--- titel: Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2023 bwb_id: BWBR0047580 type: zbo status: geldend datum_inwerkingtreding: '2023-01-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0047580 citeertitel: Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2023 --- # Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2023 ## Het CIZ, gelet op artikel 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 3.2.3 en 7.1.2 lid 1 sub a Wet langdurige zorg, besluit: ### Artikel 1 Het CIZ hanteert beleidsregels bij het beoordelen of en in welke omvang de verzekerde in aanmerking komt voor één of meer van de in artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg aangewezen vormen van zorg. Deze beleidsregels zijn opgenomen in de hoofdstukken 1 tot en met 4 bij dit besluit. ### Artikel 2 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. ### Artikel 3 Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2023. ### Artikel 4 De Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2023 vervangen de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2022. Aanvragen die worden ontvangen in 2023 worden afgehandeld conform de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2023. De Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2022 zijn vanaf 1 januari 2023 niet langer van kracht, met uitzondering van de volgende situaties: • • Op aanvragen die in 2022 door verzekerden zijn ingediend en die worden afgehandeld in 2023 worden de voor de betreffende verzekerde meest voordelige beleidsregels (2022 of 2023) toegepast. • • Ook in bezwaar- en beroepsprocedures tegen indicatiebesluiten uit 2022 die worden afgehandeld in 2023 worden de voor de betreffende verzekerde meest voordelige beleidsregels (2022 of 2023) toegepast. ### Artikel 5 Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant geplaatst. ## Bijlage . Inhoud Nederland heeft een samenhangend systeem van wet- en regelgeving op het gebied van zorg: de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet. Meestal krijgen mensen eerst zorg of ondersteuning vanuit Jeugdwet/Wmo (gemeente) en/of Zorgverzekeringswet. De Wlz komt pas in beeld als vangnet voor mensen als ze niet (meer) in staat zijn om voor zichzelf te zorgen ondanks steun van de omgeving, zorgverzekeraar of gemeente. Het gaat om mensen die vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel. Het systeem is zo ingericht dat mensen die niet voldoen aan de criteria van de Wlz, noodzakelijke zorg kunnen krijgen vanuit de andere wetten. Het CIZ is een schakel in dit stelsel van samenhangende wetten en werkt waar nodig samen met de uitvoerders van de andere wetten zodat burgers de weg kunnen vinden naar de voor hen noodzakelijke zorg/ondersteuning. Hiermee dragen we bij aan passende zorg voor cliënten voor nu en in de toekomst. Tijdens het onderzoek van het CIZ naar de zorgbehoefte kan blijken dat iemand bij voorkeur zorg ontvangt vanuit de gemeente en/of zorgverzekeraar. Als dit haalbaar is dankzij de inzet van mantelzorg, kunnen we aansturen op een gesprek tussen de persoon, zijn of haar mantelzorgers, de gemeente en/of de zorgverzekeraar. In dat gesprek stemmen we af wat de meest passende zorg in deze situatie is, zorg uit de Wmo, Jeugdwet, Zvw of Wlz (memorie van toelichting Wlz blz. 16 en 591TK2013-2014, 33 891, nr. 3.). Ook als we hebben vastgesteld dat er geen toegang is tot de Wlz, kan het CIZ op verzoek van (de vertegenwoordiger van) de cliënt contact opnemen met de gemeente of zorgverzekeraar. In deze beleidsregels staat hoe we beoordelen of iemand in aanmerking komt voor zorg vanuit de Wlz en hoe we relevante begrippen uit de Wet langdurige zorg, het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz) interpreteren. Het gaat om begrippen als blijvende zorgbehoefte, permanent toezicht, 24 uur per dag zorg in de nabijheid, ernstig nadeel, fysieke problemen en zware regieproblemen. Als bestuursorgaan handelt het CIZ volgens de beleidsregels. In individuele situaties kan dit echter leiden tot een onredelijke beslissing. Dan kunnen we gemotiveerd afwijken van de beleidsregels (artikel 4:84 Awb). Het document is ingedeeld in vier hoofdstukken. Wat zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de beleidsregels 2022? De begrippen in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz) en artikel 1.1.1 van het Besluit langdurige zorg (Blz) zijn ook op deze beleidsregels van toepassing. In de Wlz staan enkele begrippen die relevant zijn voor de taken van het CIZ. Met onderstaande definities leggen we de betekenis van die begrippen vast voor de Beleidsregels indicatiestelling Wlz. Het CIZ besluit of mensen die een Wlz-indicatie aanvragen, werkelijk aangewezen zijn op zorg vanuit de Wlz. Hiervoor zijn vier afwegingskaders beschreven. Met dit afwegingskader onderzoekt het CIZ of iemand is aangewezen op de Wlz conform artikel 3.2.1 eerste lid Wlz. ¹ Kinderen met (enkel) een psychische stoornis komen niet in aanmerking voor de Wlz. Voor hen is de Jeugdwet van toepassing (artikel 3.2.1 zesde lid Wlz). We stellen vast of we de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Daarvoor hebben we ten minste deze gegevens nodig: We kunnen het recht op Wlz zorg vaststellen als een persoon verzekerd is voor de Wlz (art. 3.2.3 lid 1 Wlz). Eerst stellen we de identiteit van deze persoon vast (artikel 9.1.2 lid 6 Wlz). Vervolgens gaan we na of de persoon die een indicatie aanvraagt, verzekerd is voor de Wlz (artikel 3.1 lid 2 Rlz). Om vast te stellen of iemand recht heeft op Wlz zorg en zo ja, welk zorgprofiel, onderzoeken we de situatie van de persoon. Wanneer we relevante informatie missen, vragen we die alsnog op. Als die informatie niet wordt aangeleverd, is een volledig onderzoek niet mogelijk. Dan kunnen we besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen6Het besluit een aanvraag niet