de verklaring praktijkexamen machinist, ten bewijze dat het praktijkexamen machinist binnenvaart van het CBR met goed gevolg is afgelegd bij een daartoe door het CBR erkend opleidingsinstituut; c. c. ten minste 19 jaar en heeft een beroepservaring van ten minste 2 jaar als volmatroos op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen; of d. d. in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat machinist als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp. **5.** Een volmatroos is: a. a. in het bezit van een kwalificatiecertificaat volmatroos als bedoeld in artikel 26a van de wet; of b. b. in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat volmatroos als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp. **6.** Een matroos is: a. a. in het bezit van een kwalificatiecertificaat matroos als bedoeld in artikel 26a van de wet; of b. b. in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat matroos als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp. **7.** Een lichtmatroos is: a. a. in het bezit van een kwalificatiecertificaat lichtmatroos als bedoeld in artikel 26a van de wet; of b. b. in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat lichtmatroos als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp. **8.** Een deksman is: a. a. in het bezit van een kwalificatiecertificaat deksman als bedoeld in artikel 26a van de wet; of b. b. in het bezit van een CCR-kwalificatiecertificaat deksman als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onderdeel b, van het Rsp. **9.** Een schipper mag ook de functies stuurman, volmatroos, matroos en deksman uitoefenen. Een stuurman mag ook de functies volmatroos, matroos en deksman uitoefenen. Een volmatroos mag ook de functies matroos en deksman uitoefenen. Een matroos mag ook de functie deksman uitoefenen. ### Artikel 2.10 **1.** In afwijking van artikel 2.9 maar onverminderd het negende lid van dat artikel, is op de schippers en machinisten op veerboten dit artikel van toepassing. **2.** Een schipper: a. a. voldoet aan de vereisten die op grond van artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a tot en met c, worden gesteld aan een schipper; en b. b. is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg de opleiding Zoute Veren, nautische Module is gevolgd. **3.** Een eerste machinist is ten minste 21 jaar en is in het bezit van: a. a. een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg is gevolgd: 1°. de zeevaartopleiding Maritiem Officier op MBO-4 of HBO niveau met een technische uitstroomrichting; 2°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op ten minste MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting, aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische module; of 3°. een technische opleiding op MBO-4 of HBO niveau aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische Module; 4°. een andere door de minister erkende opleiding; 1°. 1°. de zeevaartopleiding Maritiem Officier op MBO-4 of HBO niveau met een technische uitstroomrichting; 2°. 2°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op ten minste MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting, aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische module; of 3°. 3°. een technische opleiding op MBO-4 of HBO niveau aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische Module; 4°. 4°. een andere door de minister erkende opleiding; b. b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of c. c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 2.12. **4.** Een tweede machinist is ten minste 19 jaar en is in het bezit van: a. a. een getuigschrift waaruit blijkt dat met goed gevolg is gevolgd: 1°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting; 2°. een technische opleiding op MBO-4 niveau; of 3°. een andere door de minister erkende opleiding; 1°. 1°. de opleiding Maritiem Officier Kleine Schepen of Koopvaardij Officier Kleine Schepen, op MBO-3 niveau, met een technische of nautische uitstroomrichting; 2°. 2°. een technische opleiding op MBO-4 niveau; of 3°. 3°. een andere door de minister erkende opleiding; b. b. een door de minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd; of c. c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 2.12. **5.** Voor de examens ter verkrijging van de diploma’s Zoute Veren Nautische Module of Technische Module, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het derde lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, is een door de minister goedgekeurd examenreglement en examenprogramma van toepassing. **6.** Een eerste machinist mag ook de functie tweede machinist uitoefenen. **7.** Dekbemanningsleden die houder zijn van een kwalificatiecertificaat afgegeven door de bevoegde autoriteit in het buitenland overeenkomstig Richtlijn 2017/2397 voor een functie genoemd in dit artikel voldoen aan de eisen voor die desbetreffende functie. ### Artikel 2.10a **1.** De schipper en de bij de bunkerprocedure betrokken bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, moeten over een deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof beschikken. **2.** De deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof kan worden aangetoond door het beschikken over: a. a. een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) als bedoeld in artikel 7.19a, derde lid; b. b. een CCR-kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) als bedoeld in artikel 15.02, eerste lid, van het Rsp; of c. c. een verklaring van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof, bedoeld in artikel 20.10 van het Rsp. ### Artikel 2.10b Een deskundige voor de passagiersvaart is: a. a. houder van een kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart, als bedoeld in artikel 7.19a, eerste lid; b. b. houder van een CCR- kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart als bedoeld in artikel 16.02 van het Rsp; of c. c. een verklaring van deskundigheid voor de passagiersvaart, als bedoeld in artikel 20.10 van het Rsp. ### Artikel 2.11 De bekwaamheid voor een functie aan boord kan te allen tijde worden aangetoond: a. a. door de schipper door middel van het vaarbewijs; b. b. door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje bedoeld in artikel 5.11 waarin het kwalificatiecertificaat voor de betreffende functie is opgenomen; c. c. door de deskundigen voor de passagiersvaart en deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas door middel van het in artikel 2.10a voorgeschreven bewijs; of d. d. door de schipper aan wie een specifieke vergunning is verleend door middel van het kwalificatiecertificaat waar deze specifieke vergunningen op zijn aangetekend overeenkomstig artikel 7.19, zesde lid, of voor de specifieke vergunning voor het varen met vloeibaar aardgas als brandstof door middel van het kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) als bedoeld in artikel 2.10a, tweede lid. ### Artikel 2.12 Als document ter beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties van een migrerende beroepsbeoefenaar voor de beroepen machinist binnenvaart wordt vastgesteld het dienstboekje, bedoeld in artikel 5.11. ## Hoofdstuk 3. Technische voorschriften ### Paragraaf 1. Begripsbepalingen ### Artikel 3.1 In dit hoofdstuk en de daarbij behorende bijlagen wordt verstaan onder: a. *Amsterdamse dekschuit:* sleepvrachtschip dat uitsluitend geschikt is om door middel van kruisdraden op korte afstand achter een slepend schip te worden voortbewogen, of om langszij gekoppeld meegevoerd te worden, en dat: a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten, b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen; a. a. aan de bovenzijde door een doorlopend waterdicht dek is afgesloten, b. b. een lengte heeft van ten hoogste 40 m, en c. c. niet is voorzien van verblijven, machinekamers of ketelruimen; - *niet-vrijvarende veerpont:* veerpont die tijdens de vaart door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden; a. *skûtsje:* zeilend passagiersschip: a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m, b. dat is gebouwd voor 1950, en c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton. a. a. met een lengte van ten hoogste 22 m en een breedte van ten hoogste 4 m, b. b. dat is gebouwd voor 1950, en c. c. dat de kenmerken van de eerdere bestemming als vrachtschip heeft behouden en waarvan het laadvermogen niet meer bedroeg dan 55 ton. ### Paragraaf 2. Technische eisen voor schepen op de zones 2, 3 en 4 ### Artikel 3.2 **1.** Binnenschepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit die worden gebruikt op de zones 2, 3 en 4, voldoen aan de technische voorschriften van ES-TRIN. **2.** Bij de toepassing van dit artikel handelt de minister overeenkomstig de Instructies voor de toepassing van ES-TRIN zijn vastgesteld. ### Artikel 3.3 Onverminderd artikel 3.2, eerste lid, voldoen passagiersschepen op de zone 2 aan de technische voorschriften, genoemd in bijlage 3.1. ### Artikel 3.4 **1.** In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, bedraagt voor duwstellen met een lengte van ten hoogste 86 meter de minimaal te behalen snelheid ten opzichte van het water ten minste: a. a. 11 km/h op zone 3-wateren; b. b. 10 km/h op zone 4-wateren, tenzij daar een maximumsnelheid van minder dan 10 km/h geldt. In dat geval stelt de minister voor het betreffende duwstel een andere minimaal te behalen snelheid vast. **2.** In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, is het toegestaan om een duwstel, met een lengte van ten hoogste 86 meter en van een duwsteven voorzien, op de zones drie en vier zonder hekankers te gebruiken en te volstaan met de in artikel 13.01, eerste lid, van ES-TRIN, bedoelde boegankers. **3.** Artikel 3.2 is niet van toepassing op: a. a. Amsterdamse dekschuiten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.2; b. b. rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.3; c. c. open rondvaartboten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.4; d. d. skûtsjes, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.5; e. e. veerponten, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.6; f. f. veerboten en passagiersschepen die een openbaar vervoersdienst onderhouden tussen plaatsen gelegen aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.7; g. g. bunkerstations, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.8; h. h. patrouillevaartuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.9; i. i. kleine drijvende werktuigen, mits zij voldoen aan de technische voorschriften van bijlage 3.12. ### Paragraaf 3. Technische eisen voor schepen op de zone R ### Artikel 3.5 **1.** Onverminderd artikel 1.6, eerste lid, kunnen binnenschepen op de zone R eveneens voldoen aan de technische voorschriften, bedoeld in ES-TRIN, voor zover zij over een Uniebinnenvaartcertificaat beschikken, ten bewijze van de volledige conformiteit van het binnenschip met de in ES-TRIN en de in bijlage V bij richtlijn (EU) 2016/1629 bedoelde technische voorschriften, waarvan de gelijkwaardigheid met de bij of krachtens de Herziene Rijnvaartakte bepaalde technische voorschriften is vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke voorschriften en procedures. **2.** Bij de toepassing van het eerste lid is paragraaf 2 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. ### Paragraaf 4. Certificaten en uniek Europees scheepsidentificatienummer ### Artikel 3.6 **1.** Voor binnenschepen waarvan de kiel op 30 december 2008 of later is gelegd, verstrekt de minister het certificaat van onderzoek, indien hem na technisch onderzoek voor de ingebruikneming van het binnenschip is gebleken dat het voldoet aan de voorschriften van ES-TRIN. **2.** Voor binnenschepen waarvan de kiel voor 30 december 2008 is gelegd, wordt het certificaat van onderzoek door de minister afgegeven als het voldoet aan de voorschriften van ES-TRIN, met inachtneming van de voor het binnenschip geldende overgangsbepalingen. **3.** Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde technisch onderzoek of bij een in opdracht van de eigenaar uitgevoerd technisch onderzoek wordt in voorkomend geval nagegaan of het binnenschip voldoet aan artikel 3.4. **4.** Indien uit een door een erkend classificatiebureau afgegeven verklaring blijkt, dat een binnenschip geheel of ten dele voldoet aan de voorschriften, opgenomen in ES-TRIN of in de overige bij deze regeling behorende bijlagen, kan de minister van een onderzoek geheel of gedeeltelijk afzien. ### Artikel 3.7 Voor de binnenschepen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met d, g en j, van het besluit wordt het certificaat van onderzoek afgegeven als Uniebinnenvaartcertificaat. ### Artikel 3.8 **1.** De aanvraag van een certificaat van onderzoek wordt ingediend door de eigenaar van het binnenschip. **2.** Bij de aanvraag worden de tekeningen van bouw en inrichting van het binnenschip alsmede, indien hiertoe naar het oordeel van de minister bijzondere redenen bestaan, het rekenkundig bewijs van de sterkte van de romp overgelegd. **3.** Indien het binnenschip is onderzocht door of is gebouwd onder toezicht van een op basis van artikel 14 van de wet aangewezen classificatiebureau, wordt ook de verklaring van dat bureau inzake het onderzoek of de bouw overgelegd. **4.** Indien ingevolge de artikelen 3.14 of 3.15 een hellingproef is vereist, worden de uitkomsten van die proef overgelegd alsmede de gegevens over de stabiliteit van het binnenschip bij verschillende beladingstoestanden. ### Artikel 3.9 **1.** Het certificaat van onderzoek, het voorlopig certificaat van onderzoek, het Uniebinnenvaartcertificaat, het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, alsmede het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat in samenhang met een certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte zijn geldig voor de bestemming en voor de zones waarvoor het schip blijkens het certificaat geschikt is bevonden. **2.** Het Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld in artikel 8 van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN. **3.** Het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat, bedoeld in artikel 9 van het besluit wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel III, van ES-TRIN. **4.** Het voorlopig certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 10 van het besluit, wordt door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel II, van ES-TRIN. **5.** Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt, voor de schepen bedoeld in artikel 3.4, door de minister afgegeven volgens het model van deel I, bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN. **6.** Het certificaat van onderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt voor bunkerstations door de minister afgegeven volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.10. **7.** Het certificaat van onderzoek als bedoeld in de Herziene Rijnvaartakte, wordt door de minister afgegeven volgens het model van bijlage B bij het RosR 1995. ### Artikel 3.10 Het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat bedoeld in artikel 10 van het besluit, wordt afgegeven wanneer de deugdelijkheid van het binnenschip, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht. ### Artikel 3.11 **1.** De geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat, het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat en het certificaat van onderzoek bedraagt voor nieuwe schepen: a. a. vijf jaar voor passagiersschepen en snelle schepen; b. b. tien jaar voor andere binnenschepen. **2.** De geldigheidsduur wordt in de in het eerste lid bedoelde certificaten aangetekend. **3.** Voor binnenschepen die reeds vóór het onderzoek in bedrijf waren, stelt minister de geldigheidsduur van het certificaat voor elk geval afzonderlijk vast, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, doch niet langer dan in het eerste lid bepaald. ### Artikel 3.12 De minister houdt overeenkomstig deel I, bijlage 3, onderdeel VI, van ES-TRIN een register bij van alle door hem op grond van deze paragraaf afgegeven certificaten van onderzoek. ### Artikel 3.13 **1.** Het certificaat van onderzoek vermeldt het uniek Europees scheepsidentificatienummer dat is toegekend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de plaats van teboekstelling of de thuishaven van het binnenschip is gelegen. **2.** Aan binnenschepen die niet uit een der lidstaten van de Europese Unie afkomstig zijn, kent de minister het uniek Europees scheepsidentificatienummer toe. **3.** De eigenaar van het binnenschip brengt het in het certificaat van onderzoek vermelde scheepsidentificatienummer op het binnenschip aan en verwijdert dit zodra het ongeldig is geworden. **4.** Dit artikel is niet van toepassing op pleziervaartuigen. ### Paragraaf 5. Het onderzoek van schepen voor het certificaat van onderzoek ### Artikel 3.14 **1.** Een te onderzoeken binnenschip wordt onbeladen, gereinigd en voorzien van de voorgeschreven uitrusting aangeboden. **2.** De commissie van deskundigen bezichtigt het binnenschip bij een eerste onderzoek op het droge. Dit kan achterwege blijven indien een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd, of indien een certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de minister al voor andere doeleinden een bezichtiging op het droge heeft verricht. Bij periodieke onderzoeken of onderzoeken overeenkomstig artikel 3.16 kan de commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen. **3.** Bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting, doet de commissie van deskundigen een proefvaart plaatsvinden. **4.** De commissie van deskundigen kan, eveneens tijdens de bouw, extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen. **5.** De eigenaar van het binnenschip verleent verdere medewerking aan het onderzoek, onder meer door de toegang te vergemakkelijken tot de delen van de romp en tot de installaties, die niet of moeilijk toegankelijk of zichtbaar zijn, door personeel beschikbaar te stellen of door proefvaarten te houden. ### Artikel 3.15 **1.** Voor de beoordeling van de stabiliteit van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip wordt het schip, indien het een eerste onderzoek betreft, aan een hellingproef onderworpen. **2.** Indien de uitkomsten van de hellingproef van een zusterschip van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip beschikbaar zijn en daaraan voldoende stabiliteitsgegevens kunnen worden ontleend, kan de minister toestaan dat een hellingproef achterwege blijft. **3.