--- titel: Regeling groenprojecten 2005 bwb_id: BWBR0018466 type: ministeriele-regeling status: geldend datum_inwerkingtreding: '2008-03-14' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0018466 citeertitel: Regeling groenprojecten 2005 --- # Regeling groenprojecten 2005 ### Artikel 1 **1.** In deze regeling wordt verstaan onder: a. a. project: in Nederland gelegen technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van activa en werkzaamheden; b. b. bestaand project: 1°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, e, onder 3° en 4°, f, g, i, j of k, waarvoor ten minste zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend een begin met de uitvoering van de werkzaamheden is gemaakt; 2°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h.1°, h.2°, h.3° en h.4° waarvoor op de dag van indiening van een aanvraag tot afgifte van een verklaring een aanvang met de uitvoering van de werkzaamheden is gemaakt; 3°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, c of d, dat ten minste zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend, reeds voldeed aan een van de projectomschrijvingen in het betreffende onderdeel; 4°. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h.5°, waarvoor meer dan acht maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend, de hypotheekakte werd gepasseerd dan wel de leenovereenkomst werd gesloten; 1°. 1°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, e, onder 3° en 4°, f, g, i, j of k, waarvoor ten minste zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend een begin met de uitvoering van de werkzaamheden is gemaakt; 2°. 2°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h.1°, h.2°, h.3° en h.4° waarvoor op de dag van indiening van een aanvraag tot afgifte van een verklaring een aanvang met de uitvoering van de werkzaamheden is gemaakt; 3°. 3°. project als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, c of d, dat ten minste zes maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend, reeds voldeed aan een van de projectomschrijvingen in het betreffende onderdeel; 4°. 4°. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h.5°, waarvoor meer dan acht maanden voor de dag waarop de aanvraag tot afgifte van een verklaring wordt ingediend, de hypotheekakte werd gepasseerd dan wel de leenovereenkomst werd gesloten; c. c. projectbeheerder: degene voor wiens rekening en risico het project wordt ontwikkeld en in stand gehouden; d. d. projectvermogen: vermogen dat nodig is voor de financiering van vaste activa en de werkzaamheden om de vaste activa te plaatsen, voorzover noodzakelijk voor en uitsluitend dienstbaar aan de totstandbrenging van een project; e. e. verklaring: schriftelijk besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin wordt verklaard dat een project in het belang is van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos; f. f. accountantsverklaring: verklaring, afgegeven door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent; g. g. Groen Label Kas: tuinbouwkas die bestemd is voor het bedrijfsmatig telen van tuinbouwgewassen, en ter zake waarvan, door middel van een certificaat afgegeven door een bij de Raad voor Accreditatie erkende organisatie, is aangetoond dat deze kas voldoet aan de eisen van het Certificatieschema Groen Label Kas 8.0 en minimaal 85 punten behaalt voor de extensieve stookteelt of 115 punten voor de intensieve stookteelt volgens de aldaar vermelde systematiek. Het Certificatieschema Groen Label Kas 8.0 dat als bijlage bij deze regeling behoort, ligt ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; h. h. woning: gebouw, bedoeld voor bewoning, dat voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zal staan aan een of meer natuurlijke personen en per wooneenheid ten minste is voorzien van een eigen toegang, een gescheiden leef- en slaapgedeelte, een eigen toilet, een eigen bad- of douchevoorziening, alsmede van een energieaansluiting, bedoeld voor een kooktoestel om een maaltijd te kunnen bereiden; i. i. eigenaar-bewoner: natuurlijk persoon die een woning in eigendom heeft dan wel verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, dan wel de erfpachter, vruchtgebruiker of gerechtigde tot een appartementsrecht als bedoeld in artikel 106 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover deze rechten betrekking hebben op een woning zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h; j. j. duurzaam geproduceerd hout: hout waarvoor een door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer erkend certificaat is afgegeven waaruit blijkt dat het voldoet aan de Nederlandse minimumeisen en waarvan het gebruik is aangetoond door middel van certificaten en afleverbewijzen of facturen; k. k. Energie-index: maat voor de energieprestatie van bestaande woningen aan de hand van een genormeerde berekening; l. l. energielabel: gestandaardiseerde omzetting van de energieklasse in een label met de waardes A tot en met G; m. m. labelstap: verandering van de Energie-index van een gebouw waardoor het gebouw een ander energielabel krijgt. **2.