--- titel: Regeling kwaliteitsafspraken mbo bwb_id: BWBR0035923 type: ministeriele-regeling status: geldend datum_inwerkingtreding: '2016-07-07' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0035923 citeertitel: Regeling kwaliteitsafspraken mbo --- # Regeling kwaliteitsafspraken mbo ## Hoofdstuk I. Regeling kwaliteitsafspraken mbo ### Paragraaf 1. Algemene bepalingen ### Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. a. *investeringsbudget:* aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 2.1; b. b. *kwaliteitsplan:* kwaliteitsplan als bedoeld in artikel 1.4; c. c. *minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken; d. d. *resultaatafhankelijk budget:* aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 3.2; e. e. *wet:* de Wet educatie en beroepsonderwijs. ### Artikel 1.2 De minister verstrekt aan instellingen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks een aanvulling op de bekostiging ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht de kwaliteit van het onderwijs van de instelling te verhogen. ### Artikel 1.3 De aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 1.2, bestaat uit het investeringsbudget en het resultaatafhankelijk budget. ### Artikel 1.4 **1.** De instellingen stellen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 een kwaliteitsplan op. **2.** De instellingen leggen in het kwaliteitsplan gemotiveerd vast: a. a. wat hun uitgangssituatie op het moment van opstellen van het kwaliteitsplan is ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs, in het bijzonder ten aanzien van de in bijlage 1 genoemde thema’s en, indien van toepassing, ten aanzien van andere, niet in de bijlage genoemde thema’s waaraan zij de aanvulling op de bekostiging willen besteden; b. b. wat de resultaten zijn die zij ten aanzien van het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs willen bereiken; c. c. op welke wijze zij die resultaten willen bereiken; d. d. hoe zij de aanvulling op de bekostiging willen besteden ten aanzien van het bereiken van die resultaten. **3.** De instellingen motiveren ten aanzien van de in bijlage 1 genoemde thema’s waaraan zij de aanvulling op de bekostiging niet willen besteden om welke reden zij hiertoe geen noodzaak zien. **4.** De instellingen dienen het kwaliteitsplan uiterlijk op 30 april 2015 in bij de minister. **5.** Artikel 4 van de Regeling OCW-subsidies is niet van toepassing op subsidieverstrekking op grond van deze regeling. ### Artikel 1.5 **1.** De instellingen ondertekenen een uitvoeringsovereenkomst met de minister. De ondertekende uitvoeringsovereenkomst wordt uiterlijk op 1 maart 2015 door de instellingen ingediend bij de minister. **2.** De instellingen winnen advies in over het door hen opgestelde kwaliteitsplan en de uitvoering daarvan bij een door de minister aangewezen instantie. **3.** Een door de minister aangewezen instantie adviseert de minister over de beoordeling van het kwaliteitsplan ten aanzien van het thema stimuleren van excellentie. **4.** De in het derde lid bedoelde instantie is tevens belast met het beoordelen van de verbeterplannen bpv en de resultatenrapportages bpv, bedoeld in hoofdstuk 4. **5.** De minister kan aan de instantie, bedoeld in het derde lid, subsidie verstrekken. ### Artikel 1.6 **1.** De instellingen dienen in 2016, 2017 en 2018 uiterlijk op 1 maart een schriftelijke tussenrapportage over de voortgang van de uitvoering van het kwaliteitsplan in bij de minister. **2.** De instellingen dienen in 2019 uiterlijk op 1 maart een schriftelijke eindrapportage over de uitvoering van het kwaliteitsplan in bij de minister. **3.** De effecten van de aanpak van het beleid inzake het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs worden uiterlijk in 2017 tussentijds geëvalueerd. **4.** De effecten van de aanpak van het beleid inzake het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs worden uiterlijk in 2019 geëvalueerd. ### Artikel 1.7 De verantwoording van de aanvulling op de bekostiging geschiedt conform het bepaalde in artikel 9.1, derde lid, onder c, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. ### Artikel 1.8 De aanvulling op de bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de onderwijsinstelling dan waarvoor deze aanvullende vergoeding wordt verstrekt. ### Paragraaf 2. Investeringsbudget ### Artikel 2.1 Het investeringsbudget wordt aan de instellingen verstrekt ten behoeve van het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs van de instelling, in het bijzonder ten behoeve van de thema’s: a. a. professionalisering; b. b. intensivering van het taal- en rekenonderwijs; c. c. terugdringen van voortijdig schoolverlaten; d. d. bevorderen van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming; e. e. stimuleren van excellentie; f. f. verbeteren van studiewaarde. ### Artikel 2.2 **1.