--- titel: Omgevingsregeling bwb_id: BWBR0045528 type: ministeriele-regeling status: geldend datum_inwerkingtreding: '2024-06-15' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0045528 citeertitel: Omgevingsregeling --- # Omgevingsregeling ## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ### Afdeling 1.1. Algemeen ### Artikel 1.1 Bijlage I bij deze regeling bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze regeling. ### Artikel 1.1a **1.** Deze regeling berust op de volgende artikelen van de wet: 1.5, tweede lid, 2.15, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 2.20, tweede en derde lid, 2.21, 2.21a, eerste lid, 2.24, tweede lid, 4.1, tweede lid, 4.3, vierde lid, 5.2, derde lid, 5.34, tweede lid, 5.44, tweede lid, 12.6, vijfde lid, 12.26, derde lid, 13.1, tweede lid, 13.3e, tweede lid, 13.21, 16.6, 16.55, tweede en zesde lid, 16.139, derde en vierde lid, 18.21, eerste lid, 19.10, eerste lid, 19.11, 20.2, tweede lid, 20.3, eerste lid, 20.6, derde lid, aanhef en onder b, 20.10, derde lid, 20.14, zesde lid, 20.16, derde lid, 20.18, eerste lid, 20.21, tweede en vierde lid, 20.25, tweede lid, 20.26, vierde lid, 20.28, derde lid, 20.29 en 20.30, aanhef en onder b. **2.** Deze regeling berust ook op: a. a. de artikelen 11.43, 11.45, 11.53, 11.59, 11.64 en 11.131, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. b. artikel 6.5a van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en c. c. de artikelen 3.36, vierde, vijfde en zesde lid, 3.37, vijfde lid, 8.47, vijfde lid, 8.48, vijfde lid, 8.53, vijfde lid, 8.55, vijfde lid, 8.56, tweede lid, 8.57, derde lid, 8.57a, vierde lid, 8.57b, vierde lid, 8.59, tweede lid, 8.62c, vijfde lid, 8.62h, derde lid, 8.62i, derde lid, 8.62l, vierde lid, 8.66, derde lid, 8.68, derde lid, en 8.70g, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. **3.** Deze regeling berust ook op de volgende artikelen voor zover het gaat om de daarbij aangegeven artikelen: a. a. artikel 133, derde lid, van de Mijnbouwwet: de artikelen 14.1, 14.2, 14.18b, 14.28e en 14.31i van deze regeling; en b. b. artikel 10.1, eerste lid van de Wet dieren: artikel 4.30, derde lid, van deze regeling. ### Afdeling 1.2. Toepassingsbereik ### Artikel 1.2 Deze regeling is ook van toepassing in de exclusieve economische zone. ### Afdeling 1.3. Internationaalrechtelijke verplichtingen ### Artikel 1.3 Met een erkenning, kwaliteitsverklaring, certificaat, keuring of norm als bedoeld in deze regeling wordt gelijkgesteld een erkenning, kwaliteitsverklaring, certificaat, keuring of norm, afgegeven, uitgevoerd of goedgekeurd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en partij is bij een verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd. ### Afdeling 1.4. Verwijzingen ### Artikel 1.4 **1.** In bijlage II is bepaald welke uitgave van een in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving of deze regeling genoemde norm van toepassing is. **2.** Een verwijzing in een norm naar een andere norm of een onderdeel daarvan is alleen van toepassing voor zover het gaat om een document, genoemd in bijlage II. **3.** In afwijking van het tweede lid zijn de verwijzingen in de normen, genoemd in de paragrafen 3.7.2, 3.7.3, 4.7.2 en 4.7.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, van toepassing, met uitzondering van de verwijzingen in NEN 1010. **4.** In dit artikel wordt onder norm verstaan: document, genoemd in bijlage II. ## Hoofdstuk 2. Aanwijzing en geometrische begrenzing van locaties ### Afdeling 2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 2.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de aanwijzing of geometrische begrenzing van locaties voor de toepassing van de wet en de daarop berustende bepalingen. ### Afdeling 2.2. Water #### Paragraaf 2.2.1. Rijkswateren ### Artikel 2.2 **1.** De geometrische begrenzing van de oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van de oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit, waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk berust, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van de oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit, waarvan het beheer van de waterkwantiteit bij het Rijk berust, is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van de oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in bijlage II, onder 1, bij het Omgevingsbesluit, waarvan het waterstaatkundig beheer bij het Rijk berust, is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.3 **1.** In afwijking van artikel 2.20, eerste lid, van de wet berust het waterstaatkundig beheer van de rijkswateren, voor zover deze liggen binnen de begrenzing die is vastgelegd in bijlage III, bij de in die bijlage bedoelde niet tot het Rijk behorende openbare lichamen. **2.** Het waterstaatkundig beheer van de rijkswateren, voor zover het gaat om de zorg voor het voorkomen van schade veroorzaakt door muskus- en beverratten aan waterstaatswerken berust bij het waterschapsbestuur waarvan de geometrische begrenzing gelijk is aan de oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterstaatkundig beheer bij het Rijk berust, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid. ### Artikel 2.4 De geometrische begrenzing van de waterkeringen, bedoeld in bijlage II, onder 2, bij het Omgevingsbesluit, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.2.2. Dijktrajecten ### Artikel 2.5 **1.** Een dijktraject als bedoeld in artikel 2.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt aan twee zijden begrensd door een lijn loodrecht op het dijktraject door een punt waarvan de rijksdriehoekscoördinaten zijn vastgesteld in bijlage IIIa. **2.** Een dijktraject als bedoeld in artikel 2.0h, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt aan twee zijden begrensd door een lijn loodrecht op het dijktraject door een punt waarvan de rijksdriehoekscoördinaten zijn vastgesteld in bijlage IIIb. #### Paragraaf 2.2.3. Stroomgebiedsdistricten ### Artikel 2.6 De Nederlandse delen van stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, met inbegrip van de toedeling van grondwaterlichamen aan die stroomgebiedsdistricten, zijn de locaties die zijn weergegeven op de kaart in bijlage IV. #### Paragraaf 2.2.4. Kust ### Artikel 2.7 De geometrische begrenzing van het kustfundament, bedoeld in artikel 5.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.2.5. Grote rivieren ### Artikel 2.8 **1.** De geometrische begrenzing van het rivierbed van de grote rivieren, bedoeld in artikel 5.41, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van het stroomvoerend deel van het rivierbed van de grote rivieren, bedoeld in artikel 5.41, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van het bergend deel van het rivierbed van de grote rivieren, bedoeld in artikel 5.41, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.9 **1.** De geometrische begrenzing van het reserveringsgebied voor de lange termijn voor de Rijntakken, bedoeld in artikel 5.42, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van het reserveringsgebied voor de lange termijn voor de Maas, bedoeld in artikel 5.42, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.2.6. IJsselmeergebied ### Artikel 2.10 De geometrische begrenzing van het IJsselmeergebied, bedoeld in artikel 5.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.2.7. PKB-Waddenzee en Waddengebied ### Artikel 2.11 **1.** De geometrische begrenzing van de PKB-Waddenzee, bedoeld in artikel 5.129a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van het Waddengebied, bedoeld in artikel 5.129a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.2.8. Rijksvaarwegen ### Artikel 2.12 De geometrische begrenzing van een vrijwaringsgebied van een rijkswater, met uitzondering van de Noordzee, de Waddenzee, de Westerschelde en het IJsselmeer, met inbegrip van het Zwarte Meer en het Ketelmeer, dat een vaarweg is als bedoeld in artikel 5.160 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.2.9. Beperkingengebieden waterstaatswerken in beheer bij het Rijk ### Artikel 2.13 De beperkingengebieden met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.14 De beperkingengebieden met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.17, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.15 De beperkingengebieden met betrekking tot een vaarweg in beheer bij het Rijk zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.16 De beperkingengebieden met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om het permanent afmeren van een woonschip of een ander drijvend werk, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing gelijk is aan de geometrische begrenzing van het stroomvoerend deel van het rivierbed van de grote rivieren, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid. ### Artikel 2.17 De beperkingengebieden met betrekking tot waterkeringen in beheer bij het Rijk zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.2.10. Noordzee ### Artikel 2.18 Het beperkingengebied met betrekking tot de Noordzee is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.19 **1.** Het beperkingengebied met betrekking tot de Noordzee buiten de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **2.** De beperkingengebieden met betrekking tot de Noordzee in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.20 De beperkingengebieden met betrekking tot andere installaties dan mijnbouwinstallaties in de Noordzee zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.21 Het zeewaartse gebied vanaf de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn, bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder f, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.22 **1.** De oefen- en schietgebieden, bedoeld in artikel 7.67, aanhef en onder b, onder 1°, en onder c, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **2.** De drukbevaren delen van de zee, bedoeld in artikel 7.67, aanhef en onder b, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **3.** De aanloopgebieden, bedoeld in artikel 7.67, aanhef en onder c, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **4.** De ankergebieden in de buurt van aanloophavens, bedoeld in artikel 7.67, aanhef en onder c, onder 3°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Afdeling 2.3. Infrastructuur #### Paragraaf 2.3.1. Aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s ### Artikel 2.23 **1.** Wegen waarvoor een brandaandachtsgebied en een explosieaandachtsgebied geldt als bedoeld in bijlage VII, onder C, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de wegen, bedoeld in bijlage I bij de Regeling basisnet. **2.** Spoorwegen waarvoor een brandaandachtsgebied en een explosieaandachtsgebied geldt als bedoeld in bijlage VII, onder C, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de spoorwegen, bedoeld in bijlage II bij de Regeling basisnet. **3.** Binnenwateren waarvoor een brandaandachtsgebied en een explosieaandachtsgebied geldt als bedoeld in bijlage VII, onder C, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de binnenwateren, bedoeld in bijlage III bij de Regeling basisnet. ### Artikel 2.24 Brandvoorschriftengebieden als bedoeld in artikel 5.14, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de brandaandachtsgebieden van: a. a. de wegen die in bijlage I bij de Regeling basisnet zijn aangewezen en waarbij in kolom 5 van die bijlage “JA” is geplaatst; en b. b. de spoorwegen die in bijlage II bij de Regeling basisnet zijn aangewezen en waarbij in kolom 7 van die bijlage “Ja” is geplaatst. ### Artikel 2.25 [Gereserveerd] ### Artikel 2.26 **1.** De geometrische begrenzing van de civiele explosieaandachtsgebieden A, bedoeld in artikel 5.28, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van de civiele explosieaandachtsgebieden B, bedoeld in artikel 5.28, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van de civiele explosieaandachtsgebieden C, bedoeld in artikel 5.28, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van de civiele opslagplaatsen waar ontplofbare stoffen voor civiel gebruik worden opgeslagen binnen de locaties, genoemd in bijlage IX, onder D, bij artikel 5.28, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.27 **1.** De geometrische begrenzing van de militaire explosieaandachtsgebieden A, bedoeld in artikel 5.32, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van de militaire explosieaandachtsgebieden B, bedoeld in artikel 5.32, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van de militaire explosieaandachtsgebieden C, bedoeld in artikel 5.32, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.3.2. Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen ### Artikel 2.28 **1.** De reserveringsgebieden voor de uitbreiding van een autoweg of autosnelweg, bedoeld in artikel 5.133, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **2.** De reserveringsgebieden voor de aanleg van een autoweg of autosnelweg, bedoeld in artikel 5.133, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **3.** De reserveringsgebieden voor de aanleg van een hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 5.133, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.3.3. Rijkswegen ### Artikel 2.29 **1.** De beperkingengebieden met betrekking tot wegen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.21a, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **2.** De delen van beperkingengebieden met betrekking tot wegen in beheer bij het Rijk die horen bij een verzorgingsplaats zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.29a De wegen in beheer bij het Rijk waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vaststelt, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, onder a, van de wet, zijn de wegen, bedoeld in bijlage IVa. #### Paragraaf 2.3.4. Hoofdspoorwegen ### Artikel 2.30 **1.** De beperkingengebieden met betrekking tot hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 2.21a, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van de kernzones van beperkingengebieden met betrekking tot een hoofdspoorweg is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van de overwegzones van beperkingengebieden met betrekking tot een hoofdspoorweg is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van de beschermingszones van beperkingengebieden met betrekking tot een hoofdspoorweg is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.30a De hoofdspoorwegen waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vaststelt, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, onder b, van de wet, zijn de spoorwegen, bedoeld in bijlage IVb. #### Paragraaf 2.3.5. Bijzondere spoorwegen ### Artikel 2.30b De beperkingengebieden, bedoeld in artikel 9.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met betrekking tot bijzondere spoorwegen waarvoor geen toepassing is gegeven aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit bijzondere spoorwegen, zijn: a. a. de locaties die liggen binnen 3 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg; en b. b. als het gaat om kruisingen tussen de bijzondere spoorweg en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 50 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg. ### Artikel 2.30c De beperkingengebieden, bedoeld in artikel 9.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met betrekking tot bijzondere spoorwegen waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit bijzondere spoorwegen, zijn: a. a. als de bijzondere spoorweg als rechte baan is aangelegd: de locaties die liggen binnen 8 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg; b. b. als de bijzondere spoorweg in gebogen richting is aangelegd: de locaties die liggen: 1°. 8 m langs de buitenzijde van de boog; en 2°. 20 m langs de binnenzijde van de boog; 1°. 1°. 8 m langs de buitenzijde van de boog; en 2°. 2°. 20 m langs de binnenzijde van de boog; c. c. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van ten hoogste 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 220 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg; en d. d. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van meer dan 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 500 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg. ### Artikel 2.30d De afstanden aan weerszijden van de bijzondere spoorweg en de afstanden langs de buitenzijde en binnenzijde van de boog, bedoeld in de artikelen 2.30b en 2.30c, gelden: a. a. bij een spoorweg op maaiveldniveau: vanaf het hart van het buitenste spoor; b. b. bij een ingegraven spoorweg: vanaf de bovenzijde van de ingraving; en c. c. bij een opgehoogde spoorweg: vanaf de teen van het talud van de ophoging. #### Paragraaf 2.3.6. Communicatie-, navigatie- en radarapparatuur voor de burgerluchtvaart ### Artikel 2.31 **1.** De geometrische begrenzing van gebieden waar bouwwerken communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten Schiphol of overige burgerluchthavens van nationale en regionale betekenis kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.161a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De maximaal toelaatbare hoogte voor bouwwerken, bedoeld in artikel 5.161a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De maximaal toelaatbare hoogte voor windturbines, bedoeld in artikel 5.161a, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van gebieden waar bouwwerken het civiele radarbeeld kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.161a, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **5.** De geometrische begrenzing van gebieden waar windturbines het civiele radarbeeld kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.161a, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.3.7. Buisleidingen van nationaal belang ### Artikel 2.32 **1.** De reserveringsgebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang, bedoeld in artikel 5.136, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **2.** De zoekgebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang, bedoeld in artikel 5.136, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.3.8. Project Mainportontwikkeling Rotterdam ### Artikel 2.33 **1.** De geometrische begrenzing van het aanleggebied voor Maasvlakte 2, bedoeld in artikel 5.140, eerste lid, van Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van het aanleggebied voor compensatie van open droog duin en natte duinvallei, bedoeld in artikel 5.140, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van het aanleggebied voor compensatie van zeenatuur, bedoeld in artikel 5.140, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.34 **1.** De geometrische begrenzing van het openbaar toegankelijke natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde, bedoeld in artikel 5.143, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van het openbaar toegankelijke natuur- en recreatiegebied Schiebroekse en Zuidpolder, bedoeld in artikel 5.143, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van het openbaar toegankelijke natuur- en recreatiegebied Schiezone, bedoeld in artikel 5.143, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.3.9. [Vervallen] ### Artikel 2.35 [Vervallen] #### Paragraaf 2.3.10. Installaties voor elektriciteitsvoorziening ### Artikel 2.36 **1.** De geometrische begrenzing van de locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking met een of meer elektriciteitsproductie-installaties met een gezamenlijk vermogen van ten minste 500 MW en de daarmee verbonden werken en infrastructuur, met uitzondering van kernenergiecentrales en elektriciteitsproductie-installaties die elektriciteit opwekken door windenergie, bedoeld in artikel 5.156, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van de locaties voor een kernenergiecentrale, bedoeld in artikel 5.156, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van de locaties voor het gebied binnen een straal van één km rondom een kernenergiecentrale, bedoeld in artikel 5.158 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van de locaties voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV, bedoeld in artikel 5.156, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. #### Paragraaf 2.3.11. Hyperscale datacentra ### Artikel 2.36a De geometrische begrenzing van het uitsluitingsgebied hyperscale datacentra, bedoeld in artikel 5.161bb van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. ### Afdeling 2.4. Kwaliteit van de buitenlucht ### Artikel 2.37 De geometrische begrenzing van de uitgezonderde locaties voor het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 5.53, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. ### Artikel 2.38 De agglomeraties, bedoeld in de richtlijn luchtkwaliteit en de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, zijn: a. a. Amsterdam/Haarlem, omvattend de gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort; b. b. Den Haag/Leiden, omvattend de gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Oegstgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland; c. c. Eindhoven, omvattend de gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven; d. d. Heerlen/Kerkrade, omvattend de gemeenten: Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf en Voerendaal; e. e. Rotterdam/Dordrecht, omvattend de gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de IJssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht; en f. f. Utrecht, omvattend de gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein. ### Artikel 2.39 De zones, bedoeld in de richtlijn luchtkwaliteit en de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, zijn: a. a. midden, omvattend de provincies: Gelderland, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland, met uitzondering van de daarin gelegen agglomeraties, genoemd in artikel 2.38, onder a, b, e en f; b. b. noord, omvattend de provincies: Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen en Overijssel; en c. c. zuid, omvattend de provincies: Limburg, Noord-Brabant en Zeeland, met uitzondering van de daarin gelegen agglomeraties, genoemd in artikel 2.38, onder c en d. ### Afdeling 2.5. Geluid ### Artikel 2.40 De agglomeraties, bedoeld in de richtlijn omgevingslawaai, zijn: a. a. Alkmaar, omvattend de gemeenten: Alkmaar, Bergen, Dijk en Waard en Heiloo; b. b. Almere; c. c. Amersfoort; d. d. Amsterdam/Haarlem, omvattend de gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort; e. e. Apeldoorn; f. f. Arnhem; g. g. Breda; h. h. ‘s-Hertogenbosch; i. i. Den Haag/Leiden, omvattend de gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar, Westland en Zoetermeer; j. j. Eindhoven, omvattend de gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven; k. k. Enschede, omvattend de gemeenten: Almelo, Enschede en Hengelo; l. l. Gouda, omvattend de gemeenten: Alphen aan den Rijn, Gouda en Waddinxveen; m. m. Groningen; n. n. Heerlen/Kerkrade, omvattend de gemeenten: Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf en Voerendaal; o. o. Hilversum, omvattend de gemeenten: Blaricum, Gooise Meren, Hilversum, Huizen en Laren; p. p. Maastricht; q. q. Nijmegen; r. r. Rotterdam/Dordrecht, omvattend de gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen en Zwijndrecht; s. s. Tilburg; t. t. Utrecht, omvattend de gemeenten: Houten, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht en IJsselstein; en u. u. Zwolle. ### Afdeling 2.6. Defensie ### Artikel 2.41 **1.** De geometrische begrenzing van de militaire terreinen en terreinen met een militair object, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van de onveilige gebieden bij militaire schietbanen, bedoeld in artikel 5.150, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van de gebieden waar bouwwerken een militaire zend- en ontvangstinstallatie kunnen verstoren, bedoeld in artikel 5.150, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van de gebieden waar zich een militaire laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen bevindt, bedoeld in artikel 5.150, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **5.** De geometrische begrenzing van gebieden waar bouwwerken, niet zijnde windturbines, het radarbeeld kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.150, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **6.** De geometrische begrenzing van gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.150, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. ### Afdeling 2.7. Erfgoed ### Artikel 2.42 **1.** De geometrische begrenzing van de Droogmakerij de Beemster, bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **2.** De geometrische begrenzing van de Hollandse Waterlinies, bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van Schokland en omgeving, bedoeld in artikel 7.3, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van de Neder-Germaanse Limes, bedoeld in artikel 7.3, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. **5.** De geometrische begrenzing van de Koloniën van Weldadigheid, bedoeld in artikel 7.3, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. ### Afdeling 2.8. Herkomstgebieden en toepassingsgebieden mijnsteen en vermengde mijnsteen ### Artikel 2.43 **1.** De herkomstgebieden van mijnsteen en vermengde mijnsteen, bedoeld in artikel 3.48r, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. **2.** De toepassingsgebieden voor het toepassen van mijnsteen en vermengde mijnsteen, bedoeld in artikel 3.48r, tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III. ### Afdeling 2.9. Natuur ### Artikel 2.44 De gebieden, bedoeld in artikel 11.130, onder b, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbinnen herbeplanting op andere grond is toegestaan zijn: a. a. gebied 1: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe; b. b. gebied 2: de provincie Overijssel, met uitzondering van de Noordoostpolder, en de provincies Gelderland en Utrecht; c. c. gebied 3: de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland en de IJsselmeerpolders; en d. d. gebied 4: de provincies Noord-Brabant en Limburg. ### Afdeling 2.10. Gebieden uitsluiting hergebruik stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie ### Artikel 2.45 De stroomgebiedsdistricten of delen daarvan waarin het verboden is water voor landbouwirrigatie te hergebruiken, bedoeld in artikel 19.1d, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn: a. a. de waterwinlocaties die op grond van artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder c, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in een regionaal waterprogramma zijn aangewezen; en b. b. de grondwaterbeschermingsgebieden die op grond van artikel 7.11, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bij omgevingsverordening zijn aangewezen. ### Afdeling 2.11. Bodembeheergebieden ### Artikel 2.46 **1.** De bodembeheergebieden met betrekking tot oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 4.1265, derde lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties Grebbedijk, Dijkversterking Hansweert, Meanderende Maas en Uiterwaarden Oeffelt, bedoeld in de leden 2 tot en met 5. **2.** De geometrische begrenzing van bodembeheergebied Grebbedijk is vastgelegd in bijlage III. **3.** De geometrische begrenzing van bodembeheergebied Dijkversterking Hansweert is vastgelegd in bijlage III. **4.** De geometrische begrenzing van bodembeheergebied Meanderende Maas is vastgelegd in bijlage III. **5.** De geometrische begrenzing van bodembeheergebied Uiterwaarden Oeffelt is vastgelegd in bijlage III. ## Hoofdstuk 3. Beheer van de fysieke leefomgeving ### Afdeling 3.1. Beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen #### Paragraaf 3.1.1. Algemene bepalingen ### Artikel 3.1 Deze afdeling is van toepassing op de beheersing van het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. ### Artikel 3.2 **1.** Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt: a. a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; b. b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden; c. c. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en d. d. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld. **2.** In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip. ### Artikel 3.3 **1.** Het geluid in geluidgevoelige ruimten wordt bepaald door het geluid op de gevel te verminderen met de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald volgens NEN 5077 of NEN-EN-ISO 12354-3. **2.** Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn. ### Artikel 3.4 Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw: a. a. wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten; en b. b. worden de waarden afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal. ### Artikel 3.5 Een geluidaandachtsgebied wordt bepaald volgens bijlage IVc. #### Paragraaf 3.1.2. Geluid door gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen ### Artikel 3.6 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen. ### Artikel 3.7 De basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 3.27, eerste tot en met vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt berekend volgens bijlage IVd en afgerond op één decimaal. ### Artikel 3.8 **1.** Het geluid door een weg of spoorweg, bedoeld in artikel 3.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald: a. a. voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe; b. b. voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf. **2.** In afwijking van artikel 3.4, onder b, worden de waarden van een weg of spoorweg bij de toepassing van artikel 5.78af van het Besluit kwaliteit leefomgeving en bij de toepassing van artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer niet afgerond. ### Artikel 3.9 [Vervallen] ### Artikel 3.10 Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de basisgeluidemissie. ### Artikel 3.11 De geluidbrongegevens zijn voor een gemeenteweg en een waterschapsweg: a. a. per etmaalperiode het aantal motorvoertuigen, per categorie als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert; b. b. de per geluidemissietraject representatief te achten gemiddelde snelheid per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1; c. c. de geluidbronregisterlijnen van de weg, vastgelegd in x- en y-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en d. d. het wegdektype per geluidemissietraject. ### Artikel 3.12 De geluidbrongegevens zijn voor een spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen: a. a. per etmaalperiode het aantal locomotieven, treinstellen, rijtuigen of wagens per spoorvoertuigcategorie als bedoeld in bijlage IVf, onder 1.2, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert met onderscheid naar de maximale snelheid van het type spoorvoertuig; b. b. de per geluidemissietraject, per etmaalperiode, representatief te achten snelheid met onderscheid naar doorgaande reizigersspoorvoertuigen, stoppende reizigersspoorvoertuigen en goederenspoorvoertuigen, waarbij wordt aangegeven of het remsysteem is ingeschakeld; c. c. de geluidbronregisterlijnen van de spoorweg, vastgelegd in x- en y-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; d. d. de spoorstaafruwheid, bepaald volgens bijlage IVf; e. e. de bovenbouwconstructie per spoor van de spoorweg; en f. f. de aanwezigheid van een wissel in een geluidemissietraject. #### Paragraaf 3.1.3. Geluid door rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen ### Artikel 3.13 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen. ### Artikel 3.14 **1.** Het geluid door wegen en spoorwegen, bedoeld in artikel 3.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald: a. a. voor het geluid door wegen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe; b. b. voor het geluid door wegen op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal; c. c. voor het geluid door spoorwegen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf; en d. d. voor het geluid door spoorwegen op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal. **2.** Bij het bepalen van het geluid door wegen en spoorwegen op een geluidgevoelig gebouw worden de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt. **3.** In afwijking van het tweede lid kunnen bij het bepalen van het geluid door een weg op een geluidgevoelig gebouw in plaats van de geluidbronregisterlijn ook alleen de bij de geluidbronregisterlijn behorende gegevens worden gebruikt. **4.** Bij het bepalen van het geluid door een weg op een geluidgevoelig gebouw of op een geluidreferentiepunt wordt bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds de plafondcorrectiewaarde uit het geluidregister opgeteld bij de geluidemissiegetallen L_E, berekend volgens bijlage IVe. **5.** Bij het bepalen van het geluid door een spoorweg op een geluidgevoelig gebouw of op een geluidreferentiepunt wordt bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds de plafondcorrectiewaarde uit het geluidregister opgeteld bij de geluidemissiegetallen L_E, berekend volgens bijlage IVf. ### Artikel 3.15 **1.** Bij het vaststellen van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor een weg of spoorweg worden geluidgevoelige gebouwen in aanmerking genomen die liggen binnen het gebied rond een geluidreferentiepunt en dat begrensd wordt volgens het tweede of derde lid. **2.** Als de weg of spoorweg waarop het geluidproductieplafond betrekking heeft niet eindigt, wordt het gebied, bedoeld in het eerste lid, begrensd door: a. a. de as van de weg of spoorweg; b. b. twee lijnen loodrecht op de as van de weg of spoorweg en op de halve afstand tot de in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunten; en c. c. voor: 1°. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in L_den, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 2 km gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 2 km; en 2°. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 2 km van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 2 km. 1°. 1°. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in L_den, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 2 km gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 2 km; en 2°. 2°. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 2 km van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 2 km. **3.** Als de weg of spoorweg waarop het geluidproductieplafond betrekking heeft eindigt, wordt het gebied, bedoeld in het eerste lid, begrensd door: a. a. de as van de weg of spoorweg en de lijn in het verlengde daarvan; b. b. een lijn loodrecht op de as van de weg of spoorweg of het verlengde daarvan en op de halve afstand tussen het geluidreferentiepunt en het in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunt; en c. c. voor: 1°. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in L_den, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 500 m gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 500 m; en 2°. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 500 m van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 500 m. 1°. 1°. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in L_den, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 500 m gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 500 m; en 2°. 2°. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 500 m van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 500 m. **4.** In afwijking van het eerste lid worden geluidgevoelige gebouwen binnen het gebied rond een geluidreferentiepunt waarvoor de waarde van het geluidproductieplafond alleen wordt verlaagd als gevolg van maatregelen die zijn vastgesteld op basis van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid, niet in aanmerking genomen. ### Artikel 3.16 [Vervallen] ### Artikel 3.17 Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. ### Artikel 3.18 De geluidbrongegevens zijn voor een rijksweg en een provinciale weg: a a per etmaalperiode het aantal motorvoertuigen, per categorie als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert; b. b. de representatief te achten gemiddelde snelheid per geluidemissietraject per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1; c. c. de geluidbronregisterlijnen van de weg, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; d. d. het wegdektype per geluidemissietraject; e. e. de afmetingen en locatie van geluidbeperkende werken of bouwwerken die zijn geplaatst om het geluid door de weg op een geluidgevoelig gebouw te beperken, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; f. f. de mate van absorptie en de profielafhankelijke correctieterm van geluidbeperkende werken of bouwwerken als bedoeld onder e en of het om een middenbermscherm, een scherm met schermtop of een diffractor gaat; g. g. de diffractoreigenschappen in octaafbanden; en h. h. de plafondcorrectiewaarde. ### Artikel 3.19 De geluidbrongegevens zijn voor een spoorweg: a. a. per etmaalperiode het aantal locomotieven, treinstellen, rijtuigen of wagens per spoorvoertuigcategorie als bedoeld in bijlage IVf, onder 1.2, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert met onderscheid naar de maximale snelheid van het type spoorvoertuig; b. b. de per geluidemissietraject, per etmaalperiode, representatief te achten snelheid met onderscheid naar doorgaande reizigersspoorvoertuigen, stoppende reizigersspoorvoertuigen en goederenspoorvoertuigen, waarbij wordt aangegeven of het remsysteem is ingeschakeld; c. c. de geluidbronregisterlijnen van de spoorweg, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; d. d. de spoorstaafruwheid, bepaald volgens bijlage IVf; e. e. de bovenbouwconstructie per spoor van de spoorweg; f. f. de aanwezigheid van een wissel in een geluidemissietraject; g g de afmetingen en locatie van geluidbeperkende werken of bouwwerken die zijn geplaatst om het geluid door de spoorweg op een geluidgevoelig gebouw te beperken, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; h. h. de mate van absorptie en de profielafhankelijke correctieterm van geluidbeperkende werken of bouwwerken als bedoeld onder g; i. i. de plafondcorrectiewaarde; en j. j. de in artikel 3.23, eerste lid, onder a en b, genoemde geluidbrongegevens van stilstaande spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen. #### Paragraaf 3.1.4. Geluid door industrieterreinen ### Artikel 3.20 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. ### Artikel 3.21 **1.** Het geluid door industrieterreinen, bedoeld in artikel 3.25 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald: a. a. op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVh; en b. b. op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal. **2.** Bij het bepalen van het geluid door een industrieterrein op een geluidgevoelig gebouw worden de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt. ### Artikel 3.22 Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. ### Artikel 3.23 **1.** De geluidbrongegevens zijn voor een industrieterrein: a. a. het immissierelevante geluidvermogen, bedoeld in paragraaf 2.3 van bijlage IVh, van een geluidbron met een bedrijfsduurcorrectie volgens de jaargemiddelde bedrijfssituatie, bedoeld in hoofdstuk 5 van bijlage IVh; b. b. de locatie van de geluidbron, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; c. c. de hoogte van het maaiveld van de locatie van de geluidbron; d. d. de afmetingen, locatie en eigenschappen van voor de geluidoverdracht relevante objecten binnen het industrieterrein, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en e. e. de luchtabsorptiecoëfficiënten, als van de luchtabsorptiecoëfficiënten uit bijlage IVh, tabel 3.1, is afgeweken. #### Paragraaf 3.1.5. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid ### Artikel 3.24 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het gecumuleerde geluid en het gezamenlijke geluid op een geluidgevoelig gebouw. ### Artikel 3.25 **1.** Het gecumuleerde geluid wordt berekend door eerst het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen om te rekenen naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt en dan het gecumuleerde geluid te berekenen volgens de formule uit het vierde lid. **2.** Het geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen, windturbines en schietbanen wordt omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formules: a. a. voor wegen: b. b. voor spoorwegen: c. c. voor industrieterreinen: d. d. voor windturbines: e. e. voor schietbanen: waarbij: * LVL*,* LRL, LIL en LWT* worden uitgedrukt in L_den en *LSG* wordt uitgedrukt in B_S,dan. **3.** Vanaf een bij ministerieel besluit te bepalen tijdstip wordt het geluid door luchtvaart omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formule: waarbij: *LLL* wordt uitgedrukt in L_den. **4.** Het gecumuleerde geluid L_cum wordt berekend volgens de formule: waarbij gesommeerd wordt over alle *N* betrokken geluidbronnen en de index *n* staat voor de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen, bedoeld in het eerste lid of, als geluid door andere geluidbronnen wordt betrokken, het geluid door die geluidbronnen. ### Artikel 3.26 **1.** Het gezamenlijke geluid wordt berekend door het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen op te tellen volgens de formule: waarbij wordt verstaan onder: *Lg*: gezamenlijk geluid; en *k*: geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen. **2.** Als bij het bepalen van de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een geluidgevoelige ruimte, bedoeld in artikel 3.53, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van NEN 5077 om afwijkende spectra te gebruiken, wordt ook het gezamenlijk geluid per octaafbandindex berekend volgens de formule: waarbij wordt verstaan onder: *i*: octaafbandindex; en *k*: geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen. ### Artikel 3.27 **1.** Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid en het gezamenlijke geluid worden bij het berekenen van het geluid door luchtvaart, windturbines, buitenschietbanen en springterreinen als bedoeld in artikel 3.38, derde lid, onder b, c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt. **2.** In afwijking van artikel 3.4, onder b, worden de waarden van het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen, bedoeld in de artikelen 3.25, eerste lid, en 3.26, eerste lid niet afgerond. ### Artikel 3.28 Voor de toepassing van de artikelen 3.25, 3.26 en 3.27 zijn de geluidbrongegevens voor een windturbine: a. a. de emissieterm L_E, bedoeld in paragraaf 2.4.1 van bijlage IVi, van een windturbine; b. b. de locatie van het middelpunt van de rotor, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en c. c. de ashoogte in meters ten opzichte van het maaiveld. #### Paragraaf 3.1.6. Maatregelpunten en geluidbeperkende maatregelen ### Artikel 3.29 **1.** Het aantal maatregelpunten als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bepaald volgens bijlage IVj, tabellen 1 en 2. **2.** De maatregelpunten omvatten het totaal van de maatregelpunten van bestaande en nieuw te treffen geluidbeperkende maatregelen waarvoor maatregelpunten gelden, ten opzichte van een weg of spoorweg in de situatie zonder maatregelen, bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. **3.** Bij het toepassen van tabel 2 van bijlage IVj wordt de hoogte van een geluidscherm of geluidwal bepaald ten opzichte van de bovenkant van het spoor of de kantstreep van de weg aan de zijde van het scherm. **4.** De maatregelen, bedoeld in bijlage IVj, tabel 3, zijn geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 3.49, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan de financiële doelmatigheid wordt bepaald door de werkelijke kosten van aanleg en onderhoud van die maatregel af te wegen tegen de geluidreductie die door de maatregel wordt bereikt en de daaruit voortvloeiende waarde van het geluid. ### Afdeling 3.2. Faunabeheereenheid waarvan Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is ### Artikel 3.30 **1.** De faunabeheereenheid met het werkgebied bestaande uit de terreinen, bedoeld in artikel 6.4 van het Omgevingsbesluit, heeft de rechtsvorm van een stichting. De leden van het bestuur van de stichting worden benoemd en ontslagen door de gerechtigde, bedoeld in artikel 6.4 van dat besluit. **2.** Het faunabeheerplan dat door de faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld bevat ten minste de volgende gegevens: a. a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; b. b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; c. c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; d. d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de diersoorten, bedoeld onder c, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, wanneer niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan; e. e. een beschrijving van de mate waarin de belangen, bedoeld onder d, zijn geschaad in de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip van de aanvraag om goedkeuring van het faunabeheerplan; f. f. de gewenste stand van de diersoorten, bedoeld onder c; g. g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de maatregelen die zullen worden getroffen om de gewenste stand, bedoeld onder f, te bereiken; h. h. per diersoort en gewas een beschrijving van de maatregelen die in de periode, bedoeld onder e, zijn getroffen om het schaden van de belangen, bedoeld onder d, te voorkomen, en voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn: een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen; i. i. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; j. j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de maatregelen, bedoeld onder g, zullen worden getroffen; k. k. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn: een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de onder g bedoelde maatregelen; en l. l. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen zal worden bepaald. **3.** Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. **4.** De jachthouder van de terreinen, bedoeld in artikel 6.4 van het Omgevingsbesluit, is uitgezonderd van de aansluitplicht, bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, van de Omgevingswet. ### Afdeling 3.3. Examens voor een jachtgeweeractiviteit, een valkeniersactiviteit en gebruik eendenkooien #### Paragraaf 3.3.1. Inhoud examens voor een jachtgeweeractiviteit en een valkeniersactiviteit ### Artikel 3.31 **1.** Een examen voor een jachtgeweeractiviteit komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met: a. a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan: 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e en f, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 4°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder i en j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 5°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 1°. 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e en f, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3°. 3°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 4°. 4°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder i en j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 5°. 5°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. b. ten minste vijfentwintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan: 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, d, e, f, g, h, i, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1°. 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2°. 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, d, e, f, g, h, i, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving. **2.** De vaardigheid en bekwaamheid, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor een jachtgeweeractiviteit worden getoetst door middel van: a. a. het schieten op ten minste vijfentwintig kleiduiven met hagel; b. b. het doen van ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten minste 50 m; en c. c. het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig omgaan met een geweer in ten minste tien gesimuleerde situaties. **3.** Het examen voor een jachtgeweeractiviteit is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt: a. a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord; b. b. bij het schieten, bedoeld in het tweede lid, onder a, ten minste achttien van de vijfentwintig kleiduiven heeft geraakt; c. c. bij het doen van schoten als bedoeld in het tweede lid, onder b, ten minste drie treffers heeft die liggen binnen een cirkel van 15 cm; en d. d. naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt weidelijk gedrag en bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onder c, heeft getoond. ### Artikel 3.32 **1.** Een examen voor een valkeniersactiviteit komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met: a. a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan: 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 4°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 5°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 1°. 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. 2°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3°. 3°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 4°. 4°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 5°. 5°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. b. ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan: 1°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, g, h, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1°. 1°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2°. 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, g, h, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving. **2.** De bekwaamheid, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.34 genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven in de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg. **3.** Het examen voor een valkeniersactiviteit is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt: a. a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord; en b. b. naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven. ### Artikel 3.33 **1.** Een examen voor het gebruik van eendenkooien komt alleen voor erkenning als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in aanmerking als de kennis, bedoeld in artikel 11.90, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt getoetst met: a. a. ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan: 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 4°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 1°. 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 2°. 2°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving; 3°. 3°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 4°. 4°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. b. ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan: 1°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1°. 1°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2°. 2°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 11.87, tweede lid, onder c, e, j, k en l, van het Besluit activiteiten leefomgeving. **2.** Het examen voor het gebruik van eendenkooien is alleen met gunstig gevolg afgelegd als degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord. #### Paragraaf 3.3.2. Erkenning examens ### Artikel 3.34 Als examen worden erkend als bedoeld in artikel 3.71, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving de volgende, door de Stichting Jachtexamens afgenomen, examens: a. a. voor een jachtgeweeractiviteit: het jachtexamen; b. b. voor een valkeniersactiviteit: het examen voor het gebruik van jachtvogels; en c. c. voor het gebruik van eendenkooien: het examen voor het gebruik van eendenkooien. ### Artikel 3.35 Als gelijkwaardige examens als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangewezen: a. a. met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van het jachtexamen; b. b. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen; c. c. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest; d. d. met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest; e. e. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het gewijzigde Règlement grand-ducal van 16 april 1991 betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning; en f. f. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Bundesjagdgesetz. ### Afdeling 3.4. Gelijke hoedanigheid en gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden ### Artikel 3.36 Deze afdeling is van toepassing op het bepalen van de gelijke hoedanigheid en de gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden van onroerende zaken binnen een herverkavelingsblok, bedoeld in artikel 12.26, tweede lid, van de wet, in het kader van de voorbereiding van het ruilbesluit. ### Artikel 3.37 **1.** De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald volgens de artikelen 3.38 tot en met 3.40. **2.** De gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden van onroerende zaken worden bepaald volgens de artikelen 3.41 en 3.42. ### Artikel 3.38 **1.** De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt uiterlijk op het in artikel 16.125, tweede lid, van de wet laatstbedoelde tijdstip bepaald. **2.** De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald voor zover deze uitruilbaar zijn op grond van de artikelen 10.4 tot en met 10.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 3.39 **1.** De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken: a. a. de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de lagen in de bodem tot ten minste een diepte van 1 m onder het maaiveld; en b. b. de grondwaterkarakteristiek. **2.** De gelijke hoedanigheid van onroerende zaken wordt bepaald aan de hand van de Bodemkaart van Nederland en de Kaart Grondwaterdynamiek met een schaal van 1:50.000. Als de landinrichting plaatsvindt in een gebied met een grote diversiteit in de bodemkenmerken of de grondwaterkarakteristiek, worden deelkaarten van de Bodemkaart van Nederland en de Kaart Grondwaterdynamiek met een grotere schaal dan 1:50.000 gebruikt. **3.** Als deelkaarten niet beschikbaar zijn, wordt de gelijke hoedanigheid van onroerende zaken bepaald op basis van een advies van deskundigen. ### Artikel 3.40 Bij het bepalen van de gelijke hoedanigheid van onroerende zaken blijven de volgende kenmerken buiten beschouwing: a. a. het feitelijke gebruik; b. b. de verkavelingssituatie; c. c. de ontsluitingssituatie; d. d. de beheersing van het oppervlaktewaterpeil; e. e. de mate van egaliteit van het maaiveld; f. f. de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten of kabels en leidingen; g. g. de aanwezigheid van beregeningsinstallaties of drainage; h. h. overige fysieke kenmerken die het feitelijke gebruik beïnvloeden; en i. i. andere dan agrarische kenmerken. ### Artikel 3.41 **1.** Van onroerende zaken met een gelijke hoedanigheid worden de gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden bepaald aan de hand van de bodemgeschiktheid. **2.** De bodemgeschiktheid wordt bepaald aan de hand van de volgende kenmerken: a. a. de ontwateringstoestand; b. b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewassen; c. c. de stevigheid van de bovengrond; d. d. de verkruimelbaarheid van de bodem; e. e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau; f. f. de stuifgevoeligheid van de bodem; en g. g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevindt. **3.** Voor elke gebruiksmogelijkheid wordt bepaald welke kenmerken doorslaggevend zijn. ### Artikel 3.42 **1.** Binnen een gebruiksmogelijkheid wordt de bodemgeschiktheid ingedeeld in ten minste vijf klassen. **2.** De klassenindeling wordt op een kaart vermeld. ### Afdeling 3.5. Certificering van werkzaamheden aan gasvebrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide #### Paragraaf 3.5.1. Algemene bepalingen ### Artikel 3.43 Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. #### Paragraaf 3.5.2. Certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide ### Artikel 3.44 **1.** Een aanvraag tot aanwijzing als certificatie-instelling wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld formulier. **2.** Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de vestigingsplaats van de aanvrager; b. b. het nummer waarmee de certificatie-instelling is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en c. c. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft en het bewijs van accreditatie voor dat schema. **3.** In plaats van het bewijs van accreditatie, bedoeld in het tweede lid, onder c, kan, in het geval de aanvrager nog niet geaccrediteerd is, tot 1 januari 2023 een bewijs van de nationale accreditatie-instantie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie, worden verstrekt dat de aanvraag voor het verkrijgen van accreditatie voor dat schema volledig is en door de nationale accreditatie-instantie in behandeling is genomen. **4.** Een aanwijzing als certificatie-instelling heeft betrekking op de werkzaamheden die zijn opgenomen in het certificatieschema waarvoor de certificatie-instelling is geaccrediteerd. ### Artikel 3.45 Een certificatieschema vermeldt in ieder geval: a. a. voor welk type of welke typen gasverbrandingsinstallaties het schema is bedoeld; en b. b. welke van de in het schema opgenomen eisen voor certificaathouders voorgeschreven zijn door paragraaf 6.5.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en deze afdeling. ### Artikel 3.46 Een certificatieschema schrijft in ieder geval voor dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 6.45, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving: a. a. een certificaathouder voorafgaand aan de werkzaamheden een meting van de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel uitvoert; b. b. een certificaathouder de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de opstellingsruimte van het toestel heeft gemeten en deze concentratie lager dan 5 ppm is; c. c. een certificaathouder, wanneer de gasverbrandingsinstallatie daar een voorziening voor heeft, de gasverbrandingsinstallatie niet eerder in bedrijf stelt dan nadat hij de concentratie koolmonoxide in de verbrandingsgassen van het toestel heeft gemeten en de concentratie niet hoger is dan: 1°. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel; 2°. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of 3°. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel; 1°. 1°. 50 ppm in het geval van een open, afvoerloos gasverbrandingstoestel; 2°. 2°. 200 ppm in het geval van een open, afvoergebonden gasverbrandingstoestel; of 3°. 3°. 400 ppm in het geval van een gesloten gasverbrandingstoestel; d. d. door de certificaathouder wordt gecontroleerd of het gebruiksvoorschrift van het gasverbrandingstoestel aanwezig is en dat zij, als dit niet het geval is, de gebruiker of bewoner wijzen op het ontbreken van deze informatie; en e. e. de certificaathouder de werkzaamheden uitvoert volgens de installatie- en onderhoudsvoorschriften van de leverancier of de fabrikant van de installatie, voor zover de voorschriften niet in strijd zijn met hetgeen in deze afdeling is bepaald. ### Artikel 3.47 Een certificatieschema schrijft voor dat de persoon die de inbedrijfstelling uitvoert, met het oog op het kunnen voldoen aan de in artikel 3.46 bedoelde eisen, aantoonbaar in staat is: a. a. de opstelruimte voor gasverbrandingsinstallaties, in ieder geval inhoudende de ventilatievoorziening, te beoordelen; b. b. rookgasafvoerkanalen en -leidingen inclusief uitmonding, te beoordelen en te beproeven; c. c. collectieve rookgasafvoeren te beoordelen en te beproeven, in het geval van werkzaamheden daaraan; d. d. de toevoer van verbrandingslucht te beoordelen; e. e. de veiligheid van gasverbrandingsinstallaties te beoordelen daar waar het gaat om het vrijkomen van koolmonoxide; f. f. gasverbrandingsinstallaties in bedrijf te stellen; g. g. de metingen en controles, bedoeld in artikel 3.46, onder a, b en c, te verrichten alsmede de resultaten van deze metingen en controles te interpreteren; en h. h. voorlichting te geven aan de gebruiker over het functioneren van de gasverbrandingsinstallatie in samenhang met het systeem, inclusief luchttoevoer, rookgasafvoer en plaatsing in het gebouw. ### Artikel 3.48 **1.** Een aanvraag tot aanwijzing van een certificatieschema als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld formulier. **2.** Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de vestigingsplaats van de aanvrager; b. b. het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en c. c. het certificatieschema waarop de aanvraag betrekking heeft. ### Artikel 3.49 **1.** De certificatie-instelling zendt jaarlijks voor 1 maart het verslag, bedoeld in artikel 10.14b, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. **2.** In het verslag worden in ieder geval de volgende onderwerpen behandeld: a. a. een overzicht van de controles die de certificatie-instelling heeft uitgevoerd, inclusief de resultaten van elke controle; b. b. de door de instelling afgegeven, ingetrokken en geschorste certificaten; c. c. wijzigingen in de voor de instelling relevante accreditaties, reglementen en procedures; d. d. knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan; e. e. de hoeveelheid en aard van de door de certificatie-instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan; en f. f. ingediende bezwaren op beslissingen van de certificatie-instelling over al dan niet verleende certificaten en de ingestelde beroepen tegen de beslissingen op bezwaar, alsmede de wijze van afhandeling daarvan. **3.** Over iedere melding als bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt in het verslag ten minste de volgende informatie verstrekt: a. a. de gemeten concentratie koolmonoxide; en b. b. een beschrijving van de ruimte waarin de concentratie is gemeten. ### Artikel 3.50 **1.** In het register, bedoeld in artikel 10.14a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de volgende gegevens over certificaathouders opgenomen: a. a. het nummer waarmee de certificaathouder geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel; b. b. een beschrijving van de werkzaamheden die door de certificaathouder mogen worden uitgevoerd; c. c. het schema waarvoor het certificaat is verleend; en d. d. de datum waarop een certificaat is verleend, geschorst of ingetrokken, de geldigheidsduur van het certificaat en, in het geval van schorsing, de termijn van de schorsing. **2.** De certificatie-instelling verstrekt de gegevens aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. ### Afdeling 3.6. Kwaliteitsborging voor het bouwen ### Artikel 3.51 **1.** De in een instrument voor kwaliteitsborging beschreven eisen over de opleiding en ervaring, bedoeld in artikel 3.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, omvatten voor de kwaliteitsborging van bouwactiviteiten onder gevolgklasse 1 ten minste: a. a. voor werkzaamheden in het kader van risicobeoordelingen, vaststellen van borgingsplannen en de algemene coördinatie bij kwaliteitsborging: 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. kennis van de inhoud en systematiek van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en 3°. drie jaar werkervaring als leidinggevende met: i. het coördineren en organiseren van bouwprojecten; ii. het uitvoeren van risicobeoordelingen van bouwplannen; iii. het vaststellen van borgingsplannen; en iv. het controleren en beoordelen van bouwplannen aan de algemene bepalingen voor bouwwerken en de regels voor bruikbaarheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; 1°. 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. 2°. kennis van de inhoud en systematiek van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring als leidinggevende met: i. het coördineren en organiseren van bouwprojecten; ii. het uitvoeren van risicobeoordelingen van bouwplannen; iii. het vaststellen van borgingsplannen; en iv. het controleren en beoordelen van bouwplannen aan de algemene bepalingen voor bouwwerken en de regels voor bruikbaarheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; i. i. het coördineren en organiseren van bouwprojecten; ii. ii. het uitvoeren van risicobeoordelingen van bouwplannen; iii. iii. het vaststellen van borgingsplannen; en iv. iv. het controleren en beoordelen van bouwplannen aan de algemene bepalingen voor bouwwerken en de regels voor bruikbaarheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; b. b. voor werkzaamheden in het kader van constructieve veiligheid: 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de regels voor constructieve veiligheid; en 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van: i. constructies op het voldoen aan de regels voor constructieve veiligheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; ii. constructietekeningen en –berekeningen, inclusief de schematisering en de toegepaste rekenmethoden; en iii. constructieve bouwmaterialen; 1°. 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de regels voor constructieve veiligheid; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van: i. constructies op het voldoen aan de regels voor constructieve veiligheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; ii. constructietekeningen en –berekeningen, inclusief de schematisering en de toegepaste rekenmethoden; en iii. constructieve bouwmaterialen; i. i. constructies op het voldoen aan de regels voor constructieve veiligheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; ii. ii. constructietekeningen en –berekeningen, inclusief de schematisering en de toegepaste rekenmethoden; en iii. iii. constructieve bouwmaterialen; c. c. voor werkzaamheden in het kader van brandveiligheid: 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de regels voor brandveiligheid; en 3°. vijf jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels voor brandveiligheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; 1°. 1°. een diploma op HBO-niveau; 2°. 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de regels voor brandveiligheid; en 3°. 3°. vijf jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels voor brandveiligheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; d. d. voor werkzaamheden in het kader van bouwfysica: 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving over de regels voor gezondheid, energiezuinigheid en milieu; en 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van: i. bouwplannen op het voldoen aan de regels voor gezondheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; ii. bouwplannen op het voldoen aan de regels voor energiezuinigheid en milieu van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en iii. gelijkwaardige oplossingen in het kader van gezondheid, energiezuinigheid en milieu; 1°. 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving over de regels voor gezondheid, energiezuinigheid en milieu; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van: i. bouwplannen op het voldoen aan de regels voor gezondheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; ii. bouwplannen op het voldoen aan de regels voor energiezuinigheid en milieu van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en iii. gelijkwaardige oplossingen in het kader van gezondheid, energiezuinigheid en milieu; i. i. bouwplannen op het voldoen aan de regels voor gezondheid van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; ii. ii. bouwplannen op het voldoen aan de regels voor energiezuinigheid en milieu van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en iii. iii. gelijkwaardige oplossingen in het kader van gezondheid, energiezuinigheid en milieu; e. e. voor werkzaamheden in het kader van installaties: 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving over de regels voor installaties; en 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van: i. installaties op het voldoen aan de regels van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en ii. gelijkwaardige oplossingen in het kader van installaties; en 1°. 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving over de regels voor installaties; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het controleren en beoordelen van: i. installaties op het voldoen aan de regels van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en ii. gelijkwaardige oplossingen in het kader van installaties; en i. i. installaties op het voldoen aan de regels van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving; en ii. ii. gelijkwaardige oplossingen in het kader van installaties; en f. f. voor werkzaamheden in het kader van controle op de bouw: 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en 3°. drie jaar werkervaring met het tijdens de uitvoering controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving. 1°. 1°. een diploma op MBO4-niveau; 2°. 2°. kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en 3°. 3°. drie jaar werkervaring met het tijdens de uitvoering controleren en beoordelen van bouwplannen op het voldoen aan de regels van het Bouwbesluit 2012 of het Besluit bouwwerken leefomgeving. **2.** Aan de in het eerste lid beschreven eisen is ook voldaan als door ervaring een aantoonbaar gelijkwaardig kennisniveau is verkregen. **3.** Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat uitvoerenden van werkzaamheden in het kader van kwaliteitsborging: a. a. beschikken over actuele kennis van het Besluit bouwwerken leefomgeving; en b. b. ten minste iedere twee jaar bijscholen op de deelgebieden, bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 3.52 Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat alle gegevens en bescheiden over de werkzaamheden van de kwaliteitsborging van een project ten minste zeven jaar na het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 3.86, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving door de kwaliteitsborger worden bewaard. ### Artikel 3.53 **1.** Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat de projectgegevens die de kwaliteitsborger aan een instrumentaanbieder verstrekt, ten minste omvatten: a. a. de projectnaam en de locatie; b. b. de gevolgklasse en het type bouwwerk; c. c. een beknopte beschrijving van de bouwactiviteit; d. d. de lokale of kadastrale aanduiding van het bouwwerk waarop de bouwactiviteit betrekking heeft; e. e. de projectplanning met ten minste de begindatum en de einddatum van de bouwwerkzaamheden; en f. f. een beschrijving van de onafhankelijke positie van de kwaliteitsborger ten opzichte van de te borgen bouwactiviteit. **2.** Het instrument voor kwaliteitsborging beschrijft dat de in het eerste lid, genoemde gegevens en bescheiden uiterlijk twee dagen voor het begin van de bouwwerkzaamheden worden verstrekt. **3.** Het instrument voor kwaliteitsborging schrijft voor dat na afronding van elk project ten minste wordt verstrekt: a. a. het geactualiseerde borgingsplan, met inbegrip van de risicobeoordeling; en b. b. de verklaring, bedoeld in 3.86, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 3.54 Het formulier voor de verklaring, bedoeld in artikel 3.86, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage IVK. ### Artikel 3.55 **1.** De bijdrage per instrumentaanbieder voor de toezichtkosten van de toelatingsorganisatie wordt berekend als volgt: a. a. per instrument wordt een variabele bijdrage in rekening gebracht, gebaseerd op het aantal keren dat het instrument per gevolgklasse wordt toegepast, waarbij onderscheid wordt gemaakt in een bedrag per woning en een bedrag per overig bouwwerk; en b. b. als peildatum voor het aantal projecten geldt de begindatum van de bouwwerkzaamheden, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie. **2.** De variabele marktbijdrage, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt per instrumentaanbieder vastgesteld door middel van de volgende formule, waarbij wordt verstaan onder: marktbijdrage toezichtskosten per instrument gk: gevolgklasse; B: totale toezichtkosten toelatingsorganisatie; W: totaal aantal woningen per gevolgklasse, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie; en P: totaal aantal utiliteitsbouw plus infrastructuurprojecten per gevolgklasse, zoals door de instrumentaanbieder gemeld aan de toelatingsorganisatie. ### Artikel 3.56 De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 10.26b, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, zijn vastgelegd in bijlage IVL. ### Afdeling 3.7. AERIUS Register ### Artikel 3.57 **1.** Voor de volgende categorieën van projecten bevat AERIUS Register compartimenten als bedoeld in artikel 10.25, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en is de stikstofdepositieruimte beschikbaar die is opgenomen in dat compartiment: a. a. Natura 2000-activiteiten die betrekking hebben op de bouw van niet op een distributienet voor aardgas aangesloten woningen, inclusief het realiseren van noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat; b. b. op wegen in beheer bij het Rijk betrekking hebbende renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen op die wegen; c. c. gemelde PAS-projecten; d. d. rijksvastgoedprojecten; e. e. projecten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; f. f. projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving; g. g. projecten van de Minister van Defensie; en h. h. projecten waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft. **2.** De compartimenten voor de categorieën projecten, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en c, gelden als een gezamenlijk compartiment waarvan de stikstofdepositieruimte beschikbaar wordt gesteld als bepaald in artikel 3.61. ### Artikel 3.58 **1.** Een maatregel voor het verkrijgen van stikstofdepositie als bedoeld in artikel 10.25, derde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waardoor stikstofdepositieruimte ontstaat, is in ieder geval: a. a. de onomkeerbare sluiting van varkenshouderijlocaties op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen; b. b. de blijvende vermindering van de stikstofemissie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden zoals zij luidde tot 1 december 2022; c. c. de blijvende vermindering van stikstofemissie door maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders 2024; d. d. een maatregel waarvan kennis is gegeven overeenkomstig artikel 10.36dd van het Omgevingsbesluit, getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van: 1°. de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; 2°. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; 3°. de Minister van Klimaat en Groene Groei; 4°. de Minister van Defensie; en 5°. provinciale staten of gedeputeerde staten. 1°. 1°. de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; 2°. 2°. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; 3°. 3°. de Minister van Klimaat en Groene Groei; 4°. 4°. de Minister van Defensie; en 5°. 5°. provinciale staten of gedeputeerde staten. **2.** Een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d, die is afgestemd met een van de daar genoemde bestuursorganen kan ook een maatregel van een ander bestuursorgaan zijn die is genomen om stikstofdepositieruimte te verkrijgen. **3.** Een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder d, is kan in ieder geval zijn: a. a. de intrekking of wijziging van een toestemming voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt waardoor de stikstofdepositie door die activiteit vermindert; en b. b. een wettelijk voorschrift of ander besluit dat leidt tot een vermindering van de stikstofdepositie door een toegestane activiteit. **4.