** Tot het projectvermogen met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°, wordt niet gerekend het vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond, de kosten voor goederen waarop niet wordt afgeschreven, tuinbouwgewassen, transportsystemen en onderhoud en de kosten, exclusief de kosten voor gelijktijdig opwekken van warmte/kracht of de kosten van een warmtepomp en/of warmte en koudeopslag, per vierkante meter kasoppervlak die meer bedragen dan € 100,–. ### Artikel 2 De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat, een verklaring afgeven voor: a. a. projecten, bestaande uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare, die gericht zijn op de ontwikkeling en instandhouding van bos en andere houtopstanden, met uitzondering van vruchtbomen, windsingels, wegbeplantingen en bomen die bestemd zijn om te dienen als kerstbomen en kweekgoed; b. b. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in: 1°. gebieden die als beschermd natuurmonument of staatsnatuurmonument zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, of 2°. gebieden die in het Structuurschema Groene Ruimte (Kamerstukken II 1993/94, 22 880) zijn aangemerkt als gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit en waarvoor een gebiedsperspectief waardevol cultuurlandschap geldt; 1°. 1°. gebieden die als beschermd natuurmonument of staatsnatuurmonument zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, of 2°. 2°. gebieden die in het Structuurschema Groene Ruimte (Kamerstukken II 1993/94, 22 880) zijn aangemerkt als gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit en waarvoor een gebiedsperspectief waardevol cultuurlandschap geldt; c. c. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van: 1°. nieuwe natuur- en landschappelijke waarden van landgoederen als bedoeld in artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928, of 2°. natuur- en landschappelijke waarden blijkens een landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 73 van de Landinrichtingswet, een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied, een plan van voorzieningen als bedoeld in artikel 44 van de Reconstructiewet Midden-Delfland, of een herinrichtingsplan als bedoeld in artikel 16 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën; 1°. 1°. nieuwe natuur- en landschappelijke waarden van landgoederen als bedoeld in artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928, of 2°. 2°. natuur- en landschappelijke waarden blijkens een landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 73 van de Landinrichtingswet, een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied, een plan van voorzieningen als bedoeld in artikel 44 van de Reconstructiewet Midden-Delfland, of een herinrichtingsplan als bedoeld in artikel 16 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën; d. d. projecten: 1°. in een natuurgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan onderdeel a; 2°. in een beheers-, probleem-, natuur- of landschapsgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan onderdeel a; 3°. van publiekrechtelijke rechtspersonen of van instellingen als bedoeld in de Regeling bijdragen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden in gebieden waarvoor een begrenzingenplan is vastgesteld als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; 4°. die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer; 5°. in een beheers- of reservaatgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; 6°. in een probleemgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; 1°. 1°. in een natuurgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan onderdeel a; 2°. 2°. in een beheers-, probleem-, natuur- of landschapsgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan onderdeel a; 3°. 3°. van publiekrechtelijke rechtspersonen of van instellingen als bedoeld in de Regeling bijdragen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden in gebieden waarvoor een begrenzingenplan is vastgesteld als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; 4°. 4°. die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer; 5°. 5°. in een beheers- of reservaatgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; 6°. 6°. in een probleemgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; e. e. projecten die zijn gericht op: 1°. het produceren of verwerken van plantaardige landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode; 2°. het produceren of verwerken van dierlijke landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode; 3°. het bedrijfsmatig telen van gewassen in een Groen Label Kas; 1°. 1°. het produceren of verwerken van plantaardige landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode; 2°. 2°. het produceren of verwerken van dierlijke landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode; 3°. 