--- titel: Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden bwb_id: BWBR0022545 type: ministeriele-regeling status: geldend datum_inwerkingtreding: '2020-03-30' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0022545 citeertitel: Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden --- # Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden ## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ### Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - besluit: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden; - gewasbeschermingsmiddel met een laag risico: gewasbeschermingsmiddel zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 1107/2009; - groepsaccommodaties: een accommodatie met ten minste twintig slaapplaatsen voor het verstrekken van logies aan personen in groepsverband; - grondwaterbeschermingsgebied: een gebied waarbinnen de kwaliteit van het grondwater krachtens artikel 7.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt beschermd; - onkruid: een op een bepaalde bodem of ander oppervlak ongewenste plant, plantbegroeiing of houtachtig gewas; - richtlijn 2000/29/EG: richtlijn nr. 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PbEG 2000, L 169); - risicogetal: een volgens een door de Gezondheidsraad opgestelde methode vastgesteld getal dat het extra risico per jaar op sterfte door kanker van 4.10^–5 bij een blootstelling gedurende 40 jaar, vijf dagen per week en acht uur per dag weergeeft; - stobbe: deel van een boom dat achterblijft in en boven de grond nadat de boom bovengronds is omgezaagd; - ultra low volume-formulering: een gewasbeschermingsmiddel in hooggeconcentreerde vorm, bestemd om in fijne druppelvorm te worden verspoten; - verordening 284/2013: Verordening (EU) nr. 284/2013 van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Pb EU 2013, L 93); - verordening (EU) 1143/2014: Verordening (EU) Nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014, L 317); - wet: Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. ## Hoofdstuk 2. Toelating gewasbeschermingsmiddelen ### Paragraaf 1. Bijzondere vormen van toelating ### Artikel 2.1 **1.** De aanvrager van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel dat een overeenkomstig artikel 4, zevende lid, van verordening (EG) 1107/2009 goedgekeurde werkzame stof bevat, legt tegelijkertijd met zijn aanvraag een plan voor een alternatieve aanpak van het ernstige gevaar voor aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. **2.** Het plan beschrijft stapsgewijs: a. a. hoe binnen vijf jaren na de eventuele toelating chemische of niet-chemische alternatieven kunnen worden gevonden en ingezet in plaats van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel, en b. b. met behulp van wiens inzet het doel zal worden gerealiseerd. **3.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan het plan, na overleg met landbouwsectororganisaties of andere sectororganisaties die belang hebben bij de bestrijding van het ernstige gevaar, wijzigen en stuurt het plan binnen twee weken nadat in voorkomend geval een toelating is verleend, aan de Europese Commissie. **4.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan een formulier vaststellen voor het indienen van het plan. ### Artikel 2.2 **1.** Op verzoek van de aanvrager volstaat het college bij de beoordeling van een aanvraag tot uitbreiding van een bestaande toelating met een kleine toepassing als bedoeld in artikel 3, onderdeel 26, van verordening (EG) 1107/2009 met de beoordeling van de documentatie en informatie, bedoeld in artikel 51, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) 1107/2009, volgens de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en de richtsnoeren of andere beoordelingsmethoden, zoals die hebben gegolden ten tijde van de aanvraag voor de reeds bestaande toelating. **2.** Indien het college besluit tot toelating van de uitbreiding, overeenkomstig het eerste lid, eindigt de uitbreidingstoelating tegelijk met de bestaande toelating. ### Paragraaf 2. Voorschriften bij de toelating ### Artikel 2.3 Het college vermeldt bij de toelating de risicogroep, bedoeld in artikel 4.84 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin een gewasbeschermingsmiddel is ingedeeld. ## Hoofdstuk 3. Toelating en registratie van biociden ### Paragraaf 1. Aanvragen ### Artikel 3.1 Vervallen ### Paragraaf 2. Algemene bepalingen inzake de beoordeling van biociden ### Artikel 3.2 Vervallen ### Artikel 3.3 Vervallen ### Artikel 3.4 Vervallen ### Paragraaf 3. Bepalingen inzake het humaantoxicologisch risico van biociden ### Artikel 3.5 Vervallen ### Artikel 3.6 Vervallen ### Artikel 3.7 Vervallen ### Paragraaf 3a. Werkzaamheid van biociden ### Artikel 3.7a Vervallen ### Paragraaf 4. Bepalingen inzake de beoordeling van biociden die micro-organismen bevatten ### Artikel 3.8 Vervallen ### Paragraaf 5. Bepalingen inzake bijzondere vormen van toelating ### Artikel 3.9 Vervallen ### Artikel 3.10 Vervallen ### Artikel 3.11 Vervallen ### Paragraaf 6. Voorschriften bij de toelating ### Artikel 3.12 Vervallen ### Artikel 3.13 Vervallen ### Artikel 3.14 Vervallen ### Paragraaf 7. Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen ### Artikel 3.15 Vervallen ## Hoofdstuk 4. Erkenning van bedrijven en instellingen voor het doen van onderzoek naar de werking van gewasbeschermingsmiddelen ### Artikel 4.1 **1.** Proeven en analysen als bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009, zijn erkend indien zij zijn uitgevoerd door een erkend bedrijf of erkende instelling. **2.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan op aanvraag een bedrijf of instelling waar proeven of analysen als bedoeld in artikel 29, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009 worden uitgevoerd, erkennen. **3.** De beoordeling van een aanvraag vindt plaats aan de hand van de eisen, bedoeld in punten 3.2 tot en met 3.4.2. van punt 3 Goede Laboratoriumpraktijken (GLP), van de inleiding van de bijlage bij verordening 284/2013. ### Artikel 4.1a Bij de beoordeling van een aanvraag van een bedrijf of instelling voor een erkenning als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet wordt gekeken of een bedrijf of een instelling voldoende zekerheid biedt dat aan de volgende voorwaarden kan worden voldaan: a. a. het bedrijf of de instelling voldoet aan de eisen, bedoeld in de punten 3.2 tot en met 3.4.2. van punt 3 Goede Laboratoriumpraktijken (GLP), van de inleiding van de bijlage bij verordening (EU) 284/2013, of is erkend overeenkomstig artikel 4.1, tweede lid; b. b. het bedrijf of de instelling treft bij de uitvoering van proeven en experimenten voldoende maatregelen om schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier, voor het milieu of voor andere gewassen te voorkomen; c. c. de proeven en experimenten vinden plaats op beperkte oppervlakten, zodat het gewasareaal dat jaarlijks in het kader van de proef of het experiment met een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel wordt behandeld het door het college ten hoogste toegestane areaal niet overstijgt; d. d. de administratie die het bedrijf of de instelling bijhoudt beschrijft ten minste per kalenderjaar voor ieder gebruikt niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel de gebruikte hoeveelheid, alsmede de locatie van proefvelden waar de proeven en experimenten met niet-toegelaten middelen worden uitgevoerd en de totale grootte van het behandelde areaal; e. e. het bedrijf of de instelling deelt ten minste eenmaal per maand de planning en de precieze locatie van de onder zijn verantwoordelijkheid uitgevoerde proeven en experimenten met niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen mede aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur; f. f. de administratie wordt ten minste drie jaren bewaard; g. g. het bedrijf of de instelling slaat niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen veilig en apart van toegelaten middelen op in een ruimte die ontoegankelijk is voor onbevoegden; h. h. de oogst van gewassen die geschikt zijn voor menselijke consumptie of diervoeder en die in het kader van een proef of experiment met niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen zijn behandeld, wordt vernietigd of het bedrijf of de instelling biedt voldoende zekerheid dat proeven en experimenten die onder haar verantwoordelijkheid worden uitgevoerd, of in haar opdracht door andere erkende bedrijven of instellingen worden uitgevoerd, de maximale residulimiet voor de desbetreffende stof dan wel het desbetreffende middel, bedoeld in verordening (EG) 396/2005, niet wordt overschreden; en i. i. het bedrijf of de instelling zorgt ervoor dat de toepassing van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt met een maximale persoonlijke beschermingsuitrusting of het bedrijf of de instelling biedt voldoende zekerheid dat zij kan beoordelen in welke gevallen zij, of een in haar opdracht ander erkend bedrijf of instelling, met een geringere beschermingsuitrusting kan worden volstaan. ### Artikel 4.2 Vervallen ### Artikel 4.3 **1.** De geldigheidsduur van de erkenning bedraagt ten hoogste zes jaren. Zij kan voor een kortere duur worden verleend. **2.** Een erkenning kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken met ingang van een daarbij aan te geven tijdstip, indien: a. a. de houder van de erkenning hier schriftelijk om verzoekt; b. b. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt op grond waarvan een erkenning is verleend; c. c. de houder handelt in strijd met de voorwaarden genoemd in artikel 4.4 of de voorschriften die bij de erkenning zijn gesteld; d. d. de houder van de erkenning tekort schiet in hetgeen op grond van deze erkenning redelijkerwijs van hem mag worden verwacht; e. e. de erkenning dan wel de beperkingen in strijd met wettelijke voorschriften zijn gegeven; f. f. dit noodzakelijk is in verband met gewijzigde regelgeving of ter uitvoering van een communautaire maatregel, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten. ### Artikel 4.4 Essentiële wijzigingen in de organisatie van het bedrijf dat of de instelling die ingevolge artikel 4.1 of 4.1a een erkenning heeft, worden schriftelijk aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gemeld. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur beoordeelt of de gewijzigde organisatie, dan wel een eventuele uitbreiding van het type proeven en analyses door de organisatie, voldoet aan de eisen voor erkenning. ### Artikel 4.5 Vervallen ### Artikel 4.6 Vervallen ### Artikel 4.7 Vervallen ## Hoofdstuk 5. Het register van het college en openbaarmaking ### Paragraaf 1. De registers voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden ### Artikel 5.1 **1.** Het college houdt het elektronisch register omtrent gewasbeschermingsmiddelen bij, bedoeld in artikel 57 van verordening (EG) 1107/2009. **2.** Het college deelt het register, bedoeld in het eerste lid en in artikel 69, tweede lid, van de wet, ten minste in volgens de hoofdstukken gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen. **3.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt de lijst van kleine toepassingen, bedoeld in artikel 57, eerste lid, onderdeel h, van verordening (EG) 1107/2009, elektronisch ter beschikking aan het publiek. ### Artikel 5.2 Het college houdt het biocidenregister bij, bedoeld in artikel 71 van verordening (EG) 528/2012. ### Artikel 5.3 Vervallen ### Paragraaf 2. Openbaarmaking ## Hoofdstuk 6. Bewijs van vakbekwaamheid voor handel en gebruik ### Paragraaf 1. Bewijs van vakbekwaamheid ### Artikel 6.1 **1.** Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de wet geeft aan dat de houder: a. a. voldoende op de hoogte is wanneer en onder welke omstandigheden het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen of biociden verantwoord is; b. b. voldoende op de hoogte is van de gevaren welke het gebruik met zich meebrengt en van de wijze waarop deze gevaren kunnen worden voorkomen, en c. c. voor zover het een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbeschermingsmiddelen betreft, voldoende kennis heeft van de onderwerpen, genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG, rekening houdend met de taken en verantwoordelijkheden die behoren bij zijn functie. **2.** Indien het bewijs van vakbekwaamheid slechts betrekking heeft op bepaalde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, op bepaalde toepassingen dan wel op de behandeling van bepaalde ruimten of terreinen, wordt de betrokkene slechts te dien aanzien als houder van een bewijs van vakbekwaamheid aangemerkt. ### Artikel 6.2 **1.** Een aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd: a. a. een naar behoren ingevuld en ondertekend aanvraagformulier; b. b. een goed leesbare kopie van het identiteitsbewijs van de aanvrager, en c. c. een gewaarmerkt afschrift van een diploma of een certificaat als bedoeld in artikel 6.3, derde tot en met zesde lid, of d. d. een gewaarmerkt afschrift van een bekwaamheidsattest of opleidingstitel, dat door Bureau erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen is erkend op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. **2.** Indien een aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid voor een persoon wordt ingediend door een onderwijsinstelling die het in artikel 6.3, derde, vierde, vijfde, zesde en negende lid, bedoelde certificaat of diploma verstrekt, geldt in afwijking van het eerste lid dat bij de aanvraag de volgende bescheiden worden overgelegd: a. a. een verklaring dat de persoon gedurende de opleiding met goed gevolg een examen heeft afgelegd dat recht geeft op een certificaat als bedoeld in artikel 6.3, derde tot en met zesde lid en negende lid, en b. b. de naam, het adres, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de persoon. **3.** Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen opleidingstitels of bekwaamheidsattesten erkennen. **4.** De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in het derde lid. **5.** De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting op het terrein van gewasbescherming in Nederland aan Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen de documenten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a tot en met d, van die wet. **6.** In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties beoordeelt Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen of de dienstverrichter, bedoeld in het vijfde lid, over voldoende kennis en vaardigheden beschikt ten aanzien van gewasbescherming en het veilig omgaan met gewasbeschermingsmiddelen. **7.** Bureau Erkenningen brengt na afloop van ieder kalenderjaar verslag uit aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn werkzaamheden en het aantal verstrekte en erkende bewijzen van vakbekwaamheid. ### Artikel 6.3 **1.** Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen verstrekt het bewijs van vakbekwaamheid op aanvraag. **2.** Een bewijs wordt niet verstrekt dan nadat het tarief, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, is voldaan. **3.** Het bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over: a. a. een certificaat gewasbescherming A of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en dat voldoet aan de kwalificaties en beroepsvereisten die op grond van de artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals die gold voor 1 januari 2012, zijn vastgesteld; b. b. een certificaat gewasbescherming A (uitvoeren) (C0003) als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten. **4.