** Voor de beoordeling van de stabiliteit van andere schepen dan in het eerste lid genoemd, kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden indien de inrichting of de bijzondere bestemming van het schip daartoe aanleiding geeft. **4.** De hellingproef wordt, behalve bij schepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter, door of namens de eigenaar gehouden in aanwezigheid van de commissie van deskundigen. **5.** Bij passagiersschepen met een lengte op de waterlijn van ten hoogste 25 meter kan voldoende stabiliteit worden aangetoond door het uitvoeren van een stabiliteitsproef met het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen, bij de ongunstigste vullingsgraad van de brandstof- en drinkwatertanks. **6.** Bij de in het vijfde lid bedoeld stabiliteitsproef wordt het gewicht van de helft van het toegestane aantal personen zodanig op het voor passagiers bestemde gedeelte van het dek naar de zijde van het schip verplaatst, dat aldaar een dichtheid van 3,75 personen per vierkante meter, overeenkomend met 285 kg per vierkante meter, wordt verkregen. **7.** Bij de in het zesde lid bedoelde gewichtsverplaatsing mag de slagzij na het verplaatsen niet meer dan 7 graden bedragen. Het resterende vrijboord en de resterende veiligheidsafstand mogen niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,20 meter en 0,05 maal de breedte op de waterlijn plus 0,10 meter. ### Artikel 3.16 **1.** Indien naar aanleiding van omstandigheden als in bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet een onderzoek plaatsvindt als bedoeld in dat artikel omvat dit een onderzoek van de constructie, de werktuigen en uitrusting van het binnenschip, voor zover deze betrokken zijn bij de schade, de herstelling, de verbouwing, de wijziging of de gebreken. Tevens kan de stabiliteit worden beoordeeld. **2.** Indien het een onderzoek van een passagiersschip, een veerboot of een zeilend passagiersschip betreft kan de minister bepalen dat een hellingproef wordt gehouden. **3.** Indien het onderzoek andere schepen dan de in het tweede lid genoemde betreft is artikel 3.15, derde lid, van overeenkomstige toepassing. **4.** Indien na een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, het binnenschip aan de bij of krachtens artikel 8 van de wet gestelde voorschriften voldoet, geeft de minister een nieuw certificaat van onderzoek af of verlengt de geldigheidsduur van het certificaat. ### Artikel 3.17 Indien een certificaat van onderzoek door de minister is afgegeven, deelt de eigenaar elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een binnenschip alsmede elke wijziging van het uniek Europees scheepsidentificatienummer, van de teboekstelling of van de thuishaven aan de minister mee. Hij legt daarbij het certificaat van onderzoek ter wijziging voor. ### Artikel 3.18 **1.** Voor afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek kan een binnenschip aan een periodiek onderzoek worden onderworpen. **2.** Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vastgesteld. De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat en wordt ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven. **3.** Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur, als bedoeld in het tweede lid, het certificaat van onderzoek door een nieuw wordt vervangen, wordt het oude certificaat teruggezonden aan de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven. **4.** In uitzonderingsgevallen kan de minister op een met redenen omkleed verzoek besluiten de geldigheidsduur van het door hem afgegeven certificaat van onderzoek zonder onderzoek met ten hoogste zes maanden te verlengen. Deze verlenging wordt in het certificaat vermeld. ### Artikel 3.19 **1.** De minister onderzoekt ook schepen die niet onder de reikwijdte van richtlijn (EU) 2016/1629 of van het RosR vallen, indien zij ter onderzoek worden aangeboden. **2.** Als uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat het schip voldoet aan richtlijn (EU) 2016/1629 of aan het RosR, geeft de minister een certificaat van onderzoek af. ### Artikel 3.20 **1.** Als ES-TRIN bepaalt dat op een binnenschip bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de minister de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit binnenschip van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel toestaan dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 als gelijkwaardig zijn erkend. **2.** Zolang het comité, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, in het kader van de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, nog geen aanbeveling inzake gelijkwaardigheid overeenkomstig het eerste lid heeft gedaan, kan de minister een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat afgeven. **3.** Binnen een maand na afgifte van het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat, overeenkomstig artikel 9, onder g, van richtlijn (EU) 2016/1629, stelt de minister, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van die richtlijn, met opgave van de naam en het unieke Europees scheepsidentificatienummer van het binnenschip, het comité, bedoeld in het tweede lid, in kennis van de aard van de afwijking en van het land waar het binnenschip is te boek gesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen. **4.** Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan de minister op grond van een aanbeveling van het comité, bedoeld in het tweede lid, volgens de procedure van artikel 33, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/1629, voor een binnenschip met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de bepalingen van bijlage II bij die richtlijn, een Uniebinnenvaartcertificaat afgeven, voor zover deze nieuwe voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid bieden. ### Paragraaf 6. Erkenning van documenten van deugdelijkheid ### Artikel 3.21 **1.** Voor passagiersschepen en zeilende passagiersschepen voor de in Nederland gelegen zone 2, erkent de minister voor de toepassing van artikel 7, onderdeel c, van het besluit, scheepsattesten afgegeven op grond van richtlijn 2009/100/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (Pb L 259), indien het schip tevens voldoet aan de desbetreffende regels voor zone 2. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op veerboten, met dien verstande dat de erkenning voor zone 2 slechts geldt indien de veerboot tevens voldoet aan de voorschriften van bijlage 3.7. ### Artikel 3.22 **1.** De minister kan voor de toepassing van artikel 7, onderdeel c, van het besluit, een document erkennen dat door een bevoegde autoriteit van een andere staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is afgegeven ten bewijze van de deugdelijkheid van een aldaar teboekstaand schip. **2.** Erkenning van het in het eerste lid bedoelde document van deugdelijkheid vindt plaats indien het naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de deugdelijkheid van het schip. **3.** Het document van deugdelijkheid wordt erkend voor de in Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4 indien het document naar het oordeel van de minister voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van de vaart op die wateren. **4.** De erkenning kan betrekking hebben op een enkel document van deugdelijkheid of op een groep gelijke documenten. ### Artikel 3.23 Met het certificaat voor passagiersschepen, veerboten, patrouillevaartuigen, zeilende passagiersschepen of bunkerstations wordt gelijkgesteld een document van deugdelijkheid afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat in de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, welk document is afgegeven op basis van onderzoekingen die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen. ### Paragraaf 7. Erkenning keuringsinstanties ### Artikel 3.24 In deze paragraaf wordt verstaan onder: - *keuringsinstantie:* krachtens artikel 14, eerste lid, van de Binnenvaartwet voor het verrichten van onderzoek aangewezen rechtspersoon; - *NEN-EN-ISO/IEC 17020 (2004):* de met de desbetreffende aanduiding overeenkomende norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut te Delft; - *onderzoek:* onderzoek ten behoeve van de certificering van binnenschepen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Binnenvaartwet. ### Artikel 3.25 **1.** De minister wijst als keuringsinstantie aan rechtspersonen, die: a. a. naar zijn oordeel in staat zijn het onderzoek, waar dan ook in Nederland, te verrichten; b. b. zijn ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c. c. beschikken over een vestiging of vertegenwoordiging in Nederland; en d. d. beschikken over een accreditatieverklaring, afgegeven door de Raad voor Accreditatie of een andere accreditatie-instelling die erkend is in een lidstaat van de Europese Unie, waaruit blijkt dat de werkzaamheden bedoeld in artikel 3.27, conform NEN-EN-ISO/IEC 17020 (2004) worden uitgevoerd. **2.** Rechtspersonen die nog niet aan het eerste lid, onderdeel d, voldoen, kunnen voorlopig worden aangewezen, indien zij de aanvraag voor accreditatie hebben ingediend bij de Raad voor Accreditatie en blijkens een verklaring van de Raad redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende rechtspersoon zal voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d. Een voorlopige aanwijzing is ten hoogste een jaar geldig. ### Artikel 3.26 Een keuringsinstantie wordt aangewezen voor het onderzoek van een of meer in de bijlage 3.11 opgenomen pakketten van scheepstypen. ### Artikel 3.27 De aangewezen keuringsinstantie is belast met het volledige onderzoek, onverminderd haar bevoegdheid om met inachtneming van de voorwaarden voor accreditatie, onderdelen van het onderzoek uit te besteden aan derden. ### Artikel 3.28 De aangewezen keuringsinstantie voert het onderzoek uit met inachtneming van de voorschriften ingevolge de Binnenvaartwet en, indien van toepassing, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, alsmede de beleidsregels, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet. ### Artikel 3.29 De aangewezen keuringsinstantie meldt ernstige mankementen die aan een schip worden geconstateerd onverwijld aan de minister, indien de eigenaar niet bereid is deze onverwijld te herstellen. ### Artikel 3.30 **1.** De aangewezen keuringsinstantie neemt deel in de commissie, bedoeld in artikel 1.20. **2.** De keuringsinstantie verstrekt de minister onvoorwaardelijk en kosteloos informatie, benodigd voor het uitoefenen van toezicht. Deze omvat in ieder geval de door de accrediterende instelling opgestelde auditrapporten. **3.** De keuringsinstantie verleent de minister onvoorwaardelijk medewerking aan audits en steekproeven. **4.** De keuringsinstantie verstrekt de minister jaarlijks voor 1 maart een schriftelijke rapportage, overeenkomstig de daarvoor door de minister te stellen voorschriften of aanwijzingen, over de in het voorgaande kalenderjaar verrichtte onderzoeken. ### Artikel 3.31 **1.** De aangewezen keuringsinstantie stelt de minister tenminste dertien weken voor de voorgenomen datum van beëindiging van haar werkzaamheden van dit voornemen in kennis. **2.** De keuringsinstantie stelt de minister onverwijld in kennis van: a. a. wijzigingen van het ter zake van de keuringsinstantie in het handelsregister ingeschrevene met betrekking tot haar naam en adresgegevens; b. b. wijziging, voornemen tot schorsing, schorsing of beëindiging van haar accreditatie. ### Artikel 3.32 De minister kan de aanwijzing van een keuringsinstantie intrekken, indien: a. a. de betrokken keuringsinstantie niet meer voldoet aan de artikelen 3.25 of 3.30; b. b. de betrokken keuringsinstantie in strijd handelt met deze regeling; of c. c. de betrokken keuringsinstantie door handelen of nalaten te handelen naar het oordeel van de minister gevaar voor de veiligheid of het milieu veroorzaakt. ## Hoofdstuk 4. Meetbrief ### Paragraaf 1. Algemeen ### Artikel 4.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - *belanghebbende:* eigenaar van het binnenschip of degene die namens de eigenaar optreedt; - *ligger:* register waarin de minister elke meetbrief inschrijft die hij uitreikt, alsmede de datum van de uitreiking, de naam en het Europese scheepidentificatienummer van het binnenschip of andere gegevens waardoor een binnenschip kan worden geïdentificeerd; - *maximum toelaatbare waterverplaatsing:* in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tot het vlak van de grootste toegelaten diepgang; - *meetbrief:* meetbrief, afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst; - *Overeenkomst:* op 15 februari 1966 te Genève ondertekende en op 14 september 1967 goedgekeurde Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, met Bijlage en Protocol van Ondertekening (*Trb.* 1967, 43); - *verplaatsing:* in kubieke meters uitgedrukte waterverplaatsing van een binnenschip tussen het vlak van inzinking van het lege binnenschip in zoet water en het vlak van de grootste toegelaten diepgang. ### Artikel 4.2 De meting van binnenschepen heeft tot doel: a. a. de verplaatsing vast te stellen, evenals, indien nodig, een deel van de verplaatsing in samenhang met de inzinking; b. b. indien het binnenschip bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: het mogelijk te maken het gewicht van de lading volgens de inzinking te bepalen; c. c. indien het binnenschip niet bestemd is of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen: de maximum toelaatbare waterverplaatsing en de waterverplaatsing in lege toestand te bepalen. ### Artikel 4.3 **1.** De minister onderhoudt een ligger tot inschrijving van de gemeten binnenschepen. **2.** De minister houdt van de afgifte, de verlenging en de intrekking van de meetbrief en van de hermeting aantekening in de ligger. **3.** De minister maakt van de aantekeningen als bedoeld in artikelen 4.19, eerste lid, en 4.20, eerste lid, melding in de ligger. ### Paragraaf 2. Aanvraag van de meting en de voorwaarden waaronder de meting plaatsheeft ### Artikel 4.4 **1.** De meting, hermeting of controle-meting wordt uitgevoerd op aanvraag van de belanghebbende door de minister of de daartoe door de minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen. **2.** Degene die de meting heeft aangevraagd, volgt gedurende de meting alle voorschriften op van de minister met betrekking tot de ligging van het vaartuig op het vlak van inzinking van het lege vaartuig en de eventuele verplaatsing van losse voorwerpen en verschaft de nodige hulp bij de meting en bij het aanbrengen van de ijkmerken of de ijkplaten en stelt daartoe een deugdelijke roeiboot met ten minste twee personen beschikbaar. ### Artikel 4.5 **1.** De ligplaats van het te meten binnenschip of van het binnenschip waarvan de meting gecontroleerd wordt, is in stil, bij voorkeur zoet water en zodanig, dat het vaartuig van alle zijden toegankelijk is. **2.** Indien in brak of zout water wordt gemeten, wordt de lege diepgang gecorrigeerd. **3.** Het water in stoomketels van schepen zonder voortstuwingswerktuig behoort tot de uitrusting van het vaartuig. **4.** Zaken die niet behoren tot die, welke volgens het derde lid en volgens artikel 4.7 aanwezig zijn, bevinden zich niet aan boord. **5.** Is de uitrusting niet volledig, dan wordt zij voor de meting aangevuld. **6.** Het schip is voor de meting behoorlijk schoon; op de bodem is geen water aanwezig. **7.** Het vaartuig ligt gedurende de meting zoveel mogelijk dwarsscheeps horizontaal en stil. **8.** Zolang niet aan de dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt de meting niet verricht. ### Paragraaf 3. Meting ### Artikel 4.6 **1.** Voor de meting van een binnenschip worden de maten aan het vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het binnenschip is het deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het lege vaartuig. **2.** Bij het meten van lengten en breedten worden de onderdelen van centimeters rekenkundig afgerond. **3.** Bij het meten van hoogten worden de onderdelen van centimeters tot op millimeters in aanmerking genomen. **4.** Bij de berekening worden breuken van duizendste delen, rekenkundig afgerond tot duizendsten. **5.** Bij de eindberekening van de verplaatsing worden onderdelen van een kubieke decimeter verwaarloosd. ### Artikel 4.7 **1.** Het vlak van inzinking van het lege vaartuig, is het vlak overeenkomende met het wateroppervlak, indien: a. a. het binnenschip geen brandstof of verplaatsbare ballast aan boord heeft maar slechts de uitrusting, de proviand en de bemanning die normaal aan boord zijn als het vaartuig vaart; alsmede water dat niet door gebruikelijke middelen uit het ruim kan worden verwijderd en de drinkwatervoorraad, die 0,5% van de grootste verplaatsing van het vaartuig niet aanzienlijk mag overschrijden; b. b. de werktuigen, ketels, pijpleidingen en installaties, nodig voor de voortstuwing, voor de noodzakelijke hulpwerktuigen, of voor verwarming of koeling, water, olie of andere vloeistoffen bevatten waarvan zij in gewone omstandigheden worden voorzien om dienst te kunnen doen; c. c. het binnenschip zich in zoet water bevindt met een soortelijk gewicht gelijk aan 1. **2.** Indien het binnenschip zich bij de meting niet in de toestand, bedoeld in het eerste lid bevindt, of niet in omstandigheden die leiden tot dezelfde inzinking en ongeveer dezelfde trimligging, worden het verschil in belasting en het verschil in soortelijk gewicht van het water in aanmerking genomen bij het maken van de berekeningen. **3.** De gewichten aan boord die behoren bij de lege inzinking worden in de meetbrief vermeld. ### Artikel 4.8 **1.** Het vlak van de grootste toegelaten diepgang wordt vastgesteld overeenkomstig de voor dat binnenschip geldende regels van artikel 4.03, tweede lid, van ES-TRIN. **2.** Voor binnenschepen die bestemd of gebruikt zijn voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang ten hoogste tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld dan in het eerste lid bepaald. **3.** In bijzondere gevallen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang meer dan tien procent van de gemiddelde laadhoogte lager worden gesteld, mits aan de minister wordt aangetoond dat de grootste diepgang waarop het schip zal kunnen varen geringer is dan de diepgang, bepaald volgens het tweede lid. **4.** Voor binnenschepen die niet zijn bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen kan op verzoek van de belanghebbende het vlak van de grootste toegelaten diepgang lager worden gesteld dan overeenkomstig het eerste lid bepaald. ### Artikel 4.9 Op de meting is bijlage 4.1 van toepassing. ### Paragraaf 4. Hermeting ### Artikel 4.10 **1.