3°. het bedrijfsmatig telen van gewassen in een Groen Label Kas; f. f. projecten die zijn gericht op de industriële verwerking van landbouwgrondstoffen of reststoffen van natuurbeheer tot producten die niet geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie, indien die producten in Nederland nog niet gangbaar zijn en leiden tot een vermindering van de aantasting van het milieu, met uitzondering van de verwerking van genoemde stoffen tot energie of energiedragers; g. g. projecten die zijn gericht op: 1°. het opwekken van elektriciteit uit schoon hout en energierijke gewassen; 2°. het opwekken van elektrische energie door middel van een windturbine die is gecertificeerd volgens NVN 11400-0 (uitgave 1999), voorzover deze normen daarop van toepassing is; 3°. het opwekken van elektrische energie met behulp van fotovoltaïsche cellen; 4°. het gebruik van thermische zonne-energie door middel van zonnecollectoren; 5°. het winnen van aardwarmte; 6°. het opwekken van elektrische energie uit waterkracht; 7°. het met behulp van warmtepompen met een COP (coëfficiënt of performance) van ten minste 4 en een gesloten bodemwarmtewisselaar of aquifer opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte op een zodanige wijze dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend; 8°. warmte-, onderscheidenlijk koudeopslag, in een aquifer gedurende ten minste een maand; 9°. het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen van centrale bijstookketels en warmtebuffers ten behoeve van stadsverwarmingprojecten en de verwarming van tuinbouwkassen die thermische energie benutten van elektriciteitsopwekkinginstallaties; 1°. 1°. het opwekken van elektriciteit uit schoon hout en energierijke gewassen; 2°. 2°. het opwekken van elektrische energie door middel van een windturbine die is gecertificeerd volgens NVN 11400-0 (uitgave 1999), voorzover deze normen daarop van toepassing is; 3°. 3°. het opwekken van elektrische energie met behulp van fotovoltaïsche cellen; 4°. 4°. het gebruik van thermische zonne-energie door middel van zonnecollectoren; 5°. 5°. het winnen van aardwarmte; 6°. 6°. het opwekken van elektrische energie uit waterkracht; 7°. 7°. het met behulp van warmtepompen met een COP (coëfficiënt of performance) van ten minste 4 en een gesloten bodemwarmtewisselaar of aquifer opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte op een zodanige wijze dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend; 8°. 8°. warmte-, onderscheidenlijk koudeopslag, in een aquifer gedurende ten minste een maand; 9°. 9°. het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen van centrale bijstookketels en warmtebuffers ten behoeve van stadsverwarmingprojecten en de verwarming van tuinbouwkassen die thermische energie benutten van elektriciteitsopwekkinginstallaties; h. h. projecten die zijn gericht op: 1°. het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voldoen aan bijlage 1 bij deze regeling en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek; 2°. het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen die voldoen aan bijlage 2 bij deze regeling en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek, of 3°. het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980 en die voldoen aan bijlage 2 bij deze regeling en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek; 4°. het realiseren van utiliteitsgebouwen die voldoen aan bijlage 3 bij deze regeling; 5°. het renoveren van bestaande woningen door de eigenaar-bewoner, waarbij indien hout wordt toegepast dat duurzaam geproduceerd hout is, en waarbij energiebesparende maatregelen worden doorgevoerd, en die voldoen aan één van de volgende niveaus: a. vervallen; b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label; c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie een A label; 1°. 1°. het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voldoen aan bijlage 1 bij deze regeling en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek; 2°. 2°. het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen die voldoen aan bijlage 2 bij deze regeling en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek, of 3°. 3°. het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980 en die voldoen aan bijlage 2 bij deze regeling en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek; 4°. 4°. het realiseren van utiliteitsgebouwen die voldoen aan bijlage 3 bij deze regeling; 5°. 