** De subsidieplafonds worden jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant. **2.** Voor het kalenderjaar 2015 is voor het verstrekken van het investeringsbudget, met uitzondering van het deel dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, maximaal 163,5 miljoen euro beschikbaar. **3.** Voor het kalenderjaar 2015 is voor het verstrekken van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie maximaal 24,0 miljoen euro beschikbaar. ### Artikel 2.3 **1.** Het in artikel 2.2, tweede lid, genoemde bedrag wordt als volgt verdeeld over de instellingen die voldoen aan de subsidievoorwaarden, bedoeld in de artikelen 1.4, eerste lid, en 1.5, eerste lid,: a. a. tweederde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling; b. b. eenderde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het aantal deelnemers dat is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet en dat voor bekostiging in aanmerking komt. **2.** Het in artikel 2.2, derde lid, genoemde bedrag wordt verdeeld over de instellingen die aan de in artikel 2.4 bedoelde voorwaarde voldoen naar rato van het totaal van de rijksbijdragedelen voor die instelling, zoals die voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB zijn berekend. ### Artikel 2.4 **1.** Instellingen die in aanmerking willen komen voor het deel van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, dienen dit thema in het kwaliteitsplan op te nemen. Artikel 1.4 is van overeenkomstige toepassing. **2.** De minister beoordeelt uiterlijk op 15 juli 2015 het thema stimuleren van excellentie, zoals dat is opgenomen in het kwaliteitsplan. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van het beoordelingskader in bijlage 2. **3.** Het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie wordt uitsluitend toegekend aan instellingen waarvan dit onderdeel van het kwaliteitsplan door de minister is goedgekeurd. ### Artikel 2.5 **1.** De betaling van het investeringsbudget vindt plaats volgens het kasritme van de betaling van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.4, tweede lid, van de wet. De eerste betaling vindt plaats in de maand mei 2015. **2.** In afwijking van het eerste lid vindt de eerste betaling van het deel van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, voor zover instellingen daarvoor in aanmerking komen, plaats in de maand september 2015. ### Paragraaf 3. Resultaatafhankelijk budget studiewaarde ### Artikel 3.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. a. *basiswaarde:* de waarde, bedoeld in artikel 3.5; b. b. *diploma:* een door een deelnemer die op 1 oktober van het betreffende schooljaar de leeftijd van 27 jaar nog niet had bereikt, behaald diploma als bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet op grond waarvan de instelling bekostiging heeft ontvangen of zal ontvangen; c. c. *diplomawaarde:* de waarde, bedoeld in bijlage 3, die overeenkomstig het opleidingsniveau wordt toegekend aan de diploma’s van de basisberoepsopleiding, de vakopleiding en de middenkader- of specialistenopleiding; d. d. *eenheid:* een groep van beroepsopleidingen van een instelling van eenzelfde opleidingsniveau, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met e, van de wet, binnen een opleidingsdomein; e. e. *grenswaarde:* de waarde, bedoeld in bijlage 5; f. f. *landelijk budget voor behoud:* aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3.7; g. g. *landelijk budget voor verbetering:* aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 3.8; h. h. *referentiewaarde:* de waarde, bedoeld in bijlage 4; i. i. *schooljaar:* de periode van 1 oktober van het daaraan voorafgaande kalenderjaar tot 1 oktober in het betreffende kalenderjaar; j. j. *studiewaarde:* de waarde, bedoeld in artikel 3.4; k. k. *vooropleiding:* de vooropleiding, bedoeld in bijlage 4. ### Artikel 3.2 De minister kan een resultaatafhankelijk budget verstrekken aan de instellingen voor zover zij deelnemers naar een diploma van een zo hoog mogelijk niveau, gegeven hun vooropleiding, hebben begeleid. ### Artikel 3.3 **1.