** De belanghebbende kan binnen zesentwintig weken na de afgifte van de meetbrief bij de minister hermeting verzoeken. De hermeting is beslissend. **2.** De hermeting en zonodig de vernieuwing van de ijkmerken of de ijkplaten geschieden kosteloos, indien het verschil met de eerste meting meer bedraagt dan: a. a. 1 procent voor de verplaatsingscijfers van maximaal 500 kubieke meter; b. b. 5 kubieke meter voor de verplaatsingscijfers van meer dan 500 kubieke meter tot maximaal 2000 kubieke meter; c. c. 0,25 procent voor de verplaatsingscijfers van meer dan 2000 kubieke meter. Het verschil wordt bepaald over een zelfde laadhoogte. **3.** De minister geeft in de in het tweede lid genoemde gevallen een nieuwe meetbrief af, waarin de onderscheidingstekenen en het volgnummer van inschrijving in de ligger van de eerste meetbrief worden overgenomen. **4.** Is het verschil met de eerste meting gelijk aan of minder dan de percentages of het aantal kubieke meters, vermeld in het tweede lid, dan wordt de eerste meting als juist aangemerkt en is de belanghebbende voor de hermeting de voor de meting gestelde vergoeding verschuldigd. ### Artikel 4.11 **1.** De belanghebbende geeft bij hermeting de bij de vorige meting behorende meetbrief aan de minister af. **2.** Indien het een meetbrief betreft die in het buitenland is afgegeven, geeft de minister de bevoegde autoriteit in de andere staat hiervan kennis onder bijvoeging van de ingetrokken meetbrief. ### Artikel 4.12 Op de hermeting is bijlage 4.1 van toepassing. ### Paragraaf 5. Meetbrief ### Artikel 4.13 **1.** De minister verstrekt de meetbrief uiterlijk zeven werkdagen na de meting. **2.** De meetbrief wordt vastgesteld overeenkomstig het model in de Overeenkomst. **3.** Op de meetbrief worden de zones als bedoeld in artikel 1.3, waarin het binnenschip bestemd is te varen, vermeld. ### Artikel 4.14 **1.** De geldigheidsduur van een meetbrief is ten hoogste vijftien jaar, te rekenen van de datum van afgifte. **2.** De vervaldatum wordt op de meetbrief vermeld. ### Artikel 4.15 **1.** De geldigheidsduur van een meetbrief wordt op verzoek van de belanghebbende verlengd, indien bij een controlemeting blijkt dat de gegevens van de meetbrief nog juist zijn. Daartoe worden de volgende afmetingen van het binnenschip gecontroleerd: a. a. de lengte en de breedte, alsmede de inzinking van het lege vaartuig ter plaatse van elk ijkmerk; b. b. ingeval het vaartuig blijvende vervormingen heeft: enkele breedten aan de hand van de laatste meting, om na te gaan of de vervormingen vóór of na de laatste meting zijn ontstaan. **2.** De geldigheidsduur van de meetbrief kan overeenkomstig het eerste lid worden verlengd: a. a. indien het een binnenschip betreft dat bestemd of gebruikt is voor het vervoer van goederen: voor een periode van ten hoogste tien jaar; b. b. indien het een ander binnenschip betreft dan bedoeld in onderdeel a: voor een periode van ten hoogste vijftien jaar. **3.** Van de uitkomst van de controle en van de datum waarop de geldigheidsduur van de meetbrief is verlengd, houdt de minister aantekening in de ligger. **4.** Tenzij de betreffende bij de Overeenkomst aangesloten staat zulks niet toestaat, kan de geldigheidsduur van een door een van zijn bureaus van meting afgegeven meetbrief voor een vaartuig, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, worden verlengd, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. **5.** Van de uitkomst van de controle van een in het buitenland gemeten binnenschip alsmede van de datum waarop de geldigheidsduur van een dergelijke meetbrief is verlengd, wordt kennis gegeven aan de minister. Laatstgenoemde geeft daarna aan zijn ambtgenoot in het andere land hiervan kennis. ### Artikel 4.16 **1.** De meetbrief vervalt: a. a. door het verstrijken van de geldigheidsduur; b. b. wanneer het binnenschip een verbouwing ondergaat die van invloed is op de ligging van het vlak van inzinking van het lege vaartuig, op de verplaatsing dan wel op de in de meetbrief vermelde afmetingen; c. c. wanneer het binnenschip, een andere bestemming krijgt of anders gebruikt wordt dan waarvoor de meetbrief is afgegeven; d. d. wanneer de meetbrief is gewijzigd door daartoe niet bevoegde personen; e. e. wanneer aan het binnenschip andere veranderingen dan wel blijvende beschadigingen zijn aangebracht, waardoor de omschrijving in de meetbrief niet meer juist is; f. f. wanneer de meetbrief niet meer volledig is. **2.** Als een verbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt onder meer aangemerkt: het verlengen van het schip, het verhogen van het gangboord, het wijzigen van de positie van een of meer lichtranden of patrijspoorten onmiddellijk boven de lastlijn, alle in- en uitwendige verbouwingen aan de romp, laadhoofden en de bovenbouw van het schip en het plaatsen, verwijderen of veranderen van machines, ketels of de inventaris, voor zover daardoor het vlak van inzinking van het lege vaartuig of het vlak van de grootste toegelaten diepgang is verplaatst. **3.** Indien een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, zich voordoet, wordt de afgegeven meetbrief voor zover nodig vervangen of gewijzigd. ### Artikel 4.17 **1.** Indien de minister constateert, dat zich ten aanzien van een in Nederland geregistreerd binnenschip één der gevallen, genoemd in artikel 4.16, eerste lid, voordoet trekt hij de meetbrief in. **2.** Indien één der gevallen, genoemd in artikel 4.16, eerste lid, zich voordoet ten aanzien van een in het buitenland geregistreerd binnenschip, informeert de minister de bevoegde autoriteit in het land waar het binnenschip is geregistreerd. In de meetbrief van het desbetreffende binnenschip wordt een verklaring gehecht als vastgesteld door de minister. ### Artikel 4.18 Een meetbrief, afgegeven door een bureau van meting van een andere staat, aangesloten bij de Overeenkomst, wordt gelijkgesteld aan een meetbrief afgegeven door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. ### Artikel 4.19 **1.** In geval van wijziging van de naam van een binnenschip wordt op verzoek van de belanghebbende de nieuwe naam op de meetbrief aangetekend. **2.** De minister maakt van deze aantekening melding in de ligger. **3.** Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, geeft de minister aan de bevoegde autoriteit van de andere staat van deze aantekening kennis. **4.** De in het eerste lid van dit artikel bedoelde aantekening wordt door de minister geautoriseerd. ### Artikel 4.20 **1.** Onverminderd het in artikel 4.16, eerste lid, bepaalde, kunnen veranderingen ten aanzien van het vaartuig anders dan bedoeld in artikel 4.17, op de meetbrief worden aangetekend. De aantekening geschiedt op aanvraag van de belanghebbende door de minister. **2.** Indien het een binnenschip betreft dat in het buitenland is gemeten, is een schriftelijke machtiging van de bevoegde autoriteit die de meetbrief heeft afgegeven nodig voor het aanbrengen van een zodanige aantekening. **3.** Zonder de in het tweede lid bedoelde schriftelijke machtiging is een aantekening in de meetbrief ook mogelijk met een geldigheid van niet meer dan drie maanden. **4.** Een aantekening als bedoeld in het tweede of derde lid wordt in de daarvoor bestemde rubriek in de meetbrief gewaarmerkt, waarbij tevens de duur van de voorlopige geldigheid wordt vermeld. **5.** De minister geeft de bevoegde autoriteit van de andere staat van de aantekening kennis. ### Artikel 4.21 **1.** Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgegeven omdat het origineel niet meer aanwezig is, bevat dit afschrift aan het hoofd de volgende zin: Dit afschrift treedt in plaats van het origineel, dat is verloren geraakt. **2.** De Minister kan een afschrift van de meetbrief verstrekken, indien dat moet worden gedeponeerd op een buitenlands hypotheekkantoor waar het schip is of zal worden ingeschreven. Dit wordt voor eensluidend afschrift ondertekend en bevat aan het hoofd de volgende zin: ‘Afschrift, bestemd voor nederlegging ten hypotheekkantore te .....’. **3.** De minister kan uittreksels van meetbrieven verstrekken. ### Artikel 4.22 De belanghebbende levert bij verloren gaan, slopen of blijvend ongeschikt worden voor de vaart van een gemeten binnenschip de meetbrief in bij de minister. ### Paragraaf 6. Ijkschalen, ijkplaten en ijkmerken ### Artikel 4.23 Binnenschepen, bestemd of gebruikt voor het vervoer van goederen, kunnen bij meting of hermeting van ijkschalen worden voorzien, indien de belanghebbende dit verzoekt. ### Artikel 4.24 **1.** De ijkmerken of de ijkplaten worden door de belanghebbende zodanig onderhouden, dat zij steeds duidelijk zichtbaar zijn. De ijkmerken worden in lichte kleur op donkere achtergrond of in donkere kleur op lichte achtergrond aangebracht. **2.** Zijn één of meer ijkmerken of ijkplaten verloren geraakt, versleten of onzichtbaar geworden, dan worden deze, mits de meetbrief nog geldig is, op verzoek van belanghebbende door de minister door nieuwe vervangen. ## Hoofdstuk 5. Vaartijden en bemanningssterkte ### Paragraaf 1. Inleidende bepalingen ### Artikel 5.1 Behoudens paragraaf 5 is dit hoofdstuk van toepassing op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek. ### Artikel 5.2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - *bilgeboot:* schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel scheepsbedrijfsafval, als bedoeld in artikel 15.01, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, van deze schepen in te nemen; - *bunkerschip:* schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden; - *exploitatiewijze A1:* exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, ten hoogste 14 uur dan wel overeenkomstig artikel 5.4, eerste lid, 16 uur bedraagt; - *exploitatiewijze A2:* exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, ten hoogste 18 uur bedraagt; - *exploitatiewijze B:* exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, meer dan 18 uur bedraagt; - *hotelschip:* passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers; - *motorschip:* schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen; - *pompoverslagboot:* schip dat langszij andere schepen of installaties gaat, met als doel droge bulkgoederen uit die schepen of installaties te zuigen; - *rusttijd:* de tijd waarin een bemanningslid geen taak verricht noch daartoe verplicht is. De bewaking en het toezicht op een stilliggend schip worden niet beschouwd als taak in de zin van deze definitie; 1°. *sleepschip:* schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden gesleept en dat: 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn; 1°. 1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen; onderscheidenlijk 2°. 2°. is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen die slechts voor verplaatsing over kleine afstanden geschikt zijn; - *S1 en S2:* standaarden S1 en S2 met betrekking tot uitrustingsvoorschriften voor schepen die met een minimumbemanning worden geëxploiteerd als bedoeld in 19.01, eerste lid, van het Rsp; - *tachograaf:* een registratieapparaat ter controle van de naleving van bij of krachtens de wet gegeven voorschriften met betrekking tot de vaartijden van het schip, van een door de minister goedgekeurd model. ### Paragraaf 2. Vaartijden en rusttijden ### Artikel 5.3 **1.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met de rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren, bedoeld in artikel 1.2 is binnengevaren. **2.** Een schip dat de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren binnenvaart is voorzien van een vaartijdenboek als bedoeld in artikel 18.04 van het Rsp of een ander document, waaruit blijkt op welke wijze de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden van het schip gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn vervuld. ### Artikel 5.4 **1.** Bij de exploitatiewijzen A1 en A2 zijn artikel 18.01, tweede en derde lid, van het Rsp en artikel 18.04, vijfde lid, van het Rsp van overeenkomstige toepassing. **2.** Ten aanzien van een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, en een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, is artikel 18.01, tweede en derde lid, van het Rsp van overeenkomstige toepassing, indien het eerste lid in acht wordt genomen op het schip of de schepen die zorg dragen voor de voortstuwing van het hecht samenstel of het sleepschip. ### Artikel 5.5 Bij wisseling en herhaling van exploitatiewijzen is artikel 18.03 van het Rsp van overeenkomstige toepassing. ### Paragraaf 3. Bemanningssterkte ### Artikel 5.6 **1.** De minimumbemanning van de navolgende categorieën van schepen wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 19.02 van het Rsp, met dien verstande dat de stuurman in voetnoot 3 de bekwaamheid van schipper bezit bedoeld in artikel 2.9, tweede lid: a. a. motorschepen; b. b. duwboten; c. c. passagiersschepen, niet zijnde stoomschepen, die zonder passagiers aan boord varen; d. d. drijvende werktuigen die zelfvarend zijn tijdens transport; e. e. bunkerschepen; f. f. bilgeboten; g. g. pompoverslagboten. **2.** In afwijking van het eerste lid mag de minimumbemanning van bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten die volgens exploitatiewijze A2 varen worden vervangen door de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften voor: a. a. de rusttijd van een bemanningslid bedraagt ten minste 12 uur, waarvan ten minste 6 uur ononderbroken in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van de voorafgaande ononderbroken rusttijd van 6 uur. De volgende periode dient uiterlijk om 00.00 uur aan te vangen; b. b. de resterende rusttijd wordt opgenomen in ononderbroken blokken van tenminste 1 uur; c. c. de rusttijd is buiten de vaartijd gelegen; d. d. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld. **3.** Voor bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte van minder dan 35 meter die zijn ingezet op Nederlandse binnenwateren met uitzondering van de Westerschelde, geldt tevens dat de bemanning die is voorgeschreven voor exploitatiewijze A1 kan worden vervangen door: a. a. hetzij een schipper mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften: 1°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per week; 2°. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld; 3°. het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarvoor op grond van artikel 3.14 van het BPR en RPR een teken moet worden gevoerd is niet toegestaan; 4°. het bepaalde in artikel 6.30 en 6.32 van het Binnenvaartpolitiereglement respectievelijk het Rijnvaartpolitiereglement blijft onverkort van kracht; 5°. De afstand tot de plaats van waaruit bunkeractiviteiten wordt bedreven bedraagt niet meer dan 30 km, gemeten over de vaarweg. De plaats van waaruit de bunkeractiviteiten wordt bedreven staat vermeld op het certificaat van onderzoek. 1°. 1°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per week; 2°. 2°. het schip is uitgerust met een goed werkende tachograaf die voortdurend in werking is gesteld; 3°. 3°. het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarvoor op grond van artikel 3.14 van het BPR en RPR een teken moet worden gevoerd is niet toegestaan; 4°. 4°. het bepaalde in artikel 6.30 en 6.32 van het Binnenvaartpolitiereglement respectievelijk het Rijnvaartpolitiereglement blijft onverkort van kracht; 5°. 5°. De afstand tot de plaats van waaruit bunkeractiviteiten wordt bedreven bedraagt niet meer dan 30 km, gemeten over de vaarweg. De plaats van waaruit de bunkeractiviteiten wordt bedreven staat vermeld op het certificaat van onderzoek. b. b. hetzij een schipper en een lichtmatroos mits de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder ten derde, in acht worden genomen. **4.** De minimumbemanning van hechte samenstellen, schepen voor dagtochten, stoomschepen voor dagtochten, hotelschepen, veerboten en sleepschepen wordt onderscheidenlijk vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlagen 5.1 tot en met 5.6. **5.** De minimumbemanning van sleepboten en sleepboten die havendiensten verrichten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 5.7. **6.** De minimumbemanning van snelle veerponten wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 5.8. De schipper is in het bezit van een specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar, als bedoeld in artikel 7.11b, eerste lid, onderdeel c. **7.** In afwijking van de krachtens dit artikel gestelde minimumbemanning wordt aan de voorgeschreven minimumbemanning voor een bepaalde exploitatiewijze en uitrustingsstandaard op een bepaald schip ook volstaan met de minimumbemanning die is voorgeschreven op hetzelfde schip voor een exploitatiewijze met een langere vaartijd of voor een hogere uitrustingsstandaard. ### Artikel 5.7 **1.** Op motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, indien zij met een minimumbemanning worden geëxploiteerd, is artikel 19.01 onderscheidenlijk artikel 19.05 van het Rsp van overeenkomstige toepassing. **2.** Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften bedoeld in het eerste lid wordt door de minister in een verklaring vastgelegd. **3.** De verklaring, bedoeld in artikel 19.01, tweede lid, van het Rsp wordt met de in het tweede lid bedoelde verklaring gelijkgesteld. ### Artikel 5.8 Voor de toepassing van deze paragraaf is artikel 17.01, eerste en tweede lid, met uitzondering van de derde alinea, van het Rsp van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 5.9 Een vrouw, die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, maakt geen deel uit van de minimumbemanning gedurende ten minste 14 weken rondom de vermoedelijke datum van haar bevalling, waarvan ten minste 6 weken vóór deze datum en ten minste 7 weken na de datum van de bevalling liggen. ### Artikel 5.10 Ten aanzien van zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van Resolutie A. 890 (21) van de Internationale Maritieme Organisatie van 25 november 1999 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, met bijlage, (Trb. 1981, 144 en 1992, 109) is artikel 19.07 van het Rsp van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder een persoon die houder is van een kwalificatiecertificaat schipper een persoon wordt verstaan die in het bezit is van een document als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid. ### Paragraaf 4. Controlemiddelen ### Artikel 5.11 **1.** Onverminderd artikel 2.9, zijn ten aanzien van het dienstboekje de artikelen 3.02, 5.01 en 20.01 van het Rsp, alsmede de op grond van artikel 1.04 van dat reglement vastgestelde dienstinstructies van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. a. als plaatselijk bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5.01, derde lid, de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt aangewezen; b. b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan. **2.