--- titel: Besluit Participatiewet bwb_id: BWBR0020183 type: AMvB status: geldend datum_inwerkingtreding: '2026-01-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0020183 citeertitel: Besluit Participatiewet --- # Besluit Participatiewet ### Paragraaf 1. Algemene bepalingen ### Artikel 1 In dit besluit wordt verstaan onder: a. a. *wet:* Participatiewet; b. b. *IOAW:* Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; c. c. *IOAZ:* Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; d. d. *Bbz 2004:* Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; e. e. *uitkering:* de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, inclusief een uitkering voor de lasten van de door het college toegekende algemene bijstand aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Bbz 2004; f. f. *gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW:* de lasten in het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand op grond van de wet, met uitzondering van de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; g. g. *gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW:* de netto uitgaven in het jaar, voorafgaand aan het jaar waarover de loonkostensubsidie wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college verstrekte loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet; h. h. *gemeentelijke lasten op grond van de IOAW:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAW, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; i. i. *gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende uitkeringen voor uitkeringen op grond van de IOAZ, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; j. j. *gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004:* de lasten in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college toegekende algemene bijstand verleend aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Bbz 2004, vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet behoort, in de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari van het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; k. k. *toetsingscommissie:* de toetsingscommissie vangnet Participatiewet, bedoeld in artikel 73 van de wet; l. l. *netto-lasten:* de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, uitkeringen en verstrekte loonkostensubsidies als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet; m. m. *gemeentelijke netto uitgaven voor uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners:* de netto uitgaven van een gemeente aan algemene bijstand voor dak-, thuis- en adreslozen en elders verzorgden, welke worden ontleend aan het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden van het Centraal Bureau voor de Statistiek, in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; n. n. *totale gemeentelijke netto uitgaven aan uitkeringen Pw, IOAW, IOAZ en Bbz 2004:* de totale netto uitgaven aan uitkeringen op grond van de wet, de IOAW, IOAZ en Bbz 2004, welke worden ontleend aan het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden van het Centraal Bureau voor de Statistiek, in het jaar, twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld; o. o. *vergunninghouder:* vergunninghouder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Huisvestingswet 2014; p. p. *beschikbare macrobudget:* het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet, verminderd met het bedrag dat in dat uitkeringsjaar beschikbaar wordt gesteld voor de vangnetuitkering voor zover dat bedrag niet op grond van artikel 74, tweede lid, van de wet is vastgesteld. ### Paragraaf . Werkdeel ### Paragraaf 2. Uitkering ### Artikel 2 **1.** Voor de vaststelling van het aantal inwoners in dit besluit geldt als peildatum 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld. **2.** Het aantal inwoners wordt ontleend aan de statistiek «Demografische kerncijfers per gemeente» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. ### Artikel 3 **1.** De uitkering voor een gemeente wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: U = BO + BL + BDTI + BLKS + BAJ Waarbij: a. a. U de Uitkering is; b. b. BO het deel van de uitkering is dat objectief wordt vastgesteld; c. c. BL het deel van de uitkering dat is bepaald op basis van de historische lasten; d. d. BDTI het deel van de uitkering is dat wordt verstrekt ten behoeve van uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners; e. e. BLKS het deel van de uitkering is dat wordt verstrekt ten behoeve van de loonkostensubsidies; en f. f. BAJ het deel van de uitkering is dat wordt verstrekt ten behoeve van uitkeringen in het kader van de aanvullende jongerennorm. **2.** Het deel van het budget dat objectief wordt vastgesteld, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: BO = [(m * O) / som (m*O)] * TBO Waarbij: a. a. m op de volgende wijze wordt vastgesteld: 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners; 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners; 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000; 1) 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners; 2) 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners; 3) 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000; b. b. O staat voor de uitkomst van het objectieve verdeelmodel; c. c. (m*O) staat voor de objectieve grondslag voor de vaststelling van het objectief te verdelen deel van het beschikbare macrobudget; d. d. Som (m*O) de optelsom is van de objectieve grondslagen (m *O) van alle gemeenten; en e. e. TBO staat voor het objectief te verdelen deel van het beschikbare macrobudget. **3.