** In het derde lid, onder a, wordt verstaan onder toestemming: a. a. een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit; b. b. een ander op een Natura 2000-activiteit betrekking hebbend besluit voor het nemen waarvan de gevolgen van de activiteit voor de fysieke leefomgeving zijn beoordeeld; en c. c. als een vergunning of besluit als bedoeld onder a of b ontbreekt en als de activiteit rechtmatig werd uitgevoerd op de datum waarop artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied en sindsdien onafgebroken is uitgevoerd: de meest beperkende toestemming volgend uit: 1°. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; 2°. een melding als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of 3°. een ander op een Natura 2000-activiteit betrekking hebbend besluit of wettelijk voorschrift. 1°. 1°. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; 2°. 2°. een melding als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of 3°. 3°. een ander op een Natura 2000-activiteit betrekking hebbend besluit of wettelijk voorschrift. ### Artikel 3.59 **1.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur draagt zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door: a. a. een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder a, b en c; en b. b. een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, tweede lid, voor zover deze niet door een ander bestuursorgaan is aangemerkt als maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 1° tot en met 5°. **2.** De ministers die het aangaat dragen zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 1° tot en met 4°. **3.** Gedeputeerde staten dragen zorg voor het opnemen van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register die ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 5°. **4.** De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten kunnen stikstofdepositieruimte in AERIUS Register opnemen waarvan vervolgens ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar kan worden gebruikt in een besluit waarbij een project wordt toegestaan als bedoeld in artikel 8.74e van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als de stikstofdepositieruimte ontstaat door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58. ### Artikel 3.60 **1.** De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten nemen ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste en tweede lid, als stikstofdepositieruimte in AERIUS Register op. De beperking tot ten hoogste 70% geldt niet voor stikstofdepositieruimte die het gevolg is van een maatregel waarbij al eerder aan deze beperking toepassing is gegeven. **2.** De ministers die het aangaat en gedeputeerde staten nemen stikstofdepositieruimte alleen in AERIUS Register op: a. a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift of een besluit nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden; b. b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en c. c. als handhaving van de wettelijke voorschriften die verband houden met de maatregel voldoende is verzekerd. ### Artikel 3.61 **1.** Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in 3.58, eerste lid, onder a of b, is alleen beschikbaar voor: a. a. gemelde PAS-projecten; b. b. woningbouwprojecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a; en c. c. projecten ten aanzien van wegen in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder b. **2.** Stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid is gedurende de eerste 17 weken na de datum waarop zij in AERIUS Register is opgenomen, alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten. **3.** In afwijking van het tweede lid kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid ook beschikbaar stellen voor een woningbouwproject, als de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening: a. a. hem uiterlijk drie weken voor het opnemen van de stikstofdepositieruimte in AERIUS Register heeft geïnformeerd dat voor het project een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit: 1°. is aangevraagd; of 2°. naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangevraagd voordat in bijlage II een nieuwe versie van AERIUS Register wordt aangewezen; en 1°. 1°. is aangevraagd; of 2°. 2°. naar alle waarschijnlijkheid zal worden aangevraagd voordat in bijlage II een nieuwe versie van AERIUS Register wordt aangewezen; en b. b. daarbij een berekening op hexagoonniveau van de benodigde stikstofdepositieruimte voor het project heeft overgelegd. ### Artikel 3.62 Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in artikel 3.58, eerste lid, onder c, is alleen beschikbaar voor gemelde PAS-projecten. ### Artikel 3.63 **1.** Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel die is getroffen door, onder verantwoordelijkheid van, na afstemming met of op verzoek van de volgende ministers, is alleen beschikbaar voor de volgende projecten: a. a. de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening: rijksvastgoedprojecten en woningbouwprojecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a; b. b. de Minister van Infrastructuur en Waterstaat: projecten van die minister; c. c. de Minister van Klimaat en Groene Groei: projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving; en d. d. de Minister van Defensie: projecten van die minister. **2.** De minister die het aangaat kan de stikstofdepositieruimte op verzoek van een andere minister of gedeputeerde staten ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in artikel 3.57. ### Artikel 3.64 **1.** Stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in 3.58, eerste lid, onder d, aanhef en onder 5°, is alleen beschikbaar voor projecten waarvoor gedeputeerde staten van de betrokken provincie bevoegd gezag zijn voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft. **2.** Gedeputeerde staten kunnen de stikstofdepositieruimte op verzoek van een minister of gedeputeerde staten van een andere provincie ook beschikbaar stellen voor andere projecten als bedoeld in 3.57. ### Artikel 3.65 In afwijking van de artikelen 3.61 tot en met 3.64 is stikstofdepositieruimte ten aanzien waarvan artikel 3.59, vierde lid, is toegepast, beschikbaar voor alle in artikel 3.57 bedoelde projecten. ### Artikel 3.66 **1.** De op het moment van reservering of toedeling beschikbare stikstofdepositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000-gebied wordt berekend volgens de volgende formule: *beschikbare stikstofdepositieruimte = AERIUS – reservering/toedeling + doorhaling + omzetting.* **2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder: - *AERIUS:* in AERIUS Register voor die hectare opgenomen stikstofdepositieruimte; - *reservering of toedeling:* stikstofdepositieruimte die tot het moment van reservering of toedeling voor andere projecten is gereserveerd of aan andere projecten is toegedeeld; - *doorhaling:* stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar is gekomen na het wijzigen, intrekken of vervallen van een reservering of na het wijzigen of intrekken van een aanvraag om een omgevingsvergunning; - *omzetting:* stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar is gekomen na het intrekken of vernietigen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, of die weer beschikbaar is gekomen nadat een activiteit is beëindigd. ### Artikel 3.67 **1.** Stikstofdepositieruimte kan worden gereserveerd door: a. a. het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor projecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a tot en met g; en b. b. gedeputeerde staten voor andere projecten dan bedoeld in artikel 3.57, eerste lid,onder a, b en c, waarvoor zij het bevoegd gezag zijn voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of waarvoor de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een dergelijke vergunning op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit instemming van gedeputeerde staten behoeft. **2.** Stikstofdepositieruimte voor projecten als bedoeld in artikel 3.57, eerste lid, onder a, b en c, ten aanzien waarvan artikel 3.69 is toegepast, kan worden gereserveerd nadat 17 weken zijn verstreken na de datum waarop de stikstofdepositieruimte in AERIUS Register is opgenomen. **3.** Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwproject als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas. **4.** Een reservering als bedoeld in het eerste lid vervalt als het bevoegd gezag een beslissing heeft genomen op de aanvraag om de omgevingsvergunning. ### Artikel 3.68 **1.** Bij de aanvraag van het college van burgemeester en wethouders om een reservering voor een woningbouwcluster als bedoeld in artikel 10.27, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een berekening overgelegd waaruit blijkt dat in AERIUS Register binnen de stikstofdepositieruimte die is verkregen door een maatregel als bedoeld in 3.58, eerste lid, onder d, voldoende stikstofdepositieruimte beschikbaar is voor het woningbouwcluster. **2.** Gedeputeerde staten beslissen over de reservering in de volgorde waarin de aanvragen zijn ontvangen. **3.** Gedeputeerde staten reserveren alleen stikstofdepositieruimte voor een woningbouwcluster als de woningen niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas. **4.** Een reservering voor een woningbouwcluster vervalt voor zover gedeputeerde staten stikstofdepositieruimte reserveren voor de woningbouwprojecten in dat cluster, maar in ieder geval als sinds de reservering twee jaar zijn verstreken. **5.** Gedeputeerde staten kunnen de termijn, bedoeld in het vierde lid, eenmaal verlengen met ten hoogste een jaar. ### Artikel 3.69 **1.** Het bevoegd gezag reserveert alleen stikstofdepositieruimte voor een gemeld PAS-project als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. a. voor het project gold een meldingsplicht op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof, zoals deze regeling luidde tot 1 januari 2017, of op grond van artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, zoals deze luidde op 28 mei 2019; b. b. voor het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019 een melding gedaan; c. c. het project is in de periode van 1 juli 2015 tot 29 mei 2019: 1°. volledig gerealiseerd, waaronder wordt verstaan dat installaties, gebouwen en infrastructuur waren opgericht; 2°. nog niet volledig gerealiseerd, maar de initiatiefnemer heeft in die periode al wel een begin gemaakt met de realisatie, zoals aanleg of bouw van installaties, gebouwen en infrastructuur; of 3°. nog niet begonnen, maar in die periode zijn al wel onomkeerbare en significante investeringsverplichtingen voor het project aangegaan; 1°. 1°. volledig gerealiseerd, waaronder wordt verstaan dat installaties, gebouwen en infrastructuur waren opgericht; 2°. 2°. nog niet volledig gerealiseerd, maar de initiatiefnemer heeft in die periode al wel een begin gemaakt met de realisatie, zoals aanleg of bouw van installaties, gebouwen en infrastructuur; of 3°. 3°. nog niet begonnen, maar in die periode zijn al wel onomkeerbare en significante investeringsverplichtingen voor het project aangegaan; d. d. voor de activiteit waarop de melding betrekking heeft, is geen toereikende en onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit verleend; e. e. als de melding betrekking heeft op een wijziging van een project dat geheel of gedeeltelijk was gerealiseerd voor 1 februari 2009 maar na de datum waarop artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied, dan is de totale stikstofdepositie die door het gewijzigde project wordt veroorzaakt op een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied niet groter dan de op het moment van de melding geldende grenswaarde, bedoeld in artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zoals dat besluit luidde op 28 mei 2019; f. f. als het project dat wordt uitgevoerd, substantieel afwijkt van het gemelde project en het gewijzigde project veroorzaakt niet meer stikstofdepositie op een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden dan het gemelde project; en g. g. de activiteit waarop het project betrekking heeft, wordt nog verricht. **2.** Het eerste lid, onder g, geldt niet als het project voldoet aan het eerste lid, onder c, onder 3°. ### Artikel 3.70 Het bevoegd gezag geeft bij het reserveren van stikstofdepositieruimte voor gemelde PAS-projecten voorrang aan projecten ten aanzien waarvan het een verzoek heeft ontvangen tot handhaving van het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming zoals dat luidde op 31 december 2023, of van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder e, van de wet, om zonder vergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten te realiseren. Als het na toepassing van de eerste zin noodzakelijk is om een keuze te maken tussen projecten, kiest het bevoegd gezag de combinatie van projecten die gezamenlijk voor een optimale benutting van de beschikbare stikstofdepositieruimte zorgt. ### Artikel 3.71 **1.** Het bevoegd gezag kan voor gemelde PAS-projecten alleen stikstofdepositieruimte reserveren als deze zijn geselecteerd met toepassing van artikel 3.70. **2.** Het bevoegd gezag kan de ruimte reserveren na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor dat project. ### Artikel 3.72 **1.** Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit draagt zorg voor: a. a. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die aan het project is toegedeeld; b. b. doorhaling van gereserveerde stikstofdepositieruimte als de betrokken vergunningaanvraag is ingetrokken of als een beslissing is genomen op de betrokken aanvraag; en c. c. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als de vergunning is vernietigd. **2.** Voor projectbesluiten voor een autoweg, autosnelweg, spoorweg of vaarweg van nationaal belang en voor tracébesluiten als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet zoals deze wet luidde tot 1 januari 2024 en waarop die wet van toepassing is op grond van artikel 4.44, 4.45 of 4.46 van de Invoeringswet Omgevingswet draagt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorg voor: a. a. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die hij heeft toegedeeld; en b. b. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als het projectbesluit of tracébesluit is vernietigd. **3.** Voor kavelbesluiten draagt de Minister van Klimaat en Groene Groei zorg voor: a. a. afschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die hij heeft toegedeeld; en b. b. omzetting van toegedeelde in gereserveerde stikstofdepositieruimte als het kavelbesluit is vernietigd. **4.** De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen kunnen zorg dragen voor de bijschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar komt wanneer: a. a. het besluit waarin stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken voordat het project is begonnen; of b. b. de bouw- en aanlegfase waarvoor stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is afgerond. **5.** De in het eerste tot en met derde lid bedoelde bestuursorganen dragen zorg voor de bijschrijving in AERIUS Register van stikstofdepositieruimte die weer beschikbaar komt, als het besluit waarin stikstofdepositieruimte is toegedeeld, is ingetrokken of gewijzigd. ### Artikel 3.73 Stikstofdepositie in het register wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. ## Hoofdstuk 4. Algemene regels over activiteiten geregeld in het ### Afdeling 4.1. Algemene bepalingen ### Artikel 4.1 Afdeling 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift of het beslissen op een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen voor de afdelingen 4.2 tot en met 4.4. ### Artikel 4.2 Aan de afdelingen 4.2 tot en met 4.4 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. ### Artikel 4.3 **1.** Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verbonden, over de afdelingen 4.2 en 4.4. **2.** Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 4.2 en 4.4, tenzij anders is bepaald. **3.** Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan worden verbonden. **4.** Op het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9, 8.10, 8.11, 8.17, 8.18, 8.20, 8.21, 8.22, 8.26, tweede tot en met vierde lid, 8.27, 8.28, 8.30, 8.31, 8.33 en 8.98 tot en met 8.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. ### Afdeling 4.2. Dierenverblijven ### Artikel 4.4 Deze afdeling is van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf als bedoeld in paragraaf 4.82 van het Besluit activiteiten leefomgeving. ### Artikel 4.5 Met het oog op het beperken van emissies in de lucht voldoet een huisvestingssysteem of een aanvullende techniek aan de systeembeschrijving voor dat huisvestingssysteem of voor die aanvullende techniek, voor zover in bijlage V respectievelijk bijlage VI een aanduiding van die systeembeschrijving is opgenomen. ### Artikel 4.6 **1.** De emissie van ammoniak per dierplaats per jaar, bedoeld in de artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor ammoniak voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt de emissie van ammoniak per dierplaats per jaar bij toepassing van een aanvullende techniek berekend met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage en de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor ammoniak volgens de formule: a. a. als één aanvullende techniek wordt toegepast, anders dan in een situatie als bedoeld onder b: *emissie van ammoniak = emissiefactor ammoniak huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage ammoniak aanvullende techniek);* b. b. als een luchtwassysteem als aanvullende techniek wordt toegepast in combinatie met een huisvestingssysteem waarvan de emissiefactor voor ammoniak lager is dan 30% van de emissiefactor voor ammoniak voor een overig huisvestingssysteem: *emissie van ammoniak = emissiefactor ammoniak overig huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage ammoniak luchtwassysteem) x 0,3;* en c. c. als een aanvullende techniek in combinatie met een andere aanvullende techniek wordt toegepast: *emissie van ammoniak = emissiefactor ammoniak huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage ammoniak aanvullende techniek A) x (100% – reductiepercentage ammoniak aanvullende techniek B).* **3.** Als de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor de inwerkingtreding van de wet op grond van de Wet ammoniak en veehouderij een bijzondere emissiefactor voor ammoniak voor een huisvestingssysteem heeft vastgesteld en het huisvestingssysteem nog niet is vermeld in bijlage V of in die bijlage is vermeld met een hogere emissiefactor, wordt in afwijking van het eerste en tweede lid de bijzondere emissiefactor voor ammoniak gebruikt voor het berekenen van de emissie, bedoeld in het eerste en tweede lid. ### Artikel 4.7 **1.** De emissie van PM_10, bedoeld in artikel 4.823 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor PM_10, voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt de emissie van PM_10 per dierplaats per jaar als volgt berekend: a. a. als één aanvullende techniek wordt toegepast: met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage en de in bijlage V vastgestelde emissiefactor voor PM_10 volgens de formule: *emissie van PM10 = emissiefactor PM10 huisvestingssysteem x (100% – verwijderingspercentage PM10 aanvullende techniek);* en b. b. als meer dan een aanvullende techniek wordt toegepast: met het volgens rekenmodel Vee-combistof berekende reductiepercentage voor de combinatie van aanvullende technieken volgens de volgende formule: *emissie van PM10 = emissiefactor PM10 huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage PM10 aanvullende technieken).* **3.** Een aanvullende techniek die voor de reductie van PM_10 een oliefilm aanbrengt met een leidingensysteem met sproeikoppen wordt niet gecombineerd met een andere aanvullende techniek die PM_10 reduceert. **4.** Als gebruik wordt gemaakt van een aanvullende techniek met een variabel reductiepercentage, wordt het reductiepercentage vastgesteld met het rekenmodel Vee-combistof op basis van de hoeveelheid ventilatielucht, in m^3/dier/u, die vanuit de stal door de aanvullende techniek gaat. ### Artikel 4.8 **1.** Op het meten van de emissie van ammoniak afkomstig van een dierenverblijf waarop de meetverplichting van artikel 4.824 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij toegepast. **2.** Op het meten van de emissie van PM_10 afkomstig van een dierenverblijf waarop de meetverplichting van artikel 4.824 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt het Protocol voor meting van fijnstofemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij toegepast. **3.** Op het meten van de emissie van geur afkomstig van een dierenverblijf waarop de meetverplichting van artikel 4.824 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt het Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij toegepast. ### Artikel 4.9 De parameters van het elektronisch monitoringssysteem van het luchtwassysteem, bedoeld in artikel 4.829, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden opgeslagen in een csv-databestand met scheidingsteken line feed en onder elkaar in de volgorde van dat lid. ### Afdeling 4.3. Berekenen afstanden plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden ### Artikel 4.10 Deze afdeling is van toepassing op het berekenen van afstanden voor: a. a. het plaatsgebonden risico, bedoeld in de artikelen 4.16, eerste lid, onder a, 4.427, tweede lid, onder d, 4.1112, eerste lid, 4.1113, eerste lid, en 4.1115, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. b. het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in de artikelen 4.16, eerste lid, onder b, 4.897, tweede lid, onder b, en 4.1115, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving. ### Artikel 4.10a In afwijking van artikel 4.10, aanhef en onder a, is afdeling 4.3 niet van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving. ### Artikel 4.11 Op het berekenen van de afstand voor het plaatsgebonden risico is van toepassing: a. a. voor het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving: modules I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; b. b. voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving: module IV van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid; en c. c. voor het exploiteren van een buisleiding, bedoeld in artikel 3.101 van het Besluit activiteiten leefomgeving: module V van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en 1°. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en 2°. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL. 1°. 1°. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en 2°. 2°. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL. ### Artikel 4.12 **1.** Op het berekenen van de afstand voor een aandachtsgebied zijn van toepassing: a. a. voor een brandaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; b. b. voor een explosieaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen explosieaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; en c. c. voor een gifwolkaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen gifwolkaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL. **2.** In afwijking van het eerste lid, onder a, zijn op het berekenen van de afstand voor een brandaandachtsgebied voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Carola van toepassing. ### Artikel 4.12a0 Op de berekeningen, bedoeld in artikel 4.1115 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die degene die een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, van dat besluit exploiteert, heeft uitgevoerd voor die buisleiding, blijven het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid versie oktober 2020 en Safeti-NL versie 8, 2021 van toepassing, mits de exploitatie van de buisleiding naar aard, omvang of locatie niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid versie januari 2025 en Safeti-NL versie 9.2, 2025. ### Afdeling 4.3a. Tijdelijke regels windturbines ### Artikel 4.12a **1.** Afdeling 4.3 en deze afdeling zijn tot en met 31 december 2026 of zoveel eerder als bij ministerieel besluit is bepaald van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarvoor: a. a. uiterlijk op 30 juni 2021 een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e of i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; b. b. een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het windpark voorziet op grond van een besluit dat op 30 juni 2021 was vastgesteld; en c. c. sinds 30 juni 2021 geen wijziging van kracht is geworden in de omgevingsvergunning, bedoeld onder a, of, voor zover dat op het windpark betrekking had, het besluit, bedoeld onder b. **2.** Het eerste lid geldt niet vanaf het tijdstip waarop met betrekking tot de windturbine of het windpark waarvan de windturbine deel uitmaakt, een wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van kracht wordt. ### Artikel 4.12b Op het bepalen van het geluid L_den of L_night, bedoeld in artikel 4.430c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is artikel 6.8 van toepassing. ### Artikel 4.12c **1.** De emissieterm L_E, bedoeld in artikel 4.430d, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bepaald volgens onderdeel 3.1 van bijlage XXV. **2.** De windsnelheid op ashoogte, bedoeld in artikel 4.430d, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt bepaald volgens paragraaf 1.6 van bijlage XXV. ### Artikel 4.12d Als voor een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder op 30 juni 2022 een maatwerkvoorschrift van kracht was op grond van een besluit krachtens artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin een lagere waarde voor geluidhinder was vastgesteld teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, voldoet het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark aan die lagere waarde. ### Afdeling 4.3b. Geluid ### Artikel 4.12e **1.** Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L_Ar,LT en het maximaal geluidniveau L_Amax, bedoeld in artikel 4.1121a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L_Ar,LT, bedoeld in artikel 5.39, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden bepaald volgens bijlage IVh. **2.** De artikelen 6.5 en 6.6, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. ### Afdeling 4.3c. Het op of in de bodem brengen van meststoffen of zuiveringsslib: aanwijzing gewassen ### Artikel 4.12f Deze afdeling is van toepassing op het op of in de bodem brengen van meststoffen als bedoeld in paragraaf 4.116 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib als bedoeld in paragraaf 4.117 van dat besluit. ### Artikel 4.12g Als vroege teelten als bedoeld in de artikelen 4.1188, 4.1188a, 4.1207 en 4.1207a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen de gewassen, genoemd in bijlage VIA. ### Artikel 4.12h Als rustgewassen als bedoeld in de artikelen 4.1194a en 4.1212a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen de gewassen, genoemd in bijlage VIB. ### Afdeling 4.4. Maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot milieubelastende activiteiten ### Artikel 4.14 **1.** De maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage VII. **2.** In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de maatregelen in bijlage VIIaa, als sprake is van: a. a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag. ### Artikel 4.14a **1.** De terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV opgenomen rekenmethodiek. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van: a. a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag. **3.** Bij het berekenen van de hoeveelheid aardgasequivalent, bedoeld in bijlage XV en de artikelen 3.3a, derde lid, 5.15, derde lid, onder a, 5.15a, eerste lid, onder e, en 5.15b, tweede lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de volgende waarden gehanteerd: a. a. 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm^3 aardgasequivalent; b. b. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm^3 aardgasequivalent; c. c. 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm^3 aardgasequivalent; d. d. 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm^3 aardgasequivalent; e. e. 1 m^3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X m^3 aardgasequivalent, waarbij X wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/m^3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/m^3; f. f. 1 GJ warmte komt overeen met 31,6 Nm^3 aardgasequivalent; g. g. 1 liter diesel komt overeen met 1,13 Nm^3 aardgasequivalent; en h. h. 1 liter benzine komt overeen met 1,04 Nm^3 aardgasequivalent. **4.** Als een brandstof wordt gebruikt die niet is opgenomen in het tweede lid, wordt de hoeveelheid aardgasequivalent per eenheid bepaald door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm^3. **5.** De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 5.15, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels. ### Artikel 4.14aa **1.** Het aanleveren van de gegevens en bescheiden en het onderzoek, bedoeld in artikel 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt uitgevoerd in overeenstemming met bijlage XVb. **2.** Aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, voor de onderdelen waarvoor dat in bijlage XVb is aangegeven, invulling worden gegeven door het toepassen van: a. a. een energiebeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 50001; of b. b. een milieubeheersysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 14001 in samenhang met NEN-EN-ISO 14051. **3.** In aanvulling op het tweede lid kan aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de onderdelen waarvoor dat in bijlage XVb is aangegeven, invulling worden gegeven door de in bijlage XVb opgenomen keurmerken. **4.** Als gebruik wordt gemaakt van de in het tweede of derde lid opgenomen mogelijkheid om invulling te geven aan artikel 5.15b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt van het van toepassing zijnde energiebeheersysteem of milieubeheersysteem of keurmerk een afschrift overgelegd. ### Afdeling 4.4a. Bepalen methode kosten en rendement vermijdings- en reductieprogramma Zeer Zorgwekkende Stoffen ### Artikel 4.14b Bij het bepalen van de kosten en van de technieken, bedoeld in artikel 5.24, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is bij emissies naar de lucht de methode, bedoeld in Bijlage XVc, van toepassing. ### Afdeling 4.4b. Openbaarmaking gegevens energie-efficiëntie datacentra ### Artikel 4.14c **1.** Dit artikel is van toepassing op het openbaar maken van gegevens over de energie-efficiëntie van datacentra, bedoeld in afdeling 5.4.1a van het Besluit activiteiten leefomgeving. **2.** Het verzamelen en openbaar maken van de gegevens, bedoeld in artikel 5.16b, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt uitgevoerd in overeenstemming met bijlage XVd. ### Afdeling 4.5. Algemene regels die de natuur betreffen: Natura 2000-activiteiten ### Artikel 4.15 **1.** Dit artikel is van toepassing op het bepalen van de stikstofdepositie bij het vaststellen of een activiteit door het veroorzaken van stikstofdepositie als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt. **2.** Op het berekenen van de stikstofdepositie is AERIUS Calculator van toepassing. ### Afdeling 4.6. Algemene regels die de natuur betreffen: regels over de uitoefening van de jacht ### Artikel 4.16 Als organisaties die een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in voldoende mate verzekeren als bedoeld in artikel 11.64, eerste lid, onder d, onder 3°, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen: a. a. G.A. van der Lugt Stichting; b. b. Heerlijkheid Mariënwaerdt B.V.; c. c. It Fryske Gea; d. d. Staat der Nederlanden, voor zover het betreft de militaire luchthavens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit militaire luchthavens; e. e. Staatsbosbeheer; f. f. Stichting Edwina van Heek; g. g. Stichting Flevo-Landschap; h. h. Stichting Het Drentse Landschap; i. i. Stichting Het Geldersch Landschap; j. j. Stichting het Goois Natuurreservaat; k. k. Stichting Het Groninger Landschap; l. l. Stichting het Limburgs Landschap; m. m. Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe; n. n. Stichting Het Noordbrabants Landschap; o. o. Stichting Het Utrechts Landschap; p. p. Stichting Het Zeeuwse Landschap; q. q. Stichting “Het Zuid-Hollands Landschap”; r. r. Stichting Huis Deelerwoud; s. s. Stichting Landgoed Windesheim; t. t. Stichting Landschap Noord-Holland; u. u. Stichting Landschap Overijssel; v. v. Stichting Marke Vragender Veen; en w. w. Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland. ### Artikel 4.17 De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is gedurende de daarbij vermelde tijdvakken en, voor zover van toepassing, in de daarbij aangegeven gebieden geopend als bedoeld in artikel 11.68 van het Besluit activiteiten leefomgeving: a. a. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari; b. b. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december; c. c. haas: van 15 oktober tot en met 31 december in de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Zeeland en Zuid-Holland; d. d. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari; en e. e. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari. ### Afdeling 4.7. Algemene regels die de natuur betreffen: flora- en fauna-activiteiten #### Paragraaf 4.7.1. Flora- en fauna-activiteiten: aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn ### Artikel 4.18 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen, en om die vogels opzettelijk te storen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende vogels te bestrijden, bedoeld in 11.43, eerste lid, onder b, van dat besluit: a. a. de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii); b. b. de houtduif (Columba palumbus); c. c. de kauw (Corvus monedula); of d. d. de zwarte kraai (Corvus corone corone). **2.** Het eerste lid geldt alleen als: a. a. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op die gronden, in of aan die opstallen of in het omringende gebied te voorkomen; b. b. de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als: 1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of 2°. schade aan flora of fauna; en 1°. 1°. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren; of 2°. 2°. schade aan flora of fauna; en c. c. wordt voldaan aan artikel 4.19. ### Artikel 4.19 **1.** Als middelen als bedoeld in artikel 11.44, vierde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van de Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii), de houtduif (Columba palumbus), de kauw (Corvus monedula) en de zwarte kraai (Corvus corone corone) worden aangewezen: a. a. geweren; b. b. honden, met uitzondering van lange honden; en c. c. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds. **2.** Als methoden als bedoeld in artikel 11.44, vierde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die mogen worden gebruikt voor het bestrijden van vogels van de soorten, bedoeld in het eerste lid, worden aangewezen: a. a. het vangen of doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels; b. b. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; en c. c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer, dat niet vergiftigd of verdovend is. **3.** De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen. ### Artikel 4.20 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of aan te bieden voor verkoop geldt niet als de vogels aantoonbaar zijn verkregen: a. a. in het kader van de bestrijding van schade of overlast veroorzakende vogels, bedoeld in de artikelen 11.43, eerste lid, onder b, en 11.44, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren; en b. b. in overeenstemming met: 1°. een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning; 2°. de regels in een omgevingsverordening op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de wet en artikel 11.42 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen; of 3°. de artikelen 4.18 en 4.19. 1°. 1°. een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning; 2°. 2°. de regels in een omgevingsverordening op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de wet en artikel 11.42 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen; of 3°. 3°. de artikelen 4.18 en 4.19. ### Artikel 4.21 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of aan te bieden voor verkoop geldt niet voor het verkopen, vervoeren, onder zich hebben of voor verkoop aanbieden van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht. **2.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of vervoeren van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht. **3.** Het eerste en tweede lid gelden alleen als: a. a. de vogel aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de daar geldende regelgeving; en b. b. als de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen. ### Artikel 4.22 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn opzettelijk te vangen of om opzettelijk die vogels te storen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde vogels voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. **2.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te vervoeren geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde vogels voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. **3.** Het eerste en tweede lid gelden alleen als de zieke of gewonde vogel binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige vogels onder zich te hebben voor opvang en verzorging, krachtens: a. a. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en b. b. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren. ### Artikel 4.23 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dode uit het wild afkomstige vogel met het oog op het prepareren ervan. **2.** Het eerste lid geldt alleen als: a. a. de vogel buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier toe-eigent is gestorven; b. b. degene die de vogel onder zich heeft: 1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie; of 2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikelen 11.102, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 7.219; en 1°. 1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie; of 2°. 2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikelen 11.102, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 7.219; en c. c. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen, voor zover van toepassing. **3.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het onder zich hebben van een geprepareerde uit het wild afkomstige vogel. **4.** Het derde lid geldt alleen als: a. a. de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig artikelen 11.102, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en 7.219, vierde en vijfde lid; en b. b. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen, voor zover van toepassing. ### Artikel 4.23a **1.** Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, of 11.39, eerste lid, van dat besluit, die: a. a. worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en b. b. betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedragscode. **2.** Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.23a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode. | Gedragscode | Periode | Uitgezonderde verbodsbepaling | | --- | --- | --- | | Gedragscode soortenbescherming Aedes | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming gemeenten | 9 juni 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming Havenbedrijven | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming Natuurbeheer | 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming ProRail | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming Provinciale Infrastructuur | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming Rijkswaterstaat | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming Unie van Waterschappen | 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | | Gedragscode soortenbescherming VEWIN | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.37, eerste lid, onder b en d | #### Paragraaf 4.7.2. Flora- en fauna-activiteiten: aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn ### Artikel 4.24 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden of om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet als de dieren aantoonbaar zijn verkregen: a. a. in het kader van de bestrijding van schade of overlast veroorzakende dieren, bedoeld in artikel 11.52, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de beperking van de omvang van populaties van in het wild levende dieren; en b. b. in overeenstemming met: 1°. een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning; of 2°. de regels in een omgevingsverordening op grond van artikelen 5.2, eerste lid, van de wet en 11.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen. 1°. 1°. een voor die bestrijding verleende omgevingsvergunning; of 2°. 2°. de regels in een omgevingsverordening op grond van artikelen 5.2, eerste lid, van de wet en 11.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin de bestrijding als vergunningvrij geval wordt aangewezen. ### Artikel 4.25 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of planten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden of om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet voor het onder zich hebben, vervoeren, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van een dood dier of een dode plant die vanuit een ander land Nederland is binnengebracht. **2.** Het eerste lid geldt alleen als: a. a. het dier of de plant aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving; en b. b. als het dier of de plant behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, het dier of de plant aantoonbaar met inachtneming van de cites-basisverordening en de cites-uitvoeringsverordening Nederland is binnengebracht of verkregen. **3.** Het eerste lid geldt niet voor botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris). ### Artikel 4.26 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, opzettelijk te vangen of om dieren opzettelijk te verstoren, geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. **2.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.47, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben of te vervoeren geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten worden verricht voor het vangen of onder zich hebben van zieke of gewonde dieren voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. **3.** In afwijking van het eerste en tweede lid kan vervoer van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn ook anders plaatsvinden dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. **4.** Het eerste en tweede lid geldt alleen als het zieke of gewonde dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging, krachtens: a. a. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en b. b. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren. ### Artikel 4.26a **1.** Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.53 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, of 11.47, eerste lid, aanhef en onder b, van dat besluit, die: a. a. worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en b. b. betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedragscode. **2.** Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.53, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.26a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode. | Gedragscode | Periode | Uitgezonderde verbodsbepaling | | --- | --- | --- | | Gedragscode soortenbescherming Aedes | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming gemeenten | 9 juni 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming Havenbedrijven | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming Natuurbeheer | 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming ProRail | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming Provinciale Infrastructuur | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming Rijkswaterstaat | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming Unie van Waterschappen | 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | | Gedragscode soortenbescherming VEWIN | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.46, eerste lid, onder b, d en e | #### Paragraaf 4.7.3. Flora- en fauna-activiteiten: aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten ### Artikel 4.27 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht om de volgende schadeveroorzakende dieren te bestrijden als bedoeld in 11.57, onder b, van dat besluit: a. a. het konijn (Oryctolagus cuniculus); of b. b. de vos (Vulpes vulpes). **2.** Het eerste lid geldt alleen als: a. a. het bestrijden gebeurt op door de grondgebruiker gebruikte gronden, of in of aan door hem gebruikte opstallen, om schade die in het lopende of daarop volgende jaar dreigt op te treden op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied te voorkomen; b. b. de schade, bedoeld onder a, is aan te merken als: 1°. schade aan de flora of fauna, of natuurlijke habitats; of 2°. schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en 1°. 1°. schade aan de flora of fauna, of natuurlijke habitats; of 2°. 2°. schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; en c. c. wordt voldaan aan de in artikel 4.28 gestelde eisen en beperkingen. ### Artikel 4.27a **1.** Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.109a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden vastgesteld: a. a. degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu; b. b. degene die planten, of delen of producten daarvan, als bedoeld in artikel 11.109a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving verhandelt, kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan de in onderdeel a bedoelde voorwaarde. **2.** Als passende maatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving. ### Artikel 4.28 **1.** Als middelen als bedoeld in artikel 11.58, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn toegestaan voor het bestrijden van het konijn (Oryctolagus cuniculus) en de vos (Vulpes vulpes) worden aangewezen: a. a. geweren; b. b. honden, met uitzondering van lange honden; c. c. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis), slechtvalken (Falco peregrinus) en woestijnbuizerds; d. d. kastvallen; e. e. vangkooien; f. f. fretten; en g. g. buidels. **2.** Aardhonden worden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus. **3.** De aangewezen middelen worden niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede pinksterdag en de beide kerstdagen. Dit geldt niet voor fretten, kastvallen, vangkooien en buidels. ### Artikel 4.29 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, te vangen geldt niet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, voor vervoer in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. **2.** Het eerste lid geldt alleen als: a. a. het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die zijn gerechtigd uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging krachtens: 1°. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en 2°. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en 1°. 1°. een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit; en 2°. 2°. artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren; en b. b. als het een zieke of gewonde ree, of een ziek of gewond edelhert, damhert of wild zwijn betreft: voorafgaand aan het vervoer melding is gedaan bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder. **3.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond door personen die in dienst zijn van, of als opdrachtnemer of als vrijwilliger actief zijn voor een van de organisaties, bedoeld in het vierde lid, voor vervoer: a. a. in een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren; of b. b. anders dan met een motorvoertuig dat is ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. **4.** Het derde lid geldt alleen als: a. a. de uit het wild afkomstige zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond binnen twaalf uur wordt overgedragen aan een van de volgende organisaties: 1°. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam; 2°. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel; 3°. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog; 4°. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of 5°. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling; 1°. 1°. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam; 2°. 2°. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel; 3°. 3°. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Lauwersoog; 4°. 4°. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen; of 5°. 5°. Stichting Zeehondenopvang Terschelling te West-Terschelling; b. b. de organisaties, genoemd onder a, bij de beslissing over het vangen, voor het vervoeren van het dier, het Handelingskader zeehondenopvang, opgenomen in bijlage VIIa, onder B, volgen, en als zij krachtens artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren zijn gerechtigd uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen; en c. c. de in het derde lid bedoelde personen werkzaam zijn binnen het werkgebied van de organisatie, genoemd onder a, weergegeven op de kaart in bijlage VIIa, onder A, en aantoonbaar beschikken over: 1°. kennis van: i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving; ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond; iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en 2°. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond. 1°. 1°. kennis van: i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving; ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond; iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en i. i. gewone en grijze zeehonden en hun leefomgeving; ii. ii. het beheer van de gewone en grijze zeehond; iii. iii. de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de natuurbescherming en dierenwelzijn; en iv. iv. het gedrag van gewone en grijze zeehonden bij ziekte of verwonding; en 2°. 2°. bekwaamheid in de omgang met de gewone en grijze zeehond. ### Artikel 4.30 **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren of eieren van dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten voor het bestrijden van ziekten, plagen of onkruiden aangewezen in bijlage VIIb, onder A. **2.** Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dieren uit te zetten geldt niet voor het uitzetten van dieren van de diersoorten als prooidieren voor die dieren aangewezen in bijlage VIIb, onder A en B. **3.** Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de diersoorten aangewezen in bijlage VIIb, onder B, met het oog op de productie van dierlijke producten. ### Artikel 4.31 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A, bij dat besluit, opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om de vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, bij dat besluit, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen geldt niet als: a. a. de Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is op grond van artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit; b. b. het gaat om dieren en planten van de soorten aangewezen in bijlage VIIc; en c. c. het gaat om handelingen in het kader van: 1°. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 2°. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw; 3°. bestendig gebruik; of 4°. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied. 1°. 1°. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 2°. 2°. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw; 3°. 3°. bestendig gebruik; of 4°. 4°. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied. ### Artikel 4.31a **1.** Als gevallen waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt als bedoeld in artikel 11.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden aangewezen de flora- en fauna-activiteiten, bedoeld in artikel 11.54 van dat besluit, die: a. a. worden beschreven in een in het tweede lid aangewezen gedragscode; en b. b. betrekking hebben op soorten die vallen onder de reikwijdte van de gedagscode. **2.** Als gedragscodes als bedoeld in artikel 11.59, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de in tabel 4.31a bedoelde gedragscodes aangewezen voor de daarbij aangegeven periode. | Gedragscode | Periode | Uitgezonderde verbodsbepaling | | --- | --- | --- | | Gedragscode soortenbescherming Aedes | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming gemeenten | 9 juni 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming Havenbedrijven | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming Natuurbeheer | 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming ProRail | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming Provinciale Infrastructuur | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming Rijkswaterstaat | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming Unie van Waterschappen | 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | | Gedragscode soortenbescherming VEWIN | 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 | Artikel 11.54, eerste lid, onder b en c | #### Paragraaf 4.7.4. Flora- en fauna-activiteiten: erkende maatregel specifieke zorgplicht ### Artikel 4.31b De paragraaf is van toepassing op het treffen van maatregelen ter invulling van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij de vaststelling van de aanwezigheid van, of het gebruik door soorten, genoemd in artikel 4.31c, tweede lid, bij de na-isolatie van de spouwmuur van een grondgebonden woning. ### Artikel 4.31c **1.** Aan de verplichting om voorafgaand aan het na-isoleren van de spouwmuur van een grondgebonden woning na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van soorten op de locatie waarop die activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie of van het gebruik door soorten van die locatie, bedoeld in artikel 11.27, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt in ieder geval voldaan als voorafgaand aan die flora- en fauna-activiteit de Beoordelingsrichtlijn omgevingsDNA-methode wordt toegepast. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid worden onder soorten verstaan dieren als bedoeld in tabel 4.31c. | baardvleermuis (Myotis mystacinus) | | --- | | bosvleermuis (Nyctalus leisleri) | | brandt’s vleermuis (Myotis brandtii) | | gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) | | gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) | | ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus) | | kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) | | laatvlieger (Eptesicus serotinus) | | meervleermuis (Myotis dasycneme) | | rosse vleermuis (Nyctalus noctula) | | ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) | | tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) | | watervleermuis (Myotis daubent) | **3.** Het eerste lid is niet van toepassing als de na-isolatie plaatsvindt op een locatie waarvoor geldt dat door gedeputeerde staten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor na-isolatie van spouwmuren is verleend dat samenhangt met een soortenmanagementplan voor vleermuizen dat is vastgesteld door het gemeentebestuur of het provinciebestuur. ### Afdeling 4.8. Algemene regels die de natuur betreffen: overig #### Paragraaf 4.8.1. Administratie en merktekens beschermde diersoorten ### Artikel 4.32 **1.** Dit artikel is van toepassing op degene die een levend gefokt dier, een levende gekweekte plant of een uit het wild afkomstig levend dier onder zich heeft, en de daar bijbehorende administratie als bedoeld in artikel 11.103 van het Besluit activiteiten leefomgeving bijhoudt als het dier of de plant behoort tot: a. a. de soorten, genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de cites-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan; c. c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van: 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien; en 2°. de soorten, genoemd in bijlage X bij het Besluit activiteiten leefomgeving; 1°. 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien; en 2°. 2°. de soorten, genoemd in bijlage X bij het Besluit activiteiten leefomgeving; d. d. de kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten, genoemd in bijlage A bij de cites-basisverordening als voor die soorten een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 17 van de cites-uitvoeringsverordening is afgegeven; of e. e. een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening. **2.** De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens: a. a. de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort; b. b. de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant; c. c. de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen; d. d. het land van herkomst van het dier of de plant, als dit afwijkt van het land, bedoeld onder c; e. e. het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende cites-document; f. f. de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant; g. g. de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant; h. h. het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende cites-document; i. i. de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier; j. j. gegevens over de soort en de code van de merktekens; k. k. de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant; en l. l. de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant, voor zover van toepassing. **3.** De administratie, bedoeld in het eerste lid: a. a. is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering; b. b. wordt gevoerd op een zodanige wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken; en c. c. wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren of planten als bedoeld in het eerste lid. **4.** De gegevens, bedoeld in het tweede lid, en de documenten, bedoeld in het derde lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaar na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling. ### Artikel 4.33 **1.** De gesloten pootring, bedoeld in artikel 11.104, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor gefokte vogels: a. a. is een individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat zij, nadat zij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt; b. b. heeft een diameter die niet groter is dan de in bijlage VIId voor de betrokken soort vastgestelde diameter; c. c. voldoet aan de volgende eisen: 1°. een ring met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; of 2°. een ring met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; en 1°. 1°. een ring met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; of 2°. 2°. een ring met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, als de ring wordt opgerekt; en d. d. is voorzien van een kleurlaag die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht verschillend is. **2.** In afwijking van het eerste lid: a. a. kan de gesloten pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage VIId vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.35, noodzakelijk is; of b. b. kunnen gesloten pootringen voor papegaaiachtigen en roofvogels zijn vervaardigd van roestvrij staal. **3.** Een aanvrager van een aanvraag als bedoeld in artikel 4.35: a. a. brengt een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid alleen aan op in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels van de soort waarvoor hij de gesloten pootring heeft aangevraagd; en b. b. verschaft een gesloten pootring als bedoeld in het eerste lid niet aan derden. ### Artikel 4.34 **1.** Als organisaties als bedoeld in artikel 11.104, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving die zijn belast met de afgifte van gesloten pootringen worden aangewezen: a. a. Kleindier Liefhebbers Nederland, gevestigd te Utrecht; b. b. Nederlandse Bond voor Vogelliefhebbers, gevestigd te Bergen op Zoom; c. c. Parkieten Sociëteit, gevestigd te Arnhem; d. d. Vereniging Aviornis International Nederland, gevestigd te Wijchen; en e. e. Vereniging Belangenbehartiging Europese Cultuurvogel, gevestigd te Eindhoven. **2.** De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar gesteld automatiseringssysteem. **3.** De administratie wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar en bevat per soort de volgende gegevens: a. a. de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd; b. b. als het gaat om gefokte vogels: 1°. het aantal verstrekte gesloten pootringen; 2°. de ringmaat; en 3°. de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, onder b, en derde lid; 1°. 1°. het aantal verstrekte gesloten pootringen; 2°. 2°. de ringmaat; en 3°. 3°. de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, onder b, en derde lid; c. c. als het gaat om gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de cites-basisverordening: 1°. de gegevens onder b, onder 1° en 2°; en 2°. het aantal ouderparen; 1°. 1°. de gegevens onder b, onder 1° en 2°; en 2°. 2°. het aantal ouderparen; d. d. de datum van toekenning van de gesloten pootringen; en e. e. de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt. **4.** De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de minister op verzoek, op een door de minister te bepalen wijze, alle informatie over de afgifte van gesloten pootringen. ### Artikel 4.35 **1.** Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door een van de organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd. **2.** De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, verstrekken alleen gesloten pootringen: a. a. waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 4.33; en b. b. die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de gesloten pootring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer. **3.** In afwijking van het tweede lid, onder b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer. **4.** De organisaties, bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, geven geen gesloten pootring af als: a. a. niet aannemelijk is dat de aanvrager vogels, waarvoor hij een gesloten pootring aanvraagt, fokt; of b. b. het redelijke vermoeden bestaat dat de aanvrager handelt of zal handelen in strijd met artikel 4.33, derde lid. #### Paragraaf 4.8.2. Cites en invasieve exoten ### Artikel 4.36 Als plantensoorten waarvoor een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 3.70, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bij de Minister voor Natuur en Stikstof kan worden aangevraagd, worden aangewezen: a. a. Apocynaceae: Pachypodium spp; b. b. Cactaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening; c. c. Droseraceae: Dionaea muscipula; d. d. Euphorbiaceae: de succulente soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening; e. e. Liliaceae: de soorten Aloe, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening; f. f. Nepenthaceae: de soorten Nepenthes, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening; g. g. Orchidaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, de hybriden van de soorten Paphiopedilum; en h. h. Sarraceniaceae: de soorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening. ### Artikel 4.37 **1.** Als diersoorten als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, aanhef, van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor beheersmaatregelen als bedoeld in artikel 19 van de invasieve-exoten-basisverordening worden aangewezen: a. a. de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis); b. b. de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus); c. c. de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis); d. d. de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus); e. e. de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia); en f. f. de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis). **2.** Als voorwaarden als bedoeld in artikel 11.108, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor de beheersmaatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld: a. a. degene die de in artikel 11.108, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedoelde handelingen verricht, draagt er zorg voor dat: 1°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden; 2°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd; 3°. het beheren van afval, het onderhoud en schoonmaken van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd; en 4°. wordt voorkomen dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen; en 1°. 1°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden; 2°. 2°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd; 3°. 3°. het beheren van afval, het onderhoud en schoonmaken van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd; en 4°. 4°. wordt voorkomen dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen; en b. b. degene die de in artikel 11.108, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde handelingen verricht maakt te allen tijde aannemelijk dat hij voldoet aan de in artikel 11.108, eerste en tweede lid, van dat besluit bedoelde regels. **3.** Als passende maatregel als bedoeld in het tweede lid, onder a, onder 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden. #### Paragraaf 4.8.3. Aanwijzing douanekantoren ### Artikel 4.38 **1.** Als douanekantoren als bedoeld in artikel 11.94 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern, bijlage I bij het verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D bij de cites-basisverordening binnen of buiten het grondgebied van Nederland worden gebracht, worden aangewezen: a. a. voor het binnen Nederland brengen van levende dieren: 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol; 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol; en 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht; 1°. 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol; 2°. 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol; en 3°. 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht; b. b. voor het buiten Nederland brengen van levende dieren: 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol; 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol; 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht; 4°. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte); en 5°. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam; 1°. 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol; 2°. 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Schiphol; 3°. 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht; 4°. 4°. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte); en 5°. 5°. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam; c. c. voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren. **2.** Als veterinaire voorschriften gelden voor dieren of producten, nesten of eieren van dieren die behoren tot de soorten, bedoeld in het eerste lid, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die daarvoor als inspectiepost aan de grens zijn erkend op grond van de verordening officiële controles. #### Paragraaf 4.8.4. Houtopstanden: uitzondering op melding vellen houtopstand en plicht tot herbeplanting ### Artikel 4.39 Als gedragscode als bedoeld in artikel 11.131, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aangewezen de Gedragscode houtopstanden TenneT, voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029. ## Hoofdstuk 5. Algemene regels over activiteiten en bouwwerken geregeld in het ### Afdeling 5.1. Duurzaamheid #### Paragraaf 5.1.1. Technische bouwsystemen ### Artikel 5.1 De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op technische bouwsystemen als bedoeld in paragraaf 4.7.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 5.2 De waarde van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in de artikelen 4.248, eerste lid, en 5.21, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald op basis van de in bijlage VIII opgenomen rekenmethodiek. ### Artikel 5.3 Het verslag van de energieprestatie van een technisch bouwsysteem, bedoeld in artikel 4.249 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bevat de volgende gegevens en bescheiden: a. a. de berekende waarde voor de energieprestatie als bedoeld in artikel 5.2; b. b. de naam en het adres van degene die opdracht geeft tot het laten vaststellen van de energieprestatie; c. c. het adres van het gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt; d. d. een aanduiding van het soort gebouw waar het technisch bouwsysteem zich in, op, aan of bij bevindt: woning of overig; e. e. de naam en het registratienummer van degene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd en het verslag heeft opgesteld of, als diegene geen registratienummer heeft, de naam en het adres; f. f. een beschrijving van het soort technisch bouwsysteem; g. g. een beschrijving van het type en serienummer van het technische bouwsysteem of componenten daarvan, of, bij het ontbreken van dergelijke gegevens, een nauwkeurige beschrijving van de locatie waar het technisch bouwsysteem zich in het gebouw bevindt; h. h. een beschrijving van de verrichte werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem; i. i. de datum van de werkzaamheden aan het technisch bouwsysteem; en j. j. de ondertekening door diegene die het technisch bouwsysteem heeft geïnstalleerd. ### Artikel 5.4 **1.** Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimteverwarmingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving: a. a. heeft een warmtecapaciteit die niet groter is dan nodig is om te voorzien in de warmtevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt. De temperatuur in het warmtedistributie- en afgiftedeel van het systeem is daarbij afgesteld op de laagst mogelijke temperatuur waarbij het ruimteverwarmingssysteem kan voldoen aan de benodigde warmtecapaciteit van het gebouw; b. b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van de componenten van het systeem; c. c. is afgesteld op een energetisch optimale stooklijn met behoud van comfort, is hydraulisch in balans en is ingeregeld om optimaal te presteren bij gemiddelde gebruiksomstandigheden; en d. d. is voorzien van een ruimtethermostaat die voldoet aan de eisen voor een kamerthermostaat of andere centrale temperatuurregeling van klasse II of hoger als bedoeld in de Mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2014, C 207/02). **2.** Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden gerealiseerd of als de kosten voor het aanbrengen van de ruimtethermostaat en de thermostatische radiatorkranen meer dan 20% bedragen van de kosten van het technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming. ### Artikel 5.5 **1.** Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ruimtekoelingssysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving: a. a. heeft een koudecapaciteit niet groter dan nodig om te voorzien in de koudevraag van het gebouw waarin het systeem zich bevindt, waarbij de temperatuur in het koudedistributie- en afgiftedeel van het systeem is afgesteld op de hoogst mogelijke temperatuur waarmee het ruimtekoelingssysteem kan voldoen aan de benodigde koudecapaciteit van het gebouw; b. b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; c. c. is afgesteld op de energetisch optimale condensor- en verdampertemperaturen met behoud van comfort, is hydraulisch in balans als het gaat om hydraulische systemen of heeft geoptimaliseerde luchtstromen als het gaat om lucht-distributiesystemen, en is ingeregeld op optimaal presteren bij typische gebruiksomstandigheden; d. d. heeft een ruimtethermostaat als het gaat om een centraal aangestuurd systeem; en e. e. heeft een door de gebruiker in te stellen thermostaat als het gaat om individueel geregelde units. **2.** Het eerste lid, onder d, is niet van toepassing als het systeem wordt aangestuurd door een gebouwautomatiserings- en controlesysteem waarmee een met dat onderdeel vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt. ### Artikel 5.6 Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar ventilatiesysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving: a. a. sluit aan bij de ventilatiebehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt; b. b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; c. c. heeft een ventilatiedebiet dat is geoptimaliseerd voor laag energieverbruik met behoud van comfort en luchtkwaliteit; en d. d. is voorzien van passende regelapparatuur waarmee het ventilatievolume in drie of meerdere standen of traploos aan te passen is aan de ventilatiebehoefte. ### Artikel 5.7 Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar warmtapwatersysteem als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving: a. a. sluit aan bij de warmtapwaterbehoefte van het gebouw waarin het systeem zich bevindt; b. b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; c. c. heeft een warmtapwatertemperatuur, gemeten bij de warmteopwekker, die is geoptimaliseerd voor een zo laag mogelijk energieverbruik zonder risico’s voor legionella; en d. d. is voorzien van regelapparatuur waarmee de watertemperatuur bij de warmteopwekker op toegankelijke wijze kan worden ingesteld. ### Artikel 5.8 Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving: a. a. heeft een hoeveelheid en type armaturen die voldoende zijn, maar niet meer dan nodig, voor de typische verlichtingsbehoefte van de ruimte waarin de verlichting ingebouwd wordt; b. b. is geïnstalleerd volgens de ontwerpeisen en installatievoorschriften van de fabrikanten van componenten van het systeem; en c. c. is instelbaar door aan-uit schakelaars of aanwezigheidsdetectie. ### Artikel 5.9 Adequaat gedimensioneerde, geïnstalleerde, ingeregelde en instelbare ingebouwde verlichting als bedoeld in de artikelen 4.248, tweede lid, en 5.21, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is voor oplevering getest en ingesteld op energetisch optimale prestatie onder typische gebruiksomstandigheden. #### Paragraaf 5.1.2. Energielabels ### Artikel 5.10 De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op energielabels als bedoeld in afdeling 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 5.11 **1.** De energieprestatie van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-W. **2.** Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501. **3.** Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor die woonfunctie, dat woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. **4.** Het primair fossiel energiegebruik van de woonfunctie, het woongebouw of die logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt met behulp van de als bijlage IX opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met forfaitaire waarden voor deze maatregelen. ### Artikel 5.12 **1.** De energieprestatie van een gebruiksfunctie of gebouw, niet zijnde een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, wordt opgenomen en geregistreerd door een energieadviseur werkzaam voor een NL-EPBD-certificaathouder volgens BRL 9500-U. **2.** Het bij de bepaling van de energieprestatie gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501. **3.** Na registratie van de energieprestatie door de energieadviseur bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, wordt het energielabel voor dat utiliteitsgebouw vastgesteld en afgegeven door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. **4.