** Een vervangend exemplaar treedt in de plaats van een eerder afgegeven dienstboekje en wordt niet eerder afgegeven dan nadat het geheel of ten dele onleesbaar geworden exemplaar, waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij de minister. **3.** De aanvrager wiens eerder uitgereikt dienstboekje verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af. Op bladzijde 1 van het vervangende exemplaar van het dienstboekje wordt aangetekend dat de hiervoor bedoelde verklaring is afgelegd. ### Artikel 5.12 **1.** Ten aanzien van het vaartijdenboek is artikel 5.11, tweede en derde lid, alsmede de artikelen 18.04 en 20.02 van het Rsp van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. a. als autoriteit de voorzitter van de commissie van deskundigen wordt aangewezen; b. b. onder schipper de gezagvoerder wordt verstaan; en c. c. de uitzondering voor sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren niet van toepassing is. **2.** Wanneer bij de overdracht van een schip de overdragende partij het bij het schip behorende vaartijdenboek niet levert, kan dit bewijs van aangifte worden vervangen door een door de koper en de minister te ondertekenen verklaring. **3.** Indien het volgnummer, bedoeld in artikel 18.04, tweede lid, van het Rsp, van het te vervangen vaartijdenboek onbekend is bij de Inspectie Leefomgeving en Transport wordt het nieuwe vaartijdenboek voorzien van het volgnummer 1. ### Artikel 5.13 **1.** Het vaartijdenboek is niet vereist met betrekking tot veerboten, veerponten en open rondvaartboten. **2.** De gezagvoerder van een veerboot of een veerpont, onderscheidenlijk van een open rondvaartboot draagt er zorg voor dat aan boord een scheepsjournaal aanwezig is, onderscheidenlijk ten kantore een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende gegevens worden vermeld: a. a. de naam van het schip; b. b. het begin en einde van de veerdienst van het schip; c. c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer; d. d. de leden van de bemanning bij het begin van de dagelijkse veerdienst van het schip met vermelding van naam en functie, en vervolgens telkens wanneer deze van samenstelling verandert. ### Artikel 5.14 **1.** Bij uitvoering van exploitatiewijze A1 of A2 met een tachograaf is bijlage 5, onderdeel V, van ES-TRIN van toepassing, alsmede bijlage 1.4. **2.** Indien gebruik wordt gemaakt van een tachograaf bewaart de gezagvoerder de registraties van de tachograaf gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord. ### Paragraaf 5. Vrijstellingen ### Artikel 5.15 **1.** Motorschepen en zelfvarende drijvende werktuigen met een lengte van minder dan 55 meter zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. hetzij: 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper; 2°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per kalenderweek; 3°. de minimale dagelijkse ononderbroken rusttijd van de schipper bedraagt ten minste 12 uur in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere rustperiode van ten minste 12 uur; 4°. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van 12 uur waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen; 5°. er is een vanuit het stuurhuis bedienbaar reserve-toplicht aanwezig; 6°. het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die in werking is gesteld vanaf het begin van de voorafgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart en waarvan de gegevens gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord worden bewaard; 7°. vervoer van stoffen waarvoor op grond van het ADN een certificaat van goedkeuring als bedoeld in bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen is vereist, is niet toegestaan; 8°. er wordt niet gevaren op de Westerschelde; 9°. het schip voldoet aan artikel 5.7, en 10°. voor zover het motorschip een lengte heeft van meer dan 33 meter, is actieve boegbesturing bedienbaar vanuit het stuurhuis aanwezig; 1°. 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper; 2°. 2°. de maximale vaartijd van het schip bedraagt 12 uur per dag en 50 uur per kalenderweek; 3°. 3°. de minimale dagelijkse ononderbroken rusttijd van de schipper bedraagt ten minste 12 uur in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere rustperiode van ten minste 12 uur; 4°. 4°. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van 12 uur waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen; 5°. 5°. er is een vanuit het stuurhuis bedienbaar reserve-toplicht aanwezig; 6°. 6°. het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die in werking is gesteld vanaf het begin van de voorafgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart en waarvan de gegevens gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord worden bewaard; 7°. 7°. vervoer van stoffen waarvoor op grond van het ADN een certificaat van goedkeuring als bedoeld in bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen is vereist, is niet toegestaan; 8°. 8°. er wordt niet gevaren op de Westerschelde; 9°. 9°. het schip voldoet aan artikel 5.7, en 10°. 10°. voor zover het motorschip een lengte heeft van meer dan 33 meter, is actieve boegbesturing bedienbaar vanuit het stuurhuis aanwezig; b. b. hetzij: 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of deksman; 2°. er wordt slechts tussen 22.00 en 06.00 gevaren indien de onder 1° bedoelde lichtmatroos of deksman 18 jaar of ouder is; en 3°. de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder 7° tot en met 10°, worden in acht genomen. 1°. 1°. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of deksman; 2°. 2°. er wordt slechts tussen 22.00 en 06.00 gevaren indien de onder 1° bedoelde lichtmatroos of deksman 18 jaar of ouder is; en 3°. 3°. de voorschriften, bedoeld in onderdeel a, onder 7° tot en met 10°, worden in acht genomen. **2.** Een wisseling van de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, naar de exploitatiewijze A1, A2 of B, is slechts toegestaan indien: a. a. de schipper is afgelost, of b. b. bij controle kan worden aangetoond dat het voor de exploitatiewijze A1, A2 of B bestemde bemanningslid dat niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 uur buiten de vaartijd in acht heeft genomen, en de voor deze exploitatiewijzen voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt. **3.** Van de exploitatiewijze A1, A2 of B mag slechts naar de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, worden overgegaan, indien de voor de vaart onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vrijstelling voorgeschreven schipper onmiddellijk voor de wisseling geen deel heeft uitgemaakt van de bemanning van het schip, dan wel bij controle kan worden aangetoond dat de schipper, indien deze niet is afgelost, onmiddellijk voor de wisseling een rusttijd van 12 uur buiten de vaartijd van het schip in acht heeft genomen. **4.** Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de vaart met gebruikmaking van de vrijstelling onder de voorschriften van het eerste lid, onderdeel a, voor een identieke vaart worden ingezet indien de schipper wordt vervangen door een andere schipper. **5.** Het aantonen van de rusttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, derde en vierde lid, geschiedt door middel van het vaartijdenboek van het schip. **6.** Zelfvarende drijvende werktuigen met een lengte van minder dan 20 meter zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voorgeschreven minimumbemanning, indien wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 1° tot en met 4° en 7° tot en met 10°. ### Artikel 5.16 Patrouillevaartuigen zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en paragraaf 4. ### Artikel 5.17 **1.** Passagiersschepen die in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit: 1°. voor de passagiersschepen uit groep 4 die ten hoogste 600 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1; 2°. voor de passagiersschepen uit groep 3 die ten hoogste 250 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1; 3°. voor de passagiersschepen uit groep 2 die ten hoogste 75 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en 1°. 1°. voor de passagiersschepen uit groep 4 die ten hoogste 600 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 3 voor de exploitatiewijze A1; 2°. 2°. voor de passagiersschepen uit groep 3 die ten hoogste 250 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 2 voor de exploitatiewijze A1; 3°. 3°. voor de passagiersschepen uit groep 2 die ten hoogste 75 passagiers aan boord hebben: de minimumbemanning uit groep 1 voor de exploitatiewijze A1; en b. b. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast. **2.** Passagiersschepen uit groep 1, met een lengte van maximaal 45 meter, die ten hoogste 40 personen aan boord hebben en in de exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een lichtmatroos of een deksman van ten minste 18 jaar; b. b. het schip onderbreekt de vaart gedurende een periode van ten minste 16 uur, waarin de periode van 22.00 uur tot 06.00 uur is gelegen: en c. c. voor het begin van de vaart en telkens na elke onderbreking van de vaart wanneer passagiers embarkeren of debarkeren legt de schipper het aantal passagiers dat aan boord is schriftelijk vast. **3.** Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde passagierschepen is in geval van vaart zonder passagiers artikel 5.15, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, onder voorwaarde dat het schip beschikt over vrij toegankelijke gangboorden die voldoen aan de in artikel 14.02, van ES-TRIN gestelde eisen. ### Artikel 5.17a Snelle veerponten waar zich maximaal 12 passagiers aan boord kunnen bevinden zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, zesde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper. ### Artikel 5.18 **1.** Rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper. **2.** Open rondvaartboten zijn, voor zover zij in de exploitatiewijze A1 varen, vrijgesteld van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voorgeschreven minimumbemanning, mits de minimumbemanning bestaat uit een schipper. ### Artikel 5.19 Schepen, bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, voor zover zij in exploitatiewijze A1 varen, zijn vrijgesteld van artikel 5.4 en van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, in bijlage 5.2 onderscheidenlijk bijlage 5.4 voorgeschreven minimumbemanning, mits de bemanning bestaat uit: a. a. een schipper, en b. b. een lichtmatroos of deksman, die ten minste 18 jaar is. ### Artikel 5.20 Van de artikelen 5.6, vierde lid, en 5.7, eerste lid, zijn vrijgesteld schepen die: a. a. een minimumbemanning hebben van één schipper; b. b. zijn bestemd of gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning; c. c. zijn bestemd of gebruikt voor de sportvisserij en varen op, dan wel op weg zijn van of naar, de binnenwateren ingedeeld in zone 2 en varen in exploitatiewijze A1. ### Artikel 5.21 **1.** Onverminderd artikel 5.15 wordt ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement; c. c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **2.** Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos; b. b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement; c. c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **3.** Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en b. b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **4.** Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. b. het schip onderbreekt de vaart gedurende de periode tussen 22.00 uur en 06.00 uur; c. c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; d. d. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement; e. e. het schip is uitgerust met een eenmansstuurstelling voor het varen op radar en voldoet aan artikel 7.13, van ES-TRIN; en f. f. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **5.** Ten aanzien van motorschepen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, eerste lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en één matroos; en b. b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid onder e en f. **6.** Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 1 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement; c. c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **7.** Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een matroos; b. b. het schip is voorzien van de optische hulpmiddelen om te kunnen voldoen aan artikel 1.09, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement; c. c. het schip is bij het begin van de vaart vaarklaar en tijdens de vaart worden geen werkzaamheden verricht die betrekking hebben op het laad- of losklaar maken van het schip; en d. d. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **8.** Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 2 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een lichtmatroos; en b. b. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **9.** Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper en een stuurman; b. b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder b tot en met e; en c. c. het schip voldoet blijkens een verklaring van de minister aan de eisen van de Standaard S2. **10.** Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 3 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en een matroos; en b. b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f. **11.** Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A1 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits voldaan wordt aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit een schipper, een stuurman en een matroos; en b. b. de voorschriften, bedoeld in het het vierde lid, onder e en f. **12.** Ten aanzien van hechte samenstellen die in exploitatiewijze A2 varen, wordt vrijstelling verleend van de ingevolge artikel 5.6, vierde lid, voor groep 4 voorgeschreven minimumbemanning, mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a. a. de minimumbemanning bestaat uit twee schippers en twee matrozen; en b. b. de voorschriften, bedoeld in het vierde lid, onder e en f. ## Hoofdstuk 6. Geneeskundig onderzoek ### Artikel 6.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. *aanvrager:* degene die in aanmerking wenst te komen voor de afgifte van: a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet met inbegrip van een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp of een patent als bedoeld in artikel 11.02 van het Rsp, b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel 5.11, eerste lid, of de artikelen 4.01 en 4.02 Rsp; c. een kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied; d. een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied als bedoeld in artikel 7.6; of e. een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9; a. a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet met inbegrip van een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp of een patent als bedoeld in artikel 11.02 van het Rsp, b. b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel 5.11, eerste lid, of de artikelen 4.01 en 4.02 Rsp; c. c. een kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied; d. d. een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied als bedoeld in artikel 7.6; of e. e. een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9; - *arts:* deskundige, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet en artikel 4.01, tweede lid, van het Rsp; - *scheidsrechter:* deskundige, bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet; - *medisch adviseur scheepvaart:* medisch adviseur scheepvaart van de Minister, of diens plaatsvervanger; a. *geneeskundig onderzoek:* onderzoek, bedoeld in artikel 6.4, ter verkrijging van: a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet of een Rijnpatent als bedoeld in artikel 11.02 van het Rsp, b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel 5.11, eerste lid, alsmede de artikelen 4.01 en 4.02 Rsp; a. a. een vaarbewijs als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet of een Rijnpatent als bedoeld in artikel 11.02 van het Rsp, b. b. een dienstboekje als bedoeld in respectievelijk artikel 5.11, eerste lid, alsmede de artikelen 4.01 en 4.02 Rsp; - *gezondheidsverklaring:* verklaring, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het besluit. ### Artikel 6.2 **1.** Een arts is de geneeskundige die bij beschikking op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen is aangewezen of de instelling die bij beschikking op grond van artikel 28, eerste lid, van de Binnenvaartwet is aangewezen. **2.** Een scheidsrechter is de geneeskundige die bij beschikking op grond van artikel 32, eerste lid, van de Wet bemanning zeeschepen is aangewezen. De scheidsrechter is niet degene door wie het eerste onderzoek is verricht. ### Artikel 6.3 **1.** De aanvrager wendt zich voor een geneeskundig onderzoek tot een arts, niet zijnde de behandelend arts van de aanvrager. **2.** De arts gaat niet tot een geneeskundig onderzoek over dan nadat de aanvrager zich heeft gelegitimeerd en de arts heeft kunnen vaststellen dat hij gezien de eerdere uitslagen of aantekeningen gerechtigd is de keuring te verrichten. ### Artikel 6.4 **1.** De arts verricht het geneeskundig onderzoek op basis van de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1. **2.** Indien ingevolge bijlage 6.I een medisch rapport is voorgeschreven, dan wel bij twijfel of de aanvrager voldoet aan de keuringseisen, vraagt de arts de benodigde geneeskundige informatie op bij de behandelend arts. Bij het ontbreken van voldoende informatie verwijst de arts de aanvrager voor een deelonderzoek door naar een specialist. **3.** Het geneeskundig onderzoek wordt door de arts afgerond na ontvangst van de informatie van de behandelend arts of de uitslag van het specialistisch deelonderzoek. **4.** De arts maakt uitsluitend gebruik van het keuringsformulier en de formulieren voor de geneeskundige verklaring en het bericht van afkeuring die hem door de medisch adviseur scheepvaart kosteloos worden verstrekt. **5.** De arts bewaart het keuringsformulier en eventuele andere stukken betrekking hebbende op het onderzoek, gedurende vijftien jaar. ### Artikel 6.5 **1.** De aanvrager is geschikt als hij voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. De arts vermeldt bij geschiktheid van de aanvrager de uitslag van het geneeskundig onderzoek op de geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.2 en verstrekt de geneeskundige verklaring aan de aanvrager. **2.