** Het deel van het budget dat is bepaald op basis van de historische lasten, bedoeld in het eerst lid, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: BL = (1-m) * L/TL * (TB-BLKS) Waarbij: a. a. m op de volgende wijze wordt vastgesteld: 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners; 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners; 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000; 1) 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners; 2) 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners; 3) 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000; b. b. L staat voor de gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004; c. c. TL het totaal is van de gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW en de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 voor alle gemeenten samen; d. d. TB het beschikbare macrobudget is; e. e. BLKS het deel van de uitkering is dat wordt verstrekt ten behoeve van de loonkostensubsidies. **4.** Het deel van het budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de uitkering aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: BDTI = m * GU/TGU * (TB – TBLKS) Waarbij: a. a. m op de volgende wijze wordt vastgesteld: 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners; 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners; 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000; 1) 1) bedraagt 1 voor een gemeente met 40.000 of meer inwoners; 2) 2) bedraagt 0 voor een gemeente met 15.000 of minder inwoners; 3) 3) wordt berekend voor gemeenten met tussen de 15.000 en 40.000 inwoners door het aantal inwoners in de gemeente te verminderen met 15.000 en vervolgens te delen door 25.000; b. b. GU staat voor de gemeentelijke netto uitgaven voor uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners; c. c. TGU staat voor de totale gemeentelijke netto uitgaven aan uitkeringen Pw, IOAW, IOAZ en Bbz 2004; d. d. TB – TBLKS staat voor het beschikbare macrobudget, verminderd met het deel van het macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c. **5.** Het deel van het budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de loonkostensubsidies, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: BLKS = LKS/TLKS * TBLKS Waarbij: a. a. LKS staat voor de gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW; b. b. TLKS staat voor het totaal van de gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW; en c. c. TBLKS het deel van het beschikbare macrobudget is dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies. **6.** Het deel van het budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de aanvullende jongerennorm bijstand, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: BAJ = (JNS/TJNS)* TBAJ Waarbij: a. a. JNS staat voor het aantal niet-studerende jongeren in de gemeente in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar; b. b. TJNS staat voor het totaal aantal niet-studerende jongeren landelijk in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar; en c. c. TBAJ staat voor het beschikbare deel van het macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de aanvullende jongerennorm. **7.** Het macrobudget objectief (TBO), bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, bestaat uit TB, verminderd met de som van de historisch verdeelde delen van de gemeentelijke uitkeringen, bedoeld in het achtste lid, de som van de gemeentelijke uitkeringen ten behoeve van uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners, bedoeld in het negende lid, de som van uitkeringen in het kader van de aanvullende jongerennorm, bedoeld in het tiende lid, en het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies, bedoeld in het elfde lid. **8.** Het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld op basis van historische lasten, bedoeld in het vijfde lid, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: SOM [(1-m) * L/TL] * (TB-BLKS) **9.** Het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners, bedoeld in het vijfde lid, wordt berekend aan de hand van de volgende formule: SOM [m * GU/TGU] * (TB-BLKS) **10.** Het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de aanvullende jongerennorm, bedoeld in het zesde lid, betreft een raming van de totale gemeentelijke netto uitgaven aan de jongerennorm in het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld. **11.** Het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, betreft een raming van de totale gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW in het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld. ### Artikel 4 Vervallen ### Artikel 5 Vervallen ### Artikel 6 **1.** Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen op grond van het Bbz 2004 vastgesteld. **2.** Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten is het beschikbare macrobudget. **3.** Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor alle indicatoren zoals opgenomen in tabel 1 en tabel 3 en de typen normbedragen zoals opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij dit besluit de gewichten en de peildata respectievelijk de bedragen vastgesteld. **4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de artikelen 2 en 3, en het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten. **5.** De minister kan de uitkering herzien indien wordt geconstateerd dat in de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, fouten zijn gemaakt. De herziening vindt uiterlijk plaats op het moment van aanpassing van het totale bedrag, bedoeld in artikel 71 van de wet. **6.** Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de budgetberekening uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan. ### Artikel 7 **1.** Bij de toepassing van artikel 69, eerste lid, van de wet, wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 15 augustus van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen. **2.** Bij de toepassing van artikel 50 van het Bbz 2004 wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen. **3.** Indien van een gemeente de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt bepaald, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van artikel 3, derde en achtste lid, en artikel 8a, eerste lid, voor de gemeentelijke uitkeringslasten en gemeentelijke uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 uitgegaan van het jaar drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld met correctie van deze gegevens in verband met de prijsontwikkeling en de ontwikkeling van het bijstandsvolume. **4.** Bij ministeriële regeling wordt een correctiefactor bij de toepassing van het derde lid vastgesteld. ### Artikel 8 **1.** Indien artikel 8c van de wet, onderscheidenlijk artikel 40 van de IOAW en artikel 40 van de IOAZ van toepassing is, kan voor de toepassing van artikel 3, derde en negende lid, en artikel 8a, eerste lid voor: a. a. de gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW; b. b. de gemeentelijke uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW; c. c. de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW; d. d. de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ; en e. e. de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004, de informatie in aanmerking worden genomen die het openbaar lichaam heeft verantwoord over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld. De eerste zin is slechts van toepassing indien de bedoelde informatie is vastgesteld overeenkomstig artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. **2.** Indien van een openbaar lichaam de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 over het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, is artikel 7 van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt voor de ontbrekende informatie uitgegaan van de verantwoordingsinformatie van het openbaar lichaam over het jaar dat drie jaar voorafgaat aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, indien die verantwoordingsinformatie door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen. **3.** Indien artikel 8c van de wet van toepassing is, kan voor de vaststelling, bedoeld in artikel 50 van het Bbz 2004, van: a. a. de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004; en b. b. de gemeentelijke baten op grond van het Bbz 2004, de informatie in aanmerking worden genomen die het openbaar lichaam heeft verantwoord over het jaar waarop de vaststelling betrekking heeft. De eerste zin is slechts van toepassing indien de bedoelde informatie is vastgesteld overeenkomstig artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. ### Artikel 8a Vervallen ### Artikel 8b **1.** Onze Minister verleent in 2016 en 2017 indien het college hiertoe een aanvraag heeft ingediend een voorschot voor de uitkering, bedoeld in artikel 69 van de wet, die in de jaren 2018 tot en met 2026, aan het college zal worden verstrekt om het college van middelen te voorzien voor kosten van algemene bijstand, uitkeringen en loonkostensubsidies als bedoeld in dit besluit ten behoeve van vergunninghouders. **2.** Het voorschot dat in 2016 wordt verleend, wordt in gelijke delen verrekend met de uitkeringen in de jaren 2018 tot en met 2025. Het voorschot dat in 2017 wordt verleend, wordt in gelijke delen verrekend met de uitkeringen in de jaren 2019 tot en met 2026. **3.** Het voorschot bedraagt een door Onze Minister vast te stellen bedrag, dat wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: Mvv_t = AV_t/TAV_t * TBV^t Waarbij: a. a. Mvv_t staat voor het maximaal aan een gemeente te verlenen voorschot in jaar t; b. b. AV_t staat voor het aantal door een gemeente gehuisveste vergunninghouders in de periode januari tot en met november van jaar t vermenigvuldigd met het aantal maanden waarin deze vergunninghouders zijn gehuisvest in de gemeente; c. c. TAV_t staat voor het totaal van alle gehuisveste vergunninghouders in de periode januari tot en met november van jaar t in Nederland, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat deze vergunninghouders zijn gehuisvest; d. d. TBV_t staat voor het totaal door Onze Minister voor jaar t beschikbaar gestelde bedrag dat als voorschot kan worden verleend; e. e. t staat voor het jaar waarin het voorschot wordt verleend. **4.