** De subsidieplafonds worden jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant. **2.** Voor het kalenderjaar 2016 is voor het verstrekken van het resultaatafhankelijk budget maximaal 99 miljoen euro beschikbaar. ### Artikel 3.4 **1.** De minister stelt de studiewaarde vast door per diploma het verschil te berekenen tussen de diplomawaarde en de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemer die het diploma heeft behaald. **2.** Indien een deelnemer eerder, maar op of na 1 oktober 2010, een diploma heeft behaald, dan wordt de studiewaarde verminderd met de studiewaarde van dat eerder behaalde diploma. **3.** Indien de studiewaarde berekend op basis van het eerste of tweede lid, lager is dan nul, dan wordt de studiewaarde van dat diploma op nul vastgesteld. **4.** Voor iedere eenheid wordt de gemiddelde studiewaarde bepaald door het gemiddelde te berekenen van de studiewaarden die in een schooljaar in de betreffende eenheid zijn behaald. **5.** Indien in een eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014 gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per schooljaar zijn behaald, wordt de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in afwijking van het vierde lid gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van het opleidingsdomein binnen de instelling waartoe de eenheid behoort. Indien ook in dit opleidingsdomein gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per schooljaar zijn behaald, wordt de studiewaarde gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van de instelling in de schooljaren 2011 tot en met 2014. ### Artikel 3.5 **1.** De basiswaarde van een eenheid wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014. **2.** Indien in een eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014 gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per jaar zijn behaald, wordt de basiswaarde in afwijking van het eerste lid gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van het opleidingsdomein binnen de instelling waartoe de eenheid behoort. Indien ook in dit opleidingsdomein gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per jaar zijn behaald, wordt de basiswaarde gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van de instelling in de schooljaren 2011 tot en met 2014. **3.** De minister stelt de basiswaarden van de eenheden per instelling uiterlijk binnen twee maanden na publicatie van deze regeling bij beschikking vast. ### Artikel 3.6 **1.** De minister verdeelt het in artikel 3.3 bedoelde bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar over de instellingen op basis van de diploma’s behaald in het schooljaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar. **2.** De minister maakt voor de verdeling van het in artikel 3.3 bedoelde bedrag onderscheid tussen het landelijk budget voor behoud en het landelijk budget voor verbetering. **3.** Het landelijk budget voor behoud wordt per schooljaar berekend door het in artikel 3.3 bedoelde bedrag te delen door het totaal aantal behaalde diploma’s in dat schooljaar te vermenigvuldigen met het aantal diploma’s dat op grond van artikel 3.7 voor het behoud van resultaten in aanmerking komt. **4.** Het landelijk budget voor verbetering wordt bepaald door het in artikel 3.3 bedoelde bedrag te verminderen met het landelijk budget voor behoud. **5.** De minister kan een instelling op grond van artikel 3.7, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, niet een groter deel van het in artikel 3.3 bedoelde bedrag verstrekken dan maximaal acht procent van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.1, tweede lid, van de wet. Bij de bepaling van de in artikel 2.2.1, tweede lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage wordt uitgegaan van het bedrag dat op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB is berekend in de maand september voorafgaand aan het jaar waarvoor het resultaatafhankelijk budget is vastgesteld. **6.** Indien het resultaat van de in artikel 3.7, vierde lid, en artikel 3.8, derde lid, bedoelde verdeelsleutels zou zijn dat het maximum, bedoeld in het vijfde lid, wordt overschreden, dan wordt het bedrag waarmee het maximum wordt overschreden verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zij op grond van artikel 3.7, eerste lid, en 3.8, eerste lid, ontvangen. ### Artikel 3.7 **1.