** Bij tijdelijke geschiktheid van de aanvrager verstrekt de arts de aanvrager een geneeskundige verklaring van tijdelijke geschiktheid. **3.** In het geval, bedoeld in het tweede lid, vindt een volgende keuring plaats door dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts. ### Artikel 6.6 **1.** De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, dat is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.3. De arts deelt de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij een scheidsrechter. **2.** In het geval, bedoeld in het eerste lid, verzendt de arts nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld, aan de medisch adviseur scheepvaart. De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes. **3.** De aanvrager die een heronderzoek wenst, richt zich daarvoor tot een scheidsrechter onder toezending van de verklaring van medische ongeschiktheid. **4.** Ten aanzien van het heronderzoek zijn de artikelen 6.3, tweede lid, en 6.4 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat reeds door de arts in orde bevonden onderdelen van de keuring niet behoeven te worden herhaald, tenzij over de uitslag twijfel bestaat bij de scheidsrechter. Het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de reeds ter beschikking staande gegevens. **5.** Indien de scheidsrechter na het heronderzoek van oordeel is dat de aanvrager medisch ongeschikt is, doet de medisch adviseur scheepvaart na ontvangst van de verklaring van medische ongeschiktheid hiervan mededeling aan de instanties die belast zijn met onderscheidenlijk de afgifte van vaarbewijzen, Rijnpatenten, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes. ### Artikel 6.7 De arts die na het volledige geneeskundig onderzoek van oordeel is dat de aanvrager tijdelijk ongeschikt is, deelt dit de aanvrager mee. De arts overhandigt de aanvrager een verklaring van tijdelijke ongeschiktheid. In afwijking van artikel 6.6, eerste lid, deelt de arts de aanvrager tevens mee dat een heronderzoek kan worden aangevraagd bij dezelfde arts die de aanvrager tijdelijk geschikt heeft bevonden, dan wel diens opvolger of waarnemer, tenzij de medisch adviseur scheepvaart instemt met keuring door een andere arts. ### Artikel 6.8 Indien nog geen heronderzoek heeft plaatsgevonden, is een geneeskundige verklaring, waarop is aangegeven dat de aanvrager geschikt is en die is afgegeven nadat hij door een andere arts ongeschikt is bevonden, ongeldig. ### Artikel 6.9 De aanvrager van een klein vaarbewijs of een groot pleziervaartbewijs die met toepassing van artikel 26, eerste lid, van het besluit, een gezondheidsverklaring overlegt aan het CBR, zoals bedoeld in artikel 6.10, derde lid, maakt daartoe gebruik van het door het CBR vastgesteld model. ### Artikel 6.10 **1.** Indien alle vragen van de gezondheidsverklaring met ‘nee’ zijn beantwoord, stuurt de aanvrager de ingevulde en ondertekende gezondheidsverklaring samen met de aanvraag voor het vaardocument naar de instantie die belast is met de afgifte van het vaarbewijs dat hij aanvraagt. **2.** Indien ten minste een van de vragen van de gezondheidsverklaring met ‘ja’ is beantwoord wordt deze voorzien van een aantekening van een arts naar eigen keuze waaruit de aard en de ernst van de afwijking blijkt. **3.** De aanvrager zendt de gezondheidsverklaring ter beoordeling aan het CBR. ### Artikel 6.11 **1.** In het geval, bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, verklaart de beoordelaar de aanvrager geschikt. In het geval, bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, wordt de aanvrager door de beoordelaar opgeroepen voor nader onderzoek. In geval van twijfel kan de beoordelaar de aanvrager oproepen voor een nader onderzoek. Indien nodig kan de beoordelaar de aanvrager doorverwijzen voor een deelonderzoek naar een specialist. **2.** De aanvrager is geschikt als hij naar het oordeel van de beoordelaar voldoet aan de keuringseisen en keuringsaanwijzingen, opgenomen in bijlage 6.1. In dat geval verstrekt de beoordelaar de aanvrager een geneeskundige verklaring, die is vastgesteld volgens het model, opgenomen in bijlage 6.2. **3.** De aanvrager is ongeschikt als hij niet voldoet aan de keuringseisen, opgenomen in bijlage 6.1. In het geval, dat de beoordelaar de aanvrager ongeschikt verklaart, zendt de beoordelaar de aanvrager een verklaring van medische ongeschiktheid, onder mededeling van de mogelijkheid van heronderzoek. **4.** In het geval, bedoeld in het derde lid, zendt de beoordelaar de medisch adviseur scheepvaart nog dezelfde dag de verklaring van medische ongeschiktheid, waarin de reden of redenen tot afkeuring zijn vermeld. **5.** De aanvrager die ongeschikt is verklaard en een heronderzoek wenst, wendt zich tot een scheidsrechter die niet reeds bij de beoordeling van de gezondheidsverklaring was betrokken. Ten aanzien van het heronderzoek is artikel 6.4, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat het heronderzoek kan bestaan uit het uitsluitend beoordelen van de ter beschikking staande gegevens. **6.** De medisch adviseur scheepvaart doet mededeling van de afkeuring aan de instanties die belast zijn met de afgifte van onderscheidenlijk vaarbewijzen, Rijnpatenten, zeilbewijzen, vrijstellingsbewijzen of dienstboekjes. ### Artikel 6.12 Een geldig kwalificatiecertificaat als bedoeld in artikel 22 van het besluit geldt als een geldige geneeskundige verklaring bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, tenzij in deze regeling anders is bepaald. ### Artikel 6.13 De Minister kan aanwijzingen geven ter uitvoering van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen. ## Hoofdstuk 7. Vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten, specifieke vergunningen en ICC’s ### Paragraaf 1. Vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten en specifieke vergunningen ### Artikel 7.1 **1.** Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over een vereiste vaartijd dan dient het aantonen daarvan te geschieden door middel van het dienstboekje, bedoeld in artikel 5.11, indien nodig aangevuld met het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.12, of andere stukken. **2.** In afwijking van het eerste lid kan het aantonen van vaartijd voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, onderdeel d, en voor het verkrijgen van een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, ook geschieden door middel van een werkgeversverklaring in combinatie met aanvullende stukken. **3.** De beoordeling van de vaartijd en het beoordelen of aanvullende stukken nodig zijn, geschiedt door de minister. ### Artikel 7.2 Behoudens de paragrafen 1 en 2 is dit hoofdstuk van toepassing op de in artikel 1.2 bedoelde binnenwateren uitgezonderd de Rijn, met inbegrip van de Waal en de Lek. ### Artikel 7.3 De kwalificatiecertificaten, met uitzondering van de kwalificatiecertificaten genoemd in de artikelen 7.5 en 7.6, de specifieke vergunningen en het klein vaarbewijs worden vastgesteld volgens de modellen opgenomen in bijlage 7.3. ### Artikel 7.4 **1.** Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, voor schepen gebezigd ten behoeve van reiniging van grachten en soortgelijke wateren. **2.** Een vaarbewijs is niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, onderdelen c en d, van het besluit, voor Belgische redeboten op de Westerschelde en in de daarmee in open verbinding staande havens en voorhavens. **3.** Een vaarbewijs is niet vereist voor schepen als bedoeld in artikel 16, onderdelen b en d, van het besluit, die deelnemen aan wedstrijden op binnenwateren die voor het openbaar scheepvaartverkeer niet toegankelijk zijn. ### Artikel 7.5 **1.** Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit, is indien het schip vaart op de binnenwateren van zone 4, dan wel op de Beulakerwijde of de Belterwijde en behoudens schepen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van het besluit, niet van toepassing voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 1.1, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, met een lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking van minder dan 20 meter, voor zover de schipper in het bezit is van het kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4. **2.** Het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat wordt door de minister afgegeven na overlegging van: a. a. CBR diploma theorie rondvaartboot; b. b. CBR verklaring praktijkexamen schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied; c. c. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan drie maanden; en d. d. een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in artikel 7.1, derde lid, waaruit blijkt dat de aanvrager ten minste 30 vaardagen heeft gemaakt op een open rondvaartboot. **3.** De praktijktoetsen ter verkrijging van de verklaring praktijkexamen, bedoeld in het tweede lid, onder b, en het examen ter verkrijging van het CBR diploma theorie rondvaartboot, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden afgenomen met inachtneming van examenreglementen en examenprogramma’s die zijn goedgekeurd door de minister. **4.** Op de aanvragen van het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing. **5.** Op het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat is artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wet van overeenkomstige toepassing. **6.** Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op het in het eerste lid bedoelde kwalificatiecertificaat artikel 22 van het besluit van overeenkomstige toepassing. **7.** Het kwalificatiecertificaat, bedoeld in het eerste lid, is aan boord van het schip aanwezig. ### Artikel 7.6 **1.** Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het besluit, is niet van toepassing voor rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, als bedoeld in artikel 1.1 voor zover varend op de binnenwateren van zone 4 of met toestemming van de vaarwegbeheerder op zone 3, en voor zover de schipper in het bezit is van: a. a. het kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; en b. b. een verklaring van de vaarwegbeheerder houdende de vermelding voor welke wateren, behorende tot zone 3 met uitzondering van de wateren genoemd in artikel 2, eerste lid van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement voor zover die behoren tot zone 3 en de Maas voor wat betreft de gedeelten die behoren tot zone 3, het kwalificatiecertificaat rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype geldt alsmede de door de vaarwegbeheerder opgelegde voorwaarden waaronder op deze wateren mag worden gevaren. **2.** Het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat wordt door de minister afgegeven na overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan drie maanden, en: a. a. het diploma Schipper rondvaartboot beperkt vaargebied, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met de opleidingscodes 95050 of 25385, 23277 of 25676, en een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in artikel 7.1, derde lid, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van ten minste 180 vaardagen heeft opgebouwd; of b. b. de CBR verklaring praktijkexamen schipper rondvaartboot Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied ten bewijze dat het Praktijkexamen schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied met goed gevolg is afgelegd en een bewijs als resultaat van de beoordeling bedoeld in artikel 7.1, derde lid, waaruit blijkt dat de aanvrager ten minste 90 vaardagen heeft opgebouwd op een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype tijdens het praktijkexamentraject. **3.** De praktijktoetsen ter verkrijging van de verklaring praktijkexamen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden slechts afgenomen wanneer de kandidaat beschikt over het CBR diploma theorie rondvaartboot, bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, onderdeel a, en worden afgenomen met inachtneming van examenreglementen en examenprogramma’s die zijn goedgekeurd door de minister. **4.** Op de aanvragen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing. **5.** Op het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat zijn de artikelen 27, eerste lid, en 30 van de wet van overeenkomstige toepassing. **6.** Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kwalificatiecertificaat artikel 22 van het besluit van overeenkomstige toepassing. **7.** Het kwalificatiecertificaat en de verklaring van de vaarwegbeheerder, bedoeld in het eerste lid, zijn aan boord van het schip aanwezig. ### Artikel 7.7 **1.** Artikel 14, eerste lid, van het besluit, is niet van toepassing op gierponten, kabelponten en andere niet-vrijvarende veerponten op de rivieren, kanalen en meren indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs, en: a. a. de veerpont is uitgerust met een marifooninstallatie en de schipper in het bezit is van een bedieningscertificaat; of b. b. de veerpont is uitgerust met een radarinstallatie en de schipper in het bezit is van het certificaat Radaropleiding voor objectenpersoneel van de vakopleiding Transport en Logistiek, van de Maritieme academie, van het Scheepvaart- en Transportcollege STC of een getuigschrift van een andere door de Minister aangewezen of erkende opleiding. **2.** Artikel 14, eerste lid, van het besluit, is niet van toepassing op schepen die in het kader van hulpverlening op zee of op de binnenwateren, dan wel in het kader van het oefenen voor die hulpverlening: a. a. worden bestuurd door medewerkers van een reddingmaatschappij; of b. b. dienen als sleepduwboot voor schepen met een lengte van meer dan 20 meter of schepen waarvoor het product van lengte, breedte en diepgang in meters ten minste 100 m^3 bedraagt. **3.** Artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van het besluit is niet van toepassing op het voeren van sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van minder dan 20 meter of het daarmee slepen, langszij vastgemaakt meevoeren of duwen van een schip met een lengte van minder dan 20 meter indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs. ### Artikel 7.8 **1.** Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing op pleziervaartuigen met een lengte van 25 tot 40 meter, indien de schipper in het bezit is van: a. a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4; of b. b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011. **2.** Artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing voor pleziervaartuigen met een lengte van ten minste 40 meter, indien de schipper in het bezit is van: a. a. een groot pleziervaartbewijs I of II, overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4, voorzien van de aantekening ‘40 meter plus’; of b. b. een vaarbewijs als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 of 1.4, mits behaald vóór 1 juli 2011. **3.** Het in het eerste lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan: a. a. degene die geslaagd is voor het examen groot motorschip van het CBR; b. b. de houder van een ander hiertoe door de minister erkend diploma; c. c. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van 25 tot 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Binnenvaartwet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of d. d. degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van 25 tot 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig. **4.** Het in het tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijs wordt, na overlegging van een geldig klein vaarbewijs, door de minister afgegeven aan: a. a. degene die aantoont dat hij bij het in werking treden van de wet eigenaar was van een pleziervaartuig met een lengte van meer dan 40 meter, alsmede in het bezit was van een klein vaarbewijs, onderscheidenlijk aan zijn partner en gezinsleden die bij het in werking treden van de wet in het bezit waren van een klein vaarbewijs; of b. b. aan degene die bij het in werking treden van de wet in het bezit was van een klein vaarbewijs en een verklaring kan tonen van de organisatie die, als eigenaar van een pleziervaartuig van meer dan 40 meter lengte, verklaart dat hij bij het in werking treden van de wet mocht varen met dat vaartuig. **5.** In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen I afgegeven aan de houder van: a. a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper; b. b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper; of c. c. een kwalificatiecertificaat schipper of een CCR-kwalificatiecertificaat schipper dat ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. **6.** In afwijking van het derde en vierde lid worden de in het eerste en tweede lid bedoelde groot pleziervaartbewijzen II afgegeven aan de houder van: a. a. een geldig kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard; b. b. een geldig CCR-kwalificatiecertificaat schipper met een specifieke vergunning voor het varen op wateren geclassificeerd als binnenwater van maritieme aard; c. c. een geldig zeilbewijs; d. d. een geldig klein patent; of e. e. een van de onder a tot en met d genoemde documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. **7.** De houder van een groot pleziervaartbewijs I die tevens in het bezit is van een klein vaarbewijs II komt in aanmerking voor het groot pleziervaartbewijs II. **8.** De in het derde lid, onderdelen a en b, bedoelde diploma’s worden verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen. **9.** Op het groot pleziervaartbewijs zijn artikel 30 van de wet alsmede artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing. **10.** Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het groot pleziervaartbewijs artikel 26 van het besluit en de nadere regels die van toepassing zijn op het klein vaarbewijs van overeenkomstige toepassing. **11.** Het groot pleziervaartbewijs is tijdens de vaart aan boord van het schip aanwezig. ### Artikel 7.9 **1.** De artikelen 14, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, onder 1°, en 16 van het besluit, zijn niet van toepassing op schepen, bestemd of gebruikt voor bedrijfsmatig vervoer van personen en ingericht om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen, indien de schipper in het bezit is van een zeilbewijs overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 7.4 en zolang er niet wordt gevaren op de wateren genoemd in artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement. **2.** Van artikel 16 van het besluit zijn vrijgesteld de gezagvoerders van schepen, voor zover zij zijn voorzien van het in het eerste lid bedoelde zeilbewijs. **3.