** Voor de bepaling van het aantal gehuisveste vergunninghouders wordt uitgegaan van de inlichtingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. **5.** Als aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend aangemerkt een volledig ingevuld door Onze Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier dat uiterlijk op 25 november van het jaar waarin het voorschot wordt verleend door Onze Minister is ontvangen. Een verzoek dat wordt ontvangen na 25 november wordt niet behandeld. ### Paragraaf 3. Vangnetuitkering ### Artikel 9 **1.** De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden. Onze Minister benoemt de voorzitter en de leden, die tevens door hem kunnen worden geschorst en ontslagen. **2.** De toetsingscommissie beoordeelt of een verzoek tot een vangnetuitkering voldoet aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 9b en 9c, eerste, tweede en vierde lid, en adviseert Onze Minister daar over. ### Artikel 9a **1.** Voor de toepassing van de artikelen 9b, 9c en 10 worden de in aanmerking komende netto lasten berekend door de netto uitkeringslasten en de netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de wet en de netto lasten op grond van de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 te verminderen met de bedragen die blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit accountantscontrole decentrale overheden, als fout of onzeker zijn aangemerkt. **2.** Indien de lasten op grond van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 groter zijn dan € 1.000.000, worden de netto lasten in afwijking van het eerste lid verminderd met de bedragen die als fout en onzeker zijn aangemerkt en meer bedragen dan € 125.000, of, als dat meer is, 1 procent van de lasten op grond van de wet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004. ### Artikel 9b Onze Minister kan een vangnetuitkering als bedoeld in artikel 74 van de wet verlenen, indien de in aanmerking komende netto lasten de verstrekte uitkering: a. a. met meer dan zeven-en-een-half procent overstijgen en de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en de twee daaraan voorafgaande jaren de over die periode verstrekte uitkeringen met meer dan zeven-en-een-half procent van de over het uitkeringsjaar verstrekte uitkering overstijgen; b. b. met minstens vijf procent overstijgen in het uitkeringsjaar en in minstens twee van de drie daaraan voorafgaande jaren; of c. c. met minstens twee-en-een-half procent overstijgen in het uitkeringsjaar en het college gedurende: 1° de twee daaraan voorafgaande jaren gebruik heeft gemaakt van een vangnetuitkering op grond van onderdeel b; of 2° het daaraan voorafgaande jaar gebruik heeft gemaakt van een vangnetuitkering op grond van dit onderdeel. 1° 1° de twee daaraan voorafgaande jaren gebruik heeft gemaakt van een vangnetuitkering op grond van onderdeel b; of 2° 2° het daaraan voorafgaande jaar gebruik heeft gemaakt van een vangnetuitkering op grond van dit onderdeel. ### Artikel 9c **1.** Een verzoek als bedoeld in artikel 74 van de wet voldoet aan de volgende voorwaarden: a. a. het college heeft een hiertoe strekkend verzoek ingediend middels een door Onze Minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier; b. b. er is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften; c. c. het college heeft verklaard dat het maatregelen heeft getroffen om te komen tot tekortreductie en deze verklaring heeft de instemming van de gemeenteraad; en d. d. de verklaring van het college omvat een toelichting zoals gevraagd in het modelaanvraagformulier. **2.** In aanvulling op het eerste lid verklaart het college dat het interne en externe maatregelen heeft getroffen om tot verdere tekortreductie te komen, indien: a. a. het college van een gemeente een verzoek indient waaraan in een van de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren een vangnetuitkering op grond van artikel 9b, onderdeel a, is verleend; of b. b. het college van een gemeente een verzoek indient op grond van artikel 9b, onderdelen b of c. **3.** Het tweede lid, voor zover betrekking hebbende op de verklaring dat externe maatregelen zijn getroffen om tot verdere tekortreductie te komen, is niet van toepassing op het college van een gemeente met minder dan 5000 inwoners. **4.** Indien het college gedurende vijf achtereenvolgende jaren gebruik heeft gemaakt van een vangnetuitkering op grond van artikel 9b, onderdelen b of c, licht het college de interne en externe maatregelen toe die het heeft getroffen om tot verdere tekortreductie te komen bij een zesde daaropvolgende verzoek, over de afgelopen vijf jaar, en vervolgens om de vijf jaar, zo lang het college in aanmerking komt voor een vangnetuitkering op grond van artikel 9b, onderdelen b of c. **5.** Indien het college niet voldoet aan het vierde lid, verleent Onze Minister geen vangnetuitkering op grond van artikel 9b, onderdeel c. **6.