** Het deel van het landelijk budget voor behoud waarvoor een instelling in aanmerking komt, is de som van het bedrag waarvoor de eenheden binnen die instelling op grond van het tweede en derde lid gezamenlijk worden meegerekend. **2.** Een eenheid deelt voor het kalenderjaar 2016 mee in de verdeling van het landelijk budget voor behoud, indien de basiswaarde van de eenheid hoger is dan de grenswaarde die voor de eenheid van toepassing is, en indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het schooljaar voorafgaand aan dat kalenderjaar hoger is dan de grenswaarde voor de eenheid. **3.** Een eenheid deelt voor de kalenderjaren 2017 en 2018 mee in de verdeling van het landelijk budget voor behoud, indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het schooljaar voorafgaand aan dat kalenderjaar voor het tweede opeenvolgende schooljaar hoger is dan de grenswaarde van die eenheid. **4.** Het landelijk budget voor behoud wordt verdeeld over de in het tweede dan wel derde lid bedoelde eenheden op grond van de verdeelsleutel: Hierin staat *DiEh* voor het aantal diploma’s dat is behaald in het schooljaar van de eenheid die voor het landelijk budget voor behoud in aanmerking komt; *LTB* voor het landelijk totaal van de diploma’s die zijn behaald in het schooljaar van alle eenheden die in aanmerking komen voor het landelijk budget voor behoud; en *LBB* voor het landelijk budget voor behoud. ### Artikel 3.8 **1.** Het deel van het landelijk budget voor verbetering waarvoor een instelling in aanmerking komt is de som van het bedrag waarvoor de eenheden binnen die instelling op grond van het tweede lid gezamenlijk worden meegerekend. **2.** Een eenheid wordt meegerekend voor de verdeling van het landelijk budget voor verbetering, indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het voorafgaande schooljaar hoger is dan de basiswaarde van de eenheid. **3.** Het landelijk budget voor verbetering wordt verdeeld over de in het tweede lid bedoelde eenheden op grond van de verdeelsleutel: Hierin staat *dE* voor elke eenheid voor het positieve verschil tussen de gemiddelde studiewaarde en de basiswaarde, met dien verstande dat indien het positieve verschil groter is dan 0,1, dE wordt vastgesteld op 0,1; *DiE* voor het aantal diploma’s in de eenheid die in aanmerking komt voor het landelijk budget voor verbetering; *LTV* voor het landelijk totaal van *dE* maal *DiE* voor alle eenheden met verbetering; en *LBV* voor het landelijk budget voor verbetering. ### Artikel 3.9 De betaling van het resultaatafhankelijk budget vindt jaarlijks plaats in de maand november van het betreffende kalenderjaar. ### Artikel 3.10 **1.** In geval van fusie van instellingen betrekt de minister bij de toepassing van dit hoofdstuk de gegevens van de instellingen die in de gefuseerde instelling zijn opgegaan en berekent het deel van het resultaatafhankelijk budget waarvoor de instelling in aanmerking komt voor de gefuseerde instelling op basis van die gegevens. **2.** In geval van splitsing van instellingen betrekt de minister bij de toepassing van dit hoofdstuk de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan de minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande. ### Artikel 3.11 Indien meer dan een derde van de instellingen niet in aanmerking komt voor het resultaatafhankelijk budget als gevolg van omstandigheden waarop de instellingen geen invloed hebben, dan kan de minister met inachtneming van het subsidieplafond besluiten om voor alle instellingen de basiswaarden, de grenswaarden dan wel de referentiewaarden opnieuw vast te stellen. ### Artikel 3.12 **1.** Voor het kalenderjaar 2016 wordt de hoogte van het resultaatafhankelijk budget als volgt berekend: a. a. 50% van het subsidieplafond voor 2016, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, wordt berekend op grond van de artikelen 3.4 tot en met 3.8; b. b. 50% van het subsidieplafond voor 2016 wordt verdeeld over de instellingen op grond van de verdeelsleutel, bedoeld in het derde lid. **2.** Voor het kalenderjaar 2017 wordt de hoogte van het resultaatafhankelijk budget als volgt berekend: a. a. 65% van het subsidieplafond voor 2017, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, wordt berekend op grond van de artikelen 3.4 tot en met 3.8; b. b. 35% van het subsidieplafond voor 2017 wordt verdeeld over de instellingen op grond van de verdeelsleutel, bedoeld in het derde lid. **3.