in behandeling te nemen kunnen we ook nemen in latere stappen van het afwegingskader. (artikel 4:5 Awb). Het is ook mogelijk dat iemand met een Wlz indicatie een aanvraag doet om de indicatie in te trekken. Ook dan doen we een volledig onderzoek. Als in stap 6 is vastgesteld dat de persoon niet (meer) voldoet aan de toegangscriteria, dan kunnen we de indicatie beëindigen. Als de persoon wel voldoet aan de toegangscriteria, kunnen we de indicatie alleen intrekken na afstemming met de andere domeinen. We onderzoeken welke ziekten, aandoeningen en/of stoornissen de persoon heeft. Eventuele lopende behandelingen en de ziektebiografie nemen we daarbij mee. We bekijken de objectieve aard en mate van de beperkingen7Tijdens het onderzoek kan het nodig zijn de invloed van de omgeving (gebouwde of sociale omgeving) in beeld te brengen om de stoornissen en beperkingen te objectiveren. In de afweging of er toegang is tot de Wlz spelen deze factoren geen rol.. Het gaat om beperkingen bij activiteiten die relevant zijn voor de zorgvraag. Op grond hiervan bepalen we of er één of meer grondslagen zijn voor de Wlz. We baseren ons in het onderzoek op (inter)nationaal erkende classificatie-instrumenten zoals: De stoornissen en beperkingen van de persoon leggen we vast (zie bijlage 1) en lichten we zo nodig toe in tekst. We stellen vast of de persoon vanwege de in stap 2 vastgestelde ziekte(n), aandoening(en), stoornissen en beperkingen is aangewezen op: Het ‘ernstig nadeel’ leggen we vast. Permanent toezicht is: het hele etmaal onafgebroken toezicht en actieve observatie om dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheid te signaleren. Hierdoor kan altijd tijdig worden ingegrepen, waarmee escalaties van onveilige, gevaarlijke of (levens)bedreigende situaties op het gebied van de gezondheid en/of het gedrag voorkomen worden. Bij mensen die behoefte hebben aan permanent toezicht kan dus elk moment iets (ernstig) mis gaan. Het gaat hier om: Het gaat hier om: De persoon heeft problemen op het gebied van sociale redzaamheid, gedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie. Hij kan de consequenties van eigen handelen niet overzien. Door stoornissen in de realiteitszin, in het gedrag of het gevoelsleven of door cognitieve stoornissen dan wel een combinatie hiervan, is begeleiding en toezicht nodig op meerdere momenten van de dag. De zorgverlener moet de persoon op (onverwachte) momenten helpen om een oordeel te vormen over essentiële zaken in het dagelijkse leven. Zonder die hulp kan ernstig nadeel ontstaan omdat de persoon onvoldoende regie en regelvermogen heeft. In deze stap stellen we vast of de behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid zoals is vastgesteld in stap 3 blijvend is. Daarvoor onderzoeken we of de persoon vanwege zijn ziekte, aandoening, stoornissen en beperkingen blijvend (levenslang) is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Er is geen toegang tot de Wlz als er mogelijkheden zijn voor zodanige (functionele) verbetering of herstel – bijvoorbeeld vanwege behandeling8Vanuit de Zvw of de Jeugdwet. van de ziekte, aandoening, stoornissen en/of beperkingen – dat (nog) niet kan worden vastgesteld of de behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid blijvend is. Onderbouwing van de blijvendheid kan worden gevonden in de levensloop (onder meer school en werk), de behandelgeschiedenis (welke interventies zijn al gedaan met welk resultaat) en de prognose door een ter zake deskundige (is de verwachting dat het functioneren van de persoon nog zodanig kan verbeteren dat hij zelf op relevante momenten hulp kan inroepen om ernstig nadeel te voorkomen). Bij kinderen kijken we niet alleen naar de eventuele mogelijkheden van (functionele) verbetering of herstel, maar ook naar de ontwikkelingsmogelijkheden. Een kind krijgt pas toegang tot de Wlz als we kunnen vaststellen dat het, ondanks deze ontwikkeling, ook in de toekomst zal zijn aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht. Soms krijgt een persoon die voldoet aan de toegangscriteria uit stap 1 tot en met 4 toch geen toegang tot de Wlz omdat hij zorg krijgt uit een ander domein (zie 2.1.5.1) of omdat er sprake is van gebruikelijke zorg (zie 2.1.5.2 en hoofdstuk 4). Deze paragraaf beschrijft wanneer een persoon die voldoet aan de toegangscriteria van de Wlz toch geen recht heeft op zorg uit de Wlz. In artikel 3.1.5 van het Besluit langdurige zorg staat dat de zorg in deze gevallen moet worden geleverd uit een ander domein. Het gaat om de onderstaande drie situaties. Artikel 3.1.5 onder b van het Besluit langdurige zorg (Blz): *De verzekerde heeft geen recht op zorg ingevolge de wet indien hij minderjarig is en voornamelijk in verband met complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap is aangewezen op verpleging en verzorging als bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering (Bzv);* Dit artikel zegt het volgende: Een kind waarbij is vastgesteld dat er een blijvende behoefte is aan permanent toezicht of 24 uurs zorg in de nabijheid vanwege complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap, heeft geen toegang tot de Wlz als dit voornamelijk vanwege een noodzaak voor geneeskundige, verpleegkundige zorg en toezicht is. De Zvw is voor deze zorg voorliggend. Het kan bijvoorbeeld gaan om toezicht met een verpleegkundige blik om tijdig in te grijpen bij afwijkingen in de vitale lichaamsfuncties (ademhaling, bloeddruk, bewustzijn et cetera) of om verpleegkundige handelingen zoals het toedienen van zuurstof, intraveneuze medicatie toediening of parenterale voeding. Is al op jonge leeftijd duidelijk dat het kind ook een verstandelijke handicap heeft, dan zou de zorg zowel onder de Zvw als onder de Wlz kunnen vallen. Het aangrijpingspunt van de zorg is hiervoor bepalend. Mensen zonder Wlz-indicatie die palliatief terminale zorg nodig hebben, krijgen die zorg uit de Zorgverzekeringswet (artikel 3.1.5 onder a Blz). Mensen met een Wlz-indicatie die palliatief terminale zorg uit de Wlz gaan ontvangen, hebben hiervoor geen herindicatie van het CIZ nodig. Het zorgprofiel ‘VG wonen met begeleiding en verzorging’ (zorgprofiel VG 3) valt voor kinderen niet onder de Wlz (zie artikel 3.1.5 onder c Blz). Zij zijn aangewezen op de Jeugdwet9De LVG zorgprofielen en de GGZ zorgprofielen zijn ook niet vanuit de Wlz beschikbaar voor minderjarigen (hierbij gaat het echter niet om een uitzondering, maar om een regel).. Overige VG zorgprofielen kunnen voor kinderen wel vanuit de Wlz worden geboden. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp in de zin van ondersteuning, hulp en zorg voor jeugdigen met opvoed- en opgroeiproblemen, met psychische en psychiatrische problemen of stoornissen of met een beperking. Gemeenten zijn ook verantwoordelijk voor de uitvoering van kinderbeschermings-maatregelen en de jeugdreclassering. Deze vormen van hulp en ondersteuning worden nooit vanuit de Wlz geleverd. Gebruikelijke zorg in de Wlz is de dagelijkse verzorging, opvoeding, toezicht en stimulering van de ontwikkeling die (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen geacht worden te bieden, al dan niet aangevuld met zorg uit de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet. Is duidelijk dat een kind vanwege zijn grondslag, stoornissen en beperkingen blijvend is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid (stap 1 tot en met 4 van het afwegingskader)? Is er geen sprake van zorg uit een ander domein zoals hierboven beschreven? Dan wegen we af of het kind al redelijkerwijs is aangewezen op zorg uit de Wlz, of dat er nog sprake is van gebruikelijke zorg. Zie hiervoor hoofdstuk 4, Gebruikelijke zorg. In deze stap beoordelen we of de persoon recht heeft op Wlz-zorg. Zo ja, dan stellen we vast: In de Regeling langdurige zorg (bijlage A bij artikel 2.1) zijn de zorgprofielen beschreven. De zorgprofielen zijn ingedeeld in sectoren, bijvoorbeeld verpleging en verzorging (VV), lichamelijk gehandicapt (LG) of GGZ wonen. Het zorgprofiel moet passen bij de grondslag(en), stoornissen en beperkingen en de daaruit voortvloeiende actuele zorgbehoefte. Voor iedere grondslag is een reeks zorgprofielen beschikbaar. Het uitgangspunt is dat een zorgprofiel uit een sector gekozen wordt als de grondslag uit die sector aanwezig is. Als iemand meer dan één grondslag heeft, kijken we eerst naar de grondslag met de meeste invloed op de zorgbehoefte (zie hiervoor Hoofdstuk 3, Grondslagen, onder 3.2 Aandachtspunten). Als de bijbehorende profielen niet voldoende aansluiten bij de zorgbehoefte, kunnen we kiezen voor een profiel dat beter bij de actuele zorgbehoefte van de cliënt past. Dit kan als beperkingen elkaar beïnvloeden, of op grond van leeftijdsgebonden cliëntkenmerken of specifieke gedragsproblemen. De grondslagen ‘somatische aandoening of beperking’ en ‘lichamelijke handicap’ brengen een vergelijkbare zorgbehoefte met zich mee. Het verschil tussen de sectoren VV en LG heeft te maken met de aard van het begeleidingsdoel in relatie tot de levensfase. De zorgprofielen LG zijn meer gericht op stabilisatie en ontwikkeling, terwijl de zorgprofielen VV meer aandacht hebben voor begeleiding bij achteruitgang in de ouderenzorg. Soms past een VV-profiel het beste bij iemand met een grondslag lichamelijke handicap en andersom. Zie ook bijlage 2, Specifieke criteria voor het bepalen van het passende zorgprofiel. Soms is meer zorg nodig dan beschikbaar is vanuit het best passende zorgprofiel. Mensen met een passend zorgprofiel die meerzorg willen, kunnen dat rechtstreeks bij het zorgkantoor aanvragen. Het zorgkantoor kan dan een onderzoek naar meerzorg starten. Het CIZ kan in 4 specifieke situaties ook aan het zorgkantoor het kenmerk ‘onderzoek doen naar meerzorg’ meegeven (Rlz art 2.2 lid 2). Het zorgkantoor onderzoekt vervolgens of en zo ja hoeveel meerzorg de persoon nodig heeft. We geven het kenmerk mee als een aanvraag wordt ingediend voor Wlz zorg én uit ons onderzoek blijkt dat iemand recht heeft op een zorgprofiel én: Ad 1 en 2: Beademing wil zeggen dat de ademhaling volledig of ter ondersteuning mechanisch door apparatuur wordt overgenomen. Dit kan continu het geval zijn. Maar ook intermitterend, bijvoorbeeld alleen gedurende de nacht of mede ‘on demand’10Doordat de apparatuur voorziet in een ingestelde ademfrequentie, zal bij een terugval of het wegvallen van de ademhaling van de persoon de ademhaling volgens de noodzakelijke frequentie doorgang vinden. (de apparatuur schakelt automatisch in als de persoon niet zelf ademhaalt). De beademing gebeurt via een tracheostoma (invasief) of via een mond-/neuskap (non-invasief). De volgende zaken vallen niet onder beademing: Ad 3 en 4: Het gaat hierbij om personen met (naast de aandoeningen en beperkingen die tot genoemde zorgprofielen leiden) zwaar complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap, die als gevolg van deze somatische/lichamelijke problematiek een behoefte hebben aan verzorging of verpleging waarbij permanent toezicht noodzakelijk is gericht op de fysieke functies, waarbij de ouders/hulpverleners actief de vitale lichaamsfuncties van de persoon moeten controleren. Het gaat hier bijvoorbeeld om actieve controle van de ademhaling, het slikken, het bewustzijn, inwendige- of onderhuidse bloedingen, de bloeddruk en de lichaamstemperatuur. Bij afwijkingen kan gevaar ontstaan, bijvoorbeeld acute zuurstofdaling door bijvoorbeeld een ademstilstand of een obstructie van de ademhaling, een zwaar epileptisch insult of een shock. Direct ingrijpen is daarom noodzakelijk, bijvoorbeeld (extra) zuurstof toedienen, uitzuigen, medicatie toedienen of reanimeren. Het CIZ oordeelt en beslist binnen zes weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend (artikel 3.2.4 lid 1 Blz). Hoofdregel: De ingangsdatum van het besluit is de datum waarop het CIZ de beslissing neemt. De datum ingang geïndiceerde zorg kan soms ook na de datum van het indicatiebesluit liggen (mits dit zorginhoudelijk is onderbouwd). De datum ingang geïndiceerde zorg kan in beginsel niet liggen vóór de datum van het indicatiebesluit. Als uitgangspunt is zorg in de thuissituatie verzekerd via de Zorgverzekeringswet (Zvw) of bestaat er aanspraak op maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) of Jeugdwet, totdat er door het CIZ een Wlz-indicatie afgegeven is.11NvT Staatsblad 2021, 341 Uitzondering: Als een persoon vanwege bijzondere omstandigheden al met spoed is opgenomen in een instelling, dus zonder een indicatiebesluit van het CIZ, kan hierop een uitzondering gemaakt worden (artikel 3.2.4 lid 2 Blz). Het gaat bij bijzondere omstandigheden bijvoorbeeld om: Het CIZ beslist in bovenstaande gevallen binnen twee weken. Voorwaarde is dat er voldoende (medische) informatie bij de aanvraag beschikbaar is. De ingangsdatum van de indicatie is dan de datum dat de aanvraag bij het CIZ is binnengekomen of maximaal vijf dagen daarvoor als de zorg eerder is gestart dan de aanvraagdatum12Als een persoon wordt opgenomen in het weekend of op een feestdag kan het zijn dat de zorgaanbieder niet direct een aanvraag kan indienen bij het CIZ.. Let op: het is niet mogelijk om een indicatiebesluit met terugwerkende kracht te verzilveren in de vorm van een pgb, mpt of vpt. Soms stellen we een indicatie voor zorg vanuit de Wlz naar beneden bij. Dan is een overgangsperiode mogelijk13Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, via www.rechtspraak.nl te vinden met ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2559.. We houden dan rekening met de mate waarin de lopende indicatie omlaag gaat, met bestaande verplichtingen vanuit de lopende indicatie en met de individuele situatie van de persoon. Een overgangsperiode is ook mogelijk als een persoon na afronding van de behandeling in een (SG)LVG-instelling (Sterk Gedragsgestoord Licht Verstandelijk Gehandicapt), nog wel zorg nodig heeft, maar na het onderzoek door het CIZ niet blijkt te voldoen aan de toegangscriteria van de Wlz. Het CIZ kan de (SG)LVG-indicatie verlengen. De persoon kan dan langer blijven wonen in de instelling waar hij behandeling met verblijf heeft gekregen zodat er tijd is om de overgang te regelen. Het CIZ hanteert hiervoor een maximum termijn van drie maanden. Een indicatiebesluit is voor onbepaalde tijd geldig, conform artikel 3.2.5 Blz, met uitzondering van de in hoofdstuk 3 van de Regeling langdurige zorg (Rlz) genoemde indicatiebesluiten: Het CIZ beoordeelt Wlz-aanvragen van verdragsgerechtigden op grond van artikel 5.2.1 Blz. We houden daarbij rekening met de verwachte verblijfsduur van de zorgvrager in Nederland. De indicatie is maximaal 6 maanden geldig en kan eenmalig met maximaal 6 maanden verlengd worden. Het CIZ kan aanvullende informatie vastleggen en doorgeven aan het zorgkantoor, zodat de zorg eerder kan starten. Deze informatie hoort niet bij het indicatiebesluit en heeft geen rechtsgevolg. Er kan daarom geen bezwaar tegen worden gemaakt. Als aanvullende informatie bij het indicatiebesluit kan worden vermeld: Het resultaat van alle voorgaande stappen is een indicatiebesluit conform wet- en regelgeving. Uitkomsten kunnen zijn: De persoon ontvangt het indicatiebesluit met een deugdelijke motivering voor de beslissing (artikel 3:46 Awb). Is de Wlz-indicatie toegekend? Dan staat in elk geval vermeld in het besluit: Tegen het indicatiebesluit staat bezwaar en beroep open conform de Algemene wet bestuursrecht. We sturen het indicatiebesluit naar het zorgkantoor en nemen het op in het Wlz-register. De huisarts wordt geïnformeerd over het indicatiebesluit als de persoon hiervoor toestemming heeft gegeven. Deze paragraaf beschrijft het afwegingskader voor meerderjarigen met een licht verstandelijke handicap en gedragsproblemen conform artikel 3.2.1 derde lid Wlz. De hoofdregel is dat mensen alleen recht hebben op Wlz-zorg als zij blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. In artikel 3.2.1 derde lid Wlz staat een uitzondering op deze regel. Tekst uit de memorie van toelichting (bladzijde 13): *‘Uitzondering: volwassenen met een licht verstandelijke beperking (LVG)* *In de HLZ-brief van 25 april 2013 staat dat de zzp’s LVG 1-5 voor kinderen tot achttien jaar onderdeel worden van de nieuwe Jeugdwet. Ook na het bereiken van de achttienjarige leeftijd kan nog behoefte zijn aan deze zorg, bijvoorbeeld omdat de behandeling die vóór het achttienjarige levensjaar is gestart nog niet is afgerond. Ook kan het voorkomen dat pas na het bereiken van de achttienjarige leeftijd wordt vastgesteld dat deze vorm van zorg de meest aangewezen is in verband met de gedragsproblematiek van de licht verstandelijk beperkte jongvolwassene. Het gaat hierbij om integrale behandelzorg in een verblijfssetting met permanent toezicht of 24 uur per dag zorg nabij die wordt ingezet voor een bepaalde periode. Na deze behandelperiode kan de cliënt zijn aangewezen op een andere vorm van zorg vanuit de Wlz danwel kan de cliënt worden ondersteund door de gemeente en/of zorgverzekeraar. Bij deze groep cliënten is er dus niet in alle gevallen sprake van een blijvende behoefte aan zorg. Toch heeft de regering het noodzakelijk geacht deze groep cliënten onder de reikwijdte van de Wlz te brengen. De continuïteit van de ingezette behandeling prevaleert, naar de mening van de regering, boven het bereiken van de leeftijd van achttien jaar. Tevens vindt de regering het van belang dat deze vorm van integrale behandelzorg ook beschikbaar is voor jongvolwassenen. De regering maakt daarom voor deze groep een uitzondering op het uitgangspunt dat er sprake dient te zijn van een blijvende zorgbehoefte.’