--- titel: Besluit beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen bwb_id: BWBR0038443 type: zbo status: geldend datum_inwerkingtreding: '2016-09-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0038443 citeertitel: Besluit beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen --- # Besluit beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen ### Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: - *Aflevertermijn:* Binnen deze termijn mogen bestaande voorraden van het gewasbeschermingsmiddel nog op de markt worden gebracht, worden gedistribueerd, verwijderd, opgeslagen of opgebruikt. - *Awb:* Algemene wet bestuursrecht. - *College:* Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. - *Expiratie:* Het eindigen van de toelating van een gewasbeschermingsmiddel door verstrijken van de in de toelating gegeven toelatingstermijn. - *Opgebruiktermijn:* Binnen deze termijn mogen bestaande voorraden van het gewasbeschermingsmiddel nog worden verwijderd, opgeslagen of opgebruikt. - *Overgangsrecht:* Overgangsrecht van artikel 80 Verordening (EG) nr. 11072009 en artikel 130a Wgb. In de gevallen waarin deze artikelen van toepassing zijn blijft het nationale recht zoals het gold voor 14 juni 2011 van toepassing. - *Referentiemiddel:* Gewasbeschermingsmiddel waarvoor in Nederland reeds een toelating is verleend. - *Respijttermijn:* Aflever- en opgebruiktermijn. - *Richtlijn 91/414:* Richtlijn 91/414/EEG. - *Verordening (EG) nr. 1107/2009:* Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 97/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309). - *Wgb:* Wet gewasbeschermingsmidde len en biociden. - *Wgb (oud):* Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden geldig op 13 juni 2011; vastgesteld ter implementatie van Richtlijn 91/414. ### Artikel 2 Dit beleidsregelbesluit is van toepassing op besluiten tot (gedeeltelijke) intrekking, wijziging of (gedeeltelijke) niet-verlenging van een in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel, op basis van Verordening (EG) nr. 1107/2009 of artikel 80, vijfde lid, Verordening (EG) nr. 1107/2009 op basis van de Wgb (oud). ### Artikel 3 De werkwijze voor vaststelling van een respijttermijn is als volgt bepaald: 1. 1. Het College stelt de respijttermijn vast aan de hand van het bepaalde in artikel 46 Verordening (EG) nr. 1107/2009 of artikel 41 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (oud). Een respijttermijn kan worden verleend bij besluiten tot (gedeeltelijke) intrekking, wijziging of (gedeeltelijke) niet-verlenging van een in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel. De maximale termijn die gegeven wordt is 6 maanden voor aflevering en 12 maanden aansluitend voor opgebruik. 2. 2. Voor zover de redenen waarom de toelating (gedeeltelijk) wordt ingetrokken, gewijzigd of (gedeeltelijk) niet wordt verlengd verband houden met de bescherming van de gezondheid van mens of dier of het milieu, wordt er naar mate het risico voor de gezondheid van mens of dier of het milieu groter is een kortere, teruglopend tot geen, respijttermijn toegekend. Geen termijn wordt gegeven bij een onaanvaardbaar risico voor mens, dier of milieu. 3. 3. De respijttermijn wordt als volgt vastgesteld: a. de toelatinghouder van het gewasbeschermingsmiddel verzoekt om een respijttermijn en onderbouwt waarom deze nodig is en hoe lang deze zou moeten duren. Bij de onderbouwing betrekt de toelatinghouder ten minste de onder c genoemde belangen; b. de termijn wordt zo kort als mogelijk en reëel is gehouden; c. bij het vaststellen van de lengte van de respijttermijn weegt het College de bij het besluit betrokken belangen. In ieder geval wordt in deze afweging betrokken: – dat de termijn in redelijke verhouding staat tot de reden van intrekking of wijziging; – dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen; – dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt of gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen; – de mate van risico voor de gezondheid van mens of dier of het milieu en of er bij vergelijkbare middelen dergelijke risico’s bekend zijn in het kader van (her)beoordelingen; – de