** De verdeling van het gedeelte van het subsidieplafond bedoeld in het eerste lid onder b respectievelijk in het tweede lid onder b, over de instellingen, geschiedt op grond van de volgende verdeelsleutel: Hierin staat *dH* voor elke instelling voor het aantal diploma’s met een diplomawaarde die hoger is dan de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemers die het diploma hebben behaald; LTdH voor het landelijk totaal aantal diploma’s dat hoger is dan de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemers die het diploma hebben behaald; *LBd* voor het landelijk budget voor 2016, bedoeld in het eerste lid onder b, respectievelijk 2017, bedoeld in het tweede lid, onder b. **4.** In afwijking van artikel 3.6, zesde lid, wordt in 2016 respectievelijk 2017, indien het resultaat van de in artikel 3.12, eerste lid, onder a. en b. bedoelde verdeelsleutels zou zijn dat het in artikel 3.6, vijfde lid, bedoelde maximum wordt overschreden voor 2016, dan wordt het bedrag waarmee dit maximum wordt overschreden, verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zijn op grond van artikel 3,12, eerste lid, onder a ontvangen. Voor 2017 wordt dit verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zij op grond van artikel 3.12, tweede lid, onder a, ontvangen. ### Paragraaf 4. Resultaatafhankelijk budget beroepspraktijkvorming ### Artikel 4.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. a. *behaald resultaat:* resultaat dat de instelling in 2017 en 2018 heeft bereikt met het uitvoeren van het verbeterplan bpv; b. b. *beoogd resultaat:* resultaat dat de instelling ten aanzien van de verbeterpunten wil bereiken in 2017 of 2018; c. c. *bpv:* beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 7.2.8, van de wet; d. d. *indicator:* instrument ten behoeve van het meten van een resultaat; e. e. *resultatenrapportage bpv:* rapportage waarin de instelling de behaalde resultaten van de uitvoering van het verbeterplan bpv beschrijft ten opzichte van de beoogde resultaten; f. f. *verbeterplan bpv:* plan waarin de instelling onderbouwd de beoogde resultaten en de maatregelen beschrijft die nodig zijn voor verbetering van de bpv. ### Artikel 4.2 De minister kan in 2017 en 2018 een resultaatafhankelijk budget bpv verstrekken aan instellingen die de resultaten ten aanzien van de kwaliteit van de bpv hebben verbeterd ten opzichte van de uitgangssituatie in 2016. ### Artikel 4.3 **1.** Het resultaatafhankelijk budget bpv wordt verdeeld over de instellingen die tenminste voldoende verbetering hebben gerealiseerd. **2.** Het resultaatafhankelijk budget bpv wordt verdeeld op grond van de verdeelsleutel: Hierin staat: S voor het aantal deelnemers dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het resultaatafhankelijk budget bpv wordt verstrekt, bij de instelling is ingeschreven en voor bekostiging in aanmerking komt; F voor de wegingsfactor met de waarde 1 bij de classificatie ‘voldoende’ of met de waarde 1,5 bij de classificatie ‘goed’; LT S x F voor het gewogen landelijk totaal voor alle instellingen; LBbpv voor het vastgestelde subsidieplafond. ### Artikel 4.4 **1.** Om in aanmerking te kunnen komen het resultaatafhankelijk budget bpv stellen de instellingen een verbeterplan bpv op dat voldoet aan de voorschriften, opgenomen in de artikelen 4.5 tot en met 4.9. **2.** De instelling draagt er zorg voor dat het verbeterplan bpv uiterlijk op 31 augustus 2016 door de minister is ontvangen. **3.** Indien de instelling naar aanleiding van het voorlopige oordeel van de instantie, bedoeld in artikel 1.5, derde lid, aanleiding ziet het verbeterplan bpv aan te passen, draagt de instelling er zorg voor dat het aangepaste verbeterplan bpv uiterlijk op 30 november 2016 door de minister is ontvangen. De instelling zendt een afschrift van het aangepaste verbeterplan bpv aan de instantie. **4.** De instelling die toepassing geeft aan artikel 4.7, vijfde lid, draagt er zorg voor dat het aangevulde verbeterplan bpv uiterlijk op 31 augustus 2017 door de minister is ontvangen. **5.