* Het gaat hierbij om (jong)volwassenen die zijn aangewezen op integrale multidisciplinaire behandeling in een LVG of SGLVG behandelinstelling, zoals beschreven in de zorgprofielen voor maximaal 3 jaar (artikel 2.5 en artikel 3.2 lid 1 Rlz). Deze integrale multidisciplinaire behandeling kan alleen worden geleverd binnen de hiertoe door het zorgkantoor gecontracteerde instellingen. Voor de mensen met een licht verstandelijke handicap en gedragsproblemen, die een aanvraag doen op basis van artikel 3.2.1 derde lid onder a, volgen we het afwegingskader in de linker kolom (stap 1a tot en met 5a). Voor jongeren die voortzetting van de behandeling vragen aansluitend aan de Jeugdwet op basis van artikel 3.2.1 derde lid onder b, geldt de rechterkolom (stap 1b tot en met 5b). Voor hen is het alleen van belang dat: We stellen eerst vast of we de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Dit gebeurt conform stap 1 van het afwegingskader blijvende toegang (paragraaf 2.1.1). Daarnaast stellen we vast of het gaat om een aanvraag: **Stap 1a:** Als het gaat om situatie a doorlopen we stappen 2a tot en met 5a. **Stap 1b:** Als het gaat om situatie b is er toegang tot de Wlz. De behandelaar geeft aan dat (en wanneer/hoe lang) voortzetting van deze behandeling in een LVG-behandelinstelling nodig is. Het CIZ toetst niet aan de toegangscriteria van de Wlz14Grondslag, blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht en ernstig nadeel.. In deze stap onderzoeken we de actuele zorgsituatie; zie hiervoor stap 2 van het afwegingskader blijvende toegang (paragraaf 2.1.2). **Stap 2a:** We stellen voor stap 2a ook vast of er sprake is van een licht verstandelijke handicap15Het gaat om mensen met een licht verstandelijke beperking in verband met de leerbaarheid, de mogelijkheid te profiteren van het behandelaanbod in de (SG)LVG behandelinstelling. en gedragsproblemen. **Stap 2b:** Voor jongeren die voortzetting LVG behandeling na jeugdzorg nodig hebben is er toegang tot de Wlz omdat de behandelaar heeft aangegeven dat voorzetting van deze behandeling noodzakelijk is. Dit geldt ook als we geen grondslag VG kunnen vaststellen. We brengen de actuele zorgsituatie in kaart, zodat we in stap 5b het best passende zorgprofiel kunnen vaststellen. Een licht verstandelijke handicap valt onder de grondslag verstandelijke handicap zoals beschreven in het hoofdstuk grondslagen. Er is sprake van een licht verstandelijke handicap als: Op grond van historische overwegingen worden mensen met een IQ tussen de 75 en 85 ook gerekend tot de doelgroep licht verstandelijk gehandicapten in het kader van deze integrale behandeling als wordt voldaan aan de volgende criteria: Bij de doelgroep LVG gaat het om ernstige tot zeer ernstige gedragsproblemen, waardoor veel of continu sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig is. Er kan sprake zijn van verbaal agressief gedrag, destructief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd en/of ontremd gedrag. Ook grensoverschrijdend seksueel gedrag kan voorkomen. Bij de doelgroep SGLVG is sprake van ernstige, complexe gedragsproblematiek. De bepaling van de ernst van de gedragsproblemen ontlenen we aan een medisch of gedragskundig rapport. In deze stap stellen we vast of de meerderjarige persoon vanwege een combinatie van een licht verstandelijke handicap en gedragsproblemen (ten minste) tijdelijk behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in de Wlz (paragraaf 2.1.3). In deze stap stellen we vast of er een noodzaak is voor integrale multidisciplinaire behandeling in een LVG of SGLVG behandelinstelling, zoals beschreven in de memorie van toelichting bladzijde 13. Het gaat om jongvolwassenen (18 tot 23 jaar) met een licht verstandelijke handicap in combinatie met gedragsproblemen en vaak ook psychische stoornissen. Er is vaak sprake van meervoudige problematiek en/of problemen in de gezinssituatie zoals mishandeling, verwaarlozing, verslaving of seksueel misbruik. Een betrokken behandelaar moet in de aanvraag de noodzaak tot een integrale, multidisciplinaire behandeling in een LVG-behandelinstelling onderbouwen. Bij de LVG-profielen zijn de volgende toelatingscriteria in combinatie vereist: Het gaat hierbij om mensen met een licht verstandelijke handicap en ernstige gedragsproblemen al dan niet in combinatie met psychiatrische problemen. De problematiek komt tot uiting in alle facetten van het leven: (gezins)systeem, wonen, werken en vrije tijd. De problemen versterken elkaar, zijn vaak onderling met elkaar verweven en de samenhang tussen deze problemen is complex. De behandeling van deze problemen moet aansluiten bij het cognitieve niveau van de persoon. De gedragswetenschappelijke en de psychiatrische behandeling zijn met elkaar verweven. Een betrokken behandelaar moet in de aanvraag de noodzaak tot een integrale, multidisciplinaire behandeling in een SGLVG-behandelcentrum onderbouwen. Bij het SGLVG-profiel zijn de volgende toelatingscriteria in combinatie vereist: **In stap 5a** stellen we vast of er toegang is tot de Wlz en zo ja, welk zorgprofiel het best passend is. **Stap 5b:** Deze jongeren hebben toegang tot de Wlz omdat ze volgens de behandelaar zijn aangewezen op het afmaken van een onder de Jeugdwet aangevangen behandeling met verblijf. Op basis van de informatie van de behandelaar en de zorgsituatie zoals vastgesteld in stap 2b bepalen we het best passende zorgprofiel uit de reeks LVG. De zorgprofielen LVG en SGLVG hebben een maximale geldigheidsduur van 3 jaar. Zie verder stap 6 van het afwegingskader blijvende toegang (paragraaf 2.1.6). Deze zorgprofielen kunnen alleen worden geleverd in door het zorgkantoor gecontracteerde (SG)LVG instellingen. In deze paragraaf beschrijven we de afweging voor de tijdelijke