** Het bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over: a. a. een certificaat gewasbescherming B of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en dat voldoet aan de kwalificaties en beroepsvereisten die op grond van de artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals die gold voor 1 januari 2012, zijn vastgesteld; b. b. een certificaat gewasbescherming B (bedrijfsvoeren) (C0004) als bedoeld bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten. **5.** Het bewijs van vakbekwaamheid Distributie en opslag gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over: a. a. een certificaat gewasbescherming C of een diploma dat mede dat certificaat omvat, en dat voldoet aan de kwalificaties en beroepsvereisten die op grond van de artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals die gold voor 1 januari 2012, zijn vastgesteld; b. b. een certificaat gewasbescherming C (distributie en opslag) (C0005) als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten. **6.** Het bewijs van vakbekwaamheid Mollen- en Woelrattenbestrijding wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over een certificaat MW (Mollen- en Woelrattenbescherming) (C0013) als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling certificaten wettelijke beroepsvereisten groen middelbaar beroepsonderwijs, of een diploma dat mede dat certificaat omvat, dat voldoet aan de op grond van de artikelen 7.2.4.en 7.2.6. van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten. **7.** Het bewijs van vakbekwaamheid op basis van een Veiligheidsinstructie Gewasbescherming, bedoeld in artikel 6.3a, wordt verstrekt aan de persoon die een instructie op de werkplek heeft gevolgd als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, welke instructie is erkend door Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen. **8.** Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het derde tot en met het zesde lid en het negende lid, wordt ambtshalve verlengd indien voldoende nascholingsbijeenkomsten zijn bijgewoond, die zijn erkend door Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen, of opnieuw met goed gevolg een examen is afgelegd dat recht geeft op een certificaat als bedoeld in het derde tot en met het zesde lid en het negende lid. **9.** Het bewijs van vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming wordt verstrekt aan de persoon die beschikt over: a. a. het bewijs van vakbekwaamheid B of de benodigde certificaten hiervoor zoals beschreven in het vierde lid; b. b. een certificaat Adviseren Gewasbescherming of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de beroepsvereisten die op grond van artikel 7.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn vastgesteld. **10.** Met een certificaat als bedoeld in derde tot en met zesde lid en negende lid, wordt een verklaring als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel a, gelijk gesteld. ### Artikel 6.3a **1.** De handelingen, die in aanmerking komen voor een bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, zijn: a. a. het bedienen van een volledig gesloten zaadcoatingsmachine; b. b. het in een laboratorium ten behoeve van plantaardige weefselkweek in vitro gebruiken of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen die volgens de desbetreffende toelating zijn bestemd om de levensprocessen van planten te beïnvloeden; c. c. het bestrijden van aardappelopslag door middel van een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat door middel van handapparatuur, voor zover de apparatuur is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; d. d. het doden van ongewenste planten met handapparatuur gevuld met een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat bij de selectie van bolgewassen en andere planten ten behoeve van veredeling, voor zover de apparatuur is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; e. e. pleksgewijze onkruidbestrijding met handapparatuur gevuld met een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat in gewassen en natuurgebieden, voor zover de apparatuur is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; f. f. pleksgewijze onkruidbestrijding met handbediende slangen voorzien van spuitdop en afschermkap verbonden aan een trekker met spuittank gevuld met een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat in gewassen, voor zover de spuittank is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; g. g. stobbebehandeling met handapparatuur gevuld met een gewasbeschermingsmiddel op basis van de werkzame stof glyfosaat in gewassen en natuurgebieden, voor zover de apparatuur is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; h. h. toepassing van bewortelingspoeders op basis van indolylboterzuur; i. i. uithangen van dispensers met middelen op basis van feromonen voor feromoonverwarring in fruitteeltgewassen; j. j. insmeren van stammen met middelen op basis van kwartszand voor wildafweer in fruitteeltgewassen; k. k. het vullen van bewaarbakken voor na de oogst van snijbloemen met een gebruiksklare oplossing naoogst toedienen van houdbaarheidsmiddelen aan bewaarbakken met snijbloemen m.u.v. middelen met gevaarsymbool Xn schadelijk, voor zover de oplossing is bereid door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; l. l. het poten van aardappels met een trekker en aardappelpootmachine waarbij via poederdoseerapparatuur middel(en) op basis van flutolanil worden toegediend tegen Rhizoctonia, voor zover de poederdoseerapparatuur is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; m. m. het bedienen van een machine voor fytodrip in uitgangsmateriaal, voor zover de machine is gevuld door een andere persoon die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde en vierde lid; n. n. toepassing van groeiregulatoren (ethyleenremmers) op basis van de werkzame stof 1-methylcyclopropeen door het in een goed geventileerde ruimte toedienen van een sachet aan een doos of container, die hierna direct gesloten respectievelijk ingehoesd of geseald wordt. **2.** Bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen erkent een instructie, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, indien zij ten minste voorlichting geeft over: a. a. welke gevaren en risico’s voor de mens, gehouden dieren en het milieu, inclusief niet-doelwit-planten en -dieren, zijn verbonden aan het gebruik van het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel door de concrete handeling; b. b. wat de symptomen van vergiftiging en de in voorkomend geval te nemen eerste-hulp- maatregelen zijn; c. c. wat de veiligste werkpraktijken zijn; d. d. hoe restanten van het middel en aangebroken verpakkingen moeten worden opgeruimd, en e. e. welke noodmaatregelen moeten worden genomen in geval van lekkages, verspilling of andere onvoorziene gebeurtenissen. **3.** De instructie wordt gegeven door een houder van een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde of vierde lid. **4.** Artikel 6.3, eerste lid, is niet van toepassing. De werkgever of opdrachtgever van de persoon die de instructie heeft gevolgd, verstrekt een kopie van de presentielijst van de instructie aan betrokkene, en bewaart het origineel gedurende vijf jaren nadat de instructie is gegeven. De presentielijst vermeldt de handeling, bedoeld in het eerste lid, waar de instructie betrekking op heeft, en wordt gedurende vijf jaren nadat de instructie is gevolgd, aangemerkt als bewijs van vakbekwaamheid voor de desbetreffende handeling. ### Artikel 6.3b **1.