** Indien het verbeterplan bpv na de in het tweede, derde of vierde lid genoemde termijn door de minister is ontvangen, komt de instelling niet in aanmerking voor het resultaatafhankelijk budget bpv. ### Artikel 4.5 Het verbeterplan bpv bevat tenminste de volgende onderdelen: a. a. een analyse van de uitgangssituatie van de kwaliteit van de bpv van de instelling in 2016 gebaseerd op de meest actuele gegevens, leidend tot een gemotiveerde keuze van de verbeterpunten; b. b. een overzicht van de beoogde resultaten per aspect als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, voor juli 2017 of 2018 met een motivering van de keuze van de verbeterpunten; c. c. een overzicht van de maatregelen waarmee de beoogde resultaten kunnen worden gerealiseerd. ### Artikel 4.6 **1.** De analyse, bedoeld artikel 4.5, onder a, heeft in elk geval betrekking op de volgende aspecten van de bpv: a. a. de aansluiting van het programma van de beroepsopleiding op het programma van de bpv; b. b. het begeleiden van de deelnemer bij en het zorgdragen voor het vinden van een passende bpv-plek; en c. c. de begeleiding van de deelnemer door de instelling tijdens de periode van de bpv. **2.** Indien dat uit de analyse, bedoeld in artikel 4.5, onder a, volgt, kan de instelling naast de aspecten, bedoeld in het eerste lid, ook gemotiveerd verbeterpunten formuleren op andere aspecten die leiden tot verbetering van de kwaliteit van de bpv. **3.** Indien uit de analyse, bedoeld in artikel 4.5, onder a, blijkt dat een aspect, bedoeld in het eerste, geen verbetering behoeft, kan de instelling gemotiveerd dat aspect buiten beschouwing laten. ### Artikel 4.7 **1.** De instelling formuleert de beoogde resultaten in het verbeterplan bpv ambitieus en haalbaar. **2.** Bij het formuleren van de beoogde resultaten betrekt de instelling in ieder geval de grootte van de verbetering en het bereik, zijnde het aandeel van de bekostigde deelnemers dat baat heeft bij de verbetering. **3.** De instelling kan in het verbeterplan bpv aangeven dat een aspect of een beoogd resultaat zwaarder weegt voor de verbetering van de kwaliteit van de bpv dan de andere aspecten of beoogde resultaten. **4.** Voor het meten van de beoogde resultaten kiest de instelling in het verbeterplan bpv passende indicatoren, waarmee de kwaliteit van de bpv op eenduidige en betrouwbare wijze kan worden gemeten, dan wel andere instrumenten waarmee eenduidig en betrouwbaar kan worden vastgesteld of het beoogde resultaat is bereikt. **5.** De instelling kan bij de resultatenrapportage bpv over 2017 het verbeterplan bpv aanvullen met een of meer beoogde resultaten voor 2018, indien de uitkomsten en de methodologische onderbouwing van de enquête leerbedrijven over 2016 daartoe aanleiding geven. Het eerste tot en met vierde lid, artikel 4.5 onderdelen b en c, artikel 4.6 en artikel 4.8 zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 4.8 De instelling stemt het verbeterplan bpv af met vertegenwoordigers van de bpv-begeleiders, de leerbedrijven en de deelnemers. ### Artikel 4.9 **1.** De instelling verklaart in het verbeterplan bpv dat de instelling bereid is deel te nemen aan een collegiale consultatie. **2.** De collegiale consultatie vindt periodiek plaats en is gericht op verbetering van de kwaliteit van de bpv. **3.** De instelling neemt de opbrengsten van de collegiale consultatie voor zover beschikbaar op in de resultatenrapportage bpv over 2017 en 2018. ### Artikel 4.10 **1.** De instantie beoordeelt of het verbeterplan bpv voldoet aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 4.5 tot en met 4.9. **2.** De instantie beoordeelt het verbeterplan bpv op grond van het beoordelingskader verbeterplan bpv dat als bijlage 6 bij deze regeling is gevoegd. **3.** De instantie informeert de instelling uiterlijk op 31 oktober 2016 over haar voorlopig oordeel over het verbeterplan bpv. **4.** De instantie adviseert uiterlijk op 31 december 2016 de minister over het verbeterplan bpv van de instelling. **5.** In geval toepassing is gegeven aan artikel 4.7, vijfde lid, adviseert de instantie de minister uiterlijk op 31 oktober 2017. ### Artikel 4.11 **1.** De minister besluit uiterlijk op 31 januari 2017 op basis van het advies van de instantie of het verbeterplan bpv van de instelling voldoet aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 4.5 tot en met 4.9. **2.** Indien het verbeterplan bpv niet voldoet aan de voorschriften, genoemd in het eerste lid, komt de instelling niet in aanmerking voor het resultaatafhankelijke budget bpv. **3.