** Het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt met behulp van de als bijlage X opgenomen tabel omgezet in een letter of lettercombinatie. Bij de berekening van het primair fossiel energiegebruik van het utiliteitsgebouw wordt, als energiemaatregelen op gebiedsniveau van toepassing zijn, gerekend met kwaliteitsverklaringen voor deze maatregelen. ### Artikel 5.13 Het energielabel, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, en artikel 5.12, derde lid, wordt vastgesteld op basis van in ieder geval: a. a. gegevens over de algemene gebouwkenmerken, waaronder gebruiksfunctie, bouwjaar, gebruiksoppervlakte in m^2 en, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, woningtype; b. b. gegevens over de aanwezige isolatie, waaronder beglazing, isolatie van de gevel, isolatie van het dak en isolatie van de vloer; c. c. gegevens over de aanwezige installaties, waaronder verwarmingstoestel, tapwatertoestel, koelsysteem, ventilatiesysteem, zonneboiler, zonnepanelen en, in het geval van een utiliteitsgebouw, verlichting; en d. d. gegevens over de berekende indicatoren van de energieprestatie, waaronder de energielabelklasse, het primair fossiel energiegebruik, het aandeel hernieuwbare energie, in het geval van een woonfunctie, woongebouw of logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw de oververhitting in de zomer en de warmtebehoefte en, in het geval van een utiliteitsgebouw, de energiebehoefte. ### Artikel 5.14 **1.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan registreren: a. a. gegevens over voor welke gebouwen de energieprestatie is geregistreerd, waaronder adresgegevens, identificerend objectnummer van het pand of verblijfsobject als bedoeld in artikel 19 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen en de opleverstatus van het gebouw; b. b. kenmerken van de registratie van de energieprestatie bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, waaronder de aanduiding van het soort opname van de energieprestatie, de opnamedatum van de energieprestatie en gegevens over de energieadviseur, de NL-EPBD-certificaathouder en de geattesteerde software; c. c. de registratiedatum van de energieprestatie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het unieke registratienummer van het energielabel; en d. d. de gegevens, bedoeld in artikel 5.13, op basis waarvan het energielabel is vastgesteld. **2.** De minister beheert de registratie. **3.** De registratie heeft tot doel het toezicht op de naleving en handhaving van de voorschriften op het gebied van energielabels te kunnen waarborgen en de verstrekking van de gegevens aan de instellingen en organisaties, bedoeld in het vijfde lid, mogelijk te maken voor zover de gegevens noodzakelijk zijn in verband met hun werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid. **4.** De minister is verwerkingsverantwoordelijke voor de registratie. **5.** De minister kan de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan: a. a. certificatie-instellingen, voor zover de gegevens noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun taak zoals omschreven in BRL 9500-W; b. b. het centraal bureau voor de statistiek, voor zover de gegevens noodzakelijk zijn voor het van overheidswege uitvoeren van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap; en c. c. andere onderzoeksinstellingen en -organisaties, voor zover de gegevens gebruikt worden voor wetenschappelijke, statistische of historische doeleinden en de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig geschaad wordt. **6.** De minister kan het energielabel en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan de eigenaar van het gebouw waarvoor het energielabel is afgegeven en aan de persoon die in de basisregistratie personen op het woonadres van dat gebouw staat ingeschreven. **7.** De gegevens in de registratie worden ten hoogste vijftien jaar bewaard, gerekend vanaf de opnamedatum van de energieprestatie voor een energielabel. ### Artikel 5.15 Bij de toepassing van artikel 6.30, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt ten minste een weergave van de numerieke energieprestatie-indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/(m^2.jaar) en de in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van dat energiegebruik opgehangen op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in het gebouw. ### Artikel 5.16 Onder energielabel wordt niet verstaan het document dat is opgesteld op basis van de energieprestatie en is geregistreerd in het kader van een vergunningaanvraag als bedoeld in BRL 9500-W. #### Paragraaf 5.1.3. Airconditioningsystemen en verwarmingssystemen ##### Paragraaf 5.1.3.1. Algemene bepalingen ### Artikel 5.17 De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de keuring van airconditioningsystemen, bedoeld in paragraaf 6.5.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, en verwarmingssystemen, bedoeld in paragraaf 6.5.4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ##### Paragraaf 5.1.3.2. Keuring van airconditioningsystemen ### Artikel 5.18 **1.** De keuring van een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW, wordt verricht door deskundigen met een diploma EPBD A-airconditioningsystemen en een diploma EPBD-B airconditioningsystemen. **2.** De keuring wordt gedaan volgens de inspectiemethodiek zoals opgenomen in bijlage XI. **3.** Het keuringsverslag van een in het eerste lid bedoelde keuring wordt opgesteld door een deskundige met het diploma EPBD B-airconditioningsystemen. **4.** De deskundige: a. a. registreert de datum van de keuring van het systeem in het bij het systeem behorende logboek; b. b. verstrekt het keuringsverslag binnen vier weken na de keuring aan de opdrachtgever; en c. c. meldt de keuring binnen vier weken nadat deze is verricht af bij een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen instantie. **5.** De deskundige en de opdrachtgever bewaren het keuringsverslag ten minste vijf jaar. ### Artikel 5.18a **1.** Een technisch bouwsysteem dat zowel ruimteverwarming als ruimtekoeling verzorgt en waarbij de warmtegenerator nuttige warmte genereert door het opvangen van warmte uit de lucht, ventilatie van afvoerlucht of een water- of aardwarmtebron met een warmtepomp wordt alleen gekeurd volgens artikel 6.37 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. **2.** Een technisch bouwsysteem met een ventiliatiesysteem gecombineerd met zowel een verwarmingssysteem als een airconditioningsysteem wordt alleen gekeurd volgens artikel 6.37 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. **3.** Een ventilatiesysteem als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt alleen gekeurd als dit het primaire afgiftesysteem is voor ruimteverwarming of ruimtekoeling. ##### Paragraaf 5.1.3.3. Eisen vakbekwaamheid keuring airconditioningsystemen ### Artikel 5.19 **1.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst de instellingen aan die zijn belast met: a. a. het afnemen van het examen airconditioningsysteemdeskundige; b. b. het afnemen van het herexamen; en c. c. het afnemen van het bijscholingsexamen. **2.** Een exameninstelling voor airconditioningsysteemdeskundigen: a. a. bezit rechtspersoonlijkheid; b. b. heeft een vestiging in Nederland; c. c. beschikt over voldoende deskundigheid om examens op te stellen en af te nemen; d. d. beschikt over een kwaliteitssysteem dat op schrift is gesteld; en e. e. beschikt over faciliteiten om examens af te nemen. **3.** De minister kan een adviescommissie instellen die adviseert over de beoordeling van de deskundigheid, bedoeld in het tweede lid, onder c. **4.** De adviescommissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden. **5.** De minister kan aan de aanwijzing voorschriften verbinden. **6.** De minister kan de aanwijzing intrekken als een exameninstelling niet voldoet aan de in het tweede lid bedoelde eisen of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften. ### Artikel 5.20 **1.** Een exameninstelling voor airconditioningsysteemdeskundige stelt een examenreglement en een huishoudelijk reglement vast. **2.** Een exameninstelling treft doeltreffende maatregelen om fraude bij het examen te voorkomen. **3.** Een exameninstelling verstrekt op verzoek aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden die hij voor de vervulling van zijn taak nodig heeft. **4.** Als een exameninstelling niet voldoet aan een of meer van haar verplichtingen, bericht zij dit onverwijld schriftelijk aan de minister. ### Artikel 5.21 **1.** Het examen airconditioningsysteemdeskundige bestaat uit theorietoetsen en praktijktoetsen als bedoeld in bijlage XII. **2.** De exameninstelling bericht de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen drie weken welke deelnemers het examen met goed gevolg hebben afgelegd. **3.** Na ontvangst van het bericht geeft de minister het diploma EPBD A-airconditioningsystemen of het diploma EBPD B-airconditioningsystemen af aan de deelnemers. **4.** De exameninstelling registreert de uitslagen van de afgelegde examens. ### Artikel 5.22 **1.** Als een deelnemer bij een of meer onderdelen van het examen airconditioningsysteemdeskundige in onvoldoende mate voldoet aan de in bijlage XII opgenomen eisen, wordt de deelnemer een keer in de gelegenheid gesteld een herexamen te doen voor dat onderdeel of die onderdelen. **2.** Het herexamen vindt plaats binnen zes maanden nadat de deelnemer van de uitslag van het afgelegde examen op de hoogte is gesteld. **3.** De artikelen 5.20, tweede lid, en 5.21 zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 5.23 **1.** Een diploma voor airconditioningsysteemdeskundige vermeldt ten minste: a. a. de volledige naam, geboortedatum en geboorteplaats van de houder van het diploma; b. b. de datum van afgifte en de ondertekening door de minister; en c. c. de geldigheidsduur. **2.** Een diploma is vijf jaar geldig. ### Artikel 5.24 **1.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties registreert: a. a. aan welke personen een diploma EPBD A-airconditioningsystemen of een diploma EBPD B-airconditioningsystemen is afgegeven; b. b. de datum van afgifte van het diploma; en c. c. de geldigheidsduur van het diploma. **2.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beheert de registratie. **3.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verwerkingsverantwoordelijke voor de registratie. **4.** De gegevens uit de registratie worden door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschikbaar gesteld op www.rvo.nl. **5.** De gegevens in de registratie worden zeven jaar bewaard. ### Artikel 5.25 **1.** Een airconditioningsysteemdeskundige kan een bijscholingsexamen afleggen tot uiterlijk twee jaar nadat de geldigheidsduur van het diploma is verstreken. **2.** De artikelen 5.20, tweede lid, 5.21 en 5.22 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van examen wordt gelezen: bijscholingsexamen. **3.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verlengt de geldigheidsduur van een diploma met vijf jaar als een airconditioningsysteemdeskundige voldoet aan de in bijlage XIII opgenomen eisen zoals blijkt uit een bijscholingsexamen. **4.** De minister geeft een getuigschrift af van de verlenging, bedoeld in het derde lid. **5.** Het eerste en derde lid en de artikelen 5.23 en 5.24 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van diploma wordt gelezen: getuigschrift. ##### Paragraaf 5.1.3.4. Keuring verwarmingssysteem ### Artikel 5.27 **1.** Het verslag van de keuring van een verwarmingssysteem, bedoeld in artikel 6.42 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt ten minste zes jaar bewaard. **2.** Degene die de keuring verricht, meldt deze binnen vier weken na het verrichten ervan af bij een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen instantie. #### Paragraaf 5.1.4. Maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen ### Artikel 5.28 De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het treffen van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 5.29 **1.** De maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de maatregelen in bijlage XIV. **2.** In afwijking van het eerste lid zijn de maatregelen, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de maatregelen in bijlage XIVa, als sprake is van: a. a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag. ### Artikel 5.30 **1.** De terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV opgenomen rekenmethodiek. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt de terugverdientijd van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald volgens de in bijlage XVa opgenomen rekenmethodiek als sprake is van: a. a. een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. b. een activiteit als bedoeld in artikel 3.211 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag. **3.** Bij het berekenen van de hoeveelheid aardgasequivalent, bedoeld in de artikelen 3.84 en 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bijlage XV, worden de volgende waarden gehanteerd: a. a. 1 liter huisbrandolie komt overeen met 1,2 Nm^3 aardgasequivalent; b. b. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 Nm^3 aardgasequivalent; c. c. 1 ton steenkool komt overeen met 925 Nm^3 aardgasequivalent; d. d. 1 liter vloeibaar propaan komt overeen met 0,73 Nm^3 aardgasequivalent; e. e. 1 m^3 niet-Gronings aardgas komt overeen met X m^3 aardgasequivalent, waarbij X wordt berekend door de onderste verbrandingswaarde in MJ/m^3 van het ingezette aardgas te delen door 31,65 MJ/m^3; f. f. 1 GJ warmte komt overeen met 31,6 Nm^3 aardgasequivalent; g. g. 1 liter diesel komt overeen met 1,13 Nm^3 aardgasequivalent; en h. h. 1 liter benzine komt overeen met 1,04 Nm^3 aardgasequivalent. **4.** Als een brandstof wordt gebruikt die niet is opgenomen in het tweede lid, wordt de hoeveelheid aardgasequivalent per eenheid bepaald door de onderste verbrandingswaarde van deze stof in MJ per eenheid gewicht of volume te delen door 31,65 MJ/Nm^3. **5.** De emissie van kooldioxide van maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt bepaald volgens de in bijlage XV of bijlage XVa opgenomen regels. #### Paragraaf 5.1.5. Bijna energieneutrale nieuwbouw ### Artikel 5.31 De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op bijna energieneutrale nieuwbouw als bedoeld in artikel 4.149 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 5.31a De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald door een bedrijf dat is gecertificeerd volgens BRL 9500-W, subdeelgebied detailopname, of BRL 9500-U, subdeelgebied detailopname. ### Artikel 5.31b De energiebehoefte, de waarde voor primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie van nieuwbouw, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald aan de hand van een rekenprogramma dat is geattesteerd volgens BRL 9501. ### Artikel 5.31c De berekening van de gewogen overschrijdingsuren, bedoeld in artikel 4.149b, tweede en derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voldoet aan de in bijlage XVI opgenomen eisen. ### Artikel 5.32 [Vervallen] ### Afdeling 5.2. Nadere regels over de toepassing van normen #### Paragraaf 5.2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 5.33 Deze afdeling is van toepassing op in het Besluit bouwwerken leefomgeving genoemde normen. #### Paragraaf 5.2.2. Bestaande bouw ### Artikel 5.34 Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat onderdeel 6.1 wordt gelezen als: Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak. ### Artikel 5.35 Bij de toepassing van NEN 2535 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 5.36 **1.** Bij de toepassing van NEN 2575 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. **2.** Waar in de artikelen 3.119 en 4.213 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2575 geldt het volgende: a. a. het in onderdeel 4, tabel 1, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van toonsignalen van 65 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt; b. b. het in onderdeel 4, tabel 2, onder algemeen, bedoelde minimaal toelaatbaar geluidniveau van gesproken berichten van 60 dB geldt alleen voor verkeersruimten; voor verblijfsruimten geldt alleen het in die tabel bedoelde geluidsniveau toonsignaal dat minimaal 6 dB boven het gemiddelde omgevingsgeluid uitkomt; c. c. onderdeel 12.4.2 Specificatie Luidsprekers is niet van toepassing; d. d. onderdeel 17 Bekabeling is niet van toepassing. **3.** Het tweede lid is niet van toepassing op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in de artikelen 3.115 en 4.208 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en op een ontruimingsalarminstallatie die behoort bij een brandmeldinstallatie zonder doormelding die na 1 november 2008 is opgeleverd of gewijzigd. ### Artikel 5.37 **1.** Waar in artikel 3.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is bepaald dat de brandveiligheid van een afvoervoorziening voor rookgas wordt bepaald volgens NEN 8062 geldt bij de toepassing van onderdeel 4 van die norm dat materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rookgas is samengesteld onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064, voor zover in dat materiaal een temperatuur kan optreden van meer dan 363 K. In afwijking van ‘onbrandbaar’ volgens NEN 6064 mogen ook materialen die voldoen aan de brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1 zijn toegepast. **2.** Bij de toepassing van onderdeel 5 van NEN 8062 geldt dat de luchtdichtheid van een voorziening voor de afvoer van rookgas kleiner is dan 25 m^3/m^2/h. **3.** Als bij het bouwen de voorziening is gerealiseerd met toepassing van NEN 6062 en de bestaande voorziening aan dat normblad voldoet, is voldaan aan het eerste en het tweede lid. ### Artikel 5.38 [Vervallen] #### Paragraaf 5.2.3. Nieuwbouw ### Artikel 5.39 Bij toepassing van NEN 1006 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van gezondheid bevatten over een voorziening voor drinkwater of warmwater. ### Artikel 5.40 Bij toepassing van NEN 1010 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van veiligheid bevatten over een voorziening voor elektriciteit. ### Artikel 5.41 **1.** Waar in artikel 4.122 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de hoofdstukken 5 en 8 van die norm. **2.** Waar in artikel 4.137, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 1087, wordt bedoeld de onderdelen 5.1 en 5.3 van die norm. ### Artikel 5.41a Bij de toepassing van NEN 1594 is de derde alinea van onderdeel 4.2.2.2 van NEN 1594 niet van toepassing op een brandslangaansluiting in de eerste ruimte als bedoeld in artikel 4.221, vijfde en zesde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 5.42 Bij de toepassing van NEN 2057 geldt dat in vergelijking (1) in hoofdstuk 4 van NEN 2057 ‘A _e,i = A _d,i x C _b,i x C _u,i x C_LTA’ wordt gelezen als: A _e,i = A _d,i x C _b,i x C _u,i. ### Artikel 5.43 Bij de toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 is het in die normen bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of meldingen als bedoeld in de artikelen 2.18 en 6.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 5.44 Waar in de artikelen 4.136, 4.138 en 4.141 van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN 2757, wordt bedoeld: a. a. NEN 2757-1 voor verbrandingsinstallaties met een belasting kleiner dan of gelijk aan 130 kW op bovenwaarde; en b. b. NEN 2757-2 voor verbrandingsinstallaties met een belasting groter dan 130 kW op bovenwaarde. ### Artikel 5.45 Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van de tabellen 3, 5, 6 en 7 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn. ### Artikel 5.46 Bij de toepassing van NEN 7120 gelden voor de in onderdeel 5.3.2 opgenomen formule de waarden, aangegeven in tabel 5.46, voor de correctiefactor C_EPC;mn;U/W: ### Artikel 5.47 Waar in het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar NEN-EN 1838, wordt bedoeld onderdeel 5.4.5 van die norm. ### Artikel 5.48 Bij de toepassing van NEN-EN 1990 wordt tabel NB. 1- 2.1 gelezen als: ### Artikel 5.49 [Vervallen] ### Artikel 5.50 **1.** Bij het bepalen van het aandeel hernieuwbare energie, bedoeld in artikel 4.149, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgens NTA 8800 mag restwarmte en -koude als bedoeld in NTA 8800 worden meegerekend. **2.** Bij het bepalen van de koelbehoefte en de ten minste benodigde koelcapaciteit in woningen is in plaats van bijlage AA bij NTA 8800 de Rekentool Koelbehoefte NTA 8800 van toepassing. ### Afdeling 5.3. Veiligheid #### Paragraaf 5.3.1. Algemene bepalingen ### Artikel 5.51 Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van dat besluit. #### Paragraaf 5.3.2. Certificering van werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in verband met koolmonoxide ### Artikel 5.52 De concentratie koolmonoxide, bedoeld in artikel 6.46 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bedraagt 20 ppm. ### Artikel 5.53 **1.** Het beeldmerk, bedoeld in artikel 6.47, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is het beeldmerk, opgenomen in bijlage XVIII. **2.** Certificaathouders voeren het beeldmerk op alle uitingen die betrekking hebben op de werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties en bij het zich legitimeren bij klanten. **3.** Het is verboden het beeldmerk te voeren wanneer niet wordt beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. #### Paragraaf 5.3.3. Veiligheid directe omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden ### Artikel 5.54 De risicomatrix, bedoeld in artikel 7.5a van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is de risicomatrix, opgenomen in bijlage XVIIIa. ### Artikel 5.55 De noodzaak tot het aanstellen van een veiligheidscoördinator directe omgeving en het opstellen van een bouw- en sloopveiligheidsplan, bedoeld in artikel 7.5a, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, is aanwezig als het invullen van de risicomatrix, bedoeld in artikel 5.54, resulteert in opgeteld twaalf of meer punten. ### Afdeling 5.4. Geluid en gezondheid #### Paragraaf 5.4.1. Algemene bepalingen ### Artikel 5.56 Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen en bouw- en sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. #### Paragraaf 5.4.2. Bescherming tegen geluid van buiten ### Artikel 5.57 Als het gezamenlijke geluid bedoeld in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leegomgeving wordt bepaald op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.103a of 5.23a, aanhef en onder a, van het Besluit bouwwerken leefomgeving en voor het bepalen van de karakteristieke geluidwering gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van NEN 5077 om afwijkende spectra te gebruiken, is artikel 3.26, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 5.58 Op het berekenen van het gezamenlijke geluid voor een verblijfsgebied, bedoeld in artikel 4.103c, tweede lid, aanhef, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zijn de artikelen 3.26 en 3.27 van toepassing. #### Paragraaf 5.4.3. Bescherming tegen geluid van installaties ### Artikel 5.59 **1.** Het geluidsniveau van een installatie voor warmte- of koudeopwekking, bedoeld in de artikelen 4.107, tweede lid, en 4.108, derde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt bepaald berekend volgens bijlage XVII. **2.** Op het berekenen van het geluidsniveau is artikel 6.6, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. #### Paragraaf 5.4.4. Geluidhinder bouw- en sloopwerkzaamheden ### Artikel 5.60 **1.** De dagwaarden, bedoeld in de artikelen 7.17, tweede lid, en 7.39, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, worden bepaald volgens bijlage IVh. **2.** Op het bepalen van de dagwaarden zijn de artikelen 6.5 en 6.6, tweede, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. ### Afdeling 5.5. Onderzoek naar de staat van een bouwwerk ### Artikel 5.61 **1.** Als bouwwerk waarop artikel 3.6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is wordt aangewezen een bouwwerk met breedplaatvloeren die: a. a. een overspanning hebben van meer dan 8,5 m; of b. b. zijn toegepast in niet-geïsoleerde daken. **2.** Onder de aanwijzing valt niet een bouwwerk: a. a. als bedoeld in artikel 4.1.2a van de Invoeringsregeling Omgevingswet; b. b. dat voor 1 januari 2000 gereed is gemeld; of c. c. waarvoor na 1 januari 2018 een omgevingsvergunning is verleend. **3.** Onder de aanwijzing vallen ook niet gedeelten van een bouwwerk met alleen een woonfunctie of een nevengebruiksfunctie daarvan, anders dan een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen. **4.** Het onderzoek wordt verricht volgens het Stappenplan beoordeling bestaande gebouwen met breedplaatvloeren. **5.** De uitkomsten van het onderzoek worden voor 1 juli 2025 in een rapport vastgelegd. **6.** Met een onderzoek en rapport als bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld een ander onderzoek en rapport dat naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoont dat de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren in het bouwwerk voldoet aan paragraaf 3.2.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Afdeling 5.6. Periodieke beoordeling van de constructieve veiligheid van een bouwwerk ### Artikel 5.62 **1.** Als bouwwerk waarop artikel 3.6a van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is wordt aangewezen een bouwwerk met: a. a. een bijeenkomstfunctie; b. b. een onderwijsfunctie; c. c. een sportfunctie; of d. d. een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer, niet zijnde een nevengebruiksfunctie daarvan, als het bouwwerk voor deze gebruiksfuncties is bestemd om te worden gebruikt door ten minste 5.000 personen. **2.** Onder de aanwijzing valt niet een bouwwerk dat voor 1 januari 1950 nieuw is gebouwd, tenzij het: a. a. op of na 1 januari 1950 is verbouwd met een verandering van de draagconstructie; b. b. op of na 1 januari 1950 een wijziging van de gebruiksfunctie heeft ondergaan; of c. c. een gebruiksgebied heeft dat niet in zijn geheel is voorzien van uitwendige scheidingsconstructies. ### Artikel 5.63 **1.** Een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.62 wordt uiterlijk drie jaar na de gereedmelding beoordeeld volgens NTA 8790 door een bedrijf als bedoeld in artikel 5.65. **2.** Het rapport met de bevindingen van de initiële beoordeling bevat: a. a. een beschrijving van de uitgevoerde beoordeling en een overzicht van de daarbij gebruikte documenten; b. b. een verklaring van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, dat naar zijn oordeel: 1°. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat bij het bouwwerk niet meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen bij het bezwijken van een constructieonderdeel; 2°. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat het bouwwerk voldoet aan de eisen voor de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken, bedoeld in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of 3°. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 2° bedoelde eisen , onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en 1°. 1°. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat bij het bouwwerk niet meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen bij het bezwijken van een constructieonderdeel; 2°. 2°. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat het bouwwerk voldoet aan de eisen voor de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken, bedoeld in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of 3°. 3°. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 2° bedoelde eisen , onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en c. c. een plan voor de periodieke beoordeling van het bouwwerk als bedoeld in NTA 8790, als sprake is van een verklaring als bedoeld onder b, onder 2° of 3°. **3.** Het rapport van de initiële beoordeling wordt aan het bevoegd gezag verstrekt uiterlijk een week nadat het rapport is vastgesteld door het beoordelende bedrijf. ### Artikel 5.64 **1.** Een bouwwerk als bedoeld in artikel 5.62 wordt na de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, door een bedrijf als bedoeld in artikel 5.65 periodiek beoordeeld volgens NTA 8790 en het voor het bouwwerk opgestelde plan voor de periodieke beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, tweede lid, onder c. **2.** Het rapport van de bevindingen van de periodieke beoordeling bevat: a. a. een beschrijving van de uitgevoerde beoordeling en een overzicht van de daarbij gebruikte documenten; b. b. een verklaring van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, dat naar zijn oordeel: 1°. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat het bouwwerk voldoet aan de eisen voor de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken, bedoeld in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of 2°. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 1° bedoelde eisen, onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en 1°. 1°. het vertrouwen is gerechtvaardigd dat het bouwwerk voldoet aan de eisen voor de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken, bedoeld in de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of 2°. 2°. het bouwwerk niet voldoet aan de onder 1° bedoelde eisen, onder vermelding van de door hem geconstateerde afwijkingen; en c. c. een actualisering van het plan voor de periodieke beoordeling als dit naar het oordeel van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, nodig is. **3.** Het rapport van de periodieke beoordeling wordt aan het bevoegd gezag verstrekt uiterlijk een week nadat het rapport is vastgesteld door het beoordelende bedrijf. **4.** Dit artikel is niet van toepassing op een bouwwerk waarvan het rapport van de initiële beoordeling, bedoeld in artikel 5.63, een verklaring bevat van de persoon, bedoeld in artikel 5.65, tweede lid, dat naar zijn oordeel het vertrouwen is gerechtvaardigd dat bij het bouwwerk niet meer dan 500 personen gelijktijdig gevaar lopen bij het bezwijken van een constructieonderdeel. ### Artikel 5.65 **1.** De beoordeling van een bouwwerk als bedoeld in deze afdeling wordt uitgevoerd door een bedrijf dat, anders dan via de overeenkomst tot het uitvoeren van die beoordeling, niet organisatorisch, financieel of juridisch betrokken is bij het eigendom of het gebruik van het bouwwerk en dat niet betrokken is of is geweest bij de nieuwbouw of verbouw van het bouwwerk of het toezicht daarop. **2.** De beoordeling wordt uitgevoerd door een persoon met een registratie voor het deskundigheidsgebied registerontwerper of registertoetser B in het register van de Stichting Constructeursregister. ### Artikel 5.66 Een bouwwerk dat voor de inwerkingtreding van deze afdeling gereed is gemeld, wordt in afwijking van artikel 5.63, eerste lid, beoordeeld voor 1 juli 2025. ## Hoofdstuk 6. Meet- en rekenregels decentraal gereguleerde activiteiten ### Afdeling 6.1. Algemeen ### Artikel 6.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van de gevolgen van activiteiten bij het vaststellen of wordt voldaan aan de regels in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening, als daarin op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de wet regels zijn opgenomen over die activiteiten. ### Artikel 6.2 Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. ### Artikel 6.3 **1.** Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verbonden, over artikel 6.14, vierde en vijfde lid. **2.** Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 6.14, vierde en vijfde lid, tenzij anders is bepaald. **3.** Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan worden verbonden. **4.** Op het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de beoordelingsregels en de bepalingen over vergunningvoorschriften in de artikelen 8.9, 8.10, 8.11 en 8.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. ### Afdeling 6.2. Meet- en rekenregels activiteiten waarover in omgevingsplannen regels zijn gesteld #### Paragraaf 6.2.1. Veiligheid ### Artikel 6.3a Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de vuurbelasting van een gebruiksfunctie, voor zover het gaat om het bouwen en in stand houden van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen. ### Artikel 6.3b Als een omgevingsplan met het oog op het waarborgen van de veiligheid regels over het bouwen en in stand houden van een bouwwerk voor het verblijven van personen bevat met betrekking tot de vuurbelasting van een gebruiksfunctie, is op het bepalen van die vuurbelasting NEN 6090 van toepassing. #### Paragraaf 6.2.2. Waterkwaliteit ##### Paragraaf 6.2.2.1. Meetmethoden afvalwater ### Artikel 6.3c Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater, voor zover het gaat om het lozen van huishoudelijk afvalwater of afvalwater bij: a. a. sanering of ontwatering; b. b. het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen; c. c. het maken van betonmortel; d. d. het uitwassen van beton; e. e. het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal; f. f. het wassen van motorvoertuigen; en g. g. het fokken, houden, of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren. ### Artikel 6.3d **1.** Als een omgevingsplan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater bevat: a. a. is op het bemonsteren van afvalwater NEN 6600-1 van toepassing, en is een monster niet gefiltreerd; b. b. is op het conserveren van een monster NEN-EN_ISO 5667-3 van toepassing; c. c. worden bij het analyseren van een monster onopgeloste stoffen meegenomen, en is op het analyseren daarvan NEN-EN 872 van toepassing. **2.** In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van afvalwater bij sanering of ontwatering van toepassing: a. a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; g. g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; h. h. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; i. i. voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2; j. j. voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1; k. k. voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578; l. l. voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693; m. m. voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680; n. n. voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913; o. o. voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673; p. p. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; q. q. voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993; r. r. voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1; s. s. voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562; t. t. voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en u. u. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2. **3.** In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van huishoudelijk afvalwater van toepassing: a. a. voor biomedisch zuurstofgebruik: ISO 5815-1/2; en b. b. voor chemisch zuurstofgebruik: NEN-ISO 15705. **4.** In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van een monster van afvalwater bij het maken van betonmortel van toepassing: a. a. voor chemisch zuurstofgebruik: NEN-ISO 15705; en b. b. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872. **5.** In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van zilver in een monster van afvalwater bij het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2. **6.** In afwijking van het eerste lid, onder c, is op het analyseren van olie in een monster van afvalwater bij het wassen van motorvoertuigen NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing. ##### Paragraaf 6.2.2.2. Geleiden van afvalwater ### Artikel 6.3e Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden van huishoudelijk afvalwater door een septic tank, is op het bepalen van de nominale inhoud NEN-EN 12566-1 van toepassing en op het bepalen van het hydraulisch rendement annex B van NEN-EN 12566-1. ### Artikel 6.3f Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden van afvalwater afkomstig van het uitwendig wassen van motorvoertuigen door een slibvangput en olieafscheider, is NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2 van toepassing. ### Artikel 6.3g **1.** Als een omgevingsplan regels bevat over het geleiden door een vetafscheider en slibvangput van vethoudend afvalwater afkomstig van: a. a. het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; b. b. het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur; c. c. het bereiden van voedingsmiddelen met een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; d. d. het bereiden van voedingsmiddelen met een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW; e. e. het slachten van ten hoogste 10.000 kg levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten; f. f. het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen; g. g. het uitsnijden van vis; of h. h. het uitsnijden en pekelen van organen, zijn NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 van toepassing op een vetafscheider en slibvangpunt die zijn geplaatst op of na 14 september 2004. **2.** In afwijking van het eerste lid kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. #### Paragraaf 6.2.3. Geluid ### Artikel 6.4 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door een activiteit, anders dan het wonen, met uitzondering van het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen en doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen: a. a. op een geluidgevoelig gebouw; b. b. in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw; en c. c. op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan de gevel, locatie of begrenzing als bedoeld in artikel 5.69 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 6.5 **1.** Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt: a. a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; b. b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden; c. c. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en d. d. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld. **2.** In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip. ### Artikel 6.6 **1.** Het geluid door een activiteit wordt bepaald volgens bijlage IVh als sprake is van: a. a. een activiteit waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.65, eerste lid, onder a, tweede, derde of vierde lid, 5.66, eerste lid, of 5.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat; of b. b. een activiteit waarvoor een omgevingsplan een waarde bevat gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een industrieterrein. **2.** De bedrijfsduurcorrectie, bedoeld in bijlage IVh, wordt niet toegepast voor muziek. **3.** In afwijking van het eerste lid wordt het geluid door een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking bepaald volgens bijlage XVIIIb. **4.** Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten. **5.** Bij het bepalen van het geluid worden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L_Ar,LT en het maximale geluidniveau L_Amax afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbij gelegen even getal. ### Artikel 6.7 **1.** Op het bepalen van het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen zijn NEN 5077 en NEN-EN-ISO 12354-3 van toepassing. **2.** Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn. ### Artikel 6.8 **1.** Het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.74, eerste of tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage IVi. **2.** Op het berekenen van het gecumuleerde geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark in combinatie met een andere activiteit, is artikel 3.25 van toepassing. **3.** Bij het berekenen worden de waarden in dB L_den, dB L_night en dB L_cum afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal. **4.** Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 6.8a Artikel 6.8, eerste lid, is ook van toepassing op het berekenen van het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.75a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat. ### Artikel 6.9 **1.** Het geluid door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen civiele of militaire schietbaan of militair springterrein, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.76, tweede of derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, wordt berekend volgens bijlage XVIIIc. **2.** In afwijking van het eerste lid kan het geluid door het exploiteren van een civiele schietbaan, als het gaat om een kleiduivenschietbaan of een schermenbaan voor het toepassingsgebied, bedoeld in bijlage XVIIId, ook volgens die bijlage worden berekend. **3.** Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten. #### Paragraaf 6.2.4. Trillingen ### Artikel 6.10 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de trillingen door een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. ### Artikel 6.11 **1.** Op het bepalen van de trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw waarvoor een omgevingsplan waarden als bedoeld in artikel 5.87, 5.87a, 5.88 of 5.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, is paragraaf 6.2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B, van toepassing. **2.** De waarden worden afgerond op twee decimalen. #### Paragraaf 6.2.5. Bodem ### Artikel 6.11a Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de kwaliteitseisen van het eindonderzoek bodem en het herstel van de bodemkwaliteit na het beëindigen van: a. a. het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; en b. b. het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht. ### Artikel 6.11b Als een omgevingsplan regels bevat over het verrichten van een eindonderzoek bodem om de kwaliteit van de bodem vast te stellen, voldoet het bodemonderzoek aan NEN 5725 en NEN 5740 en wordt het veldwerk verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. ### Artikel 6.11c Als een omgevingsplan regels bevat over het herstel van de bodemkwaliteit, wordt dat herstel verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. #### Paragraaf 6.2.6. Geur ### Artikel 6.12 Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk of het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, op een geurgevoelig gebouw. ### Artikel 6.13 **1.** Op het berekenen van de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.100, eerste of tweede lid, 5.101 of 5.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, op een geurgevoelig gebouw is standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3 van toepassing. **2.** Bij het toepassen van de standaardrekenmethode is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende procesonderdelen. **3.** De emissie van geur per seconde door een procesonderdeel wordt: a. a. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe een geuremissiefactor is vastgesteld: berekend door de geuremissiefactor te vermenigvuldigen met de oppervlakte of, als het gaat om overstorten, de lengte van het procesonderdeel; en b. b. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe geen geuremissiefactor is vastgesteld: bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065. ### Artikel 6.14 **1.** Op het berekenen van de geur door het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens of het houden van landbouwhuisdieren, waarvoor een omgevingsplan een waarde als bedoeld in artikel 5.109, eerste, tweede of derde lid, of 5.117, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat, op een geurgevoelig gebouw is het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning van toepassing. **2.** Bij het toepassen van het verspreidingsmodel: a. a. is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende diercategorieën, gehouden in de verschillende dierenverblijven; b. b. geldt als emissiepunt het emissiepunt, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. c. wordt bij een dierenverblijf met meer dan een emissiepunt het geometrisch gemiddelde van die punten aangemerkt als emissiepunt. **3.** De emissie van geur per seconde door een diercategorie wordt berekend door het aantal dieren van die diercategorie in een dierenverblijf te vermenigvuldigen met de voor die diercategorie geldende emissie van geur per dierplaats per seconde. **4.** De emissie van geur per dierplaats per seconde is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem. **5.** In afwijking van het vierde lid wordt de emissie van geur per dierplaats per seconde bij het toepassen van een aanvullende techniek berekend met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage voor geur en de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor volgens de formule: a. a. als één aanvullende techniek wordt toegepast, anders dan in een situatie als bedoeld onder b: * emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek);* b. b. als een luchtwassysteem als aanvullende techniek wordt toegepast in combinatie met een huisvestingssysteem waarvan de geuremissiefactor lager is dan 30% van de geuremissiefactor voor een overig huisvestingssysteem: *emissie voor geur = geuremissiefactor overig huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur luchtwassysteem) x 0,3; en* c. c. als een aanvullende techniek in combinatie met een andere aanvullende techniek wordt toegepast: *emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek A) x (100% - reductiepercentage geur aanvullende techniek B).* #### Paragraaf 6.2.7. Lichtschittering ### Artikel 6.14a Als het omgevingsplan regels bevat over de lichtschittering van een windturbine, is op het uitvoeren van de meting van reflectiewaarden NEN-EN-ISO 2813 van toepassing. ### Afdeling 6.2a. Meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld #### Paragraaf 6.2a.1. Meetmethoden afvalwater ### Artikel 6.14b Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen of wordt voldaan aan een emissiegrenswaarde voor het lozen van afvalwater, voor zover het gaat om het lozen van huishoudelijk afvalwater of afvalwater bij: a. a. sanering of ontwatering; b. b. bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen; en c. c. bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen. ### Artikel 6.14c **1.** Als een waterschapsverordening een emissiegrenswaarde voor het lozen afvalwater bevat: a. a. is op het bemonsteren van afvalwater NEN 6600-1 van toepassing, en is een monster niet gefiltreerd; b. b. is op het conserveren van een monster NEN-EN_ISO 5667-3 van toepassing; en c. c. worden bij het analyseren van een monster onopgeloste stoffen meegenomen. **2.** Op het analyseren van een monster van afvalwater bij sanering of ontwatering is van toepassing: a. a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680; b. b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; c. c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden; d. d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; e. e. voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; f. f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en g. g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872. **3.** Op het analyseren van een monster van huishoudelijk afvalwater is van toepassing: a. a. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; b. b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. c. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; d. d. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; e. e. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en f. f. voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2. **4.** Op het analyseren van een monster van afvalwater bij het opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen is van toepassing: a. a. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; b. b. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; c. c. voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2; d. d. voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; e. e. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993; f. f. voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; g. g. voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646; h. h. voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en i. i. voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2. **5.** Op het analyseren van een monster van afvalwater bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen is van toepassing: a. a. voor chloride: NEN-EN-ISO 15682; b. b. onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; c. c. voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; d. d. voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en e. e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2. #### Paragraaf 6.2a.2. Geleiden van afvalwater ### Artikel 6.14d Als een waterschapsverordening regels bevat over het geleiden van huishoudelijk afvalwater door een septic tank, is op het bepalen van de nominale inhoud NEN-EN 12566-1 van toepassing en op het bepalen van het hydraulisch rendement annex B van NEN-EN 12566-1. #### Paragraaf 6.2a.3. Meetmethode stof ### Artikel 6.14e Als een waterschapsverordening een emissiegrenswaarde bevat voor stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie voor de opvang van stoffen bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken, is op het meten NEN-EN 13284-1 van toepassing. ### Afdeling 6.3. Meet- en rekenregels activiteiten waarover in omgevingsverordeningen regels zijn gesteld ### Artikel 6.15 De stikstofdepositie door het verrichten van een Natura 2000-activiteit waarvoor een omgevingsverordening een regel als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet bevat, wordt berekend met AERIUS Calculator. ## Hoofdstuk 7. Gegevens en bescheiden ### Afdeling 7.1. Algemeen ### Artikel 7.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden: a. a. bij een aanvraag om een besluit op grond van de wet; b. b. ter voldoening aan een informatieverplichting op grond van artikel 4.3 van de wet; c. c. bij een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet; of d. d. bij een andere informatieverplichting of ander bericht als bedoeld in artikel 16.1, tweede lid, van de wet. ### Artikel 7.1a **1.** Gegevens en bescheiden die via de landelijke voorziening worden ingediend, worden verstrekt in een van de volgende bestandsformaten: PNG, TIFF, JPG, ODT, SVG, CSV, ODS of PDF/A. **2.** Gegevens of bescheiden kunnen in een ander bestandsformaat worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag dat kenbaar heeft gemaakt. ### Artikel 7.1b Als coördinaten worden verstrekt, worden deze uitgedrukt in: a. a. het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; of b. b. als het gaat om een activiteit in de Noordzee: het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323). ### Afdeling 7.2. Aanvraag omgevingsvergunningen #### Paragraaf 7.2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 7.2 Deze afdeling is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de wet en, voor zover het gaat om de artikelen 7.3 en 7.4, ook op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4 van de wet. ### Artikel 7.3 Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. g. als wordt gevraagd een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden over regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 van de wet: een beschrijving van het onderwerp van dat voorschrift; en h. h. als wordt gevraagd om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. ### Artikel 7.4 **1.** Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. **2.** Als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. #### Paragraaf 7.2.2. Bouwactiviteiten ##### Paragraaf 7.2.2.1. Algemeen ### Artikel 7.5 Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. ### Artikel 7.6 Bij een aanvraag wordt een opgave van de bouwkosten verstrekt. ### Artikel 7.7 **1.** Bij een aanvraag worden met het oog op het waarborgen van de veiligheid gegevens en bescheiden verstrekt over: a. a. de belastingen en de belastingcombinaties voor sterkte en stabiliteit van de bouwconstructie en onderdelen daarvan; b. b. de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen daarvan; c. c. de detaillering van trappen, hellingbanen en afscheidingen aan randen van vloeren, trappen of hellingbanen; d. d. de beweegbare constructieonderdelen in de gevel; e. e. de brandklasse en rookklasse van constructieonderdelen; f. f. de brandcompartimentering en de kwaliteit van scheidingsconstructies; g. g. de vluchtroutes, het verloop, de inrichting en de capaciteit hiervan, evenals de draairichting van de deuren waardoor een vluchtroute voert en de deuren grenzend aan de vluchtroute; en h. h. de inbraakwerendheid. **2.** Als de aanvraag betrekking heeft op het veranderen of vergroten van een bestaand bouwwerk, blijkt uit de aangeleverde gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, ook wat de opbouw van de bestaande constructie is en wat de toegepaste materialen zijn. **3.** Bij de aanvraag wordt een toelichting op het ontwerp van de constructies verstrekt over: a. a. de aangehouden belastingen en belastingcombinaties; b. b. de constructieve samenhang; c. c. het stabiliteitsprincipe; en d. d. de bouwconstructie en de brandwerendheid bij het bezwijken hiervan. ### Artikel 7.8 Bij een aanvraag worden met het oog op het beschermen van de gezondheid gegevens en bescheiden verstrekt over: a. a. de geluidwering van buiten; b. b. de bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties; c. c. de geluidsabsorptie van gemeenschappelijke verkeersruimten van een woongebouw; d. d. de geluidwering tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van dezelfde gebruiksfunctie en de geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties; e. e. de luchtvolumestroom en waterdichtheid, regenwerendheid, de factor van de temperatuur en wateropname van inwendige en uitwendige scheidingsconstructies; f. f. de voorziening voor luchtverversing en de spuivoorziening; g. g. de afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht; h. h. het weren van ratten en muizen; en i. i. de daglichtoppervlakte. ### Artikel 7.9 Bij een aanvraag worden met het oog op duurzaamheid gegevens en bescheiden verstrekt over: a. a. de waarden voor energiebehoefte, primair fossiel energiegebruik, het aandeel hernieuwbare energie en oververhitting in de zomer; b. b. de thermische eigenschappen van de toegepaste uitwendige scheidingsconstructie; c. c. de beperking van luchtdoorlatendheid; en d. d. de milieubelasting van het gebouw door de toe te passen materialen, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken. ### Artikel 7.10 Bij een aanvraag worden met het oog op bruikbaarheid en toegankelijkheid gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt: a. a. de aanduiding van de gebruiksfuncties, de verblijfsgebieden en de afmeting en de bezetting van alle ruimten inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie; b. b. de aanduiding van bad- of toiletruimte, lift, buitenberging en buitenruimte; c. c. de integrale toegankelijkheid van het bouwwerk en in het bouwwerk gelegen ruimten; d. d. de aanduiding van de vloerpeilen ten opzichte van het aansluitende terrein; en e. e. de aanduiding van de opstelplaats van een aanrecht en kook-, stook- en warmwatertoestellen. ### Artikel 7.11 **1.** Bij een aanvraag worden voor bouwwerkinstallaties gegevens en bescheiden verstrekt over: a. a. de noodstroomvoorziening en -verlichting; b. b. het leidingplan en aansluitpunten van breedbandconnectie, gas-, elektra- en waterleiding; c. c. de aansluitpunten van de drinkwater- en warmwatervoorziening; d. d. het leidingplan en aansluitpunten van riolering en hemelwaterafvoeren; e. e. de aard en locatie van brandveiligheidinstallaties en van de vluchtrouteaanduiding; f. f. gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen voor veilig onderhoud met behulp van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012; en g. g. technische bouwsystemen en het daarbij behorende systeemrendement. **2.** Als de aanvraag gaat over een woongebouw worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. a. zelfsluitende deuren; b. b. spreekinstallaties; en c. c. signaalvoorzieningen en deuropeners ter voorkoming van veel voorkomende criminaliteit. ### Artikel 7.12 [Vervallen] ### Artikel 7.12a [Vervallen] ### Artikel 7.13 Bij een aanvraag worden gegevens en bescheiden verstrekt over kwaliteitsverklaringen bouw en CE-markeringen van bouwproducten. ### Artikel 7.14 Bij een aanvraag die gaat over een woonwagen, kan ter voldoening aan de artikelen 7.7 tot en met 7.11 en 7.13, documentatie van de leverancier van de woonwagen worden verstrekt. ### Artikel 7.15 **1.** Bij een aanvraag die gaat over een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels worden aanvullend op de artikelen 7.7, tot en met 7.13 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een toelichting waaruit blijkt dat het ontwerp van de tunnel voldoet aan de norm van artikel 6, eerste lid, van die wet; b. b. een bouwplan dat voldoet aan bijlage 2, Leidraad veiligheidsdocumentatie voor wegtunnels, onder B2 (Bouwplan), bij de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels; c. c. als er een gestandaardiseerde uitrusting wordt toegepast: een toelichting waaruit blijkt dat het ontwerp aansluit bij de standaarduitrusting van de tunnel waarvoor op grond van artikel 6b van die wet is gekozen; en d. d. gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat de tunnel voldoet aan de regels voor tunnelveiligheid, bedoeld in paragraaf 4.2.15 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. **2.** Als ook gevraagd wordt om een voorschrift als bedoeld in artikel 7.3, onder g, worden voor wegtunnels ook gegevens en bescheiden verstrekt waaruit blijkt dat de toestemming als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 over minimumveiligheidseisen voor tunnels in het transeuropese wegennet (PbEU 2004, L 167, gerectificeerd in PbEU 2004, L 201) is verkregen om van eisen van die richtlijn af te wijken. ##### Paragraaf 7.2.2.2. Op een later tijdstip te verstrekken gegevens en bescheiden ### Artikel 7.16 **1.** Gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 8.3c, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarvoor het bevoegd gezag op grond van dat lid op verzoek van de aanvrager een voorschrift tot het later verstrekken van die gegevens en bescheiden aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit moet verbinden zijn: a. a. de belastingen en de belastingcombinaties voor sterkte en stabiliteit en de uiterste grenstoestand van alle te wijzigen constructieve delen van het bouwwerk en van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet gaat om de hoofdlijn van de constructie of het constructieprincipe; en b. b. de details van de in of voor het bouwwerk toegepaste bouwwerkinstallaties, voor zover het niet gaat om de gegevens over de hoofdlijn of het principe van de toegepaste installaties. **2.** Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden betrekking hebben op tekeningen of berekeningen waaruit het constructieprincipe blijkt voor de nieuwe situatie en, als daarvan sprake is, voor de bestaande situatie. Dit gaat om: a. a. tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen met inbegrip van globale maatvoering; b. b. een schematisch funderingsoverzicht of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus, met inbegrip van globaal grondonderzoek waaruit de draagkracht van de ondergrond blijkt; c. c. plattegronden van vloeren en daken, met inbegrip van globale maatvoering; d. d. overzichtstekeningen van constructies in staal, hout en geprefabriceerd beton, met inbegrip van stabiliteitsvoorzieningen en dilataties, principedetails van karakteristieke constructieonderdelen in een schaal van 1:20, 1:10 of 1:5, met inbegrip van maatvoering; en e. e. een toelichting op het ontwerp van de constructies als bedoeld in artikel 7.7, derde lid. **3.** De hoofdlijn, bedoeld in het eerste lid, onder b, gaat in ieder geval over de wijze van verwarming, koeling en luchtbehandeling, de locatie en wijze van verticaal transport en de locatie van en het type brandveiligheidinstallatie. **4.** Gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 8.3c, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarvoor het bevoegd gezag op grond van dat lid als naar zijn oordeel de bouwactiviteit daartoe aanleiding geeft een voorschrift tot het later verstrekken van die gegevens en bescheiden aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit kan verbinden zijn: de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.7, eerste lid, onder c tot en met h, en 7.8 tot en met 7.11. ##### Paragraaf 7.2.2.3. Tekeningen en berekeningen ### Artikel 7.17 **1.** Bij een aanvraag worden tekeningen verstrekt met een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding. **2.** Tenzij paragraaf 7.2.9.3 van toepassing is en de daarin aangegeven schaal geldt, heeft een tekening een schaal die niet kleiner is dan: a. a. 1:1.000, als het gaat om een situatietekening; b. b. 1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m^2; en c. c. 1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van 10.000 m^2 of groter. **3.** Tenzij paragraaf 7.2.9.3 van toepassing is, heeft een detailtekening een schaal van 1:5, 1:10 of 1:20. **4.** De situatietekening heeft een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk blijkt op het perceel en ten opzichte van de omgeving. ### Artikel 7.18 **1.** Bij een aanvraag worden plattegronden verstrekt met een doorsnede van een bouwlaag op 1.200 mm boven vloerniveau waarop zijn aangegeven: a. a. uitwendige en inwendige scheidingsconstructies, met inbegrip van de materiaalaanduiding; b. b. peilmaten van de vloer; c. c. trappen en hellingbanen; d. d. binnen- en buitenkozijnen; e. e. kokers, schachten, kanalen en schoorstenen; f. f. alle oppervlakken die een directe relatie hebben met of behoren tot: 1°. gebruiksfuncties; 2°. gebruiksoppervlakten en vloeroppervlakten; 3°. verwarmde en onverwarmde zones; 4°. gebruiksgebieden, functiegebieden en verblijfsgebieden; 5°. verkeersruimten; en 6°. toegankelijkheidssectoren; en 1°. 1°. gebruiksfuncties; 2°. 2°. gebruiksoppervlakten en vloeroppervlakten; 3°. 3°. verwarmde en onverwarmde zones; 4°. 4°. gebruiksgebieden, functiegebieden en verblijfsgebieden; 5°. 5°. verkeersruimten; en 6°. 6°. toegankelijkheidssectoren; en g. g. overige gegevens die zich hiervoor lenen, waaronder in ieder geval toiletruimten, badruimten, buitenbergingen, buitenruimten, liften, stallingsruimten, technische ruimten, opslagruimten en opstelplaatsen van het aanrecht en kook-, stook- en warmwatertoestellen. **2.** De vloerpeilen ten opzichte van het straatpeil en de hoogte van het maaiveld zijn aangeduid ter plaatse van de entree van het bouwwerk. **3.** Plattegronden en doorsneden zijn voorzien van maatvoering en hoogtelijnen. **4.** Alle aanzichten, met inbegrip van geveltekeningen, worden in loodrechte verticale projectie weergegeven. **5.** Alle dichte delen en kozijnen die een directe koppeling met de berekeningen hebben, zijn als zodanig terug te vinden in de berekening. ### Artikel 7.19 **1.** De aanvraag bevat over de bij die aanvraag gevoegde berekeningen, de volgende gegevens: a. a. naam en versie van de gebruikte rekenprogramma’s; b. b. invoergegevens en handberekeningen op doorlopend genummerde bladen; c. c. de herkomst van basis- of invoergegevens; d. d. symbolen en afkortingen weergegeven conform de voor de verschillende berekeningen geldende NEN-normen; e. e. een toelichting op afwijkende symbolen of afkortingen, voor zover deze in rekenprogramma’s zijn gebruikt; en f. f. numerieke gegevens, weergegeven in SI-eenheden als bedoeld in de internationale standaard van het Système International. **2.** Bij de aanvraag worden over de gebruikte rekenprogramma's de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de toegepaste rekenprogramma's; b. b. een beschrijving van de rekenmethode; c. c. een beschrijving van het toepassingsgebied; d. d. een aanduiding van de betekenis van de gepresenteerde waarden; e. e. een aanduiding van de nauwkeurigheid van de resultaten; f. f. een beschrijving van het gekozen assenstelsel; en g. g. een verklaring van de gebruikte symbolen en grootheden. ### Artikel 7.20 Bij een aanvraag wordt een constructieve berekening verstrekt, die ten minste de volgende gegevens bevat: a. a. schematisering in overeenstemming met de NEN- of NEN-EN-norm die van toepassing is, met inbegrip van te hanteren belastingschema’s; b. b. toerekening van materiaaleigenschappen in overeenstemming met de NEN- of NEN-EN-norm die van toepassing is; c. c. doorsnedegrootheden die per constructieonderdeel zijn gemotiveerd, in de vorm van een berekening; d. d. verantwoording van eigenschappen van ondersteuningen; e. e. berekeningsresultaten per belastingschema uitgewerkt volgens de NEN- of NEN-EN-norm die van toepassing is; en f. f. maatgevende waarden. ### Artikel 7.21 **1.** Bij een aanvraag wordt een berekening van de mechanische ventilatie verstrekt waarvan het resultaat ten minste de volgende gegevens en bescheiden bevat: a. a. strangenschema's met diameters en lengten; b. b. gegevens over drukverlies; en c. c. merk en type van de toe te passen bouwwerkinstallatie. **2.** Een berekening van de waarden, bedoeld in artikel 7.9, onderdelen a, b en c, bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden: a. a. de totale oppervlakte van kozijnen, ramen, deuren, dichte delen en daarmee gelijk te stellen constructiedelen; b. b. de oppervlakte van elke toegepaste glassoort en de thermische eigenschappen hiervan; c. c. een tekening waarop de voor de berekening gehanteerde woningen zijn aangegeven; d. d. een plattegrondtekening met een arcering over de begrenzing van de woningen of woongebouwen die bij de berekening zijn aangehouden; e. e. gebruiksfunctie en energiesectoren die op een tekening voor niet tot bewoning bestemde gebouwen zijn gearceerd; en f. f. invoergegevens van de berekening, met inbegrip van de bouwfysische eigenschappen van het bouwwerk en de bouwwerkinstallaties en het gehanteerde rekenprogramma. **3.** Het bij de berekening, bedoeld in het tweede lid, gebruikte rekenprogramma is geattesteerd volgens BRL 9501. #### Paragraaf 7.2.3. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten ##### Paragraaf 7.2.3.1. Algemeen: modules ### Artikel 7.22 De artikelen in deze paragraaf zijn alleen van toepassing voor zover dat in de paragrafen 7.2.3.2 tot en met 7.2.3.12, 7.2.4.2 tot en met 7.2.4.8 en 7.2.5.2 tot en met 7.2.5.9 is bepaald. ### Artikel 7.22a **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van een milieubelastende activiteit die externe veiligheidsrisico’s veroorzaakt, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de ongewone voorvallen die zich kunnen voordoen, de nadelige gevolgen daarvan en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1 van de wet; b. b. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en c. c. de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden. **2.** Op het berekenen van de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden zijn de artikelen 4.11, aanhef en onder a, en 4.12, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. **3.** Als bij de aanvraag gegevens en bescheiden zijn verstrekt over de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar, bedoeld in artikel 8.10a, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is op het berekenen van die kans Safeti-NL van toepassing. ### Artikel 7.23 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het maximale debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater; b. b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. d. een lijst met stoffen die worden geloosd; e. e. een riooltekening; f. f. de locaties van de lozingspunten; g. g. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; h. h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken; i. i. een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; j. j. de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd; k. k. de bron of oorzaak van het afvalwater dat wordt geloosd; l. l. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; m. m. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets; n. n. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd; o. o. als een andere lozingsroute dan naar het oppervlaktewater niet mogelijk is: de redenen waarom dat het geval is; p. p. de eigenschappen van de opgeslagen stoffen; en q. q. als de drempelwaarden van bijlage 2 bij het rapport Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen worden overschreden: de resultaten van een milieurisicoanalyse. ### Artikel 7.24 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW op een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het maximale debiet in kubieke meters per uur van het te lozen koelwater; b. b. de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden; c. c. een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt; d. d. de locaties van de lozingspunten; e. e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan; f. f. de herkomst en eigenschappen van het koelwater; g. g. de maximale warmtevracht van het koelwater dat wordt geloosd; h. h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de warmtevracht van de lozingen te voorkomen of te beperken; i. i. de resultaten van de immissietoets voor de warmtelozing, verricht volgens de CIW beoordelingssystematiek warmtelozingen, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; j. j. een schema of tekening van de opzet van het koelwatersysteem en een beschrijving daarvan; k. k. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd; en l. l. als stoffen aan het koelwater worden toegevoegd: 1°. een lijst met stoffen die worden geloosd; 2°. de eigenschappen van die stoffen; 3°. een onderbouwing van de noodzaak om die stoffen te lozen; 4°. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de te lozen stoffen, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en 5°. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets. 1°. 1°. een lijst met stoffen die worden geloosd; 2°. 2°. de eigenschappen van die stoffen; 3°. 3°. een onderbouwing van de noodzaak om die stoffen te lozen; 4°. 4°. de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de te lozen stoffen, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en 5°. 5°. de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets. ### Artikel 7.25 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie, een andere milieubelastende installatie, een Seveso-inrichting of het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van: 1°. de milieubelastende activiteiten die worden verricht en de installaties; 2°. de grondstoffen, hulpmaterialen en andere stoffen die worden gebruikt of gegenereerd; 3°. de bronnen, aard en omvang van de emissies die zijn te voorzien in het oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk, met een overzicht van de significante milieugevolgen van die emissies; 4°. de technieken die worden toegepast om emissies die zijn te voorzien in het oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te verminderen; 5°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de emissies in het oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk te controleren; en 6°. de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen; 1°. 1°. de milieubelastende activiteiten die worden verricht en de installaties; 2°. 2°. de grondstoffen, hulpmaterialen en andere stoffen die worden gebruikt of gegenereerd; 3°. 3°. de bronnen, aard en omvang van de emissies die zijn te voorzien in het oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk, met een overzicht van de significante milieugevolgen van die emissies; 4°. 4°. de technieken die worden toegepast om emissies die zijn te voorzien in het oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te verminderen; 5°. 5°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de emissies in het oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk te controleren; en 6°. 6°. de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen; b. b. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a; en c. c. een niet-technische samenvatting van de gegevens en bescheiden, bedoeld onder a en b. ### Artikel 7.26 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen of het behandelen of zuiveren van afvalwater, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie per afvalstof; b. b. een beschrijving van de handelingen van nuttige toepassing of verwijdering per afvalstof; c. c. een beschrijving van de handelingen van nuttige toepassing of verwijdering en de wijze van registratie van de afvalstoffen die bij de nuttige toepassing of verwijdering ontstaan; d. d. een beschrijving van de wijze van afzet en registratie van de stoffen of materialen die geen afvalstoffen zijn en die zijn ontstaan bij de nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen; e. e. per handeling van nuttige toepassing of verwijdering en per afvalstof de maximale opslagcapaciteit in tonnen en de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en f. f. als het gaat om afvalstoffen die via afgifte of inzameling worden verkregen: een beschrijving van de procedures van acceptatie van de afvalstoffen, administratieve organisatie en interne controle. ### Artikel 7.27 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie, andere milieubelastende installatie, Seveso-inrichting, mijnbouwwerk, militaire zeehaven of luchthaven, het verrichten van milieubelastende activiteiten in de minerale producten industrie of voedingsmiddelenindustrie of het verbranden of verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van: 1°. de milieubelastende activiteiten die worden verricht en de installaties; 2°. de grondstoffen, hulpmaterialen, andere stoffen en energie die worden gebruikt of gegenereerd; 3°. de emissiebronnen van de activiteiten; 4°. de aard en omvang van de emissies die zijn te voorzien in de bodem, het water en de lucht, met een overzicht van de significante milieugevolgen van de emissies; 5°. de toestand van het terrein van de installatie; 6°. de technieken die worden toegepast ter voorkoming of, als dat niet mogelijk is, ter vermindering van de emissies die zijn te voorzien in de bodem, het water en de lucht; 7°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afval te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken en om hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing van afvalstoffen voor te bereiden; 8°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de emissies in de bodem, het water en de lucht te controleren; 9°. de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen; en 10°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om energie doelmatig te gebruiken; 1°. 1°. de milieubelastende activiteiten die worden verricht en de installaties; 2°. 2°. de grondstoffen, hulpmaterialen, andere stoffen en energie die worden gebruikt of gegenereerd; 3°. 3°. de emissiebronnen van de activiteiten; 4°. 4°. de aard en omvang van de emissies die zijn te voorzien in de bodem, het water en de lucht, met een overzicht van de significante milieugevolgen van de emissies; 5°. 5°. de toestand van het terrein van de installatie; 6°. 6°. de technieken die worden toegepast ter voorkoming of, als dat niet mogelijk is, ter vermindering van de emissies die zijn te voorzien in de bodem, het water en de lucht; 7°. 7°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afval te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken en om hergebruik, recycling of andere nuttige toepassing van afvalstoffen voor te bereiden; 8°. 8°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de emissies in de bodem, het water en de lucht te controleren; 9°. 9°. de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen; en 10°. 10°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om energie doelmatig te gebruiken; b. b. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a; c. c. als bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten: een rapport van een bodemonderzoek dat: 1°. is verricht om de kwaliteit van de bodem en het grondwater vast te stellen; 2°. gaat over het gedeelte van de locatie waarop de bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten; 3°. voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740, waarbij het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000; 4°. de naam en het adres bevat van degene die het onderzoek heeft verricht; 5°. een beschrijving bevat van de wijze waarop het onderzoek is verricht; 6°. inzicht biedt in de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; 7°. informatie bevat over het huidige en eerdere gebruik van de locatie; en 8°. bestaande informatie bevat over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten; en 1°. 1°. is verricht om de kwaliteit van de bodem en het grondwater vast te stellen; 2°. 2°. gaat over het gedeelte van de locatie waarop de bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten; 3°. 3°. voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740, waarbij het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000; 4°. 4°. de naam en het adres bevat van degene die het onderzoek heeft verricht; 5°. 5°. een beschrijving bevat van de wijze waarop het onderzoek is verricht; 6°. 6°. inzicht biedt in de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; 7°. 7°. informatie bevat over het huidige en eerdere gebruik van de locatie; en 8°. 8°. bestaande informatie bevat over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten; en d. d. een niet-technische samenvatting van de gegevens en bescheiden, bedoeld onder a tot en met c. ### Artikel 7.27a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van een milieubelastende activiteit die emissies in de lucht of het water veroorzaakt, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de mate waarin de activiteit leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van de stoffen, bedoeld in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. b. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om emissies in de lucht te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; c. c. een aanduiding van de mate waarin zeer zorgwekkende stoffen in de lucht of het water worden geëmitteerd; en d. d. een beschrijving van de mogelijkheden om de emissies van zeer zorgwekkende stoffen in de lucht of het water te beperken. ### Artikel 7.27b Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van een milieubelastende activiteit met een significant verbruik van energie, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het elektriciteitsverbruik in kilowattuur per jaar; b. b. het brandstofverbruik in kubieke meters per jaar; en c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om energie doelmatig te gebruiken. ##### Paragraaf 7.2.3.2. Lozen op een zuiveringtechnisch werk ### Artikel 7.28 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit op een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met m, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.3.3. Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen ### Artikel 7.29 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in megawatt van de stookinstallatie; b. b. gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter en andere stookinstallatie; en c. c. gegevens over het type gebruikte brandstoffen, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, andere vaste brandstoffen, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie en andere gasvormige brandstoffen dan aardgas en vergistingsgas. ### Artikel 7.29a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van een stookinstallatie, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt. ### Artikel 7.30 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie, als het elektrisch vermogen groter is dan 4 kW, bedoeld in de artikelen 3.9 en 3.10 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden gegevens en bescheiden verstrekt over de aard en omvang van elektromagnetische velden. ### Artikel 7.31 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een windpark met 3 of meer windturbines als bedoeld in artikel 3.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden voor elke windturbine de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het vermogen in kilowatt; b. b. de diameter van de rotors in centimeters; c. c. de hoogte van de masten in meters; en d. d. de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico 1 op de 100.000 en 1 op de 1.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden. **2.** Op het berekenen van de afstand voor het plaatsgebonden risico is artikel 4.11, aanhef en onder b, van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 7.32 [Vervallen] ### Artikel 7.33 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een koelinstallatie, bedoeld in de artikelen 3.15, eerste lid en 3.16, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a; b. b. als het gaat om een koelinstallatie met ammoniak: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 13; c. c. als het gaat om een koelinstallatie met minder dan 10.000 kg ammoniak en met een diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper van ten hoogste 80 mm: gegevens over: 1°. het aantal koelinstallaties in een machinekamer; 2°. de werktemperatuur in graden Celsius van de installatie met pompbeveiliging; 3°. de hoeveelheidsklasse ammoniak in kilogrammen; 4°. de opstellingsuitvoering; 5°. de nominale diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper vanaf de machinekamer en vanaf de vloeistofleiding; en 6°. de coördinaten van de koelinstallatie; 1°. 1°. het aantal koelinstallaties in een machinekamer; 2°. 2°. de werktemperatuur in graden Celsius van de installatie met pompbeveiliging; 3°. 3°. de hoeveelheidsklasse ammoniak in kilogrammen; 4°. 4°. de opstellingsuitvoering; 5°. 5°. de nominale diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper vanaf de machinekamer en vanaf de vloeistofleiding; en 6°. 6°. de coördinaten van de koelinstallatie; d. d. als het gaat om een koelinstallatie met ten minste 10.000 kg ammoniak of met een diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper van meer dan 80 mm: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c; en e. e. als het gaat om een koelinstallatie met meer dan 100 kg koolwaterstoffen: gegevens over: 1°. het soort koolwaterstof dat wordt toegepast in de koelinstallatie; en 2°. de hoeveelheid koolwaterstof in kilogrammen die wordt toegepast in de koelinstallatie. 1°. 1°. het soort koolwaterstof dat wordt toegepast in de koelinstallatie; en 2°. 2°. de hoeveelheid koolwaterstof in kilogrammen die wordt toegepast in de koelinstallatie. ### Artikel 7.34 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van een koelinstallatie, bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt. ### Artikel 7.35 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; b. b. de hoeveelheid water die ten hoogste in de bodem wordt gebracht en de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken, in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar; c. c. een beschrijving van de hydrologische en hydrothermische gevolgen van het in de bodem brengen van water en het onttrekken van grondwater; d. d. de maximale temperatuur in graden Celsius van het water dat in de bodem wordt gebracht; e. e. de coördinaten van elke put; f. f. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van elke put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; g. g. de lengte in meters van het effectieve filter in elke put; h. h. de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het bodemenergiesysteem zal voorzien in megawattuur per jaar; i. i. de lozingsroute van het afvalwater; en j. j. een verklaring van degene die het open bodemenergiesysteem ontwerpt of installeert over het energierendement dat het systeem zal behalen, uitgedrukt als SPF, dat wordt berekend volgens de formule: waarbij wordt verstaan onder: Q_w: de hoeveelheid warmte per jaar in megawattuur die door het open bodemenergiesysteem wordt geleverd; Q_k: de hoeveelheid koude per jaar in megawattuur die door het systeem wordt geleverd; E: de hoeveelheid elektriciteit per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt; en G: de hoeveelheid gas per jaar in megawattuur die door het systeem wordt verbruikt. ### Artikel 7.36 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a, b, f, g, h en j tot en met o, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over het gehalte van ammonium, zware metalen, ijzer en natriumchloride van het te lozen afvalwater. ### Artikel 7.37 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van gassen in een opslagtank, bedoeld in de artikelen 3.21 en 3.22, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen, de temperatuur van de stoffen in de opslagtank in graden Celsius en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters; b. b. de grootte van de opslagtank in kubieke meters; c. c. een beschrijving van de installatie; d. d. een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank; e. e. als de stoffen onder druk worden opgeslagen: de druk in kilopascal; f. f. als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m^3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m^3: 1°. de jaarlijkse doorzet in kubieke meters; 2°. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a; 3°. als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank; en 4°. als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp. 1°. 1°. de jaarlijkse doorzet in kubieke meters; 2°. 2°. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a; 3°. 3°. als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank; en 4°. 4°. als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp. g. g. als het gaat om het opslaan van meer dan 1.500 kg ammoniak, meer dan 1 m^3 andere giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2, meer dan 1 m^3 gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, ten hoogste 50 m^3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m^3, meer dan 50 m^3 propaan of propeen of meer dan 13 m^3 acetyleen: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid; h. h. als het gaat om het opslaan van zuurstof, kooldioxide, argon, helium of stikstof: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 9; i. i. als het gaat om het opslaan van ammoniak: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 12; en j. j. als het gaat om het opslaan van propaan, butaan of propeen: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 19. ### Artikel 7.38 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van vloeistoffen in een opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in de artikelen 3.24 en 3.25, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen, de temperatuur van de stoffen in de opslagtank en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen; b. b. de grootte van de opslagtank, tankcontainer of verpakking in kubieke meters en het materiaal waarvan die is gemaakt; c. c. een aanduiding of het gaat om: 1°. een bovengrondse of ondergrondse opslagtank; en 2°. een verticaal of horizontaal opgestelde opslagtank; 1°. 1°. een bovengrondse of ondergrondse opslagtank; en 2°. 2°. een verticaal of horizontaal opgestelde opslagtank; d. d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; e. e. als het gaat om het opslaan van: 1°. meer dan 1 m^3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1; 2°. meer dan 1 m^3 vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; 3°. meer dan 1 m^3 vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, als die: i. bij inademing acuut toxisch zijn; of ii. bij opname door de mond acuut toxisch zijn, voor zover die stoffen niet kunnen worden ingedeeld in die klasse bij inademing of blootstelling aan de huid; of 4°. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II in een bovengrondse opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt met een inhoud van meer dan 150 m^3: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid; 1°. 1°. meer dan 1 m^3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1; 2°. 2°. meer dan 1 m^3 vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; 3°. 3°. meer dan 1 m^3 vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, als die: i. bij inademing acuut toxisch zijn; of ii. bij opname door de mond acuut toxisch zijn, voor zover die stoffen niet kunnen worden ingedeeld in die klasse bij inademing of blootstelling aan de huid; of i. i. bij inademing acuut toxisch zijn; of ii. ii. bij opname door de mond acuut toxisch zijn, voor zover die stoffen niet kunnen worden ingedeeld in die klasse bij inademing of blootstelling aan de huid; of 4°. 4°. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II in een bovengrondse opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt met een inhoud van meer dan 150 m^3: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid; f. f. als de stoffen onder druk worden opgeslagen: de druk in kilopascal; g. g. als het gaat om het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank met een inhoud van ten hoogste 150 m^3: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 30; h. h. als het gaat om het opslaan van andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan stoffen van ADR-klasse 3 in een opslagtank met een inhoud van ten hoogste 150 m^3: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 31; i. i. als het gaat om het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m^3: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 29; en j. j. als de drempelwaarden van bijlage 2 bij het rapport Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen worden overschreden: de resultaten van een milieurisicoanalyse. ### Artikel 7.39 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen in een opslagtank of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, bedoeld in artikel 3.25, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a, b, c, e, f, g, h en n, verstrekt. ### Artikel 7.40 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in een opslagplaats opslaan van gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de maximale opslagcapaciteit in kilogrammen; b. b. de hoeveelheid stoffen in kilogrammen die per ADR-klasse ten hoogste wordt opgeslagen; c. c. een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de eigenschappen van die stoffen en een aanduiding of stoffen van verpakkingsgroep I worden opgeslagen; d. d. de hoeveelheid stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in kilogrammen, die ten hoogste per categorie wordt opgeslagen; e. e. het beschermingsniveau volgens PGS 15; f. f. de oppervlakte in vierkante meters van de opslagplaats; g. g. een beschrijving van de brandbeveiligingsinstallatie en het daarvoor opgestelde uitgangspuntendocument volgens PGS 15; h. h. een aanduiding of de gevaarlijke stoffen wel of niet gedurende korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger worden opgeslagen; i. i. de coördinaten van de opslagplaats, tenzij onderdeel l of m van toepassing is; j. j. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 15; k. k. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a; l. l. als het gaat om het opslaan van meer dan 1.500 l giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 of meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, in gasflessen, bedoeld in artikel 3.28, aanhef en onder a of g, van het Besluit activiteiten leefomgeving: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c; m. m. als het gaat om het opslaan van 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, b of c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedoeld in artikel 3.28, aanhef en onder h, van dat besluit, voor zover brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen, of zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met die verbindingen worden opgeslagen, en voor zover het gaat om: 1°. een opslagplaats met een oppervlakte van meer dan 100 m^2; of 2°. verpakkingseenheden van meer dan 100 kg met een stof van ADR-klasse 6.1, van verpakkingsgroep I, die in de open lucht worden gelost of geladen: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c; en 1°. 1°. een opslagplaats met een oppervlakte van meer dan 100 m^2; of 2°. 2°. verpakkingseenheden van meer dan 100 kg met een stof van ADR-klasse 6.1, van verpakkingsgroep I, die in de open lucht worden gelost of geladen: de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c; en n. n. als het gaat om het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 8. **2.** Het eerste lid, onder m, is niet van toepassing als het gaat om: a. a. het opslaan van ten hoogste 30.000 kg per opslagplaats, voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger; of b. b. een geval waarvoor afstanden zijn vastgesteld in tabel B.3 van bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 7.41 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan, herverpakken of bewerken van vuurwerk of van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het gewicht van het vuurwerk, de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de andere stoffen en voorwerpen van ADR-klasse 1 in kilogrammen, onderscheiden naar ADR-klasse en compatibiliteitsgroep als bedoeld in de ADR en aangegeven met de letters A tot en met J, K tot en met N of S, dat ten hoogste wordt opgeslagen in elke bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; b. b. de coördinaten van de ruimte, bedoeld in artikel 4.1031, tweede lid, van dat besluit en elke bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; c. c. de grootte van de deuropening in vierkante meters van elke bewaarplaats en bufferbewaarplaats voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; d. d. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a; e. e. als de aanvraag betrekking heeft op het opslaan van vuurwerk van categorie F4: de hoeveelheid NEM in kilogrammen; en f. f. als de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van vuurwerk van categorie F4 of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: 1°. de namen van degenen door wie of onder toezicht van wie activiteiten met dat vuurwerk of die pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht; 2°. gegevens over de vakbekwaamheid van het personeel dat werkzaamheden met dat vuurwerk of die pyrotechnische artikelen verricht; en 3°. een uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties, waarin alle bouwkundige, organisatorische en installatietechnische eisen voor de met sprinklers te beveiligen ruimten en locaties zijn beschreven, dat voldoet aan Memorandum 60 van het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid en dat is beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor dat memorandum. 1°. 1°. de namen van degenen door wie of onder toezicht van wie activiteiten met dat vuurwerk of die pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht; 2°. 2°. gegevens over de vakbekwaamheid van het personeel dat werkzaamheden met dat vuurwerk of die pyrotechnische artikelen verricht; en 3°. 3°. een uitgangspuntendocument voor brandbeveiligingsinstallaties, waarin alle bouwkundige, organisatorische en installatietechnische eisen voor de met sprinklers te beveiligen ruimten en locaties zijn beschreven, dat voldoet aan Memorandum 60 van het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid en dat is beoordeeld en goedgekeurd door een inspectie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 als type A voor dat memorandum. **2.** Voor het bepalen van het gewicht van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in: a. a. een bufferbewaarplaats wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking, maar zonder de transportverpakking, bedoeld in de ADR; en b. b. een bewaarplaats wordt uitgegaan van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met omhulsel en verpakking en met de transportverpakking, bedoeld in de ADR. ### Artikel 7.42 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de coördinaten van: 1°. het brandcompartiment voor het opslaan van zwart kruit van ADR-klasse 1.1 of rookzwak kruit van ADR-klasse 1.3; 2°. de opslagplaats voor noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4; 3°. de opslagplaats voor munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens van ADR-klasse 1.4; 4°. de opslagplaats voor patronen voor schiethamers van ADR-klasse 1.4; en 5°. de opslagplaats voor andere ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1; 1°. 1°. het brandcompartiment voor het opslaan van zwart kruit van ADR-klasse 1.1 of rookzwak kruit van ADR-klasse 1.3; 2°. 2°. de opslagplaats voor noodsignalen van ADR-klasse 1.3 of 1.4; 3°. 3°. de opslagplaats voor munitiepatronen of hagelpatronen voor vuurwapens van ADR-klasse 1.4; 4°. 4°. de opslagplaats voor patronen voor schiethamers van ADR-klasse 1.4; en 5°. 5°. de opslagplaats voor andere ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1; b. b. het type ontplofbare stoffen en de hoeveelheid in kilogrammen die ten hoogste wordt opgeslagen; c. c. gegevens over de dikte van het metselwerk of beton in centimeters van de onderdelen van het bouwwerk die grenzen aan de buitenlucht en waarin de ontplofbare stoffen worden opgeslagen; d. d. een aanduiding of het gaat om ADR-klasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 of 1.6 per ontplofbare stof die wordt opgeslagen; e. e. de hoeveelheid NEM in kilogrammen; f. f. als het gaat om het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 1.1, 1.3 of 1.4: een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 32; en g. g. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. ### Artikel 7.43 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen, bedoeld in artikel 3.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de coördinaten; b. b. de opslagcapaciteit in kilogrammen; c. c. de meststoffengroep, bedoeld in PGS 7, van de vaste minerale anorganische meststoffen die worden opgeslagen; d. d. de hoeveelheid in kilogrammen vaste minerale anorganische meststoffen per meststoffengroep, bedoeld in PGS 7, die wordt opgeslagen; e. e. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan PGS 7; en f. f. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. ### Artikel 7.44 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten met bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voorafgaand aan de inzameling of afgifte van deze afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.39 en 3.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, onder a tot en met e, verstrekt. ### Artikel 7.45 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.40b, eerste lid, en 3.40c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, verstrekt. **2.** Als het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen kan worden aangemerkt als het verwijderen van afvalstoffen, worden bij de aanvraag ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de kwaliteit van de bodem op de locatie waar het op of in de bodem brengen van afvalstoffen plaatsvindt; b. b. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de locatie waar het op of in de bodem brengen van afvalstoffen plaatsvindt, waaronder ten minste gegevens over: 1°. de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand, vastgesteld met metingen verricht volgens NEN 5766 op de 14e en 28e van elke maand, gedurende een periode van ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag; 2°. de grondwaterstroming; en 3°. de doorlatendheid in meters per etmaal, dikte in meters, samenstelling en zetting van de bodemlagen; 1°. 1°. de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand, vastgesteld met metingen verricht volgens NEN 5766 op de 14e en 28e van elke maand, gedurende een periode van ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag; 2°. 2°. de grondwaterstroming; en 3°. 3°. de doorlatendheid in meters per etmaal, dikte in meters, samenstelling en zetting van de bodemlagen; c. c. een beschrijving van het beheer van de afvalstoffen die op of in de bodem zijn gebracht en van de maatregelen of voorzieningen ter bescherming van het milieu die worden getroffen na beëindiging van het op of in de bodem brengen; en d. d. een exploitatieplan en een controleplan die ten minste de volgende gegevens bevatten: 1°. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie; 2°. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie van de afvalstoffen; 3°. per handeling en per afvalstof: de maximale opslagcapaciteit in tonnen en de verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 4°. een beschrijving van de procedures van acceptatie van afvalstoffen en van de administratieve organisatie en interne controle. 1°. 1°. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie; 2°. 2°. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie van de afvalstoffen; 3°. 3°. per handeling en per afvalstof: de maximale opslagcapaciteit in tonnen en de verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 4°. 4°. een beschrijving van de procedures van acceptatie van afvalstoffen en van de administratieve organisatie en interne controle. ### Artikel 7.46 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.40c, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.47 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in een andere milieubelastende installatie of buiten een installatie, bedoeld in de artikelen 3.40d en 3.40e, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Als paragraaf 4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, worden bij de aanvraag ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om ervoor te zorgen dat: 1°. de installatie zo wordt ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd dat wordt voldaan aan paragraaf 4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de afvalcategorieën die worden verbrand of meeverbrand; 2°. de warmte die wordt opgewekt bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces zoveel mogelijk wordt gebruikt voor het produceren van warmte, stoom of elektriciteit; en 3°. het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan zoveel mogelijk worden beperkt en residuen die ontstaan worden gerecycled; 1°. 1°. de installatie zo wordt ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd dat wordt voldaan aan paragraaf 4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de afvalcategorieën die worden verbrand of meeverbrand; 2°. 2°. de warmte die wordt opgewekt bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces zoveel mogelijk wordt gebruikt voor het produceren van warmte, stoom of elektriciteit; en 3°. 3°. het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan zoveel mogelijk worden beperkt en residuen die ontstaan worden gerecycled; b. b. een beschrijving van de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden; en c. c. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie. ### Artikel 7.48 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in een andere milieubelastende installatie of buiten een installatie, bedoeld in artikel 3.40e, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.49 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder a, en 3.42, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder b, en 3.42, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27a, onder c en d, verstrekt. **3.** Bij de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van het afvalwater dat wordt ingenomen; b. b. een beschrijving van de aanpak van het verwerken van het ingenomen afvalwater; c. c. een riooltekening; d. d. de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk in inwonerequivalenten; e. e. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meters per dag; f. f. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meters per uur; g. g. de samenstelling van het te lozen afvalwater; h. h. de ligging van de geuremissiepunten; en i. i. als de drempelwaarden van bijlage 2 bij het rapport Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen worden overschreden: de resultaten van een milieurisicoanalyse. ### Artikel 7.50 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder a, en 3.42, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25 verstrekt. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater, bedoeld in de artikelen 3.41, onder b, en 3.42, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.51 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in de artikelen 3.44 en 3.45, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.52 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in artikel 3.45, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.53 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het afvangen van CO_2-stromen voor geologische opslag, bedoeld in de artikelen 3.47 en 3.48, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.53a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib afkomstig van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater, bedoeld in artikel 3.48b van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie van het zuiveringsslib; en b. b. een beschrijving van de procedures van acceptatie van zuiveringsslib en van de administratieve organisatie en interne controle. ### Artikel 7.53b **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd of grond of baggerspecie die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48k, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. als grond of baggerspecie die beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit wordt opgeslagen: een aanduiding van de kwaliteitsklassen, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, van de partij grond of partij baggerspecie; b. b. een aanduiding of verschillende partijen grond of verschillende partijen baggerspecie worden samengevoegd; en c. c. als verschillende partijen grond of verschillende partijen baggerspecie worden samengevoegd: 1°. een aanduiding of dit gebeurt tot een partij die groter is dan 25 m^3; 2°. een aanduiding van de kwaliteitsklassen, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, van de partijen, tenzij partijen die niet beschikken over een milieuverklaring bodemkwaliteit worden samengevoegd; en 3°. het volume van de samengevoegde partij in kubieke meters. 1°. 1°. een aanduiding of dit gebeurt tot een partij die groter is dan 25 m^3; 2°. 2°. een aanduiding van de kwaliteitsklassen, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, van de partijen, tenzij partijen die niet beschikken over een milieuverklaring bodemkwaliteit worden samengevoegd; en 3°. 3°. het volume van de samengevoegde partij in kubieke meters. ### Artikel 7.53c Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan, zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd, baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd of grond of baggerspecie die niet beschikt over een milieuverklaring bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48k, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h, verstrekt. ### Artikel 7.53d Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het brengen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het gaat om het opvullen van een diepe plas voor het bevorderen van de natuurwaarde of recreatieve waarde van de diepe plas, het ontwikkelen tot landbodem voor het verwezenlijken van bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, landbouwgronden, natuurgronden of recreatieterreinen of het stabiliseren van wanden, bedoeld in artikel 3.48p van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de locatie waarop de activiteit wordt verricht en een situatietekening waarop is aangegeven: 1°. de locatie met een legenda en een noordpijl; en 2°. de omgeving van de locatie; 1°. 1°. de locatie met een legenda en een noordpijl; en 2°. 2°. de omgeving van de locatie; b. b. een bovenaanzicht en een dwarsdoorsnede van de locatie op een schaal van ten minste 1:10.000; c. c. een aanduiding van de beoogde: 1°. hoeveelheid in kubieke meters, kwaliteit en herkomst van de grond en baggerspecie die worden toegepast in het oppervlaktewaterlichaam en in de afdeklaag; 2°. dikte van de afdeklaag in meters; 3°. diepte, oppervlakte, chemische en ecologische kwaliteit en het beoogde volume van het oppervlaktewaterlichaam na beëindiging van de activiteit of een fase, als de activiteit gefaseerd wordt verricht; en 4°. datum en het beoogde tijdstip van het begin van de activiteit of de fases, als de activiteit gefaseerd wordt verricht, en de verwachte duur ervan; 1°. 1°. hoeveelheid in kubieke meters, kwaliteit en herkomst van de grond en baggerspecie die worden toegepast in het oppervlaktewaterlichaam en in de afdeklaag; 2°. 2°. dikte van de afdeklaag in meters; 3°. 3°. diepte, oppervlakte, chemische en ecologische kwaliteit en het beoogde volume van het oppervlaktewaterlichaam na beëindiging van de activiteit of een fase, als de activiteit gefaseerd wordt verricht; en 4°. 4°. datum en het beoogde tijdstip van het begin van de activiteit of de fases, als de activiteit gefaseerd wordt verricht, en de verwachte duur ervan; d. d. de vermelding van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond en baggerspecie wordt toegepast en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing; e. e. de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de grond en baggerspecie wordt toegepast; f. f. een beschrijving van de inrichting en de maatschappelijke functie van de locatie na de opvulling van het oppervlaktewaterlichaam; g. g. een beschrijving van de gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de gevolgen voor de openbare drinkwatervoorziening; h. h. een beschrijving van de procedures en van de criteria voor acceptatie van grond en baggerspecie en van de administratieve organisatie en interne controle; i. i. een rapportage met een weergave van een verricht hydrologisch en geohydrologisch onderzoek naar de gevolgen van de activiteit; j. j. een beschrijving van de wijze waarop tijdens en na afronding van de activiteit of een fase, als de activiteit gefaseerd wordt verricht, wordt gecontroleerd: 1°. op het bereiken van de doelen, bedoeld onder c; 2°. op verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam of de omgeving van de locatie; 3°. op de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam; en 4°. op de instandhouding van de afdeklaag; 1°. 1°. op het bereiken van de doelen, bedoeld onder c; 2°. 2°. op verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam of de omgeving van de locatie; 3°. 3°. op de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam; en 4°. 4°. op de instandhouding van de afdeklaag; k. k. een beschrijving van de wijze waarop is gewaarborgd dat corrigerende maatregelen worden getroffen als de controles, bedoeld onder j, daartoe aanleiding geven; en l. l. een aanduiding en onderbouwing van het type diepe plas, zowel voor als na de opvulling van het oppervlaktewaterlichaam. ##### Paragraaf 7.2.3.4. Complexe bedrijven ### Artikel 7.54 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in de artikelen 3.50, eerste lid, en 3.51, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.22a, eerste lid, en 7.27, onder a, c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de naam en functie van de bestuurder van de Seveso-inrichting, als dat een ander is dan degene die de activiteit verricht; b. b. de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, en de categorie van die gevaarlijke stoffen te identificeren die in de Seveso-inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn; c. c. een lijst met de hoeveelheid in kilogrammen, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, die aanwezig zijn of kunnen zijn in de Seveso-inrichting; d. d. een beschrijving van de activiteiten die in de Seveso-inrichting worden verricht; e. e. informatie over de directe omgeving van de Seveso-inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of die de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met gegevens over inrichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Seveso-richtlijn, milieubelastende activiteiten waarop deze paragraaf niet van toepassing is en gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van of het risico of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten; f. f. voor de beoordeling of het risico op een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan groter kunnen zijn door de geografische situatie of de ligging van de Seveso-inrichting ten opzichte van andere Seveso-inrichtingen, voor gevaarlijke stoffen die behoren tot de categorie ontplofbare stoffen, ontvlambare gassen, ontvlambare aerosolen of ontvlambare vloeistoffen, bedoeld in bijlage I, deel 1, bij de Seveso-richtlijn: 1°. het grootste insluitsysteem en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in kilogrammen die ten hoogste daarin aanwezig kan zijn; 2°. de betrokken gevaarlijke stoffen en de categorieën waartoe deze behoren; 3°. de plaats van het insluitsysteem in de Seveso-inrichting; en 4°. de druk in kilopascal en de temperatuur in graden Celsius van de betrokken gevaarlijke stoffen in het insluitsysteem; 1°. 1°. het grootste insluitsysteem en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in kilogrammen die ten hoogste daarin aanwezig kan zijn; 2°. 2°. de betrokken gevaarlijke stoffen en de categorieën waartoe deze behoren; 3°. 3°. de plaats van het insluitsysteem in de Seveso-inrichting; en 4°. 4°. de druk in kilopascal en de temperatuur in graden Celsius van de betrokken gevaarlijke stoffen in het insluitsysteem; g. g. een beschrijving van de passende maatregelen die worden getroffen ter bescherming van een Natura 2000-gebied dat in de nabijheid van de Seveso-inrichting is gelegen; en h. h. als het gaat om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een hogedrempelinrichting: het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.14 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en de gegevens en bescheiden die het veiligheidsrapport moet bevatten op grond van de artikelen 4.14 tot en met 4.17 van dat besluit. ### Artikel 7.55 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een Seveso-inrichting, bedoeld in artikel 3.51, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.56 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het stoken, bedoeld in de artikelen 3.54 en 3.55, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook gegevens en bescheiden verstrekt die duidelijk maken of het afvangen en comprimeren van kooldioxide en het transporteren daarvan naar een geschikte opslaglocatie in technisch en economisch opzicht haalbaar zijn. ### Artikel 7.57 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het stoken, bedoeld in artikel 3.55, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.58 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het raffineren van aardolie en gas, bedoeld in de artikelen 3.57 en 3.58, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.59 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het raffineren van aardolie en gas, bedoeld in artikel 3.58, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.60 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cokes, bedoeld in de artikelen 3.60 en 3.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.61 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cokes, bedoeld in artikel 3.61, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.62 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, het briketteren of walsen van steenkool of bruinkool of het maken van steenkoolproducten of vaste rookvrije brandstof, bedoeld in de artikelen 3.63, eerste lid, en 3.64, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.63 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen, het briketteren of walsen van steenkool of bruinkool of het maken van steenkoolproducten of vaste rookvrije brandstof, bedoeld in artikel 3.64, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.64 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het roosten of sinteren van ertsen, het maken van ijzer of staal, het verwerken, smelten of gieten van ferrometalen of het winnen van ruwe non-ferrometalen, bedoeld in de artikelen 3.66, eerste lid, en 3.67, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.65 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het roosten of sinteren van ertsen, het maken van ijzer of staal, het verwerken, smelten of gieten van ferrometalen of het winnen van ruwe non-ferrometalen, bedoeld in artikel 3.67, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.66 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk of magnesiumoxide, het winnen van asbest of het maken van asbestproducten, het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels, het smelten van minerale stoffen, het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles of het maken van koolstof of elektrografiet, bedoeld in de artikelen 3.69, eerste lid, en 3.70, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.67 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk of magnesiumoxide, het winnen van asbest, het maken van asbestproducten, het maken van glas, met inbegrip van het maken van glasvezels, het smelten van minerale stoffen, het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles of het maken van koolstof of elektrografiet, bedoeld in de artikel 3.70, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.68 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van organisch-chemische producten, anorganisch-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming, biociden, farmaceutische producten of explosieven, bedoeld in de artikelen 3.72, eerste lid, en 3.73, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.69 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van organisch-chemische producten, anorganisch-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming, biociden, farmaceutische producten of explosieven, bedoeld in artikel 3.73, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.70 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van papierpulp, papier, karton of oriented strand board, spaanplaat of vezelplaat van hout of het voorbehandelen of verven van textielvezels of textiel, bedoeld in de artikelen 3.75, eerste lid, en 3.76, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.71 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van papierpulp, papier, karton of oriented strand board, spaanplaat of vezelplaat van hout of het voorbehandelen of verven van textielvezels of textiel, bedoeld in artikel 3.76, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.72 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke of ongevaarlijke afvalstoffen, het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen of het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.78 en 3.79, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag wordt ook een beschrijving verstrekt van de structuur van de onderneming en de organisatie. ### Artikel 7.73 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van gevaarlijke of ongevaarlijke afvalstoffen, het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen of het ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.79, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.74 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers en dierlijk afval, bedoeld in de artikelen 3.81 en 3.82, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag wordt ook een beschrijving verstrekt van de structuur van de onderneming en de organisatie. ### Artikel 7.75 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers en dierlijk afval, bedoeld in artikel 3.82, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.76 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, onder a of b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de maximale stortcapaciteit in tonnen; b. b. de kwaliteit van de bodem op de locatie waar het storten plaatsvindt; c. c. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de locatie waar het storten plaatsvindt, waaronder ten minste gegevens over: 1°. de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand, vastgesteld met metingen verricht volgens NEN 5766 op de 14e en 28e van elke maand, gedurende een periode van ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag; 2°. de grondwaterstroming; en 3°. de doorlatendheid in meters per etmaal, dikte in meters, samenstelling en zetting van de bodemlagen; 1°. 1°. de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstand, vastgesteld met metingen verricht volgens NEN 5766 op de 14e en 28e van elke maand, gedurende een periode van ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag; 2°. 2°. de grondwaterstroming; en 3°. 3°. de doorlatendheid in meters per etmaal, dikte in meters, samenstelling en zetting van de bodemlagen; d. d. een beschrijving van de nadelige gevolgen voor het milieu en de aard, omvang en duur daarvan die de locatie waar het storten plaatsvindt naar verwachting kan veroorzaken na beëindiging van het storten van afvalstoffen; e. e. een beschrijving van het beheer van de gestorte afvalstoffen en van de maatregelen of voorzieningen ter bescherming van het milieu die worden getroffen na beëindiging van het storten; f. f. een exploitatieplan en een controleplan die ten minste de volgende gegevens bevatten: 1°. een beschrijving van de milieubelastende activiteiten die worden verricht en de installaties; 2°. een beschrijving van de grondstoffen en hulpmaterialen, andere stoffen en energie die worden gebruikt of gegenereerd; 3°. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie; 4°. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie van de afvalstoffen; 5°. per handeling en per afvalstof: de maximale opslagcapaciteit in tonnen en de verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; 6°. een beschrijving van de procedures van acceptatie van afvalstoffen en van de administratieve organisatie en interne controle; en 7°. de capaciteit van de stortplaats; 1°. 1°. een beschrijving van de milieubelastende activiteiten die worden verricht en de installaties; 2°. 2°. een beschrijving van de grondstoffen en hulpmaterialen, andere stoffen en energie die worden gebruikt of gegenereerd; 3°. 3°. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie; 4°. 4°. de aard, samenstelling, hoeveelheid in tonnen, herkomst en wijze van registratie van de afvalstoffen; 5°. 5°. per handeling en per afvalstof: de maximale opslagcapaciteit in tonnen en de verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; 6°. 6°. een beschrijving van de procedures van acceptatie van afvalstoffen en van de administratieve organisatie en interne controle; en 7°. 7°. de capaciteit van de stortplaats; g. g. als het gaat om het storten van afvalstoffen in de diepe ondergrond: een veiligheidsbeoordeling die voldoet aan onderdeel 2.5 van de bijlage bij Beschikking (EG) 2003/33 van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn (EG) 1999/31 betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG 2003, L 11); h. h. als de aanvrager om de omgevingsvergunning een ander is dan degene die de stortplaats exploiteert of gaat exploiteren: de naam en het adres van degene die de stortplaats exploiteert of gaat exploiteren; en i. i. als het gaat om een stortplaats waar niet alleen baggerspecie wordt gestort: bewijs dat financiële zekerheid is of wordt gesteld voor het nakomen van verplichtingen die gaan gelden op grond van de omgevingsvergunning over de bovenafdichting van de stortplaats. ### Artikel 7.77 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, onder a of b, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden, voor zover alleen baggerspecie wordt gestort en de installatie niet ligt in een oppervlaktewaterlichaam, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. over de immissie van verontreiniging in het grondwater: 1°. een aanduiding of in het poriënwater voor een stof de standaardwaarde, bedoeld in bijlage XVIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden; 2°. als voor een stof die standaardwaarde wordt overschreden: een aanduiding of de toelaatbare flux, bedoeld in bijlage XVIIIg, voor die stof wordt overschreden; 3°. als voor een stof die toelaatbare flux wordt overschreden: i. een aanduiding of de standaardwaarde voor die stof door de immissie wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en ii. de berekende jaarlijkse vracht aan verontreinigingen in het poriënwater in grammen; 4°. als voor een stof die standaardwaarde wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied: gegevens over het direct buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied optreden van een natuurlijke en effectieve geohydrologische isolatie; en 5°. als voor een stof die standaardwaarde niet wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied: gegevens waaruit blijkt dat het niet overschrijden van de standaardwaarde alleen het gevolg is van verdunning door locatiespecifieke omstandigheden; 1°. 1°. een aanduiding of in het poriënwater voor een stof de standaardwaarde, bedoeld in bijlage XVIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden; 2°. 2°. als voor een stof die standaardwaarde wordt overschreden: een aanduiding of de toelaatbare flux, bedoeld in bijlage XVIIIg, voor die stof wordt overschreden; 3°. 3°. als voor een stof die toelaatbare flux wordt overschreden: i. een aanduiding of de standaardwaarde voor die stof door de immissie wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en ii. de berekende jaarlijkse vracht aan verontreinigingen in het poriënwater in grammen; i. i. een aanduiding of de standaardwaarde voor die stof door de immissie wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en ii. ii. de berekende jaarlijkse vracht aan verontreinigingen in het poriënwater in grammen; 4°. 4°. als voor een stof die standaardwaarde wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied: gegevens over het direct buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied optreden van een natuurlijke en effectieve geohydrologische isolatie; en 5°. 5°. als voor een stof die standaardwaarde niet wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied: gegevens waaruit blijkt dat het niet overschrijden van de standaardwaarde alleen het gevolg is van verdunning door locatiespecifieke omstandigheden; b. b. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.62c van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die worden getroffen om verspreiding van verontreinigende stoffen buiten de stortplaats te voorkomen of te beperken en om te voorkomen dat de standaardwaarde voor een stof wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied; c. c. een onderbouwing van de effectiviteit van de maatregelen, bedoeld onder b; d. d. een beschrijving van de aanleg, het in werking stellen en het onderhoud van het geohydrologisch isolatiesysteem, bedoeld in artikel 8.62c, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en het controlesysteem, bedoeld in artikel 8.62g van dat besluit, als dat in de directe nabijheid van de stortplaats wordt aangelegd; en e. e. bewijs dat financiële zekerheid is of wordt gesteld voor het nakomen van verplichtingen die gaan gelden op grond van de omgevingsvergunning over het aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem of een afdeklaag. **2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en c, worden bepaald volgens bijlage XVIIIf en berekend met een methode waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd. ### Artikel 7.78 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het storten van afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.85, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.79 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.84, eerste lid, onder c, en 3.85, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een winningsafvalbeheersplan als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn winningsafval; b. b. bewijs dat de winningsafvalvoorziening geschikt is gelegen, in het bijzonder gelet op verplichtingen voor beschermde gebieden en geologische, hydrologische en hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren; c. c. bewijs dat de winningsafvalvoorziening zo is ontworpen dat wordt voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden om: 1°. verontreiniging van bodem, lucht, oppervlaktewaterlichamen of grondwater te voorkomen, waarbij rekening wordt gehouden met de kaderrichtlijn water en de grondwaterrichtlijn; 2°. zeker te stellen dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze kunnen worden verzameld; en 3°. erosie door water of wind wordt tegengegaan voor zover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is; 1°. 1°. verontreiniging van bodem, lucht, oppervlaktewaterlichamen of grondwater te voorkomen, waarbij rekening wordt gehouden met de kaderrichtlijn water en de grondwaterrichtlijn; 2°. 2°. zeker te stellen dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze kunnen worden verzameld; en 3°. 3°. erosie door water of wind wordt tegengegaan voor zover dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is; d. d. bewijs dat de winningsafvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en onderhouden om: 1°. de fysische stabiliteit te verzekeren; 2°. verontreiniging of besmetting van bodem, lucht, oppervlaktewaterlichamen of grondwater te voorkomen; en 3°. schade aan het landschap zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken; 1°. 1°. de fysische stabiliteit te verzekeren; 2°. 2°. verontreiniging of besmetting van bodem, lucht, oppervlaktewaterlichamen of grondwater te voorkomen; en 3°. 3°. schade aan het landschap zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken; e. e. ontwerpen en regelingen voor: 1°. periodieke monitoring en inspectie van de winningsafvalvoorziening door personen die beschikken over de daarvoor benodigde vakbekwaamheid; en 2°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen als de resultaten van de monitoring en inspectie wijzen op instabiliteit of verontreiniging van water of bodem; 1°. 1°. periodieke monitoring en inspectie van de winningsafvalvoorziening door personen die beschikken over de daarvoor benodigde vakbekwaamheid; en 2°. 2°. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen als de resultaten van de monitoring en inspectie wijzen op instabiliteit of verontreiniging van water of bodem; f. f. regelingen voor: 1°. de rehabilitatie en sluiting van de winningsafvalvoorziening; en 2°. de fase na sluiting van de winningsafvalvoorziening; 1°. 1°. de rehabilitatie en sluiting van de winningsafvalvoorziening; en 2°. 2°. de fase na sluiting van de winningsafvalvoorziening; g. g. bewijs dat in het ontwerp en bij de bouw van een winningsafvalvoorziening van categorie A rekening is gehouden met de noodzakelijke voorwaarden om een zwaar ongeval te voorkomen en de nadelige gevolgen van een dergelijk ongeval voor de gezondheid of het milieu te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; h. h. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie; en i. i. bewijs dat financiële zekerheid is of wordt gesteld voor het nakomen van verplichtingen die gaan gelden op grond van de omgevingsvergunning en dat het bedrag waarvoor de zekerheid in stand wordt gehouden, is berekend overeenkomstig beschikking nr. 2009/335/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 april 2009 inzake technische richtsnoeren voor het stellen van de financiële zekerheid overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (PbEU 2006, L 102/15). ### Artikel 7.80 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het storten of verzamelen van winningsafvalstoffen, bedoeld in artikel 3.85, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.81 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in de artikelen 3.87 en 3.88, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om ervoor te zorgen dat: 1°. de installatie zo wordt ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd dat wordt voldaan aan paragraaf 4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de afvalcategorieën die worden verbrand of meeverbrand; 2°. de warmte die wordt opgewekt bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces zoveel mogelijk wordt gebruikt voor het produceren van warmte, stoom of elektriciteit; en 3°. het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan zoveel mogelijk worden beperkt en residuen die ontstaan worden gerecycled; 1°. 1°. de installatie zo wordt ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd dat wordt voldaan aan paragraaf 4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de afvalcategorieën die worden verbrand of meeverbrand; 2°. 2°. de warmte die wordt opgewekt bij het verbrandings- en meeverbrandingsproces zoveel mogelijk wordt gebruikt voor het produceren van warmte, stoom of elektriciteit; en 3°. 3°. het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan zoveel mogelijk worden beperkt en residuen die ontstaan worden gerecycled; b. b. een beschrijving van de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden; en c. c. een beschrijving van de structuur van de onderneming en de organisatie. ### Artikel 7.82 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of het nuttig toepassen van afvalstoffen in een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, bedoeld in artikel 3.88, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.83 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van dierlijke meststoffen, bedoeld in de artikelen 3.90 en 3.91, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.84 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 3.91, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.3.5. Nutssector en industrie ### Artikel 7.85 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het bewerken van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening, bedoeld in de artikelen 3.93, eerste lid, en 3.94, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h, j en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.86 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het behandelen van aardgas, het regelen van aardgasdruk of het meten van de hoeveelheid of kwaliteit van aardgas, bedoeld in de artikelen 3.97 en 3.98 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de ontwerpcapaciteit in normaal kubieke meters per uur en de werkdruk in kilopascal aan de inlaatzijde van de installatie; en b. b. de opstelling van de installatie. ### Artikel 7.87 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in artikel 3.104, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.88 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in artikel 3.104, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.89 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het smelten of gieten van non-ferrometalen, het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, bedoeld in artikel 3.105, aanhef en onder a, b of c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a en 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag wordt ook een aanduiding verstrekt van de metalen die worden verwerkt. **3.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van metaallagen met een cyanidehoudend bad met een inhoud van ten minste 100 l of voor het behandelen van het oppervlak van metalen met een bad met een inhoud van ten minste 1 m^3 vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1 of vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening, bedoeld in artikel 3.105, aanhef en onder d of e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, verstrekt. ### Artikel 7.90 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van ferrometalen, het smelten van non-ferrometalen, het behandelen van het oppervlak van metalen, het maken van auto’s of motoren of het assembleren van auto’s, het bouwen of repareren van luchtvaartuigen of het maken van spoorwegmaterieel, bedoeld in artikel 3.106, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving of het met testbanken beproeven van motoren, turbines of reactoren of het uitstampen van metalen met springstoffen, bedoeld in artikel 3.106, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.27a en 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de metalen die worden verwerkt; en b. b. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen. ### Artikel 7.91 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het verwerken van metalen, bedoeld in artikel 3.107 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de metalen die worden verwerkt; b. b. een aanduiding van de aard en omvang van de geluidemissies en geluidimmissies die door de activiteit worden veroorzaakt; c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; en d. d. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen. ### Artikel 7.92 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van het verwerken van metalen, het op metaal aanbrengen van deklagen of conversielagen, het behandelen van het oppervlak van metalen, het harden en gloeien van metalen, het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak of het maken van producten van metaal, bedoeld in de artikelen 3.103, onder b tot en met f, en 3.108 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt. ### Artikel 7.93 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.94 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in artikel 3.112, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.95 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken van asfalt, asfaltproducten, kalkzandsteen of cellenbeton, bedoeld in artikel 3.113 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.96 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van keramische producten door verhitting, bedoeld in artikel 3.114 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.27a en 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de materialen die worden verwerkt; b. b. als steen mechanisch wordt bewerkt: een opsomming van de steensoorten die worden bewerkt; en c. c. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen. ### Artikel 7.97 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan, het winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk of het maken van betonmortel of producten van betonmortel, bedoeld in artikel 3.115 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder a en b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de materialen die worden verwerkt; b. b. als steen mechanisch wordt bewerkt: een opsomming van de steensoorten die worden bewerkt; c. c. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen; d. d. een aanduiding van de aard en omvang van de geluidemissies en geluidimmissies die door de activiteit worden veroorzaakt; en e. e. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.98 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen, het vullen van spuitbussen met drijfgassen, het maken van vloeibare biobrandstof of het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht, bedoeld in artikel 3.119, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.99 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen, het vullen van spuitbussen met drijfgassen, het maken van vloeibare biobrandstof of het maken van vloeibare gassen uit de buitenlucht, bedoeld in artikel 3.119, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.100 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het looien van huiden of het conserveren van hout of houtproducten, bedoeld in artikel 3.123, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.101 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het looien van huiden of het conserveren van hout of houtproducten, bedoeld in artikel 3.123, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.102 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het conserveren van hout of houtproducten, bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de houtconserveringsmiddelen die worden toegepast; en b. b. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het gebruik van houtconserveringsmiddelen te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.103 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het conserveren van hout of houtproducten, bedoeld in artikel 3.124, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met o, verstrekt. ### Artikel 7.104 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van papierstof, papier of karton, het looien van huiden of het voorbehandelen of verven van vezels of textiel, bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de locaties van de lozingspunten waar op het vuilwaterriool of schoonwaterriool wordt geloosd; b. b. de samenstelling van het afvalwater dat op het vuilwaterriool en schoonwaterriool wordt geloosd; en c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afvalwater te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.105 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van papierstof, papier of karton, het looien van huiden of het voorbehandelen of verven van vezels of textiel, bedoeld in artikel 3.125, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.106 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in artikel 3.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.107 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in artikel 3.129, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.108 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van dierlijke of plantaardige oliën en vetten, het maken van conserven van dierlijke en plantaardige producten, het maken van zuivel, het brouwen van bier of het mouten, het maken van siroop of suikerwaren, het slachten van dieren of het maken van zetmeel, vismeel, visolie of suiker, bedoeld in artikel 3.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; b. b. de ligging van de geuremissiepunten; en c. c. als in het vuilwaterriool zuurstofbindende stoffen met een jaargemiddelde vervuilingswaarde van 5.000 inwonerequivalenten of meer worden geloosd: een overzicht van de spreiding van de lozing over het jaar. ### Artikel 7.109 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.110 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in artikel 3.135, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.111 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in artikel 3.135, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.25, verstrekt. ### Artikel 7.112 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het blazen, expanderen of schuimen van kunststof met een blaasmiddel anders dan lucht, kooldioxide of stikstof, bedoeld in artikel 3.136 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.27a, onder c en d, en 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag wordt ook een aanduiding verstrekt van de blaasmiddelen die worden toegepast. ### Artikel 7.113 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het behandelen van het oppervlak van kunststof met een elektrolytisch of chemisch procedé of voor het maken of behandelen van producten op basis van elastomeren, bedoeld in artikel 3.137 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.27a, onder c en d, en 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. als polyesterhars wordt verwerkt: 1°. de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 2°. de ligging van de geuremissiepunten; en 1°. 1°. de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 2°. 2°. de ligging van de geuremissiepunten; en b. b. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen. ### Artikel 7.114 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van het bedrukken van materialen met zeefdruk, vellenoffset, rotatieoffset, illustratiediepdruk of flexografie, bedoeld in de artikelen 3.140, eerste en tweede lid, en 3.141 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt. ### Artikel 7.115 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het maken van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van ten minste 25 m of het maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, anders dan pleziervaartuigen, bedoeld in artikel 3.145, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. als polyesterhars wordt verwerkt: 1°. de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 2°. de ligging van de geuremissiepunten; en 1°. 1°. de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 2°. 2°. de ligging van de geuremissiepunten; en b. b. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen. ### Artikel 7.116 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van een andere milieubelastende installatie voor het maken van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van ten minste 25 m of het maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, anders dan pleziervaartuigen, bedoeld in artikel 3.145, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met o, verstrekt. ### Artikel 7.117 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van het maken van materialen, eindproducten of halffabrikaten met een stookinstallatie, koelinstallatie of oplosmiddeleninstallatie, bedoeld in de artikelen 3.148, eerste en tweede lid, en 3.149 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.3.6. Afvalbeheer ### Artikel 7.118 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van metaalschroot of autowrakken, bedoeld in artikel 3.153 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, verstrekt. ### Artikel 7.119 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van het voorbehandelen van ingezameld of afgegeven rubberafval of kunststofafval voor verdere recycling, bedoeld in de artikelen 3.159 en 3.160 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt. ### Artikel 7.120 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van metaalschroot of autowrakken, bedoeld in artikel 3.164 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27a, onder c en d, verstrekt. ### Artikel 7.121 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in de artikelen 3.173 en 3.174 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de locaties van de lozingspunten waar op het vuilwaterriool of schoonwaterriool wordt geloosd; b. b. de ontwerpcapaciteit van het zuiveringtechnisch werk in inwonerequivalenten; c. c. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meters per dag; d. d. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meters per uur; e. e. de resultaten van de immissietoets voor fosforverbindingen en stikstofverbindingen, uitgevoerd volgens het Handboek Immissietoets; f. f. de ligging van de geuremissiepunten; g. g. een overzicht van de in te nemen afvalstoffen en de te verrichten activiteiten met afvalstoffen; h. h. per afvalstof de opslagcapaciteit en de verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en i. i. een beschrijving van de procedures van acceptatie van afvalstoffen en van de administratieve organisatie en interne controle. ### Artikel 7.121a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bewerken van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd of baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 3.179, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.26, verstrekt. ### Artikel 7.121b Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het bewerken van grond van de kwaliteitsklasse matig verontreinigd of sterk verontreinigd of baggerspecie van de kwaliteitsklasse sterk verontreinigd, bedoeld in artikel 3.179, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h, verstrekt. ### Artikel 7.122 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikelen 3.185, eerste lid, 3.186, eerste lid, 3.191, eerste lid, 3.192, eerste lid, 3.195, eerste lid, of 3.196, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.187, eerste lid, 3.188, eerste lid, 3.189, eerste lid, 3.190, 3.193, eerste lid, 3.194, eerste lid, of 3.197, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26 en 7.27a, onder c en d, verstrekt. **3.** Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste of tweede lid wordt ook een beschrijving verstrekt van de structuur van de onderneming en de organisatie. ### Artikel 7.123 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in de artikelen 3.185, vijfde lid, 3.186, vierde lid, 3.187, derde lid, 3.191, vierde lid, 3.192, vierde lid, of 3.197, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met o, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag wordt ook een beschrijving verstrekt van de aanpak van het verwerken van het ingenomen afvalwater. ##### Paragraaf 7.2.3.7. Agrarische sector ### Artikel 7.124 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een opgave van het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie als bedoeld in bijlage V dat ten hoogste zal worden gehouden; b. b. per dierenverblijf: 1°. een opgave van het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie als bedoeld in bijlage V dat ten hoogste zal worden gehouden; 2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en 3°. een beschrijving van de wijze van ventilatie; 1°. 1°. een opgave van het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie als bedoeld in bijlage V dat ten hoogste zal worden gehouden; 2°. 2°. een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en 3°. 3°. een beschrijving van de wijze van ventilatie; c. c. per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden waarvoor in bijlage V een emissiefactor voor geur of PM_10 is vastgesteld: 1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en 2°. een doorsnedetekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; 1°. 1°. een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en 2°. 2°. een doorsnedetekening met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; d. d. de lozingsroutes; e. e. als er sprake is van het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van meer dan 3 m^3: een opgave van het totaal volume van de opslagcapaciteit in kubieke meters bij een opslag van meer dan 600 m^3; f. f. als er sprake is van het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin: 1°. het volume in kubieke meters en de oppervlakte van het mestbassin in vierkante meters; en 2°. het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins op de locatie als het gezamenlijke volume meer is dan 2.500 m^3 of de gezamenlijke oppervlakte ten minste 350 m^2 is; 1°. 1°. het volume in kubieke meters en de oppervlakte van het mestbassin in vierkante meters; en 2°. 2°. het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins op de locatie als het gezamenlijke volume meer is dan 2.500 m^3 of de gezamenlijke oppervlakte ten minste 350 m^2 is; g. g. als er sprake is van het composteren en opslaan van groenafval met een volume van 3 m^3 tot en met 600 m^3: het maximale volume in kubieke meters van de opslag of het composteren; h. h. als er sprake is van het reinigen van voertuigen of werktuigen voor agrarische activiteiten: gegevens of bescheiden waaruit blijkt welke handelingen met gewasbeschermingsmiddelen worden verricht; en i. i. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen. ### Artikel 7.125 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.124, tweede lid, verstrekt. ### Artikel 7.126 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kweken van consumptievis of ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten, bedoeld in artikel 3.222, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een riooltekening; b. b. de samenstelling van het afvalwater dat op het vuilwaterriool en schoonwaterriool wordt geloosd; c. c. de bron of oorzaak van het afvalwater dat op het vuilwaterriool en schoonwaterriool wordt geloosd; en d. d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afvalwater te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.127 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het kweken van consumptievis of ongewervelde waterdieren of het telen van waterplanten, bedoeld in artikel 3.222, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.128 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het drogen of indampen van dierlijke meststoffen, het vergisten van dierlijke meststoffen in combinatie met afvalstoffen, het vergisten van plantaardig materiaal, het verbranden van dierlijke meststoffen of het composteren van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 3.226, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.26, 7.27a en 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de hoeveelheid plantaardig materiaal in kubieke meters per jaar die ten hoogste wordt vergist; b. b. de samenstelling van het afvalwater dat op het vuilwaterriool en schoonwaterriool wordt geloosd; c. c. een riooltekening; d. d. het debiet in kubieke meters per uur dat ten hoogste wordt geloosd; e. e. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afvalwater te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; f. f. als er sprake is van het vergisten van dierlijke meststoffen: 1°. de maximale verwerkingscapaciteit van dierlijke meststoffen in kubieke meter per jaar; 2°. de maximale opslagcapaciteit van het vergistingsgas in kubieke meter; 3°. de coördinaten van: i. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en ii. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen; 4°. de methode van bewerking en de bestemming van het vergistingsgas; en 5°. de methode van stabilisatie van het digestaat; en 1°. 1°. de maximale verwerkingscapaciteit van dierlijke meststoffen in kubieke meter per jaar; 2°. 2°. de maximale opslagcapaciteit van het vergistingsgas in kubieke meter; 3°. 3°. de coördinaten van: i. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en ii. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen; i. i. het middelpunt van een gaszak waarin vergistingsgas wordt opgeslagen; en ii. ii. het aftappunt van een opslagtank waarin vloeibaar gemaakt vergistingsgas wordt opgeslagen; 4°. 4°. de methode van bewerking en de bestemming van het vergistingsgas; en 5°. 5°. de methode van stabilisatie van het digestaat; en g. g. als sprake is van covergisting: de aard van de cosubstraten. ### Artikel 7.129 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het drogen of indampen van dierlijke meststoffen, het vergisten van dierlijke meststoffen in combinatie met afvalstoffen, het vergisten van plantaardig materiaal, het verbranden van dierlijke meststoffen of het composteren van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 3.226, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met o, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.3.8. Dienstverlening, onderwijs en zorg ### Artikel 7.130 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koelwater met een warmtevracht van meer dan 50 MW afkomstig van het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, bedoeld in artikel 3.236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.24, verstrekt. ### Artikel 7.131 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor ingeperkt gebruik als bedoeld in artikel 3.247 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is; b. b. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het maximale aantal werkruimten waarop inperkingsniveau III van toepassing is; c. c. per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013: het aantal werkruimten waarop inperkingsniveau IV van toepassing is; en d. d. een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven. ### Artikel 7.132 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.260, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder c en d, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de locaties van de lozingspunten waar op het vuilwaterriool of schoonwaterriool wordt geloosd; b. b. de samenstelling van het afvalwater dat op het vuilwaterriool en schoonwaterriool wordt geloosd; c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afvalwater te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; en d. d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.133 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.260, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder b, d, f, h en l tot en met n, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.3.9. Transport, logistiek en ondersteuning daarvan ### Artikel 7.134 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen die worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.16, 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving als bedoeld in artikel 3.269 van dat besluit, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van die milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen; b. b. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in liters; en c. c. de ADR-klassen van die gevaarlijke stoffen. ### Artikel 7.135 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bieden van gelegenheid voor het tanken van gemotoriseerde vaartuigen of drijvende werktuigen bij een bunkerstation of vanaf de wal met een vaste installatie voor het tanken, voor zover het gaat om het opslaan van meer dan 25 m^3 gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, bedoeld in de artikelen 3.272 en 3.273, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal opslagtanks dat aanwezig is; b. b. de vloeistoffen die worden opgeslagen in de opslagtanks; c. c. de coördinaten van: 1°. de zijden van het bunkerstation; en 2°. het vulpunt van het bunkerstation; 1°. 1°. de zijden van het bunkerstation; en 2°. 2°. het vulpunt van het bunkerstation; d. d. de hoeveelheid in liters van de vloeistoffen die ten hoogste wordt opgeslagen in de opslagtanks; en e. e. de doorzet in kubieke meters per jaar van de opgeslagen vloeistoffen in de opslagtanks. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bieden van gelegenheid voor het tanken van gemotoriseerde vaartuigen of drijvende werktuigen met LPG bij een bunkerstation of vanaf de wal met een vaste installatie voor het tanken, bedoeld in de artikelen 3.272 en 3.273, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal opslagtanks voor LPG dat aanwezig is; b. b. de coördinaten van: 1°. de opslagtank voor LPG; 2°. het vulpunt van de opslagtank voor LPG; 3°. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en pomp; en 4°. het aansluitpunt van die leiding; 1°. 1°. de opslagtank voor LPG; 2°. 2°. het vulpunt van de opslagtank voor LPG; 3°. 3°. de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en pomp; en 4°. 4°. het aansluitpunt van die leiding; c. c. de hoeveelheid LPG in kubieke meters die ten hoogste wordt opgeslagen; en d. d. de doorzet in kubieke meters per jaar. **3.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bieden van gelegenheid voor het tanken van gemotoriseerde vaartuigen of drijvende werktuigen met LNG bij een bunkerstation of vanaf de wal met een vaste installatie voor het tanken, bedoeld in de artikelen 3.272 en 3.273, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal opslagtanks voor LNG dat aanwezig is; b. b. de coördinaten van het vulpunt van de opslagtank; c. c. de reactietijd in seconden van de noodstopvoorziening; d. d. een aanduiding of sprake is van ondervulling of bovenvulling; e. e. een aanduiding of sprake is van verlading met een pomp; f. f. de gebruikte voordruk in kilopascal; en g. g. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a en b. **4.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bieden van gelegenheid voor het tanken van gemotoriseerde vaartuigen of drijvende werktuigen met waterstof bij een bunkerstation of vanaf de wal met een vaste installatie voor het tanken, bedoeld in de artikelen 3.272 en 3.273, aanhef en onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de coördinaten van: 1°. de tussenopslag, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met een buisleiding of op de locatie wordt geproduceerd; 2°. het vulpunt van de opslagtank, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met tanks; en 3°. de opslagtank; 1°. 1°. de tussenopslag, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met een buisleiding of op de locatie wordt geproduceerd; 2°. 2°. het vulpunt van de opslagtank, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met tanks; en 3°. 3°. de opslagtank; b. b. als waterstof wordt opgeslagen: de hoeveelheid in kubieke meters die ten hoogste wordt opgeslagen; en c. c. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. ### Artikel 7.136 [Gereserveerd] ### Artikel 7.137 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het proefdraaien van straalmotoren of straalturbines of het proefdraaien met testbanken van motoren, turbines of reactoren, bedoeld in artikel 3.281 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder a en b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de aard en omvang van de geluidemissies en geluidimmissies die door de activiteit worden veroorzaakt; en b. b. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.138 [Gereserveerd] ### Artikel 7.139 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27a, onder a en b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van stofvorming en van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; b. b. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; c. c. de locaties van de lozingspunten waar op het vuilwaterriool of schoonwaterriool wordt geloosd; d. d. de samenstelling van het afvalwater dat op het vuilwaterriool en schoonwaterriool wordt geloosd; e. e. de bron of oorzaak van het afvalwater dat op het vuilwaterriool en schoonwaterriool wordt geloosd; en f. f. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het ontstaan van afvalwater te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.140 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, aanhef en onder b of c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opstelplaats van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal en het soort voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen dat wordt opgesteld; b. b. de coördinaten van de opstelplaats; c. c. de hoeveelheid stoffen in liters of kilogrammen die ten hoogste aanwezig is in de voertuigen, opleggers of aanhangers; d. d. de ADR-klasse en de eigenschappen van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn in de voertuigen, opleggers of aanhangers; en e. e. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen die worden verricht op dezelfde locatie als de activiteiten, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder b tot en met k, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.16, 3.22, 3.25, 3.28, 3.31, 3.34 of 3.37 van dat besluit als bedoeld in artikel 3.286, tweede lid, van dat besluit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van die andere milieubelastende activiteiten met gevaarlijke stoffen; b. b. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in liters; en c. c. de ADR-klassen van die gevaarlijke stoffen. ### Artikel 7.141 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het begassen of ontgassen van containers, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de eigenschappen van de stoffen die worden gebruikt om te begassen of ontgassen; b. b. de hoeveelheid in kubieke meters van de stoffen die worden gebruikt om te begassen of ontgassen; en c. c. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om vrijkomende dampen op te vangen. ### Artikel 7.142 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het tanken van voertuigen of werktuigen met LNG, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a en b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal opslagtanks voor LNG dat aanwezig is; b. b. de coördinaten van het vulpunt van de opslagtank; c. c. de reactietijd in seconden van de noodstopvoorziening; d. d. een aanduiding of sprake is van ondervulling of bovenvulling; e. e. een aanduiding of sprake is van verlading met een pomp; en f. f. de gebruikte voordruk in kilopascal. **3.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het tanken van voertuigen of werktuigen met waterstof, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de coördinaten van: 1°. de tussenopslag, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met een buisleiding of op de locatie wordt geproduceerd; 2°. het vulpunt van de opslagtank, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met tanks; en 3°. de opslagtank; 1°. 1°. de tussenopslag, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met een buisleiding of op de locatie wordt geproduceerd; 2°. 2°. het vulpunt van de opslagtank, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met tanks; en 3°. 3°. de opslagtank; b. b. als waterstof wordt opgeslagen: de hoeveelheid in kubieke meters die ten hoogste wordt opgeslagen; en c. c. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. ### Artikel 7.143 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onverpakt in bulk opslaan van meer dan 1 kg vaste gevaarlijke stoffen of het opslaan van gevaarlijke stoffen in container, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, aanhef en onder g en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de maximale opslagcapaciteit in kilogrammen; b. b. de hoeveelheid stoffen in kilogrammen die per ADR-klasse ten hoogste wordt opgeslagen; c. c. het soort verpakkingen waarin de gevaarlijke stoffen worden opgeslagen; en d. d. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om bodemverontreiniging te voorkomen. ### Artikel 7.144 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder i, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het gewicht van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen, onderscheiden naar ADR-klasse en compatibiliteitsgroep als bedoeld in de ADR en aangegeven met de letters A tot en met J, K tot en met N of S, dat ten hoogste wordt opgeslagen; en b. b. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 door een ander dan de Nederlandse of bondgenootschappelijke krijgsmacht voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per opslagplaats de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het type ontplofbare stoffen en de hoeveelheid in kilogrammen die ten hoogste wordt opgeslagen; b. b. een aanduiding of het gaat om ADR-klasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 of 1.6 per type ontplofbare stof die wordt opgeslagen; c. c. de hoeveelheid NEM in kilogrammen; en d. d. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. **3.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het buiten een Seveso-inrichting opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder k, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, verstrekt. **4.** Bij de aanvraag, bedoeld in het derde lid, worden per opslagplaats ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de gegevens die nodig zijn om de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, en de categorie van die gevaarlijke stoffen te identificeren die aanwezig zijn of kunnen zijn; b. b. een lijst met de hoeveelheid in kilogrammen, aard en fysische vormen van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn, die aanwezig zijn of kunnen zijn; en c. c. de jaarlijkse doorzet in kilogrammen van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn. ### Artikel 7.145 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het voor het vervoer van goederen opslaan van stoffen, bedoeld in artikel 3.286, derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder e, f, h, n, o, p en q, verstrekt. ### Artikel 7.146 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor het repareren van vliegtuigen, bedoeld in artikel 3.293 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.27a en 7.27b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de metalen die worden verwerkt; b. b. als polyesterhars wordt verwerkt: 1°. de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 2°. de ligging van de geuremissiepunten; en 1°. 1°. de maximale verwerkingscapaciteit in tonnen per jaar; en 2°. 2°. de ligging van de geuremissiepunten; en c. c. als gasflessen worden gevuld met propaan of butaan: de hoeveelheid gassen in liters die ten hoogste wordt opgeslagen. ### Artikel 7.147 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een spoorwegemplacement, bedoeld in de artikelen 3.295a en 3.295b van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a en b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal wagons met gevaarlijke stoffen dat per jaar het spoorwegemplacement aandoet; b. b. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in kilogrammen die per ADR-klasse ten hoogste tegelijkertijd op het spoorwegemplacement aanwezig is; en c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.148 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen of werktuigen met LNG, bedoeld in de artikelen 3.296 en 3.297, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a en b, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal opslagtanks voor LNG dat aanwezig is; b. b. de coördinaten van het vulpunt van de opslagtank; c. c. de reactietijd in seconden van de noodstopvoorziening; d. d. een aanduiding of sprake is van ondervulling of bovenvulling; e. e. een aanduiding of sprake is van verlading met een pomp; en f. f. de gebruikte voordruk in kilopascal. **3.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen of werktuigen met waterstof, bedoeld in de artikelen 3.296 en 3.297, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de coördinaten van: 1°. de tussenopslag, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met een buisleiding of op de locatie wordt geproduceerd; 2°. het vulpunt van de opslagtank, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met tanks; en 3°. de opslagtank; 1°. 1°. de tussenopslag, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met een buisleiding of op de locatie wordt geproduceerd; 2°. 2°. het vulpunt van de opslagtank, voor zover de waterstof wordt aangevoerd met tanks; en 3°. 3°. de opslagtank; b. b. als waterstof wordt opgeslagen: de hoeveelheid in kubieke meters die ten hoogste wordt opgeslagen; en c. c. een beschrijving van de ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder a. ### Artikel 7.149 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het inwendig reinigen van opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen of voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen zijn vervoerd, bedoeld in artikel 3.301, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.150 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van opslagtanks of verpakkingen waarin gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen of voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen zijn vervoerd, bedoeld in artikel 3.301, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h, j en k tot en met o, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.3.10. Sport en recreatie ### Artikel 7.151 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het sporten of recreëren met voertuigen met een verbrandingsmotor in de buitenlucht, bedoeld in artikel 3.305 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; b. b. een aanduiding van de aard en omvang van de geluidemissies en geluidimmissies die door de activiteit worden veroorzaakt; en c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ##### Paragraaf 7.2.3.11. Mijnbouw ### Artikel 7.152 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in de artikelen 3.320 en 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de capaciteit van het mijnbouwwerk die ten hoogste wordt bereikt in kubieke meters per dag; b. b. het motorische of thermische vermogen in kilowatt van de installaties die tot het mijnbouwwerk behoren dat ten hoogste wordt bereikt; c. c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. d. de coördinaten van het mijnbouwwerk; e. e. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen voor het opslaan van afvalstoffen in het mijnbouwwerk; en f. f. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.22a, eerste lid, onder b en c, als het gaat om het winnen, opslaan, bewerken of gereedmaken voor transport van: 1°. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse: i. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; ii. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of iii. acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; 2°. ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1; of 3°. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1 of 8. 1°. 1°. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse: i. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; ii. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of iii. acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; i. i. ontvlambare gassen, categorie 1 of 2, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; ii. ii. ontvlambare vloeistoffen, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij de CLP-verordening; of iii. iii. acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; 2°. 2°. ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1; of 3°. 3°. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1 of 8. ##### Paragraaf 7.2.3.12. Defensie ### Artikel 7.153 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een militaire zeehaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in de artikelen 3.323 en 3.324, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.154 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater afkomstig van het exploiteren van een militaire zeehaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in artikel 3.324, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.155 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een militaire luchthaven, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in de artikelen 3.326 en 3.327 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.27, verstrekt. ### Artikel 7.156 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan en bewerken van stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.1 of 1.2, of meer dan 50 kg NEM in stoffen of voorwerpen van ADR-klasse 1.3, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoeld in de artikelen 3.331 en 3.332 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. per opslagplaats: het type ontplofbare stoffen of voorwerpen en de hoeveelheid in kilogrammen die ten hoogste wordt opgeslagen; en b. b. als sprake is van een militair explosieaandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.32, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving: de berekening van de begrenzing van de locatie van dat gebied. ### Artikel 7.157 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen op een schietbaan of combinatie van schietbanen waar meer dan 3.000.000 schoten per jaar worden afgevuurd, een permanente voorziening waarop ontplofbare voorwerpen uit militaire vliegtuigen worden geworpen of springterreinen, met inbegrip van het terrein, bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedoeld in de artikelen 3.334 en 3.335, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. informatie over de fysieke begrenzing van de locatie waarop de activiteit zal worden verricht; b. b. informatie over het type schietbaan; c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken; d. d. een aanduiding van de aard en omvang van de geluidemissies en geluidimmissies die door de activiteit worden veroorzaakt; en e. e. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te beperken. ### Artikel 7.157a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van ontplofbare stoffen of voorwerpen afkomstig van het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, bedoeld in artikel 3.335, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. van de ontplofbare stoffen en voorwerpen die in het oppervlaktewaterlichaam worden gebracht: 1°. een aanduiding van het type; 2°. een aanduiding van het kaliber; 3°. een indicatie van de samenstelling; en 4°. de totale jaarvracht in kilogrammen; en 1°. 1°. een aanduiding van het type; 2°. 2°. een aanduiding van het kaliber; 3°. 3°. een indicatie van de samenstelling; en 4°. 4°. de totale jaarvracht in kilogrammen; en b. b. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam te beperken. ##### Paragraaf 7.2.3.13. Overige milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten ### Artikel 7.157b Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het produceren en leveren van teruggewonnen water als bedoeld in artikel 19.1c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een risicobeheerplan als bedoeld in artikel 5 van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater; en b. b. de gegevens en bescheiden die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan artikel 6, derde en zesde lid, van de verordening hergebruik stedelijk afvalwater. #### Paragraaf 7.2.4. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk ##### Paragraaf 7.2.4.1. Algemeen: modules ### Artikel 7.158 De artikelen in deze paragraaf en artikel 7.23 zijn alleen van toepassing voor zover dat in de paragrafen 7.2.4.2 tot en met 7.2.4.8 of 7.2.5.2 tot en met 7.2.5.9 is bepaald. ### Artikel 7.159 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk als bedoeld in hoofdstuk 6 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt verricht; b. b. een toelichtende tekening en de coördinaten van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. d. een beschrijving van de gevolgen van de activiteit voor de waterkwaliteit, waterkwantiteit, waterveiligheid en maatschappelijke functies van het waterstaatswerk; e. e. contactgegevens van de partijen die direct bij het verrichten van de activiteit zijn betrokken; en f. f. als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig Richtlijn Boortechnieken en open ontgraving voor kabels en leidingen, uitgegeven door Rijkswaterstaat. ##### Paragraaf 7.2.4.2. Bouwwerken, werken en objecten ### Artikel 7.160 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam of een kanaal in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.17, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ### Artikel 7.161 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.4.3. Grondverzet ### Artikel 7.162 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de wet die bestaat uit het ontgronden in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van: 1°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 2°. de oppervlakte die ten hoogste wordt ontgrond; 3°. de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil; 4°. de bestaande maaiveldhoogte; 5°. de dwarsprofielen van de activiteit; en 6°. de opleveringshoogten; 1°. 1°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 2°. 2°. de oppervlakte die ten hoogste wordt ontgrond; 3°. 3°. de diepte in meters die ten hoogste wordt bereikt ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil; 4°. 4°. de bestaande maaiveldhoogte; 5°. 5°. de dwarsprofielen van de activiteit; en 6°. 6°. de opleveringshoogten; b. b. de coördinaten van de locatie waarop de ontgrondingsactiviteit wordt verricht; c. c. een beschrijving van de locatie waarop de activiteit wordt verricht en een vermelding van het huidige gebruik; d. d. de reden van de activiteit en het toekomstig gebruik van de te ontgronden locatie; e. e. de hoeveelheid in kubieke meters en de soort stoffen die naar verwachting: 1°. worden ontgraven; 2°. worden toegepast op een andere locatie dan de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 3°. worden toegepast op de locatie waarop de activiteit wordt verricht en afkomstig zijn van een andere locatie; en 4°. de herkomst van de stoffen die worden toegepast op de locatie waarop de activiteit wordt verricht en afkomstig zijn van een andere locatie; 1°. 1°. worden ontgraven; 2°. 2°. worden toegepast op een andere locatie dan de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 3°. 3°. worden toegepast op de locatie waarop de activiteit wordt verricht en afkomstig zijn van een andere locatie; en 4°. 4°. de herkomst van de stoffen die worden toegepast op de locatie waarop de activiteit wordt verricht en afkomstig zijn van een andere locatie; f. f. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; g. g. een beschrijving van de wijze waarop is verzekerd dat de locatie, zowel tijdens het verrichten van de activiteit als daarna, veilig en stabiel is; h. h. een beschrijving en tekening van de inrichting en het beheer van de locatie na beëindiging van de activiteit; i. i. een tekening met daarop aangegeven de begrenzing van de te ontgronden en in te richten locatie; j. j. naam, type en registratiegegevens van het te gebruiken vaartuig of drijvend werktuig; k. k. een beschrijving van de gevolgen van de activiteit voor het oppervlaktewaterlichaam en de omgeving; l. l. een rapportage met een weergave van een verricht hydrologisch en geohydrologisch onderzoek naar de gevolgen van de activiteit; en m. m. als het gaat om een activiteit in een rivier: een rivierkundig onderzoek. ### Artikel 7.163 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of in stand houden van een terreinophoging in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.29 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ### Artikel 7.164 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het ontgraven, verplaatsen of toepassen van grond of baggerspecie in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.4.4. Onttrekken van water ### Artikel 7.165 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van een instroomvoorziening voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.35 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ### Artikel 7.166 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt; b. b. de coördinaten van elk onttrekkingspunt; c. c. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per onttrekkingspunt; d. d. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken; e. e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en f. f. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. ### Artikel 7.167 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk of het in de bodem brengen van water voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. b. het aantal in te richten putten; c. c. de coördinaten van elke put; d. d. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van elke put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; e. e. de lengte in meters van het effectieve filter in elke put; f. f. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; g. g. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; h. h. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en i. i. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. ##### Paragraaf 7.2.4.5. Lozen van huishoudelijk afvalwater ### Artikel 7.168 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.40 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.4.5a. Mijnbouwlocatieactiviteiten ### Artikel 7.168a **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een locatie in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk voor een mijnbouwinstallatie, bedoeld in artikel 6.46, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; b. b. de coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en c. c. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen in het belang van de landsverdediging en de veiligheid. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een locatie in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, bedoeld in artikel 6.46, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en b. b. de wijze waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht en de technieken en hulpmiddelen die daarbij worden gebruikt. ##### Paragraaf 7.2.4.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam ### Artikel 7.169 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.4.7. Andere lozingen ### Artikel 7.170 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het brengen van stoffen, water of warmte op een oppervlaktewaterlichaam in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ### Artikel 7.171 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a, f tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.172 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van meer dan 5.000 m^3 water per uur op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met c, g en i, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving en toelichtende tekening van de uitstroomvoorziening; b. b. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per uitstroomvoorziening; c. c. een aanduiding van de afmetingen van de uitstroomvoorziening; en d. d. de coördinaten van de uitstroomvoorziening. ### Artikel 7.173 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van water door een uitstroomvoorziening op een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.173a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in een beperkingengebied met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.56j, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; b. b. de coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en c. c. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om eventuele risico’s voor de mijnbouwinstallatie zoveel mogelijk te beperken. ##### Paragraaf 7.2.4.8. Andere beperkingengebiedactiviteiten in of bij rijkswateren ### Artikel 7.174 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel, materialen of vaste substanties in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk tussen 1 oktober en 1 april, bedoeld in artikel 6.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ### Artikel 7.175 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden of het plaatsen, laten staan of laten liggen van materieel, materialen of vaste substanties in een beperkingengebied met betrekking tot een waterkering in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. #### Paragraaf 7.2.5. Activiteiten in de Noordzee ##### Paragraaf 7.2.5.1. Algemeen: modules ### Artikel 7.176 De artikelen 7.23 en 7.159 zijn alleen van toepassing voor zover dat in de paragrafen 7.2.5.2 tot en met 7.2.5.9 is bepaald. ##### Paragraaf 7.2.5.2. Bouwwerken, werken en objecten ### Artikel 7.177 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, in stand houden of slopen van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden, veranderen of verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen, in stand houden of verwijderen van andere objecten in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.17, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. **2.** Als de aanvraag betrekking heeft op een locatie buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, wordt bij de aanvraag ook een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. ##### Paragraaf 7.2.5.3. Grondverzet ### Artikel 7.178 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de wet die bestaat uit het ontgronden in de Noordzee, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.162, onder a tot en met k, verstrekt. **2.** Als de aanvraag betrekking heeft op een locatie buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, wordt bij de aanvraag ook een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. ### Artikel 7.179 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het ontgraven, verplaatsen of toepassen van grond of baggerspecie in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.28, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. **2.** Als de aanvraag betrekking heeft op een locatie buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, wordt bij de aanvraag ook een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. ##### Paragraaf 7.2.5.4. Beperkingengebiedactiviteiten bij installaties in zee ### Artikel 7.180 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.47, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; b. b. een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om eventuele risico’s voor de mijnbouwinstallatie zoveel mogelijk te beperken; c. c. de coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en d. d. een kaart met de locatie van de mijnbouwinstallatie, het beperkingengebied met betrekking tot die installatie en de bijzonderheden van het omliggende gebied. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een andere installatie dan een mijnbouwinstallatie in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.47, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, onder a tot en met c en e tot en met i, verstrekt. **3.** Bij de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, worden ook de coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.5.5. Lozen van huishoudelijk afvalwater ### Artikel 7.181 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het lozen van huishoudelijk afvalwater in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.49 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.5.6. Telen en kweken in een oppervlaktewaterlichaam ### Artikel 7.182 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten en het invangen van mosselzaad in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.55 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. **2.** Als de aanvraag betrekking heeft op een locatie buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, wordt bij de aanvraag ook een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. ##### Paragraaf 7.2.5.7. Andere lozingen ### Artikel 7.183 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van een uitstroomvoorziening voor het brengen van stoffen, water of warmte in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.159, verstrekt. ### Artikel 7.184 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van stoffen of water afkomstig van het onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.60, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met c, g, h en l tot en met n, verstrekt. ### Artikel 7.185 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van meer dan 5.000 m^3 water per uur in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.60, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met c, g en i, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving en een toelichtende tekening van de uitstroomvoorziening; b. b. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per uitstroomvoorziening; c. c. een aanduiding van de afmetingen van de uitstroomvoorziening; en d. d. de coördinaten van de uitstroomvoorziening. ### Artikel 7.186 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van water door een uitstroomvoorziening in de Noordzee, bedoeld in artikel 7.60, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a tot en met c, f tot en met h en l tot en met n, verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.5.8. Stortingsactiviteiten op zee ### Artikel 7.187 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een stortingsactiviteit op zee als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder d, van de wet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de aard, samenstelling, eigenschappen en herkomst van de stoffen die worden gestort; b. b. een aanduiding van de hoeveelheid in kubieke meters van de stoffen die worden gestort; c. c. een beschrijving van de methode van storten; d. d. een beschrijving van de gevolgen voor het mariene milieu van de stoffen die worden gestort; en e. e. het onderzoeksprotocol en de onderzoeksstrategie, bedoeld in NEN 5720. ##### Paragraaf 7.2.5.9. Mijnbouwlocatieactiviteiten ### Artikel 7.188 **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een locatie in de Noordzee voor een mijnbouwinstallatie voor het opsporen of winnen van delfstoffen, bedoeld in artikel 7.67, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en b. b. de coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een locatie in de Noordzee voor een mijnbouwinstallatie die geheel of gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteekt, bedoeld in artikel 7.67, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; b. b. de coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; c. c. als de mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het om die installatie gelegen beperkingengebied, is voorzien in een in bijlage III aangewezen oefen- en schietgebied: een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen in het belang van de landsverdediging en de veiligheid; d. d. als de mijnbouwinstallatie met inbegrip van het om die installatie gelegen beperkingengebied, is voorzien in een in bijlage III aangewezen gebied dat druk wordt bevaren: een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen in het belang van de scheepvaart en de veiligheid; en e. e. als de mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het om die installatie gelegen beperkingengebied, is voorzien in een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit bevaren als bedoeld in artikel 3, eerste lid, respectievelijk, artikel 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee: een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen in het belang van de elektriciteitsopwekking en de veiligheid. **3.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een locatie in de Noordzee voor een verkenningsonderzoek met gebruikmaking van kunstmatig opgewekte trillingen, bedoeld in artikel 7.67, aanhef en onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; b. b. de wijze waarop het verkenningsonderzoek zal worden verricht en de technieken en hulpmiddelen die daarbij worden gebruikt; c. c. de coördinaten van de locatie waarop het verkenningsonderzoek wordt verricht; d. d. als het verkenningsonderzoek wordt verricht in of boven delen van een in bijlage III aangewezen oefen- en schietgebied: een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen in het belang van de landsverdediging en de veiligheid; e. e. als het verkenningsonderzoek wordt verricht in of boven delen van een in bijlage III aangewezen aanloopgebied: een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen in het belang van de scheepvaart en de veiligheid; en f. f. als het verkenningsonderzoek wordt verricht in of boven delen van een in bijlage III aangewezen ankergebied in de buurt van een aanloophaven: een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen in het belang van de scheepvaart en de veiligheid. #### Paragraaf 7.2.6. Activiteiten rond rijkswegen ##### Paragraaf 7.2.6.1. Algemeen ### Artikel 7.189 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een situatietekening waarop de locatie is aangegeven waarop de activiteit wordt verricht met coördinaten, voorzien van een legenda, noordpijl, rijkswegnummer, kilometrering en aanduiding van het beperkingengebied; b. b. een beschrijving van de locatie en de inrichting van het werkterrein; c. c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. d. een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt verricht; e. e. contactgegevens van de partijen die direct bij het verrichten van de activiteit zijn betrokken; en f. f. als gevolgen voor het wegennet zijn te verwachten: een verkeersplan en een risico-inventarisatie met beheersmaatregelen. ##### Paragraaf 7.2.6.2. Te verstrekken gegevens en bescheiden voor specifieke beperkingengebiedactiviteiten ### Artikel 7.190 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden relevante gegevens en bescheiden verstrekt over de voorgenomen werkzaamheden. ### Artikel 7.191 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van weginfrastructuur in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een tekening van de nieuwe situatie, met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, dwarsprofielen, materialen die worden toegepast, afwatering en verlichting; b. b. als een bemaling plaatsvindt: een bemalingsplan; en c. c. als de grond moet worden voorbelast: een stabiliteitsonderzoek, een monitoringsplan en dwarsprofielen. ### Artikel 7.192 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van informatieborden in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een ontwerp van de opschriften; b. b. de maten van het informatiebord en de bijbehorende constructie; c. c. een beschrijving van de materialen die worden toegepast; d. d. een tekening van de nieuwe situatie, met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, materialen die worden toegepast en verlichting; e. e. de wijze van verankering; en f. f. als sprake is van grondverankering: de diepte in meters. ### Artikel 7.193 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een technische installatie voor een nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het wegverkeer of het reguleren van het wegverkeer in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, aanhef en onder b, onder 3°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de technische installatie, de maatvoering en de materialen die worden toegepast; b. b. een tekening van de nieuwe situatie; c. c. de wijze van verankering; en d. d. als sprake is van grondverankering: de diepte in meters. ### Artikel 7.194 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van andere bouwwerken, het aanleggen, plaatsen of in stand houden van andere werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen of in stand houden van andere objecten in het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, aanhef en onder b, onder 4°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een tekening van de nieuwe situatie, met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, materialen die worden toegepast, afwatering en verlichting; b. b. als sprake is van een tijdelijke infrastructuur: een tekening daarvan; c. c. als sprake is van bemaling: een bemalingsplan; en d. d. als de grond moet worden voorbelast: een stabiliteitsonderzoek, een monitoringsplan en dwarsprofielen. ### Artikel 7.195 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van een gebouw in het deel van het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk dat hoort bij een verzorgingsplaats, bedoeld in artikel 8.16, tweede lid, onder c, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een tekening van de nieuwe situatie, met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, dwarsprofielen, materialen die worden toegepast, afwatering en verlichting; b. b. als sprake is van bemaling: een bemalingsplan; en c. c. als de grond moet worden voorbelast: een stabiliteitsonderzoek, een monitoringsplan en dwarsprofielen. ### Artikel 7.196 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van een bouwwerk voor het leveren van energie aan voertuigen in het deel van het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk dat hoort bij een verzorgingsplaats, bedoeld in artikel 8.16, tweede lid, onder c, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een tekening van de nieuwe situatie, met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, dwarsprofielen, materialen die worden toegepast, afwatering en verlichting; en b. b. als sprake is van bemaling: een bemalingsplan. ### Artikel 7.197 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het herinrichten van een verzorgingsplaats dat nadelige gevolgen kan hebben voor de staat of werking van de weg in het deel van het beperkingengebied met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk dat hoort bij een verzorgingsplaats, bedoeld in artikel 8.16, tweede lid, onder c, onder 3°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een tekening van de nieuwe situatie, met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, dwarsprofielen, materialen die worden toegepast, afwatering en verlichting; b. b. als sprake is van tijdelijke infrastructuur: een tekening daarvan; c. c. als sprake is van bemaling: een bemalingsplan; en d. d. als de grond moet worden voorbelast: een stabiliteitsonderzoek, een monitoringsplan en dwarsprofielen. #### Paragraaf 7.2.7. Activiteiten rond spoorwegen ##### Paragraaf 7.2.7.1. Algemeen ### Artikel 7.197a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg, een bijzondere spoorweg of een lokale spoorweg als bedoeld in artikel 9.20, 9.31, 9.38, 9.44, eerste lid, of 9.48, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een situatietekening op een schaal van ten minste 1:1000 waarop de locatie is aangegeven waar de activiteit wordt verricht met coördinaten, voorzien van een legenda, noordpijl, kilometrering en aanduiding van de spoorweg en het bijbehorende beperkingengebied; b. b. een beschrijving van de locatie en de inrichting van het werkterrein waarbij in elk geval is aangegeven de locatie van bouwketen, werkmaterieel inclusief draaicirkels, opslagtanks en aan- en afvoerwegen; c. c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen en de verwachte duur ervan; d. d. een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt verricht; e. e. contactgegevens van de partijen die direct bij het verrichten van de activiteiten zijn betrokken; en f. f. een beschrijving van de gevolgen van de werkzaamheden voor de toegankelijkheid, de veiligheid en het doelmatig gebruik van de spoorweginfrastructuur. ##### Paragraaf 7.2.7.2. Activiteiten rond hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen ### Artikel 7.197b Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van elektriciteitskabels en beschermbuizen voor kabels en leidingen in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg, bedoeld in artikel 9.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding op de situatietekening, bedoeld in artikel 7:197a, onder a, van de ligging van de kabel, leiding of objecten die daarmee samenhangen met coördinaten; b. b. bij een kabel of een beschermbuis voor een kabel: een dwarsprofieltekening op een schaal van 1:100 van de kabel of beschermbuis met de volgende informatie: 1°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil; 2°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van de bovenkant van de spoorstaaf; 3°. een aanduiding van de inwendige- en uitwendige diameter in centimeters; 4°. de materiaalsoort; 5°. het type kabel; 6°. het aantal kabels; en 7°. het doel van de kabel; 1°. 1°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil; 2°. 2°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van de bovenkant van de spoorstaaf; 3°. 3°. een aanduiding van de inwendige- en uitwendige diameter in centimeters; 4°. 4°. de materiaalsoort; 5°. 5°. het type kabel; 6°. 6°. het aantal kabels; en 7°. 7°. het doel van de kabel; c. c. bij een beschermbuis voor een leiding: een dwarsprofieltekening op een schaal van 1:100 van de beschermbuisleiding met de volgende informatie: 1°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil; 2°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van de bovenkant van de spoorstaaf; 3°. een aanduiding van de inwendige en uitwendige diameter in centimeters; 4°. de materiaalsoort; 5°. de soort door te voeren stof; en 6°. de te onderhouden maximum werkdruk in bar; 1°. 1°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil; 2°. 2°. een aanduiding van de diepte in meters ten opzichte van de bovenkant van de spoorstaaf; 3°. 3°. een aanduiding van de inwendige en uitwendige diameter in centimeters; 4°. 4°. de materiaalsoort; 5°. 5°. de soort door te voeren stof; en 6°. 6°. de te onderhouden maximum werkdruk in bar; d. d. bij een beschermbuis voor een leiding onder druk: een erosiekraterberekening; e. e. bij een beschermbuis voor een transportleiding: een slijtageberekening; f. f. als een gestuurde boring of persing wordt gebruikt: een boorplan; en g. g. als de activiteit plaatsvindt bij de fundering van een brug of viaduct: een stabiliteitsberekening. ### Artikel 7.197c Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen of in stand houden van andere objecten in de kernzone, overwegzone of beschermingszone van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg, bedoeld in artikel 9.31 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding op de situatietekening, bedoeld in artikel 7.197a, onder a, van de ligging van het bouwwerk, werk of object ten opzichte van de spoorweginfrastructuur met coördinaten; b. b. een tekening van de nieuwe situatie met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering, materialen die worden toegepast, de hoogte van het bouwwerk, werk of object ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil en ten opzichte van de bovenkant spoorstaaf, en het aantal bouwlagen; c. c. als de grond moet worden voorbelast: een stabiliteitsonderzoek, een monitoringsplan en dwarsprofielen; en d. d. als er sprake is van bemaling: een bemalingsplan. ### Artikel 7.197d Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen en veranderen van werken die geen bouwwerken zijn, het plaatsen van andere objecten of het verrichten van werkzaamheden, waarbij de opzet van het perron of station wezenlijk verandert, in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg, bedoeld in artikel 9.38 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197c, verstrekt. ### Artikel 7.197e Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden, het storten van stoffen of het opslaan van licht ontvlambare stoffen in het beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of een bijzondere spoorweg, bedoeld in artikel 9.44, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. als werkzaamheden worden verricht: een omschrijving van de werkzaamheden en het te gebruiken materieel; b. b. als stoffen worden gestort: een omschrijving van de stoffen; en c. c. als licht ontvlambare stoffen worden opgeslagen: de hoeveelheid stoffen in kilogrammen die per ADR-klasse aanwezig is. ##### Paragraaf 7.2.7.3. Activiteiten rond lokale spoorwegen ### Artikel 7.197f Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden of het bouwen of in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn of het plaatsen of in stand houden van andere objecten in het beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een tekening van de nieuwe situatie met inbegrip van aanzichten, details, maatvoering en materialen die worden toegepast, de hoogte van het bouwwerk, werk of object ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil en ten opzichte van de bovenkant spoorstaaf en het aantal bouwlagen; b. b. als er sprake is van het boren in of persen van grond: werktekeningen van de persaannemer en erosiekraterberekeningen; c. c. als graaf-, hei- of bronneringswerkzaamheden plaatsvinden: een monitoringsplan; en d. d. bij een mogelijke belemmering van het zicht van de bestuurder: een zichtlijnenanalyse. #### Paragraaf 7.2.8. Activiteiten rond luchthavens ### Artikel 7.197g Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen of aanleggen van objecten in strijd met een regel in het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol of een luchthavenbesluit over de maximale hoogte van objecten in een beperkingengebied met betrekking tot een luchthaven, bedoeld in artikel 10.11, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van het object; b. b. een tekening van het object met de afmetingen van het object; c. c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen en de verwachte duur ervan; d. d. een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt verricht; e. e. contactgegevens van de partijen die direct bij het verrichten van de activiteit zijn betrokken; f. f. de hoogte van het object ten opzichte van het maaiveld; g. g. de ligging van het maaiveld ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil; h. h. de hoogte van het object ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil; i. i. de locatie van het object, uitgedrukt in coördinaten; j. j. een werktuigenplan; en k. k. als het gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot de luchthaven Schiphol: een uitdraai van de LIB-tool. #### Paragraaf 7.2.8a. Activiteiten die de natuur betreffen ##### Paragraaf 7.2.8a.1. Natura 2000-activiteit ### Artikel 7.197h **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een aanduiding van de Natura 2000-gebieden waarop een significant effect is te verwachten als gevolg van de voorgenomen activiteiten; b. b. de gewenste geldigheidsduur van de aangevraagde omgevingsvergunning; c. c. een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn; d. d. als uit de passende beoordeling volgt dat niet de zekerheid kan worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast als gevolg van de voorgenomen activiteiten: een ADC-toets als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn waaruit in ieder geval duidelijk wordt dat: 1°. er geen alternatieve oplossingen zijn; 2°. het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3°. compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft; en 1°. 1°. er geen alternatieve oplossingen zijn; 2°. 2°. het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3°. 3°. compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft; en e. e. als sprake is van stikstofdepositie: een met AERIUS Calculator uitgevoerde berekening van de stikstofdepositie. **2.** Als de activiteit significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, gegevens waaruit blijkt dat, in afwijking van het eerste lid, onder d, onder 2°, dat het project nodig is vanwege: a. a. argumenten die verband houden met de gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten; of b. b. andere dwingende redenen van openbaar belang, als de procedure van artikel 10.6d van het Omgevingsbesluit is toegepast. ##### Paragraaf 7.2.8a.2. Algemeen flora- en fauna-activiteiten: modules ### Artikel 7.197i Deze paragraaf is alleen van toepassing voor zover dat in paragraaf 7.2.8a.3, 7.2.8a.4, 7.2.8a.5 en 7.2.8a.6 is bepaald. ### Artikel 7.197j **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit, bedoeld in hoofdstuk 11, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de Nederlandse en wetenschappelijke naam van de soort waarom het gaat; b. b. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan, inclusief een onderbouwing en planning van de werkzaamheden die in het kader van de activiteit worden verricht; c. c. de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de activiteit en een onderbouwing waarom er geen andere bevredigende oplossing is dan het verrichten van de activiteit; d. d. een beschrijving van: 1°. de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 2°. de verspreiding van soorten en hun functies in en rondom het gebied, bedoeld onder 1°, inclusief het onderzoek dat daarnaar verricht is; 3°. de functies van de nesten of rustplaatsen van soorten en hoe essentieel deze zijn voor de staat van instandhouding van betreffende soorten; 4°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 5°. de mitigerende maatregelen die worden getroffen om schade aan de soort te voorkomen; 6°. de compenserende maatregelen die worden getroffen om onvermijdelijke schade aan de soort te herstellen; en 7°. bij een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen, de verspreiding van de soorten en de locatie van de mitigerende en compenserende maatregelen; 1°. 1°. de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 2°. 2°. de verspreiding van soorten en hun functies in en rondom het gebied, bedoeld onder 1°, inclusief het onderzoek dat daarnaar verricht is; 3°. 3°. de functies van de nesten of rustplaatsen van soorten en hoe essentieel deze zijn voor de staat van instandhouding van betreffende soorten; 4°. 4°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 5°. 5°. de mitigerende maatregelen die worden getroffen om schade aan de soort te voorkomen; 6°. 6°. de compenserende maatregelen die worden getroffen om onvermijdelijke schade aan de soort te herstellen; en 7°. 7°. bij een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen, de verspreiding van de soorten en de locatie van de mitigerende en compenserende maatregelen; e. e. de resultaten van een verricht natuurwaardenonderzoek met ten minste de volgende gegevens: 1°. een aanduiding van de aan- of afwezigheid van soorten; 2°. de omvang van de aanwezige populatie soorten; 3°. een aanduiding van de gevolgen van de activiteit in het werkgebied op de staat van instandhouding van de aanwezige soorten; en 4°. een beschrijving voor elke fase van de activiteit met ten minste de gevolgen van de daaraan voorafgaande fase en de gevolgen van mitigerende maatregelen als bedoeld onder d, onder 5°, of compenserende maatregelen als bedoeld onder d, onder 6°; en 1°. 1°. een aanduiding van de aan- of afwezigheid van soorten; 2°. 2°. de omvang van de aanwezige populatie soorten; 3°. 3°. een aanduiding van de gevolgen van de activiteit in het werkgebied op de staat van instandhouding van de aanwezige soorten; en 4°. 4°. een beschrijving voor elke fase van de activiteit met ten minste de gevolgen van de daaraan voorafgaande fase en de gevolgen van mitigerende maatregelen als bedoeld onder d, onder 5°, of compenserende maatregelen als bedoeld onder d, onder 6°; en f. f. als de activiteit nodig is voor onderzoek aan of naar soorten: gegevens over: 1°. de achtergrond en de aanleiding van het onderzoek; 2°. de doelstellingen van het onderzoek en de bijbehorende onderzoeksvragen; 3°. de methoden en technieken die worden toegepast om de onderzoeksvragen te beantwoorden en de wijze waarop wordt omgegaan met de vogels; 4°. de beschikbare protocollen, richtlijnen of standaarden die worden toegepast; 5°. de onderzoekshandelingen; 6°. de relatie met eerder verricht onderzoek en de resultaten daarvan; 7°. de samenwerking met andere instituten of onderzoekers; 8°. de wijze waarop de voortgang van het onderzoek wordt gemonitord; 9°. de deskundigheid van de onderzoekers; 10°. de planning van het onderzoek, uitgesplitst naar onderzoeksfases, beslis- en interventiemomenten en werkzaamheden; en 11°. de geraadpleegde literatuur. 1°. 1°. de achtergrond en de aanleiding van het onderzoek; 2°. 2°. de doelstellingen van het onderzoek en de bijbehorende onderzoeksvragen; 3°. 3°. de methoden en technieken die worden toegepast om de onderzoeksvragen te beantwoorden en de wijze waarop wordt omgegaan met de vogels; 4°. 4°. de beschikbare protocollen, richtlijnen of standaarden die worden toegepast; 5°. 5°. de onderzoekshandelingen; 6°. 6°. de relatie met eerder verricht onderzoek en de resultaten daarvan; 7°. 7°. de samenwerking met andere instituten of onderzoekers; 8°. 8°. de wijze waarop de voortgang van het onderzoek wordt gemonitord; 9°. 9°. de deskundigheid van de onderzoekers; 10°. 10°. de planning van het onderzoek, uitgesplitst naar onderzoeksfases, beslis- en interventiemomenten en werkzaamheden; en 11°. 11°. de geraadpleegde literatuur. **2.** Het natuurwaardenonderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder e: a. a. is verricht door een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies versterkt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten; en b. b. bevat gegevens waarvan de jongste gegevens niet ouder zijn dan drie jaar, of korter als in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht ingrijpend zijn gewijzigd. ##### Paragraaf 7.2.8a.3. Flora- en fauna-activiteit: vogelrichtlijnsoorten ### Artikel 7.197k **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opzettelijk doden of opzettelijk vangen, opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen of eieren, of het opzettelijk wegnemen van nesten, het rapen en onder zich hebben van eieren of het opzettelijk storen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met f, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: a. a. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; b. b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; c. c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; d. d. ter bescherming van flora en fauna; e. e. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of f. f. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. **3.** Het tweede lid, onder e en f, is niet van toepassing als het gaat om beperking van de omvang van een populatie van vogels. **4.** Als het gaat om beperking van de omvang van een populatie van vogels en het bestrijden van schadeveroorzakende vogels door grondgebruikers van vogels: a. a. is artikel 7.197j, eerste lid, onder d, onder 3°, 5°, 6°, en 7°, onder e en f niet van toepassing; en b. b. wordt een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen en de verspreiding van de vogelrichtlijnsoorten verstrekt. ### Artikel 7.197l **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of aanbieden voor verkoop van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten, bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met c, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4°. ter bescherming van flora en fauna; 5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of 6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; 1°. 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4°. 4°. ter bescherming van flora en fauna; 5°. 5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of 6°. 6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; b. b. een onderbouwing waarom de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoort; en c. c. de herkomst van de vogelrichtlijnsoort. ### Artikel 7.197m **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dode of levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn, gemakkelijk herkenbare delen van die vogels of uit die vogels verkregen producten, bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met c, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4°. ter bescherming van flora en fauna; 5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of 6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; 1°. 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4°. 4°. ter bescherming van flora en fauna; 5°. 5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of 6°. 6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; b. b. een onderbouwing waarom de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de vogelrichtlijnsoort; en c. c. de herkomst van de vogelrichtlijnsoort. ### Artikel 7.197n **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vangen, doden of achtervolgen van van nature in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de volgelrichtlijn, bedoeld in artikel 11.40, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met c en e, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; of 4°. ter bescherming van flora en fauna; en 1°. 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; of 4°. 4°. ter bescherming van flora en fauna; en b. b. een beschrijving van: 1°. de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 2°. de verspreiding van vogelrichtlijnsoorten in en rondom het gebied, bedoeld onder 1°, inclusief het onderzoek dat daarnaar wordt verricht; 3°. de functies van de nesten of rustplaatsen van vogelrichtlijnsoorten; 4°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 5°. de mitigerende maatregelen die worden getroffen om schade aan de vogelrichtlijnsoort te voorkomen; 6°. de compenserende maatregelen die worden getroffen om onvermijdelijke schade aan de vogelrichtlijnsoort te herstellen; en 7°. de middelen, bedoeld in artikel 8.74p van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de methoden bedoeld in 8.74q van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die gebruikt worden. 1°. 1°. de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 2°. 2°. de verspreiding van vogelrichtlijnsoorten in en rondom het gebied, bedoeld onder 1°, inclusief het onderzoek dat daarnaar wordt verricht; 3°. 3°. de functies van de nesten of rustplaatsen van vogelrichtlijnsoorten; 4°. 4°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 5°. 5°. de mitigerende maatregelen die worden getroffen om schade aan de vogelrichtlijnsoort te voorkomen; 6°. 6°. de compenserende maatregelen die worden getroffen om onvermijdelijke schade aan de vogelrichtlijnsoort te herstellen; en 7°. 7°. de middelen, bedoeld in artikel 8.74p van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de methoden bedoeld in 8.74q van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die gebruikt worden. ##### Paragraaf 7.2.8a.4. Flora- en fauna-activiteit: habitatrichtlijnsoorten ### Artikel 7.197o **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden, vangen of verstoren van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn, het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van die dieren, het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren of het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten, van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met f, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: a. a. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. b. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; c. c. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; d. d. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van die soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of e. e. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. **3.** Het tweede lid, onder d en e, is niet van toepassing als het gaat om beperking van de omvang van een populatie van habitatrichtlijnsoorten. **4.** Als het gaat om beperking van de omvang van een populatie van habitatrichtlijnsoorten en het bestrijden van schadeveroorzakende habitatrichtlijnsoorten door grondgebruikers van habitatrichtlijnsoorten: a. a. is artikel 7.197j, eerste lid, onder d, onder 3°, 5°, 6°, en 7°, onder e en f niet van toepassing; en b. b. wordt een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen en de verspreiding van de habitatrichtlijnsoorten verstrekt. ### Artikel 7.197p **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van dieren of planten, of het voor het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van dieren of planten, bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met c, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van die soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of 5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en 1°. 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. 2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3°. 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4°. 4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van die soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of 5°. 5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en b. b. een onderbouwing waarom de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de habitatrichtlijnsoort. ### Artikel 7.197q **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vangen of doden van dieren of het aan de natuur onttrekken van dieren door het gebruik van niet-selectieve middelen die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van de rust van populaties van soorten tot gevolg kunnen hebben, bedoeld in artikel 11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met c en e, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; of 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; en 1°. 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2°. 2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; of 3°. 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; en b. b. een beschrijving van: 1°. de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 2°. de verspreiding van habitatrichtlijnsoorten en hun functies in en rondom dat gebied, inclusief het onderzoek dat daarnaar verricht is; 3°. de functies van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van habitatrichtlijnsoorten en hoe essentieel deze zijn voor de gunstige staat van instandhouding van betreffende soorten; 4°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 5°. de mitigerende maatregelen die worden getroffen om schade aan de habitatrichtlijnsoort te voorkomen; 6°. de compenserende maatregelen die worden getroffen om onvermijdelijke schade aan de habitatrichtlijnsoort te herstellen; en 7°. de middelen, bedoeld in artikel 8.74r van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die gebruikt worden. 1°. 1°. de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 2°. 2°. de verspreiding van habitatrichtlijnsoorten en hun functies in en rondom dat gebied, inclusief het onderzoek dat daarnaar verricht is; 3°. 3°. de functies van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van habitatrichtlijnsoorten en hoe essentieel deze zijn voor de gunstige staat van instandhouding van betreffende soorten; 4°. 4°. de wijze waarop de activiteit wordt verricht; 5°. 5°. de mitigerende maatregelen die worden getroffen om schade aan de habitatrichtlijnsoort te voorkomen; 6°. 6°. de compenserende maatregelen die worden getroffen om onvermijdelijke schade aan de habitatrichtlijnsoort te herstellen; en 7°. 7°. de middelen, bedoeld in artikel 8.74r van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die gebruikt worden. ##### Paragraaf 7.2.8a.5. Flora- en fauna-activiteit: andere soorten ### Artikel 7.197r **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen of kevers, het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die dieren of het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel in artikel 7.197j, eerste lid, onder a tot en met f, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een onderbouwing waarom de activiteit nodig is: a. a. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. b. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; c. c. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; d. d. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; e. e. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsverordening of ministeriële regeling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; f. f. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; g. g. voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; h. h. voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; i. i. voor het voorkomen of bestrijden van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; j. j. in het kader van een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; k. k. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; l. l. in het kader van het bestendig beheren of onderhouden van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of m. m. in het algemeen belang. **3.** Het tweede lid, onder d, e, f, h, j en k is niet van toepassing als het gaat om beperking van de omvang van een populatie van de soorten als bedoeld in het eerste lid. **4.** Als het gaat om beperking van de omvang van een populatie en het bestrijden van schadeveroorzakende soorten als bedoeld in het eerste lid door grondgebruikers: a. a. is artikel 7.197j, eerste lid, onder d, onder 3°, 5°, 6°, en 7°, onder e en f niet van toepassing; en b. b. wordt een ingetekende topografische kaart met de locatie van de handelingen en de verspreiding van de soorten verstrekt. ##### Paragraaf 7.2.8a.6. Flora- en fauna-activiteit: overig ### Artikel 7.197s **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bijvoeren van in het wild levende edelherten, damherten, reeën, wilde zwijnen, fazanten, wilde eenden, houtduiven, hazen of konijnen, bedoeld in artikel 11.60, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden per soort de volgende gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.197j, eerste lid, onder a en b, verstrekt. **2.** Bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving waarom er sprake is van: 1°. bijzondere weersomstandigheden; of 2°. een tijdelijk natuurlijk voedseltekort waardoor het welzijn van de dieren in het geding is; 1°. 1°. bijzondere weersomstandigheden; of 2°. 