** Het zeilbewijs wordt door de minister afgegeven na overlegging van: a. a. het diploma Schipper zeilvaart van het CBR dan wel het diploma Stuurman Kleine Zeilvaart van de Enkhuizer zeevaartschool; b. b. een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, niet ouder dan drie maanden; en c. c. een dienstboekje als bedoeld in artikel 5.11, waaruit blijkt dat de aanvrager een vaartijd van twee jaar als lid van de dekbemanning aan boord van zeilschepen heeft doorlopen. **4.** Het in het derde lid, onderdeel a, bedoelde diploma wordt verkregen na het behalen van een door de minister goedgekeurd examen. **5.** Op de aanvraag van het zeilbewijs is artikel 1.4 van overeenkomstige toepassing. **6.** Op het zeilbewijs zijn artikel 27, eerste lid, en artikel 30 van de wet van overeenkomstige toepassing. **7.** Met betrekking tot het aantonen van zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid is op de houder van het zeilbewijs artikel 22 van het besluit van overeenkomstige toepassing. **8.** Het eerste, zesde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op zeilbewijzen afgegeven door de Stichting Koninklijk OnderwijsFonds voor de Scheepvaart. **9.** Het zeilbewijs is aan boord van het schip. ### Artikel 7.9a Artikel 14, eerste lid, onderdeel h, van het besluit is, zolang niet wordt gevaren op de wateren genoemd in artikel 2, eerste lid, van het vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, niet van toepassing op drijvende werktuigen met een lengte van: a. a. minder dan 15 meter; b. b. minimaal 15 meter maar minder dan 20 meter, indien de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs. ### Artikel 7.9b **1.** Als vaarbewijs als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, worden aangewezen het kwalificatiecertificaat schipper, het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, het kwalificatiecertificaat schipper open rondvaartboot beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, het kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied, bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, het zeilbewijs, bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, een erkend buitenlands bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 7.11, en de specifieke vergunningen, bedoeld in artikel 7.11b. **2.** Als categorieën vaarbewijzen, bedoeld in de artikelen 48, vijfde lid, en 49, tweede lid, van de wet, worden aangewezen het klein vaarbewijs I, het klein vaarbewijs II, alsmede erkende buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid als bedoeld in bijlage 7.1, onderdelen 1.3 en 1.4. ### Paragraaf 2. Erkenningen ### Artikel 7.10 De minister kan een vaarbewijs gelijkwaardig aan een klein vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 van het besluit erkennen voor de vaart op rivieren, kanalen en meren of voor de vaart op alle binnenwateren, voor zover het bewijs naar zijn oordeel voldoende waarborg biedt voor het veilig voeren van een schip op de betrokken wateren. ### Artikel 7.11 **1.** De in bijlage 7.1 genoemde buitenlandse bewijzen van vaarbekwaamheid worden erkend als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van het besluit. **2.** Buitenlandse kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, specifieke vergunningen en vaartijdenboeken die in een andere EU-lidstaat zijn afgegeven overeenkomstig de eisen gesteld in richtlijn 2017/2397 zijn geldig in plaats van de vergelijkbare vaardocumenten die geldig zijn op grond van deze regeling. **3.** De in artikel 17, tweede lid, van het besluit bedoelde, krachtens de Herziene Rijnvaartakte afgegeven, bewijzen van vaarbevoegdheid zijn: a. a. een CCR-kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, van het Rsp of een krachtens artikel 20.03, eerste lid, van dat reglement geldig Rijnschipperspatent als gelijkwaardig aan het kwalificatiecertificaat schipper en het klein vaarbewijs; b. b. het sportpatent als bedoeld in artikel 11.02, onder b, van het Rsp, als gelijkwaardig aan het klein vaarbewijs. **4.** Buitenlandse bewijzen van vaarbevoegdheid die zijn erkend op grond van artikel 10, derde lid, van richtlijn 2017/2397 gelden als erkend zoals bedoeld in artikel 17, vierde lid, onderdeel a, van het besluit. **5.** Buitenlandse bewijzen van kennis en bekwaamheid die zijn erkend op grond van artikel 10, derde lid, van richtlijn 2017/2397 zijn geldig als vervanging van de vergelijkbare documenten die geldig zijn op grond van deze regeling. ### Artikel 7.11a Vervallen ### Artikel 7.11b **1.** De schipper aan boord van een schip waarvoor een kwalificatiecertificaat schipper vereist is, beschikt over de betreffende specifieke vergunning indien het schip vaart: a. a. op wateren die zijn geclassificeerd als binnenwateren van maritieme aard; b. b. op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s; c. c. met behulp van een radar; d. d. met vloeibaar aardgas als brandstof; e. e. met grote konvooien. **2.** De wateren van maritieme aard, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet, zijn de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Eems, de Dollard, het IJsselmeer, het IJmeer en het Markermeer met uitzondering van de Gouwzee. ### Artikel 7.12 De in bijlage 7.2 genoemde bewijzen van vaarbekwaamheid onderscheidenlijk getuigschriften worden erkend voor gehele respectievelijk gedeeltelijke vrijstelling van het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om een schip te voeren, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van het besluit. ### Artikel 7.12a De geneeskundige verklaringen van artsen vermeld op de op grond van artikel 1.04 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn opgestelde lijst worden erkend als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de wet. ### Artikel 7.13 Vervallen ### Paragraaf 3. Examens ### Artikel 7.14 In deze paragraaf wordt onder examinator verstaan de instellingen of personen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet. ### Artikel 7.15 **1.** Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs I heeft betrekking op de volgende onderwerpen: a. a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op rivieren, kanalen en meren; b. b. de behandeling van de voortstuwingswerktuigen; c. c. de veiligheidsmaatregelen; d. d. de waterwegen, de omstandigheden van het vaarwater en elementaire meteorologie; e. e. het varen, manoeuvreren en de onder bijzondere omstandigheden te nemen maatregelen. **2.** Het examen ter verkrijging van het klein vaarbewijs II heeft betrekking op de in het eerste lid genoemde onderwerpen alsmede op: a. a. de wettelijke bepalingen, voor zover deze van belang zijn voor de veiligheid van de vaart op de Westerschelde, de Eems en de Dollard; b. b. het gebruik van nautische bescheiden; c. c. de koers- en plaatsbepaling; d. d. meteorologie. ### Artikel 7.16 **1.** Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor schipper heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 2 van bijlage II en rubriek 2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel II van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 en omvat een praktijkexamen. **2.** Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor stuurman, volmatroos of matroos heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 1 van bijlage II en rubriek 1 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel I van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12. **3.** De basisopleiding veiligheid deksman is gebaseerd op de Standaarden voor de basisopleiding veiligheid voor deksmannen, vastgesteld door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart in het besluit CESNI 2021-I-1. **4.** Het examen ter verkrijging van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 3.1 van bijlage II en rubriek 3.1 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel III van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12. **5.** Het examen ter verkrijging van de specifieke vergunning voor het varen op een waterweg die is ingedeeld als binnenwatertraject met specifieke risico’s omvat de examenonderdelen die door de EU-lidstaat die de binnenwateren met specifieke risico’s heeft aangewezen verplicht worden gesteld en heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen die die lidstaat heeft vastgesteld. **6.** Het examen ter verkrijging van een specifieke vergunning voor radarvaart heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 3.2 van bijlage II en rubriek 3.2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en omvat een praktijkexamen en genoemd in onderdeel IV van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12. **7.** Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor deskundige voor de passagiersvaart heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.1 van bijlage II en rubriek 4.1 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel V van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 en omvat een praktijkexamen. **8.** Het examen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat voor deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) heeft betrekking op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.2 van bijlage II en rubriek 4.2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en genoemd in onderdeel VI van bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 en omvat een praktijkexamen. **9.** Een wijziging van bijlage II of bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 of bijlage I van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. ### Artikel 7.16a **1.** De praktijkexamens bedoeld in artikel 7.16 vinden plaats overeenkomstig de toepasselijke voorschriften genoemd in tabel A van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en bijlage III van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12. **2.** De praktijkexamens bedoeld in het eerste, zesde en achtste lid van artikel 7.16 kunnen worden afgenomen met behulp van een gecertificeerde simulator. **3.** Een simulator bedoeld in het tweede lid wordt goedgekeurd voor het betreffende praktijkexamen door het CBR op grond van de toepasselijke voorschriften genoemd in tabel A van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en bijlage III van gedelegeerde richtlijn (EU) 2020/12 of is goedgekeurd door een bevoegde autoriteit van een andere EU-lidstaat. ### Artikel 7.17 **1.** Nadat het examen ter verkrijging van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning met gunstig gevolg is afgelegd, wordt de verklaring bedoeld in artikel 26, eerste lid, of artikel 26a, vierde lid, van de wet, afgegeven door de instantie die het examen heeft afgenomen. **2.** De verklaring vermeldt voor welk vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning het examen is afgelegd. **3.** Een verklaring met betrekking tot het succesvol afleggen van een praktijkexamen op een simulator die voldoet aan artikel 21 van richtlijn (EU) 2017/2397, afgegeven in een andere EU-lidstaat, zijn geldig in plaats van de vergelijkbare verklaring bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 7.18 **1.** Om voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat schipper in aanmerking te komen: a. a. heeft de aanvrager van ten minste 18 jaar oud een goedgekeurd opleidingsprogramma van ten minste drie jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, eerste lid, heeft de aanvrager een vaartijd van ten minste 360 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma of na afloop daarvan en is deze houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008; b. b. beschikt de aanvrager van ten minste 18 jaar oud over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17, toont deze daarnaast aan dat een vaartijd is opgebouwd van ten minste 180 dagen in de functie stuurman en is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008; c. c. beschikt de aanvrager van ten minste 18 jaar oud over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17, toont deze daarnaast aan dat een vaartijd is opgebouwd van ten minste 540 dagen, die verminderd worden tot 180 dagen indien de aanvrager 500 dagen werkervaring aan boord van een zeeschip kan aantonen, en is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008; of d. d. heeft de aanvrager een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma van ten minste anderhalf jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, eerste lid, heeft de aanvrager een vaartijd van ten minste 180 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma en ten minste 180 dagen na afloop daarvan, is de aanvrager houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008 en heeft de aanvrager voorafgaand aan de inschrijving voor het opleidingsprogramma vijf jaar werkervaring opgebouwd, 500 dagen werkervaring als dekbemanningslid op een zeeschip opgebouwd of een beroepsopleiding voltooid van ten minste drie jaar. **2.** De volgende vaarbewijzen zijn tot en met 17 januari 2032 gelijkwaardige documenten zoals bedoeld in artikel 21 van het besluit: a. a. het beperkt groot vaarbewijs A en het groot vaarbewijs A voor de afgifte van het kwalificatiecertificaat schipper met de specifieke vergunning voor het varen op wateren van maritieme aard; b. b. het beperkt groot vaarbewijs B en het groot vaarbewijs B voor de afgifte van het kwalificatiecertificaat schipper. **3.** De opleidingsprogramma’s die gebaseerd zijn op de competentienormen en onderwerpen zoals genoemd in onderdeel 2 van bijlage II en rubriek 2 van tabel B van bijlage IV van Richtlijn 2017/2397 zijn de opleidingsprogramma’s die resulteren in het diploma kapitein binnenvaart, schipper binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen onder de respectieve nummers 25612, 25611 en 25635. ### Artikel 7.18a De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor stuurman in aanmerking wil komen: a. a. voldoet aan de eisen van volmatroos, heeft als volmatroos ten minste 180 dagen vaartijd opgebouwd en is houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008; b. b. heeft een goedgekeurd opleidingsprogramma van minstens drie jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, tweede lid, heeft een vaartijd van ten minste 360 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma en is houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008; of c. c. heeft als kapitein zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet bemanning zeeschepen een werkervaring opgebouwd van ten minste 500 dagen, beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 7.17 en is houder van een basiscertificaat marifonie, het beperkte certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie zoals bedoeld in de Examenregeling frequentiegebruik 2008. ### Artikel 7.18b De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor volmatroos in aanmerking wil komen: a. a. voldoet aan de eisen van matroos en heeft als matroos ten minste 180 dagen vaartijd opgebouwd; of b. b. heeft een goedgekeurd opleidingsprogramma van minstens drie jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, tweede lid en heeft een vaartijd van ten minste 270 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma. ### Artikel 7.18c De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor matroos in aanmerking wil komen: a. a. is ten minste 17 jaar oud, heeft een goedgekeurd opleidingsprogramma van minstens twee jaar afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, tweede lid, heeft een vaartijd van ten minste 90 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma en is als gevolg van het voltooien van dat opleidingsprogramma in bezit van: 1°. Het diploma matroos binnenvaart, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met opleidingscodes 25610 en 25970; 2°. Het diploma kapitein binnenvaart, schipper binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 25612, 25972, 25611, 25971, 25635 en 25973; 3°. Het diploma VMBO Rijn-, en binnen- en kustvaart van het Scheepvaart en Transport College te Rotterdam, het Maritiem College te IJmuiden, of de Maritieme Academie Harlingen, waarbij voor de met ingang van 1 juli 2017 behaalde diploma’s de beroepsgerichte keuzevakken met de vakcodes 2105 tot en met 2108 op de bijbehorende cijferlijst moeten zijn vermeld en de toets matroosvaardigheden voldoende moet zijn afgesloten; dan wel 4°. Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; 1°. 1°. Het diploma matroos binnenvaart, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen met opleidingscodes 25610 en 25970; 2°. 2°. Het diploma kapitein binnenvaart, schipper binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 25612, 25972, 25611, 25971, 25635 en 25973; 3°. 3°. Het diploma VMBO Rijn-, en binnen- en kustvaart van het Scheepvaart en Transport College te Rotterdam, het Maritiem College te IJmuiden, of de Maritieme Academie Harlingen, waarbij voor de met ingang van 1 juli 2017 behaalde diploma’s de beroepsgerichte keuzevakken met de vakcodes 2105 tot en met 2108 op de bijbehorende cijferlijst moeten zijn vermeld en de toets matroosvaardigheden voldoende moet zijn afgesloten; dan wel 4°. 4°. Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; b. b. is ten minste 18 jaar oud, beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 7.17 en heeft een vaartijd van ten minste 360 dagen opgebouwd, waarbij ook kan worden volstaan met een vaartijd van ten minste 180 dagen indien in aanvulling daarop ook ten minste 250 dagen werkervaring als dekbemanningslid op een zeeschip zijn opgebouwd; of c. c. heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma van minstens 9 maanden afgerond dat gebaseerd is op de competentienormen en onderwerpen genoemd in artikel 7.16, tweede lid, heeft een vaartijd van ten minste 90 dagen opgebouwd als onderdeel van het opleidingsprogramma, is als gevolg van het voltooien van het opleidingsprogramma in bezit van een CBR-verklaring matroos en heeft voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma vijf jaar werkervaring opgebouwd, ten minste 500 dagen werkervaring als lid van de dekbemanning op een zeeschip opgebouwd of een beroepsopleiding van ten minste drie jaar voltooid. ### Artikel 7.18d De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor lichtmatroos in aanmerking wil komen: a. a. is ten minste 15 jaar, en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat de desbetreffende opleiding verzorgt, voor het door middel van schoolbezoek volgen van een opleiding voor matroos binnenvaart, schipper binnenvaart, kapitein binnenvaart of bootman, zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes: 25509, 25610, 25970, 25510, 25611, 25971, 25511, 25612, 25972, 25564, 25635 en 25973; of b. b. is ten minste 15 jaar en in het bezit van een schriftelijk bewijs van inschrijving, afgegeven door het opleidingsinstituut dat de opleiding verzorgt voor deelname aan het Praktijkexamen matroos binnenvaart van het CBR. ### Artikel 7.18e De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deksman in aanmerking wil komen is ten minste 16 jaar oud en: a. a. heeft een door het CBR gecertificeerde basisopleiding veiligheid, genoemd in artikel 7.16, derde lid, voltooid; b. b. heeft een basisopleiding veiligheid, genoemd in artikel 7.16, derde lid, voltooid als onderdeel van een van de opleidingen genoemd in artikel 7.18d, onderdeel a; c. c. heeft een bewijs van voltooiing van een basisopleiding veiligheid dat is afgegeven in een van de Rijnoeverstaten of België; of d. d. heeft een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid als bedoeld in artikel 3.5.1 van de Regeling bemanning zeeschepen. ### Artikel 7.19 **1.