** De minister besluit uiterlijk op 30 november 2017 op het aangevulde verbeterplan bpv, bedoeld in artikel 4.7, vijfde lid. Indien de minister de aanvulling niet goedkeurt, maakt dit beoogde resultaat geen deel uit van de beoordeling van de resultatenrapportage bpv over 2018. ### Artikel 4.12 De instelling draagt er zorg voor dat de minister uiterlijk op 15 augustus van de betreffende jaren de resultatenrapportage bpv heeft ontvangen. De instelling zendt een afschrift van de resultatenrapportage bpv aan de instantie. ### Artikel 4.13 **1.** De instantie geeft een oordeel over de behaalde resultaten per aspect, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het verbeterplan bpv en een oordeel over het geheel van de behaalde resultaten voor het betreffende jaar door de instelling. **2.** De instantie kan aan de instelling nadere informatie en toelichting vragen. De instelling reageert binnen tien werkdagen op het verzoek van de instantie. **3.** De resultatenrapportage bpv van de instelling wordt beoordeeld op grond van het beoordelingskader resultatenrapportage bpv dat als bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd. **4.** Het oordeel in het eerste lid heeft betrekking op het bereik van de resultaten en de grootte van de gerealiseerde verbetering, zoals omschreven in artikel 4.7, eerste en tweede lid. Bij de beoordeling houdt de instantie rekening met het belang dat de instelling in het verbeterplan heeft toegekend aan de verschillende aspecten en beoogde resultaten. ### Artikel 4.14 **1.** De instantie drukt het resultaat van de beoordeling per aspect en het oordeel over het geheel van de behaalde resultaten uit in de classificatie ‘onvoldoende’, ‘voldoende’ of ‘goed’. **2.** De instantie classificeert de behaalde resultaten voor het betreffende aspect als ‘goed’, indien het geheel van de beoogde resultaten voor een aspect is behaald. **3.** De instantie classificeert de behaalde resultaten voor het betreffende aspect als ‘voldoende’, indien het geheel van de beoogde resultaten voor een aspect grotendeels is behaald. **4.** De instantie classificeert de behaalde resultaten voor het betreffende aspect als ‘onvoldoende’, indien voor het geheel van de beoogde resultaten voor een aspect niet de classificatie ‘goed’ of ‘voldoende’ kan worden gegeven. **5.** Ten aanzien van het oordeel over het geheel van de behaalde resultaten voor de instelling zijn het tweede tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing. **6.** De instantie adviseert de minister uiterlijk op 30 september van het desbetreffende jaar over zijn oordelen bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid. ### Artikel 4.15 **1.** De minister besluit uiterlijk op 31 oktober van het desbetreffende jaar over de toekenning aan een instelling van het aandeel in het resultaatafhankelijke budget op basis van de behaalde resultaten. **2.** Het resultaatafhankelijke budget bpv wordt geweigerd indien de door de instelling behaalde resultaten in relatie tot de beoogde resultaten onvoldoende zijn of indien de resultatenrapportage bpv na de in artikel 4.12 genoemde datum wordt ontvangen. ### Artikel 4.16 De betaling van het resultaatafhankelijk budget bpv vindt in 2017 en 2018 in december plaats. ### Artikel 4.17 Indien in een jaar meer dan de helft van de bekostigde deelnemers, bedoeld in artikel 4.13, tweede lid, onder S, zijn ingeschreven op instellingen die niet in aanmerking komen voor het resultaatafhankelijk budget bpv op grond van artikel 4.14, tweede lid, dan kan de minister met inachtneming van het subsidieplafond besluiten om de normen voor de classificatie, bedoeld in artikel 4.12 of de waarde, bedoeld in artikel 4.13, tweede lid, onder F, voor de verdeling in 2017 of 2018 te herzien. ## Hoofdstuk II. Intrekking ## Hoofdstuk III. Overgangsbepaling ## Hoofdstuk IV. Inwerkingtreding ## Bijlage 1. bij De in deze bijlage beschreven doelstellingen en activiteiten dienen per thema, voor zover mogelijk, SMART te worden geformuleerd: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. De instellingen formuleren het kwaliteitsplan mede met het oog op de verwachte resultaten voor vsv en studiewaarde, waarvoor vanaf 2016 resultaatafhankelijke bekostiging plaatsvindt. ## Bijlage 2. bij ## Bijlage 3. bij ## Bijlage 4. bij ## Bijlage 5. bij ## Bijlage 6. bij De