5°. het renoveren van bestaande woningen door de eigenaar-bewoner, waarbij indien hout wordt toegepast dat duurzaam geproduceerd hout is, en waarbij energiebesparende maatregelen worden doorgevoerd, en die voldoen aan één van de volgende niveaus: a. vervallen; b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label; c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie een A label; a. a. vervallen; b. b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label; c. c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie een A label; i. i. projecten die zijn gericht op de realisatie van vrijgelegen dan wel verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die: 1°. de directe bereikbaarheid van transferia bevorderen, 2°. knelpunten opheffen in het recreatieve landelijk fietsroutenet als aangegeven in het Structuurschema Groene Ruimte, bedoeld in artikel 2, onder b, onderdeel 2°, en gelegen zijn buiten de bebouwde kom, 3°. buiten de bebouwde kom gelegen zijn en de directe verbinding vormen tussen: – woonkernen met meer dan 50.000 inwoners en de direct omringende woonkernen en leiden tot een vermindering van de reistijd, – Vinex-locaties en de direct omringende woonkernen, of – een woonkern, waaronder begrepen een verblijfsrecreatieconcentratie, en het landelijk net, bedoeld onder 2°; 1°. 1°. de directe bereikbaarheid van transferia bevorderen, 2°. 2°. knelpunten opheffen in het recreatieve landelijk fietsroutenet als aangegeven in het Structuurschema Groene Ruimte, bedoeld in artikel 2, onder b, onderdeel 2°, en gelegen zijn buiten de bebouwde kom, 3°. 3°. buiten de bebouwde kom gelegen zijn en de directe verbinding vormen tussen: – woonkernen met meer dan 50.000 inwoners en de direct omringende woonkernen en leiden tot een vermindering van de reistijd, – Vinex-locaties en de direct omringende woonkernen, of – een woonkern, waaronder begrepen een verblijfsrecreatieconcentratie, en het landelijk net, bedoeld onder 2°; – – woonkernen met meer dan 50.000 inwoners en de direct omringende woonkernen en leiden tot een vermindering van de reistijd, – – Vinex-locaties en de direct omringende woonkernen, of – – een woonkern, waaronder begrepen een verblijfsrecreatieconcentratie, en het landelijk net, bedoeld onder 2°; j. j. projecten die zijn gericht op het vrijwillig saneren van verontreinigde bodems of waterbodems ter zake waarvan overeenkomstig artikel 29 van de Wet op de bodembescherming is beslist dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van die wet goedkeuring is gegeven aan het saneringsplan en waaraan naar zijn oordeel voorrang moet worden verleend; k. k. andere innovatieve en hoogwaardige projecten die naar zijn oordeel in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. ### Artikel 3 **1.** Een verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor: a. a. een bestaand project; b. b. een project waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan € 22.689; c. c. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig eigen rendement heeft, subsidies van overheden en convenantsmiddelen daaronder begrepen; d. d. een project waarvan het te verwachten economisch rendement in verhouding tot het risico en het milieubelang zodanig is dat het zonder toepassing van deze regeling tot stand kan komen; e. e. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven; f. f. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven; g. g. een project betreffende een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, waarvan de stichtingskosten meer dan € 272.268 bedragen; h. h. een project betreffende een utiliteitsgebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 4°, indien de aanvraag voor een groenverklaring is ingediend voor 1 januari 2005; i. i. een project betreffende een utiliteitsgebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 4°, indien per kalenderjaar reeds voor 50.000 m^2 bruto vloeroppervlak een verklaring is afgegeven; j. j. een project, indien dit tot gevolg zou hebben dat op een bouwwerk gelijktijdig een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 4°, en een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel g of k, van toepassing zou zijn; k. k. een project, waarvoor vanwege de overheid of de Commissie van de Europese Gemeenschappen uit anderen hoofde dan toekenning van een financieel of ander voordeel dat op grond van deze regeling door de projectbeheerder wordt genoten, een zodanig voordeel is of zal worden verstrekt, dat door die toekenning het totale op grond van de communautaire regelgeving toegestane voordeel, zou worden overschreden. **2.** Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel i. **3.** Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel g.3°, g.4°, of g.7°, die worden uitgevoerd op of aan een woning en die worden uitgevoerd voor rekening en risico van de eigenaar-bewoner. ### Artikel 4 **1.** Een verklaring kan slechts worden aangevraagd door en afgegeven worden aan een kredietinstelling of een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die voornemens is in belangrijke mate bij te dragen aan het verstrekken van kredieten ten behoeve van het project dan wel het direct of indirect beleggen van vermogen in het project. **2.** Een aanvraag voor projecten als bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met f, wordt ingediend bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en voor andere projecten bij SenterNovem. **3.** Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is afgegeven kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor de afloop van de geldende verklaring worden ingediend. **4.