** De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard in aanmerking wil komen beschikt over verklaring als bedoeld in artikel 7.17. **2.** De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen op waterwegen die zijn ingedeeld als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s in aanmerking wil komen beschikt over de relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17. **3.** De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor radarvaart in aanmerking wil komen beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 7.17, over een radarpatent, bedoeld in artikel 20.09, van het Rsp, of kan aantonen dat het diploma kapitein binnenvaart of schipper binnenvaart zoals opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen onder de respectieve opleidingscodes 10650, 25511, 25612, 93110, 95640, 25972, 10651, 25510, 25971, 25635, 91900, 95630 dan wel het onderdeel radar van die opleidingen is behaald. **4.** De afgifte van een specifieke vergunning voor het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof vindt plaats in de vorm van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), bedoeld in artikel 7.19a, derde lid. **5.** De aanvrager die voor de afgifte van een specifieke vergunning voor het varen in grote konvooien in aanmerking wil komen heeft een vaartijd opgebouwd van ten minste 720 dagen, waarvan ten minste 540 dagen als schipper en ten minste 180 dagen als begeleider van een groot konvooi. **6.** De afgifte van de specifieke vergunningen zoals bedoeld in het eerste tot en met het derde lid en het vijfde lid vindt plaats door aantekening op het kwalificatiecertificaat schipper of het CCR-kwalificatiecertificaat schipper van de aanvrager en wordt bij een verlenging van het kwalificatiecertificaat opnieuw aangetekend. **7.** In afwijking van het zesde lid, wordt indien de aanvrager geen houder is van een kwalificatiecertificaat schipper of CCR-kwalificatiecertificaat schipper maar wel houder is van een als gelijkwaardig erkend vaarbewijs als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het besluit, de specifieke vergunning als een losse verklaring afgegeven. ### Artikel 7.19a **1.** De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen voor de passagiersvaart in aanmerking wil komen is ten minste 18 jaar oud en heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma afgerond dat gebaseerd is op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in artikel 7.16, zevende lid. **2.** Het kwalificatiecertificaat voor deskundigen voor de passagiersvaart is vijf jaar geldig en kan verlengd worden door het tonen van een nieuwe relevante verklaring zoals bedoeld in artikel 7.17. **3.** De aanvrager die voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) in aanmerking wil komen heeft een door het CBR gecertificeerd opleidingsprogramma afgerond dat gebaseerd is op de onderwerpen en competentienormen, genoemd in onderdeel 4.2 van bijlage II en rubriek 4.2 van tabel B van bijlage IV van richtlijn (EU) 2017/2397 en beschikt over een relevante verklaring, bedoeld in artikel 7.17. **4.** Het kwalificatiecertificaat voor deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) is vijf jaar geldig en kan verlengd worden door het tonen van een nieuwe relevante verklaring zoals bedoeld in artikel 7.17 of door het aantonen van opgebouwde vaartijd op een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt van 180 dagen in de afgelopen vijf jaar of 90 dagen in het afgelopen jaar. ### Artikel 7.19b Vervallen ### Artikel 7.20 **1.** De examinator biedt ten minste eenmaal per jaar de mogelijkheid examens af te leggen. Hij maakt tijdig bekend voor welk tijdstip en bij wie aanmelding voor een examen dient te geschieden. Hij vermeldt tevens welke vergoeding voor het afleggen van het examen verschuldigd is, alsmede de wijze van betaling. **2.** De examinator zorgt dat de examens worden afgenomen in daartoe geschikte locaties. Hij zorgt voor toezicht en een goede gang van zaken bij het examen. Onder meer worden maatregelen getroffen om bedrog te voorkomen. **3.** Indien zich tijdens het examen onregelmatigheden hebben voorgedaan stelt de examinator zo spoedig mogelijk een verslag op omtrent het voorgevallene. **4.** De examinator bewaart het verslag en de examenbescheiden gedurende een jaar na afloop van het examen. ### Artikel 7.21 **1.** De examens, bedoeld in de artikelen 7.15 en 7.16 en het examen ter verkrijging van een verklaring praktijkexamen machinist worden afgenomen met inachtneming van een examenreglement en een examenprogramma die zijn goedgekeurd door de minister. **2.** De minister keurt het examenreglement en het examenprogramma slechts goed indien deze naar zijn oordeel voldoende waarborgen bevatten dat de vereiste kennis en bekwaamheid van de kandidaat naar behoren worden onderzocht. ### Paragraaf 4. Vervanging en afgifte van duplicaten ### Artikel 7.22 **1.** Een aanvraag tot afgifte van een duplicaat wordt door de houder van het klein vaarbewijs ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het klein vaarbewijs, onder vermelding van de reden. **2.** De aanvrager wiens eerder uitgereikt klein vaarbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, legt hieromtrent bij het indienen van zijn aanvraag een schriftelijke verklaring af. **3.** Voor zover het klein vaarbewijs nog aanwezig is, wordt dit tegelijk met de aanvraag overgelegd. **4.** Indien de houder van een verloren geraakt klein vaarbewijs dit weer tot zijn beschikking heeft gekregen, levert hij dit klein vaarbewijs onverwijld in bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het klein vaarbewijs. ### Artikel 7.23 **1.** Bij naamswijziging van de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning, en indien de geldigheidsduur van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning niet langer dan een jaar verstreken is, kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning voorzien van de gewijzigde gegevens worden afgegeven. **2.** Bij verlies van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning kan onder handhaving van de oorspronkelijke geldigheidsduur een vervangend document worden afgegeven, indien de betreffende kwalificatie vermeld staat in het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld in artikel 33a van het Binnenvaartbesluit. **3.** Een aanvraag tot afgifte van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning ingediend bij de instantie die door de minister is belast met de afgifte van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning, onder vermelding van de reden. **4.** Bij de aanvraag wordt het te vervangen vaarbewijs, het te vervangen kwalificatiecertificaat of de te vervangen specifieke vergunning indien mogelijk ingeleverd. ### Paragraaf 5. Gegevensverstrekking ### Artikel 7.24 **1.** De instanties die belast zijn met de afgifte van vaarbewijzen, kwalificatiecertificaten of specifieke vergunningen stellen de Dienst infrastructuur van de Eenheid landelijke expertise en operaties van de politie alsmede de dienst Zeehavenpolitie van de regionale eenheid Rotterdam onverwijld schriftelijk in kennis van: a. a. de ongeldigverklaring voor de gehele of gedeeltelijke geldigheidsduur van een vaarbewijs, kwalificatiecertificaat of specifieke vergunning; b. b. de ongeldigverklaring van een groot pleziervaartbewijs als bedoeld in artikel 7.8; c. c. de ongeldigverklaring van een zeilbewijs als bedoeld in artikel 7.9; d. d. de ongeldigverklaring van een vrijstellingsbewijs als bedoeld in artikel 7.6. **2.** Van de in het eerste lid bedoelde in kennis stelling wordt gelijktijdig mededeling gedaan aan de houder van het vaarbewijs, het kwalificatiecertificaat of de specifieke vergunning. **3.** Een registratie in het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld in artikel 33a van het Binnenvaartbesluit geldt als een schriftelijke in kennisstelling bedoeld in het eerste lid. ### Paragraaf 6. ICC’s ### Artikel 7.25 De instantie die het klein vaarbewijs afgeeft verstrekt op aanvraag, namens de minister, aan de houder van onderscheidenlijk een geldig klein vaarbewijs I of II, een geldig groot pleziervaartbewijs I of II, een certificaat Theoretische Kustnavigatie van het Koninklijk Nederlands Watersportverbond of een diploma als bedoeld in bijlage 7.2, § 3, onderscheidenlijk het: a. a. gecombineerde klein vaarbewijs I / ICC inland; b. b. gecombineerde klein vaarbewijs II / ICC inland + coastal; c. c. gecombineerde groot pleziervaartbewijs I / ICC inland; d. d. gecombineerde groot pleziervaartbewijs II / ICC inland + coastal; e. e. ICC coastal. ## Hoofdstuk 8. Overige documenten ### Artikel 8.1 De Minister verstrekt een Rijnvaartverklaring, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a van het besluit, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 5 van de bijlage bij verordening (EEG) 2919/85. ### Artikel 8.2 **1.** De Rijnvaartverklaring wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.1 bij deze regeling. **2.** De verklaring bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de bijlage bij verordening (EEG) 2919/85 wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.2 bij deze regeling. ### Artikel 8.3 **1.** De Minister verstrekt een bewijs van toelating, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de herziene Rijnvaartakte. **2.** Het bewijs van toelating wordt vastgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 8.3 bij deze regeling. ### Artikel 8.3a Van de verplichting bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Binnenvaartbesluit, zijn vrijgesteld veerponten die de stroom dwars oversteken. ### Artikel 8.4 Als geëigend document, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, zijn aangewezen de attesten, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een Lid-Staat waar zij niet gevestigd zijn (PbEG L 373). ### Artikel 8.5 De houder van een document van toelating draagt er zorg voor dat dit document op een van de volgende wijzen kan worden gecontroleerd: a. a. aan boord van het binnenschip, waarvoor het document is afgegeven; of b. b. ten kantore van de eigenaar of de exploitant van dat binnenschip. ## Hoofdstuk 9. Registratie en statistiek ### Artikel 9.1 Het registratienummer, bedoeld in artikel 30 van het besluit, wordt op het binnenschip aangebracht op de plaats en wijze, bedoeld in artikel 2.01, eerste lid, onder a, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.01, derde lid, van dat reglement. ### Artikel 9.2 Degene die daadwerkelijk en bij voortduring leiding geeft aan de vervoersactiviteit van een onderneming bestaande uit het bedrijfsmatig vervoer van goederen, anders dan bestemd voor of afkomstig van de eigen onderneming, met vaartuigen met een laadvermogen van 50 ton of meer, alsmede de personen bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, zijn verstrekken periodiek over één of meer door het Centraal Bureau voor de Statistiek nader vast te stellen tijdvakken en uiterlijk binnen veertien dagen na afloop daarvan aan het Centraal Bureau voor de Statistiek een opgave van: a. a. de datum van het vervoer; b. b. de soorten van vervoer; c. c. de scheepsgegevens; d. d. het land, de regio of het gebied en de plaats van lading en lossing, respectievelijk het land, de regio of het gebied en plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart; e. e. de afstand tussen de plaats of plaatsen van lading en de plaats of plaatsen van lossing, respectievelijk de afstand tussen de plaats van vertrek en aankomst bij leegvaart; f. f. het gewicht, uitgedrukt in tonnen, van de vervoerde goederen; g. g. de aard van de vervoerde goederen; h. h. het aantal beladen en lege containers naar grootte; i. i. het identificatienummer, klasse en cijfer van de vervoerde stof in geval van vervoer van gevaarlijke stoffen. ### Artikel 9.3 De SAB is aangewezen als het centraal contactpunt, bedoeld in artikel 8.1 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473, voor het register kwalificatiecertificaten, dienstboekjes, vaartijdenboeken en overige vaardocumenten bedoeld in artikel 33a van het Binnenvaartbesluit. ## Hoofdstuk 10. Toezicht en handhaving ### Artikel 10.1 Als ambtenaren in de zin van artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport die belast zijn met toezicht en opsporing. ### Artikel 10.2 Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet worden aangewezen de ambtenaren, onderscheidenlijk medewerkers, van: a. a. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Amsterdam N.V.; b. b. het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; c. c. de divisie Havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V.; d. d. de Arbeidsinspectie. ### Artikel 10.3 **1.** Als ambtenaren in de zin van artikel 40, tweede lid, van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de in artikel 10.4 genoemde provincies, gemeenten onderscheidenlijk waterschappen die daartoe door het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur als zodanig zijn aangesteld. **2.** Het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur stelt slechts ambtenaren aan die naar zijn oordeel voldoende bekwaam zijn ter zake van de wet en van toezicht of opsporing. ### Artikel 10.4 **1.** De in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde provincies zijn: Fryslân, Groningen en Overijssel. **2.** De in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde gemeenten zijn: Aalsmeer en Amsterdam. **3.** Het in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde waterschap is: Rivierenland. ## Hoofdstuk 11. Bestuurlijke boete ### Artikel 11.1 **1.** De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid en zesde lid, 7, eerste lid, 8, derde lid, 10, tweede lid, 11, 12, 13, vierde lid, 21, eerste lid, 22, negende lid, 23, eerste lid, 25, vierde lid en vijfde lid, 28, zevende lid, 31, vierde lid, 33, tweede lid, 36, vierde lid, 37, tweede lid, 43, tweede lid, en 46, tweede lid, van de wet zijn opgenomen in tabel 1 in bijlage 11.1 bij deze regeling. **2.** De bedragen van de bestuurlijke boete op overtredingen als bedoeld in de artikelen 39c, derde lid, en 39e, van de wet zijn opgenomen in tabel 2 in bijlage 11.1 bij deze regeling. ## Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen en wijzigingen in andere regelingen ### Paragraaf 1. Overgangsbepalingen ### Artikel 12.1 **1.** Op binnenschepen die niet onder het toepassingsbereik van richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot het vaststellen van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301) vielen, maar wel onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen, is artikel 29, tweede, derde en vierde lid, van richtlijn (EU) 2016/1629 van toepassing. **2.** Als tekortkomingen die geen klaarblijkelijk gevaar opleveren als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn (EU) 2016/1629 worden in ieder geval de tekortkomingen gerekend die voor binnenschepen als bedoeld in het eerste lid voortvloeien uit de tot het in werking treden van de wet toegepaste overgangsbepalingen van het Binnenschepenbesluit zoals dat op dat moment luidde. ### Artikel 12.2 Ten aanzien van een binnenschip waarvan het vlak van de grootste toegelaten diepgang bij de laatste meting is vastgesteld volgens artikel 5 van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het besluit van 23 maart 1998, houdende wijziging van het Metingsbesluit Binnenvaartuigen 1978, kan bij hermeting het vlak van de grootste toegelaten diepgang op verzoek van de belanghebbende worden vastgesteld met toepassing van dat artikel, mits het vaartuig sinds de laatste meting geen verbouwing heeft ondergaan die van invloed kan zijn op de vaststelling van dat vlak. ### Artikel 12.3 **1.** Klein vaarbewijzen en groot pleziervaartbewijzen, afgegeven krachtens deze regeling tot 1 januari 2020 blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken. **2.** Dienstboekjes, vaartijdenboeken, Rijnpatenten, attesten en andere documenten, afgegeven vóór 1 juli 2011 op grond van hoofdstuk 23 van het RosR 1995, het Patentreglement Rijn of het Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen, blijven geldig totdat hun geldigheid is verstreken. ### Artikel 12.4 Ambtenaren die op het moment voor inwerkingtreding van de wet krachtens aanwijzing door de Minister bevoegd waren tot toezicht op de naleving of tot opsporing van het bepaalde bij of krachtens de Binnenschepenwet, de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, de Wet vervoer binnenvaart of de Herziene Rijnvaartakte, behouden die bevoegdheid tot 31 december 2009 of zoveel eerder als zij ingevolge hoofdstuk 10 worden aangewezen onderscheidenlijk van hun bevoegdheid tot toezicht of opsporing worden ontheven. ### Artikel 12.5 De tot 1 juli 2009 door de Stichting Commissie Watersport Opleidingen te Nieuwegein afgegeven diploma’s CWO groot motorschip alsook het door Scouting Nederland afgegeven diploma Machtiging voor bootleiding (MBL) M3 en het tot 1 januari 2020 door de Stichting VAMEX afgegeven diploma CWO groot motorschip gelden als het in artikel 7.8, derde lid, onderdeel a, bedoelde door het CBR afgegeven diploma. ### Artikel 12.5a **1.** Een bemanningslid als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, dat volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in de artikelen 2.9 en 2.10 op 22 februari 2022, of op een bemanningslid als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, zoals dat artikel luidde op 31 maart 2023, dat volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in de artikelen 2.9 en 2.10 op 31 maart 2023, voldoet tot en met 17 januari 2032 aan de eisen voor die desbetreffende functie zoals die gesteld zijn in de artikelen 2.9 of 2.10 en in het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn. **2.