toegang van mensen met een psychische stoornis conform artikel 3.2.2 Wlz. Het betreft de voortzetting van verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg Mensen met een psychische stoornis hebben op grond van hun zorgverzekering maximaal drie jaar recht op verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg. Als deze zorg meer dan drie jaar noodzakelijk is, kan de zorg maximaal drie jaar (onafgebroken) doorgaan vanuit de Wlz (artikel 3.2.2 Wlz). Het CIZ toetst bij aanvragen voor een zorgprofiel GGZ-B niet aan de toegangscriteria van de Wlz te weten: grondslag, blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht en ernstig nadeel. Het zorgprofiel GGZ-B is maximaal 3 jaar geldig. Verlenging daarna is telkens met periodes van maximaal 3 jaar mogelijk als de persoon volgens de behandelaar nog is aangewezen op voortzetting. De zorgprofielen in de sector GGZ-B (GGZ-B 3 tot en met 7) kunnen op basis van artikel 3.3.4 Wlz alleen worden geleverd in een gecontracteerde instelling. Heeft de persoon deze zorg niet meer nodig maar heeft hij wel blijvend behoefte aan Wlz-zorg? Dan gelden de reguliere toegangscriteria voor de Wlz (paragraaf 2.1). Soms beslist de rechter dat iemand onvrijwillig moet wordt opgenomen in een Wzd-accommodatie. Artikel 10.5.1 Wlz regelt het recht op zorg (en de bekostiging daarvan) voor personen die worden opgenomen in een instelling door middel van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang en voor wie die zorg niet kan worden bekostigd uit de (reguliere) Wlz, de Wmo 2015, de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet. De wettekst is als volgt: In de toelichting21*Kamerstukken II* 2016/17 32 399, nr. 25 (artikel 14:18, aanpassing Wlz) in de tweede nota van wijziging van de Wet verplichte GGZ staat het volgende over dit artikel: *Dit artikel regelt het recht op zorg -en daarmee de bekostiging van zorg- op basis van een rechterlijke machtiging voor die gevallen waarin de persoon geen recht op zorg heeft of krijgt op grond van de Wlz, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet. Geregeld wordt dat alle personen waarvoor een rechterlijke machtiging wordt afgegeven verzekerd zijn van de bekostiging van de voor hen noodzakelijke zorg. Dit artikel vormt een sluitstuk als de rechter het verblijf noodzakelijk acht en gebleken is dat bekostiging daarvan op grond van de (reguliere) Wlz, de Wmo 2015, de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet niet mogelijk is. De personen die op basis van deze bepaling toegang krijgen tot de Wlz krijgen echter geen volledige toegang tot alle keuzemogelijkheden die deze te bieden heeft. De rechter kan immers alleen een machtiging afgeven voor onvrijwillige opname. Hierom wordt het alleen mogelijk gemaakt om zorg in natura te ontvangen in de vorm van verblijf in een Wzd-accommodatie.* Het artikel is een vangnetregeling. Als een zorgaanbieder een persoon heeft opgenomen op basis van een rechterlijke machtiging en hij de zorg niet bekostigd kan krijgen uit de ‘reguliere’ Wlz (conform afwegingskaders in paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3) de Jeugdwet, Wmo of Zvw kan hij een aanvraag bij het CIZ doen om op basis van dit artikel het recht op zorg vast te stellen. Dit geldt ook als de persoon voor wie een rechterlijke machtiging is afgegeven weigert een Wlz-indicatie aan te vragen.22*Kamerstukken II* 2016/17 32 399, nr. 39 De zorgaanbieder geeft daarbij gemotiveerd en onderbouwd aan dat bekostiging op basis van de reguliere opties niet mogelijk is en levert voldoende informatie aan om te kunnen beoordelen wat een passend zorgprofiel is. Het CIZ kan dan een indicatie afgeven voor de duur van de RM. Voor een Wlz-indicatie moet er sprake zijn van een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap (artikel 3.2.1, eerste lid, Wlz). Om de grondslag te bepalen gebruiken we informatie van een ter zake deskundige over diagnostiek en informatie over stoornissen en beperkingen. Een ter zake deskundige is iemand die volgens de vigerende standaarden en richtlijnen van zijn beroepsgroep bevoegd is om de diagnose te stellen. Ook ons eigen onderzoek kan informatie over stoornissen en beperkingen opleveren. Voor toegang tot zorg vanuit de Wlz moet iemand minstens één grondslag hebben. Sommige mensen hebben meerdere grondslagen. Voor een compleet inzicht in de problematiek en in de samenhang tussen grondslagen vermelden we alle grondslagen in het dossier. Daarbij stellen we ook vast welke grondslag de meeste invloed heeft op de zorgbehoefte. De grondslag ‘somatische aandoening of beperking’ kennen we toe als er sprake is van een actuele lichamelijke ziekte of aandoening. Er is een aantal aandoeningen die in de eerste fase vallen onder de grondslag somatische aandoening en later kunnen vallen onder de grondslag lichamelijke handicap. Het gaat dan om aandoeningen, die worden veroorzaakt door stoornissen van het zenuwstelsel of het bewegingsapparaat (bot/spierstelsel, gewrichten en bindweefsel) en die blijvende beperkingen geven. Bij twijfel over de vraag of deze beperkingen blijvend zijn, raadplegen we de behandelend arts. Een voorbeeld is iemand met de diagnose Multipele Sclerose (MS). In eerste instantie geeft dit vaak een wisselend klachtenpatroon in motorisch functioneren: er is dan sprake van de grondslag SOM. In een latere fase kan sprake zijn van spasticiteit die het motorische functioneren ernstig belemmert. Indien behandeling geen verbetering meer zal opleveren in het motorisch functioneren kan er sprake zijn van de grondslag LG. Er is sprake van Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK)23De omschrijvingen sluiten aan bij de NHG-standaard voor Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) van mei 2013 en de richtlijn van de Federatie Medisch Specialisten SOLK en somatoforme stoornissen