** De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier dat door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op aanvraag beschikbaar wordt gesteld. **5.** Aan een aanvrager kan worden verzocht een accountantsverklaring te overleggen, waaruit de juistheid of aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens blijkt. ### Artikel 5 **1.** De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslist, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat, op een aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan. **2.** Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder. ### Artikel 6 **1.** De verklaring kan maximaal negen maanden na de afgifte van de verklaring in werking treden en kan niet langer gelden dan de verwachte levensduur van het project en dan een duur van ten hoogste: a. a. tien jaren; b. b. dertig jaren, indien het een project betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, b, c of d; c. c. vijftien jaren, indien het een project betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel g.3°, g.4°, of g.7°, die worden uitgevoerd op of aan een woning en die worden uitgevoerd voor rekening en risico van de eigenaar-bewoner. **2.** De verklaring vermeldt de aard van het project, het projectvermogen, de datum waarop de verklaring in werking treedt en de periode waarvoor de verklaring geldt. **3.** Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 5° en 6°., komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag van: 1°. 1°. ten hoogste € 2.268 per hectare indien het project betrekking heeft op passief beheer; 2°. 2°. ten hoogste € 4.538 per hectare indien het project betrekking heeft op licht beheer; 3°. 3°. ten hoogste € 6.808 per hectare indien het project betrekking heeft op zwaar beheer. **4.** Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 2°, komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag van: 1°. 1°. ten hoogste € 2.268 per hectare voor projecten als bedoeld in de bijlagen 19 tot en met 22 bij de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer; 2°. 2°. ten hoogste € 4.538 per hectare voor projecten als bedoeld in de bijlagen 15 tot en met 17, 24 tot en met 30, 32 en 45 bij de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer; 3°. 3°. ten hoogste € 6.808 per hectare voor projecten als bedoeld in de bijlagen 6 tot en met 14, 18, 23 en 41 tot en met 43 bij de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. **5.** In afwijking van het vierde lid komen projecten die betrekking hebben op beheerspakketten als bedoeld in de bijlagen 19 tot en met 22 bij de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, waarvan de bijbehorende subpakketten inhoudelijk gelijk zijn aan een gelijknamig beheerspakket als bedoeld in de bijlagen 12 tot en met 18 bij die regeling, in aanmerking voor een bedrag dat gelijk is aan het bij die beheerspakketten behorende bedrag, genoemd in de bijlagen 12 tot en met 18 bij die regeling. **6.** Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°, komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag van ten hoogste € 100 per m^2 kasoppervlak, exclusief de kosten voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht of de kosten van een warmptepomp en/of warmte en koudeopslag. **7.** Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 4°, komt voor een verklaring in aanmerking een bedrag van ten hoogste € 400 per m^2 bruto vloeroppervlak. **8.** Ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 4°, komt voor een verklaring in aanmerking maximaal 5000 m^2 bruto vloeroppervlak per project. **9.** Het projectvermogen van een project onder artikel 2, onderdeel k, wordt, indien het meer bedraagt dan € 25.000.000, beperkt tot dat bedrag, tenzij bij besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met de Minister van Financiën anders is bepaald. **10.** Het projectvermogen kan niet meer bedragen dan het bedrag dat op grond van het mededingingsbeleid van de Europese Unie is toegestaan. **11.** Voor een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1°, 2° of 3°, komt ten hoogste een bedrag van € 34.034 voor een verklaring in aanmerking. **12.** Het projectvermogen kan, indien het meer bedraagt dan € 34.033.516, tot dat bedrag worden beperkt. **13.** De verklaring voor een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, e, f, g, h.1° t/m h.4°, i, j of k vervalt indien binnen 2 jaar na de dag van afgifte van een verklaring geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden. **14.** In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen. **15.