** Het vierde lid is niet van toepassing op het college van een gemeente met minder dan 5000 inwoners. **7.** Informatie als bedoeld in artikel 9a, die anders dan op verzoek na 15 augustus van het jaar waarin het verzoek is ingediend door de toetsingscommissie of door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen, wordt in de beoordeling van het verzoek niet meegewogen. **8.** Indien Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76 van de wet geeft wordt een verzoek tot een vangnetuitkering afgewezen over het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven en over het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven. ### Artikel 10 **1.** Een vangnetuitkering op grond van artikel 9b, onderdeel a, bedraagt: a. a. vijftig procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 107,5% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan zeven-en-een-half maar niet meer dan twaalf-en-een-half procent overstijgen; b. b. honderd procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 112,5% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan twaalf-en-een-half procent overstijgen. **2.** Een vangnetuitkering op grond van artikel 9b, onderdeel b, bedraagt: a. a. vijftig procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 105% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met minstens vijf maar niet meer dan tien procent overstijgen; b. b. honderd procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 110% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan tien procent overstijgen. **3.** Een vangnetuitkering op grond van artikel 9b, onderdeel c, bedraagt: a. a. vijftig procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 102,5% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met minstens twee-en-een-half maar niet meer dan zeven-en-een-half procent overstijgen; b. b. honderd procent van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en 107,5% van de verstrekte uitkering, voor zover de netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan zeven-en-een-half procent overstijgen. **4.** Indien bij de vaststelling van de uitkering artikel 7 is toegepast, wordt voor de beoordeling van het tekort de verstrekte uitkering vastgesteld op het bedrag dat is gebaseerd op de gemeentelijke lasten waarbij artikel 7 niet zou zijn toegepast. **5.** Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de bepaling van een vangnetuitkering uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan. **6.** Indien het college voldoet aan meer dan een voorwaarde, bedoeld in artikel 9b, wordt de voor het college meest gunstige vangnetuitkering verleend. ### Artikel 10a Op aanvragen om een vangnetuitkering over de uitkeringsjaren 2017 en 2018 blijft dit besluit van toepassing zoals het luidde op 31 december 2018. ### Paragraaf 3a. Begeleiding jongeren van school naar duurzaam werk ### Artikel 10b De centrumgemeente van de betrokken arbeidsmarktregio’s, vastgesteld krachtens artikel 10, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen: a. a. draagt bij aan de totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma, bedoeld in artikel 9.2.8, eerste lid, van de Wet educatie beroepsonderwijs, en vertegenwoordigt en ondersteunt daarbij de gemeenten in de arbeidsmarktregio; b. b. sluit aan bij het regionaal bestuurlijk overleg, bedoeld in artikel 9.2.8, vierde lid, van de Wet educatie beroepsonderwijs; c. c. draagt bij aan de effectrapportage, bedoeld in artikel 9.2.10, eerste lid, van de Wet educatie beroepsonderwijs. ### Paragraaf 4. Overige en slotbepalingen ### Artikel 11 **1.** Voor de verlening van bijstand op grond van de wet aan de belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres worden aangewezen de gemeenten opgenomen in Bijlage 29xx-c van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen. **2.** De bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend door het college van de gemeente waar de belanghebbende zich op het moment van zijn aanvraag bevindt. ### Artikel 11a Vervallen ### Artikel 12 Dit besluit berust op de artikelen 7a, vierde lid, 40, eerste lid, 69, derde lid, 73, tweede lid, en 74, zesde lid, van de wet. ### Artikel 13 Het Besluit WWB wordt ingetrokken. ### Artikel 13a **1.** Onze Minister zendt voor 1 januari 2025 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van artikel 3, vijfde en negende lid. **2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de monitoring van de inzet van loonkostensubsidies en de evaluatie van artikel 3, vijfde en negende lid. ### Artikel 14 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. ### Artikel 15 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Participatiewet. ## Bijlage . behorende bij Deze bijlage bevat een nadere toelichting bij de verdeelsystematiek, zoals deze is beschreven in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, van het Besluit. Artikel 3, zevende tot en met elfde lid, gaat over de omvang van de deelbudgetten. Daarnaast bevat deze bijlage een toelichting op het objectieve verdeelmodel zoals genoemd in artikel 6 van het Besluit. De berekeningswijze van het deelbudget voor loonkostensubsidies en de wijze waarop dit wordt verdeeld, wordt aan het eind van deze bijlage toegelicht.