2°. een tijdelijk natuurlijk voedseltekort waardoor het welzijn van de dieren in het geding is; b. b. een beschrijving, bedoeld onder a, die ten minste de volgende gegevens bevat: 1°. de reden tot bijvoeren of oorzaak van het voedseltekort; 2°. een beschrijving van de fysieke conditie van de dieren; 3°. een verklaring van een dierenarts of deskundige; en 4°. de wijze van bijvoeren. 1°. 1°. de reden tot bijvoeren of oorzaak van het voedseltekort; 2°. 2°. een beschrijving van de fysieke conditie van de dieren; 3°. 3°. een verklaring van een dierenarts of deskundige; en 4°. 4°. de wijze van bijvoeren. ##### Paragraaf 7.2.8a.7. Jachtgeweeractiviteit ### Artikel 7.197t **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. twee pasfoto’s van de aanvrager; b. b. een bewijs van een met goed gevolg afgelegd jachtexamen; en c. c. de namen en contactgegevens van ten minste drie referenten. **2.** Het eerste lid, aanhef en onder c, is niet van toepassing als de aanvrager een nog geldende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit heeft, tenzij de in dat onderdeel bedoelde gegevens, naar het oordeel van de korpschef noodzakelijk zijn voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8.74t, tweede lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ##### Paragraaf 7.2.8a.8. Valkeniersactiviteit ### Artikel 7.197u Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. twee goed gelijkende pasfoto’s van de aanvrager; b. b. een bewijs van een met goed gevolg afgelegd examen voor het gebruik van jachtvogels; en c. c. een bewijs dat de leeftijd van achttien jaar is bereikt. #### Paragraaf 7.2.9. Rijksmonumentenactiviteit ##### Paragraaf 7.2.9.1. Algemeen ### Artikel 7.198 **1.** Paragraaf 7.2.9 is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de wet. **2.** Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het rijksmonumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. b. de opgave van het huidige gebruik van het monument of archeologisch monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het monument of het archeologisch monument. ##### Paragraaf 7.2.9.2. Archeologische monumenten ### Artikel 7.199 **1.** Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 1°. de omvang in vierkante meters; en 2°. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; 1°. 1°. de omvang in vierkante meters; en 2°. 2°. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. b. een topografische kaart voorzien van noordpijl en ten minste twee coördinatenparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. d. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving; e. e. als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek; f. f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en g. g. voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen. **2.** Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld; b. b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt; c. c. detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen: 1°. de exacte locatie; 2°. de omvang; en 3°. de diepte ten opzichte van het maaiveld; 1°. 1°. de exacte locatie; 2°. 2°. de omvang; en 3°. 3°. de diepte ten opzichte van het maaiveld; d. d. voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit: 1°. een bestek met bijbehorende tekeningen; of 2°. een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; 1°. 1°. een bestek met bijbehorende tekeningen; of 2°. 2°. een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen; e. e. als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of f. f. als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. ### Artikel 7.200 Tekeningen als bedoeld in artikel 7.199 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. c. 1:50, als het gaat om een detailtekening. ##### Paragraaf 7.2.9.3. Monumenten ### Artikel 7.201 **1.** Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2°. foto’s van de bestaande toestand; 1°. 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2°. 2°. foto’s van de bestaande toestand; b. b. de volgende tekeningen: 1°. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. slooptekeningen; en 1°. 1°. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 2°. 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en i. i. plattegronden; ii. ii. doorsneden; iii. iii. gevelaanzichten; of iv. iv. een dakaanzicht; en 3°. 3°. slooptekeningen; en c. c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal. **2.** Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld; c. c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of d. d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten. ### Artikel 7.202 **1.** Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; 2°. foto’s van de bestaande toestand; en 3°. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; 1°. 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; 2°. 2°. foto’s van de bestaande toestand; en 3°. 3°. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; c. c. de volgende tekeningen: 1°. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3°. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; 1°. 1°. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 2°. 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en i. i. plattegronden; ii. ii. doorsneden; iii. iii. gevelaanzichten; of iv. iv. een dakaanzicht; en 3°. 3°. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; i. i. plattegronden; ii. ii. doorsneden; iii. iii. gevelaanzichten; of iv. iv. een dakaanzicht; d. d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen: een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie. **2.** Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische en zijn nieuwe omgeving; b. b. als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld; c. c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; d. d. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of e. e. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen. ### Artikel 7.203 **1.** Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2°. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; 1°. 1°. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2°. 2°. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. b. de volgende tekeningen: 1°. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; 3°. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 4°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 5°. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en 1°. 1°. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 2°. 2°. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; i. i. plattegronden; ii. ii. doorsneden; iii. iii. gevelaanzichten; of iv. iv. een dakaanzicht; 3°. 3°. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 4°. 4°. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en i. i. plattegronden; ii. ii. doorsneden; iii. iii. gevelaanzichten; of iv. iv. een dakaanzicht; en 5°. 5°. als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 1°. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2°. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal. 1°. 1°. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2°. 2°. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal. **2.** Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie. ### Artikel 7.204 Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. ### Artikel 7.205 **1.** Tekeningen als bedoeld in de artikelen 7.201 tot en met 7.203 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht. **2.** Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering. **3.** Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen. **4.** Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. a. balklagen: 1°. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2°. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; 1°. 1°. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2°. 2°. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden. #### Paragraaf 7.2.10. Grondwateronttrekkingen en ontgrondingen op land en in regionale wateren ##### Paragraaf 7.2.10.1. Wateronttrekkingsactiviteiten ### Artikel 7.206 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit voor een industriële toepassing of voor de openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. het aantal in te richten putten; b. b. de coördinaten van elke put; c. c. de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van elke put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil; d. d. de lengte in meters van het effectieve filter in elke put; e. e. de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put; f. f. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken; g. g. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; h. h. als het gaat om een wateronttrekkingsactiviteit voor een industriële toepassing: het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; en i. i. als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater: 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. 1°. 1°. de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht; 2°. 2°. de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; 3°. 3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking; 4°. 4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en 5°. 5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. ##### Paragraaf 7.2.10.2. Ontgrondingsactiviteiten ### Artikel 7.207 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de wet die bestaat uit een ontgrondingsactiviteit op land, in regionale wateren en in het winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.162, onder a tot en met i, k en l, verstrekt. #### Paragraaf 7.2.11. Lozen van stoffen of afvalwater afkomstig van een vaartuig ### Artikel 7.207a Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van stoffen of afvalwater afkomstig van een vaartuig, bedoeld in artikel 17.18, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 7.23, onder a, d en h tot en met n, verstrekt. #### Paragraaf 7.2.12. Omgevingsplanactiviteiten ### Artikel 7.207b **1.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de wet, worden, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de gegevens en bescheiden verstrekt die op grond van het omgevingsplan bij die aanvraag moeten worden verstrekt. **2.** Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor: a. a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. b. de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen en de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 van de wet gegeven instructies over omgevingsplannen; en c. c. het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk. ### Afdeling 7.3. Aanvraag gedoogplichtbeschikking #### Paragraaf 7.3.1. Algemene bepalingen ### Artikel 7.208 Deze afdeling is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in afdeling 10.3 van de wet. ### Artikel 7.209 Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de werken of activiteiten, bedoeld in paragraaf 10.3.2 van de wet, waarvoor de gedoogplicht wordt aangevraagd; b. b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. c. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en d. d. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde. ### Artikel 7.210 [Gereserveerd] #### Paragraaf 7.3.2. Gedoogplicht werken van algemeen belang ### Artikel 7.211 Bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking voor werken van algemeen belang als bedoeld in de artikelen 10.13 tot en met 10.18 en 10.19a van de wet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een algemene beschrijving van het werk; b. b. een overzichtstekening die de ligging van het werk ten opzichte van de omgeving toont en voor zover van toepassing het gehele traject waarop het werk betrekking heeft met, als dit van toepassing is, de dwarsdoorsneden; c. c. een aanduiding van de gemeente of gemeenten waarin het perceel is gelegen; d. d. de toelichting op de reden voor de aanvraag, met een omschrijving van de gevolgen van het werk; e. e. de stand van zaken van het op het perceel van toepassing zijnde omgevingsplan of projectbesluit; f. f. de stand van zaken van de aangevraagde en verleende vergunningen en andere publiekrechtelijke toestemmingen; g. g. als sprake is van de uitvoering van een werk: 1°. een toelichting op de wijze van de uitvoering; 2°. de tijdsplanning, waaronder ten minste de verwachte datum waarop een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden en de verwachte datum van ingebruikstelling; en 1°. 1°. een toelichting op de wijze van de uitvoering; 2°. 2°. de tijdsplanning, waaronder ten minste de verwachte datum waarop een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden en de verwachte datum van ingebruikstelling; en h. h. als sprake is van een tracé: een beschrijving van de tracékeuze. ### Artikel 7.212 Bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking voor werken van algemeen belang als bedoeld in de artikelen 10.13 tot en met 10.18 en 10.19a van de wet worden per perceel en per rechthebbende de volgende gegevens en bescheiden als een aparte set gegevens verstrekt: a. a. de naam en het adres van de rechthebbende; b. b. de kadastrale gegevens van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft en een actuele kadastrale kaart; c. c. de vermogensrechtelijke status van de rechthebbende op het perceel; d. d. een beschrijving van het werk op het perceel; e. e. een situatietekening waarop het werk en het perceel is aangegeven en waarop het gedeelte van het perceel is ingetekend waarop de gedoogplicht komt te rusten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen: 1°. het gedeelte van het perceel waarop tijdelijk werken of werkzaamheden moeten worden gedoogd; en 2°. het gedeelte van het perceel waarop permanent werken of werkzaamheden moeten worden gedoogd; 1°. 1°. het gedeelte van het perceel waarop tijdelijk werken of werkzaamheden moeten worden gedoogd; en 2°. 2°. het gedeelte van het perceel waarop permanent werken of werkzaamheden moeten worden gedoogd; f. f. gegevens en bescheiden die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval een chronologisch overzicht van het minnelijk overleg; en g. g. als de rechthebbende tot een rechtspersoon behoort: een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel over deze rechtspersoon. #### Paragraaf 7.3.3. Gedoogplicht archeologisch onderzoek ### Artikel 7.213 Bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking vanwege het verrichten van een archeologisch onderzoek als bedoeld in artikel 10.19 van de wet, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. per perceel: de naam en het adres van de rechthebbende; b. b. de kadastrale gegevens van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft en een actuele kadastrale kaart; c. c. een toelichting op de reden voor de aanvraag, met een omschrijving van de activiteit waarvoor het archeologisch onderzoek is vereist; d. d. een toelichting op de noodzaak van het opleggen van de gedoogplicht in relatie tot de planning van de activiteit waarvoor het archeologisch onderzoek is vereist en de datum waarop het veldwerk van het archeologisch onderzoek moet zijn afgerond; e. e. de verwachte datum van het begin van het archeologisch veldwerk, dat uit een inventariserend veldonderzoek en mogelijk een vervolgonderzoek bestaat, en de verwachte duur ervan; f. f. een omschrijving van de te verwachten archeologische waarde van het terrein; g. g. een aanduiding van de aard van het onderzoek en een plan van aanpak of een programma van eisen voor het archeologisch onderzoek; h. h. een kaart met de locaties waarop archeologisch onderzoek is beoogd; en i. i. gegevens en bescheiden die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval een chronologisch overzicht van het minnelijk overleg, de afschriften van de verzoeken aan de rechthebbende om het terrein te betreden en, als dit van toepassing is, het aanbod tot schadevergoeding. #### Paragraaf 7.3.4. Gedoogplicht vanwege maken ontwerp ### Artikel 7.214 Bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking vanwege het maken van een ontwerp als bedoeld in artikel 10.20 van de wet worden de volgende gegevens verstrekt: a. a. per perceel: de naam en het adres van de rechthebbende; b. b. de kadastrale gegevens van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft en een actuele kadastrale kaart; c. c. een toelichting op de reden voor de aanvraag, met een omschrijving van de activiteiten die nodig zijn voor het maken van een ontwerp; d. d. een toelichting op het algemeen belang dat aan de orde is bij het maken van een ontwerp voor de aanleg, instandhouding, wijziging, verplaatsing of opruiming van een werk; e. e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van activiteiten voor het maken van een ontwerp en de verwachte duur ervan; en f. f. gegevens en bescheiden die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval de afschriften van de verzoeken aan de rechthebbende om de activiteiten die nodig zijn voor het maken van het ontwerp toe te staan en, als dit van toepassing is, het aanbod tot schadevergoeding. #### Paragraaf 7.3.5. Gedoogplicht andere werken van algemeen belang ### Artikel 7.215 **1.** Bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking voor andere werken van algemeen belang, bedoeld in artikel 10.21 van de wet, worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 7.211 en 7.212, verstrekt. **2.** Bij de aanvraag worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van het werk waaruit in ieder geval blijkt dat het geen werk of activiteit als bedoeld in de artikelen 10.13 tot en met 10.19a van de wet is; en b. b. een beschrijving waaruit blijkt dat het opleggen van de gedoogplicht noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid of het beschermen van de fysieke leefomgeving of vanwege zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen. #### Paragraaf 7.3.6. Gedoogplicht verontreiniging van de bodem zorgplicht of ongewoon voorval ### Artikel 7.215a **1.** Bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking voor het verrichten van onderzoek door de veroorzaker naar de aard en omvang van de verontreiniging of aantasting van de bodem, bedoeld in artikel 10.21a, aanhef en onder a, van de wet, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. per perceel: de naam en het adres van de rechthebbende; b. b. de kadastrale gegevens van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft en een actuele kadastrale kaart; c. c. een toelichting op de reden voor de aanvraag; d. d. een toelichting op de noodzaak van het opleggen van de gedoogplicht in relatie tot de planning van de activiteit waarvoor het onderzoek is vereist en de datum waarop het veldwerk moet zijn afgerond; e. e. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het onderzoek en de verwachte duur ervan; f. f. een omschrijving van de te verwachten verontreiniging of aantasting van de bodem; g. g. een aanduiding van de aard van het onderzoek en een plan van aanpak of een programma van eisen voor het onderzoek; h. h. een kaart met de locaties waarop onderzoek is beoogd; en i. i. gegevens en bescheiden die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval de afschriften van de verzoeken aan de rechthebbende om het terrein te betreden en, als dit van toepassing is, het aanbod tot schadevergoeding. **2.** Bij een aanvraag om een gedoogplichtbeschikking voor het treffen van maatregelen door de veroorzaker voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de verontreiniging of aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 10.21a, aanhef en onder b van de wet, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. per perceel: de naam en het adres van de rechthebbende; b. b. de kadastrale gegevens van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft en een actuele kadastrale kaart; c. c. een toelichting op de reden voor de aanvraag; d. d. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het treffen van maatregelen en de verwachte duur ervan; en e. e. gegevens en bescheiden die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval de afschriften van de verzoeken aan de rechthebbende om het treffen van maatregelen toe te staan en, als dit van toepassing is, het aanbod tot schadevergoeding. ### Afdeling 7.4. Aanvraag onteigeningsbeschikking #### Paragraaf 7.4.1. Algemene bepalingen ### Artikel 7.215b Deze afdeling is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een onteigeningsbeschikking als bedoeld in artikel 11.3 van de wet. #### Paragraaf 7.4.2. Onteigeningsbeschikking ### Artikel 7.215c Bij een aanvraag om een onteigeningsbeschikking als bedoeld in artikel 11.3 van de wet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. per te onteigenen onroerende zaak: de naam, volgens de basisregistratie kadaster, en het adres van de eigenaar of eigenaren, de beperkt gerechtigde of beperkt gerechtigden en de overige belanghebbenden, waaronder in ieder geval de belanghebbenden, bedoeld in artikel 16.97, eerste lid, onder g tot en met k, van de wet; b. b. de kadastrale aanduidingen van de te onteigenen onroerende zaak of zaken en de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking op te nemen percelen of de grootte van de gedeelten daarvan waarop de aanvraag betrekking heeft; c. c. een grondtekening die voldoet aan artikel 7.6, onder a, van het Omgevingsbesluit; d. d. een aanduiding van de gemeente of gemeenten waarin de onroerende zaak of zaken zijn gelegen; e. e. een beschrijving van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor de onteigening nodig is; f. f. de jaargang en het nummer van het elektronisch publicatieblad waarin van het ontwerp van het omgevingsplan of het projectbesluit mededeling is gedaan, waarin het omgevingsplan of het projectbesluit is bekendgemaakt of waarin van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of van het verlenen van die omgevingsvergunning mededeling is gedaan; g. g. de naam van de onteigenaar; h. h. een projectie van de grondtekening, bedoeld onder c, op het op de onroerende zaak of zaken van toepassing zijnde ter inzage gelegde ontwerp van het omgevingsplan of het projectbesluit, het daarop van toepassing zijnde omgevingsplan of projectbesluit of de daarop van toepassing zijnde aangevraagde of verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk maakt; i. i. de tijdsplanning van de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is, waaronder ten minste de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de verwezenlijking; en j. j. gegevens en bescheiden die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval een chronologisch overzicht van het minnelijk overleg en de door de onteigenaar aan de belanghebbende of belanghebbenden gedane aanbieding of aanbiedingen tot schadeloosstelling. ### Afdeling 7.5. Andere gegevensverstrekkingen #### Paragraaf 7.5.1. Wijziging normadressaat ### Artikel 7.216 Bij het informeren van het bevoegd gezag dat een aangevraagde of verleende omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder, bedoeld in artikel 5.37, tweede lid, van de wet, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. naam en adres van de aanvrager of vergunninghouder; b. b. een aanduiding van de omgevingsvergunning krachtens welke de activiteiten worden verricht; c. c. naam, adres en telefoonnummer van degene voor wie de omgevingsvergunning zal gaan gelden; d. d. de verwachte datum dat de omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder; en e. e. als de gegevens en bescheiden elektronisch worden verstrekt: de e-mailadressen van de personen, bedoeld onder a en c. #### Paragraaf 7.5.2. Maatwerkvoorschrift en gelijkwaardige maatregel ### Artikel 7.217 **1.** Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de activiteit en het onderwerp waarvoor het maatwerkvoorschrift wordt aangevraagd; b. b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en f. f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde. **2.** Dit artikel is niet van toepassing als het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdeel is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. ### Artikel 7.218 **1.** Bij een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. a. een beschrijving van de activiteit en het onderwerp waarvoor de toestemming wordt aangevraagd; b. b. gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd; c. c. het telefoonnummer van de aanvrager; d. d. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. e. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; f. f. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; en g. g. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde. **2.** Dit artikel is niet van toepassing als de gelijkwaardige maatregel onderdeel is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. #### Paragraaf 7.5.3. Administratie en merktekens beschermde diersoorten ### Artikel 7.219 **1.** Voor de toepassing van artikel 11.102, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden na ontvangst van een uit het wild afkomstige vogel als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn die ter preparatie wordt aangeboden binnen drie dagen de volgende gegevens verstrekt aan de Minister voor Natuur en Stikstof: a. a. de Nederlandse en wetenschappelijke naam van de vogelrichtlijnsoort waarom het gaat; b. b. het aantal aangeboden vogels; c. c. de datum van ontvangst en aflevering van de aangeboden vogel; d. d. de kennelijke doodsoorzaak van de aangeboden vogel; e. e. de naam en het adres van degene van wie de aangeboden vogel is ontvangen; f. f. de naam en het adres van degene aan wie de aangeboden vogel is afgeleverd; en g. g. het nummer van het op de aangeboden vogel in overeenstemming met artikel 11.102, tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving aangebrachte merkteken. **2.** Degene die de vogel prepareert verstrekt de gegevens met gebruikmaking van een elektronische voorziening die door de Minister voor Natuur en Stikstof beschikbaar wordt gesteld. **3.** Het tweede lid is ook van toepassing op het verstrekken van een wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder f. **4.** Een merkteken als bedoeld in 11.102, tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving voor een geprepareerde vogel is voorzien van de letters NL gevolgd door de letters LNV en een uniek nummer. **5.** Een merkteken wordt aangevraagd met gebruikmaking van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de Minister voor Natuur en Stikstof verkrijgbaar is. ### Artikel 7.220 Bij een aanvraag van gesloten pootringen als bedoeld in artikel 4.23, eerste lid, worden gegevens en bescheiden verstrekt over het aantal pootringen per soort vogel dat wordt aangevraagd. De hoeveelheid ringen staat in verhouding tot de te verwachten nakweek. #### Paragraaf 7.5.4. Etiketten cites-uitvoeringsverordening ### Artikel 7.221 Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.70, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor etiketten als bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 66, zesde lid, van de cites-uitvoeringsverordening wordt gedaan voor een minimum van 100 etiketten. De aanvrager zendt ongebruikte etiketten onverwijld terug naar de Minister voor Natuur en Stikstof. #### Paragraaf 7.5.5. Indieningsmoment flegt-vergunningen ### Artikel 7.222 In aanvulling op artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347), wordt bij het in het vrije verkeer brengen van hout de vergunning, bedoeld in dat artikel, verstrekt aan de bevoegde autoriteit ten minste één werkdag voorafgaand aan het moment dat de aangifte daarvoor bij de douane wordt ingediend. ## Hoofdstuk 8. Instructieregels over programma’s, omgevingsplannen, waterschapsverordeningen en omgevingsverordeningen ### Afdeling 8.1. Programma’s ### Artikel 8.1 Deze afdeling is van toepassing op het vaststellen van programma’s als bedoeld in paragraaf 3.2.2 of 3.2.4 van de wet. ### Artikel 8.2 Het aantal bewoners van woningen dat door een of meer geluidbronnen wordt gehinderd of ernstig gehinderd of van wie daardoor de slaap wordt verstoord, bedoeld in artikel 4.23, eerste lid, onder h, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald aan de hand van de in bijlage XIX opgenomen dosis-effectrelaties. ### Afdeling 8.2. Omgevingsplannen #### Paragraaf 8.2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 8.3 Deze afdeling is van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet. #### Paragraaf 8.2.2. Waarborgen van de veiligheid ### Artikel 8.4 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van afstanden voor het plaatsgebonden risico en afstanden voor aandachtsgebieden en het berekenen van het groepsrisico, bij het toelaten van: a. a. activiteiten als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. b. beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties waar externe veiligheidsrisico’s worden veroorzaakt door een activiteit als bedoeld onder a. ### Artikel 8.5 Op het berekenen van de afstand voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in de artikelen 5.8, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder b, 5.10, tweede lid, en 5.11, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van toepassing: a. a. voor een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A en B, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: modules I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; b. b. voor windturbines als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 1, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: module IV van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid; c. c. voor buisleidingen als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 2, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: module V van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en: 1°. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en 2°. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL; en 1°. 1°. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en 2°. 2°. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL; en d. d. voor een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 13, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: modules I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL. ### Artikel 8.6 De dosis van een gevaarlijke stof, bedoeld in artikel 5.12, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is de dosis in een gebouw, die gelijk is aan de dosis bij 30 minuten blootstelling aan de levensbedreigende waarde voor een periode van 30 minuten (LBW30), bedoeld in het Overzicht Interventiewaarden. ### Artikel 8.7 **1.** Op het berekenen van de afstand voor een aandachtsgebied, bedoeld in de artikelen 5.12, vierde lid, en 5.13, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van toepassing: a. a. voor een brandaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; b. b. voor een explosieaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen explosieaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; en c. c. voor een gifwolkaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen gifwolkaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL. **2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, zijn op het berekenen van de afstand voor een brandaandachtsgebied van ondergrondse buisleidingen voor aardgas het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Carola van toepassing. **3.** Als de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt berekend, is op het berekenen van die kans Safeti-NL van toepassing. ### Artikel 8.7a **1.** De afstanden voor de aandachtsgebieden, bedoeld in bijlage VII, onder C, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden gemeten: a. a. bij een weg: vanaf de buitenste kantstrepen van de weg of een verbindingsboog die daarvan aftakt; b. b. bij een spoorweg: vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel als bedoeld in artikel 1 van de Regeling basisnet; c. c. bij een binnenwater: vanaf de begrenzing van de vaarweg of oever zoals aangegeven in de hierna genoemde bronnen, met inachtneming van de volgende voorkeursvolgorde: 1°. de overgang van land naar water volgend uit een projectbesluit of een tracébesluit als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet zoals zij luidde tot 1 januari 2024 en waarop die wet van toepassing is op grond van artikel 4.44, 4.45 of 4.46 van de Invoeringswet Omgevingswet; 2°. de geometrische begrenzing van een vrijwaringsgebied van een rijksvaarweg, bedoeld in artikel 2.12; 3°. de geometrische begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.2, derde lid; 4°. de kaart ‘Fairway’ uit de Elektronische vaarwegkaarten; en 5°. de kaart ‘Shoreline construction’ uit de Elektronische vaarwegkaarten. 1°. 1°. de overgang van land naar water volgend uit een projectbesluit of een tracébesluit als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet zoals zij luidde tot 1 januari 2024 en waarop die wet van toepassing is op grond van artikel 4.44, 4.45 of 4.46 van de Invoeringswet Omgevingswet; 2°. 2°. de geometrische begrenzing van een vrijwaringsgebied van een rijksvaarweg, bedoeld in artikel 2.12; 3°. 3°. de geometrische begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.2, derde lid; 4°. 4°. de kaart ‘Fairway’ uit de Elektronische vaarwegkaarten; en 5°. 5°. de kaart ‘Shoreline construction’ uit de Elektronische vaarwegkaarten. **2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt: a. a. bij wegvak Nh12 van de A10, knooppunt De Nieuwe Meer tot knooppunt Amstel, gemeten vanaf de buitenste kantstrepen van de hoofdrijbanen; en b. b. als de doorgaande rijbaan geen buitenste kantstreep heeft, gemeten vanaf de rand van de verharding. **3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, worden de afstanden voor de aandachtsgebieden bedoeld in bijlage VII, onder C, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving gemeten: a. a. bij de Westerschelde met haar mondingen: vanaf de begrenzingen van de vaargeulen; en b. b. bij de voorhaven van Hansweert: vanaf een referentiepunt bepaald aan de hand van de bodemvlakken uit de Beheerkaart nat of 1GIS. **4.** Voor de ligging van een aandachtsgebied van een weg, of spoorweg of binnenwater is de feitelijke situatie bepalend. **5.** Als een besluit tot wijziging van een weg, spoorweg of binnenwater is bekendgemaakt, is de ligging van die weg, die spoorweg, of dat binnenwater zoals weergegeven in dat besluit bepalend voor de ligging van het aandachtsgebied, totdat de feitelijke situatie overeenstemt met dat besluit. ### Artikel 8.8 Op het bepalen van de afstand voor de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in verband met de eerbiedigende werking voor een civiel explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.30, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en een militair explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.34, tweede lid, van dat besluit, is de methode van toepassing die eerder is gebruikt voor het bepalen van de afstand. #### Paragraaf 8.2.3. Beschermen van de gezondheid en van het milieu ##### Paragraaf 8.2.3.1. Kwaliteit van de buitenlucht ###### Paragraaf 8.2.3.1.1. Luchtkwaliteit: wegen ### Artikel 8.9 Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide of PM_10 bij het toelaten van: a. a. activiteiten als bedoeld in artikel 5.50, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. b. het gebruik van wegen. ### Artikel 8.10 Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij wegen is van toepassing: a. a. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 als: 1°. de weg in een stedelijke omgeving ligt waarbij: i. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing maar groter is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; ii. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de weg, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; iii. er aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing; of iv. er min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, anders dan bedoeld onder i tot en met iii; 2°. er niet of nauwelijks een hoogteverschil is tussen de weg en de directe omgeving; en 3°. er langs de weg geen afschermende constructies zijn; 1°. 1°. de weg in een stedelijke omgeving ligt waarbij: i. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing maar groter is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; ii. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de weg, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; iii. er aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing; of iv. er min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, anders dan bedoeld onder i tot en met iii; i. i. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing maar groter is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; ii. ii. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de weg, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; iii. iii. er aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing; of iv. iv. er min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, anders dan bedoeld onder i tot en met iii; 2°. 2°. er niet of nauwelijks een hoogteverschil is tussen de weg en de directe omgeving; en 3°. 3°. er langs de weg geen afschermende constructies zijn; b. b. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 als: 1°. er in de directe omgeving geen bebouwing is; of 2°. er in de directe omgeving bebouwing is, op een afstand van ten minste 3 maal de hoogte van de bebouwing; of 1°. 1°. er in de directe omgeving geen bebouwing is; of 2°. 2°. er in de directe omgeving bebouwing is, op een afstand van ten minste 3 maal de hoogte van de bebouwing; of c. c. een softwaremodel als bedoeld in bijlage XIXa, waarbij is aangegeven dat het kan worden toegepast voor: 1°. wegen die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2; of 2°. wegen die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 en standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2. 1°. 1°. wegen die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2; of 2°. 2°. wegen die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 en standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2. ### Artikel 8.11 Een toetspunt voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij wegen ligt: a. a. op een locatie die representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht van een straatsegment met een lengte van ten minste 100 m; b. b. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom onderbroken wordt en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg; c. c. ten hoogste 10 m van de wegrand; en d. d. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is. ### Artikel 8.12 **1.** Voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij wegen wordt gebruik gemaakt van: a. a. grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid, bedoeld in bijlage XX; b. b. de emissiefactoren van voertuigen, bedoeld in bijlage XXI; en c. c. gegevens die standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 vereist over: 1°. de kenmerken van de weg; 2°. het aantal en type motorvoertuigen dat gebruik maakt van de weg; 3°. de gemiddelde snelheid en wisselingen in de snelheid van het verkeer over de weg; en 4°. de directe omgeving van de weg. 1°. 1°. de kenmerken van de weg; 2°. 2°. het aantal en type motorvoertuigen dat gebruik maakt van de weg; 3°. 3°. de gemiddelde snelheid en wisselingen in de snelheid van het verkeer over de weg; en 4°. 4°. de directe omgeving van de weg. **2.** Op het geschikt maken voor het gebruik van de gegevens voor standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 is PreSRM van toepassing. ### Artikel 8.13 **1.** Als de berekende 24-uurgemiddelde concentratie PM_10 meer dan 35 maal per kalenderjaar de omgevingswaarde voor PM_10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt, wordt het aantal overschrijdingen verminderd met het aantal overschrijdingen, bedoeld in bijlage XXIII, onder A, in de daarbij aangegeven provincie. **2.** Als de berekende kalenderjaargemiddelde concentratie PM_10 hoger is dan de omgevingswaarde voor PM_10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt de berekende concentratie verminderd met het aantal microgram per kubieke meter, bedoeld in bijlage XXIII, onder B, in de daarbij aangegeven gemeente. ### Artikel 8.14 **1.** Na toepassing van de artikelen 8.12 en 8.13 wordt de berekende concentratie of het berekende aantal overschrijdingen afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal. **2.** In afwijking van het eerste lid wordt afgerond op één decimaal, als het gaat om het berekenen van een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of PM_10 van 1,2 µg/m^3 of minder als bedoeld in artikel 5.53, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ###### Paragraaf 8.2.3.1.2. Luchtkwaliteit: milieubelastende activiteiten ### Artikel 8.15 Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide of PM_10 bij het toelaten van milieubelastende activiteiten als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. ### Artikel 8.16 Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij milieubelastende activiteiten is van toepassing: a. a. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3, in een geval dat valt binnen het toepassingsbereik van die rekenmethode; of b. b. een softwaremodel als bedoeld in bijlage XIXa, waarbij is aangegeven dat het kan worden toegepast voor: 1°. milieubelastende activiteiten die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3; of 2°. milieubelastende activiteiten die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3. 1°. 1°. milieubelastende activiteiten die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3; of 2°. 2°. milieubelastende activiteiten die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3. ### Artikel 8.17 **1.** Een toetspunt voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij milieubelastende activiteiten ligt: a. a. buiten de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht; b. b. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is of op een andere locatie die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en c. c. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een toetspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht: 1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en 2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied. 1°. 1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en 2°. 2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied. **2.** Ten minste één toetspunt ligt benedenwinds van de milieubelastende activiteit in het meest dichtbijgelegen woongebied. ### Artikel 8.18 **1.** Voor het berekenen van de concentraties van stikstofdioxide en PM_10 wordt gebruik gemaakt van: a. a. grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid, bedoeld in bijlage XX; b. b. gegevens die standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3 vereist over: 1°. de fysieke kenmerken van de bron; 2°. de kenmerken van de emissie; en 3°. de kenmerken van de directe omgeving van de milieubelastende activiteit. 1°. 1°. de fysieke kenmerken van de bron; 2°. 2°. de kenmerken van de emissie; en 3°. 3°. de kenmerken van de directe omgeving van de milieubelastende activiteit. **2.** Als het gaat om een veehouderij als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvan de emissie van PM_10 meer dan 800 kg bedraagt, omvatten de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b, onder 3°, in ieder geval de kenmerken van de emissie per veehouderij, voor alle veehouderijen met een emissie van PM_10 van meer dan 800 kg/jaar, waarvan de dierenverblijven geheel of gedeeltelijk liggen binnen een straal van 500 m van het dichtstbijzijnde emissiepunt. **3.** In afwijking van het tweede lid omvatten de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b, onder 3°, in ieder geval de kenmerken van de emissie per veehouderij, voor alle veehouderijen met een emissie van PM_10 van meer dan 500 kg/jaar, waarvan de dierenverblijven geheel of gedeeltelijk liggen binnen een straal van 500 m van het dichtstbijzijnde emissiepunt, als: a. a. het gaat om een veehouderij als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvan de emissie van PM_10 meer dan 500 kg bedraagt; en b. b. uit de grootschalige concentratiegegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, blijkt dat de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m^3. **4.** Op het geschikt maken voor het gebruik van de gegevens is PreSRM van toepassing. ### Artikel 8.19 De artikelen 8.13 en 8.14 zijn van overeenkomstige toepassing. ##### Paragraaf 8.2.3.2. Geluid ### Artikel 8.20 **1.** Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid bij het toelaten van: a. a. een activiteit als bedoeld in artikel 5.55, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. b. een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit als bedoeld onder a. **2.** Bij het bepalen van het geluid, bedoeld in het eerste lid, gaat het om het geluid: a. a. op een geluidgevoelig gebouw; b. b. in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw; c. c. op een locatie die dichter bij de activiteit is gelegen dan de gevel, locatie of begrenzing als bedoeld in artikel 5.69 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en d. d. op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht. ### Artikel 8.21 **1.** Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt: a. a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; b. b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden; c. c. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en d. d. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld. **2.** In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip. ### Artikel 8.22 **1.** Het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 5.63 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bepaald volgens bijlage IVh. **2.** De bedrijfsduurcorrectie, bedoeld in bijlage IVh, wordt niet toegepast voor muziek. **3.** In afwijking van het eerste lid wordt het geluid door een schietbaan die ligt in een gebouw zonder open zijden en met een gesloten afdekking bepaald volgens bijlage XVIIIb. **4.** Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten. **5.** Bij het bepalen van het geluid worden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L_Ar,LT en het maximale geluidniveau L_Amax afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal. ### Artikel 8.23 **1.** Op het bepalen van het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen zijn NEN 5077 en NEN-EN-ISO 12354-3 van toepassing. **2.** Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn. ### Artikel 8.24 **1.** Het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, wordt bepaald door het geluid op de gevel te verminderen met de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald volgens NEN 5077 of NEN-EN-ISO 12354-3. **2.** Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn. ### Artikel 8.25 **1.** Het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw wordt berekend volgens bijlage IVi. **2.** De windsnelheid op ashoogte kan in afwijking van paragraaf 2.3.2 van bijlage IVi met een andere methode worden bepaald, als deze een gelijkwaardige nauwkeurigheid heeft of nauwkeuriger is. **3.** Op het berekenen van het gecumuleerde geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark in combinatie met een andere activiteit, is artikel 3.25 van toepassing. **4.** Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten. **5.** Bij het berekenen worden de waarden in dB L_den, dB L_night en dB L_cum afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal. ### Artikel 8.26 **1.** Het geluid door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen civiele of militaire schietbaan of militair springterrein wordt berekend volgens bijlage XVIIIc. **2.** In afwijking van het eerste lid kan het geluid door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of met een open zijde gelegen civiele schietbaan, als het gaat om een kleiduivenschietbaan of een schermenbaan als bedoeld in het toepassingsbereik van bijlage XVIIId, ook worden berekend volgens die bijlage. **3.** Bij het berekenen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 8.26a **1.** Op het bepalen van het geluid door industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en het geluid door wegen en spoorwegen zijn de paragrafen 3.1.1 tot en met 3.1.4 van toepassing. **2.** Op het berekenen van het gecumuleerde geluid zijn de artikelen 3.25, 3.27 en 3.28 van toepassing. ### Artikel 8.26b Bij het vaststellen van een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of de wijziging van het gebruik van een lokale spoorweg toelaat, wordt het geluid bepaald op geluidgevoelige gebouwen waar de standaardwaarde, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, verminderd met 10 dB, naar redelijke verwachting wordt overschreden wanneer alleen het geluid wordt betrokken van de nieuwe weg of spoorweg, het te wijzigen deel van de weg of spoorweg of het deel van de spoorweg waarvan het gebruik wordt gewijzigd. ##### Paragraaf 8.2.3.3. Trillingen ### Artikel 8.27 Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de trillingen in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw bij het toelaten van: a. a. een activiteit als bedoeld in artikel 5.79, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz plaatsvinden die worden veroorzaakt door een activiteit als bedoeld onder a. ### Artikel 8.28 **1.** Op het bepalen van de trillingen, bedoeld in de artikelen 5.87, 5.87a, 5.88 en 5.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw, is paragraaf 6.2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B, van toepassing. **2.** De waarden worden afgerond op twee decimalen. ##### Paragraaf 8.2.3.3a. Bodem ### Artikel 8.28a Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 8.28b Op het berekenen van de grenswaarde, bedoeld in artikel 5.89j, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is de Risicotoolbox bodem van toepassing. ##### Paragraaf 8.2.3.4. Geur ### Artikel 8.29 Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de geur op een geurgevoelig gebouw bij het toelaten van: a. a. het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk of het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf; en b. b. een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een activiteit als bedoeld onder a. ### Artikel 8.30 **1.** Op het berekenen van de geur, bedoeld in artikel 5.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig gebouw is standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3 van toepassing. **2.** Bij het toepassen van de standaardrekenmethode is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende procesonderdelen. **3.** De emissie van geur per seconde door een procesonderdeel wordt: a. a. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe een geuremissiefactor is vastgesteld: berekend door de geuremissiefactor te vermenigvuldigen met de oppervlakte of, als het gaat om overstorten, de lengte van het procesonderdeel; en b. b. als voor het procesonderdeel in bijlage XVIIIe geen geuremissiefactor is vastgesteld: bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065. ### Artikel 8.31 **1.** Op het berekenen van de geur, bedoeld in artikel 5.109 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door het houden van landbouwhuisdieren op een geurgevoelig gebouw is verspreidingsmodel V-Stacks vergunning van toepassing. **2.** Bij het toepassen van het verspreidingsmodel: a. a. is de emissie van geur per seconde de som van de emissies van geur per seconde door de verschillende diercategorieën, gehouden in de verschillende dierenverblijven; b. b. geldt als emissiepunt het emissiepunt, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. c. wordt bij een dierenverblijf met meer dan een emissiepunt het geometrisch gemiddelde van die punten aangemerkt als emissiepunt. **3.** De emissie van geur per seconde door een diercategorie wordt berekend door het aantal dieren van die diercategorie in een dierenverblijf te vermenigvuldigen met de voor die diercategorie geldende emissie van geur per dierplaats per seconde. **4.** De emissie van geur per dierplaats per seconde is gelijk aan de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor voor het in het dierenverblijf toegepaste huisvestingssysteem. **5.** In afwijking van het vierde lid wordt de emissie van geur per dierplaats per seconde bij toepassing van een aanvullende techniek berekend met het voor die techniek in bijlage VI vastgestelde reductiepercentage voor geur en de in bijlage V vastgestelde geuremissiefactor volgens de formule: a. a. als één aanvullende techniek wordt toegepast, anders dan in een situatie als bedoeld onder b: *emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek)*; b. b. als een luchtwassysteem als aanvullende techniek wordt toegepast in combinatie met een huisvestingssysteem waarvan de geuremissiefactor lager is dan 30% van de geuremissiefactor voor een overig huisvestingssysteem: *emissie van geur = geuremissiefactor overig huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur luchtwassysteem) x 0,3*; en c. c. als een aanvullende techniek in combinatie met een andere aanvullende techniek wordt toegepast: *emissie van geur = geuremissiefactor huisvestingssysteem x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek A) x (100% – reductiepercentage geur aanvullende techniek B).* ### Afdeling 8.3. Waterschapsverordeningen ### Afdeling 8.4. Omgevingsverordeningen ## Hoofdstuk 9. Omgevingsvergunningen ### Afdeling 9.1. Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteit ### Artikel 9.1 Deze afdeling is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in paragraaf 8.5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 9.2 **1.** Op het berekenen van de afstand voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in de artikelen 8.10a, eerste lid, onder b, en 8.12, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 8.5 van overeenkomstige toepassing. **2.** Op het berekenen van de afstand voor een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied, bedoeld in artikel 8.10a, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 8.7 van overeenkomstige toepassing. **3.** Als de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar, bedoeld in artikel 8.10a, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt berekend, is op het berekenen van die kans Safeti-NL van toepassing. ### Artikel 9.3 **1.** Op het berekenen van de concentratie van PM_10 en stikstofdioxide is paragraaf 8.2.3.1.2 van overeenkomstige toepassing. **2.** Als het gaat om een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt voor het berekenen van de concentratie van PM_10 ook gebruik gemaakt van de emissie van PM_10. **3.** Bij het berekenen van de concentratie van PM_10, bedoeld in het tweede lid, kan in afwijking van artikel 4.7, eerste lid, een andere emissiefactor dan de in bijlage V vastgestelde emissiefactoren worden gebruikt, als een huisvestingssysteem wordt toegepast dat: a. a. bijdraagt aan de ontwikkeling van een huisvestingssysteem dat de fysieke leefomgeving beschermt tegen de gevolgen van de emissie van PM_10; en b. b. niet wordt genoemd in bijlage V. **4.** Bij het berekenen van de concentratie van PM_10, bedoeld in het tweede lid, kan in afwijking van artikel 4.7, tweede lid, een ander reductiepercentage dan de in bijlage VI vastgestelde reductiepercentages worden gebruikt, als een aanvullende techniek wordt toegepast die: a. a. bijdraagt aan de ontwikkeling van een aanvullende techniek die de fysieke leefomgeving beschermt tegen de gevolgen van de emissie van PM_10; en b. b. niet wordt genoemd in bijlage VI. ### Artikel 9.4 Op het berekenen van de concentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden, PM_2,5, benzeen, lood en koolmonoxide zijn de artikelen 8.14, 8.16, 8.17 en 8.18 van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 9.5 Op het berekenen van het geluid in geluidgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 8.18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 8.24 van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 9.5a Als een omgevingsvergunning voor het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark waarden bevat voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw, is op het berekenen van dat geluid artikel 8.25 van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 9.5b Op het berekenen van het geluid op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 8.26 van overeenkomstige toepassing. ### Afdeling 9.2. Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – minder strenge emissiegrenswaarden ### Artikel 9.6 Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 9.7 Bij de beoordeling of sprake is van buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, bedoeld in artikel 8.28, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bij emissies naar de lucht de methode, bedoeld in Bijlage XVc, gebruikt. ### Afdeling 9.3. Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - bodembescherming stortplaatsen, anders dan voor alleen baggerspecie op land ### Artikel 9.8 Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.44 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 9.9 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder: a. a. een deskundige inschakelt om op de plaats waar is of wordt gestort een onderzoek uit te voeren naar de gevoeligheid van de bodem voor zettingen onder invloed van de stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. b. de resultaten van het onderzoek betrekt bij het bepalen van de ligging van de stortzool ten opzichte van de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand. ### Artikel 9.10 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar de geohydrologische situatie, bedoeld in artikel 8.47, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, eenmaal voor het inrichten van de stortplaats wordt uitgevoerd en vervolgens jaarlijks plaatsvindt door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder de resultaten van het onderzoek zendt naar het bevoegd gezag. ### Artikel 9.11 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de onderafdichting, bedoeld in 8.48, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn onderafdichtingen voor stort- en opslagplaatsen. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat tussen de capillair onderbrekende laag van grind als onderdeel van de onderafdichting, bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de te storten afvalstoffen een steunmat wordt aangebracht. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de te treffen civieltechnische of geohydrologische maatregelen, bedoeld in artikel 8.48, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste voldoen aan: a. a. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen; en b. b. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen. **4.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting, bedoeld in artikel 8.48, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen. ### Artikel 9.12 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot, bedoeld in artikel 8.53, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving: a. a. betrekking hebben op gassen die vrijkomen bij de biologische afbraak van het organisch materiaal in de afvalstoffen, waaronder in ieder geval CH_4, CO_2 en O_2; b. b. maandelijks plaatsvinden; en c. c. representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats. **2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de atmosferische druk, de metingen eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt benut of afgefakkeld. **3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat, voor zover het gaat om de samenstelling van de gasuitstoot, de metingen: a. a. eenmaal per jaar plaatsvinden als het vrijkomende gas wordt afgefakkeld; of b. b. voortdurend plaatsvinden als die nodig zijn voor de goede werking van de benuttingsinstallatie voor zover het vrijkomende gas wordt benut en de gassen CH_4, CO_2 en O_2 omvat. **4.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling van de gasuitstoot bij het affakkelen en benutten van het vrijkomende gas plaatsvinden in de verzamelleiding van het stortgasonttrekkingssysteem. **5.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de samenstelling en de atmosferische druk van de gasuitstoot minder frequent mogen plaatsvinden als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn. ### Artikel 9.13 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder een deskundige inschakelt om de grondwaterstand van de bodem te meten op de plaats waar is of wordt gestort, bedoeld in artikel 8.55, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de ingeschakelde deskundige de meting van de grondwaterstand: a. a. ten minste tweemaal per maand verricht, op of nabij de 14^e en 28^e van de maand; en b. b. volgens NEN-EN-ISO 22475-1 uitvoert. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de ingeschakelde deskundige vaststelt of de gegevens die zijn verkregen uit de metingen, bedoeld in het eerste lid, representatief zijn voor de bodem op de plaats waar is of wordt gestort. Dit doet de deskundige door de gegevens te vergelijken met de beschikbare gegevens van de grondwaterstanden verkregen uit peilbuizen in hetzelfde geohydrologische systeem die zijn opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO, voor zover laatstbedoelde gegevens betrekking hebben op dezelfde periode en op de daaraan voorafgaande aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar. ### Artikel 9.14 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder een deskundige inschakelt om de gemiddeld hoogste en gemiddeld laagste grondwaterstand te bepalen. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat bij het bepalen van de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand gebruik wordt gemaakt van: a. a. de resultaten van het onderzoek naar de geohydrologische toestand, bedoeld in artikel 9.10; b. b. de resultaten van de metingen, bedoeld in artikel 9.13, eerste lid; en c. c. de profielbeschrijvingen van de bodem op de plaats van de aanleg van de stortplaats. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige een andere gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand kan vaststellen, als de verwachting bestaat dat de werkelijke gemiddeld hoogste of gemiddeld laagste grondwaterstand onder invloed van een kunstmatige grondwaterstandverandering significant zal afwijken van de in overeenstemming met het tweede lid vastgestelde grondwaterstand. ### Artikel 9.15 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het bepalen en bemonsteren van de hoeveelheid en de samenstelling van het in de nabijheid van de stortplaats aanwezige oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 8.56, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke drie maanden plaatsvindt. **2.** In afwijking van het eerste lid kunnen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat de metingen van de hoeveelheid en samenstelling: a. a. op grond van de kenmerken van de stortplaats niet zijn vereist; of b. b. minder frequent mogen worden uitgevoerd als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bemonstering van de hoeveelheid en de samenstelling, bedoeld in het eerste lid, op ten minste twee punten wordt uitgevoerd waarvan een stroomopwaarts en een stroomafwaarts ligt. ### Artikel 9.16 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de drainagesystemen van de onder- en bovenafdichting en het controledrainagesysteem onder de onderafdichting in het grondwater elke zes maanden worden geïnspecteerd. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat na het aanbrengen van de drainagebuizen van de systemen, bedoeld in het eerste lid: a. a. direct wordt vastgesteld of de drainagebuizen open zijn; en b. b. de drainagebuizen regelmatig en ten minste een keer per jaar worden doorgespoten met het oog op het waarborgen van een goede werking. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het inspecteren van het functioneren van het drainagesysteem voor percolaat van de onderafdichting en het controledrainagesysteem in het grondwater voor de vloeistofstroming in drains en leidingen, plaatsvindt: a. a. in de daarvoor aangebrachte schachten en inspectieputten of verzamelleidingen; en b. b. in overeenstemming met de in de Richtlijn drainagesystemen en controlesystemen grondwater voor stort- en opslagplaatsen aangegeven methode. ### Artikel 9.17 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de dichtheid van de bovenafdichting elke zes maanden wordt geïnspecteerd. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van de dichtheid van de bovenafdichting bestaat uit: a. a. een onderzoek naar het uittreden van stortgas door de bovenafdichting, als redelijkerwijs is te verwachten dat stortgas uit de stortplaats vrijkomt; en b. b. een inspectie van de taluds op uittredend percolaat. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar het uittreden van stortgas, bedoeld in het tweede lid, onder a, plaatsvindt in overeenstemming met hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen. **4.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inspectie van taluds op uittredend percolaat, bedoeld in het tweede lid, onder b, plaatsvindt door bij de teenconstructie, zijnde het verbindingsgedeelte tussen de onder- en bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud, de elektrische geleidbaarheid van het water uit het drainagesysteem boven de bovenafdichting te meten, in overeenstemming met de methode uit hoofdstuk 13 van de Richtlijn voor dichte eindeafwerking op afval- en reststofbergingen. **5.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bovenafdichting jaarlijks wordt gecontroleerd op zakking door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak in overeenstemming met de methode uit paragraaf 1.3 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen. ### Artikel 9.18 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in artikel 8.57, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaat uit een bemonstering van: a. a. het percolaat, dat op representatieve plaatsen wordt genomen en representatief is voor de gemiddelde samenstelling van het percolaat; b. b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en c. c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de frequentie van de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater onder de stortplaats en dat die frequentie is: a. a. eenmaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 0 en 5 m/jaar; b. b. tweemaal per jaar bij een stroomsnelheid tussen 5 tot 30 m/jaar; of c. c. driemaal per jaar bij een stroomsnelheid van meer dan 30 m/jaar. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de stroomsnelheid van het grondwater, bedoeld in het tweede lid, door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige wordt vastgesteld. **4.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op: a. a. zuurgraad (pH); b. b. elektrische geleidbaarheid; c. c. chemisch zuurstofverbruik (CZV); d. d. minerale olie; e. e. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX); f. f. chloride; en g. g. Kjeldahl-N of ammoniak (NH_3). **5.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het vierde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats. ### Artikel 9.19 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat eenmaal per jaar een gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek op organische verbindingen wordt uitgevoerd. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als een gaschromatografisch-massaspectrometrisch onderzoek op organische verbindingen wordt uitgevoerd, in afwijking van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden ter uitvoering van artikel 9.18, vierde lid, aanhef en onder e, geen analyse op vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) hoeft plaats te vinden. ### Artikel 9.20 Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat in verband met de samenstelling van het gestorte afval naast de parameters, genoemd in artikel 9.18, vierde lid, ook andere parameters worden geanalyseerd. ### Artikel 9.21 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het meten van de hoeveelheid percolaat maandelijks plaatsvindt. **2.** In afwijking van het eerste lid kunnen aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die inhouden dat een andere frequentie wordt gehanteerd als: a. a. de structuur, de opbouw en de samenstelling van het gestorte afval hiertoe aanleiding geven; of b. b. uit evaluatie van de gegevens blijkt dat metingen met langere tussenpozen even effectief zijn. ### Artikel 9.22 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de geohydrologische maatregelen die worden getroffen bij het bereiken van het in het urgentieplan bepaalde interventiepunt in overeenstemming zijn met de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen. ### Artikel 9.23 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat voor de parameters, bedoeld in de artikelen 9.18, vierde lid, 9.20 en 9.25, tweede tot en met vierde lid, onder a, standaardwaarden worden vastgesteld ter bepaling van de verslechtering van de grondwaterkwaliteit. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de standaardwaarde als volgt wordt berekend: a. a. als minder dan 30 metingen op een referentiepunt zijn uitgevoerd: het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarden voor het grondwater die bij de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 8.57 en 8.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, op een referentiepunt zijn gemeten, vermenigvuldigd met 1,3 en vermeerderd met de detecteerbare overschrijdingswaarde; of b. b. als meer dan 30 metingen op een referentiepunt zijn uitgevoerd: de waarde waaronder 98% van die metingen liggen, vermeerderd met de detecteerbare overschrijdingswaarde. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat: a. a. de bevestiging van de overschrijding, bedoeld in artikel 8.57b, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt uitgevoerd door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige door middel van bemonstering en een analyse; en b. b. de vaststelling van de referentiemeetpunten en de controlemeetpunten, bedoeld in artikel 8.57b, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, plaatsvindt op basis van een schriftelijk advies van een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige. ### Artikel 9.24 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige de inspectie, de keuring en het onderzoek naar de technische staat van de bodembeschermende maatregelen, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 4°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar uitvoert in overeenstemming met: a. a. hoofdstuk 15 van de Richtlijn voor dichte eindafwerking op afval- en reststofbergingen voor de bovenafdichting; b. b. de Richtlijn drainagesystemen en controlesystemen grondwater voor stort- en opslagplaatsen, met uitzondering van de paragrafen 3.11 en 4.3.2, voor: 1°. het opvang- en afvoersysteem van percolaat; 2°. de controle van de drainagevoorzieningen; en 3°. de bemonsteringsdrainagebuizen; 1°. 1°. het opvang- en afvoersysteem van percolaat; 2°. 2°. de controle van de drainagevoorzieningen; en 3°. 3°. de bemonsteringsdrainagebuizen; c. c. de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring stortplaatsen voor de bemonsteringspeilbuizen, met uitzondering van bijlage V; en d. d. de Richtlijn geohydrologische isolatie van bestaande stortplaatsen, voor zover geohydrologische isolatie is vereist. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige bij de analyse van het percolaat, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 4°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de voorgeschreven stoffen analyseert in verband met: a. a. eventuele aantasting van de afdichting; b. b. de processen in de stortplaats; en c. c. de afvoer van het percolaat. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verboden die inhouden dat de door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige in het kader van het onderzoek, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 3°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een inschatting maakt van de resterende levensduur van de maatregelen. ### Artikel 9.25 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige het onderzoek naar de staat van de bodem onder de stortplaats, bedoeld in artikel 8.59, eerste lid, onder a, onder 5°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, elke twee jaar uitvoert door een bemonstering van: a. a. het percolaat; b. b. het water in de verschillende bemonsteringsbuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting van de stortplaats; en c. c. het grondwater in de grondwaterbemonsteringsbuizen. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op: a. a. cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink, kwik en arseen; b. b. chloride, sulfaat, zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid; c. c. vluchtige organische gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX); d. d. minerale olie; en e. e. polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's). **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de verkregen monsters worden geanalyseerd op aromaten, als bij het onderzoek, bedoeld in artikel 9.19, de aanwezigheid daarvan is gesignaleerd. **4.** Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden die inhouden dat: a. a. naast de in het tweede en derde lid bedoelde parameters ook andere parameters worden geanalyseerd; of b. b. analyse van een of meer van de parameters, bedoeld in het tweede en derde lid, achterwege kan blijven als op grond van de samenstelling van het te storten afval buiten twijfel staat dat deze niet voorkomen in het percolaat van de stortplaats. **5.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de analyse van de monsters plaatsvindt door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert volgens NEN-EN-ISO 17025. ### Afdeling 9.4. Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – bodembescherming stortplaatsen voor alleen baggerspecie op land ### Artikel 9.26 Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.62a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 9.27 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de bepaling van het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, plaatsvindt volgens bijlage XVIIIf. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de berekening of sprake is van een overschrijding als bedoeld in artikel 8.62c, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, plaatsvindt volgens bijlage XVIIIf. ### Artikel 9.28 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat in het oppervlaktewater dat in de potentiële invloedssfeer van de stortplaats is gelegen ten minste twee meetpunten worden aangewezen, die zo zijn gekozen dat uit de daar uitgevoerde metingen een beïnvloeding door de stortplaats kan worden vastgesteld. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de inventarisatie, bedoeld in artikel 8.62h, eerste lid, onder a, en de metingen, bedoeld in artikel 8.62h, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste eenmaal per drie maanden worden uitgevoerd, of met een lagere frequentie als uit evaluatie van de gegevens blijkt dat inventarisaties met langere tussenpozen even effectief zijn. ### Artikel 9.29 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat het vaststellen van het niveau van het grondwater, bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste elk half jaar plaatsvindt. ### Artikel 9.30 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de referentiepunten en de controlemeetpunten, bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden aangewezen op basis van een schriftelijk advies van een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als referentiepunt of referentiepunten als bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een of meer meetpunten worden aangewezen die samen een betrouwbaar beeld geven van de concentratie van de betrokken stoffen in het grondwater in de nabijheid van de stortplaats zonder dat beïnvloeding van de stortplaats heeft plaatsgevonden. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat als controlemeetpunt of controlemeetpunten als bedoeld in artikel 8.62i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een of meer meetpunten worden aangewezen in het toelaatbaar beïnvloede gebied, bedoeld in artikel 8.62c, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving: a. a. die samen een betrouwbaar beeld geven van de verspreiding van de betrokken stoffen; en b. b. die zo gelegen zijn dat tijdig maatregelen kunnen worden getroffen om te voorkomen dat de concentratie van een stof buiten het toelaatbaar beïnvloede gebied gelijk is aan of groter is dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de standaardwaarde voor die stof, bedoeld in bijlage XVIIIa bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 9.31 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de metingen, bedoeld in artikel 8.62i, tweede lid, onder c, ten minste eenmaal per jaar plaatsvinden. ### Artikel 9.32 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de signaalwaarde, bedoeld in artikel 8.62l, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is: a. a. als één referentiepunt is aangewezen: 1°. als minder dan 30 metingen zijn verricht: de concentratie van een stof op het referentiepunt, vermenigvuldigd met 1,3; of 2°. als 30 of meer metingen zijn verricht: de waarde waaronder 98% van de metingen liggen; 1°. 1°. als minder dan 30 metingen zijn verricht: de concentratie van een stof op het referentiepunt, vermenigvuldigd met 1,3; of 2°. 2°. als 30 of meer metingen zijn verricht: de waarde waaronder 98% van de metingen liggen; b. b. als meer dan een referentiepunt is aangewezen: het gemiddelde van de signaalwaarden op de afzonderlijke referentiepunten. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de herhaalde meting, bedoeld in artikel 8.62l, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt uitgevoerd door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige. ### Afdeling 9.5. Voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – winningsafvalvoorzieningen ### Artikel 9.33 Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.63 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 9.34 Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de controle, bedoeld in artikel 8.66, eerste lid, onder b, onder 3°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de validatie, bedoeld in artikel 8.68, tweede lid, van dat besluit, worden uitgevoerd door een door de vergunninghouder ingeschakelde deskundige. ### Afdeling 9.6. Specifieke voorschriften omgevingsvergunning milieubelastende activiteit – het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib ### Artikel 9.35 Deze afdeling is van toepassing op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 8.70a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 9.36 **1.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder de bodem waarop zuiveringsslib wordt gebracht, ten minste eenmaal per tien jaar laat bemonsteren en analyseren door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025. Bij het bemonsteren en analyseren wordt voldaan aan bijlage XXXI. **2.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat de vergunninghouder er zorg voor draagt dat de door het laboratorium op te stellen rapportage per bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens bevat: a. a. de naam en het adres van degene die de milieubelastende activiteit verricht; b. b. een kadastrale of topografische aanduiding van het bemonsterde perceel; c. c. de hoedanigheid en de samenstelling van de bodem van het bemonsterde perceel; d. d. de naam van het laboratorium dat de analyse heeft verricht; e. e. de extractiedatum en de analysedatum van het monster; en f. f. de resultaten van de analyses en de vaststelling of de waarden voor de geanalyseerde stoffen de grenswaarden, bedoeld in tabel 8.70c van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijden. **3.** Aan een omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die inhouden dat een rapportage een geldigheidsduur heeft van ten hoogste tien jaar. ### Afdeling 9.7. Modellen omgevingsvergunning #### Paragraaf 9.7.1. Modellen omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit en omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit ### Artikel 9.37 **1.** Het model van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de wet, wordt gevormd door een modelformulier, dat door de korpschef wordt gewaarmerkt met een stempelafdruk en een handtekening voor de periode waarvoor de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt verleend. **2.** Het model van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedoeld in het eerste lid, is het model dat is opgenomen in bijlage XXXII. **3.** De omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt voorzien van de pasfoto van degene voor wie de omgevingsvergunning is bestemd. Deze foto wordt door de korpschef met een stempelafdruk gewaarmerkt. ### Artikel 9.38 Het model van de omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder g, van de wet, is het model opgenomen in bijlage XXXII. ## Hoofdstuk 10. Projectbesluiten ### Artikel 10.1 De paragrafen 8.2.2, 8.2.3.1, 8.2.3.2, 8.2.3.3 en 8.2.3.4 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit. ### Artikel 10.2 De afdelingen 9.1 tot en met 9.5 zijn van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning. ### Artikel 10.3 Als voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van een project een projectbesluit wordt vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, is geen overeenstemming als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de wet vereist, als het gaat om: a. a. een project in het kader van beheer, onderhoud, vervanging of renovatie; b. b. een project gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit; c. c. een van de volgende projecten, voor zover het totale budget voor het uitvoeren van het project bij de kennisgeving van het voornemen, bedoeld in artikel 5.47, eerste lid, van de wet, lager is dan € 500.000.000 1°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg; of 2°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een werk voor het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen; of 1°. 1°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg; of 2°. 2°. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een werk voor het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen; of d. d. de aanleg, wijziging of uitbreiding van een haven. ## Hoofdstuk 11. Handhaving en uitvoering ### Artikel 11.1 De volgende gemeenten die deelnemen aan een genoemde omgevingsdienst worden aangewezen als een kring van gemeenten als bedoeld in artikel 18.21, eerste lid, van de wet: a. a. Noord-Veluwe: Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten; b. b. Veluwe IJssel: Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst; c. c. Achterhoek: Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen; d. d. de Vallei: Barneveld, Ede, Nijkerk, Scherpenzeel en Wageningen; e. e. Regio Arnhem: Arnhem, Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar; f. f. Rivierenland: Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel, West Maas en Waal en Zaltbommel; g. g. Regio Nijmegen: Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen; h. h. Regio Utrecht: Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, IJsselstein en Zeist; i. i. RUD Utrecht: Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Houten, Leusden, Lopik, Nieuwegein, Soest, Utrecht en Woudenberg; j. j. IJmond: Beemster, Beverwijk, Haarlem, Heemskerk, Purmerend, Uitgeest en Velsen; k. k. Noordzeekanaalgebied: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Haarlemmermeer, Ouder-Amstel, Uithoorn en Zaanstad; l. l. Midden-Holland: Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Zuidplas en Waddinxveen; m. m. West-Holland: Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude; en n. n. Midden-West Brabant: Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze-Rijen, Goirle, Halderberge, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Moerdijk, Oisterwijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem en Zundert. ## Hoofdstuk 12. Monitoring en informatie ### Afdeling 12.1. Waarborgen van de veiligheid #### Paragraaf 12.1.1. Externe veiligheidsrisico’s ### Artikel 12.1 Op het berekenen van de afstanden voor het plaatsgebonden risico, bedoeld in de artikelen 11.2, onder d, 11.3, onder c en d, 11.4, onder a, en 11.5, eerste lid, onder b, onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van toepassing: a. a. voor een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder A en B, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: modules I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; b. b. voor windturbines als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 1, en onder E, onder 1, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: module IV van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid; c. c. voor buisleidingen als bedoeld in bijlage VII, onder D, onder 2, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: module V van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en: 1°. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en 2°. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL; en 1°. 1°. voor ondergrondse buisleidingen voor aardgas: Carola; en 2°. 2°. voor ondergrondse buisleidingen voor andere stoffen dan aardgas: Safeti-NL; en d. d. voor een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 2 tot en met 13, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: modules I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL. ### Artikel 12.1a **1.** Op het berekenen van de afstand voor een aandachtsgebied, bedoeld in de artikelen 11.3, onder e, 11.4, onder b, en 11.5, eerste lid, onder b, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is van toepassing: a. a. voor een brandaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; b. b. voor een explosieaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen explosieaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL; en c. c. voor een gifwolkaandachtsgebied: het Stappenplan bepalen gifwolkaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL. **2.** In afwijking van het eerste lid, onder a, zijn op het berekenen van de afstand voor een brandaandachtsgebied van ondergrondse buisleidingen voor aardgas het Stappenplan bepalen brandaandachtsgebieden, het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Carola van toepassing. ### Artikel 12.2 Gegevens voor het register externe veiligheidsrisico's, bedoeld in artikel 20.11, onder b, van de wet, worden aangeleverd met het Informatiemodel Externe Veiligheid. #### Paragraaf 12.1.2. Veiligheid primaire waterkeringen ### Artikel 12.2a Deze paragraaf is van toepassing op: a. a. de monitoring, bedoeld in artikel 11.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen, bedoeld in artikel 2.0c van dat besluit; b. b. de monitoring, bedoeld in artikel 11.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de andere parameters voor signalering over de veiligheid van primaire waterkeringen, bedoeld in artikel 11.11, eerste lid, van dat besluit; en c. c. de monitoring, bedoeld in artikel 20.2, tweede lid, van de wet, voor de alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden die een gevaar voor primaire waterkeringen kunnen opleveren, bedoeld in artikel 15.3. ### Artikel 12.2b De beoordeling van de dijktrajecten, bedoeld in bijlage II, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving vindt plaats volgens bijlage XXXIIA bij deze regeling. ### Artikel 12.2c De monitoring van de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen en de andere parameters voor signalering over de veiligheid van primaire waterkeringen vindt plaats volgens bijlage XXXIIB bij deze regeling. ### Artikel 12.2d De monitoring voor de omgevingswaarde voor de veiligheid van primaire waterkeringen en de andere parameters voor signalering over de veiligheid van primaire waterkeringen vindt voor elk dijktraject ten minste eenmaal per twaalf jaar plaats. ### Artikel 12.2e De verslaglegging over de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen en de andere parameters voor signalering over de veiligheid van primaire waterkeringen vindt plaats volgens hoofdstuk 5 van bijlage XXXIIA bij deze regeling. ### Artikel 12.2f De monitoring van de alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden die een gevaar voor primaire waterkeringen kunnen opleveren, bedoeld in artikel 15.3, vindt plaats volgens het Landelijk Draaiboek Hoogwater en Overstromingsdreiging. #### Paragraaf 12.1.3. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk ### Artikel 12.2g Deze paragraaf is van toepassing op de monitoring, bedoeld in artikel 11.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.0i van dat besluit. ### Artikel 12.2h De monitoring van de omgevingswaarden voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk vindt plaats volgens het Voorschrift monitoring veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk. ### Artikel 12.2i De monitoring voor de omgevingswaarde voor de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk vindt voor elk dijktraject ten minste eenmaal per twaalf jaar plaats. ### Afdeling 12.2. Milieu en gezondheid #### Paragraaf 12.2.1. Kwaliteit van de buitenlucht ##### Paragraaf 12.2.1.1. Monitoring luchtkwaliteit ### Artikel 12.3 **1.** De paragrafen 12.2.1.2 en 12.2.1.3 zijn van toepassing op: a. a. de monitoring, bedoeld in artikel 11.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8 van dat besluit; en b. b. de monitoring, bedoeld in artikel 11.23 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de andere parameters voor de kwaliteit van de buitenlucht, bedoeld in artikel 11.23, eerste lid, van dat besluit. **2.** De artikelen 12.4 tot en met 12.27 en 12.34 tot en met 12.37 zijn van toepassing op de monitoring, bedoeld in artikel 20.2, tweede lid, van de wet, voor de alarmeringswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht, bedoeld in artikel 15.2. ##### Paragraaf 12.2.1.2. Monitoring door meten ### Artikel 12.4 In de agglomeratie Amsterdam/Haarlem, bedoeld in artikel 2.38, onder a, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. vier voor stikstofdioxide; b. b. vier voor PM_10; c. c. twee voor PM_2,5; d. d. drie voor ozon, waarvan: 1°. twee in voorstedelijk gebied; en 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en 1°. 1°. twee in voorstedelijk gebied; en 2°. 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en e. e. één voor benzo(a)pyreen. ### Artikel 12.5 In de agglomeratie Den Haag/Leiden, bedoeld in artikel 2.38, onder b, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. vier voor stikstofdioxide; b. b. vier voor PM_10; c. c. één voor PM_2,5; en d. d. drie voor ozon, waarvan: 1°. twee in voorstedelijk gebied; en 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. 1°. 1°. twee in voorstedelijk gebied; en 2°. 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. ### Artikel 12.6 In de agglomeratie Eindhoven, bedoeld in artikel 2.38, onder c, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. twee voor stikstofdioxide; b. b. twee voor PM_10; c. c. één voor PM_2,5; en d. d. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt. ### Artikel 12.7 In de agglomeratie Heerlen/Kerkrade, bedoeld in artikel 2.38, onder d, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. één voor zwaveldioxide; b. b. twee voor stikstofdioxide; c. c. twee voor PM_10; d. d. twee voor PM_2,5; en e. e. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt. ### Artikel 12.8 In de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht, bedoeld in artikel 2.38, onder e, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. twee voor zwaveldioxide; b. b. vier voor stikstofdioxide; c. c. vier voor PM_10; d. d. vier voor PM_2,5; e. e. één voor lood; f. f. drie voor ozon, waarvan: 1°. twee in voorstedelijk gebied; en 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en 1°. 1°. twee in voorstedelijk gebied; en 2°. 2°. twee ook voor stikstofdioxide worden gebruikt; en g. g. één voor benzo(a)pyreen. ### Artikel 12.9 In de agglomeratie Utrecht, bedoeld in artikel 2.38, onder f, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. twee voor stikstofdioxide; b. b. twee voor PM_10; c. c. twee voor PM_2,5; en d. d. één voor ozon in voorstedelijk gebied, dat ook voor stikstofdioxide wordt gebruikt. ### Artikel 12.10 In de zone midden, bedoeld in artikel 2.39, onder a, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. drie voor zwaveldioxide; b. b. acht voor stikstofdioxide; c. c. acht voor PM_10; d. d. zeven voor PM_2,5; e. e. één voor lood; f. f. drie voor koolmonoxide; en g. g. zeven voor ozon, waarvan: 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en 2°. vier ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. 1°. 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en 2°. 2°. vier ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. ### Artikel 12.11 In de zone noord, bedoeld in artikel 2.39, onder b, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. één voor zwaveldioxide; b. b. twee voor stikstofdioxide, waarvan er één ook voor stikstofoxiden wordt gebruikt; c. c. zeven voor PM_10; d. d. vier voor PM_2,5; e. e. één voor lood; en f. f. zes voor ozon, waarvan: 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en 2°. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. 1°. 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en 2°. 2°. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. ### Artikel 12.12 In de zone zuid, bedoeld in artikel 2.39, onder c, liggen ten minste de volgende aantallen monitoringspunten voor het meten van de concentraties van de daarbij genoemde stoffen: a. a. één voor zwaveldioxide; b. b. drie voor stikstofdioxide; c. c. zes voor PM_10; d. d. vier voor PM_2,5, e. e. één voor lood; en f. f. zes voor ozon, waarvan: 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en 2°. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. 1°. 1°. één op de locatie waar de bevolking vermoedelijk aan de hoogste concentraties wordt blootgesteld; en 2°. 2°. drie ook voor stikstofdioxide worden gebruikt. ### Artikel 12.13 In Nederland ligt ten minste één monitoringspunt voor het meten van: a. a. de concentraties van arseen, cadmium en nikkel; b. b. de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen, benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen; en c. c. de depositie van: 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en 2°. benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen. 1°. 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; en 2°. 2°. benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen. ### Artikel 12.14 **1.** Van de in de artikelen 12.4 tot en met 12.9 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van ozon, wordt ten minste één monitoringspunt in stedelijk of voorstedelijk gebied ook gebruikt voor het meten van de concentratie van stikstofoxiden en vluchtige organische stoffen. **2.** Van de in de artikelen 12.4 en 12.8 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van benzo(a)pyreen, wordt ten minste één monitoringspunt ook gebruikt voor het meten van de concentratie van andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen, waaronder in ieder geval benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen. ### Artikel 12.15 Van de in de artikelen 12.10 tot en met 12.12 bedoelde monitoringspunten voor het meten van de concentratie van PM_2,5, wordt ten minste één monitoringspunt ook gebruikt voor het meten van de concentraties van de chemische samenstellingen van PM_2,5, waaronder in ieder geval sulfaat, nitraat, natrium, kalium, ammonium, chloride, calcium, magnesium, elementair koolstof en organisch koolstof. ### Artikel 12.16 **1.** De monitoringspunten voor het meten van de concentratie van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM_2,5, PM_10, lood, koolmonoxide, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen liggen: a. a. op locaties waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is; b. b. op een andere locatie dan bedoeld onder a die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en c. c. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een monitoringspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht: 1°. van een straatsegment met een lengte van ten minste 100 m op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, voor stikstofdioxide, PM_2,5 en PM_10, lood en koolmonoxide; 2°. van een locatie van ten minste 200 m^2 die sterk door het verkeer wordt beïnvloed, voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen; 3°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en 4°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied. 1°. 1°. van een straatsegment met een lengte van ten minste 100 m op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, voor stikstofdioxide, PM_2,5 en PM_10, lood en koolmonoxide; 2°. 2°. van een locatie van ten minste 200 m^2 die sterk door het verkeer wordt beïnvloed, voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen; 3°. 3°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en 4°. 4°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied. **2.** De monitoringspunten voor het meten van de verhoging van de concentratie door een milieubelastende activiteit worden zo geplaatst dat ten minste één monitoringspunt benedenwinds van die activiteit in het meest dichtbijgelegen woongebied ligt. **3.** De monitoringspunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten de directe omgeving. **4.** Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op de monitoring van de omgevingswaarden voor zwaveldioxide, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder c en d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. **5.** Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de monitoring van: a. a. de achtergrondconcentraties van arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en de andere in artikel 12.14, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen; b. b. de depositie van: 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; 2°. de andere in artikel 12.14, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen. 1°. 1°. arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen; 2°. 2°. de andere in artikel 12.14, tweede lid, genoemde polycyclische aromatische koolwaterstoffen. ### Artikel 12.17 **1.** De monitoringspunten voor het meten van de concentratie van ozon liggen op locaties: a. a. binnen de zones en agglomeraties, bedoeld in de artikelen 2.38 en 2.39, waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking of de vegetatie kan worden blootgesteld gedurende een periode die ten opzichte van de middelingstijd significant is; en b. b. waarvan aannemelijk is dat ze niet direct worden beïnvloed door plaatselijke emissiebronnen. **2.** De monitoringspunten zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten hun directe omgeving ### Artikel 12.18 De monitoringspunten voor het meten van achtergrondconcentraties: a. a. liggen op een locatie waar deze niet worden beïnvloed door agglomeraties als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 17, van de richtlijn luchtkwaliteit of industrieterreinen binnen een straal van 5 km; en b. b. zijn zo mogelijk ook representatief voor soortgelijke locaties buiten hun directe omgeving. ### Artikel 12.19 **1.** Bij de monitoringspunten, bedoeld in de artikelen 12.16 en 12.17, wordt bemonsterd door de lucht in een inlaatbuis te laten stromen: a. a. waarbij de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen; b. b. binnen een hoek van ten minste 270° of 180° voor metingen aan de rooilijn; en c. c. zonder enige verstoring van de luchtstroom in de directe omgeving van het bemonsteringsapparaat. **2.** De inlaatbuis ligt tussen de 1,5 m en 4 m boven de grond, tenzij een grotere hoogte nodig is. **3.** De inlaatbuis ligt zo dat wordt voorkomen dat: a. a. de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt; en b. b. de lucht daaruit opnieuw in de inlaatbuis kan komen. **4.** Het derde lid, onder a, is niet van toepassing op het bemonsteren van ozon. ### Artikel 12.20 **1.** Als het gaat om het bemonsteren van de concentratie van stikstofdioxide, PM_2,5 en PM_10, lood, koolmonoxide en benzeen op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, ligt de inlaatbuis: a. a. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg; en b. b. niet meer dan 10 m van de wegrand. **2.** Als het gaat om het bemonsteren van concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen op locaties die sterk door het verkeer worden beïnvloed, ligt de inlaatbuis: a. a. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom wordt onderbroken en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg; b. b. ten minste 4 m van het midden van de dichtstbij gelegen rijbaan; en c. c. op een locatie die representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht in de nabijheid van de rooilijn. ### Artikel 12.21 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van zwaveldioxide is NEN-EN 14212 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor zwaveldioxide is ten hoogste 15% voor: a. a. een uurgemiddelde waarde van 350 µg/m^3; en b. b. een 24-uurgemiddelde waarde van 125 µg/m^3. **3.** In afwijking van het tweede lid is op locaties als bedoeld in artikel 2.3, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving de meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor zwaveldioxide ten hoogste 15% voor een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m^3. **4.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14212 van toepassing. ### Artikel 12.22 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van zwaveldioxide worden uurgemiddelde en 24-uurgemiddelde concentraties bepaald. **2.** Er wordt een 24-uurgemiddelde bepaald als: a. a. per etmaal ten minste achttien uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn; of b. b. op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden. **3.** Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%. **4.** Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden of zullen worden overschreden. **5.** Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.21, tweede of derde lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.23 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van stikstofdioxide en stikstofoxiden is NEN-EN 14211 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor stikstofdioxide is ten hoogste 15% voor: a. a. een uurgemiddelde waarde van 200 µg/m^3; en b. b. een jaargemiddelde waarde van 40 µg/m^3. **3.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor stikstofoxiden is kleiner dan, of gelijk aan 15% voor een jaargemiddelde waarde van 30 µg/m^3. **4.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14211 van toepassing. ### Artikel 12.24 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van stikstofdioxide en stikstofoxiden worden uurgemiddelde concentraties bepaald. **2.** Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%. **3.** Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden. **4.** Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.23, tweede of derde lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.25 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM_10 is NEN-EN 12341 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor PM_10 is ten hoogste 25% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 50 µg/m^3. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14907 van toepassing. ### Artikel 12.26 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van PM_10 worden 24-uurgemiddelde concentraties bepaald. **2.** Er wordt een 24-uurgemiddelde bepaald als: a. a. per etmaal ten minste achttien uur bemonsterd is; of b. b. op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden. **3.** Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%. **4.** Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zullen worden overschreden. **5.** 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.25, tweede lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.27 **1.** Als de gemeten 24-uurgemiddelde concentratie PM_10 meer dan 35 maal per kalenderjaar de omgevingswaarde voor PM_10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt, wordt het aantal overschrijdingen verminderd met het aantal overschrijdingen, bedoeld in bijlage XXIII, onder A, in de daarbij aangegeven provincie. **2.** Als de gemeten kalenderjaargemiddelde concentratie PM_10 hoger is dan de omgevingswaarde voor PM_10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt de gemeten concentratie verminderd met het aantal microgram per kubieke meter, bedoeld in bijlage XXIII, onder B, in de daarbij aangegeven gemeente. ### Artikel 12.28 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM_2,5 is NEN-EN 12341 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor PM_2,5 is ten hoogste 25% voor een jaargemiddelde waarde van 25 µg/m^3. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 12341 van toepassing. ### Artikel 12.29 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van PM_2,5 worden 24-uurgemiddelde concentraties bepaald. **2.** Er wordt een 24-uurgemiddelde concentratie bepaald als per etmaal ten minste achttien uur bemonsterd is. **3.** Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%. **4.** Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, onder a en c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden of zullen worden overschreden. **5.** 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.28, tweede lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.30 **1.** Op het bemonsteren van de concentratie van lood is NEN-EN 12341 van toepassing. **2.** Op het meten van de concentratie van lood is NEN-EN 14902 van toepassing. **3.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor lood is ten hoogste 50% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 0,5 µg/m^3. **4.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14902 van toepassing. ### Artikel 12.31 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van lood worden gedurende ten minste 14% van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats. **2.** Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar is ten minste 90%. **3.** Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.30, derde lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.32 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van koolmonoxide is NEN-EN 14626 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor koolmonoxide is ten hoogste 15% voor een acht-uurgemiddelde waarde van 10.000 µg/m^3. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14626 van toepassing. ### Artikel 12.33 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van koolmonoxide worden uurgemiddelde en acht-uurgemiddelde concentraties bepaald. **2.** Er wordt een acht-uurgemiddelde concentratie berekend als ten minste zes uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn. **3.** Uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentraties groter is dan bepaald in artikel 12.32, tweede lid, worden niet gebruikt. **4.** Acht-uurgemiddelde concentraties worden voortschrijdend berekend uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties. Het eerste acht-uurgemiddelde op een dag is de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 01.00 uur. Het laatste acht-uurgemiddelde op een dag is de periode van 16.00 uur tot 24.00 uur. **5.** Het aantal gevalideerde uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%. **6.** Op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden. ### Artikel 12.34 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van ozon is NEN-EN 14625 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor ozon is ten hoogste 15% voor een acht-uurgemiddelde waarde van 120 µg/m^3. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 14625 van toepassing. ### Artikel 12.35 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van ozon worden uurgemiddelde concentraties bepaald. **2.** Er wordt een uurgemiddelde concentratie bepaald als ten minste vijfenveertig minuten meetsignalen beschikbaar zijn. ### Artikel 12.36 **1.** Uit acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties als bedoeld in artikel 12.35 worden acht-uurgemiddelde concentraties voortschrijdend berekend, waarbij het eerste acht-uurgemiddelde op een dag betrekking heeft op de periode van 17.00 uur op de voorgaande dag tot 1.00 uur, en het laatste acht-uurgemiddelde op een dag betrekking heeft op de periode van 16.00 uur tot 24.00 uur. **2.** Er wordt een acht-uurgemiddelde concentratie berekend als in een periode van acht uur ten minste zes uurgemiddelde concentraties van ozon beschikbaar zijn. **3.** Er wordt een hoogste acht-uurgemiddelde per dag bepaald als per dag ten minste achttien voortschrijdende acht-uurgemiddelden beschikbaar zijn. **4.** Het aantal overschrijdingen van de acht-uurgemiddelde concentratie en de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie per jaar wordt bepaald als voor vijf van de zes maanden in de periode van 1 april tot en met 30 september ten minste 90% van de hoogste acht-uurgemiddelde concentraties op de dagen, of ten minste 90% van de uurgemiddelde concentraties tussen 08.00 uur en 20.00 uur beschikbaar zijn. **5.** Als het drie-jaargemiddelde van het aantal overschrijdingen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet kan worden bepaald op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens, wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste één jaar. ### Artikel 12.37 **1.** Uit de uurgemiddelde concentraties, bedoeld in artikel 12.35, wordt voor de periode 1 mei tot en met 31 juli en de periode 1 april tot en met 30 september een AOT40-waarde berekend, zijnde het gesommeerde verschil tussen de uurgemiddelde concentraties boven de 80 µg/m^3 en 80 µg/m^3. **2.** Er worden AOT40-waarden berekend als ten minste 90% van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn. **3.** Als ten minste 90% maar minder dan 100% van de uurwaarden tussen 08.00 uur en 20.00 uur in de periode van 1 mei tot en met 31 juli en in de periode van 1 april tot en met 30 september beschikbaar zijn, worden de AOT40-waarden bepaald door de gemeten AOT40-waarde te vermenigvuldigen met de uitkomst van het totale aantal mogelijke uren in die periodes gedeeld door het aantal gemeten uurgemiddelde concentraties. **4.** Als het vijf-jaargemiddelde van de AOT40-waarde, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet kan worden bepaald op basis van een volledige en ononderbroken reeks jaargegevens, wordt gebruik gemaakt van de gegevens van ten minste drie jaar. ### Artikel 12.38 **1.** Op het bemonsteren van de concentratie van arseen, cadmium en nikkel is NEN-EN 12341 van toepassing. **2.** Op het meten van de concentratie van arseen, cadmium en nikkel is NEN-EN 14902 van toepassing. **3.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor arseen is ten hoogste 40% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 6 ng/m^3. **4.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor cadmium is ten hoogste 40% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 5 ng/m^3. **5.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor nikkel is ten hoogste 40% voor een 24-uurgemiddelde waarde van 20 ng/m^3. **6.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 12341 van toepassing. ### Artikel 12.39 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van arseen, cadmium en nikkel worden gedurende ten minste 50% van de tijd in een kalenderjaar, 24-uurgemiddelde concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over de weekdagen en het kalenderjaar gespreid plaats. **2.** Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%. **3.** Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onder a tot en met c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden of zullen worden overschreden. **4.** 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.38, derde, vierde of vijfde lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.40 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van benzo(a)pyreen is NEN-EN 15549 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor benzo(a)pyreen is ten hoogste 50%. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15549 van toepassing. ### Artikel 12.41 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van benzo(a)pyreen worden gedurende ten minste 33% van de tijd in een kalenderjaar, 24-uurgemiddelde concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over de weekdagen en het kalenderjaar gespreid plaats. **2.** Het aantal gevalideerde 24-uurgemiddelde concentraties per kalenderjaar is ten minste 90%. **3.** Op grond van de beschikbare 24-uurgemiddelde concentraties wordt bepaald of aannemelijk is dat de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt of zal worden overschreden. **4.** 24-uurgemiddelde concentraties waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.40, tweede lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.42 **1.** Op het bemonsteren en het meten van de concentratie van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen is NEN-EN 15549 van toepassing. **2.** Op het analyseren van monsters van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen is NEN-EN 12341 van toepassing. **3.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen is ten hoogste 50%. **4.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15549 van toepassing. ### Artikel 12.43 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de concentratie van andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen worden gedurende ten minste 14% van de tijd in een kalenderjaar concentraties bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats. **2.** Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar is ten minste 90%. **3.** Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke concentratie groter is dan bepaald in artikel 12.42, derde lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.44 **1.** Op het meten van de totale depositie van arseen, cadmium en nikkel is NEN-EN 15841 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor arseen, cadmium en nikkel is ten hoogste 70%. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15841 van toepassing. ### Artikel 12.45 **1.** Op het meten van de totale depositie van kwik is NEN-EN 15853 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor kwik is ten hoogste 70%. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15853 van toepassing. ### Artikel 12.46 **1.** Op het meten van de totale depositie van polycyclische aromatische koolwaterstoffen is NEN-EN 15980 van toepassing. **2.** De meetonzekerheid, bij 95% betrouwbaarheid van de in de buitenlucht gemeten waarden, voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen is ten hoogste 70%. **3.** Op het bepalen van de meetonzekerheid is NEN-EN 15980 van toepassing. ### Artikel 12.47 **1.** Per monitoringspunt voor het meten van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden gedurende ten minste 33% van de tijd in een kalenderjaar deposities bepaald. De metingen vinden gelijkmatig over het kalenderjaar gespreid plaats. **2.** Het aantal gevalideerde meetwaarden per kalenderjaar is ten minste 90%. **3.** Meetresultaten waarvan aannemelijk is dat de afwijking ten opzichte van de werkelijke depositie groter is dan bepaald in de artikelen 12.44, tweede lid, 12.45, tweede lid, of 12.46, tweede lid, worden niet gebruikt. ### Artikel 12.48 **1.** Er kan een andere meetmethode voor het bemonsteren en het meten van de concentratie van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, ozon, arseen, cadmium, nikkel, benzo(a)pyreen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen dan benzo(a)pyreen worden toegepast dan voorgeschreven in deze paragraaf, als de resultaten daarvan gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in deze paragraaf voorgeschreven methoden. **2.** Er kan een andere meetmethode voor het bemonsteren en het meten van de concentratie van PM_10 en PM_2,5 worden toegepast dan voorgeschreven in deze paragraaf als: a. a. de resultaten daarvan gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in artikel 12.25 of 12.28 voorgeschreven methoden; of b. b. die andere meetmethode een constante samenhang heeft met de in artikel 12.25 of 12.28 voorgeschreven methoden. Op de met deze methode verkregen resultaten wordt een correctiefactor toegepast, om resultaten te verkrijgen die gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in artikel 12.25 of 12.28 voorgeschreven methode. **3.** Er kan een andere meetmethode voor het meten van de totale depositie van arseen, cadmium, nikkel, kwik en polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden toegepast dan voorgeschreven in deze paragraaf, als de resultaten daarvan gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de in deze paragraaf voorgeschreven methoden. ##### Paragraaf 12.2.1.3. Monitoring door berekening ### Artikel 12.49 Deze paragraaf is van toepassing op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, bedoeld in de artikelen 11.19 en 11.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 12.50 Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij wegen is van toepassing: a. a. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 als: 1°. de weg in een stedelijke omgeving ligt waarbij: i. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing maar groter is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; ii. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de weg, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; iii. er aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing; of iv. er min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, anders dan bedoeld onder i tot en met iii; 2°. er niet of nauwelijks een hoogteverschil is tussen de weg en de directe omgeving; en 3°. er langs de weg geen afschermende constructies zijn; 1°. 1°. de weg in een stedelijke omgeving ligt waarbij: i. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing maar groter is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; ii. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de weg, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; iii. er aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing; of iv. er min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, anders dan bedoeld onder i tot en met iii; i. i. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing maar groter is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; ii. ii. er aan beide zijden van de weg min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de weg, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing; iii. iii. er aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, waarbij de afstand tussen wegas en gevel kleiner is dan 3 maal de hoogte van de bebouwing; of iv. iv. er min of meer aaneengesloten bebouwing is op een afstand van ten hoogste 60 m van de wegas, anders dan bedoeld onder i tot en met iii; 2°. 2°. er niet of nauwelijks een hoogteverschil is tussen de weg en de directe omgeving; en 3°. 3°. er langs de weg geen afschermende constructies zijn; b. b. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 als: 1°. er in de directe omgeving geen bebouwing is; of 2°. er in de directe omgeving bebouwing is, op een afstand van ten minste 3 maal de hoogte van de bebouwing; of 1°. 1°. er in de directe omgeving geen bebouwing is; of 2°. 2°. er in de directe omgeving bebouwing is, op een afstand van ten minste 3 maal de hoogte van de bebouwing; of c. c. een softwaremodel als bedoeld in bijlage XIXa, waarbij is aangegeven dat het kan worden toegepast voor: 1°. wegen die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2; of 2°. wegen die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 en standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2. 1°. 1°. wegen die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2; of 2°. 2°. wegen die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 en standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2. ### Artikel 12.51 Een monitoringspunt voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij wegen ligt: a. a. op een locatie die representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht van een straatsegment met een lengte van ten minste 100 m; b. b. ten minste 25 m van de rand van grote kruispunten, waarbij de verkeersstroom onderbroken wordt en de uitstoot verschilt ten opzichte van het overige gedeelte van de weg; c. c. ten hoogste 10 m van de wegrand; en d. d. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is. ### Artikel 12.52 **1.** Voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij wegen wordt gebruik gemaakt van: a. a. grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid als bedoeld in bijlage XX; b. b. de emissiefactoren van voertuigen, bedoeld in bijlage XXI; en c. c. gegevens die standaardrekenmethode luchtkwaliteit 1 of standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 vereist over: 1°. de kenmerken van de weg; 2°. het aantal en type motorvoertuigen dat gebruik maakt van de weg; 3°. de gemiddelde snelheid en wisselingen in de snelheid van het verkeer over de weg; en 4°. de directe omgeving van de weg. 1°. 1°. de kenmerken van de weg; 2°. 2°. het aantal en type motorvoertuigen dat gebruik maakt van de weg; 3°. 3°. de gemiddelde snelheid en wisselingen in de snelheid van het verkeer over de weg; en 4°. 4°. de directe omgeving van de weg. **2.** Op het geschikt maken voor het gebruik van de gegevens voor standaardrekenmethode luchtkwaliteit 2 is PreSRM van toepassing. ### Artikel 12.53 Op het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of bij het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder b, van dat besluit, is van toepassing: a. a. standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3, in een geval dat valt binnen het toepassingsbereik van die rekenmethode; of b. b. een softwaremodel als bedoeld in bijlage XIXa, waarbij is aangegeven dat het kan worden toegepast voor: 1°. milieubelastende activiteiten die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3; of 2°. milieubelastende activiteiten die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3. 1°. 1°. milieubelastende activiteiten die vallen binnen het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3; of 2°. 2°. milieubelastende activiteiten die vallen buiten het toepassingsbereik van standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3. ### Artikel 12.54 **1.** Een monitoringspunt voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 bij het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of bij het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder b, van dat besluit, ligt: a. a. buiten de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. b. op een locatie waar de hoogste concentratie voorkomt waaraan de bevolking wel of niet rechtstreeks kan worden blootgesteld voor een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de omgevingswaarde significant is of op een andere locatie die representatief is voor de blootstelling van de bevolking als geheel; en c. c. op een locatie waar het meten van zeer kleine micromilieus in de directe omgeving wordt voorkomen, waaraan in ieder geval wordt voldaan als een monitoringspunt representatief is voor de kwaliteit van de buitenlucht: 1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en 2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied. 1°. 1°. van een locatie van ten minste 250 m bij 250 m die sterk door industriële bronnen wordt beïnvloed; en 2°. 2°. van een locatie van enkele vierkante kilometers in stedelijk gebied. **2.** Ten minste één monitoringspunt ligt benedenwinds van de activiteit in het meest dichtbij gelegen woongebied. ### Artikel 12.55 **1.** Voor het berekenen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 wordt gebruik gemaakt van: a. a. grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid, bedoeld in bijlage XX; b. b. gegevens die standaardrekenmethode luchtkwaliteit 3 vereist over: 1°. de fysieke kenmerken van de bron; 2°. de kenmerken van de emissie; en 3°. de kenmerken van de directe omgeving van de milieubelastende activiteit. 1°. 1°. de fysieke kenmerken van de bron; 2°. 2°. de kenmerken van de emissie; en 3°. 3°. de kenmerken van de directe omgeving van de milieubelastende activiteit. **2.** Op het geschikt maken voor het gebruik van de gegevens is PreSRM van toepassing. ### Artikel 12.56 **1.** Als de berekende 24-uurgemiddelde concentratie PM_10 meer dan 35 maal per kalenderjaar de omgevingswaarde voor PM_10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, overschrijdt, wordt het aantal overschrijdingen verminderd met het aantal overschrijdingen, bedoeld in bijlage XXIII, onder A, in de daarbij aangegeven provincie. **2.** Als de berekende kalenderjaargemiddelde concentratie PM_10 hoger is dan de omgevingswaarde voor PM_10, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt de berekende concentratie verminderd met het aantal microgram per kubieke meter, bedoeld in bijlage XXIII, onder B, in de daarbij aangegeven gemeente. ### Artikel 12.57 De berekende concentratie of het berekende aantal overschrijdingen wordt afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbij gelegen even getal. ### Artikel 12.58 **1.** De resultaten van het vaststellen van de concentratie van stikstofdioxide en PM_10 worden vastgelegd in het verslag, bedoeld in artikel 10.29, derde lid, van het Omgevingsbesluit. **2.** Het verslag bevat: a. a. een vermelding van alle gegevens die zijn gebruikt, een toelichting en onderbouwing over de totstandkoming en de kwaliteit van die gegevens en van de wijze van invoer daarvan; b. b. een vermelding van de waarden van de concentraties op de monitoringspunten; c. c. een verantwoording van de toegepaste rekenmethode voor het berekenen van de concentratie bij wegen en een motivering dat die situatie valt binnen het toepassingsbereik van die rekenmethode, bedoeld in artikel 12.50; d. d. een verantwoording van de toegepaste rekenmethode voor het berekenen van de concentratie bij het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, of bij het houden van landbouwhuisdieren, bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, onder b, van dat besluit, en een motivering dat die situatie valt binnen het toepassingsbereik van die rekenmethode, bedoeld in artikel 12.53. **3.** Als gebruik is gemaakt van een monitoringspunt op meer dan 10 m van de wegrand of meer dan 25 m van de rand van grote kruispunten als bedoeld in artikel 12.51, bevat het verslag een motivering daarvan en een toelichting op de gebruikte afstand. ##### Paragraaf 12.2.1.4. Monitoring decentrale afwijkende omgevingswaarden ### Artikel 12.58a Als bij omgevingsplan of omgevingsverordening een afwijkende omgevingswaarde wordt vastgesteld die strenger is dan een omgevingswaarde voor de kwaliteit van de buitenlucht als bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn op de monitoring daarvan de regels in de paragrafen 12.2.1.2 en 12.2.1.3 van overeenkomstige toepassing. #### Paragraaf 12.2.2. Zwemwaterkwaliteit ##### Paragraaf 12.2.2.1. Monitoring en beoordeling zwemwaterkwaliteit ### Artikel 12.59 Deze paragraaf is van toepassing op de monitoring, bedoeld in artikel 11.43 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de omgevingswaarde voor zwemlocaties, bedoeld in artikel 2.19 van dat besluit. ### Artikel 12.60 De monitoringspunten liggen op locaties waar: a. a. de meeste zwemmers worden verwacht; of b. b. volgens het zwemwaterprofiel, bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het grootste risico van verontreiniging wordt verwacht. ### Artikel 12.61 **1.** De monitoring wordt eenmaal kort voor het begin van het badseizoen uitgevoerd en vindt vervolgens gedurende het badseizoen ten minste eenmaal per maand plaats. **2.** De frequentie van de monitoring is zo hoog als nodig is om het aantal monsters, bedoeld in artikel 12.67, te verzamelen. ### Artikel 12.62 **1.** Voor het begin van elk badseizoen stelt de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam een tijdschema voor monitoring vast. **2.** De monitoring wordt telkens binnen vier dagen na de in het tijdschema aangegeven datum uitgevoerd. **3.** De uitvoering van het tijdschema voor monitoring kan worden onderbroken wanneer de zwemwaterkwaliteit wordt beïnvloed door een situatie die zich naar verwachting gemiddeld niet meer dan eens in de vier jaar zal voordoen. De uitvoering van het tijdschema wordt hervat na afloop van de situatie. **4.** Ter compensatie van de periode waarin geen monsters zijn genomen, worden zo spoedig mogelijk nieuwe monsters genomen. ### Artikel 12.63 Op het meten van de percentielwaarden bacteriën op zwemlocaties is van toepassing: a. a. voor intestinale enterokokken: NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2; b. b. voor escherichia coli: NEN-EN-ISO 9308-3. ### Artikel 12.64 Het steriliseren van monsterflessen, het nemen van monsters en het bewaren en vervoeren van monsters voor analyse vindt plaats in overeenstemming met bijlage V bij de zwemwaterrichtlijn. ### Artikel 12.65 In afwijking van de artikelen 12.63 en 12.64 kan een andere methode of een andere werkwijze worden toegepast, als het resultaat daarvan gelijkwaardig is aan het resultaat van de in de bijlagen I en V bij de zwemwaterrichtlijn voorgeschreven methoden en werkwijzen. ### Artikel 12.66 **1.** Na afloop van elk badseizoen wordt in overeenstemming met bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn een zwemwaterkwaliteitsbeoordeling uitgevoerd. **2.** De zwemwaterkwaliteitsbeoordeling wordt gebaseerd op de gegevens die bij de monitoring van de omgevingswaarde voor zwemlocaties zijn verzameld gedurende een periode bestaande uit: a. a. het zojuist ten einde gelopen badseizoen en de drie voorgaande badseizoenen; of b. b. alleen de drie voorgaande badseizoenen, als: 1°. de zwemlocatie minder dan vier badseizoenen geleden is aangewezen; of 2°. wijzigingen zijn opgetreden die de indeling van de zwemlocatie op grond van artikel 12.70 zullen of redelijkerwijs zullen beïnvloeden. 1°. 1°. de zwemlocatie minder dan vier badseizoenen geleden is aangewezen; of 2°. 2°. wijzigingen zijn opgetreden die de indeling van de zwemlocatie op grond van artikel 12.70 zullen of redelijkerwijs zullen beïnvloeden. **3.** De periode, bedoeld in het tweede lid, kan eenmaal in de vijf jaar worden gewijzigd in een periode bestaande uit de drie of vier voorgaande badseizoenen. **4.** Als er wijzigingen zijn opgetreden die de indeling van de zwemlocatie zullen of redelijkerwijs zullen beïnvloeden, dan wordt de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling gebaseerd op gegevens die zijn verzameld nadat de wijzigingen zijn opgetreden. ### Artikel 12.67 De zwemwaterkwaliteitsbeoordeling vindt plaats aan de hand van: a. a. ten minste 16 monsters; of b. b. ten minste 12 monsters, als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in bijlage IV, punt 2, bij de zwemwaterrichtlijn. ### Artikel 12.68 Bij de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 12.66, kunnen tijdens een kortstondige zwemwaterverontreiniging genomen monsters buiten beschouwing worden gelaten. Deze monsters worden vervangen door in overeenstemming met bijlage IV, punt 4, bij de zwemwaterrichtlijn genomen monsters. ### Artikel 12.69 **1.** De beheerder van het oppervlaktewaterlichaam kan voor de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 12.66, de zwemlocaties onderverdelen of groeperen. **2.** Zwemlocaties kunnen alleen worden gegroepeerd als zij: a. a. aangrenzend zijn; b. b. tijdens de vier voorgaande jaren op dezelfde wijze zijn beoordeeld op grond van artikel 12.66; en c. c. een zwemwaterprofiel als bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving vertonen met gemeenschappelijke risicofactoren of zonder risicofactoren. ### Artikel 12.70 **1.** Om te bepalen of wordt voldaan aan de omgevingswaarde voor zwemlocaties, deelt de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam na afloop van het badseizoen de zwemlocatie in een van de volgende klassen in: a. a. slecht; b. b. aanvaardbaar; c. c. goed; d. d. uitstekend. **2.** Indeling vindt plaats in overeenstemming met de uitkomst van de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling en de eisen gesteld in bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn. ##### Paragraaf 12.2.2.2. Monitoring decentrale afwijkende omgevingswaarden ### Artikel 12.71 Als bij omgevingsverordening een afwijkende omgevingswaarde wordt vastgesteld die strenger is dan de omgevingswaarde voor de kwaliteit van een zwemlocatie, bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn voor de monitoring daarvan de regels in paragraaf 12.2.2.1 van toepassing. #### Paragraaf 12.2.3. Geluid ##### Paragraaf 12.2.3.1. Monitoring en gegevensverzameling geluidbelasting ### Artikel 12.71a Deze paragraaf is van toepassing op: a. a. het berekenen van het geluid op geluidreferentiepunten voor de monitoring van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. b. het bepalen van de geluidemissie in L_den en het verschil tussen de geluidemissie in L_den en de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.47 van dat besluit; c. c. het berekenen van de geluidbelasting L_den en de geluidbelasting L_night bij het vaststellen van geluidbelastingkaarten, bedoeld in artikel 11.53 van dat besluit. ### Artikel 12.71b Op het berekenen van de geluidbelasting Lden en de geluidbelasting L_night is van toepassing: a. a. voor geluidbelasting afkomstig van wegen en spoorwegen: de meet- en rekenmethoden opgenomen in bijlage XXXIII; b. b. voor geluidbelasting afkomstig van activiteiten of een samenstel van activiteiten: de meet- en rekenmethoden opgenomen in bijlage XXXIII; en c. c. voor geluidbelasting afkomstig van luchthavens: de hoofdstukken 2.6 tot en met 4 van de bijlage Bepalingsmethoden voor de geluidsbelastingsindicatoren bij Richtlijn 2015/996/EU van de Commissie van 19 mei 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingsmethoden voor lawaai overeenkomstig Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2012 inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai (PbEU 2015, L 168). ### Artikel 12.71c **1.** Op het berekenen van het geluid op geluidreferentiepunten, bedoeld in artikel 11.45 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn de artikelen 3.14, eerste lid, aanhef en onder b en d, vierde en vijfde lid en 3.21, eerste lid, aanhef en onder b, van toepassing. **2.** Het geluid wordt bepaald over een kalenderjaar. ### Artikel 12.71d **1.** De geluidemissie in L_den, bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen, voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen, in een kalenderjaar wordt berekend volgens bijlage IVd en afgerond op één decimaal. **2.** Bij het schatten van het verschil tussen de geluidemissie in L_den en de basisgeluidemissie wordt de geluidemissie in L_den geacht niet hoger te zijn dan de basisgeluidemissie vermeerderd met 1,5 dB, als wordt onderbouwd dat het verkeer in het kalenderjaar per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe met minder dan 40% is toegenomen ten opzichte van de basisgeluidemissie bij omstandigheden die voor de geluidemissie gelijkwaardig of beter zijn. Bij die onderbouwing worden in ieder geval de wegverharding, samenstelling van het verkeer en maximumsnelheid meegenomen. **3.** Als geen ruimtelijke ontwikkelingen, veranderingen aan de infrastructuur of veranderingen in verkeersstromen hebben plaatsgevonden, kan in afwijking van het tweede lid, in plaats van een onderbouwing een kwalitatieve beschrijving worden gegeven. ### Artikel 12.71e Gegevens voor het geluidregister worden aangeleverd met het Informatiemodel Geluid. ### Artikel 12.71f In het geluidregister is de ligging van het geluidreferentiepunt, bedoeld in artikel 11.51, derde lid, onder a, onder 3°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving uitgedrukt in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting. ##### Paragraaf 12.2.3.2. Geluidbelastingkaarten en actieplannen ###### Paragraaf 12.2.3.2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 12.72 **1.** Een geluidbelastingkaart bestaat in ieder geval uit tabellen en uit een of meer geografische kaarten en bevat een overzicht van de belangrijkste punten van die kaart. **2.** De tabellen worden ingedeeld in de volgende geluidbelastingklassen: a. a. voor geluidbelasting L_den: 55–59, 60–64, 65–69, 70–74, en groter dan of gelijk aan 75 dB; en b. b. voor geluidbelasting L_night: 50–54, 55–59, 60–64, 65–69, en groter dan of gelijk aan 70 dB. **3.** Een geografische kaart bevat een legenda waarin wordt verklaard hoe de informatie op die kaart is weergegeven. **4.** Geografische kaarten voor de luchthavens, bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden weergegeven op een schaal van 1:50.000. ### Artikel 12.72a **1.** Het elektronisch beschikbaar stellen van een geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 10.50, derde lid, van het Omgevingsbesluit, geschiedt in overeenstemming met het verplicht digitaal informatieuitwisselingsmechanisme dat door de Europese Commissie op 11 november 2021 is vastgesteld op grond van artikel 10, tweede lid, van de richtlijn omgevingslawaai, in samenhang met de bijlagen IV, onder 9, en VI, onder 3, bij die richtlijn. **2.** De geluidbelastingkaarten worden beschikbaar gesteld met gebruikmaking van: a. a. een elektronische voorziening die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar wordt gesteld op www.geluidgegevens.nl; en b. b. het datamodel dat door het European Environmental Agency beschikbaar wordt gesteld op www.iplo.nl. ### Artikel 12.72b **1.** Het aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekken van een actieplan geluid, bedoeld in artikel 10.9 van de Omgevingsbesluit, geschiedt in overeenstemming met het verplicht digitaal informatieuitwisselingsmechanisme, dat door de Europese Commissie op 11 november 2021 is vastgesteld op grond van artikel 10, tweede lid, van de richtlijn omgevingslawaai, in combinatie met Bijlage IV, onderdeel 9 en Bijlage VI, onderdeel 3, van die richtlijn. **2.** De actieplannen geluid worden beschikbaar gesteld met gebruikmaking van: a. a. een elektronische voorziening die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat beschikbaar wordt gesteld op www.geluidgegevens.nl; en b. b. het datamodel dat door het European Environmental Agency beschikbaar wordt gesteld op www.iplo.nl. ###### Paragraaf 12.2.3.2.2. Geluidbelastingkaarten voor agglomeraties ### Artikel 12.73 Deze paragraaf is van toepassing op geluidbelastingkaarten als bedoeld in artikel 11.53, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor een agglomeratie als bedoeld in artikel 2.40. ### Artikel 12.74 **1.** In de tabellen van een geluidbelastingkaart voor een agglomeratie worden per geluidbelastingklasse weergegeven: a. a. het aantal geluidgevoelige gebouwen dat is blootgesteld aan: 1°. een geluidbelasting L_den die groter is dan, of gelijk is aan 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. een geluidbelasting L_night die groter is dan, of gelijk is aan 50, 55, 60, 65 en 70 dB; 1°. 1°. een geluidbelasting L_den die groter is dan, of gelijk is aan 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. 2°. een geluidbelasting L_night die groter is dan, of gelijk is aan 50, 55, 60, 65 en 70 dB; b. b. het aantal bewoners van de geluidgevoelige gebouwen, bedoeld onder a, die woningen zijn; en c. c. voor zover beschikbaar, het aantal woningen dat op grond van de wet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Woningwet of de Wet luchtvaart is voorzien van extra geluidwering. **2.** Het aantal bewoners, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bepaald overeenkomstig de gemiddelde huishoudengrootte volgens de meest recente publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek. **3.** De aantallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden afgerond op honderdtallen. ### Artikel 12.75 Op geografische kaarten van de geluidbelastingkaarten voor een agglomeratie worden verbeeld: a. a. de grenzen van de gemeente; en b. b. de grenzen van de stille gebieden, bedoeld in de artikelen 4.23, tweede lid, en 4.24, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, binnen de gemeente. ### Artikel 12.76 Wegen en spoorwegen als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van: a. a. de ligging van de wegen en spoorwegen; b. b. de geluidbelasting L_den en geluidbelasting L_night door de betrokken categorie van geluidbronnen, door: 1°. contouren, die liggen binnen de gemeente, die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. contouren, die liggen binnen de gemeente, die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en 1°. 1°. contouren, die liggen binnen de gemeente, die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. 2°. contouren, die liggen binnen de gemeente, die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en c. c. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder b. ### Artikel 12.77 **1.** Luchthavens als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van: a. a. de ligging van de luchthaven; b. b. een beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart; c. c. de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de luchthaven, door: 1°. contouren, die liggen buiten de luchthaven, die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. contouren, die liggen buiten de luchthaven, die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en 1°. 1°. contouren, die liggen buiten de luchthaven, die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. 2°. contouren, die liggen buiten de luchthaven, die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en d. d. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder c. **2.** De luchthaven Schiphol wordt op geografische kaarten verbeeld door verbeelding van: a. a. de ligging van de luchthaven; b. b. de waarde of waarden van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting; c. c. de punten buiten de luchthaven waar de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de luchthaven is bepaald; en d. d. de geluidgevoelige gebouwen die de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de luchthaven ondervinden. ### Artikel 12.78 Activiteiten op industrieterreinen als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder c, onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van: a. a. de grenzen van het industrieterrein; b. b. het geluidaandachtsgebied rond een industrieterrein vastgesteld op grond van artikel 3.31 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. c. de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de gezamenlijke activiteiten op het industrieterrein, door: 1°. contouren, die liggen buiten het industrieterrein, die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. contouren, die liggen buiten het industrieterrein, die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en 1°. 1°. contouren, die liggen buiten het industrieterrein, die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. 2°. contouren, die liggen buiten het industrieterrein, die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; en d. d. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder c. ### Artikel 12.79 Activiteiten in gebieden waarvoor in het omgevingsplan een hogere waarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L_Ar,LT van geluid is vastgesteld als bedoeld in artikel 11.50, eerste lid, onder c, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van: a. a. de grenzen van het gebied waarvoor een hogere waarde is vastgesteld; b. b. de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting L_den en geluidbelasting L_night door de activiteiten op omliggende geluidgevoelige gebouwen; en c. c. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen het gebied, bedoeld onder a. ### Artikel 12.80 Activiteiten buiten een gebied als bedoeld in artikel 12.79 en die meer geluid op geluidgevoelige gebouwen mogen veroorzaken dan 55 dB L_den of 50 dB L_night worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van: a. a. de locatie waar de activiteit wordt verricht; b. b. de waarde van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting; c. c. de punten buiten de begrenzing van de locatie waar de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de activiteit is bepaald; en d. d. de geluidgevoelige gebouwen die de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door de activiteit ondervinden. ###### Paragraaf 12.2.3.2.3. Geluidbelastingkaarten voor belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens ### Artikel 12.81 Deze paragraaf is van toepassing op geluidbelastingkaarten voor wegen, spoorwegen en luchthavens als bedoeld in artikel 11.53, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 12.82 **1.** In de tabellen van een geluidbelastingkaart worden per geluidbelastingklasse en, als het wegen of spoorwegen als bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving betreft, per gemeente, weergegeven: a. a. het aantal geluidgevoelige gebouwen buiten agglomeraties als bedoeld in artikel 2.40 dat is blootgesteld aan: 1°. een geluidbelasting L_den die groter is dan, of gelijk is aan 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. een geluidbelasting L_night die groter is dan, of gelijk is aan 50, 55, 60, 65 en 70 dB; 1°. 1°. een geluidbelasting L_den die groter is dan, of gelijk is aan 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. 2°. een geluidbelasting L_night die groter is dan, of gelijk is aan 50, 55, 60, 65 en 70 dB; b. b. het aantal bewoners van de geluidgevoelige gebouwen, bedoeld onder a, die woningen zijn; c. c. voor zover beschikbaar, een opgave van het aantal woningen dat op grond van de wet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Woningwet of de Wet luchtvaart is voorzien van extra geluidwering; en d. d. een opgave van de totale oppervlakte in km^2 die is blootgesteld aan een geluidbelasting L_den die hoger is dan 55, 65 en 75 dB. **2.** Het aantal bewoners, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bepaald overeenkomstig de gemiddelde huishoudengrootte volgens de meest recente publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek. **3.** De aantallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, worden afgerond op honderdtallen. **4.** Als een geluidbelastingkaart wordt vastgesteld voor twee of meer wegen of voor twee of meer spoorwegen als bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kunnen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aangegeven voor de gezamenlijke wegen of spoorwegen. ### Artikel 12.83 Wegen, spoorwegen en luchthavens als bedoeld in artikel 11.50, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden op geografische kaarten weergegeven door verbeelding van: a. a. de ligging van de betrokken weg, spoorweg of luchthaven met het banenstelsel; b. b. de geluidbelasting door de betrokken weg, spoorweg of luchthaven, aangegeven door: 1°. contouren die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. contouren die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; 1°. 1°. contouren die overeenkomen met een geluidbelasting L_den van 55, 60, 65, 70 en 75 dB; en 2°. 2°. contouren die overeenkomen met een geluidbelasting L_night van 50, 55, 60, 65 en 70 dB; c. c. de geluidgevoelige gebouwen die liggen binnen de contouren, bedoeld onder b; d. d. de gemeentegrenzen binnen de contouren, bedoeld onder b; e. e. de grenzen van agglomeraties binnen de contouren, bedoeld onder b; en f. f. de grenzen van de stille gebieden, bedoeld in de artikelen 4.23, tweede lid, en 4.24, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover deze liggen: 1°. nabij de betrokken luchthaven; of 2°. binnen een afstand van 2,5 km tot de betrokken weg of spoorweg, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook respectievelijk de buitenste spoorstaaf. 1°. 1°. nabij de betrokken luchthaven; of 2°. 2°. binnen een afstand van 2,5 km tot de betrokken weg of spoorweg, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook respectievelijk de buitenste spoorstaaf. ### Afdeling 12.2a. Natuur ### Artikel 12.83a **1.** Dit artikel is van toepassing op de monitoring voor de omgevingswaarden voor stikstofdepositie voor 2025 en 2030, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid, van de wet. **2.** De monitoring vindt plaats met behulp van AERIUS Monitor. ### Afdeling 12.3. Evaluatie ### Artikel 12.84 Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt rapporten uit over: a. a. de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu; en b. b. de ontwikkeling van de natuur, waaronder bos, en landschappen. ## Hoofdstuk 13. Kostenverhaal ### Artikel 13.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op het berekenen van plankosten, met uitzondering van plankosten voor: a. a. het verrichten van onderzoek als bedoeld in bijlage IV, onder A1 en A10, bij het Omgevingsbesluit, met uitzondering van het verrichten van grondmechanisch onderzoek; b. b. het voorbereiden van en toezicht houden op bodemsanering, bedoeld in bijlage IV, onder A10, bij het Omgevingsbesluit; en c. c. kostensoorten als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder b, van de wet, die niet worden gemaakt in een gebied waar kostenverhaal van toepassing is. ### Artikel 13.2 **1.** Het bedrag aan plankosten dat ten hoogste kan worden verhaald, is de som van: a. a. voor kostenverhaalsgebieden als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet waarvoor geen tijdvak is vastgesteld: de kosten van de producten en activiteiten, genoemd in bijlage XXXIVa; en b. b. voor kostenverhaalsgebieden als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet waarvoor wel een tijdvak is vastgesteld: de kosten van de producten en activiteiten, genoemd in bijlage XXXIV. **2.** Als voor een product of activiteit of een onderdeel daarvan in bijlage XXXIV of XXXIVa een invloedsfactor kostenverhaal is aangegeven, worden de kosten voor dat product of die activiteit of dat onderdeel verlaagd of verhoogd met het percentage, bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 4, en bijlage XXXIVa, tabel 4. **3.