** Een bemanningslid dat op 31 maart 2023 voldeed aan de eisen van matroos bedoeld in artikel 2.10, zesde lid, of lichtmatroos bedoeld in artikel 2.10, zevende lid, zoals die luidden op 31 maart 2023, voldoet tot en met 17 januari 2032 aan de eisen van deksman bedoeld in artikel 2.9, achtste lid. **3.** Wanneer een bemanningslid dat op 31 maart 2023 volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in de artikelen 2.9 en 2.10 voor de eerste keer een dienstboekje met kwalificatiecertificaat bedoeld in artikel 5.01 van het Rsp aanvraagt kan er ongeacht de functie van dat bemanningslid een dienstboekje worden afgegeven voor: a. a. matroos indien er een vaartijd wordt aangetoond van 540 dagen waarvan minstens 180 dagen in de binnenvaart; b. b. volmatroos indien er een vaartijd wordt aangetoond van 900 dagen waarvan minstens 540 dagen in de binnenvaart; c. c. stuurman indien er een vaartijd wordt aangetoond van 1.080 dagen waarvan minstens 720 dagen in de binnenvaart; waarbij de vereiste vaartijd met ten hoogste 360 dagen kan worden verminderd met de duur van een opleidingsprogramma bedoeld in artikel 7.18, zesde lid in het geval dat opleidingsprogramma praktijkstages bevat. Het aantonen van de vaartijd bedoeld in dit artikellid kan geschieden door middel van het dienstboekje, bedoeld in artikel 5.11, indien nodig aangevuld met het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 5.12, of andere stukken. **4.** Op een persoon die met uitzondering van de vaartijdeis volledig voldeed aan de eisen van ten minste één van de functies genoemd in de artikelen 2.9, 2.10 of 7.18 op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I van de Regeling gedeeltelijke implementatie richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart, blijven de eisen in de artikelen 2.9, 2.10 en 7.18 zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regeling van toepassing. **5.** Op een persoon die volledig voldeed aan de eisen voor afgifte van een beperkt groot of een groot vaarbewijs zoals bepaald in artikel 7.18, eerste lid, op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I van de Regeling gedeeltelijke implementatie richtlijn beroepskwalificaties binnenvaart maar aan wie nog geen afgifte heeft plaatsgevonden, blijft artikel 7.18 zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van die regeling van toepassing. **6.** Een bemanningslid dat voldeed aan de eisen voor eerste machinist of tweede machinist bedoeld in artikel 2.10, zoals die luidden op het moment voor inwerkingtreding van de wet van 7 juni 2023 tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad, voldoet aan de eisen voor die desbetreffende functie, bedoeld in artikel 2.10, derde en vierde lid. **7.** Onder een activiteit die op het binnenwater aan het begin of het eind van een reis in het kader van zeevervoer wordt uitgevoerd, bedoeld in artikel 42 van het besluit, wordt onder andere begrepen het verhalen van zeeschepen binnen een havengebied. **8.** In aanvulling op het vijfde lid van artikel 7.8 kan bij de afgifte van een groot pleziervaartbewijs I tot en met 17 januari 2032 worden volstaan met een geldig groot vaarbewijs B, een geldig beperkt groot vaarbewijs B of een van deze documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. **9.** In aanvulling op het zesde lid van artikel 7.8 kan bij de afgifte van een groot pleziervaartbewijs II tot en met 17 januari 2032 worden volstaan met een geldig groot vaarbewijs A, een geldig beperkt groot vaarbewijs A, een geldig groot patent of een van deze documenten die ongeldig is geworden op geen andere wijze dan door het verstrijken van de geldigheidsduur en wanneer uit een gezondheidsverklaring van de aanvrager blijkt dat deze lichamelijk en geestelijk voldoende geschikt is voor het voeren van een binnenschip. **10.** Tot en met drie jaar na het tijdstip waarop de wet van 7 juni 2023 tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad in werking treedt is in afwijking van artikel 7.5 een kwalificatiecertificaat open rondvaartboot beperkt vaargebied niet vereist, behoudens voor zover het betreft schepen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel d, van het besluit, voor open rondvaartboten als bedoeld in artikel 1.1, bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning, met een lengte gemeten op het vlak van de grootste inzinking van minder dan 20 meter, voor zover de schipper in het bezit is van een klein vaarbewijs of een kwalificatiecertificaat als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, onderdeel a, en indien het schip vaart op de binnenwateren van zone 4, dan wel op de Beulakerwijde of de Belterwijde. **11.** In plaats van een kwalificatiecertificaat schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype beperkt vaargebied bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, onderdeel a, kan worden volstaan met een vrijstellingsbewijs schipper rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype. **12.** Tot en met zes maanden na het tijdstip waarop de wet van 7 juni 2023 tot wijziging van de Binnenvaartwet in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad in werking treedt volstaat in afwijking van artikel 7.6, derde lid, het beschikken over een klein vaarbewijs om deel te kunnen nemen aan de praktijktoetsen bedoeld in dat artikellid. ### Artikel 12.5b **1.** In plaats van de specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar, bedoeld in artikel 7.11b, lid 1, onderdeel c, kan worden volstaan met een radarpatent, bedoeld in artikel 20.09 van het Rsp. **2.** In plaats van de specifieke vergunning voor het varen met vloeibaar aardgas als brandstof, bedoeld in artikel 7.11b, lid 1, onderdeel d, kan worden volstaan met een verklaring van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof, bedoeld in artikel 20.10 van het Rsp. ### Paragraaf 2. Wijzigingen in andere regelingen ### Artikel 12.6 Wijzigt de Regeling bemanning zeegaande zeilschepen. ### Artikel 12.7 Wijzigt de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen. ### Artikel 12.8 Wijzigt de Subsidieregeling dieselmotoren voor binnenvaartschepen. ### Artikel 12.9 Wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. ### Artikel 12.10 Wijzigt de Regeling aanwijzing wetgeving ex art. 4:2, tweede lid, Besluit politiegegevens. ### Artikel 12.11 Wijzigt de Regeling tarieven scheepvaart 2005. ## Hoofdstuk 13. Slotbepalingen ### Artikel 13.1 Deze regeling treedt gelijktijdig in werking met de Binnenvaartwet. ### Artikel 13.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Binnenvaartregeling. ## Bijlage 1.1. Reglement onderzoek schepen op de Rijn Reglement onderzoek schepen op de Rijn ## Bijlage 1.1a. Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen Vervallen ## Bijlage 1.2. : Patentreglement Rijn als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 1.3. : Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen (RVP) als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 1.4. Voorschriften met betrekking tot typegoedkeuring en installatie tachografen Rijnvaart als bedoeld in ## Bijlage 1.5. : Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart, als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 1.6. : Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties voor de Rijnvaart, als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 1.7. : Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de Rijnvaart, als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 1.8. : Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de rijnvaart, als bedoeld in de Vervallen ## Bijlage 1.9. als bedoeld in Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (Rsp) ## Bijlage 1.10. Minimumeisen aan Inland ECDIS-apparatuur in de informatiemodus en daarmee vergelijkbare visualiseringssystemen bij het gebruik van Inland AIS-gegevens aan boord van schepen ## Bijlage 2.1. Model bewijsstuk historische vakbekwaamheid als bedoeld in *[afbeelding]* ## Bijlage 3.1. Aanvullende voorschriften voor passagiersschepen op zone 2 als bedoeld in ## Bijlage 3.2. Technische eisen voor Amsterdamse dekschuiten als bedoeld in ## Bijlage 3.3. Technische eisen voor rondvaartboten van het Amsterdams grachtentype als bedoeld in ## Bijlage 3.4. Technische eisen voor open rondvaartboten als bedoeld in ## Bijlage 3.5. Technische eisen voor skûtsjes als bedoeld in ## Bijlage 3.6. Technische eisen voor veerponten als bedoeld in ## Bijlage 3.7. Technische voorschriften voor veerboten en passagiersschepen als bedoeld in ## Bijlage 3.8. Technische eisen voor bunkerstations als bedoeld in ## Bijlage 3.9. Technische eisen voor patrouillevaartuigen als bedoeld in ## Bijlage 3.10. Model van het certificaat van onderzoek voor bunkerstations als bedoeld in ## Bijlage 3.11. bedoeld in ## Bijlage 3.12. Technische eisen voor kleine drijvende werktuigen als bedoeld in ## Bijlage 4.1. Metingsvoorschriften als bedoeld in de ## Bijlage 5.1. Minimumbemanning van hechte samenstellen als bedoeld in (Externe link) http://wetten.overheid.nl/id/BWBR0025958/2017-07-01/0/Bijlage5.1 * De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. ** De stuurman bezit de bekwaamheid van schipper als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid. *** Een van de lichtmatrozen is ouder dan 18 jaar. **** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het laatste leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen. ***** De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de tabel, kan a) in de groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2, b) in de groep 2, exploitatiewijze Al, Standaard S2, c) in de groep 3, exploitatiewijze Al, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2, d) in de groep 4, exploitatiewijze Al, Standaard S2 en exploitatiewijze A2, Standaard S2, en e) in de groep 5, exploitatiewijze Al, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2, voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c, d en het tweede alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in noot ****. ****** de machinist mag worden vervangen door een matroos; ******* de machinist mag worden vervangen door een volmatroos; Bovendien wordt in de groepen 4, 5 en 6 van deze tabel als duwbak aangemerkt al datgene wat tijdens transport geduwd of langszij meegevoerd wordt, en is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere duwbakken met een totale lengte tot en met 76,50 m en een totale breedte tot en met 15 m. Wanneer een duwbak breder is dan 15 meter is, op basis van de lengte van het samenstel, de naast hogere groep van toepassing. ## Bijlage 5.2. Minimumbemanning voor schepen voor dagtochten als bedoeld in * De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. ** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen, die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen. *** De machinist mag worden vervangen door een matroos. **** De machinist mag worden vervangen door een volmatroos. ***** De minimumbemanning: a) in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2; b) in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1; c) in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2; d) in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2; en e) in de groep 6, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2. kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning worden met een periode van minimaal één maand onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool wordt aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. ## Bijlage 5.3. Minimumbemanning voor stoomschepen voor dagtochten als bedoeld in * De lichtmatroos of een van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. ** De minister bepaalt of machinisten of volmatrozen vereist zijn en vult dat in het Certificaat van Onderzoek in onder nummer 52. *** De matrozen mogen worden vervangen door lichtmatrozen, die de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het laatste leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen. **** De minimumbemanning kan a) in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S1, b) in de groep 2, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en c) in de groep 2, exploitatiewijze B, Standaard S2, voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel b en c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in noot ***. ## Bijlage 5.4. Minimumbemanning voor hotelschepen als bedoeld in * De minimumbemanning a) in groep 1, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en b) in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten door een periode van minimaal een maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord bevindt, waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. ** De machinist mag worden vervangen door een matroos. *** De machinist mag worden vervangen door een volmatroos. ## Bijlage 5.5. Minimumbemanning voor veerboten als bedoeld in ^1 Ten minste een van de bemanningsleden is houder van een geldig Diploma Eerste Hulp van Het Oranje Kruis of een gelijkwaardig diploma. ^2 De 2^e machinist kan vervallen indien er sprake is van een eenmansbediening met betrekking tot de voortstuwingsmiddelen en de stuurinrichting of wanneer er zonder passagiers wordt gevaren. ^3 In afwijking van artikel 2.10, tweede lid, kan bij één van de twee voorgeschreven schippers worden volstaan met een schipper die voldoet aan de eisen die zijn gesteld in artikel 2.9, tweede lid. ## Bijlage 5.6. Minimumbemanning voor sleepschepen als bedoeld in ## Bijlage 5.7. Minimumbemanning van sleepboten en sleepboten die havendiensten verrichten als bedoeld in De minimumbemanning van sleepboten bestaat uit: * Voor de vaart op de Rijn buiten Nederland bestaat de minimumbemanning uit een schipper en een matroos. De matroos is binnenlands niet nodig. ** Indien een schip, ingedeeld in groep 2 dan wel in groep 3, voldoet aan de volgende bepalingen betreffende de bouw en de inrichting wordt de minimumbemanning verminderd met één matroos: a. alle belangrijke bedieningsapparatuur en signalerings- en controle instrumenten voor de hoofdaandrijfinstallaties, de stroomvoorziening en overige voor het bedrijf belangrijke installaties, zijn in het stuurhuis aangebracht; b. een schip dat is ingedeeld in groep 2 is voorzien van een sleeplier, dan wel van een sleephaak gecombineerd met een kaapstander of een draadberglier; c. een schip dat is ingedeeld in groep 3 is voorzien van een sleeplier, dan wel van een sleephaak gecombineerd met een draadberglier; d. sleeplieren en draadberglieren kunnen zowel vanaf het dek als vanaf de brug worden bediend; e. er is een noodbediening waarmee de sleeplier dan wel de sleephaak kan worden gevierd c.q. geslipt, welke ook in geval van stroomuitval vanaf het dek is verzekerd; f. stuurstellingen op de brug zijn zodanig geplaatst en uitgevoerd dat bij alle voorkomende manoeuvreeromstandigheden een volledig overzicht door degene die het vaartuig voert, is gegarandeerd; g. bedieningsapparatuur is aangebracht binnen het bereik van degene die het vaartuig voert. Zowel bij de bedieningsplaats voor de sleeplier dan wel de draadberglier als op de plaats waar signalerings- en controle instrumenten kunnen worden waargenomen, is voldoende ruimte aanwezig zodat de bediening van de sleeplier dan wel de draadberglier door degene die het vaartuig voert niet bemoeilijkt wordt bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden; h. het schip is voorzien van een radarinstallatie, waarvan het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar is; i. door adequate middelen is gewaarborgd dat onder alle weersomstandigheden door de ruiten die in de belangrijkste blikrichtingen zijn gelegen, helder zicht mogelijk is; j. gemeenschappelijke reddingmiddelen zijn zodanig opgesteld dat zij door slechts één bemanningslid te water kunnen worden gelaten; k. regelbare dekverlichting voor het belichten van de sleeplijn, die vanuit het stuurhuis kan worden bediend, is geïnstalleerd. De lampen voor het werkdek zijn zo geplaatst en zodanig uitgevoerd dat een ongestoorde verlichting van het werkdek is verzekerd en voorts geen gevaar bestaat voor verblinding van degene die het vaartuig voert. Hierbij is met name rekening gehouden met het geval van mist; en l. De Minister van Infrastructuur en Milieu geeft een verklaring af waaruit blijkt dat wordt voldaan aan deze bepalingen. De minimumbemanning van sleepboten gedurende de tijd dat havensleepdiensten worden verricht bestaat uit: *** Paaltrek: de maximale trekkracht die het schip via een sleepdraad kan uitoefenen op een te slepen object als aangegeven op een certificaat, afgegeven door een binnen de sfeer van de sleepvaart algemeen daartoe erkende organisatie. Indien geen certificaat betreffende de paaltrek wordt overgelegd, wordt voor de paaltrek een trekkracht aangenomen van 20 kg/kW van het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen. ## Bijlage 5.8. Minimumbemanning snelle veerponten als bedoeld in De minimumbemanning van veerponten die een snelheid van meer dan 30 km per uur, maar niet meer dan 40 km per uur, kunnen bereiken bestaat uit: * Op wateren van de zone 3 en 4 mag één volmatroos worden vervangen door een matroos. ** De lichtmatroos is ten minste 18 jaar oud. ** De lichtmatroos is ten minste 18 jaar oud. ## Bijlage 5.9. Model dienstboekje schipper als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 6.1. Keuringsaanwijzingen en keuringseisen als bedoeld in ## Bijlage 6.2 De geneeskundige verklaring wordt afgegeven volgens het model dat is vastgesteld in bijlage 1 bij het Rsp. ## Bijlage 6.3 *[afbeelding]* ## Bijlage 6.4. Model eigen verklaring als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 7.1. Erkende vaarbewijzen als bedoeld in ## Bijlage 7.2. Erkende bewijzen van vaarbekwaamheid, onderscheidenlijk diploma’s en opleidingen, die geheel respectievelijk gedeeltelijk dispensatie geven van het onderzoek naar de kennis en bekwaamheid om een schip te voeren als bedoeld in ## Bijlage 7.3. Modellen vaarbewijzen als bedoeld in *[afbeelding]* *[afbeelding]* *[afbeelding]* *[afbeelding]* ## Bijlage 7.4. Modellen kwalificatiecertificaten als bedoeld in ## Bijlage 7.5. Model-ICC, als bedoeld in (85 mm x 54 mm) *[afbeelding]* ## Bijlage 8.1. Model rijnvaartverklaring als bedoeld in *[afbeelding]* ## Bijlage 8.2. Model verklaring als bedoeld in *[afbeelding]* ## Bijlage 8.3. Model bewijs van toelating als bedoeld in *[afbeelding]* *[afbeelding]* ## Bijlage 11.1. als bedoeld in