geautoriseerd in 2010. als lichamelijke klachten langer dan enkele weken duren en adequaat medisch onderzoek geen aandoening aan het licht brengt die de lichamelijke klachten voldoende verklaart. Bij sommige personen wordt wel een somatische aandoening gevonden, maar zijn de klachten ernstiger of langduriger of beperken zij het functioneren sterker dan op grond van de aandoening te verwachten is. Ook kan geobjectiveerde informatie over een achterliggende ziekte of aandoening ontbreken. Dan is er eveneens sprake van SOLK. Beperkingen door SOLK moeten, net als in andere situaties, altijd door een ter zake deskundige worden geobjectiveerd. De persoon moet onderzocht zijn in het reguliere medische circuit voordat er sprake kan zijn van zorg vanuit de Wlz. Bij mensen met (het vermoeden van) SOLK raadplegen we altijd de medisch adviseur van het CIZ. Een Wlz-indicatie is mogelijk als de medisch adviseur na overleg met de curatieve sector, tot de conclusie komt dat de situatie onomkeerbaar is en de stoornissen en beperkingen blijvend zijn. Zo kan bijvoorbeeld bij een functionele neurologische symptoomstoornis in enkele gevallen op grond van geobjectiveerde, blijvende lichamelijke complicaties zoals contracturen wel een grondslag lichamelijke handicap worden gesteld. Het zichtbare beperkingenbeeld van de SOLK ligt vrijwel altijd op het somatische vlak. Bij het ontbreken van nadere diagnostiek kiezen we daarom voor een somatische grondslag. Ook een lichamelijke handicap is op te vatten als een fysieke aandoening. De grondslag lichamelijke handicap is van toepassing als iemand: De behandelend arts stelt vast of een functionele verbetering mogelijk is. De grondslag psychogeriatrie kan toegekend worden als er volgens de DSM-5 criteria sprake is van een uitgebreide neurocognitieve stoornis (NCS) waarbij de beperkingen en zorgbehoefte vergelijkbaar zijn met die van een psychogeriatrische aandoening. Deze grondslag kan ook worden toegekend als er sprake is van een beperkte neurocognitieve stoornis waarvan de oorsprong (het etiologische subtype) een psychogeriatrische aandoening betreft. Het gaat om een ziekte, aandoening of stoornis in of van de hersenen, met aanwijzingen voor een significante cognitieve achteruitgang ten opzichte van een eerder niveau van functioneren op het gebied van complexe aandacht, executieve functies, leren en geheugen, taal, perceptueel-motorisch of sociaal-cognitieve functies. De substantiële beperking in de cognitieve prestaties is bij voorkeur vastgesteld met gestandaardiseerde (neuropsychologische) tests, of, als die er niet zijn, een ander gekwantificeerd (klinisch) onderzoek24Bijvoorbeeld diagnostiek door de huisarts conform de NHG standaard.. De cognitieve beperkingen kunnen niet worden verklaard door een delier of een psychische stoornis (zoals een depressieve stoornis, schizofrenie). Aan de hand van voorbeelden van symptomen of observaties wordt het niveau van de neurocognitieve stoornis vastgesteld (‘uitgebreid’ of ‘beperkt’), net als het subtype van de neurocognitieve stoornis, bijvoorbeeld NCS door de ziekte van Alzheimer of door vasculaire ziekte. Verder kan gespecificeerd worden of de neurocognitieve stoornis samen gaat met gedragsstoornissen25Handboek DSM-5 Neurocognitieve stoornissen.. De meest voorkomende aandoening die leidt tot deze grondslag is dementie. Dit is een verzamelnaam voor een aantal ziekteverschijnselen die allemaal veroorzaakt worden door niet-aangeboren afwijkingen in de hersenen, ook wel dementieel syndroom genoemd. Het CIZ hanteert de criteria van de DSM-526Als de diagnostiek is gedaan conform de DSM-IV en deze is nog actueel, dan is dat ook mogelijk. voor een psychische stoornis om de grondslag psychische stoornis toe te kennen. Een psychische stoornis is een syndroom gekenmerkt door symptomen op het gebied van cognitieve functies, de emotieregulatie of het gedrag van een persoon. Psychische stoornissen gaan gewoonlijk gepaard met significante lijdensdruk en/of beperkingen in het functioneren op sociaal en/of beroepsmatig gebied en/of bij andere belangrijke bezigheden. De diagnose moet door een ter zake deskundige worden gesteld volgens de binnen de beroepsgroep vigerende richtlijnen. Een verstandelijke beperking begint gedurende de ontwikkelingsperiode, met beperkingen in zowel het verstandelijke als het adaptief functioneren in de conceptuele, sociale en praktische domeinen. Beperkingen in het intellectueel en adaptief functioneren worden vastgesteld door een professionele beoordeling en door een geïndividualiseerde gestandaardiseerde, psychometrisch valide en betrouwbare intelligentietest. Beperkingen in het adaptief functioneren leiden er toe dat de persoon zonder blijvende ondersteuning niet zelfstandig kan functioneren in het dagelijks leven. In de DSM-5 wordt de mate van ernst van de verstandelijke beperking gespecificeerd op basis van de ernst van de beperkingen in het adaptieve functioneren als licht, matig, ernstig, zeer ernstig. Er is daarom sprake van een grondslag verstandelijke handicap als: Uitzondering: Bij kinderen die voldoen aan de criteria MCG/EMB of ZEVMB zijn gestandaardiseerde intelligentietesten door de complexiteit en ernst van de beperkingen moeilijk af te nemen. Diagnostisch onderzoek voor deze kinderen richt zich daarom vooral op het adaptief gedrag. De DSM-5 spreekt boven een IQ van 75 niet over een verstandelijke beperking. In Nederland worden personen met een IQ tussen de 75 en 85 doorgaans aangeduid met de term “zwakbegaafd”. Ook deze personen kunnen aanzienlijke problemen hebben in het adaptief functioneren. Afhankelijk van de ernst van de beperkingen in het adaptief functioneren, en de eventuele aanwezige gedragsproblemen, kan daarom ook een IQ-score tussen de 75 en 85 tot een grondslag verstandelijke handicap leiden als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: De grondslag zintuiglijke handicap kan worden toegekend aan mensen met een visuele of auditief-communicatieve handicap of een (zeer) ernstig spraak-/taalprobleem (of -stoornis). Visuele beperkingen worden in Nederland gedefinieerd volgens de ICD-10 classificatie van de WHO en ingedeeld op basis van gezichtsscherpte (visus) en gezichtsveld, waarbij de diagnostiek plaatsvindt door middel van metingen met hulpmiddel (bril). Een visuele handicap valt onder de grondslag zintuiglijke handicap als er volgens de richtlijnen voor diagnostiek van de NOG34Nederlands Oogheelkundig Gezelschap. sprake is van: Van een auditieve stoornis is sprake als een arts stoornissen in het gehoorvermogen heeft vastgesteld of heeft laten vaststellen. De mate van gehoorverlies wordt bepaald met audiometrie van het beste oor, zonder gebruik van een eventueel hulpmiddel zoals een gehoorapparaat. Een uitzondering hierop is het cochleair implantaat. Na een gewenningsperiode van twee jaar wordt het gehoorverlies vastgesteld met het implantaat in. Volgens de FENAC35Federatie van Nederlandse Audiologische Centra.-richtlijnen voor diagnostiek is er sprake van een auditieve stoornis als: Om van de grondslag zintuiglijke handicap te spreken moet de auditieve stoornis samenhangen met communicatieve beperkingen en/of ernstige sociaal emotionele problematiek en/of ernstige spraak/-taalstoornis en/of leerachterstand. Een spraak-/taalstoornis kan worden vastgesteld bij ernstige communicatieve beperkingen. Deze kunnen zijn ontstaan door (zeer) ernstige beperkingen op één of meer ondergenoemde terreinen: Bovenstaande moet zijn aangetoond door middel van multidisciplinaire diagnostiek verricht in het tweede compartiment, conform de FENAC-richtlijnen. Een spraak-/taalstoornis stellen we onder de grondslag zintuiglijke handicap vast als: Een pragmatische taalstoornis/beperking leidt niet tot de grondslag zintuiglijke handicap. Voorbeelden van een pragmatische taalstoornis/beperking zijn: te weinig rekening houden met anderen tijdens gesprek, alleen op kernwoorden reageren, uitingen te letterlijk opvatten waardoor misverstanden ontstaan, van de hak op de tak springen, teveel praten, geen onderscheid maken tegen wie je praat, herhalen, te precies taalgebruik, in zichzelf praten, moeite met beginnen van een gesprek. Bij een aanvraag van Wlz-zorg voor kinderen stellen we eerst vast of een kind voldoet aan de toegangscriteria van de Wlz. Vervolgens bekijken we in stap 5 van het afwegingskader of de benodigde zorg valt onder gebruikelijke zorg. In de memorie van toelichting van de Wlz staat dat van ouders een substantiële bijdrage verwacht mag worden bij de verzorging, opvoeding van hun kind. Daarbij hoort ook toezicht bieden. ‘*Doordat de gebruikelijke zorg voor kinderen een rol speelt bij de vraag of het kind redelijkerwijs op Wlz-zorg is aangewezen, wordt onder meer bereikt dat kinderen op een later moment toegang zullen krijgen tot de Wlz. Indien bijvoorbeeld een verstandelijk gehandicapt kind van vier jaar wat betreft de zorgbehoefte aan de toegangscriteria van de Wlz voldoet, kan het zijn dat het kind eerst door de eigen omgeving en de gemeente (Jeugdwet) zal moeten worden geholpen omdat het nog niet redelijkerwijs op Wlz-zorg is aangewezen.*’ Dit hoofdstuk geeft nadere invulling aan het begrip ‘redelijkerwijs’ in artikel 3.2.1 lid 1 Wlz en de memorie van toelichting bij de Wlz, hoofdstuk 2.2.1. Het gaat om de vraag wanneer een kind is aangewezen op Wlz-zorg omdat het meer zorg nodig heeft dan van de sociale omgeving verwacht kan worden (‘gebruikelijke zorg’). Gebruikelijke zorg wordt in de Wlz alleen meegewogen als het gaat om de dagelijkse verzorging, opvoeding, toezicht en stimulering van de ontwikkeling van kinderen die (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers geacht worden te bieden, al dan niet aangevuld met zorg uit de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet. De afweging of er sprake is van gebruikelijke zorg vindt plaats in stap 5 van het afwegingskader, dus nadat is vastgesteld dat een kind voldoet aan de toegangscriteria van de Wlz. Kinderen zijn bij de geboorte volledig afhankelijk van zorg van hun ouders. Zij ontwikkelen zich in stapjes naar zelfstandige en zelfredzame volwassenen. De (gebruikelijke) zorg die ouders moeten bieden verandert met deze ontwikkeling mee. In de ‘uitgangspunten gebruikelijke zorg’ aan het eind van dit hoofdstuk is nader beschreven wanneer een behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet meer valt onder gebruikelijke zorg. Hierbij moet rekening worden gehouden met de individuele situatie van en verschillen tussen kinderen. Als een baby wordt geboren kan al direct duidelijk zijn dat het kind een ziekte of aandoening heeft. Bijvoorbeeld bij syndromen met uiterlijke kenmerken of zichtbare lichamelijke afwijkingen. Maar dit kan ook pas gedurende de ontwikkeling duidelijk worden, bijvoorbeeld als het consultatiebureau constateert dat het kind achterblijft in de ontwikkeling. ¹ ADL: eten, drinken, zich wassen, aan- en uitkleden, naar het toilet gaan, tandenpoetsen, haren kammen, nagels knippen et cetera. ## Bijlage 1. Registreren van stoornissen en beperkingen in het functioneren Het CIZ legt vast welke geobjectiveerde stoornissen en beperkingen (voortkomend uit de vastgestelde ziekte, aandoening of handicap) de persoon heeft. Hierbij hanteren we de volgende definities uit de ICF. We leggen de stoornissen en beperkingen (en zo nodig de daaruit voortkomende participatieproblemen) vast op een vierpuntschaal, waar nodig met toelichting. In onderstaande tabel wordt weergegeven hoe we stoornissen en beperkingen registreren. ## Bijlage 2. Specifieke criteria voor het bepalen van het passende zorgprofiel Deze bijlage bevat een verduidelijking van de indicatiecriteria voor een aantal zorgprofielen.