** Als in de bijlage wordt aangegeven dat meerdere invloedsfactoren van toepassing zijn op een product, een activiteit of een onderdeel daarvan, worden de kosten voor dat product, die activiteit of dat onderdeel verlaagd of verhoogd met de som van de percentages, bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 4, en bijlage XXXIVa, tabel 4. ### Artikel 13.3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder plankosten ook verstaan de kosten die voorafgaand aan het vaststellen van het omgevingsplan of het projectbesluit of het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn gemaakt binnen de voorafgaande periode van: a. a. twee jaar, als de som van de percentages, bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 4, en bijlage XXXIVa, tabel 4, gelijk is aan of kleiner is dan 30%; b. b. drie jaar, als de som van de percentages, bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 4, en bijlage XXXIVa, tabel 4, ligt tussen de 30% en 50%; of c. c. vier jaar, als de som van de percentages, bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 4, en bijlage XXXIVa, tabel 4, gelijk is aan of groter is dan 50%. ### Artikel 13.4 Voor de toepassing van artikel 13.14, eerste lid, onder b, van de wet worden de plankosten, voor zover het gaat om kosten voor de producten en activiteiten als bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 1, onder 1.1a en 1.1b, en bijlage XXXIVa, tabel 1, onder 1.1 en 1.1a, aan een kostenverhaalsgebied toegerekend naar evenredigheid van de oppervlakte van het kostenverhaalsgebied ten opzichte van het gehele gebied waarop die kosten betrekking hebben. ### Artikel 13.5 **1.** In afwijking van de artikelen 13.2 tot en met 13.4 bedraagt het bedrag aan plankosten dat ten hoogste kan worden verhaald, met uitzondering van de plankosten van de producten en activiteiten genoemd in de in bijlage XXXIV, tabel 1, onder 2.3a tot en met 2.3d, en in bijlage XXXIVa, tabel 1, onder 2.3a tot en met 2.3d: a. a. € 8.018 bij het bouwen van kassen met een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 3.000 m^2; b. b. € 10.651 bij: 1°. het bouwen van een gebouw met één woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; 2°. het bouwen van een hoofdgebouw voor agrarische of bedrijfsdoeleinden zonder bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie of winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 1.500 m^2, of een bedrijfswoning op hetzelfde perceel waarop zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; 3°. een uitbreiding met niet meer dan 2.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte van een gebouw met een industriefunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, of een uitbreiding met niet meer dan een bedrijfswoning op hetzelfde perceel waarop zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; 4°. een uitbreiding van een ander gebouw dan bedoeld onder 1° tot en met 3° met niet meer dan 2.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte of met niet meer dan een gebouw met één woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; 5°. kassen met een bruto-vloeroppervlakte van ten minste 3.000 m^2 en niet meer dan 10.000 m^2; of 6°. een verbouwing als bedoeld in artikel 8.13, onder e of f, van het Omgevingsbesluit; 1°. 1°. het bouwen van een gebouw met één woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; 2°. 2°. het bouwen van een hoofdgebouw voor agrarische of bedrijfsdoeleinden zonder bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie of winkelfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, met een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 1.500 m^2, of een bedrijfswoning op hetzelfde perceel waarop zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; 3°. 3°. een uitbreiding met niet meer dan 2.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte van een gebouw met een industriefunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, of een uitbreiding met niet meer dan een bedrijfswoning op hetzelfde perceel waarop zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; 4°. 4°. een uitbreiding van een ander gebouw dan bedoeld onder 1° tot en met 3° met niet meer dan 2.000 m^2 bruto-vloeroppervlakte of met niet meer dan een gebouw met één woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; 5°. 5°. kassen met een bruto-vloeroppervlakte van ten minste 3.000 m^2 en niet meer dan 10.000 m^2; of 6°. 6°. een verbouwing als bedoeld in artikel 8.13, onder e of f, van het Omgevingsbesluit; c. c. € 12.670 bij het bouwen van kassen met een bruto-vloeroppervlakte van ten minste 10.000 m^2 en niet meer dan 30.000 m^2. **2.** Bij het bedrag, bedoeld in het eerste lid, worden opgeteld de kosten van de producten en activiteiten: a. a. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor geen tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is vastgesteld: in bijlage XXXIVa, tabel 1, onder 2.3a tot en met 2.3d; en b. b. voor kostenverhaalsgebieden waarvoor wel een tijdvak als bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, van de wet is vastgesteld: in bijlage XXXIV, tabel 1, onder 2.3a tot en met 2.3d. **3.** Op de berekening van de kosten voor producten en activiteiten, bedoeld in het tweede lid, is artikel 13.2 is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 13.6 Bij de raming van de kosten, bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder c, van de wet, wordt ervan uitgegaan dat het totaal van de te verhalen plankosten wordt gemaakt in het jaar waarin het omgevingsplan of het projectbesluit is vastgesteld of de kostenverhaalsbeschikking is afgegeven. ### Artikel 13.7 Bij de eindafrekening, bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder e, onder 2°, van de wet, worden de plankosten herberekend: a. a. als de plankosten in de beschikking, bedoeld in artikel 13.18, eerste lid, van de wet, volgens deze afdeling zijn berekend: met toepassing van deze afdeling; en b. b. als de plankosten in de beschikking, bedoeld in artikel 13.18, eerste lid, van de wet, op een andere wijze zijn berekend: overeenkomstig die berekeningswijze, voor zover het totaal aan plankosten niet meer bedraagt dan het bedrag dat op grond van deze afdeling is verschuldigd. ### Artikel 13.8 **1.** Als toepassing is gegeven aan artikel 13.14 van de wet en door de aanvrager van de beschikking, bedoeld in artikel 13.18, eerste lid, van de wet kosten als bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, onder b, van de wet zijn gemaakt die in mindering worden gebracht op de verschuldigde geldsom, wordt het in mindering te brengen bedrag, voor zover het om plankosten gaat, berekend met toepassing van dit hoofdstuk. **2.** De vermindering bedraagt ten hoogste: a. a. 60% van de ten hoogste te verhalen kosten voor producten en activiteiten als bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 1, onder 1.1a en 1.1b; b. b. 80% van de ten hoogste te verhalen kosten voor producten en activiteiten als bedoeld in bijlage XXXIV, tabel 1, onder 2.3a tot en met 2.3d; en c. c. 90% van de ten hoogste te verhalen kosten voor de overige producten en activiteiten, bedoeld in bijlage XXXIV. ### Artikel 13.9 **1.** Alle tarieven en vaste kosten in bijlage XXXIV, tabellen, 1, 3 en 6, en bijlage XXXIVa, tabellen, 1, 3 en 6, en de bedragen, genoemd in artikel 13.5, worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de dan geldende salarisschalen van de Cao Gemeenten. **2.** De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening maakt jaarlijks de geïndexeerde tarieven bekend in de Staatscourant. ## Hoofdstuk 14. Financiële bepalingen ### Afdeling 14.1. Rijksleges #### Paragraaf 14.1.1. Algemene bepalingen ### Artikel 14.1 Deze afdeling is van toepassing op het heffen van rechten bij: a. a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 13.1 van de wet; en b. b. de gevallen, bedoeld in artikel 161a, tweede lid, onder h en j, van het Mijnbouwbesluit. ### Artikel 14.2 **1.** Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om de volgende besluiten waarvoor een minister het bevoegd gezag is, heft die minister rechten: a. a. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de wet, met uitzondering van een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument of een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een militaire luchthaven; en b. b. een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet, met uitzondering van maatwerkvoorschriften die betrekking hebben op een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument of een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een militaire luchthaven. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van een besluit als bedoeld in dat lid. **3.** Geen rechten worden geheven voor de behandeling van een aanvraag waarvan de kosten op grond van afdeling 13.6 van de wet zijn of worden verhaald. **4.** De Minister van Economische Zaken en Klimaat heft naast de besluiten, bedoeld in het eerste lid, rechten voor het op aanvraag verlenen, wijzigen, intrekken of beoordelen van: a. a. een melding als bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. b. een toestemming als bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en c. c. gegevens en bescheiden als bedoeld in de artikelen 4.1117, 6.47a en 7.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving. **5.** Als ter uitvoering van een door de Minister voor Natuur en Stikstof op grond van artikel 18.16a of 18.16b van de wet genomen besluit een omgevingsvergunning of document benodigd is, kan hij in afwijking van de artikelen 14.41, 14.41a, 14.41b, 14.41c, 14.41d, 14.41e, 14.41f, 14.42, 14.43, 14.43a, 14.44, 14.44a, 14.44b en 14.45, eerste lid, van deze regeling bepalen dat geen rechten worden geheven. **6.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heft naast de besluiten, bedoeld in het eerste lid, rechten voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot aanwijzing als certificatie-instelling als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ### Artikel 14.2a **1.** Als de voorgenomen beslissing op een aanvraag instemming behoeft van een minister op grond van artikel 16.16 van de wet, heft die minister voor het in behandeling nemen van de aanvraag om het besluit over instemming van het bevoegd gezag rechten. **2.** De rechten worden geheven met overeenkomstige toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk over het heffen van rechten voor het in behandeling nemen van de aanvraag waarop de instemming betrekking heeft, met uitzondering van de artikelen 14.4 tot en met 14.6. ### Artikel 14.3 **1.** Als een aanvraag betrekking heeft op meerdere activiteiten, is het tarief opgebouwd uit de som van de tarieven behorend bij die activiteiten. **2.** Het tarief behorend bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift of bij een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen is niet van toepassing als het onderwerp waarop het maatwerkvoorschrift betrekking heeft of de gelijkwaardige maatregel onderdeel is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. **3.** Als de voorgenomen beslissing op een aanvraag instemming behoeft van een ander bestuursorgaan op grond van artikel 16.16 van de wet, wordt het tarief verhoogd met het tarief dat dat bestuursorgaan voor het in behandeling nemen van de aanvraag om het besluit over instemming in rekening brengt. ### Artikel 14.4 **1.** Als het bevoegd gezag op grond van een aanvraag om een omgevingsvergunning oordeelt dat voor de voorgenomen activiteit geen omgevingsvergunning is vereist, bedraagt het tarief 15% van het oorspronkelijke tarief voor het in behandeling nemen van die aanvraag. **2.** Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag buiten behandeling wordt gelaten, bedraagt het tarief 15% van het oorspronkelijke tarief voor het in behandeling nemen van die aanvraag. **3.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geheel of gedeeltelijk is ingetrokken, geldt voor de activiteiten waarvoor de aanvraag is ingetrokken het volgende percentage van het oorspronkelijke tarief dat bij die activiteiten behoort: a. a. bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen zes weken na de indiening van de aanvraag: 25%; b. b. bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf zes weken tot achttien weken na de indiening van de aanvraag: 50%; c. c. bij gehele of gedeeltelijke intrekking op een tijdstip vanaf achttien weken na de indiening van de aanvraag: 75%. **4.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning of een aanvraag om een maatwerkvoorschrift op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, geldt voor de activiteiten waarvoor de aanvraag is ingetrokken het volgende percentage van het oorspronkelijke tarief dat bij die activiteiten behoort: a. a. bij gehele of gedeeltelijke intrekking binnen vier weken na indiening van de aanvraag: 25%; b. b. bij gehele of gedeeltelijke intrekking na vier weken en binnen zes weken na indiening van de aanvraag: 50%; of c. c. bij gehele of gedeeltelijke intrekking na zes weken na indiening van de aanvraag: 75%. ### Artikel 14.5 **1.** De rechten worden geheven bij beschikking. **2.** Als voor de beslissing op een aanvraag om een besluit een uurtarief is opgenomen, bevat de beschikking een begroting van de kosten. **3.** Het bevoegd gezag zendt de beschikking drie weken na ontvangst van de aanvraag toe aan de aanvrager. **4.** De betaling geschiedt binnen vijf weken na toezending van de beschikking. **5.** De beslissing op een aanvraag om een besluit als bedoeld in deze afdeling wordt niet eerder genomen dan nadat de aanvrager het verschuldigde recht heeft betaald of nadat zekerheid tot betaling is gesteld. **6.** Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing als de Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag is. **7.** Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen om documenten, ringen en merktekens voor dieren als bedoeld in artikel 13.1, eerste lid, van de wet. ### Artikel 14.6 **1.** Bij de beslissing op een aanvraag om een besluit waarvoor een uurtarief is opgenomen worden teveel betaalde kosten terugbetaald. De terugbetaling wordt berekend door het bedoelde uurtarief te vermenigvuldigen met het aantal werkelijk bestede uren, verminderd met het al betaalde tarief, bedoeld in artikel 14.5, vijfde lid. Het teveel betaalde wordt binnen zes weken na de beslissing op de aanvraag terugbetaald. **2.** Als bij een aanvraag om een besluit een van de gevallen, bedoeld in artikel 14.4, van toepassing is, en: a. a. de aanvrager het verschuldigde recht niet heeft betaald, wordt de beschikking tot het heffen van het recht ambtshalve daaraan aangepast; of b. b. de aanvrager het verschuldigde recht heeft betaald, wordt ambtshalve een teruggaaf verleend. **3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de Minister van Economische Zaken en Klimaat het bevoegd gezag is. #### Paragraaf 14.1.2. Bouwactiviteiten ### Artikel 14.7 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.25 of 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bedraagt het tarief € 250. **2.** Het tarief in het eerste lid wordt vermeerderd met: a. a. 0,24% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 0 en € 25.000; b. b. 0,23% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 25.000 en € 50.000; c. c. 1,10% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 50.000 en € 200.000; d. d. 1,57% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 200.000 en € 2.500.000; en e. e. 1,61% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 2.500.000 en elk bedrag daarboven. **3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.8 Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.7, tweede lid, verhoogd met € 1.600. ### Artikel 14.9 Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op: a. a. het in stand houden van een bestaand bouwwerk, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; b. b. bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen als bedoeld in artikel 4.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; c. c. het gebruik van een bouwwerk, bedoeld in artikel 6.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of d. d. het verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bedraagt het uurtarief € 125. ### Artikel 14.10 Als een aanvraag betrekking heeft op het verlengen van de in een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit gestelde termijn, bedoeld in artikel 10.23, tweede lid, van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief € 500. #### Paragraaf 14.1.3. Omgevingsplanactiviteiten ### Artikel 14.11 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.8 van het Omgevingsbesluit, bedraagt het tarief € 5.000. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.12 Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.11, eerste lid, verhoogd met € 1.600. #### Paragraaf 14.1.4. Milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten ### Artikel 14.13 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.14 **1.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.13, eerste lid, verhoogd met € 8.422. **2.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.13, eerste lid, verhoogd met € 8.974. **3.** Als een aanvraag als bedoeld in artikel 14.13 wordt ingediend: a. a. waarop afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.13, eerste lid, verhoogd met € 3.786; of b. b. voor een lozingsactiviteit vanuit een ippc-installatie waarop afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing is, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.13, eerste lid, verhoogd met € 2.243. **4.** Als bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een hogedrempelinrichting een veiligheidsrapport als bedoeld in artikel 4.14 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ingediend, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.13, eerste lid, verhoogd met € 3.365. ### Artikel 14.15 Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam en het gaat om het lozen van afvalwater afkomstig van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. ### Artikel 14.16 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in de artikelen 3.320 en 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 7.280. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.17 **1.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit moet worden beoordeeld of het besluit aanzienlijke milieueffecten kan hebben, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.16, eerste lid, verhoogd met € 2.750. **2.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.16, eerste lid, verhoogd met € 5.250. **3.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.16, eerste lid, verhoogd met € 2.750. **4.** Als kennisgeving van het ontwerp of van het besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze geschiedt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.16, eerste lid, verhoogd met € 520 per publicatie en, voor zover aanvullend daaraan kennisgeving in een landelijk dagblad of in andere media geschiedt, met de daarvoor in rekening gebrachte kosten. **5.** Als een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning wordt gedaan en de wijziging geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu als bedoeld in artikel 10.24, vierde lid, van het Omgevingsbesluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.16, tweede lid, verminderd met € 2.080. ### Artikel 14.18 **1.** Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. **2.** Als kennisgeving van het ontwerp van het besluit en bekendmaking, kennisgeving of mededeling van het besluit of de zakelijke inhoud ervan in een huis-aan-huisblad geschiedt, wordt het tarief verhoogd met € 520 per publicatie en, voor zover de kennisgeving, bekendmaking of mededeling in een landelijk dagblad of in andere media geschiedt, met de daarvoor in rekening gebrachte kosten. ### Artikel 14.18a **1.** Als een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen betrekking heeft op het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. **2.** Als kennisgeving van het ontwerp van het besluit en bekendmaking, kennisgeving of mededeling van het besluit of de zakelijke inhoud ervan in een huis-aan-huisblad geschiedt, wordt het tarief verhoogd met € 520 per publicatie en, voor zover de kennisgeving, bekendmaking of mededeling in een landelijk dagblad of in andere media geschiedt, met de daarvoor in rekening gebrachte kosten. ### Artikel 14.18b Als voor het aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren of buiten gebruik stellen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk of voor het stimuleren van een voorkomen via een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk gegevens en bescheiden worden verstrekt, als bedoeld in de artikelen 4.1116 en 4.1117, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.19 Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een militaire zeehaven, bedoeld in de artikelen 3.323 en 3.324 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het uurtarief € 125. ### Artikel 14.20 Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een militaire luchthaven, bedoeld in de artikelen 3.326 en 3.327 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het uurtarief € 125. ### Artikel 14.21 Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen, bedoeld in de artikelen 3.331 en 3.332 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het uurtarief € 125. ### Artikel 14.22 Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen, bedoeld in de artikelen 3.334 en 3.335 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het uurtarief € 125. ### Artikel 14.23 Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, anders dan bedoeld in de artikelen 14.13, 14.16 en 14.19 tot en met 14.22, bedraagt het uurtarief € 125. ### Artikel 14.24 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 14.19 tot en met 14.23 die betrekking heeft op: a. a. één milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 2.500; b. b. twee tot vijf milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 4.375; c. c. vijf tot tien milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 8.125; d. d. tien tot vijftien milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 11.250; of e. e. vijftien of meer milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 15.000. ### Artikel 14.25 **1.** Voor een aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, anders dan bedoeld in de artikelen 14.15 en 14.18, die betrekking heeft op: a. a. één milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 2.500; b. b. twee tot vijf milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 4.375; c. c. vijf tot tien milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 8.125; d. d. tien tot vijftien milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 11.250; of e. e. vijftien of meer milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief, in afwijking van artikel 14.3 € 15.000. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van het maatwerkvoorschrift. #### Paragraaf 14.1.5. Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk ### Artikel 14.26 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, een ontgrondingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk of een wateronttrekkingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onder a tot en met c en e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. **2.** Als een aanvraag, betrekking heeft op een activiteit die vanwege de aard en omvang naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van ondergeschikt belang is, bedraagt het tarief € 151. **3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.27 **1.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.26, eerste lid, verhoogd met € 8.422. **2.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.26, eerste lid, verhoogd met € 8.974. ### Artikel 14.28 Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, een ontgrondingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of een wateronttrekkingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onder a tot en met c en e, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. ### Artikel 14.28a **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in artikel 6.46, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.28b **1.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit moet worden beoordeeld of het besluit aanzienlijke milieueffecten kan hebben, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.28a, eerste lid, verhoogd met € 2.750. **2.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.28a, eerste lid, verhoogd met € 5.250. **3.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.28a, eerste lid, verhoogd met € 2.750. **4.** Als kennisgeving van het ontwerp of van het besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze geschiedt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.28a, eerste lid, verhoogd met € 520 per publicatie en, voor zover aanvullend daaraan kennisgeving in een landelijk dagblad of in andere media geschiedt, met de daarvoor in rekening gebrachte kosten. **5.** Als een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning wordt gedaan en de wijziging geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu als bedoeld in artikel 10.24, vierde lid, van het Omgevingsbesluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.28a, tweede lid, verminderd met € 2.080. ### Artikel 14.28c Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in artikel 6.45 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.28d Als een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in artikel 6.45, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.28e Als voor het gebruiken van een locatie in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied, een melding wordt gedaan als bedoeld in artikel 6.47, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.28f **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk als bedoeld in de artikelen 6.56i en 6.56j van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.28g **1.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.28f, eerste lid, verhoogd met € 2.750. **2.** Als kennisgeving van het ontwerp of van het besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze geschiedt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.28f, eerste lid, verhoogd met € 520 per publicatie en, voor zover aanvullend daaraan kennisgeving in een landelijk dagblad of in andere media geschiedt, met de daarvoor in rekening gebrachte kosten. ### Artikel 14.28h Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 6.56i van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.28i Als een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 6.56i van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. #### Paragraaf 14.1.6. Activiteiten in de Noordzee ### Artikel 14.29 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een stortingsactiviteit op zee, een ontgrondingsactiviteit of een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.1, onder a tot en met e en g, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.30 **1.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.29, eerste lid, verhoogd met € 8.422. **2.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.29, eerste lid, verhoogd met € 8.974. ### Artikel 14.31 Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, een stortingsactiviteit op zee, een ontgrondingsactiviteit of een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 7.1, onder a tot en met e en g, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. ### Artikel 14.31a **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk als bedoeld in de artikelen 7.46 en 7.47, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.31b **1.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.31a, eerste lid, verhoogd met € 2.750. **2.** Als kennisgeving van het ontwerp of van het besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze geschiedt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.31a, eerste lid, verhoogd met € 520 per publicatie en, voor zover aanvullend daaraan kennisgeving in een landelijk dagblad of in andere media geschiedt, met de daarvoor in rekening gebrachte kosten. ### Artikel 14.31c Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 7.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.31d Als een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 7.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.31e **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in de artikelen 7.66, aanhef en onder a, en 7.67, onder a of b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 4.300. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.31f **1.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.31e, eerste lid, verhoogd met € 2.750. **2.** Als kennisgeving van het ontwerp of van het besluit op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze geschiedt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.31e, eerste lid, verhoogd met € 520 per publicatie en, voor zover aanvullend daaraan kennisgeving in een landelijk dagblad of in andere media geschiedt, met de daarvoor in rekening gebrachte kosten. ### Artikel 14.31g Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in artikel 7.66 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.31h Als een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen betrekking heeft op een mijnbouwlocatieactiviteit als bedoeld in artikel 7.66 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. ### Artikel 14.31i Als voor het gebruiken van een locatie in de Noordzee voor een mijnbouwinstallatie, met inbegrip van het voor die installatie geldende beperkingengebied, een melding wordt gedaan als bedoeld in artikel 7.68, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.920. #### Paragraaf 14.1.7. Activiteiten rond rijkswegen ### Artikel 14.32 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg als bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.33 **1.** Als op grond van artikel 16.43, eerste lid, van de wet bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.32, eerste lid, verhoogd met € 8.422. **2.** Als op grond van artikel 10.24, eerste lid, van het Omgevingsbesluitafdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van het besluit, wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.32, eerste lid, verhoogd met € 8.974. ### Artikel 14.34 Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg als bedoeld in artikel 8.1, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 607. #### Paragraaf 14.1.8. Activiteiten rond spoorwegen ### Artikel 14.35 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 9.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.665. **2.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 9.31 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: a. a. in de gevallen, bedoeld in artikel 9.31, aanhef en onder a en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving: 1°. voor zover het gaat om een beperkingengebiedactiviteit die alleen bestaat uit de activiteiten, bedoeld in artikel 2.27 of 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of werkzaamheden voor het verwijderen of in standhouden van bomen en struiken: € 1.665; 2°. andere gevallen dan bedoeld onder 1: € 11.300, 1°. 1°. voor zover het gaat om een beperkingengebiedactiviteit die alleen bestaat uit de activiteiten, bedoeld in artikel 2.27 of 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of werkzaamheden voor het verwijderen of in standhouden van bomen en struiken: € 1.665; 2°. 2°. andere gevallen dan bedoeld onder 1: € 11.300, b. b. in de gevallen, bedoeld in artikel 9.31, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving: € 1.665. **3.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 9.38 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.665. **4.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 9.44 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.665. **5.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een bijzondere spoorweg als bedoeld in de artikelen 9.20, 9.31, 9.38 of 9.44 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 775. **6.** Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.36 [Vervallen] ### Artikel 14.37 **1.** Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 9.1, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 950. **2.** Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een bijzondere spoorweg als bedoeld in artikel 9.1, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 775. #### Paragraaf 14.1.9. Activiteiten rond luchthavens ### Artikel 14.38 **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven als bedoeld in artikel 10.11, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: a. a. als sprake is van een obstakel beneden veiligheidsvlakken bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol: € 675; of b. b. als sprake is van een obstakel door veiligheidsvlakken bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol: € 1.924. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. **3.** Voor een aanvraag om verlenging van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid bedraagt het tarief: € 46. ### Artikel 14.39 [Gereserveerd] ### Artikel 14.40 Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een luchthaven als bedoeld in artikel 10.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 1.568. #### Paragraaf 14.1.10. Activiteiten die de natuur betreffen ### Artikel 14.41 Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, bedraagt het tarief: a. a. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 800; b. b. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.900; of c. c. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.500. ### Artikel 14.41a Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op: a. a. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600; 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000; of 1°. 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600; 2°. 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of 3°. 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000; of b. b. flora- en fauna-activiteiten soorten als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600; 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000; of 1°. 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600; 2°. 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of 3°. 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000; of c. c. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600; 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000. 1°. 1°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar wordt aangevraagd: € 600; 2°. 2°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van een tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600; of 3°. 3°. als de omgevingsvergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000. ### Artikel 14.41b **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op: a. a. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.38, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 80; of b. b. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 80. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning. ### Artikel 14.41c Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op: a. a. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 60; of b. b. flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: € 60. ### Artikel 14.41d Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitzetten van dieren of eieren van dieren, bedoeld in artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief: a. a. voor de herintroductie van een soort: € 1.600; of b. b. voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800. ### Artikel 14.41e **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op: a. a. een valkeniersactiviteit, bedraagt het tarief: € 65; en b. b. een duplicaat van een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit, bedraagt het tarief: € 30. **2.** De gelden die zijn voldaan voor een verleende omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit worden niet gerestitueerd. ### Artikel 14.41f **1.** Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op: a. a. een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 138; b. b. een jachtgeweeractiviteit voor de periode aansluitend op de periode waarvoor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, bedraagt het tarief: € 68; c. c. het wijzigen van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 30; d. d. het vervangen als gevolg van verlies van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 30; en e. e. een duplicaat van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, bedraagt het tarief: € 30. **2.** De gelden die zijn voldaan voor een verleende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit worden niet gerestitueerd. **3.** Het tarief voor een combinatie van de in het eerste lid genoemde handelingen bedraagt niet meer dan het bedrag dat zou zijn verschuldigd voor dat deel van de combinatie waarvoor het hoogste tarief geldt. ### Artikel 14.42 **1.** Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de wet, of een activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, 11.46, eerste lid, en 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt het tarief: a. a. als de wijziging geen nieuwe ecologische beoordeling vergt: € 0; en b. b. als de wijziging een nieuwe ecologische beoordeling vergt: 25% van het tarief dat bij de activiteiten, bedoeld in artikelen 14.41 en 14.41a, hoort. **2.** Als onderzoek als bedoeld in artikel 48a van de Regeling wapens en munitie, deel uitmaakt van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt het tarief, bedoeld in artikel 14.14f, verhoogd met € 55. ### Artikel 14.43 **1.** Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.31, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 100. **2.** Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op het verbod op bezit van en handel in dieren en planten als bedoeld in artikel 11.96, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en betrekking heeft op levende dieren, bedraagt het tarief € 15. **3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van het maatwerkvoorschrift. ### Artikel 14.43a **1.** Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op herbeplanten van grond als bedoeld in artikel 11.114, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 300. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om wijziging van het maatwerkvoorschrift. ### Artikel 14.44 Voor de behandeling van een aanvraag om afgifte of wijziging van de hierna genoemde documenten, bedraagt het tarief voor: a. a. een invoervergunning als bedoeld in artikel 4 van de cites-basisverordening: € 60; b. b. een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5 van de cites-basisverordening: € 60; c. c. een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de cites-basisverordening: € 60; d. d. een bijlage bij een document als bedoeld in onderdeel a, b of c waarop maximaal 3 soorten worden vermeld: € 60; e. e. een inschrijving als wetenschappelijke instelling als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de cites-basisverordening: € 40; f. f. een certificaat als bedoeld in de artikelen 8, derde lid, en 9, tweede lid, onderdeel b, van de cites-basisverordening: € 15; g. g. een certificaat van persoonlijke eigendom als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 45; h. h. een certificaat van monsterverzameling als bedoeld in artikel 44 bis van de cites-uitvoeringsverordening: € 60; i. i. een muziekinstrumentencertificaat als bedoeld in artikel 44 decies, eerste lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 45; j. j. een certificaat voor reizende tentoonstellingen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 45; k. k. een etiket als bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 0,25; en l. l. een vergunning als bedoeld in artikel 66, zevende lid, van de cites-uitvoeringsverordening: € 60. ### Artikel 14.44a Voor de behandeling van een aanvraag om een document als bedoeld in de artikelen 8, zesde lid, en 9, zesde lid, van de invasieve-exoten-basisverordening, voor zover de aanvraag niet gelijktijdig wordt ingediend met de aanvraag om een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 11.109 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt: € 15. ### Artikel 14.45 **1.** Voor de behandeling van een aanvraag om merktekens voor een geprepareerde vogel als bedoeld in artikel 7.219, vierde lid, bedraagt het tarief: € 1 per merkteken. **2.** De aan erkende organisaties, als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, door de leverancier in rekening gebrachte kostprijs voor de vervaardiging van gesloten pootringen wordt aan de aanvrager doorberekend. **3.** De erkende organisaties kunnen de in het tweede lid bedoelde kostprijs verhogen met een bedrag ter dekking van de kosten voor de uitreiking van ringen ter hoogte van maximaal € 1 per ring. **4.** Gesloten pootringen worden uitgereikt na voldoening van de som van de gelden, bedoeld in het tweede en derde lid. ### Artikel 14.46 [Vervallen] #### Paragraaf 14.1.11. Activiteiten die het werelderfgoed betreffen ### Artikel 14.47 Als een aanvraag om een maatwerkvoorschrift betrekking heeft op een activiteit die het werelderfgoed betreft als bedoeld in artikel 14.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bedraagt het tarief € 2.211. #### Paragraaf 14.1.12. Certificering gasverbrandingsinstallaties ### Artikel 14.47a Voor de behandeling van een aanvraag tot aanwijzing als certificatie-instelling als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedraagt het tarief € 12.963. ### Afdeling 14.2. Gebruiksvergoeding door initiatiefnemer bij gedoogplicht ### Artikel 14.48 **1.** Deze afdeling is van toepassing als: a. a. een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.14 of 10.21 van de wet is opgelegd voor een werk dat tot stand wordt gebracht of wordt opgeruimd door een initiatiefnemer als bedoeld in artikel 13.3e, eerste lid, van de wet; en b. b. de initiatiefnemer op grond van artikel 13.3e, eerste lid, van de wet een redelijke gebruiksvergoeding is verschuldigd. **2.** Artikel 10.1 van de wet is van overeenkomstige toepassing op deze afdeling. ### Artikel 14.49 **1.** Een initiatiefnemer is de redelijke gebruiksvergoeding, bedoeld in artikel 13.3e, eerste lid, van de wet, jaarlijks aan de eigenaar van de onroerende zaak verschuldigd. De redelijke gebruiksvergoeding wordt bepaald volgens de formule: *gebruiksvergoeding = grondoppervlakte · grondwaarde · rendementsfactor* waarbij wordt verstaan onder: grondoppervlakte: oppervlakte in vierkante meter van het deel van de onroerende zaak waarop de gedoogplicht rust; grondwaarde: marktwaarde per vierkante meter van de grondoppervlakte, uitgaande van de prijs die tot stand zou zijn gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen een redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper, uitgaande van het in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten gebruik van de onroerende zaak; rendementsfactor: forfaitair rendement van 2%. **2.** Bij het bepalen van de grondwaarde wordt uitgegaan van de waarde op de dag voorafgaand aan die waarop de gedoogplicht wordt opgelegd. **3.** De grondwaarde wordt vanaf de dag waarop de verplichting tot gedogen ingaat elke vijf jaar geïndexeerd overeenkomstig het percentage waarmee de consumentenprijsindex, zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek, over de derde maand voorafgaand aan die waarin indexatie plaatsvindt, afwijkt van: a. a. de consumentenprijsindex geldend op de dag waarop de verplichting tot gedogen is ingegaan; of b. b. als indexatie tien jaar of meer na het ingaan van de verplichting tot gedogen plaatsvindt: de consumentenprijsindex waarop de voorgaande indexatie is gebaseerd. **4.** Als voor de grondoppervlakte op grond van artikel 13.3e van de wet ook een redelijke gebruiksvergoeding aan een andere rechthebbende dan de eigenaar van de onroerende zaak is verschuldigd, komt die gebruiksvergoeding in mindering op de gebruiksvergoeding, bedoeld in het eerste lid. **5.** De redelijke gebruiksvergoeding voor de andere rechthebbende wordt bepaald naar rato van: a. a. de aard van het recht dat die rechthebbende op de onroerende zaak heeft; en b. b. het aantal vierkante meter van de onroerende zaak waarop die rechthebbende een recht heeft en waarop de gedoogplicht rust. ## Hoofdstuk 15. Bevoegdheden in bijzondere omstandigheden ### Afdeling 15.1 ### Afdeling 15.2 ### Afdeling 15.3. Alarmeringswaarden #### Paragraaf 15.3.1. Algemene bepalingen ### Artikel 15.1 Deze afdeling is van toepassing op het vaststellen van de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 19.10, eerste lid, van de wet, en op het geven van informatie of waarschuwingen bij overschrijding of dreigende overschrijding van een alarmeringswaarde als bedoeld in artikel 19.11 van de wet. #### Paragraaf 15.3.2. Vaststelling alarmeringswaarden ### Artikel 15.2 **1.** Voor zwaveldioxide geldt een alarmeringswaarde van 500 μg/m^3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren. **2.** Voor stikstofdioxide geldt een alarmeringswaarde van 400 μg/m^3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren. **3.** Voor ozon gelden de volgende alarmeringswaarden: a. a. 180 μg/m^3 als uurgemiddelde concentratie; en b. b. 240 μg/m^3 als uurgemiddelde concentratie. **4.** Voor PM_10 gelden de volgende alarmeringswaarden: a. a. 70 μg/m^3 als daggemiddelde concentratie; en b. b. 100 μg/m^3 als daggemiddelde concentratie. **5.** De alarmeringswaarden, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, gelden in gebieden van ten minste 100 km^2 of in een volledige agglomeratie of zone als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39. ### Artikel 15.3 De alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden die een gevaar voor primaire waterkeringen kunnen opleveren, bedoeld in artikel 19.10, eerste lid, onder b, van de wet, zijn vastgesteld in bijlage XXXV. #### Paragraaf 15.3.3. Informatie en waarschuwing bij overschrijding of dreigende overschrijding van alarmeringswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht ### Artikel 15.4 **1.** Van geringe smog is sprake wanneer: a. a. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide lager is dan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder a, respectievelijk artikel 2.4, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. b. de concentratie van ozon lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a; of c. c. de daggemiddelde concentratie van PM_10 lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder a. **2.** Van matige smog is sprake wanneer: a. a. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide hoger is dan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder a, respectievelijk artikel 2.4, eerste lid, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, maar lager is dan de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 15.2, eerste lid, respectievelijk tweede lid; b. b. de concentratie van ozon hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a, maar lager is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder b; of c. c. de daggemiddelde concentratie van PM_10 zich bevindt tussen de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder a, en de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder b. **3.** Van ernstige smog is sprake wanneer: a. a. de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide hoger is dan de alarmeringswaarden, bedoeld in artikel 15.2, eerste lid, respectievelijk tweede lid; b. b. de concentratie van ozon hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder b; of c. c. de daggemiddelde concentratie van PM_10 hoger is dan de alarmeringswaarde, bedoeld in artikel 15.2, vierde lid, onder b. ### Artikel 15.5 Het vaststellen of sprake is van geringe, matige of ernstige smog vindt plaats door het RIVM overeenkomstig artikel 12.3, tweede lid. ### Artikel 15.6 **1.** Het RIVM stelt basisinformatie over zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM_10 beschikbaar op www.luchtmeetnet.nl en zo mogelijk via andere landelijke media. **2.** Basisinformatie als bedoeld in het eerste lid omvat ten minste: a. a. een beschrijving van het ontstaan van concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM_10 in de buitenlucht; b. b. een weergave van de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM_10 per agglomeratie en zone als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39 en een toelichting daarop; en c. c. een aanduiding van de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM_10 als geringe, matige of ernstige smog. ### Artikel 15.7 Als naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op matige of ernstige smog en in perioden van matige of ernstige smog, analyseert het RIVM ieder uur de ontwikkeling van de kwaliteit van de buitenlucht op basis van de vaststelling van de concentraties, bedoeld in artikel 12.3, tweede lid. ### Artikel 15.8 **1.** Bij matige of ernstige smog stelt het RIVM, in aanvulling op de in artikel 15.6 genoemde basisinformatie, beschikbaar: a. a. een beschrijving van het ontstaan van smog en van de verontreinigende stoffen in de buitenlucht die matige of ernstige smog veroorzaken; b. b. een prognose van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM_10 voor de eerstvolgende middag, dag of dagen; c. c. een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor matige of ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen; en d. d. een verwijzing naar het Longfonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog. **2.** De in het eerste lid bedoelde informatie wordt beschikbaar gesteld op www.luchtmeetnet.nl en zo mogelijk via andere landelijke media. ### Artikel 15.9 Als matige smog is vastgesteld in een of meer agglomeraties of zones als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39 en de matige smog is veroorzaakt door verhoogde concentraties van zwaveldioxide of stikstofdioxide als bedoeld in artikel 15.4, tweede lid, onder a, stelt het RIVM gedeputeerde staten van de betreffende provincies, het ANP, de GGD en het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in kennis van de actuele concentraties van zwaveldioxide en stikstofdioxide. ### Artikel 15.10 **1.** Als ernstige smog is vastgesteld in een of meer agglomeraties of zones als bedoeld in artikel 2.38 respectievelijk artikel 2.39, stelt het RIVM gedeputeerde staten van de betreffende provincies, het ANP, de GGD en het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, onmiddellijk in kennis van: a. a. de actuele concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM_10; b. b. de alarmeringswaarde die wordt overschreden; c. c. de hoogste uurgemiddelde concentratie en voor ozon de hoogste acht-uurgemiddelde concentratie; d. d. de datum, het tijdstip van aanvang, de duur, de plaats en, voor zover bekend, de oorzaak van de overschrijding van de betreffende alarmeringswaarde; e. e. een gemotiveerde prognose van de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en PM_10 voor de eerstvolgende middag, dag of dagen in het betreffende geografische gebied en de verwachte duur van de ernstige smog; f. f. een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen; en g. g. informatie over de stoffen waarvan de concentratie tijdelijk is verhoogd. **2.** Op de dagen die volgen op een dag dat ernstige smog is vastgesteld, stelt het RIVM de instanties, genoemd in het eerste lid, ten minste eenmaal per dag in kennis van geactualiseerde gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g. **3.** De commissaris van de Koning doet van het optreden van ernstige smog zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek door middel van radio en televisie of op een andere door de commissaris te bepalen wijze. De mededeling omvat de informatie, bedoeld in het eerste lid, en: a. a. een verwijzing naar het Longfonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog; en b. b. voor zover van toepassing, gegevens over de belangrijkste bronsectoren die bijdragen aan de ernstige smog en aanbevelingen voor maatregelen om de emissies te verminderen. **4.** Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer naar redelijke verwachting van het RIVM ernstige smog dreigt te ontstaan. ### Artikel 15.11 Artikel 15.10, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing wanneer naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op overschrijding van de alarmeringswaarde voor ozon of PM_10, bedoeld in artikel 15.2, derde lid, onder a, respectievelijk artikel 15.2, vierde lid, onder a, of wanneer overschrijding van die alarmeringswaarde is vastgesteld. ### Artikel 15.12 Gedeputeerde staten stellen voor de uitvoering van de artikelen 15.10, derde en vierde lid, en 15.11 een provinciaal draaiboek smog vast op basis van het Modeldraaiboek Smog. #### Paragraaf 15.3.4. Informatie en waarschuwing bij overschrijding en dreigende overschrijding van alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden ### Artikel 15.13 Op het geven van informatie of waarschuwingen bij een overschrijding of dreigende overschrijding van de alarmeringswaarden voor hoogwaterstanden, bedoeld in artikel 15.3, is het Landelijk Draaiboek Hoogwater en Overstromingen van toepassing. ## Hoofdstuk 16. Digitaal stelsel ### Afdeling 16.1. Inrichting en beheer landelijke voorziening ### Artikel 16.1 Aan de Dienst, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster, wordt een uitsluitend recht verleend voor het in opdracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verrichten van werkzaamheden die verband houden met het coördineren van het beheer van de landelijke voorziening. ### Afdeling 16.2. Instandhouding, werking en beveiliging landelijke voorziening ### Artikel 16.2 **1.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties neemt passende generieke maatregelen om de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de landelijke voorziening te waarborgen. **2.** Tot de maatregelen behoort in ieder geval het vastleggen en implementeren van een noodherstelplan bij verlies van gegevens in de landelijke voorziening. ### Artikel 16.3 **1.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verhelpt storingen, aantastingen van de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de landelijke voorziening en beveiligingsincidenten binnen een redelijke termijn. **2.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan zonder voorafgaande kennisgeving de toegang tot of de beschikbaarheid van de landelijke voorziening onderbreken, als sprake is van een storing, een aantasting van de beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de landelijke voorziening of een beveiligingsincident. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt informatie over de aard en verwachte duur van de onderbreking via een algemeen toegankelijk kanaal. ### Artikel 16.4 Om aantasting van de beveiliging, misbruik of oneigenlijk gebruik van de landelijke voorziening te signaleren en adequaat te beëindigen, kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: a. a. controles uitvoeren op de gegevens in de landelijke voorziening; b. b. bij het vermoeden van misbruik of oneigenlijk gebruik de toegang tot de landelijke voorziening onderbreken; of c. c. bij geconstateerd misbruik of oneigenlijk gebruik de toegang tot de landelijke voorziening beëindigen. ### Afdeling 16.2a. Omgevingsdocumenten ### Artikel 16.4a Omgevingsdocument zijn de besluiten en andere rechtsfiguren die zijn opgenomen in bijlage 4 of bijlage 5 bij de Regeling standaarden publicaties Omgevingswet. ### Afdeling 16.3. Standaarden voor informatie-uitwisseling ### Artikel 16.5 De systeembeschrijving, bedoeld in artikel 20.29 van de wet, bestaat uit: a. a. hoofdstuk 8 van de in bijlage XXXVI opgenomen Standaard toepasbare regels, versie 2.0, en de hoofdstukken 5 tot en met 9 van het daarbij behorende en in die bijlage opgenomen Informatiemodel toepasbare regels; en b. b. de hoofdstukken 3 en 4 van de in bijlage XXXVII opgenomen Standaard aanvragen en meldingen, versie 5.0. ### Artikel 16.6 Informatie voor het samenstellen van het via de landelijke voorziening te verstrekken formulier, bedoeld in artikel 14.2, derde lid, van het Omgevingsbesluit, wordt beschikbaar gesteld volgens het onderdeel van de systeembeschrijving, bedoeld in artikel 16.5, onder a. ### Artikel 16.7 Een in bijlage VIII bij het Omgevingsbesluit bedoeld gegeven over de status van een besluit of andere rechtsfiguur wordt verstrekt volgens de standaard en met gebruikmaking van de voorziening zoals op grond van de Bekendmakingswet is bepaald voor de publicatie van het besluit of de andere rechtsfiguur waarop het gegeven betrekking heeft. ### Artikel 16.8 Als een bestuursorgaan voor ontsluiting via de landelijke voorziening informatie beschikbaar stelt die is bedoeld om een ieder in staat te stellen op eenvoudige wijze inzicht te verkrijgen in regels die gelden voor een bepaalde activiteit, gebeurt dit volgens het onderdeel van de systeembeschrijving, bedoeld in artikel 16.5, onder a. ### Afdeling 16.4. Verantwoordelijkheden bij verwerking persoonsgegevens in samenwerkfunctionaliteit ### Artikel 16.9 Deze afdeling is van toepassing op het via de landelijke voorziening uitwisselen van persoonsgegevens bij het voorbereiden van een beslissing op een aanvraag of het beoordelen van een melding of gegevens en bescheiden ter voldoening aan een andere informatieverplichting dan een melding op grond van de wet, waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken zijn. ### Artikel 16.10 Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, draagt zorg voor het verstrekken van informatie aan de betrokkene in overeenstemming met de artikelen 13 en 14 van de Algemene verordening gegevensbescherming. ### Artikel 16.11 **1.** Betrokkene kan een verzoek over de uitoefening van de aan hem toegekende rechten als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de Algemene verordening gegevensbescherming richten aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De minister richt hiervoor een contactpunt in. **2.** De minister geleidt een verzoek als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk door naar het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens. Dit bestuursorgaan handelt het verzoek af. ### Artikel 16.12 **1.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties meldt een inbreuk in verband met persoonsgegevens die verband houdt met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening aan de Autoriteit persoonsgegevens en informeert het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens daarover. **2.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt degene om wiens persoonsgegevens het gaat onverwijld in kennis van een inbreuk in verband met persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid als de inbreuk waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor diens rechten en vrijheden. ### Artikel 16.13 **1.** Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, meldt een inbreuk in verband met persoonsgegevens die verband houdt met het gebruik van de landelijke voorziening aan de Autoriteit persoonsgegevens en informeert de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarover. **2.** Het bestuursorgaan stelt degene om wiens persoonsgegevens het gaat onverwijld in kennis van een inbreuk in verband met persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid als de inbreuk waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor diens rechten en vrijheden. ### Artikel 16.14 **1.** Als niet duidelijk is of een inbreuk in verband met persoonsgegevens verband houdt met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening of het gebruik daarvan, meldt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de inbreuk aan de Autoriteit persoonsgegevens en informeert hij het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens daarover. **2.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt degene om wiens persoonsgegevens het gaat onverwijld in kennis van een inbreuk in verband met persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid als de inbreuk waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor diens rechten en vrijheden. ### Artikel 16.15 **1.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties documenteert alle inbreuken in verband met persoonsgegevens die verband houden met de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening. **2.** Het bestuursorgaan dat het initiatief heeft genomen tot het uitwisselen van gegevens, documenteert alle inbreuken in verband met persoonsgegevens die verband houden met het gebruik van de landelijke voorziening. **3.** De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties documenteert alle overige inbreuken in verband met persoonsgegevens. ## Hoofdstuk 17. Overgangsrecht ### Artikel 17.1 Vervallen ### Artikel 17.1a Artikel 7.207b, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is vereist op grond van: a. a. een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of b. b. artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. ### Artikel 17.2 De lijst met vanwege het geluid te saneren gebouwen, bedoeld in artikel 15.2 van het Omgevingsbesluit, wordt vastgesteld volgens het formulier ‘Formulier saneringslijst’, beschikbaar gesteld op www.bureausaneringverkeerslawaai.nl. ### Artikel 17.3 Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 3.25, derde lid, wordt het geluid door luchtvaart omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formule: ### Artikel 17.4 **1.** Op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onder a, van de wet, een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel voor een activiteit geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving of een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor een activiteit geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving, ingediend voor het tijdstip waarop een wijziging van hoofdstuk 5 of paragraaf 7.2.2, inclusief de daar genoemde bijlagen, in werking treedt, of op bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing op een dergelijke aanvraag, blijven de regels in hoofdstuk 5 of paragraaf 7.2.2 van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. **2.** Op een melding voor een activiteit geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving, gedaan voor het tijdstip waarop een wijziging van hoofdstuk 5 of paragraaf 7.2.2, inclusief de daar genoemde bijlagen, in werking treedt, blijven de regels van hoofdstuk 5 en paragraaf 7.2.2 van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de melding is gedaan. ### Artikel 17.5 **1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop de gegevens voor de basisgeluidemissie uiterlijk worden verzameld, bestaat het geluidaandachtsgebied uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg: a. a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; b. b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en c. c. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. **2.** Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg wordt bij de toepassing van het eerste lid het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd. ### Artikel 17.6 **1.** Bij wijziging van een geluidproductieplafond op grond van artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt de hoogte van het geluidproductieplafond berekend op basis van: a. a. de geluidbrongegevens behorende bij het geldende geluidproductieplafond of, voor zover van toepassing, de gewijzigde geluidbrongegevens, bedoeld in bijlage XXXIX; en b. b. de geluidbrongegevens die horen bij het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van de hoofdspoorweg. **2.** Het geluid, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bepaald op basis van aard en omvang van de activiteiten opgenomen in de representatieve bedrijfssituatie van het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de vigerende omgevingsvergunning, waarbij de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften in acht worden genomen. **3.** Paragraaf 2.7 van bijlage IVf is van overeenkomstige toepassing op de geluidbronvermogens van stilstaande treinen. **4.** Artikel 4.1, vijfde lid, van de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing op de op grond van dit artikel gewijzigde geluidproductieplafonds. ## Hoofdstuk 17a. Noodregeling stikstof Natura 2000 ### Artikel 17a.1 Vervallen ### Artikel 17a.2 Vervallen ### Artikel 17a.3 Vervallen ### Artikel 17a.4 Vervallen ### Artikel 17a.5 Vervallen ### Artikel 17a.6 Vervallen ### Artikel 17a.7 Vervallen ### Artikel 17a.8 Vervallen ### Artikel 17a.9 Vervallen ### Artikel 17a.10 Vervallen ## Hoofdstuk 18. Slotbepalingen ### Artikel 18.1 **1.** Deze regeling treedt in werking op een bij ministerieel besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. **2.** Een ministerieel besluit als bedoeld in het eerste lid wordt in de Staatscourant bekendgemaakt. ### Artikel 18.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Omgevingsregeling. ## Bijlage I. bij ## Bijlage II. bij ^1 Bal: Besluit activiteiten leefomgeving; Bbl: Besluit bouwwerken leefomgeving; Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving. ## Bijlage III. bij ^1 Het GML-bestand voor de werkingsgebieden is via Internet raadpleegbaar door de URL https://identifier.officielebekendmakingen.nl voor /join/.. te zetten (bijvoorbeeld https://identifier.officielebekendmakingen.nl/join/id/regdata/mnre1034/2019/or_kustfundament/nld@2020-10-01. ## Bijlage IIIa. bij ## Bijlage IIIb. bij ## Bijlage IV. bij *[afbeelding]* ## Bijlage IVa. bij ## Bijlage IVb. bij In deze bijlage wordt verstaan onder: De volgende spoorwegen, daarbij inbegrepen de niet genoemde verbindingsbogen die deze spoorwegen onderling met elkaar verbinden, zijn hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 2.30a: De volgende spoorwegen zijn hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 2.30a: De spoorwegen gelegen op de volgende locaties zijn hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 2.30a: ## Bijlage IVc. bij ## Bijlage IVd. bij de ## Bijlage IVe. bij de ## Bijlage IVf. bij de ## Bijlage IVg. bij de ## Bijlage IVh. bij de ## Bijlage IVi. bij de ## Bijlage IVj. bij In deze bijlage wordt verstaan onder D: de lengte van het deel van de loodlijn vanuit een geluidgevoelig gebouw naar een weg, respectievelijk een spoorweg, dat eindigt op de dichtstbijzijnde rand van de wegdekverharding, respectievelijk de dichtstbijzijnde spoorstaaf. ## Bijlage IVk. bij ## Bijlage IVl. bij Het aanvraagformulier bevat ten minste onderstaande onderdelen: Beschrijving van het instrument voor kwaliteitsborging waarin ten minste de onderdelen van afdeling 10.7B en 3.19 van het Besluit bouwwerken leefomgeving aan bod komen. Hierbij verklaar ik dat ik de aanvraag naar waarheid heb ingevuld en dat ik weet dat er kosten verbonden kunnen zijn aan het indienen van een aanvraag. ## Bijlage V. bij de ## Bijlage VI. bij de ## Bijlage VIa. bij ## Bijlage VIb. bij ## Bijlage VII. bij Inhoudsopgave Onderdeel 1 Faciliteiten: Categorie: Perslucht Categorie: Stoom Categorie: Aandrijvingen Categorie: Productkoeling Categorie: Grootkeukenapparatuur Categorie: Ovens Categorie: Terreinverlichting Categorie: Zwembad Categorie: Serverruimte Categorie: Roltrap Categorie: Zonnepanelen Onderdeel 2 Processen: Categorie: Natlakspuitcabines Categorie: Drogen Categorie: Procesbaden Categorie: Procesapparatuur Categorie: Proceswarmte Categorie: Proceskoeling Categorie: Veehouderijen Categorie: Datacentrum ## Bijlage VIIa. bij ## Bijlage VIIaa. bij ## Bijlage VIIb. bij ## Bijlage VIIc. bij ## Bijlage VIId. bij ## Bijlage VIII. bij ## Bijlage IX. bij ## Bijlage X. bij ## Bijlage XI. bij ## Bijlage XII. bij de Deze bijlage bevat de exameneisen waaraan moet worden voldaan voor het examen, het herexamen en het bijscholingsexamen EPBD-A en EPBD-B airconditioningssystemen. ## Bijlage XIV. bij Inhoudsopgave Onderdeel 3 Gebouwen: Categorie: Energiebeheersysteem Categorie: Isolatie van de schil Categorie: Ruimteverwarming Categorie: Ruimteventilatie Categorie: Warm tapwater Categorie: Binnenverlichting Categorie: Buitenverlichting Categorie: Zonnepanelen ## Bijlage XIVa. bij ## Bijlage XV. bij de ## Bijlage XVa. behorende bij de ## Bijlage XVb. behorende bij ## Bijlage XVc. bij de ## Bijlage XVd. bij In deze bijlage behorend bij artikel 4.14c, tweede lid, van de Omgevingsregeling zijn de uitvoeringstechnische regels opgenomen die in acht moeten worden genomen bij het verzamelen en openbaar maken van informatie over de categorieën van gegevens, bedoeld in artikel 5.16b, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. De kernprestatie-indicatoren en de wijze waarop deze worden bepaald, gemeten en openbaar gemaakt zijn hieronder opgenomen. ## Bijlage XVI. bij ## Bijlage XVII. bij ## Bijlage XVIII. bij *[afbeelding]* ## Bijlage XVIIIa. bij ## Bijlage XVIIIb. bij de ## Bijlage XVIIIc. bij de ## Bijlage XVIIId. bij de ## Bijlage XVIIIe. bij de ^1 Voor de overstort van de nabezinktank wordt de emissie van geur niet apart berekend. ## Bijlage XVIIIf. bij de ## Bijlage XVIIIg. bij ^1 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl_2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden. ^2 Zuurgraad: pH (0,01 M CaCl_2). Voor de bepaling van pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden. ^3 Onder polychloorbifenylen (som) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 138, 153, 180. Onder de som valt PCB 118 niet. ^4 Onder DDT/DDD/DDE wordt verstaan: de som van DDT, DDD en DDE. ^5 Onder HCH-verbindingen wordt verstaan: som van α-HCH, ß-HCH, γ-HCH en δ-HCH ^6 Onder de ftalaten wordt de som van alle ftalaten verstaan. ^7 De definitie van minerale olie wordt beschreven in de Staatscourant 39, 2000. Als er sprake is van verontreiniging van mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan wordt naast het alkaangehalte ook het gehalte van aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald. ## Bijlage XIX. bij ## Bijlage XIXa. bij de ^1 Deze softwaremodellen zijn ook aangewezen voor het bepalen van de gevolgen voor de luchtkwaliteit in situaties die buiten het toepassingsbereik vallen van SRM1, SRM2 en SRM3. ## Bijlage XX. bij de Grootschalige concentratiegegevens, grootschalige dubbeltellingcorrectiegegevens, meteorologische gegevens en gegevens over de terreinruwheid zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen ## Bijlage XXI. bij de ## Bijlage XXII [Vervallen] ## Bijlage XXIII. bij de ## Bijlage XXIV [Vervallen] ## Bijlage XXV [Vervallen] ## Bijlage XXVI [Vervallen] ## Bijlage XXVII [Vervallen] ## Bijlage XXVIII [Vervallen] ## Bijlage XXIX [Vervallen] ## Bijlage XXX Door vernummering vervallen. ## Bijlage XXXI. bij ## Bijlage XXXII. bij de *[afbeelding]* *[afbeelding]* *[afbeelding]* *[afbeelding]* *[afbeelding]* ## Bijlage XXXIIa. bij de Inhoud 1 Inleiding 1.1 Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen 1.2 De omgevingsregeling 1.3 Leeswijzer 2 De beoordeling op hoofdlijnen 2.1 Planning van de beoordeling 2.2 De beoordeling van een dijktraject op hoofdlijnen 2.2.1. Voorbereiding 2.2.2. Uitvoering 2.2.3. Rapportage 3 Voorbereiding 3.1 De voorbereidingsfase 3.2 Het opstellen van het verhaal van de kering 3.3 Het selecteren van de relevante faalmechanismen 3.4 Het opstellen van het plan van aanpak 4 Uitvoering 4.1 De uitvoeringsfase 4.2 De analyse van de relevante faalmechanismen 4.3 Het inrichten van een werkatelier 4.4 Selectie dominante faalpaden en aanpak nadere analyse 4.5 De analyse van de dominante faalpaden 4.6 De bepaling van de overstromings- of faalkans 4.7 Het opstellen van het veiligheidsoordeel 5 Rapportage 5.1 De beoordelingsrapportage 5.2 De informatie in de beoordelingsrapportage 5.2.1. Het resultaat: de overstromings- of faalkans en het veiligheidsoordeel 5.2.2. De duiding van het resultaat 5.2.3. Een overzicht van de te treffen voorzieningen 5.3 Logboek 6 Kwaliteitsborging 6.1 Inleiding 6.2 Relevante aspecten: kwaliteitsdimensies 6.3 Kennis en instrumenten 7 Overige bepalingen 7.1 Voorlopig oordeel 7.2 Omgaan met nieuwe kennis 7.3 Versterkingsprojecten 7.4 Recent opgeleverde projecten 7.5 Waterkeringen in het buitenland Addenda Begrippenlijst Afkortingen Schematische weergave beoordelingsproces ## Bijlage XXXIIb. bij Inhoud 1 Inleiding 1.1 Wettelijk kader: systematiek monitoring en beoordeling primaire waterkeringen 1.2 De Omgevingsregeling 1.3 Het Basisinstrumentarium 1.4 Leeswijzer 2 Duiding overstromings- of faalkansen 2.1 Kans op overstromen 2.2 Bepaling overstromings- of faalkansen 2.3 Peildatum 2.4 Menselijk ingrijpen 3 Randvoorwaarden watersysteem 3.1 Afvoerverdeling Rijntakken 3.2 Systeemwerking 3.3 Inzet van bergings- of afvoermaatregelen 3.4 Bodemligging watersysteem 3.5 Grenzen van het winterbed 3.6 Vegetatie 3.7 Toestroming zijrivieren 3.8 Meerpeilstatistiek 3.9 Voorliggende waterkeringen 3.10 Diefdijk 3.11 Voorlanden 3.12 Klimaat 4 Analyse faalmechanismen 4.1 Faalmechanisme 4.2 Lijst van initiële mechanismen 4.3 Langs- en overgangsconstructies 4.4 Technische innovaties 4.5 Indirecte mechanismen 4.6 Vakindeling 4.7 Schematisering 4.8 Lengte-effect 4.9 Belastingmodellen 5 Onderbouwing overstromings- of faalkans 5.1 Toepassing Basisinstrumentarium 5.2 Resultaat analyse relevante faalmechanismen 5.3 Resultaat analyse dominante faalpaden 5.4 Assembleren ## Bijlage XXXIII. bij ## Bijlage XXXIV. bij de ^1 Alleen van toepassing als geen sprake is van een historische locatie ^2 Commerciële voorzieningen zijn een bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie, logiesfunctie, sportfunctie of winkelfunctie ^3 Niet-commerciële voorzieningen zijn een celfunctie, gezondheidszorgfunctie of een onderwijsfunctie ^4 In kostenverhaalsgebieden waar ook andere functies dan wonen voorkomen, wordt het bruto-vloeroppervlak daarvan omgerekend in woningequivalenten. Daarbij geldt dat 1 woningequivalent (weq) gelijk staat aan 100 m^2 bruto-vloeroppervlakte of 100 m^2 uitgeefbare grond. ^1 Als sprake is van kostenverhaalsdeelgebieden, wordt onder de grootte verstaan de gemiddelde grootte van de kostenverhaalsdeelgebieden. Deze wordt berekend door de totale oppervlakte van het kostenverhaalsgebied te delen door het feitelijke aantal kostenverhaalsdeelgebieden. ## Bijlage XXXIVa. bij de ^1 Alleen van toepassing als geen sprake is van een historische locatie. ^2 Commerciële voorzieningen zijn een bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie, logiesfunctie, sportfunctie of winkelfunctie. ^3 Niet-commerciële voorzieningen zijn een celfunctie, gezondheidszorgfunctie of een onderwijsfunctie. ^4 In kostenverhaalsgebieden waar ook andere functies dan wonen voorkomen, wordt het bruto-vloeroppervlak daarvan omgerekend in woningequivalenten. Daarbij geldt dat 1 woningequivalent (weq) gelijk staat aan 100 m^2 bruto-vloeroppervlakte of 100 m^2 uitgeefbare grond. ^1 Als sprake is van kostenverhaalsdeelgebieden, wordt onder de grootte verstaan de gemiddelde grootte van de kostenverhaalsdeelgebieden. Deze wordt berekend door de totale oppervlakte van het kostenverhaalsgebied te delen door het feitelijke aantal kostenverhaalsdeelgebieden. ## Bijlage XXXV. bij ^*) en verdere stijging of aanhoudende hoge standen verwacht ## Bijlage XXXVI. bij Deze bijlage wordt beschikbaar gesteld via: https://iplo.nl/digitaal-stelsel/aansluiten/standaarden/sttr-imtr/ ## Bijlage XXXVII. bij Deze bijlage wordt beschikbaar gesteld via: https://iplo.nl/digitaal-stelsel/aansluiten/standaarden/sttr-imtr/ ## Bijlage XXXVIII [Vervallen] ## Bijlage XXXIX. bij **Rekening houden met de actuele ligging of configuratie van een spoorweg bij wijziging van geluidproductieplafonds op grond van artikel 12.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (eerste geluidproductieplafonds voor hoofdspoorwegen met het geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen)**