** Voor een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 5°, komt voor een verklaring in aanmerking: a. a. vervallen; b. b. een bedrag van maximaal € 50.000 voor projecten die voldoen aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 5°, onder b; c. c. een bedrag van maximaal € 100.000 voor projecten die voldoen aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 5°, onder c. ### Artikel 7 Indien het projectvermogen meer bedraagt dan € 25 000 000, of het bedrag dat met de verklaring, bedoeld in artikel 2, mogelijk als een financieel of ander voordeel kan worden verworven, meer bedraagt dan € 5 000 000, meldt de Minister het project overeenkomstig artikel 88, derde lid, van het EG-verdrag aan bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen. ### Artikel 8 **1.** De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat, de verklaring intrekken indien: a. a. de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest; b. b. blijkt dat de uitvoering van het project in aanzienlijke mate afwijkt van het project op grond waarvan de verklaring is afgegeven; c. c. blijkt dat de projectbeheerder de vermogenstoestand van het project niet afzonderlijk administreert; d. d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in de verklaring zijn opgenomen; e. e. de melding, bedoeld in artikel 8, niet onverwijld is geschied; f. f. bij projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 5°, de werkzaamheden niet zijn beëindigd binnen twee jaar na de dag waarop de hypotheekakte werd gepasseerd dan wel de leenovereenkomst werd gesloten. **2.** Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben. **3.** Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager. **4.** Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder en de inspecteur. ### Artikel 9 Indien de uitvoering van een project wordt gewijzigd doet de instelling die kapitaal verschaft ten behoeve van een project waarvoor een verklaring is afgegeven, daarvan onverwijld melding aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. ### Artikel 10 Ten behoeve van de vaststelling van een verklaring van de daartoe van belang zijnde gegevens en van de daaraan verbonden rechten en plichten is ten aanzien van de kredietinstelling of beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de projectbeheerder hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, waarbij de aldaar jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen mede gelden jegens de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen personen. ### Artikel 11 **1.** De in artikel 2, onderdeel g, onder 2°, gegeven verwijzing naar NVN-norm 11400-0, heeft betrekking op de laatst uitgegeven NVN-norm, met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de uitgifte heeft plaatsgevonden. **2.** Met de in deze regeling bedoelde normen, meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten, worden gelijkgesteld normen, meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten die worden toegepast in een andere staat en die ten minste een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden dan wel indien het verklaringen en certificaten betreft, deze zijn afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd. ### Artikel 12 **1.** De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat, een verklaring afgeven voor: a. a. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°, van de Regeling groenprojecten 2002, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, indien een aanvraag daartoe binnen twee weken na de datum van inwerkingtreding van deze regeling wordt ingediend en voor dit project een bouwvergunning is afgegeven die rechtsgeldig is ten tijde van de aanvraag en waarvoor de verplichting tot levering van de kas voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling is aangegaan; b. b. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van de Regeling groenprojecten 2002, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, indien een aanvraag daartoe binnen negen weken na de datum van inwerkingtreding van deze regeling wordt ingediend en waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling een aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend; c. c. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van de Regeling groenprojecten 2005, zoals deze luidde voor de datum van inwerkingtreding van de regeling groenprojecten 2006, indien een aanvraag daartoe binnen twaalf weken na de datum van inwerkingtreding van deze regeling wordt ingediend en waarvoor voor 1 januari 2006 een aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend. **2.** Aan een verklaring voor een project als bedoeld in het eerste lid, onder a, is de voorwaarde verbonden dat binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning een begin met de uitvoering van de bouwwerkzaamheden wordt gemaakt. ### Artikel 13 **1.** De Regeling groenprojecten 2002 wordt ingetrokken. **2.** De regeling, genoemd in het eerste lid, blijft van toepassing op projecten waaarvoor voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling een aanvraag voor een verklaring is ingediend. ### Artikel 14 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. ### Artikel 15 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling groenprojecten 2005. ## Bijlage 1. behorende bij ## Bijlage 2. behorende bij ## Bijlage 3. behorende bij