instantie vormt een integraal oordeel over het verbeterplan bpv van de mbo-instelling. Dit integrale oordeel is gebaseerd op een toets van het verbeterplan bpv (zijn de voorgeschreven stappen op een goede manier uitgevoerd) en een toets van het ambitieniveau (liggen de beoogde resultaten op het juiste niveau). Deze laatste toets is van een andere orde dan de meer technische toets van het verbeterplan bpv. Met de toets van het ambitieniveau wordt beoordeeld of de beoogde resultaten, als ze worden bereikt, een beloning van een zware categorie ‘goed’ rechtvaardigen. De instelling dient de beoogde resultaten in het verbeterplan bpv zodanig ambitieus te formuleren dat als deze resultaten worden bereikt, de instantie deze bij de beoordeling, bedoeld in artikel 4.14, de classificatie ‘goed’ kan geven. Onderstaand beoordelingskader geeft in de eerste kolom de criteria waarop de beoordeling wordt gebaseerd. De kolom met de minimale vereisten geeft aan wat er onder het criterium valt; de kolom met de beoordeling beschrijft hoe wordt getoetst of daaraan voldaan wordt. De aspecten worden beoordeeld op de variabelen grootte en bereik. De instantie houdt rekening met het belang dat de instelling in het verbeterplan heeft toegekend aan de verschillende aspecten en resultaten. De beoogde resultaten voor de instelling worden in onderlinge samenhang beoordeeld. ^1 Indien de instelling informatie gebruikt uit onderzoek dat in opdracht van de instelling is uitgevoerd, wordt de onderbouwende informatie (bijv. het onderzoeksrapport) bij het verbeterplan verstrekt. ^2 Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden of anderszins meetbaar, aantoonbaar en verifieerbaar. ## Bijlage 7. bij Voor de resultatenrapportage worden de behaalde resultaten afgezet tegen de beoogde resultaten en vergeleken met de uitgangssituatie zoals vastgelegd in het verbeterplan bpv. De instelling kan een toelichting geven over de behaalde resultaten. De instantie vormt een integraal oordeel over de verbetering van de bpv bij de instelling. Dit oordeel is opgebouwd uit de oordelen per aspect. Voor deze oordelen per aspect zet de instantie de behaalde resultaten af tegen de beoogde resultaten en de uitgangssituatie zoals die in het verbeterplan bpv zijn opgenomen. De instantie betrekt de door de instelling gegeven toelichting bij de beoordeling. Bij dit integraal oordeel worden de drie variabelen grootte, bereik en belang van de gerealiseerde verbetering voor de resultaten per aspect gewogen. Het is niet mogelijk voor deze kwalitatieve beoordeling een kwantitatieve beslisregel te formuleren. Daarom vormt de instantie een integraal oordeel over de verbetering van de bpv zoals die blijkt uit de bereikte resultaten, voor de instelling als geheel en voor de diverse aspecten. Dit oordeel wordt onderbouwd en gemotiveerd. De resultaten worden beoordeeld als behaald als ze ten minste op het niveau van de beoogde resultaten liggen. In Artikel 4.14 staat in het tweede lid, dat indien het geheel van de beoogde resultaten van een aspect is bereikt, de instantie de behaalde resultaten voor het betreffende aspect classificeert als ‘goed’. In Artikel 4.14 staat in het derde lid, dat indien het geheel van de beoogde resultaten grotendeels is gerealiseerd, de instantie de behaalde resultaten voor het betreffende aspect classificeert als ‘voldoende’. De instantie beoordeelt het geheel van de gerealiseerde resultaten voor een aspect als ‘voldoende’ als alle beoogde resultaten grotendeels zijn bereikt of als een groot deel van de resultaten geheel is bereikt. In Artikel 4.14 staat in het vierde lid, dat indien voor de beoogde resultaten niet de classificatie ‘goed’ of ‘voldoende’ kan worden gegeven, de instantie de behaalde resultaten voor dit aspect classificeert als ‘onvoldoende’. In Artikel 4.14 staat in het vijfde lid, dat bij de beoordeling van de gerealiseerde resultaten voor de instelling als geheel het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing zijn. Dit geldt ook voor de hierboven vermelde normen voor de beoordeling ‘goed’ en ‘voldoende’. Voor 2018 wordt eenzelfde tabel gebruikt als voor 2017. Er is geen verband tussen het oordeel in 2017 en het oordeel in 2018. Het kan voorkomen dat de resultaten van een instelling in 2017 als ‘goed’ worden beoordeeld, terwijl de resultaten in 2018 als ‘onvoldoende’ worden beoordeeld en omgekeerd.