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur trekt een bewijs van vakbekwaamheid gewasbeschermingsmiddelen in indien niet langer wordt voldaan aan de eisen die ter zake van het verkrijgen of behouden van een zodanig bewijs van vakbekwaamheid bij of krachtens de wet zijn gesteld nadat hij betrokkene ten hoogste zes maanden in de gelegenheid heeft gesteld alsnog aan de eisen te voldoen. **2.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan op grond van artikel 85, derde lid, van de wet, een bewijs van vakbekwaamheid intrekken, indien a. a. de houder ernstig tekort schiet in hetgeen op grond van dat bewijs van hem mag worden verwacht, of b. b. jegens de houder herhaaldelijk overtredingen op grond van de wet zijn geconstateerd. **3.** De termijn, bedoeld in artikel 85, vierde lid, van de wet bedraagt ten hoogste een jaar vanaf het moment dat het besluit tot intrekking is genomen. ### Artikel 6.4 **1.** De aanvraag voor een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd: a. a. een naar behoren ingevuld en ondertekend aanvraagformulier; b. b. een goed leesbare kopie van het identiteitsbewijs van de aanvrager, en c. c. een gewaarmerkt afschrift van een behaald diploma of certificaat, of d. d. een gewaarmerkt afschrift van een bekwaamheidsattest of opleidingstitel, die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is erkend op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. **2.** Ten behoeve van migrerende beroepsbeoefenaren, bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties kan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opleidingstitels of bekwaamheidsattesten erkennen. **3.** De migrerende beroepsbeoefenaar legt aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a, b, c, en e, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties over ten behoeve van de erkenning, bedoeld in het tweede lid. **4.** De tijdelijke en incidentele dienstverrichter, bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verstrekt voorafgaand aan zijn eerste dienstverrichting met behulp van biociden waarvoor een bewijs van vakbekwaamheid is voorgeschreven in Nederland aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de documenten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdelen a tot en met d, van die wet. **5.** In geval van toepassing van artikel 27, derde lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties beoordeelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat of een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen instantie of de dienstverrichter, bedoeld in het vierde lid, over voldoende kennis en vaardigheden beschikt. **6.** Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van het besluit, ten aanzien van het afweren of bestrijden van een dierplaag, het bestrijden van houtrotverwekkende schimmel, gassingsleider of gasmeetdeskundige, wordt verstrekt indien de gebruiker met goed gevolg theorie- en praktijkexamens heeft afgelegd, die voldoen aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI, onderdeel A, of bijlage VII, en daartoe een getuigschrift van het Register Plaagdierbeheersing, Milieu en Veiligheid van de Stichting Groene Erkenningen heeft ontvangen. **7.** Een bewijs van vakbekwaamheid wordt niet verstrekt dan nadat het tarief, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, is voldaan. **8.** Een bewijs van vakbekwaamheid wordt ambtshalve verlengd als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit, indien wordt voldaan aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlage VI, onderdeel B, of bijlage VII. **9.** De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een bewijs van vakbekwaamheid biociden intrekken indien de houder ervan niet voldoet aan de eindtermen voor onderwijs, bedoeld in bijlagen VI of VII. Artikel 6.3b, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. **10.** De Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een bewijs van vakbekwaamheid biociden intrekken op grond van artikel 85, derde lid, van de wet. Artikel 6.3b, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 6.5 De automatische verlenging van een bewijs van vakbekwaamheid gaat in op de datum volgend op de datum waarop de betrokken bewijzen van vakbekwaamheid aflopen dan wel, indien de betrokken houder van een bewijs van vakbekwaamheid niet aan de voorwaarden voldoet met ingang van de datum na de datum dat deze houder alsnog aan de voorwaarden voldoet. ### Artikel 6.6 Voor de volgende handelingen is geen bewijs van vakbekwaamheid vereist: a. a. het afleveren door personeel van reeds bestelde of reeds gekochte gewasbeschermingsmiddelen of biociden, indien dat uit een bestelbon of factuur blijkt, zonder advies aan gebruikers; b. b. het gedurende maximaal één jaar toepassen van biociden door diegene die met goed gevolg deel heeft genomen aan de opleiding starterlicentie voor het beheersen van plaagdieren en houtaantastende organismen, bedoeld in bijlage VI, onderdeel C, en die daartoe een starterlicentie van het Register Plaagdierbeheersing, Milieu en Veiligheid van de Stichting Groene Erkenningen heeft ontvangen en voldoet aan de voorwaarden gesteld in bijlage VI, onderdeel D; c. c. het toepassen van een biocide voor het afweren of bestrijden van een dierplaag, niet zijnde knaagdieren of het bestrijden van een houtrotverwekkende schimmel als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, op een agrarisch bedrijf door een persoon die daar werkzaam is; d. d. het toepassen van biociden voor het afweren of bestrijden van knaagdieren op een agrarisch bedrijf door de ondernemer of een werknemer en die houder is van een licentie voor het beheersen van knaagdieren op een agrarisch bedrijf, bedoeld in bijlage VI, onderdeel E, en die daartoe een licentie van bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen heeft ontvangen. De geldigheid van bovengenoemde licentie wordt na afloop van een termijn van vijf jaar door bureau Erkenningen van de Stichting Groene Erkenningen verlengd indien is voldaan aan de eindtermen voor onderwijs als genoemd in bijlage VI, onderdeel F; e. e. de industriële toepassing van een biocide in hout in verband met de conservering ervan tegen schimmels of dierplagen; f. f. het op de markt aanbieden van biociden. ### Artikel 6.7 **1.** Een distributeur van gewasbeschermingsmiddelen of voldoende van zijn personeel als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de wet, beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, vierde lid. **2.** Een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, vierde lid. **3.** In afwijking van het tweede lid beschikt de ondernemer van een landbouwbedrijf dat gewasbeschermingsmiddelen ontvangt, gebruikt of voorhanden heeft als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de wet, en die is geboren voor 1 januari 1996 ten minste over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, derde lid. **4.** In afwijking van het tweede lid beschikt een persoon die gewasbeschermingsmiddelen ontvangt of gebruikt ten minste over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren Gewasbescherming, als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, voor zover in het bedrijf waarvoor deze persoon werkzaam is of in het bedrijf waar de behandeling met gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgevoerd, ten minste een persoon werkzaam is die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Bedrijfsvoeren Gewasbescherming en aanwezig of beschikbaar is. **5.** In afwijking van het tweede lid beschikt een persoon die gewasbeschermingsmiddelen gebruikt over een bewijs van vakbekwaamheid Veiligheidsinstructie als bedoeld in artikel 6.3, zevende lid, voor zover de handeling is opgenomen in artikel 6.3a, eerste lid, en op de werkplek waar de behandeling met het gewasbeschermingsmiddel plaatsvindt ten minste een persoon aanwezig is, die beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Uitvoeren of Bedrijfsvoeren gewasbescherming. **6.** In afwijking van het tweede lid beschikt een bestrijder van mollen en woelratten met gewasbeschermingsmiddelen over een bewijs van vakbekwaamheid Mollen en Woelrattenbestrijding als bedoeld in artikel 6.3, zesde lid. **7.** Onverminderd het eerste lid beschikt een distributeur of het personeelslid dat is belast met de dagelijkse leiding of werkzaamheden ten behoeve van het op veilige wijze transporteren en opslaan van gewasbeschermingsmiddelen over een bewijs van vakbekwaamheid Distributie en Opslag als bedoeld in artikel 6.3, vijfde lid. **8.** Een voorlichter van gewasbeschermingsmiddelen beschikt over een bewijs van vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming als bedoeld in artikel 6.3, negende lid. ### Artikel 6.8 **1.** De instantie die een bewijs van vakbekwaamheid kan verlenen of intrekken, bedoeld in artikel 71, derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, van de wet, kan tarieven vaststellen voor de gemaakte kosten ter zake van het bewijs van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, en artikel 17a, eerste lid, van het besluit. **2.** Tarieven, alsmede de wijzigingen daarvan, voor de vergoeding die de instantie in rekening brengt voor het verlenen van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid behoeven de goedkeuring van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. **3.** De goedkeuring van de tarieven, bedoeld in het tweede lid, wordt onthouden indien de tarieven hoger zijn dan noodzakelijk, uitgaande van een redelijke toerekening van de totale kosten en opbrengsten, waarbij de vergoeding van een bewijs van vakbekwaamheid niet meer bedraagt dan nodig ter dekking van de gemaakte kosten in verband met de verrichte activiteiten. **4.** De instantie die een bewijs van vakbekwaamheid kan verlenen of intrekken, bedoeld in artikel 71, derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, van de wet, maakt de tarieven bekend op haar website. ## Hoofdstuk 7. Overige bepalingen inzake handel ### Artikel 7.1 **1.** Degene die een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide produceert, opslaat of vervoert, komt bij iedere overeenkomst die strekt tot opslag, vervoer of levering van het middel aan een ander, schriftelijk een beding als bedoeld in artikel 253 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat overeen, en neemt een afschrift van deze overeenkomst in zijn administratie op. **2.** Het beding, bedoeld in het eerste lid, luidt als volgt: a. a. De ontvangende partij doet al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen dat het gewasbeschermingsmiddel of de biocide in Nederland wordt toegepast. De ontvangende partij neemt daartoe dit beding op in een overeenkomst die strekt tot levering aan een derde partij van het bij deze overeenkomst te leveren gewasbeschermingsmiddel of biocide. b. b. Indien niet uit de administratie van de ontvangende partij of een derde partij blijkt dat het gewasbeschermingsmiddel of de biocide buiten Nederland is toegepast of naar het buitenland is vervoerd, verbeurt de ontvangende partij een som van 10% van de marktwaarde van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide ten behoeve van de Staat der Nederlanden. c. c. Deze verplichting zal overgaan op degenen die het gewasbeschermingsmiddel of de biocide onder bijzondere titel zullen verkrijgen. Voorts zijn mede gebonden degenen die van de rechthebbende een beperkt recht of een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen. ### Artikel 7.2 Vervallen ### Artikel 7.3 Vervallen ### Artikel 7.3a Degene die op grond van artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009 of de artikelen 24, 25 of 26 van het besluit gegevens administreert of gegevens uit zijn administratie verstrekt, doet dit volledig en naar waarheid, en onverwijld nadat de gegevens hem bekend zijn geworden. ### Artikel 7.3b Het is de eigenaar of houder van een in Nederland gevestigd bedrijf, die beschikt over landbouwpercelen in België of Duitsland toegestaan een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel op zijn bedrijf op te slaan, voor zover het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel is toegelaten in België of Duitsland en feitelijk ook over de Nederlandse grens wordt toegepast en daarvan blijkt uit zijn administratie, bedoeld in artikel 7.3c. ### Artikel 7.3c **1.** De administratie, bedoeld in artikel 74, derde lid, onderdeel b, van de wet en artikel 67, eerste lid, eerste volzin, van verordening (EG) 1107/2009, bevat ten minste de volgende gegevens: a. a. de naam van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide en het toelatingsnummer of toelatingskenmerk in het land van bestemming; b. b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering, alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden; c. c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de voorraad, waarbij onderscheid wordt gemaakt per gewasbeschermingsmiddel of biocide; d. d. de naam, het adres en de woon- of vestigingsplaats van degene van wie het gewasbeschermingsmiddel of de biocide is verkregen respectievelijk aan wie is geleverd; e. e. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als bedoeld in de onderdelen b en c, en f. f. de afschriften van overeenkomsten als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid. **2.** De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaren. **3.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden op de factuur of het afleveringsbewijs aangegeven. ### Artikel 7.3d **1.** Een niet in Nederland toegelaten biocide of gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 74, eerste of tweede lid, van de wet wordt gescheiden van een toegelaten middel opgeslagen. **2.** Het vervoer van een niet in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel of biocide is uitsluitend toegestaan, indien de vervoerder beschikt over een vrachtbrief of ander document waaruit blijkt van wie de partij afkomstig is en voor wie de partij is bestemd. ### Artikel 7.4 **1.** Een houder van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel voor niet-professioneel gebruik is verantwoordelijk voor de verstrekking van de algemene informatie, bedoeld in artikel 73, vierde lid, van de wet, ten behoeve van de gebruiker van zijn middel. De houder van de toelating vermeldt deze informatie tevens bij het aanprijzen van het middel op zijn website of in andere media. **2.** De informatie is zo weergegeven dat de strekking eenvoudig te begrijpen is. **3.** De houder van een toelating zorgt ervoor dat iedere distributeur van zijn gewasbeschermingsmiddel in staat is de informatie te verstrekken aan de gebruiker. **4.** De distributeur zorgt ervoor dat de informatie voor iedere koper van een gewasbeschermingsmiddel voor niet-professioneel gebruik in voldoende mate toegankelijk en beschikbaar is. ## Hoofdstuk 8. Gebruik ### Paragraaf 1. Geïntegreerde bestrijding en juist gebruik ### Artikel 8.1 Degene die de biologische productiemethode als bedoeld in artikel 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 toepast, is vrijgesteld van de verplichting over een gewasbeschermingsmonitor als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het besluit te beschikken. ### Paragraaf 2. Toepassingsmethoden, – technieken en – materialen ### Artikel 8.2 **1.** Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gerichte gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volgende terreinen: a. a. binnen tien meter van een object dat verwijderd moet blijven van open vuur of draaiende motoren en zones waarbinnen het gebruik van open vuur of draaiende motoren niet is toegestaan; b. b. het gebied van vliegvelden dat wordt gebruikt voor het opstijgen, landen en taxiën van vliegtuigen, inclusief het gebied dat wordt gebruikt voor laden, lossen en onderhouden van vliegtuigen; c. c. spoor-, metro en trambanen, voor zover het betreft: 1° het ballastbed bestaande uit een laag steenslag waarin zich de railconstructie bevindt, of; 2° inspectie- of schouwpaden gelegen binnen de veiligheidszone; 1° 1° het ballastbed bestaande uit een laag steenslag waarin zich de railconstructie bevindt, of; 2° 2° inspectie- of schouwpaden gelegen binnen de veiligheidszone; d. d. locaties waar scherpe munitie of explosieven in de bodem aanwezig zijn of kunnen zijn; e. e. locaties waar prikkeldraadrollen zijn aangebracht voor Defensiedoeleinden, en f. f. binnen tien meter van een elektrische voorziening voor hoogspanning waarvan delen niet of onvoldoende zijn beschermd tegen directe of indirecte aanraking en waarvan de spanning niet op eenvoudige wijze tijdelijk kan worden onderbroken. **2.** Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor het behandelen van stobben in, op of langs weg- en waterbouwkundige constructies, indien door mechanisch verwijderen de stabiliteit van deze constructie in gevaar komt. ### Artikel 8.3 **1.** Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor een gerichte bestrijding van: a. a. eikenprocessierups (Thaumetopoea processionea); b. b. bastaardsatijnrups (Euproctis chrysorrhoea); c. c. duizendknoop: Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), bastaard duizendknoop (Fallopia x bohemica), Afghaanse duizendknoop (Persicaria wallichii) en kruisingen; d. d. fluweelboom/azijnboom (Rhus species); e. e. Pontische rododendron (Rhododendron x superponticum); f. f. robinia (Robinia pseudoacacia); g. g. knolcyperus (Cyperus esculentus), en h. h. schadeveroorzakende organismen op rozen (Rosa species) bij oorlogsgraven. **2.** Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: a. a. waarvoor op grond van artikel 38 van de wet een vrijstelling is verleend; b. b. voor een gerichte bestrijding van terrestrische soorten die zijn opgenomen op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening 1143/2014 (EG) met uitzondering van moeraslantaarn (Lysichiton americanus) en reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum), en c. c. voor een gerichte bestrijding van soorten die zijn aangewezen in bijlage II van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PbEU 2019, L 319). ### Artikel 8.3a Vervallen ### Artikel 8.4 Het eerste lid van artikel 27b van het besluit is niet van toepassing op het gerichte gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volgende terreinen: a. a. sportvelden voor het in georganiseerd verband beoefenen van sport in de open lucht, voor zover het het bespeelbare gedeelte van het terrein betreft inclusief een beperkte zone daar omheen die voor het beoefenen van de sport nodig is, maar exclusief de niet met gras begroeide alsmede de in bijlage XVII met ‘nee’ aangeduide delen. b. b. niet door de overheid beheerde recreatieterreinen, voor zover het betreft: 1° bungalowterreinen; 2° groepsaccommodaties; 3° campingterreinen; 4° jachthavens, niet zijnde de aanlegsteigers in of nabij het oppervlaktewater; 1° 1° bungalowterreinen; 2° 2° groepsaccommodaties; 3° 3° campingterreinen; 4° 4° jachthavens, niet zijnde de aanlegsteigers in of nabij het oppervlaktewater; c. c. terreinen met een specifieke botanische waarde, waar het publiek ten minste twee maanden per jaar tegen betaling toegang heeft, met uitzondering van de verharde oppervlakken. ### Artikel 8.5 **1.** In de gebieden en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4, wordt gebruik gemaakt van een gewasbeschermingsmiddel met een laag risico of een biologisch gewasbeschermingsmiddel voor zover deze voor het desbetreffende gebruik beschikbaar zijn. **2.** In de gebieden en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 8.2 tot en met 8.4 wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen die een of meer prioritaire gevaarlijke stoffen bevatten. ### Artikel 8.6 Vervallen ### Artikel 8.7 Vervallen ### Artikel 8.8 **1.** Artikel 31 van het besluit inzake de toepassingsmethoden bij gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen en biociden is slechts van toepassing op middelen met een werkzame stof als bedoeld in bijlage X bij deze regeling. **2.** De toegangen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van het besluit zijn voorzien van een waarschuwingssignaal en opschrift dat in overeenstemming is met hetgeen hieromtrent is bepaald in hoofdstuk 8 van de Arbeidsomstandighedenregeling. ### Artikel 8.9 **1.** Gewasbeschermingsmiddelen en biociden die als werkzame stof fosforwaterstof, sulfurylfluoride of waterstofcyanide bevatten, worden niet toegepast dan nadat ten minste zeven dagen voor aanvang van de toepassing een melding is gedaan bij de bevoegde bedrijfstakdirecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Daartoe wordt het formulier, bedoeld in bijlage XI, volledig en naar waarheid ingevuld. **2.** In afwijking van het eerste lid kan de melding korter dan zeven dagen voor aanvang van de toepassing worden gedaan, indien minder dan 2500 m^3 wordt gegast of de toepassing een gassing van lichters of binnenvaartschepen betreft en het spoedeisende karakter van de toepassing dit noodzakelijk maakt, mits: – – de melding ten minste 6 uur voor de aanvang van de toepassing is ontvangen en de toepassing een gassing van lichters of binnenvaartschepen betreft, – – de melding ten minste 6 uur voor de aanvang van de toepassing is ontvangen en niet meer dan 500 m^3 wordt gegast, of – – de melding ten minste 24 uur voor aanvang van de toepassing is ontvangen en niet meer dan 2500 m^3 wordt gegast. **3.** Voor de gasvrijverklaring, bedoeld in artikel 31, derde lid, van het besluit wordt het formulier bedoeld in bijlage XII volledig en naar waarheid ingevuld, verstrekt aan de opdrachtgever. Een afschrift van dit formulier wordt binnen 48 uur aan de bevoegde directeur van de Inspectie Leefomgeving en Transport toegezonden. **4.** Degene die de verklaring, bedoeld in het derde lid, heeft verstrekt, bewaart een afschrift van de verklaring gedurende ten minste een jaar. ### Artikel 8.10 **1.** De melding, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van het besluit, van de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel wordt uiterlijk drie weken voor de toepassing bij de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gedaan. **2.** Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt een volledig en naar waarheid ingevuld meldingsformulier over gelegd of elektronisch verzonden met daarin opgenomen: a. a. de naam en het adres van de gebruiker, b. b. voor zover van toepassing: de naam en het adres van een bedrijf als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, van het besluit, c. c. de naam van het gewasbeschermingsmiddel, d. d. het doelgewas, e. e. het voorgenomen moment van toepassing, f. f. een op een kaart die voldoet aan de door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gestelde eisen, op schaal weergegeven aanduiding van het te behandelen perceel of perceelsgedeelte, het te behandelen areaal in m^2 en voor zover van toepassing: – een verklaring van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dat knolcyperus (Cyperus esculentus L.) op het perceel is aangetoond, – een verklaring van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dat het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev) op het perceel is aangetoond, of – de datum van een besluit als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit. – – een verklaring van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dat knolcyperus (Cyperus esculentus L.) op het perceel is aangetoond, – – een verklaring van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dat het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev) op het perceel is aangetoond, of – – de datum van een besluit als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit. **3.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geeft binnen twee weken na de melding een ontvangstbewijs af. **4.** De melder past het gewasbeschermingsmiddel binnen 3 maanden na de op het ontvangstbewijs vermelde datum toe. **5.** Indien na de melding geen grondontsmetting is toegepast kan de melder door het terugsturen van het ontvangstbewijs de melding intrekken tot vier maanden na de op het ontvangstbewijs vermelde datum. ### Artikel 8.10a Vervallen ### Paragraaf 3. Monitoring na toelating ### Artikel 8.11 Op verzoek berekent het college het maximaal toelaatbaar risico van gewasbeschermingsmiddelen voor waterorganismen, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van het besluit, aan de hand van de methode INS, bedoeld in bijlage XV, deel B. ### Paragraaf 4. Heffingen ### Artikel 8.12 Vervallen ### Paragraaf 5. Reiniging ### Artikel 8.13 Vervallen ### Paragraaf 6. Keuring ### Artikel 8.14 **1.** Een keuringsbewijs als bedoeld in artikel 32b van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden heeft een geldigheid van drie jaren na de datum van afgifte. **2.** In afwijking van het eerste lid heeft een keuringsbewijs voor laagvolume ruimtebehandelingsapparatuur, granulaat- en poederstrooiers, mechanisch voortbewogen onkruidstrijkers en neerwaartse spuitapparatuur met een spuitboom kleiner dan of gelijk aan drie meter een geldigheid van zes jaren na de datum van afgifte. **3.** Apparatuur specifiek bestemd voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen die professioneel worden gebruikt is uiterlijk iedere drie jaar gekeurd; voor deze apparatuur met een bouwjaar na 2013 geldt dat deze uiterlijk drie jaar na de aankoopdatum voor het eerst is gekeurd. **4.** In afwijking van de drie jaar bedoeld in het derde lid wordt laagvolume ruimtebehandelingsapparatuur, granulaat- en poederstrooiers, mechanisch voortbewogen onkruidstrijkers en neerwaartse spuitapparatuur met een spuitboom kleiner dan of gelijk aan drie meter uiterlijk iedere zes jaar gekeurd. **5.** Op handapparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en rugspuiten is de keuring als bedoeld in artikel 32b van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden niet van toepassing. **6.** Apparatuur voor het behandelen van zaaizaad wordt elke zes jaar gekeurd, voor het eerst uiterlijk: a. a. op 31 december 2024 voor apparatuur met een bouwjaar van 2022 of eerder; b. b. zes jaar na de aankoopdatum voor apparatuur met een bouwjaar 2023 of later. ## Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving ### Paragraaf 1. Toezicht ### Artikel 9.1 Belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn de ambtenaren van: a. a. de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; b. b. de Nederlandse Arbeidsinspectie; c. c. de Inspectie Leefomgeving en Transport; d. d. de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; e. e. de waterschappen; f. f. het Staatstoezicht op de Mijnen. ### Paragraaf 2. Handhaving ### Artikel 9.2 Vervallen ### Artikel 9.3 Vervallen ### Artikel 9.4 Vervallen ### Artikel 9.5 Vervallen ### Artikel 9.6 **1.** De hoogte van de bestuurlijke boete, die de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 90 van de wet kan opleggen bij een overtreding, is gelijk aan het geldbedrag dat in bijlage XIII voor de desbetreffende overtreding is vermeld. **2.** In afwijking van het eerste lid bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding met betrekking tot professioneel gebruik van biociden de helft van het geldbedrag, genoemd in bijlage XIII, behoudens indien: a. a. de gebruiker beschikt of dient te beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid; b. b. het gebruik van de desbetreffende biocide onderdeel uitmaakt van het verrichten van een dienst. ### Artikel 9.7 De natuurlijke persoon of rechtspersoon, die binnen vijf jaren nadat een eerdere overtreding is geconstateerd een soortgelijke overtreding begaat, wordt bestraft met een bestuurlijke boete die gelijk is aan de eerder opgelegde bestuurlijke boete, vermenigvuldigd met de factor 1,5. ### Artikel 9.8 Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 15, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en 69, eerste lid, van verordening (EU) 2017/625. ## Hoofdstuk 10. Overgangsperiode van de ### Artikel 10.1 Vervallen ### Artikel 10.2 Vervallen ### Artikel 10.3 Vervallen ### Artikel 10.4 Vervallen ### Artikel 10.5 Vervallen ### Artikel 10.6 Vervallen ### Artikel 10.7 Vervallen ### Artikel 10.8 Vervallen ### Artikel 10.9 Vervallen ## Hoofdstuk 11. Intrekkingsbepalingen, wijzigingsbepalingen, overgangsrecht en slotbepalingen ### Artikel 11.1 De regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 24 december 1992, nr. 9218639, houdende het verlenen van mandaat aan het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stcrt. 252) wordt ingetrokken. ### Artikel 11.2 De regeling van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 19 december 2001, nr. Trcjz/2001/12365, houdende het verlenen van mandaat aan het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stcrt. 248) wordt ingetrokken. ### Artikel 11.3 Wijzigt de Warenwetregeling Babyvoeding. ### Artikel 11.4 Wijzigt de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten. ### Artikel 11.5 Wijzigt de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s. ### Artikel 11.6 Wijzigt de Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren. ### Artikel 11.7 Wijzigt het Besluit organisatie VWA. ### Artikel 11.8 Wijzigt de Regeling GLB-inkomenssteun 2006. ### Artikel 11.9 Vervallen ### Artikel 11.10 Vervallen ### Artikel 11.10a Wijzigt deze regeling. ### Artikel 11.10b **1.** Het college verleent een toelating voor een toevoegingstof als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel d, van verordening (EG) 1107/2009, indien de aanvrager aantoont dat de toevoegingstof geen formuleringshulpstof bevat, die in bijlage III van verordening (EG) 1107/2009 is opgenomen. **2.** Het college herziet een toelating voor een toevoegingstof indien: a. a. de nadere regels, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van verordening (EG) 1107/2009 daartoe nopen, of b. b. een toevoegingstof geheel of gedeeltelijk bestaat uit formuleringshulpstoffen die zijn opgenomen in bijlage III van verordening (EG) 1107/2009. **3.** De toelating van een toevoegingstof kan worden ingetrokken of gewijzigd wanneer: a. a. aanwijzingen bestaan dat de toevoegingstof mogelijk een risico inhoudt voor mens, dier of milieu; b. b. onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis waarvan de toelating is verstrekt; of c. c. niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating. **4.** Wanneer het college voornemens is een toelating voor een toevoegingstof in te trekken of te wijzigen, licht hij de houder van de toelating in en stelt hij hem een termijn om opmerkingen te formuleren of nadere gegevens te verstrekken. **5.** De in het vierde lid bedoelde termijn wordt, na afweging van alle betrokken belangen, zo kort als redelijkerwijs mogelijk gesteld. **6.** Wanneer er aanwijzingen zijn dat een toelating voor een toevoegingstof mogelijk tot ernstige risico’s leidt, kan het college, teneinde de risico’s weg te nemen of tot een aanvaardbaar niveau te beperken, de toelating schorsen of wijzigen voor de duur die nodig is voor de besluitvorming, bedoeld in het derde lid. ### Artikel 11.10c **1.** Een gewasbeschermingsmiddel kan worden toegelaten, hoewel het een niet goedgekeurde beschermstof of synergist bevat, als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel a respectievelijk b, van verordening (EG) 1107/2009: a. a. totdat een werkprogramma als bedoeld in artikel 26 van verordening (EG) 1107/2009 is vastgesteld, en b. b. zolang de desbetreffende beschermstof of synergist in het werkprogramma is opgenomen. **2.** Het college beperkt de duur van een toelating van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in het eerste lid tot een periode van vijf jaren na de vaststelling van het werkprogramma, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. **3.** Het college herziet of wijzigt een toelating als bedoeld in het eerste lid naar gelang de ontwikkeling van het werkprogramma, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of aan de hand van een besluit omtrent de desbetreffende beschermstof of synergist. ### Artikel 11.10d Een licentie voor het beheersen van knaagdieren door een agrarische ondernemer op het eigen bedrijf die is afgegeven voor 1 november 2017 geldt als een licentie voor het beheersen van knaagdieren op een agrarisch bedrijf, bedoeld in bijlage VI, onderdeel E. ### Artikel 11.10e **1.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verleent op aanvraag voor een geldigheidsduur van maximaal vijf jaren het Bewijs van Vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming als wordt aangetoond dat de aanvrager voor 1 juni 2018 werkzaam was als voorlichter op het gebied van gewasbescherming en daarnaast voldoet aan de eisen gesteld in artikel 6.3, negende lid, onderdeel a, of een vergelijkbaar vakbekwaamheidsbewijs verleend door een andere lidstaat. **2.** De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verleent op aanvraag voor een geldigheidsduur van maximaal vijf jaren het Bewijs van Vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming als wordt aangetoond dat de aanvrager zich heeft ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 6.3, negende lid, onderdeel b, en deze opleiding voldoet aan de eisen gesteld in artikel 6.3, negende lid, onderdeel a en uiterlijk op 1 januari 2021 met succes is afgerond. **3.** Een voor 1 januari 2019 verleend Bewijs van Vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming is tot uiterlijk 1 januari 2024 geldig. Een na 31 december 2018 verleend bewijs van Vakbekwaamheid Adviseren Gewasbescherming is uiterlijk tot vijf jaar na de datum van afgifte geldig. De geldigheid van deze vakbekwaamheidsbewijzen kan telkens met een maximale periode van vijf jaren verlengd worden. ### Artikel 11.11 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip dat de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in werking treedt. ### Artikel 11.12 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden. ## Bijlage I. Communautaire maatregelen die de werking van de biociderichtlijn beperken. Vervallen ## Bijlage II. Richtlijnen die bij de beoordeling van een biocide onverminderd van kracht zijn Vervallen ## Bijlage III. Beschermingsfactoren van persoonlijke beschermingsmiddelen Vervallen ## Bijlage IV. Beleidsregels intrekken bewijs van vakbekwaamheid Vervallen ## Bijlage V. Erkenning instanties die een bewijs van vakbekwaamheid verstrekken Vervallen ## Bijlage VI ## Bijlage VII. Eindtermen voor de opleiding tot Gassingsleider ## Bijlage VIII. Opgaveformulier hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen Vervallen ## Bijlage IX. Uitgezonderde biociden Vervallen ## Bijlage X. Gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden Gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 8.8 van deze regeling, zijn gewasbeschermingsmiddelen of biociden die één of meer van de volgende stoffen bevatten: ## Bijlage XI. Kennisgeving gassingen Verzenden aan het kantoor van de Inspectie Leefomgeving en Transport in de regio waar het middel wordt toegepast. Van dit formulier moet een situatieschets deel uit maken. De situatieschets kan op pagina 2 van dit formulier opgenomen worden. Begin voorbereiding: .. – .. – .... (datum), .... uur (tijd) Begin inbrengen gas: .. – .. – .... (datum), .... uur (tijd) Begin ontgassen: .. – .. – .... (datum), .... uur (tijd) Te gebruiken meetmethode voor afgifte gasvrijverklaring: .... Aard en hoeveelheid van de te gassen produkten/goederen: .... Bestemming van de te gassen produkten/goederen: ....... Aard van het object waarin de produkten/goederen worden gegast (gebouw, container, ruim van een schip, etc.): .... Grootte van het object waarin gegast wordt: .... m Te bestrijden plaag: .... Toe te passen gas: waterstofcyanide/fosforwaterstof/sulfurylfluoride Toe te passen type formulering (fosforwaterstof): pellets/zakjes/plates/strips/.... Toe te passen hoeveelheid gas (fosforwaterstof): .... g Toe te passen hoeveelheid waterstofcyanide: .... liter Naam, adres en telefoonnr. opdrachtgever: .... Naam, adres en telefoonnr. uitvoerend bedrijf of dienst: .... Afstand object tot woonbebouwing die gedurende de gassing bewoond wordt: .... meter Afstand object tot werkplek, waar gedurende de gassing gewerkt wordt: .... meter Bewijs van vakbekwaamheid gassingsleider.... (nr), geldig voor .... (toepassingscode) geldig tot ..-..-.... Hierbij verklaart ondergetekende dat het bovenstaande naar waarheid is ingevuld. plaats: .... datum: .... tijdstip: .. uur naam gassingsleider: .... handtekening: .... Situatieschets: Adres gassing: .... Begin voorbereiding: .. – .. – .... (datum), .... uur (tijd) ## Bijlage XII. Gasvrijverklaring 1. Te verstrekken aan de opdrachtgever. 2. Afschrift verzenden aan het kantoor van de Inspectie Leefomgeving en Transport in de regio waar het middel wordt toegepast. Adres ontgassing: Begin ontgassen: - – (datum), …..uur (tijd) Einde ontgassen: - – (datum), …..uur (tijd) Naam en toelatingsnummer gebruikte middel: ….. , N Naam, adres en telefoonnummer opdrachtgever:….. Naam, adres en telefoonnummer uitvoerend bedrijf/dienst:….. Naam, adres en telefoonnummer gassingsleider/gasmeetdeskundige:……… Gebruikte meetmethode voor afgifte gasvrijverklaring:….. Bewijs van vakbekwaamheid gassingsleider/gasmeetdeskundige:……(nr), geldig voor ….(toepassingscode) geldig tot .. – .. – ….(datum) Hierbij verklaart de ondergetekende, dat door middel van metingen aangetoond is dat er binnen het object geen waterstofcyanide/fosforwaterstof/sulfurylfluoride aanwezig is hoger dan de gestelde waarden in het besluit tot toelating van het toegepaste middel en dat derhalve voldaan wordt aan de eisen van de gasvrijverklaring. Plaats: Datum;.. – .. – …. Tijdstip:…..uur Naam gassingsleider/gasmeetdeskundige:…….. Handtekening gassingsleider/gasmeetdeskundige ## Bijlage XIII. Bestuurlijke boetes ¹ Omvat ook de houder van de toelating; in rij 40 te lezen als: fabrikant of zijn gemachtigde. ² Het desbetreffende artikel in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ¹ Het desbetreffende artikel in Verordening (EG) 1107/2009 ## Bijlage XIV. Beleidsregel voor het criterium landbouwtechnisch doelmatige, geïntegreerde teelt Vervallen ## Bijlage XV. Beoordelingsmethoden biociden Vervallen ## Bijlage XVI. Reductie bedoeld in Vervallen ## Bijlage XVII. Gebruik op sportvelden als bedoeld in ^1 Indien in een tabel een percentage is genoteerd, zoals 20%, is de toepassing wel toegestaan, maar mag die toepassing gedurende het jaar op ten hoogste 20% van het areaal plaatsvinden. ^2 Het in acht nemen van een schadedrempel, voorafgaande aan het toepassen van een gewasbeschermingsmiddel, is onderdeel van de verplichte toepassing van geïntegreerde gewasbescherming.