omvang van de bestaande voorraad van het betreffende gewasbeschermingsmiddel. a. a. de toelatinghouder van het gewasbeschermingsmiddel verzoekt om een respijttermijn en onderbouwt waarom deze nodig is en hoe lang deze zou moeten duren. Bij de onderbouwing betrekt de toelatinghouder ten minste de onder c genoemde belangen; b. b. de termijn wordt zo kort als mogelijk en reëel is gehouden; c. c. bij het vaststellen van de lengte van de respijttermijn weegt het College de bij het besluit betrokken belangen. In ieder geval wordt in deze afweging betrokken: – dat de termijn in redelijke verhouding staat tot de reden van intrekking of wijziging; – dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen; – dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt of gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen; – de mate van risico voor de gezondheid van mens of dier of het milieu en of er bij vergelijkbare middelen dergelijke risico’s bekend zijn in het kader van (her)beoordelingen; – de omvang van de bestaande voorraad van het betreffende gewasbeschermingsmiddel. – – dat de termijn in redelijke verhouding staat tot de reden van intrekking of wijziging; – – dat de termijn bij voorkeur niet afloopt binnen een gebruiksseizoen; – – dat de lengte van de termijn mede afhangt van de mate waarin de wijziging of intrekking voor de markt of gebruiker onvoorzien was en van de mogelijkheden van de markt of gebruikers om de gevolgen van de plotselinge intrekking of wijziging op te vangen; – – de mate van risico voor de gezondheid van mens of dier of het milieu en of er bij vergelijkbare middelen dergelijke risico’s bekend zijn in het kader van (her)beoordelingen; – – de omvang van de bestaande voorraad van het betreffende gewasbeschermingsmiddel. 4. 4. Indien de intrekking of wijziging van de gewasbeschermingsmiddeltoelating op verzoek van de toelatinghouder van dat gewasbeschermingsmiddel geschiedt, is niet snel sprake van de onvoorzienbaarheid, genoemd in het derde lid, onder c. Daarom wordt in dergelijke gevallen in beginsel geen aflever- of opgebruiktermijn gegeven voorbij de expiratiedatum van het gewasbeschermingsmiddel waarvoor de intrekking of wijziging is aangevraagd. Wanneer de toelatinghouder verzoekt om een aflever- of opgebruiktermijn voorbij deze expiratiedatum, onderbouwt hij daarbij naast de andere in het derde lid, onder c, genoemde belangen waarom er ondanks het voldoen aan diens eigen informatieplicht aan de markt en gebruikers toch sprake is van onvoorzienbaarheid voor die markt of gebruikers. 5. 5. Indien de toelatinghouder van het gewasbeschermingsmiddel verzoekt om een respijttermijn bij expireren van de gewasbeschermingsmiddeltoelating, wordt in beginsel geen respijttermijn toegekend omdat er geen sprake is van de in het derde lid, onder c, genoemde onvoorzienbaarheid. Wanneer de toelatinghouder verzoekt om een dergelijke respijttermijn, onderbouwt hij daarbij naast de andere in het derde lid, onder c, genoemde belangen waarom er desondanks sprake is van onvoorzienbaarheid voor de markt of gebruikers. Het gemotiveerde verzoek voor het toekennen van een respijttermijn bij expireren wordt ingediend uiterlijk 12 weken vóór het verstrijken van de expiratiedatum van het betreffende gewasbeschermingsmiddel. 6. 6. Indien de parallelle toelatingen als bedoeld in artikel 33 Wgb (oud) of vergunningen voor parallelhandel als bedoeld in artikel 52 Verordening (EG) nr. 11072009, verstrijken of het referentiemiddel volgen, stelt het College voor deze afgeleide parallelle toelatingen en vergunningen een zelfstandige respijttermijn vast overeenkomstig dit artikel. 7. 7. Indien de referentietoelating wordt gewijzigd of (gedeeltelijk) wordt ingetrokken, volgen de afgeleide toelatingen als bedoeld in artikel 32 Wgb (oud) deze referentietoelating. Het College stelt voor deze afgeleide toelatingen een zelfstandige respijttermijn vast overeenkomstig dit artikel. ### Artikel 4 Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking in de Staatscourant. ### Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beleidsregel respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen.