--- titel: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies bwb_id: BWBR0035474 type: ministeriele-regeling status: geldend datum_inwerkingtreding: '2026-02-02' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0035474 citeertitel: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies --- # Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies ## Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ### Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder: - *afzet van landbouwproducten:* afzet van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 8, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 35, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 38, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; - *algemene de-minimisverordening:* verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; - *algemene groepsvrijstellingsverordening:* verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); - *besluit:* Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies; - *daadwerkelijke samenwerking:* daadwerkelijke samenwerking als bedoeld in artikel 2, onderdeel 90, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader; - *energie uit hernieuwbare energiebronnen:* energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 109, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 35, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; - *energie-efficiëntie:* energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 103, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 31, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; - *experimentele ontwikkeling:* experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder k, van het O&O&I-steunkader; - *fundamenteel onderzoek:* fundamenteel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 84, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder n, van het O&O&I-steunkader; - *groepsvrijstellingsverordening landbouw:* verordening (EU) nr. 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327); - *groepsvrijstellingsverordening visserij:* verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327); - *grote onderneming:* onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *haalbaarheidsstudie:* haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder l, van het O&O&I-steunkader; - *hernieuwbare energiebronnen:* hernieuwbare energie als bedoeld in paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 69 van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; - *hooggekwalificeerd personeel:* hooggekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 93, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder p, van het O&O&I-steunkader; - *industrieel onderzoek:* industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder r, van het O&O&I-steunkader; - *innovatieadviesdiensten:* innovatieadviesdiensten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 94, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder s, van het O&O&I-steunkader; - *IPCEI-steunkader:* Mededeling van de Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, PBEU 2021 C 528/02; - *kleine onderneming:* kleine onderneming in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *klimaat, milieu- en energiesteunkader:* Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 nr. 2022/C 80/01 (PbEU 2022, C 80); - *landbouw de-minimisverordening:* verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352); - *landbouwonderneming:* onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt; - *landbouwproduct:* product als bedoeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met uitzondering van een visserijproduct of een aquacultuurproduct vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PbEU 2013, L 354); - *landbouwsteunkader:* Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485); - *middelgrote onderneming:* middelgrote onderneming in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening; a. *minister:* a. Minister van Economische Zaken, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f en g, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft; b. Minister van Klimaat en Groene Groei, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en h, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft; of c. Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft; a. a. Minister van Economische Zaken, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f en g, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft; b. b. Minister van Klimaat en Groene Groei, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en h, en tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft; of c. c. Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voor zover het een subsidie als bedoeld in artikel 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies betreft; - *MKB-ondernemer:* ondernemer die een kleine onderneming of een middelgrote onderneming in stand houdt; - *O&O&I-steunkader:* Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414); - *organisatie-innovatie:* organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *primaire landbouwproductie:* primaire landbouwproductie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 44, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw en deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 46, van het landbouwsteunkader; - *procesinnovatie:* procesinnovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 97, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *tijdelijk crisiskader:*Tijdelijk crisis- en transitiekader voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de economie na de Russische agressie tegen Oekraïne (PbEU 2023, C 101); - *Unienorm:* Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 89, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; - *universiteit:* onder a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs, alsmede een onder i van de bijlage van die wet genoemd academisch ziekenhuis; - *verklaring de-minimissteun:* verklaring van de subsidieaanvrager waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening; - *verklaring landbouw de-minimissteun:* verklaring van de subsidieaanvrager waarin deze bevestigt dat subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de landbouw de-minimisverordening; - *verwerking van landbouwproducten:* verwerking van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onderdeel 45, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 33, onder 47, van het landbouwsteunkader en artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de algemene de-minimisverordening; - *visserijsteunkader:* Richtsnoeren voor staatssteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU 2023, C 107). ### Artikel 1.2 **1.** Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het besluit, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 1.1. **2.** Als rapport als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het besluit, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU 2006, L 391) en, indien de subsidieontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport. ### Artikel 1.3 Vervallen ### Artikel 1.4 De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, bedraagt 50 procent van de loonkosten. ### Artikel 1.5 De accountant of accountant-administratiefconsulent controleert en stelt de controleverklaring vast met inachtneming van de voorschriften, gesteld in bijlage 1.3. ### Artikel 1.6 Vervallen ### Artikel 1.7 **1.** In aanvulling op artikel 10, vierde lid, van het besluit, worden, indien de subsidie valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk het landbouwsteunkader, respectievelijk de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk het visserijsteunkader: a. a. de in aanmerking komende kosten berekend en gestaafd met bewijsstukken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 87, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 85, van het visserijsteunkader; b. b. indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd, de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, vijfde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdelen 90 en 91, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 88, van het visserijsteunkader; c. c. indien de steun wordt toegekend in de vorm van belastingvoordelen, de steuntranches gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, respectievelijk artikel 7, zesde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2.3, onderdeel 92, van het landbouwsteunkader, respectievelijk artikel 7, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, respectievelijk deel I, paragraaf 3.2, onderdeel 89, van het visserijsteunkader. **2.** In aanvulling op artikel 10, vierde lid, van het besluit, worden, indien de subsidie valt onder het O&O&I-steunkader, respectievelijk het klimaat, milieu- en energiesteunkader: a. a. de in aanmerking komende kosten berekend overeenkomstig paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder c, van het O&O&I-steunkader, respectievelijk paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 2, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader; b. b. indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd, de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder c, van het O&O&I-steunkader, respectievelijk paragraaf 2.4, onderdeel 19, onder 2, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader. ### Artikel 1.8 **1.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en b. b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000, of voor steun vervat in door het InvestEU-fonds krachtens deel 16 van de algemene groepsvrijstellingsverordening ondersteunde financiële producten, meer dan € 500.000, of voor niet onder deel 2 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening vallende begunstigden die in de primaire landbouwproductie of in de visserij en de aquacultuur actief zijn, meer dan € 10.000. **2.** Het eerste lid is niet van toepassing, indien het staatssteun betreft die gerechtvaardigd wordt door projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20 bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening, of door projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling als bedoeld in artikel 19 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de artikelen 16, 21 bis of 22 van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt gerechtvaardigd, worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geacht te zijn bekendgemaakt indien de individuele steunbedragen bekend zijn gemaakt volgens de tranches, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **4.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening landbouw wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, en b. b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of 2°. € 100.000 voor begunstigden die actief zijn in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector, of die activiteiten uitoefenen die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. 1°. 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of 2°. 2°. € 100.000 voor begunstigden die actief zijn in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector, of die activiteiten uitoefenen die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. **5.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. a. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening visserij; en b. b. de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000. **6.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het O&O&I-steunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 3.2.4, onderdeel 100, van het O&O&I-steunkader, bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000. **7.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het landbouwsteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. a. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het landbouwsteunkader, en b. b. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of 2°. € 100.000 voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. 1°. 1°. € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie, of 2°. 2°. € 100.000 voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen. **8.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het klimaat, milieu- en energiesteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 3.2.1.4, onderdeel 58, van het klimaat, milieu- en energiesteunkader, bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000. **9.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die wordt gerechtvaardigd door de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I), maakt de minister na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in paragraaf 4, onderdeel 103, van die kaderregeling. **10.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het IPCEI-steunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens, bedoeld in paragraaf 4.3, onderdeel 48, van het IPCEI-steunkader bekend, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 100.000. **11.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatsteun bevat die wordt gerechtvaardigd door het tijdelijk crisiskader, maakt de minister na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in paragraaf 3, onderdeel 87, van het tijdelijk crisiskader. **12.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door het visserijsteunkader wordt gerechtvaardigd, maakt de minister binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de volgende gegevens bekend: a. a. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 105, onder a en b, van het visserijsteunkader, en b. b. de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 105, onder c, van het visserijsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000. **13.** De gegevens, bedoeld in het eerste, en derde tot en met twaalfde lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar. ### Artikel 1.9 **1.** Indien een geheel of gedeeltelijk van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie deelneemt aan een project dat wordt uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, sluiten de deelnemers voorafgaand aan het project een overeenkomst over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. **2.** Indien een project als bedoeld in het eerste lid gezamenlijk door ondernemingen en van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren wordt uitgevoerd, legt de penvoerder de afspraken voor aan de minister, tenzij: a. a. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van het project dragen; b. b. de resultaten van de samenwerking die geen intellectuele eigendomsrechten opleveren, breed kunnen worden verspreid en alle intellectuele eigendomsrechten die de activiteiten van de onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur opleveren, volledig worden toegekend aan die entiteiten; c. c. uit het project ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten aan de verschillende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen, of d. d. de van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisaties of onderzoeksinfrastructuren een vergoeding ontvangen die gelijkwaardig is aan de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die uit hun activiteiten ontstaan en worden toegewezen aan de deelnemende ondernemingen of waartoe de deelnemende ondernemingen toegangsrechten kregen toegewezen. **3.** Op de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, kan het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de van overheidswege gefinancierde onderzoeksorganisatie of onderzoeksinfrastructuur die de betrokken intellectuele-eigendomsrechten hebben opgeleverd, in mindering worden gebracht. **4.** Indien uit de aan de minister op basis van het tweede lid voorgelegde afspraken blijkt dat sprake is van staatssteun als gevolg van de overdracht van kennis of andere resultaten uit activiteiten, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het in de beschikking tot subsidieverlening aangegeven bedrag dat ten hoogste mag worden verstrekt ingevolge een Europees steunkader. ### Artikel 1.10 **1.** De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken indien hij de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening heeft opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag. **2.** De minister kan de openstelling beperken tot bepaalde activiteiten, categorieën van aanvragers of een bepaald aantal aanvragen. **3.** De minister kan verschillende subsidieplafonds vaststellen voor verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers. ## Hoofdstuk 2. Agro, natuur en visserij ### Titel 2.1. Algemene bepaling ### Artikel 2.1.1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60. ### Artikel 2.1.2 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *glasopstand:* kas en toebehorende installaties; - *glastuinbouwonderneming:* landbouwonderneming met glasopstanden; - *vervangingsinvestering:* investering voor het eenvoudige vervangen van een bestaand gebouw of een bestaande machine, of delen daarvan, door een nieuw modern gebouw of een nieuwe moderne machine, zonder dat daarbij de productiecapaciteit met meer dan 25% wordt verhoogd of de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt gewijzigd. ### Artikel 2.1.3 Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidie die staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd indien: a. a. sprake is van verrichtingen of activiteiten als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening visserij; of b. b. de aanvrager activiteiten heeft verricht als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel f, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. ### Artikel 2.1.4 **1.** Indien een subsidie die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, leeft de subsidieontvanger de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid na. **2.** Indien een subsidie voor een vissersvaartuig die op grond van deze regeling wordt verleend, staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd, wordt het vissersvaartuig niet binnen vijf jaar na de datum van de laatste betaling naar buiten de Europese Unie overgedragen of omgevlagd. ### Artikel 2.1.5 **1.** Indien de subsidieontvanger de in artikel 2.1.4, eerste lid, bedoelde regels niet naleeft, wordt de subsidieverlening of de subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd, in verhouding tot de ernst van de inbreuk. **2.** Indien de subsidieontvanger de in artikel 2.1.4, tweede lid, bedoelde verplichting niet naleeft, wordt de subsidieverlening of de subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger gewijzigd, naar rato van de periode waarin niet aan die verplichting is voldaan. ### Titel 2.2. Brongerichte verduurzaming van stallen en managementmaatregelen #### Paragraaf 2.2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 2.2.1 Vervallen #### Paragraaf 2.2.2. Investering in niet-bewezen innovaties ##### Paragraaf 2.2.2.1. Algemeen ### Artikel 2.2.2 Vervallen ### Artikel 2.2.3 Vervallen ### Artikel 2.2.3a Vervallen ### Artikel 2.2.4 Vervallen ### Artikel 2.2.5 Vervallen ### Artikel 2.2.6 Vervallen ### Artikel 2.2.7 Vervallen ### Artikel 2.2.8 Vervallen ### Artikel 2.2.9 Vervallen ##### Paragraaf 2.2.2.2. Onderzoeks- en ontwikkelingsfase ### Artikel 2.2.10 Vervallen ### Artikel 2.2.11 Vervallen ### Artikel 2.2.12 Vervallen ### Artikel 2.2.13 Vervallen ### Artikel 2.2.14 Vervallen ##### Paragraaf 2.2.2.3. Emissiemetingenfase ### Artikel 2.2.15 Vervallen ### Artikel 2.2.16 Vervallen ### Artikel 2.2.17 Vervallen ### Artikel 2.2.18 Vervallen ### Artikel 2.2.19 Vervallen ### Artikel 2.2.20 Vervallen ##### Paragraaf 2.2.2.4. De resterende productieve levensduurfase ### Artikel 2.2.21 Vervallen ### Artikel 2.2.22 Vervallen ### Artikel 2.2.23 Vervallen ### Artikel 2.2.24 Vervallen ### Artikel 2.2.25 Vervallen ### Artikel 2.2.26 Vervallen #### Paragraaf 2.2.3. Investering in bewezen innovaties ### Artikel 2.2.27 Vervallen ### Artikel 2.2.27a Vervallen ### Artikel 2.2.28 Vervallen ### Artikel 2.2.29 Vervallen ### Artikel 2.2.30 Vervallen ### Artikel 2.2.31 Vervallen ### Artikel 2.2.32 Vervallen ### Artikel 2.2.33 Vervallen ### Artikel 2.2.34 Vervallen ### Artikel 2.2.34a Vervallen ### Artikel 2.2.35 Vervallen ### Artikel 2.2.36 Vervallen ### Artikel 2.2.36a Vervallen ### Artikel 2.2.37 Vervallen #### Paragraaf 2.2.4. Slotbepaling ### Artikel 2.2.38 Vervallen ### Titel 2.3. Energie-efficiëntie glastuinbouw ### Artikel 2.3.1 Vervallen ### Artikel 2.3.2 **1.** De minister verstrekt aan een glastuinbouwonderneming of aan een glastuinbouwonderneming in een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen op aanvraag subsidie voor de hierna opgesomde apparatuur, installaties of machines: a. a. een tweede energiescherm bij bestaande bouw of een derde energiescherm; b. b. een fysieke aansluiting op een extern warmtenet of op een doorkoppeling van warmte tussen twee verwarmingsinstallaties van een of meerdere kassen; c. c. de fysieke aansluiting op een biogas- of kooldioxide-netwerk of -cluster; d. d. luchtbehandelingssysteem waarmee energiezuinig kaslucht wordt ontvochtigd; e. e. hogedruk verneveling installatie ten behoeve van kaskoeling; f. f. energiescherm inclusief ophogen kas en verdekken met diffuus glas met tweezijdige AR-coating; g. g. vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting in bestaande kassen of installatie van LED-belichting in nieuwbouwkassen en onbelichte bestaande kassen. **2.** Geen subsidie wordt verstrekt voor: a. a. gevelschermen, energieschermen waarvan het gebruik een energiebesparing van minder dan 45% tot gevolg heeft, lichtdoorlatende energieschermen met een lichtafscherming van meer dan 25%, een tweede of derde energiescherm als het eerste en tweede energiescherm elk een energiebesparing van minder dan 35% tot gevolg heeft; b. b. apparatuur, installaties of machines die al gebruikt zijn; c. c. vervangingsinvesteringen; d. d. investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa; e. e. investeringen met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen in de zin van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140); f. f. investeringen in installaties voor de productie van hernieuwbare energie; g. g. investeringen die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving; h. h. investeringen met betrekking tot irrigatie op nieuwe en bestaande geïrrigeerde arealen; i. i. SON-T vervanging door LED-belichting: 1°. indien het totale geïnstalleerd vermogen aan LED-belichting in een kas na installatie van de investering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, meer is dan 70 procent van het in bijlage 2.3.1 opgenomen vermogen van SON-T voor het gewas; 2°. waarvan de specifieke lichtstroom minder is dan 3,00 micromol fotonen per seconde per Watt; 3°. indien niet is aangetoond dat de geïnstalleerde LED-belichting voldoet aan: – de voorwaarden gesteld in artikel 6.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en buiten de golflengte van 380–800 nm ligt; – de voorwaarden gesteld op grond van de richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico's van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG), alsmede op grond van NEN-EN-IEC 62471:2008 en NEN-EN-IEC 62031:2020; 4°. waarvan het spectrum minder dan 5 procent licht met een golflengte van 500–600 nm bevat; of 5°. indien de installatie van de vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting in bestaande kassen leidt tot een hoger geïnstalleerd lichtvermogen in de desbetreffende kas; 6°. waarbij het LED armatuur geen mogelijkheid tot dimmen van het vermogen heeft. 1°. 1°. indien het totale geïnstalleerd vermogen aan LED-belichting in een kas na installatie van de investering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, meer is dan 70 procent van het in bijlage 2.3.1 opgenomen vermogen van SON-T voor het gewas; 2°. 2°. waarvan de specifieke lichtstroom minder is dan 3,00 micromol fotonen per seconde per Watt; 3°. 3°. indien niet is aangetoond dat de geïnstalleerde LED-belichting voldoet aan: – de voorwaarden gesteld in artikel 6.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en buiten de golflengte van 380–800 nm ligt; – de voorwaarden gesteld op grond van de richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico's van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG), alsmede op grond van NEN-EN-IEC 62471:2008 en NEN-EN-IEC 62031:2020; – – de voorwaarden gesteld in artikel 6.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en buiten de golflengte van 380–800 nm ligt; – – de voorwaarden gesteld op grond van de richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico's van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG), alsmede op grond van NEN-EN-IEC 62471:2008 en NEN-EN-IEC 62031:2020; 4°. 4°. waarvan het spectrum minder dan 5 procent licht met een golflengte van 500–600 nm bevat; of 5°. 5°. indien de installatie van de vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting in bestaande kassen leidt tot een hoger geïnstalleerd lichtvermogen in de desbetreffende kas; 6°. 6°. waarbij het LED armatuur geen mogelijkheid tot dimmen van het vermogen heeft. j. j. subsidieaanvragen die worden ingediend vanaf 1 december 2023 en maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik betreffen waartoe bedrijven verplicht zijn volgens artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; k. k. investeringen door ondernemingen die niet kwalificeren als kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als bedoeld in deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 56, van het landbouwsteunkader, en waarbij voor het aangevraagde subsidiebedrag geldt dat dit hoger is dan het minimum dat nodig is om het project voldoende winstgevend te maken; l. l. hoge druk vernevelingsinstallatie ten behoeve van kaskoeling, met een druppelgrootte van meer dan 5 micrometer; m. m. investeringen met betrekking tot de fysieke aansluiting na een warmte-afleverstation in het warmtenet, waarbij de aansluiting per hectare minder is dan 50 kW of meer dan 450 kW. **3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel i: a. a. worden het lichtvermogen, de specifieke lichtstroom en het spectrum van de LED-belichting gemeten overeenkomstig IES LM-79-19 of een gelijkwaardig protocol; b. b. worden het lichtvermogen, de specifieke lichtstroom en het spectrum van de LED-belichting gemeten door een geaccrediteerde instelling, waarbij elektrische en fotometrische metingen specifiek binnen de reikwijdte van de accreditatie vallen; en c. c. wordt door een geaccrediteerde instelling vastgesteld dat voldaan is aan de voorwaarden, genoemd in het tweede lid, onderdeel i, onder 3°, waarbij het testen en beoordelen van de veiligheid van belichting voor het menselijk oog specifiek binnen de reikwijdte van de accreditatie vallen. ### Artikel 2.3.3 **1.** De minister verstrekt subsidie voor een investering als bedoeld in artikel 2.3.2, indien de investering ten minste gericht is op één van de doelstellingen, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 152, onder a en b, van het landbouwsteunkader. **2.** De glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming in een samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien: a. a. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voor de aanschaf, de bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, een overeenkomst heeft gesloten met de bouwer of leverancier, waarin is aangegeven welke apparatuur, installatie of machine zal worden aangeschaft, gebouwd of geleverd, en, indien de overeenkomst betrekking heeft op een installatie, wat de maximale en werkelijke capaciteit van de installatie is; b. b. de aanschaf, bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, tegen marktconforme voorwaarden zal plaatsvinden, blijkend uit een duidelijke kostenspecificatie in de overeenkomst waaruit volgt wat de kostenposten zijn voor iedere afzonderlijke investering voor de aanschaf, bouw of levering van de apparatuur, installaties of machines; c. c. in de overeenkomst een ontbindende voorwaarde is opgenomen waaruit volgt dat de overeenkomst wordt ontbonden voor zover geen subsidie wordt verleend aan de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voor de desbetreffende investering; d. d. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is ingeschreven; e. e. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband voldaan heeft aan artikel 24, tweede lid, van de Landbouwwet, indien aan hem op grond van artikel 24, eerste lid, van die wet door de minister beschrijvingsbiljetten zijn uitgereikt of gezonden, voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn; 1°. 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of 2°. 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn; f. f. de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband een emissieaangifte als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO_2-emissies glastuinbouw heeft ingediend voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of 2°. het jaar voorafgaand daaraan, indien de gegevens voor de aangifte van het jaar waarin de subsidie is aangevraagd nog niet beschikbaar zijn. 1°. 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd, of 2°. 2°. het jaar voorafgaand daaraan, indien de gegevens voor de aangifte van het jaar waarin de subsidie is aangevraagd nog niet beschikbaar zijn. **3.** De glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband houdt voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, b of c, waarvoor de subsidie wordt verstrekt een ordelijke administratie bij waaruit, indien verzocht, de volgende documenten kunnen worden overgelegd: a. a. een kopie van de laatste jaarafrekening respectievelijk jaarafrekeningen waarop het energieverbruik van de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband staat voor de installatie, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, en b. b. een kaart met daarop ingetekend de totale oppervlakte van de betrokken opstand en met daarop gearceerd ingetekend de oppervlakte waarop de investering betrekking heeft inclusief opgave van de lengte van de voorziening in meters en de afstand tussen de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband en het netwerk in meters voor investeringen als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b of c. **4.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is twee jaar en zes maanden. **5.** Binnen de termijn, genoemd in het vierde lid,: a. a. voldoet de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband aan wie op grond van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet door de minister beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt of gezonden, telkens aan artikel 24, tweede lid, van die wet voor in ieder geval het jaar waarin de gegevens zijn opgevraagd, en b. b. dient de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband jaarlijks een emissieaangifte in als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO_2-emissies. **6.** De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, en het vijfde lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming of een glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband waarop titel 16.2 van de Wet milieubeheer van toepassing is. **7.** Binnen 5 jaar na het verlenen van de subsidie wordt het geïnstalleerde lichtvermogen in de desbetreffende kas niet verhoogd. **8.** Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 2.3.2, derde lid, van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 2.3.3a Een glastuinbouwonderneming of een glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband kan per investering als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, één aanvraag indienen. ### Artikel 2.3.4 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.1.2, onderdeel 51 van het landbouwsteunkader. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. indien van toepassing de topsector waarbinnen het project wordt uitgevoerd; d. d. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen. **3.** De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een kopie van de door beide partijen getekende overeenkomst, bedoeld in artikel 2.3.3, tweede lid. **4.** Met ingang van 1 december 2023 gaat de aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van een kopie van de door de aanvrager bij RVO aangeleverde rapportage in het kader van artikel 5.15a of 5.15b van het Besluit activiteiten leefomgeving en indien van toepassing ook artikel 3.84a, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. **5.** Aanvragers die niet kwalificeren als kleine, middelgrote of micro-ondernemingen als bedoeld in deel I, paragraaf 2.4, onderdeel 56, van het landbouwsteunkader overleggen een onderbouwing, inclusief bewijsstukken, waarmee aangetoond wordt dat het aangevraagde subsidiebedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de uitvoering van de investering, vergeleken met het nulscenario waarin geen subsidie wordt verleend. Deze onderbouwing wordt desgevraagd overlegd zodra de desbetreffende aanvraag tot subsidieverlening als volledig is beoordeeld. ### Artikel 2.3.5 **1.** De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. **2.** Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, toegevoegd. ### Artikel 2.3.6 **1.** De kosten, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 153, onder a en b, van het landbouwsteunkader, komen in aanmerking voor de subsidie. **2.** Onverminderd het eerste lid komen de kosten voor de fysieke aansluiting, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdelen b en c, voor subsidie in aanmerking, voor zover deze kosten bestaan uit de werkelijke kosten voor materialen en aanleg van deze aansluiting, zoals de kosten voor buizen, verdeelstukken, pomp- en leidingenwerk, graafwerkzaamheden en overige toebehoren. **3.** Bij de kosten voor de verwerving van onroerende zaken zijn inbegrepen de daaraan verbonden kosten van overdrachtsbelasting, notariële kosten en de kosten van inschrijving bij het kadaster. **4.** Voor de subsidie komen niet in aanmerking kosten voor de verwerving van onroerende zaken met uitzondering van grond, ten behoeve waarvan subsidie door een bestuursorgaan is verleend in de periode van tien jaar voorafgaand aan de ontvangstdatum van de aanvraag tot subsidieverlening. **5.** Voor de subsidie komen niet in aanmerking de kosten, genoemd in deel II, paragraaf 1.1.1.1, onderdeel 154 van het landbouwsteunkader. **6.** De maximale subsidiabele kosten per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak bedragen voor: a. a. een tweede energiescherm als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a: 1°. € 7; 2°. € 8, voor zover het totaal aantal vierkante meters geïnstalleerd kasoppervlak minder dan 4 hectare bedraagt; 1°. 1°. € 7; 2°. 2°. € 8, voor zover het totaal aantal vierkante meters geïnstalleerd kasoppervlak minder dan 4 hectare bedraagt; b. b. een luchtbehandelingssysteem als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d, € 30; c. c. een vernevelingsinstallatie als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel e, € 4; d. d. het plaatsen van een energiescherm inclusief ophogen kas en verdekken met diffuus glas met tweezijdige AR-coating als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f, € 41. **7.** De maximale subsidiabele kosten voor vervanging van alle aanwezige SON-T belichting door LED-belichting of installatie van LED-belichting in nieuwbouwkassen en onbelichte bestaande kassen als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel g, bedragen € 0,35 per micromol per seconde per vierkante meter geïnstalleerd kasoppervlak. ### Artikel 2.3.7 **1.** De subsidie bedraagt 20% van de subsidiabele kosten. **2.** De subsidie bedraagt ten minste € 2.500 per aanvraag en voor de apparatuur, installaties of machines, bedoeld in: a. a. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel a, ten hoogste € 250.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; b. b. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel b, ten hoogste € 150.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; c. c. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel c, ten hoogste € 50.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; d. d. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel d, ten hoogste € 375.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; e. e. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel e, ten hoogste € 100.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; f. f. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel f, ten hoogste € 500.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband; g. g. artikel 2.3.2, eerste lid, onderdeel g, ten hoogste € 500.000 per glastuinbouwonderneming of glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband. ### Artikel 2.3.8 De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregelen SA.50448 (2018/N), SA.59823 (2020/N) en SA.106646 (2023/N) en paragraaf 1.1.1.1. van het landbouwsteunkader. ### Artikel 2.3.9 Deze titel en bijlage 2.3.1 vervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Artikel 2.3.10 De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2., bevat staatssteun en wordt niet eerder verleend dan nadat de Europese Commissie goedkeuring heeft gegeven voor deze regeling in een procedure als bedoeld in artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. ### Titel 2.4. Agrarische bedrijfsadvisering en educatie #### Paragraaf 2.4.1. Algemene bepalingen ### Artikel 2.4.1 Vervallen ### Artikel 2.4.2 Vervallen #### Paragraaf 2.4.2. Verstrekking van advies- en cursusvoucher aan een landbouwonderneming ### Artikel 2.4.3 Vervallen ### Artikel 2.4.4 Vervallen ### Artikel 2.4.5 Vervallen ### Artikel 2.4.6 Vervallen ### Artikel 2.4.7 Vervallen #### Paragraaf 2.4.3. Verstrekking subsidie aan een kennisinstelling of erkende bedrijfsadviseur ### Artikel 2.4.8 Vervallen ### Artikel 2.4.9 Vervallen ### Artikel 2.4.10 Vervallen ### Artikel 2.4.11 Vervallen ### Artikel 2.4.12 Vervallen ### Artikel 2.4.13 Vervallen #### Paragraaf 2.4.4. Verstrekking van opleidingsvoucher aan een bedrijfsadviseur ### Artikel 2.4.14 Vervallen ### Artikel 2.4.15 Vervallen ### Artikel 2.4.16 Vervallen ### Artikel 2.4.17 Vervallen ### Artikel 2.4.18 Vervallen #### Paragraaf 2.4.5. Verstrekking subsidie aan een kennisinstelling ### Artikel 2.4.19 Vervallen ### Artikel 2.4.20 Vervallen ### Artikel 2.4.21 Vervallen ### Artikel 2.4.22 Vervallen ### Artikel 2.4.23 Vervallen #### Paragraaf 2.4.6. Kennisoverdracht ten behoeve van een samenwerkingsverband van landbouwondernemingen ### Artikel 2.4.24 Vervallen ### Artikel 2.4.25 Vervallen ### Artikel 2.4.26 Vervallen ### Artikel 2.4.27 Vervallen ### Artikel 2.4.28 Vervallen ### Artikel 2.4.29 Vervallen ### Artikel 2.4.30 Vervallen ### Artikel 2.4.31 Vervallen ### Artikel 2.4.32 Vervallen #### Paragraaf 2.4.7. Demonstratiebedrijven duurzame landbouw ### Artikel 2.4.33 Vervallen ### Artikel 2.4.34 Vervallen ### Artikel 2.4.35 Vervallen ### Artikel 2.4.36 Vervallen ### Artikel 2.4.37 Vervallen ### Artikel 2.4.38 Vervallen ### Artikel 2.4.39 Vervallen ### Artikel 2.4.40 Vervallen ### Artikel 2.4.41 Vervallen #### Paragraaf 2.4.8. Verstrekken bedrijfsplanvoucher voor omschakeling ### Artikel 2.4.42 Vervallen ### Artikel 2.4.43 Vervallen ### Artikel 2.4.44 Vervallen #### Paragraaf 2.4.9. Verstrekking subsidie aan een erkende bedrijfsadviseur ### Artikel 2.4.45 Vervallen ### Artikel 2.4.46 Vervallen ### Artikel 2.4.47 Vervallen ### Artikel 2.4.48 Vervallen ### Artikel 2.4.49 Vervallen ### Artikel 2.4.50 Vervallen ### Titel 2.5. Borgstelling MKB-landbouw- en visserijkredieten ### Artikel 2.5.1 **1.** In deze titel wordt verstaan onder: - *LV-borgstellingskrediet:* krediet dat overeenkomstig artikel 8 van bijlage 2.5.1 is verleend; - *LV-ondernemer:* MKB-ondernemer die een LV-onderneming in stand houdt; - *LV-onderneming:* landbouwonderneming of onderneming die actief is in de visserij- of aquacultuursector met activiteiten voor de productie van producten als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PbEU 2013, L 354); a. *overnemer:* natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor het eerst voor eigen rekening en risico als MKB-ondernemer een LV-onderneming in stand gaat houden door van een bestaande LV-onderneming: a. zijnde een eenmanszaak, een maatschap of vennootschap onder firma de meerderheidswaarde van de activa in eigendom, pacht of erfpacht te verwerven; b. zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal: 1°. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van die vennootschap direct of indirect te verwerven, en 2°. de overwegende zeggenschap van die vennootschap te verkrijgen zonder op een eerder moment daarvan de enige of overwegende zeggenschap gehad te hebben; a. a. zijnde een eenmanszaak, een maatschap of vennootschap onder firma de meerderheidswaarde van de activa in eigendom, pacht of erfpacht te verwerven; b. b. zijnde een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal: 1°. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van die vennootschap direct of indirect te verwerven, en 2°. de overwegende zeggenschap van die vennootschap te verkrijgen zonder op een eerder moment daarvan de enige of overwegende zeggenschap gehad te hebben; 1°. 1°. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van die vennootschap direct of indirect te verwerven, en 2°. 2°. de overwegende zeggenschap van die vennootschap te verkrijgen zonder op een eerder moment daarvan de enige of overwegende zeggenschap gehad te hebben; a. *starter:* LV-ondernemer zijnde: a. een natuurlijke persoon die niet langer dan drie jaar een LV-onderneming in stand houdt; b. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, waarvan de bestuurder een natuurlijke persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt; a. a. een natuurlijke persoon die niet langer dan drie jaar een LV-onderneming in stand houdt; b. b. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, waarvan de bestuurder een natuurlijke persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt; - *verordening (EU) 2018/848:* Verordening (EU) 2018/848 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150). **2.** Voor de toepassing van deze titel kan de minister een instelling aanwijzen als financier. ### Artikel 2.5.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het sluiten van kredietovereenkomsten met LV-ondernemers die betrekking hebben op LV-borgstellingskredieten. **2.** De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een LV-ondernemer zal verstrekken voor de duur van de kredietovereenkomst. ### Artikel 2.5.3 **1.** Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een LV-ondernemer: a. a. die over voldoende financiële middelen beschikt om zijn LV-onderneming op economisch verantwoorde wijze te drijven; b. b. die een substantieel deel van de activiteiten van de LV-onderneming niet in Nederland uitvoert; of c. c. die een LV-onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de LV-onderneming nog geen heel jaar in stand is gehouden, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: 1°. de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten. 1°. 1°. de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of 2°. 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten. **2.** Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die direct verband houden met: a. a. de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; b. b. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; c. c. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van uitvoer, of d. d. investeringen die niet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Europese Unie en met de nationale milieubeschermingswetgeving. ### Artikel 2.5.4 **1.** Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit bedraagt eenmalig 3 procent. **2.** In afwijking van het eerste lid bedraagt de provisie eenmalig 1 procent indien de overeenkomst van borgtocht een LV-borgstellingskrediet betreft voor een starter of overnemer. ### Artikel 2.5.5 **1.** De minister verdeelt het subsidieplafond door vaststelling van een maximum subsidiebedrag per financier die zich bij de minister heeft aangemeld. **2.** De minister stelt uiterlijk op 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve het maximum subsidiebedrag per financier vast. **3.** De minister verdeelt het subsidieplafond voor de banken, bedoeld in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de verleningen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het model LV-borgstellingsovereenkomst, zoals opgenomen in bijlage 2.5.1. ### Artikel 2.5.6 **1.** Er wordt borg gestaan voor 70 procent van het kredietbedrag. **2.** Onverminderd het eerste lid, bedraagt het krediet waarvoor wordt borg gestaan ten hoogste € 2.500.000. ### Artikel 2.5.7 Het model voor de LV-borgstellingsovereenkomst is opgenomen in bijlage 2.5.1. ### Artikel 2.5.8 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 ten minste: a. a. gegevens over de financier, waaronder de statutaire naam, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de financier, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over de financier, waaronder de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer en het uitwinningsbeleid van krediet. ### Artikel 2.5.9 De subsidie, bedoeld in artikel 2.5.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 2.5.10 Deze titel en bijlage 2.5.1 vervallen met ingang van 31 december 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.6. Garantstelling landbouwondernemingen werkkapitaal ### Artikel 2.6.1 Vervallen ### Artikel 2.6.2 Vervallen ### Artikel 2.6.3 Vervallen ### Artikel 2.6.4 Vervallen ### Artikel 2.6.5 Vervallen ### Artikel 2.6.6 Vervallen ### Artikel 2.6.7 Vervallen ### Artikel 2.6.8 Vervallen ### Artikel 2.6.9 Vervallen ### Artikel 2.6.10 Vervallen ### Artikel 2.6.11 Vervallen ### Titel 2.7. Groen en doen ### Artikel 2.7.1 Vervallen ### Artikel 2.7.2 Vervallen ### Artikel 2.7.3 Vervallen ### Artikel 2.7.4 Vervallen ### Artikel 2.7.5 Vervallen ### Artikel 2.7.6 Vervallen ### Artikel 2.7.7 Vervallen ### Artikel 2.7.8 Vervallen ### Artikel 2.7.9 Vervallen ### Titel 2.8. Genotypering TSE bij schapen ### Artikel 2.8.1 Vervallen ### Artikel 2.8.2 Vervallen ### Artikel 2.8.3 Vervallen ### Artikel 2.8.4 Vervallen ### Artikel 2.8.5 Vervallen ### Artikel 2.8.6 Vervallen ### Artikel 2.8.7 Vervallen ### Artikel 2.8.8 Vervallen ### Titel 2.9. Subsidie kosten vaccinatie pluimvee ter bestrijding van salmonella ### Artikel 2.9.1 Vervallen ### Artikel 2.9.2 Vervallen ### Artikel 2.9.3 Vervallen ### Artikel 2.9.4 Vervallen ### Artikel 2.9.5 Vervallen ### Artikel 2.9.6 Vervallen ### Artikel 2.9.6a Vervallen ### Artikel 2.9.7 Vervallen ### Artikel 2.9.8 Vervallen ### Titel 2.10. Marktintroductie energie-innovaties ### Artikel 2.10.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *kasenergiesysteem:* alle apparatuur, installaties of machines ten behoeve van de energievoorziening van de kas of de beheersing van het kasklimaat; - *kasteeltsysteem:* geheel van maatregelen, technieken en voorzieningen voor de productie, oogst en verwerking van gewassen, niet zijnde een kasenergiesysteem; - *primaire energie:* energie uitgedrukt in hoeveelheid fossiele brandstof berekend op basis van de benodigde productie van de afzonderlijke energiesoorten waaronder in ieder geval elektriciteit en warmte. ### Artikel 2.10.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een glastuinbouwonderneming of een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen voor investeringen in een kas of een kasenergiesysteem: a. a. die tot energie-efficiëntie leiden binnen de regels die in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gesteld; of b. b. die de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen van de glastuinbouwonderneming bevorderen binnen de regels die in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gesteld. **2.** Per glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverband kan één aanvraag worden ingediend voor een investering als bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 2.10.3 **1.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. a. voor investeringen in een kas, indien: 1°. de kas geen diffuus kasdek heeft: – met een lichttransmissie voor PAR-licht die minimaal 73 procent hemisferisch op gewashoogte is; en – waarvan het glas een Haze heeft van minimaal 35 procent; 2°. de kas niet is voorzien van: – minimaal 2 tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar te sluiten energieschermen; – minimaal een energiescherm voor overdag met een lichtdoorlatendheid dat minimaal 70 procent hemisferisch is; en – minimaal een hoogisolerend energiescherm voor de nacht; 3°. de kas op grond van de IDT-methode uit het jaar 2007 geen U-waarde heeft van maximaal 3 in een situatie met gesloten schermen; 1°. 1°. de kas geen diffuus kasdek heeft: – met een lichttransmissie voor PAR-licht die minimaal 73 procent hemisferisch op gewashoogte is; en – waarvan het glas een Haze heeft van minimaal 35 procent; – – met een lichttransmissie voor PAR-licht die minimaal 73 procent hemisferisch op gewashoogte is; en – – waarvan het glas een Haze heeft van minimaal 35 procent; 2°. 2°. de kas niet is voorzien van: – minimaal 2 tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar te sluiten energieschermen; – minimaal een energiescherm voor overdag met een lichtdoorlatendheid dat minimaal 70 procent hemisferisch is; en – minimaal een hoogisolerend energiescherm voor de nacht; – – minimaal 2 tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar te sluiten energieschermen; – – minimaal een energiescherm voor overdag met een lichtdoorlatendheid dat minimaal 70 procent hemisferisch is; en – – minimaal een hoogisolerend energiescherm voor de nacht; 3°. 3°. de kas op grond van de IDT-methode uit het jaar 2007 geen U-waarde heeft van maximaal 3 in een situatie met gesloten schermen; b. b. voor investeringen in een kasenergiesysteem die niet ten minste leiden tot: 1°. 25 procent reductie van CO_2-emissie uit de glasopstanden van de glastuinbouwonderneming; en 2°. 15 procent primaire energiereductie op nationaal niveau; 1°. 1°. 25 procent reductie van CO_2-emissie uit de glasopstanden van de glastuinbouwonderneming; en 2°. 2°. 15 procent primaire energiereductie op nationaal niveau; c. c. voor investeringen in een kas of kasenergiesysteem die respectievelijk dat zich niet in de beginfase van de marktintroductie bevindt; d. d. indien de subsidie aan een glastuinbouwonderneming of per glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband van glastuinbouwondernemingen op grond van artikel 2.10.4 lager zou zijn dan € 125.000; e. e. indien het aannemelijk is dat de activiteiten waar de aanvraag tot subsidieverlening betrekking op heeft in strijd zijn met de toepasselijke wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 2.10.9, derde lid, onderdeel f; f. f. voor investeringen: 1°. in een ketel of kachel gestookt op biomassa niet zijnde een biowarmtekrachtkoppelinginstallatie, vergasser op basis van niet-houtige biomassa of wervelbed ketel; 2°. in een kasteeltsysteem; 3°. in een aardwarmteproject waarvoor eerder op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie subsidie verstrekt is of subsidie kan worden aangevraagd; of 4°. waarvoor eerder op grond van hoofdstuk 4 van deze regeling een subsidie is verstrekt; 1°. 1°. in een ketel of kachel gestookt op biomassa niet zijnde een biowarmtekrachtkoppelinginstallatie, vergasser op basis van niet-houtige biomassa of wervelbed ketel; 2°. 2°. in een kasteeltsysteem; 3°. 3°. in een aardwarmteproject waarvoor eerder op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie subsidie verstrekt is of subsidie kan worden aangevraagd; of 4°. 4°. waarvoor eerder op grond van hoofdstuk 4 van deze regeling een subsidie is verstrekt; g. g. voor investeringen in energie-efficiëntie die betrekking hebben op verbeteringen die worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de glastuinbouwonderneming of de glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband voldoet respectievelijk voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen; h. h. voor investeringen ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen die bestemd zijn voor: 1°. de productie van biobrandstoffen, voor zover de gesteunde investering niet wordt gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen; 2°. biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt; 3°. waterkrachtinstallaties die niet aan richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327) voldoen; 4°. een installatie die niet nieuw is; of 5°. een installatie die al in bedrijf is; 1°. 1°. de productie van biobrandstoffen, voor zover de gesteunde investering niet wordt gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen; 2°. 2°. biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt; 3°. 3°. waterkrachtinstallaties die niet aan richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327) voldoen; 4°. 4°. een installatie die niet nieuw is; of 5°. 5°. een installatie die al in bedrijf is; i. i. indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband niet overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is respectievelijk zijn ingeschreven; j. j. indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband niet voldaan heeft respectievelijk hebben aan artikel 24, tweede lid, van de Landbouwwet, indien aan hem respectievelijk hen op grond van artikel 24, eerste lid, van die wet door de minister beschrijvingsbiljetten zijn uitgereikt of gezonden, voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; of 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn; 1°. 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; of 2°. 2°. het jaar voorafgaand daaraan indien de gegevens van het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd nog niet beschikbaar zijn; k. k. indien de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband geen emissieaangifte als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO_2-emissies glastuinbouw heeft respectievelijk hebben ingediend voor: 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; of 2°. het jaar voorafgaand daaraan, indien de gegevens voor de aangifte van het jaar waarin de subsidie is aangevraagd nog niet beschikbaar zijn. 1°. 1°. het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; of 2°. 2°. het jaar voorafgaand daaraan, indien de gegevens voor de aangifte van het jaar waarin de subsidie is aangevraagd nog niet beschikbaar zijn. **2.** Een kas of kasenergiesysteem bevindt zich niet in de beginfase van de marktintroductie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, indien: a. a. de kas of het kasenergiesysteem wordt toegepast: 1°. op meer dan 5 procent van het potentiële toepassingsareaal, of 2°. op meer dan 5 procent van de daarbij behorende ondernemingen, of 1°. 1°. op meer dan 5 procent van het potentiële toepassingsareaal, of 2°. 2°. op meer dan 5 procent van de daarbij behorende ondernemingen, of b. b. er al op grond van artikel 2.10.2, eerste lid, voor 15 aanvragen voor het desbetreffende type kas of kasenergiesysteem subsidie is verleend. **3.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel h, onder 1°, komt investeringssteun om bestaande installaties voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen om te bouwen tot installaties voor geavanceerde biobrandstoffen wel voor subsidie in aanmerking, indien die op voedingsgewassen gebaseerde productie wordt verminderd naar rato van de nieuwe capaciteit. **4.** De afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel k, is niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen die deelnemen aan een samenwerkingsverband waarop titel 16.2 van de Wet milieubeheer van toepassing is. ### Artikel 2.10.4 De subsidie bedraagt: a. a. 30 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor grote ondernemingen die investeren in energie-efficiëntiemaatregelen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of b. b. 40 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor grote ondernemingen die investeren in de productie van energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of c. c. 40 procent van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 1.500.000: voor middelgrote of kleine ondernemingen die investeren in: 1° energie-efficiëntiemaatregelen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of 2° de productie van energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 1° 1° energie-efficiëntiemaatregelen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of 2° 2° de productie van energie uit hernieuwbare bronnen of hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 2.10.5 **1.** De subsidiabele kosten zijn uitsluitend: a. a. de bijkomende investeringskosten ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of b. b. de investeringskosten ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen, bedoeld in artikel 41, zevende lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, respectievelijk artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: a. a. kosten voor grondaankoop; b. b. kosten verbonden aan het verrichten van haalbaarheidsstudies; c. c. kosten voor een warmtekrachtkoppelingsinstallatie die gebruik maakt van tropische oliën of tropische biomassa, voor zover niet voorzien van duurzaamheidscertificaten; en d. d. kosten voor in de glastuinbouwsector gangbare investeringen. ### Artikel 2.10.6 **1.** De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. **2.** De minister rangschikt aanvragen van subsidie voor kassen en kasenergiesystemen als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger naarmate deze investering naar het oordeel van de minister: a. a. meer bijdraagt aan klimaat-neutrale glastuinbouw door: 1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en 2°. een zo laag mogelijke CO_2-uitstoot; 1°. 1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en 2°. 2°. een zo laag mogelijke CO_2-uitstoot; b. b. meer bijdraagt aan de kennisontwikkeling in de glastuinbouwsector; c. c. meer technisch, teelt-technisch en economisch perspectief heeft; en d. d. gericht is op teelt-technisch of economisch inpasbare systemen die een hoger niveau van ontwikkeling of doorontwikkeling vertegenwoordigen. **3.** Onverminderd het tweede lid rangschikt de minister aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger voor zover deze aanvraag een investering in een kas betreft. **4.** Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, toegevoegd. ### Artikel 2.10.7 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar. ### Artikel 2.10.8 **1.** Binnen de termijn, genoemd in artikel 2.10.7: a. a. voldoet de glastuinbouwonderneming aan wie op grond van artikel 24, eerste lid, van de Landbouwwet door de minister beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt of gezonden, telkens aan artikel 24, tweede lid, van die wet voor in ieder geval het jaar waarin de gegevens zijn opgevraagd; en b. b. dient de glastuinbouwonderneming jaarlijks een emissieaangifte in als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, van de Regeling kostenverevening reductie CO_2-emissies. **2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op een glastuinbouwonderneming als bedoeld in artikel 15.51, tweede lid, onderdeel b, van de Wet milieubeheer. ### Artikel 2.10.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidieverlening ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; en c. c. een begroting waarin de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen. **3.** De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: a. a. een technische beschrijving en onderbouwing van de te subsidiëren activiteiten waaruit blijkt dat: 1°. de investering zal leiden tot energie-efficiëntie of de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen; 2°. indien de investering op een kas betrekking heeft, de kas voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel a; en 3°. de investering, indien deze op een kasenergiesysteem betrekking heeft, zal leiden tot de te bereiken CO_2-reductie en primaire energiereductie, bedoeld in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel b; 1°. 1°. de investering zal leiden tot energie-efficiëntie of de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen; 2°. 2°. indien de investering op een kas betrekking heeft, de kas voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel a; en 3°. 3°. de investering, indien deze op een kasenergiesysteem betrekking heeft, zal leiden tot de te bereiken CO_2-reductie en primaire energiereductie, bedoeld in artikel 2.10.3, eerste lid, onderdeel b; b. b. een nader gespecificeerde begroting van: 1°. de bijkomende investeringskosten, bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen a en b; en 2°. de totale investeringskosten; 1°. 1°. de bijkomende investeringskosten, bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, onderdelen a en b; en 2°. 2°. de totale investeringskosten; c. c. offertes behorend bij de investeringskosten, bedoeld in onderdeel b; d. d. een jaarafrekening van de energieleverancier aan de betrokken glastuinbouwonderneming over het meest recente jaar; e. e. een onderbouwing waaruit blijkt hoe de investering, bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, wordt gefinancierd; en f. f. voor zover van toepassing, de aanvragen voor bescheiden, zoals aanvragen voor vergunningen, waaruit blijkt dat de activiteiten waar de aanvraag tot subsidieverlening betrekking op heeft, uitgevoerd worden met inachtneming van de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn. **4.** De aanvraag tot subsidievaststelling bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; en c. c. de onderbouwing van het vast te stellen subsidiebedrag. **5.** Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van: a. a. een bewijs dat het energiesysteem of de kas waarvoor subsidie is aangevraagd, in gebruik is, respectievelijk zijn genomen; en b. b. een jaarafrekening van de energieleverancier aan de betrokken glastuinbouwonderneming over het meest recente jaar. **6.** De subsidieontvanger verleent tot drie jaar na de subsidievaststelling desgevraagd medewerking aan: a. a. een door de minister geëntameerd onderzoek; of b. b. voorlichting in het kader van het energietransitie-programma Kas als Energiebron. ### Artikel 2.10.10 De subsidie, bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 2.10.11 Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.11. Innovatieprestatiecontracten ten behoeve van een duurzame visserij ### Artikel 2.11.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *visserijactiviteit:* het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, vetmesten en aanlanden van vis en visserijproducten; - *visserijonderneming:* onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten. ### Artikel 2.11.2 **1.** Artikel 3.5.17, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op IPC-projecten die gericht zijn op: a. a. vangstmethoden of vistuigen om selectiever te vissen; b. b. vangstmethoden of vistuigen die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige in de visserij gebruikte methoden of tuigen; c. c. vermindering van de negatieve invloed op klimaat of milieu door visserijactiviteiten; of d. d. andere vangstmethoden of kweekmethoden, die bijdragen aan een duurzame visserij. **2.** Een IPC-verband ten behoeve van een duurzame visserij bestaat, naast de IPC-penvoerder, uit ten minste twee en ten hoogste twintig niet met een andere IPC-deelnemer of de IPC-penvoerder in een groep verbonden MKB-ondernemers, van wie ten minste de helft een visserijonderneming in stand houdt. **3.** De artikelen 3.1.1, 3.5.1, 3.5.2, 3.5.17, eerste lid, 3.5.19, 3.5.20, 3.5.21, 3.5.22, aanhef en onderdelen a, b, d en e, 3.5.25, eerste en tweede lid, en 3.5.26 zijn van overeenkomstige toepassing op deze titel. ### Artikel 2.11.3 **1.** De subsidie voor activiteiten van een IPC-deelnemer voor de uitvoering van zijn innovatieplan bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten van de IPC-deelnemer tot een maximum van € 125.000. **2.** De subsidie voor de activiteiten van een IPC-penvoerder bedraagt € 4.000 per IPC-deelnemer. **3.** De som van subsidies bedraagt voor het gehele IPC-project ten hoogste € 550.000. ### Artikel 2.11.4 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening, indien: a. a. er geen sprake is van daadwerkelijke samenwerking binnen het IPC-project; of b. b. een IPC-deelnemer binnen het IPC-project waaraan hij deelneemt meer dan 70 procent van het totaal van de voor alle IPC-deelnemers in aanmerking komende subsidiabele kosten voor zijn rekening neemt. ### Artikel 2.11.5 De subsidie voor de activiteiten van een IPC-penvoerder wordt ambtshalve vastgesteld. ### Artikel 2.11.5a Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies is niet van toepassing een op een subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid. ### Artikel 2.11.6 Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.12*. Tijdelijke ondersteuning nationale parken ### Artikel 2.12.1* Vervallen ### Artikel 2.12.2* Vervallen ### Artikel 2.12.3* Vervallen ### Artikel 2.12.4* Vervallen ### Artikel 2.12.5* Vervallen ### Artikel 2.12.6* Vervallen ### Artikel 2.12.7* Vervallen ### Artikel 2.12.8* Vervallen ### Artikel 2.12.9* Vervallen ### Artikel 2.12.10* Vervallen ### Artikel 2.12.11* Vervallen ### Artikel 2.12.12* Vervallen ### Titel 2.12. Subsidie pluimveevaccinatie ter voorkoming van salmonella ### Artikel 2.13.1 Vervallen ### Artikel 2.12.2 Vervallen ### Artikel 2.13.3 Vervallen ### Artikel 2.12.4 Vervallen ### Artikel 2.12.5 Vervallen ### Artikel 2.12.6 Vervallen ### Artikel 2.12.7 Vervallen ### Artikel 2.12.8 Vervallen ### Titel 2.14. Zeldzame melkkoeien ### Artikel 2.14.1 Vervallen ### Artikel 2.14.2 Vervallen ### Artikel 2.14.3 Vervallen ### Artikel 2.14.4 Vervallen ### Artikel 2.14.5 Vervallen ### Artikel 2.14.6 Vervallen ### Artikel 2.14.7 Vervallen ### Titel 2.15. Versneld natuurherstel ### Artikel 2.15.1 Vervallen ### Artikel 2.15.2 Vervallen ### Artikel 2.15.3 Vervallen ### Artikel 2.15.4 Vervallen ### Artikel 2.15.5 Vervallen ### Artikel 2.15.6 Vervallen ### Artikel 2.15.7 Vervallen ### Artikel 2.15.7a Vervallen ### Artikel 2.15.8 Vervallen ### Artikel 2.15.9 Vervallen ### Artikel 2.15.9a Vervallen ### Artikel 2.15.10 Vervallen ### Artikel 2.15.11 Vervallen ### Artikel 2.15.12 Vervallen ### Titel 2.16. Innoveren in visserijtechnieken ### Artikel 2.16.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *algemeen nut beogende instelling:* instelling als bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; - *innovatieproject:* een project ter ondersteuning van de ontwikkeling of invoering van nieuwe of substantieel verbeterde producten en uitrusting, nieuwe of verbeterde processen en technieken en nieuwe of verbeterde beheer- en organisatiesystemen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij dat bijdraagt aan de verduurzaming van de visserijsector; - *marktdeelnemer:* marktdeelnemer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 30, van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354); - *vispluis:* een vorm van netbescherming in de demersale visserij, gemaakt van synthetisch touw dat bestaat uit ineengedraaide polyethyleendraadjes; - *visserijactiviteit:* het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen, het kooien, vetmesten en aanlanden van vis en visserijproducten; - *visserijonderneming:* onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten; - *visserijorganisatie:* organisatie waarvan uit de statuten blijkt dat zij het collectief belang van vissers of visserijondernemingen behartigt. ### Artikel 2.16.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een samenwerkingsverband voor de uitvoering van een innovatieproject en de verspreiding van de resultaten daarvan. **2.** Het innovatieproject richt zich op: a. a. vangsttechnieken of vistuigen die: 1°. de selectiviteit vergroten; 2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of 3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of 1°. 1°. de selectiviteit vergroten; 2°. 2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of 3°. 3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of b. b. scheepstechnieken die bijdragen aan: 1°. de flexibilisering van vismethoden; 2°. de vermindering van brandstofverbruik; of 3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of 1°. 1°. de flexibilisering van vismethoden; 2°. 2°. de vermindering van brandstofverbruik; of 3°. 3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of c. c. het ontwikkelen van een alternatief voor vispluis. **3.** Een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een onderzoeksorganisatie en ten minste een van onderstaande partijen: a. a. een visserijonderneming; b. b. een visserijorganisatie; c. c. een algemeen nut beogende instelling; of d. d. een marktdeelnemer. ### Artikel 2.16.3 **1.** De subsidie bedraagt: a. a. voor de activiteiten van de onderzoeksorganisatie 100% van de subsidiabele kosten; b. b. voor de activiteiten van andere deelnemers in het samenwerkingsverband 75% van de subsidiabele kosten. **2.** De subsidie bedraagt ten hoogste: a. a. € 124.999,99 per deelnemer per innovatieproject; en b. b. € 150.000,– per innovatieproject. ### Artikel 2.16.4 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. ### Artikel 2.16.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 2.16.6 **1.** Met de uitvoering van het innovatieproject wordt uiterlijk gestart binnen twaalf maanden na de subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is minstens dertien maanden en hoogstens twee jaar en zes maanden na subsidieverlening. De subsidieontvanger voert de werkzaamheden binnen deze termijn uit. ### Artikel 2.16.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. de subsidiabele kosten per deelnemer per innovatieproject minder dan € 5.000,– bedragen; b. b. de subsidiabele kosten per innovatieproject minder dan € 25.000,– bedragen; c. c. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is, gelet op de uitwerking van: 1°. de planning; 2°. de begroting; 3°. de activiteiten; 4°. het doel; of 5°. de gehanteerde methodiek; of 1°. 1°. de planning; 2°. 2°. de begroting; 3°. 3°. de activiteiten; 4°. 4°. het doel; of 5°. 5°. de gehanteerde methodiek; of d. d. uit het projectplan niet blijkt hoe het innovatieproject leidt tot een substantiële vermindering van milieubelastende effecten of verduurzaming, in vergelijking met wat kan worden bereikt door onderhoud of andere activiteiten in het kader van de gangbare bedrijfsvoering. ### Artikel 2.16.8 **1.** De subsidieontvanger verspreidt de resultaten van het innovatieproject via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software. **2.** De resultaten blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd. ### Artikel 2.16.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.16.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.16.2 ten minste: a. a. gegevens over de deelnemers aan het samenwerkingsverband, inclusief, voor zover van toepassing, per deelnemer het nummer waarmee de deelnemer is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, evenals de gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; b. b. een projectplan, inclusief planning en begroting, de activiteiten, het doel, de gehanteerde methodiek, de start- en einddatum, de bijdrage van het innovatieproject aan de vermindering van milieubelastende effecten of verduurzaming, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie; c. c. een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers; en d. d. een samenvatting van de projectomschrijving. ### Artikel 2.16.10 De subsidie, bedoeld in artikel 2.16.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 15 van de groepsvrijstellingsverordening visserij. ### Artikel 2.16.11 Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.17. Programma jong leren eten ### Artikel 2.17.1 In deze titel wordt verstaan onder: – – *aanvrager:* organisatie, gemeente of gemeentelijke gezondheidsdienst met expertise op het raakvlak van natuur en voedseleducatie of op het raakvlak van gezondheid en voedseleducatie; – – *groene Jong Leren Eten-makelaar:* een natuurlijk persoon met aantoonbare expertise op het raakvlak van natuur en voedseleducatie die in het werkplan van de aanvrager wordt genoemd; – – *Jong Leren Eten-makelaar:* een groene of witte Jong Leren Eten-makelaar; – – *Programma Jong Leren Eten 2022–2024:* meerjarig beleidsprogramma waarin de rijksoverheid provincies, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties stimuleert om samen te werken om kinderen en jongeren structureel meer kennis te bieden over zowel de herkomst van voedsel, als het leren maken van verstandige, gezonde, duurzame keuzes op het gebied van voeding; – – *Programma Jong Leren Eten 2025–2026:* tweejarig beleidsprogramma waarin de rijksoverheid provincies, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties stimuleert om samen te werken om kinderen en jongeren structureel meer kennis te bieden over de herkomst van voedsel en hen te leren over verstandige, gezonde, duurzame keuzes op het gebied van voeding; – – *witte Jong Leren Eten-makelaar:* een natuurlijk persoon met aantoonbare expertise op het raakvlak van gezondheid en voedseleducatie die in het werkplan van de aanvrager wordt genoemd. ### Artikel 2.17.2 **1.** De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aanvrager die een Jong Leren Eten-makelaar, met de benodigde competenties en kennis op minimaal HBO werk- en denkniveau, inzet ter uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 voor de volgende door die makelaar uit te voeren activiteiten: a. a. het verbinden van de vraag van scholen en kinderopvangcentra in de desbetreffende provincie met het aanbod aan educatief materiaal en activiteiten op het gebied van duurzaam en gezond voedsel; b. b. het fungeren als aanspreekpunt voor de bij het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 betrokken partijen; c. c. het organiseren van activiteiten ten behoeve van de samenwerking tussen regionale partijen en de Jong Leren Eten-makelaars in die provincie. **2.** Geen subsidie wordt verstrekt voor de volgende activiteiten: a. a. het door een Jong Leren Eten-makelaar zelf optreden als aanbieder van eigen projecten; b. b. het uitvoeren van activiteiten door een Jong Leren Eten-makelaar op scholen. **3.** De benodigde competenties en kennis, bedoeld in het eerste lid, zijn: a. a. omgevingsbewustzijn en netwerken; b. b. bestuurssensitiviteit; c. c. creativiteit; d. d. plannen en organiseren; e. e. initiatiefrijk en analytisch; f. f. het hebben van visie; g. g. kennis over de invloed van gezonde voeding op gezondheid, voor zover het een witte Jong Leren Eten-makelaar betreft; h. h. kennis over duurzame voeding, voor zover het een groene Jong Leren Eten-makelaar betreft. ### Artikel 2.17.3 De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste: a. a. voor de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.17.4, eerste lid, onderdeel a: 1°. € 195.000 voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024; 2°. € 170.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026; 1°. 1°. € 195.000 voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024; 2°. 2°. € 170.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026; b. b. voor de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.17.4, eerste lid, onderdeel b: 1°. € 82.500 voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024; 2°. € 55.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026; 3°. € 90.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026, in het geval dat de aanvrager namens de makelaars het gehele werkbudget voor de betreffende provincie beheert. 1°. 1°. € 82.500 voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024; 2°. 2°. € 55.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026; 3°. 3°. € 90.000 voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026, in het geval dat de aanvrager namens de makelaars het gehele werkbudget voor de betreffende provincie beheert. ### Artikel 2.17.4 **1.** Voor subsidie komen in aanmerking: a. a. loonkosten of de kosten van inhuur van de Jong Leren Eten-makelaar; b. b. aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2.17.2, eerste lid, onder a, b, of c, worden gemaakt. **2.** In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit zijn de kosten, bedoeld in het eerste lid, voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024 subsidiabel vanaf 1 januari 2022 en voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026 subsidiabel vanaf 1 januari 2025. ### Artikel 2.17.5 **1.** De Minister verstrekt per provincie maximaal drie subsidies, waarvan in elk geval één subsidie voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 2.17.2, eerste lid, onder a, b, of c, door een groene Jong Leren Eten makelaar en één subsidie voor de uitvoering van die activiteiten door een witte Jong Leren Eten makelaar. **2.** De Minister wijst per provincie de subsidies toe op volgorde van rangschikking. ### Artikel 2.17.6 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen uiterlijk een maand na de subsidieverlening. ### Artikel 2.17.7 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van artikel 2.17.8, aan de criteria, bedoeld in artikel 2.17.8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, in totaal minder dan 15 punten zijn toegekend. ### Artikel 2.17.8 **1.** De Minister rangschikt de aanvragen hoger naarmate: a. a. het werkplan meer bijdraagt aan de doelen van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026; b. b. de kwaliteit van het werkplan en de begroting hoger is; c. c. de makelaar meer beschikt over een voor het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 of het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 relevant netwerk, en de benodigde competenties, kennis, en ervaring. **2.** De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe aan een aanvraag. ### Artikel 2.17.9 **1.** Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de Minister ter beschikking wordt gesteld. **2.** De aanvraag voor Programma Jong Leren Eten 2022–2024 bevat ten minste: a. a. een werkplan voor 2022 tot en met 2024, inclusief een jaarplan voor 2022; b. b. een begroting voor 2022 tot en met 2024, inclusief een specifieke begroting voor 2022; c. c. het curriculum vitae van de Jong Leren Eten-makelaar. **3.** De aanvraag voor Programma Jong Leren Eten 2025–2026 bevat ten minste: a. a. een werkplan voor 2025 en 2026, inclusief een jaarplan voor 2025; b. b. een begroting voor 2025 en 2026, inclusief een specifieke begroting voor 2025; c. c. het curriculum vitae van de Jong Leren Eten-makelaar. **4.** Het werkplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. a. de geplande activiteiten voor 2022–2024 en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024; b. b. de activiteiten die de Jong Leren Eten-makelaar voornemens is te organiseren ten behoeve van de samenwerking tussen de verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2022–2024 in de provincie waarin de Jong Leren Eten-makelaar wordt ingezet en de doelstellingen van dat programma die daarmee worden bereikt; c. c. de kansen en mogelijke risico’s door samenwerking met de verschillende partijen, bedoeld in onderdeel b, voor zover zij activiteiten uitvoeren ten behoeve van kinderopvangcentra of onderwijsinstellingen. **5.** Het werkplan, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, bevat in ieder geval een beschrijving van: a. a. de geplande activiteiten voor 2025–2026 en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het Programma Jong Leren Eten 2025–2026; b. b. de activiteiten die de Jong Leren Eten-makelaar voornemens is te organiseren ten behoeve van de samenwerking tussen de verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van het Programma Jong Leren Eten 2025–2026 in de provincie waarin de Jong Leren Eten-makelaar wordt ingezet en de doelstellingen van dat programma die daarmee worden bereikt; c. c. de kansen en mogelijke risico’s door samenwerking met de verschillende partijen, bedoeld in onderdeel b, voor zover zij activiteiten uitvoeren ten behoeve van kinderopvangcentra of onderwijsinstellinge. ### Artikel 2.17.10 **1.** Uiterlijk op 1 november 2022 respectievelijk 2023 worden een jaarplan en begroting voor 2023 respectievelijk 2024 ingediend. **2.** Uiterlijk op 1 april 2023 respectievelijk 2024 wordt de jaarrapportage 2022 respectievelijk 2023 ingediend en uiterlijk bij de aanvraag om subsidievaststelling wordt de jaarrapportage 2024 ingediend. **3.** Uiterlijk op 31 januari 2026 worden de jaarrapportage 2025 en een jaarplan en begroting voor 2026 ingediend. **4.** In de beschikking tot subsidieverlening wordt opgenomen wanneer de aanvraag om subsidievaststelling en de jaarrapportage 2026 uiterlijk ingediend moeten worden. **5.** De subsidieontvanger waarborgt de kwaliteit en inzet van de Jong Leren Eten-makelaar. **6.** In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, behoeft, indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, het verzoek om subsidievaststelling niet vergezeld te gaan van een accountantsverklaring. ### Artikel 2.17.11 De subsidie, bedoeld in artikel 2.17.2, bevat geen staatssteun. ### Artikel 2.17.12 Deze titel vervalt met ingang van 28 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.18. Hoogwaardige mestverwerking ### Artikel 2.18.1 In deze titel wordt verstaan onder: - * bedrijf:* bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i, van de Meststoffenwet; - * concentratiegebied:* concentratiegebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder bb, van de Meststoffenwet; - * dierlijke meststoffen:* dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet; - * herinrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie:* ombouwen van een bestaande mestverwerkingsinstallatie tot hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie of het realiseren van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie op een vaste locatie waar in de daaraan voorafgaande periode van 10 jaar op enig moment mestbewerking heeft plaatsgevonden; - * hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie:* systeem voor het hoogwaardig verwerken van dierlijke meststoffen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een proces zoals beschreven in bijlage 2.18.1; - * inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie:* realiseren van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie op een vaste locatie waar in een voorafgaande periode van 10 jaar geen mestbewerking heeft plaatsgevonden; - *intentieverklaring:* verklaring waarin een leverancier van meststoffen, zijnde een andere ondernemer dan de intermediaire onderneming, verklaart voornemens te zijn na ingebruikname van de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie dierlijke meststoffen te zullen leveren aan de intermediaire onderneming; - * intermediaire onderneming:* onderneming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder o, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; - * leverancier van meststoffen:* leverancier van meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder u, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; - * mestleveringsovereenkomst:* overeenkomst tussen een leverancier van meststoffen, zijnde een andere ondernemer dan de intermediaire onderneming, en een intermediaire onderneming voor de levering van dierlijke meststoffen aan de intermediaire onderneming ten behoeve van bewerking door een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie; - * mestbewerking:* het behandelen van dierlijke meststoffen tot een of meer bemestingsproducten met een andere samenstelling dan die van de dierlijke meststoffen voorafgaand aan de bewerking. ### Artikel 2.18.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject betreffende een investering of investeringen die bestemd is respectievelijk zijn voor: a. a. de inrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie; of b. b. de herinrichting van een hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie. **2.** Een intermediaire onderneming dient per kalenderjaar maximaal één aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een investeringsproject in. ### Artikel 2.18.3 **1.** De subsidie bedraagt: a. a. 35% van de subsidiabele kosten voor een grote onderneming, of b. b. 40% van de subsidiabele kosten voor een kleine of middelgrote onderneming. **2.** Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie minimaal € 125.000,– en maximaal € 2.000.000,– per investeringsproject. ### Artikel 2.18.4 **1.** Voor subsidie komen uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. **2.** Onverminderd het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: a. a. kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen; b. b. kosten voor het bouwrijp maken van de grond, inclusief de kosten voor de sloop van aanwezige bebouwing; c. c. advieskosten omtrent bouwtekeningen; en d. d. kosten voor het transport of anderszins voor de aan- of aanvoer van mestproducten. ### Artikel 2.18.5 **1.** De minister verdeelt op volgorde van rangschikking van de desbetreffende aanvragen, het plafond voor investeringsprojecten, bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het plafond voor investeringsprojecten, bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b. **2.** Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onder b, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het resterende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond toegevoegd voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, aanhef en onder a. ### Artikel 2.18.6 **1.** Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd investeringsproject wordt gestart binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar. **3.** De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen tot een termijn van maximaal vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. ### Artikel 2.18.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien: a. a. aan de intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject als bedoeld in artikel 2.18.2 in het voorafgaande kalenderjaar op dezelfde locatie reeds subsidie is verstrekt; b. b. de intermediaire onderneming niet beschikt over een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; c. c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject; d. d. de capaciteit van de door het investeringsproject te realiseren hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie minder bedraagt dan een hoeveelheid van 24.000.000 kilogram dierlijke meststoffen per kalenderjaar; e. e. het te realiseren productieproces niet overeenkomt met een proces opgenomen in bijlage 2.18.1; f. f. de intermediaire onderneming niet beschikt over de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject. ### Artikel 2.18.8 **1.** De minister kent aan een investeringsproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. de kosteneffectiviteit van het investeringsproject hoger is; b. b. de verwachte benutting van de installatie groter is, gegeven het aantal mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen waarin het aanvoerplan, bedoeld in artikel 2.18.10, vierde lid, onder b, voorziet, de gemiddelde looptijd van die overeenkomsten en de omvang van de overeengekomen mestaanvoer. **2.** De minister kent aan een investeringsproject dat zich bevindt op een locatie in een concentratiegebied, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder bb, van de Meststoffenwet 10 punten toe. **3.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. **4.** Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 70, en voor het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 25. **5.** Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het tweede lid, vermenigvuldigd met 5. **6.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het investeringsproject zijn toegekend. **7.** Indien onder het desbetreffende subsidieplafond aan twee of meer aanvragen voor een investeringsproject in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend aan onderdeel a van het eerste lid. ### Artikel 2.18.9 **1.** De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat hij gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject. **2.** De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de capaciteit van de door het investeringsproject te realiseren hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie minimaal 24.000.000 kilogram dierlijke meststoffen per kalenderjaar bedraagt. **3.** De subsidieontvanger zijnde de intermediaire onderneming, bedoeld in artikel 2.18.2, eerste lid, beschikt gedurende de looptijd van het investeringsproject over een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. ### Artikel 2.18.10 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.18.2 bevat tenminste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de intermediaire onderneming, het nummer waarmee de intermediaire onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. een verklaring dat er sprake is van een kleine, middelgrote of grote onderneming; en c. c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres. **3.** De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: a. a. de vergunningen, bedoeld in artikel 2.18.7, onderdeel f; b. b. een omschrijving van het investeringsproject; c. c. een financieringsplan voor het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd; d. d. een begroting van het investeringsproject, al dan niet per mijlpaal; e. e. een beschrijving van het mestverwerkingsproces; en f. f. de tussen de intermediaire onderneming en leveranciers van dierlijke meststoffen afgesloten mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen. **4.** De beschrijving van het mestverwerkingsproces, bedoeld in het derde lid, onder e, dient te bestaan uit: a. a. een beschrijving van de soorten dierlijke meststoffen die worden verwerkt, de hoeveelheden dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogram en in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar, en de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de eventueel tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen; b. b. een aanvoerplan voor de aan te leveren dierlijke meststoffen met daarin opgenomen mestleveringsovereenkomsten of intentieverklaringen; c. c. een beschrijving van het productieproces, waaronder de keuze voor één van de in bijlage 2.18.1 bij deze regeling opgenomen processen, de volgorde waarin deze processtappen binnen het gekozen proces worden toegepast, de capaciteit per uur van de desbetreffende apparatuur, een massabalans en de wijze waarop de omvang van de productie wordt gemonitord; d. d. een beschrijving van de eindproducten van het productieproces, waaronder het gehalte stikstof, de hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram per kalenderjaar, de samenstelling onderscheiden naar de verschillende eindproducten en in welke sectoren de producten zullen worden afgezet. **5.** De in het vierde lid genoemde mestleveringsovereenkomsten bevatten in ieder geval: a. a. gegevens over de leverancier van de dierlijke meststoffen, waaronder het soort bedrijf en het post- en bezoekadres; b. b. periode waar de mestleveringsovereenkomst voor is gesloten; c. c. de soort en hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogram stikstof en kilogram fosfaat, die de leverancier per kalenderjaar zal leveren; en d. d. ondertekening door beide partijen alsmede de datum van ondertekening. **6.** De in het vierde lid genoemde intentieverklaringen bevatten in ieder geval: a. a. gegevens over de leverancier van de dierlijke meststoffen, waaronder het soort bedrijf en het post- en bezoekadres; b. b. de periode waarop de intentieverklaring ziet; c. c. de soort en hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogram stikstof en kilogram fosfaat, die de leverancier zal leveren; d. d. de ondertekening door de leverancier van de dierlijke meststoffen en de datum van ondertekening. ### Artikel 2.18.11 Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. a. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject; en b. b. een document waaruit blijkt dat de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie in gebruik is genomen voorzien van de datum waarop de hoogwaardige mestverwerkingsinstallatie in gebruik is genomen. ### Artikel 2.18.12 De subsidie, bedoeld in artikel 2.18.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 2.18.13 Deze titel en bijlage 2.18.1 vervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.19. Behoud graslandareaal ### Artikel 2.19.1 Vervallen ### Artikel 2.19.2 Vervallen ### Artikel 2.19.3 Vervallen ### Artikel 2.19.4 Vervallen ### Artikel 2.19.5 Vervallen ### Artikel 2.19.6 Vervallen ### Artikel 2.19.7 Vervallen ### Artikel 2.19.8 Vervallen ### Artikel 2.19.9 Vervallen ### Artikel 2.19.10 Vervallen ### Titel 2.20. Overbrugging voor de visserij ### Artikel 2.20.1 Vervallen ### Artikel 2.20.2 Vervallen ### Artikel 2.20.3 Vervallen ### Artikel 2.20.4 Vervallen ### Artikel 2.20.5 Vervallen ### Artikel 2.20.6 Vervallen ### Artikel 2.20.7 Vervallen ### Artikel 2.20.8 Vervallen ### Artikel 2.20.9 Vervallen ### Titel 2.21. Verbetering energie-efficiëntie van vissersvaartuigen ### Artikel 2.21.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *eigenaar van een vissersvaartuig:* micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de groepsvrijstellingsverordening visserij die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, is ingeschreven; - *vissersvaartuig:* vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354), dat is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998. ### Artikel 2.21.2 De minister verleent op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van een vissersvaartuig met de maatregelen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening visserij. ### Artikel 2.21.3 **1.** De hoogte van de subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten. **2.** De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 1.250.000 per eigenaar van een vissersvaartuig. ### Artikel 2.21.4 De kosten, bedoeld in artikel 27, vierde lid, onder i, ii en iii, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, met uitzondering van de kosten van vistuigen, komen voor een subsidie in aanmerking. ### Artikel 2.21.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 2.21.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is twee jaar. ### Artikel 2.21.7 Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening indien: a. a. het vissersvaartuig op het moment van indiening van de aanvraag niet behoort tot segment MFL1 of MFL2, bedoeld in de Uitvoeringsregeling zeevisserij; b. b. de subsidiabele kosten in aanmerking komen of kwamen voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021; c. c. er aan de eigenaar van een vissersvaartuig ten behoeve van een vissersvaartuig reeds een subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2 voor dezelfde soort maatregel is verstrekt. ### Artikel 2.21.8 Vervallen ### Artikel 2.21.9 Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam van de eigenaar van een vissersvaartuig, of er sprake is van een micro-, kleine en middelgrote onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. het CFR-nummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34), van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd; d. d. een plan met daarin een beschrijving van de uit te voeren maatregelen en de beoogde planning; e. e. een begroting van de kosten van de uit te uit te voeren maatregelen, voorzien van een gespecificeerde offerte. ### Artikel 2.21.10 **1.** Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs van de ten behoeve van de subsidiabele activiteit gemaakte en betaalde kosten. **2.** In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit behoeft de aanvraag niet vergezeld te gaan van een controleverklaring. ### Artikel 2.21.11 De subsidie, bedoeld in artikel 2.21.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 27 van de groepsvrijstellingsverordening visserij. ### Artikel 2.21.12 Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.22. Geïntegreerde gewasbescherming #### Paragraaf 2.22.1. Algemene bepalingen ### Artikel 2.22.1 Vervallen #### Paragraaf 2.22.2. Innovatie ### Artikel 2.22.2.1 Vervallen ### Artikel 2.22.2.2 Vervallen ### Artikel 2.22.2.3 Vervallen ### Artikel 2.22.2.4 Vervallen ### Artikel 2.22.2.5 Vervallen ### Artikel 2.22.2.6 Vervallen ### Artikel 2.22.2.7 Vervallen ### Artikel 2.22.2.8 Vervallen ### Artikel 2.22.2.9 Vervallen ### Artikel 2.22.2.10 Vervallen #### Paragraaf 2.22.3. Investeringen ### Artikel 2.22.3.1 Vervallen ### Artikel 2.22.3.2 Vervallen ### Artikel 2.22.3.3 Vervallen ### Artikel 2.22.3.4 Vervallen ### Artikel 2.22.3.5 Vervallen ### Artikel 2.22.3.6 Vervallen ### Artikel 2.22.3.7 Vervallen ### Artikel 2.22.3.8 Vervallen ### Artikel 2.22.3.9 Vervallen ### Artikel 2.22.3.10 Vervallen #### Paragraaf 2.22.4. Slotbepalingen ### Artikel 2.22.4.1 Vervallen ### Titel 2.23. Warmte-infrastructuur glastuinbouw ### Artikel 2.23.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *aansluiting:* het deel van het warmtenet dat koppelt aan de afleverset; - *afleverset voor warmte:* de fysieke aansluiting op een warmtenetwerk of -cluster; - *EED-richtlijn:* Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (PbEU 2023, L 231); - *energie-efficiënt warmtenet:* efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 26, tweede en vierde lid, van de EED-richtlijn; - *financieringsbesluit:* een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over een sluitende financiering voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; - *investeringsbesluit:* een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager het besluit tot het doen van de investering voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet definitief heeft genomen; - *koppelleiding:* een warmteleiding met als voornaamste functie om warmte naar behoefte tussen twee warmtenetten te transporteren; - *kostencomponenten:* loonkosten, kosten derden, investeringen in gebouwen en gronden, investeringen in leidingdelen per DN-maat van het energie-efficiënte warmtenet, de koppelleiding en de aansluiting, investeringen in warmteoverdrachtstations en overige investeringen; - *overdimensionering:* de aanleg van een energie-efficiënt warmtenet met een dimensionering gericht op een grotere capaciteit dan nodig is om in de vraag te voorzien bij realisatie van het project; - *projectgebied:* geografisch aaneengesloten gebied waarin het energie-efficiënte warmtenet warmte kan leveren; - *warmte:* thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water; - *warmtebron:* installaties voor warmte- of koudeopwekking als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *warmtenet:* warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *warmteopslag:* thermische opslagoplossingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *warmteoverdrachtstation:* een fysieke locatie waarbinnen de overdracht van warmte plaatsvindt tussen twee efficiënte warmtenetten, twee onderdelen van het energie-efficiënte warmtenet of het energie-efficiënte warmtenet en een ander warmtenet. ### Artikel 2.23.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor de investering in een project gericht op: a. a. de bouw van een energie-efficiënt warmtenet ten behoeve van de levering van warmte aan één of meerdere glastuinbouwondernemingen in een projectgebied; of b. b. de uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet ten behoeve van de levering van warmte aan één of meerdere glastuinbouwondernemingen in een projectgebied. **2.** Onverminderd het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor de bouw of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet met de capaciteit die nodig is om in de verwachte warmtevraag van alle glastuinbouwondernemingen in het betreffende projectgebied in 2040 te voorzien door middel van overdimensionering, warmteopslag of de aanleg van een koppelleiding. ### Artikel 2.23.3 **1.** De subsidie bedraagt 30 procent van de subsidiabele kosten. **2.** De subsidie is niet hoger dan € 30.000.000 per project. **3.** Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en van openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. ### Artikel 2.23.4 **1.** Voor subsidie komen de investeringskosten, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. **2.** Voor zover een energie-efficiënt warmtenet wordt aangelegd of uitgebreid ten behoeve van zowel de aansluiting van glastuinbouwondernemingen als andere aansluitingen worden de subsidiabele kosten per onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet bepaald door de kosten die niet ten behoeve van de aansluiting van de glastuinbouw zijn gemaakt in mindering te brengen op de totale kosten, bedoeld in het eerste lid, voor een onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet. **3.** Het tweede lid geldt niet voor de berekening van de subsidiabele loonkosten, kosten derden en kosten voor gebouwen en gronden. **4.** Voor zover het energie-efficiënte warmtenet, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de aanleg van een koppelleiding of een warmteopslag bedragen de subsidiabele kosten 50 procent van de totale kosten, bedoeld in het eerste lid. **5.** De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: a. a. kosten ten behoeve van investeringen in: 1°. de warmtebron; 2°. de afleverset voor warmte; en 3°. warmteleidingen of installaties die tussen de afleverset voor warmte en de glastuinbouwonderneming liggen; 1°. 1°. de warmtebron; 2°. 2°. de afleverset voor warmte; en 3°. 3°. warmteleidingen of installaties die tussen de afleverset voor warmte en de glastuinbouwonderneming liggen; b. b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord; c. c. kosten ten behoeve van investeringen in een warmteopslag, indien deze geen gebruik maakt van bewezen technieken of indien deze geen warmte opslaat afkomstig van een energie-efficiënt warmtenet en warmte levert aan dit warmtenet; d. d. een koppelleiding die niet twee energie-efficiënte warmtenetten koppelt; e. e. kosten, bedoeld in artikel 2.3.6; en f. f. kosten voor onderdelen van het energie-efficiënte warmtenet die uitsluitend ten behoeve van andere aansluitingen dan die van glastuinbouwondernemingen worden aangelegd. **6.** Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in artikel 14 van het besluit, aangewezen. **7.** Artikel 10, derde lid, van het besluit is niet van toepassing. **8.** De kosten voordat het financieringsbesluit en het investeringsbesluit, bedoeld in artikel 2.23.8, zijn genomen, zijn subsidiabel tot een opgeteld bedrag van twee procent van de totale subsidiabele kosten. ### Artikel 2.23.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 2.23.6 De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. a. de kwaliteit van het project onvoldoende is, gelet op: 1°. de uitwerking van: – het projectplan; – het voorlopig of definitief ontwerp; – de mijlpalenbegroting of; – de exploitatieberekening; 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd; 3°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten van de warmtelevering en stakeholders in het project vertegenwoordigd zijn; 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; of 5°. de juridische haalbaarheid; 1°. 1°. de uitwerking van: – het projectplan; – het voorlopig of definitief ontwerp; – de mijlpalenbegroting of; – de exploitatieberekening; – – het projectplan; – – het voorlopig of definitief ontwerp; – – de mijlpalenbegroting of; – – de exploitatieberekening; 2°. 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd; 3°. 3°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten van de warmtelevering en stakeholders in het project vertegenwoordigd zijn; 4°. 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; of 5°. 5°. de juridische haalbaarheid; b. b. de hoogte van de subsidie minder dan € 125.000,- bedraagt; c. c. niet aannemelijk is gemaakt dat het project bij subsidievaststelling zal voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED-richtlijn; d. d. niet aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen energie-efficiënte warmtenet of de uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet bij subsidievaststelling in gebruik zal worden genomen; e. e. het niet aannemelijk wordt geacht dat kan worden voldaan aan de termijnen genoemd in artikel 2.23.8. ### Artikel 2.23.7 **1.** De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. **2.** De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage met onder andere financiële gegevens over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. **3.** De informatie, bedoeld in eerste en tweede lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een elektronisch formulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. **4.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. **5.** Artikel 38, eerste lid, onderdeel b van het besluit is niet van toepassing. ### Artikel 2.23.8 **1.** Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar. **3.** De subsidieontvanger neemt uiterlijk anderhalf jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en meldt dit onverwijld schriftelijk aan de minister. **4.** De subsidieontvanger verstrekt binnen twee jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot de bouw of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet en verstrekt hiervan onverwijld een afschrift aan de minister. **5.** De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijnen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is. ### Artikel 2.23.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.23.2, eerste lid, bevat tenminste: a. a. de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; en c. c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres. **2.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een projectplan, bestaande uit: 1°. een omschrijving van het project gericht op de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; 2°. een overzicht met onderbouwing van: – de capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project en beoogde afname van warmte in GJ van de aan te sluiten glastuinbouwondernemingen in het projectgebied bij realisatie van het project en in 2040; – voor zover het project de aanleg van een koppelleiding of warmteopslag betreft, de capaciteit van deze onderdelen in respectievelijk MW of m^3 bij realisatie van het project; 3°. indien het project de aanleg van een energie-efficiënt warmtenet, bedoeld in artikel 2.23.4, tweede lid, betreft, een onderbouwing van de grotere capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project ten opzichte van de capaciteit die benodigd is om enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied aan te sluiten; 4°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, waaronder een toelichting op het model exploitatieberekening, bedoeld in onderdeel d; 5°. een omschrijving van de planning van het project inclusief mijlpalen in overeenstemming met bijlage 2.23.1, onderdeel 4; 6°. een onderbouwing van de voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied; 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en warmte overdrachtstations in het projectgebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging; 8°. een beschrijving van juridische en andere risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het energie-efficiënte warmtenet, gescoord op de kans dat deze zich zullen voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor het project; 1°. 1°. een omschrijving van het project gericht op de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; 2°. 2°. een overzicht met onderbouwing van: – de capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project en beoogde afname van warmte in GJ van de aan te sluiten glastuinbouwondernemingen in het projectgebied bij realisatie van het project en in 2040; – voor zover het project de aanleg van een koppelleiding of warmteopslag betreft, de capaciteit van deze onderdelen in respectievelijk MW of m^3 bij realisatie van het project; – – de capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project en beoogde afname van warmte in GJ van de aan te sluiten glastuinbouwondernemingen in het projectgebied bij realisatie van het project en in 2040; – – voor zover het project de aanleg van een koppelleiding of warmteopslag betreft, de capaciteit van deze onderdelen in respectievelijk MW of m^3 bij realisatie van het project; 3°. 3°. indien het project de aanleg van een energie-efficiënt warmtenet, bedoeld in artikel 2.23.4, tweede lid, betreft, een onderbouwing van de grotere capaciteit in MW, inclusief de benodigde DN-maten, van het energie-efficiënte warmtenet bij realisatie van het project ten opzichte van de capaciteit die benodigd is om enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied aan te sluiten; 4°. 4°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, waaronder een toelichting op het model exploitatieberekening, bedoeld in onderdeel d; 5°. 5°. een omschrijving van de planning van het project inclusief mijlpalen in overeenstemming met bijlage 2.23.1, onderdeel 4; 6°. 6°. een onderbouwing van de voor de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de bouw of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied; 7°. 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en warmte overdrachtstations in het projectgebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging; 8°. 8°. een beschrijving van juridische en andere risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het energie-efficiënte warmtenet, gescoord op de kans dat deze zich zullen voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor het project; b. b. een door de aanvrager in een door de minister beschikbaar gesteld model ingevulde mijlpalenbegroting met mijlpalen verdeeld naar kostencomponenten, gebaseerd op kostenramingen, offertes en kostencalculaties en bestaande uit de volgende onderdelen: 1°. per leidingdeel of ander onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet: investeringskosten, subsidiabele kosten en indien van toepassing de DN-maat en een onderbouwing van de grotere capaciteit van het leidingdeel ten opzichte van de situatie waarin enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied zouden worden aangesloten; 2°. andere investeringskosten en subsidiabele kosten; 3°. de opbrengsten uit andere subsidies; 1°. 1°. per leidingdeel of ander onderdeel van het energie-efficiënte warmtenet: investeringskosten, subsidiabele kosten en indien van toepassing de DN-maat en een onderbouwing van de grotere capaciteit van het leidingdeel ten opzichte van de situatie waarin enkel glastuinbouwondernemingen in het projectgebied zouden worden aangesloten; 2°. 2°. andere investeringskosten en subsidiabele kosten; 3°. 3°. de opbrengsten uit andere subsidies; c. c. een financieringsplan, verdeeld naar eigen vermogen en vreemd vermogen, over de wijze waarop de subsidieontvanger het eigen aandeel in de investeringskosten gaat financieren; d. d. een model exploitatieberekening met de kostencomponenten uit de mijlpalenbegroting en de opbrengsten met de vaste waarden zoals opgenomen in bijlage 2.23.1, onderdeel 1; e. e. een voorlopig ontwerp of definitief ontwerp met daarop aangegeven de afbakening van het projectgebied met de warmteleidingen en het type afnemers die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in bijlage 2.23.1, onderdeel 2; f. f. een onderbouwing van het financieringsplan, bedoeld in onderdeel c; g. g. een onderbouwing waarin aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen of uit te breiden energie-efficiënte warmtenet zal voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED; h. h. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, onderbouwd in een door de Minister ter beschikking gesteld formulier, en een organogram van de groepsstructuur waaruit de onderlinge aandelenverhoudingen blijken, onderbouwd met een enkelvoudig of geconsolideerd jaarrapport die is gebruikt voor de invulling van het formulier. ### Artikel 2.23.10 **1.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend, bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. een ingevuld, gewaarmerkt en gedateerd kostenoverzicht in een door de minister beschikbaar gesteld model, opgesteld door een accountant, van de gemaakte en betaalde kosten, met ten minste dezelfde kostencomponenten als de mijlpalenbegroting; en c. c. de omvang van de vast te stellen subsidie. **2.** Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. a. tekeningen van het gerealiseerde energie-efficiënte warmtenet, met een onderbouwing van de capaciteit in MW en een onderbouwing waaruit blijkt welke aansluitingen in het projectgebied gerealiseerd zijn; b. b. de vervolgstappen die aanvrager na afloop van het project zet om te komen tot volloop van het energie-efficiënte warmtenet; en c. c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject en de afwijkingen. **3.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een document, opgesteld door een derde, deskundige partij, waaruit blijkt dat het energie-efficiënte warmtenet in gebruik is genomen; b. b. een document gecontroleerd door een derde, deskundige partij waarin aangetoond wordt dat het aangelegde of uitgebreide energie-efficiënte warmtenet voldoet en blijft voldoen aan artikel 26, tweede en vierde lid, onderdelen a en b, van de EED; c. c. indien van toepassing, een overzicht van het voordeel dat is genoten op grond van artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting; en d. d. documenten waaruit blijkt dat glastuinbouwondernemingen die volgens het projectplan aangesloten zouden worden op het energie-efficiënte warmtenet maar nog niet aangesloten zijn een aanbod hebben ontvangen om aangesloten te worden. ### Artikel 2.23.11 De subsidie, bedoeld in artikel 2.23.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 2.23.12 Deze titel en bijlage 2.23.1 vervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.24. Agenda natuurinclusief ### Artikel 2.24.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *Agenda Natuurinclusief:* agenda van overheden, burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven, waarin de inzet van betrokken partijen voor de bevordering van een natuurinclusieve samenleving is beschreven; - *domein:* een maatschappelijk domein als bedoeld in bijlage 2.24; - *domeintrekker:* persoon of organisatie die de samenwerking binnen een domein organiseert, gericht op de bevordering van de transitie naar een natuurinclusieve samenleving in dat domein, die met het oog hierop samenwerkt met het Programmabureau Natuurinclusief en de domeintrekkers van de andere domeinen en die als zodanig is benoemd door het Programmabureau Natuurinclusief; - *Programmabureau Natuurinclusief:* bureau dat de inzet van betrokken partijen in de domeinen coördineert en bevordert. ### Artikel 2.24.2 **1.** De Minister verstrekt jaarlijks op aanvraag subsidie aan een domeintrekker voor de bevordering in 2026 van een natuurinclusieve samenleving in zijn domein overeenkomstig de Agenda Natuurinclusief door uitvoering van niet-economische activiteiten: a. a. die de werking en organisatie van het domein bevorderen en bijdragen aan het creëren van gunstige omstandigheden voor de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief; b. b. die de samenwerking met andere domeinen bevorderen; c. c. voor de samenwerking met het Programmabureau Natuurinclusief. **2.** Onder de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, vallen onder meer: a. a. de organisatie van bijeenkomsten; b. b. communicatie; c. c. kennisverspreiding. **3.** Geen subsidie wordt verstrekt voor de uitvoering van projecten voor de realisering van een natuurinclusieve samenleving. **4.** De Minister houdt bij de subsidieverstrekking rekening met een desgevraagd door het Programmabureau Natuurinclusief gegeven zienswijze. ### Artikel 2.24.3 **1.** De subsidie voor de uitvoering van de in artikel 2.24.2 bedoelde activiteiten in 2026 bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 200.000. **2.** Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag van € 200.000 wordt verhoogd met de subsidiabele kosten die bestaan uit omzetbelasting die de subsidie-ontvanger niet in aftrek kan brengen. ### Artikel 2.24.4 **1.** In afwijking van art. 2.1.1 van deze regeling bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en artikel 14 van het besluit, voor de toepassing van deze titel € 120. **2.** De kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen komen in afwijking van artikel 10, eerste lid, van het besluit niet in aanmerking voor subsidie. **3.** In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit zijn de kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.24.2, eerste lid, subsidiabel vanaf 1 januari van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. ### Artikel 2.24.5 **1.** Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. **2.** De Minister verstrekt per domein maximaal één subsidie per jaar. ### Artikel 2.24.6 **1.** Een aanvraag bevat ten minste een jaarplan voor het desbetreffende kalenderjaar, inclusief een begroting en een op verzoek van de aanvrager door het Programmabureau Natuurinclusief over het jaarplan gegeven zienswijze. **2.** Het jaarplan, bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval een beschrijving van de geplande activiteiten en hoe deze activiteiten bijdragen aan de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief. **3.** Als de subsidiabele kosten ook bestaan uit omzetbelasting die de subsidie-ontvanger niet in aftrek kan brengen, wordt bij de subsidieaanvraag een verklaring van de Belastingdienst gevoegd waarmee dit wordt onderbouwd. ### Artikel 2.24.7 Uiterlijk op 1 augustus 2026 dient de subsidieontvanger bij de Minister een voortgangsrapportage in over de voorafgaande periode van 1 januari tot 1 juli. ### Artikel 2.24.8 **1.** De aanvraag om subsidievaststelling gaat vergezeld van de bescheiden, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdelen a en b, van het besluit. Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, is niet van toepassing. **2.** In het eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van de activiteiten, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, wordt ingegaan op de wijze waarop deze activiteiten hebben bijgedragen aan de uitvoering van de Agenda Natuurinclusief. ### Artikel 2.24.9 De subsidie, bedoeld in artikel 2.24.2, bevat geen staatssteun. ### Artikel 2.24.10 Deze titel en bijlage 2.24 vervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.25. Experimenteerlocaties ### Artikel 2.25.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *bedrijfssysteem:* een geheel van samenhangende of elkaar beïnvloedende elementen van een bedrijf om agrarische productie te bewerkstelligen, waaronder managementsystemen, productieprocessen, technologie en toegang tot afzetmarkten; - *experimenteerlocatie:* praktijkomgeving met testlocaties waar een samenwerkingsverband in een gebiedsgerichte benadering samenwerkt aan het testen, experimenteren en valideren van kennis en innovaties voor verduurzaming van de land- of tuinbouw; - *gebiedsgerichte benadering:* benadering waarbij samen met regionale stakeholders wordt gezocht naar probleemoplossingen door specifieke eigenschappen van het gebied als uitgangspunt te nemen, waaronder fysieke kenmerken zoals de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen, de landbouwstructuur en sociaaleconomische gebiedskenmerken; - *innovatie:* vernieuwing die gebruikt wordt in de praktijk; - *jonge landbouwer:* landbouwer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 61, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; - *kennisdeling:* een proces voor het verwerven, verzamelen en delen van expliciete en impliciete kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten; - *niet-productieve investering:* investering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; - *onderzoeksorganisatie:* organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; - *praktijkproef:* een onderzoeksproject op bedrijfsniveau of een realistische simulatie daarvan, waarin de ontwikkeling of demonstratie van een nieuw concept, een nieuw product, een nieuwe praktijk of een nieuwe technologie centraal staat, in een vorm die gemonitord en gevalideerd wordt; - *toekomstbestendige land- en tuinbouw:* productieve vormen van land- en tuinbouw, die een eerlijk inkomen opleveren voor de agrarische ondernemer, die voldoen aan toekomstige ecologische, maatschappelijke en economische doelen en randvoorwaarden, die samengaan met de verbetering van de kwaliteit van bodem, water, lucht en biodiversiteit en die robuust zijn met het oog op klimaatverandering en zo min mogelijk afhankelijk zijn van schaarse en eindige hulpbronnen zoals arbeid, fossiele energie, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. ### Artikel 2.25.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het verrichten van één of meer van de volgende activiteiten ten behoeve van een experimenteerlocatie: a. a. het oprichten en in stand houden van een samenwerkingsverband als bedoeld in de aanhef, en van clusters, netwerken en samenwerking tussen ondernemingen ten behoeve van de experimenteerlocatie; b. b. het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van praktijkproeven die zich richten op de realisatie van toekomstbestendige land- en tuinbouw en de bijbehorende kennis- en innovatievraagstukken; c. c. het doen van investeringen ten behoeve van de experimenteerlocatie en de praktijkproeven; d. d. kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de praktijkproeven. **2.** Het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee deelnemers waarvan tenminste één onderzoeksorganisatie en bestaat niet uitsluitend uit onderzoeksorganisaties. ### Artikel 2.25.3 **1.** Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking: a. a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdeel d, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c: voor zover het een investering op een landbouwonderneming betreft, de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of voor zover het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft, de kosten, bedoeld in artikel 38, zevende lid, onderdelen b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; d. d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel d: de kosten, bedoeld in artikel 21, derde lid, met uitzondering van onderdeel b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. **2.** Voor zover sprake is van investeringskosten als bedoeld in artikel 2.25.2, onderdeel c, en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen uitsluitend in aanmerking de kosten van investeringen die verband houden met de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen a, b, c, e, f of g, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. ### Artikel 2.25.4 **1.** De subsidie bedraagt: a. a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdelen a en d, 100 procent van de subsidiabele kosten; b. b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b, 80 procent van de subsidiabele kosten; c. c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, voor productieve investeringen 65 procent en voor niet-productieve investeringen 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 1.000.000, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming; d. d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, 100 procent van de subsidiabele kosten, indien het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft. **2.** De hoogte van de subsidie bedraagt in totaal maximaal € 5.000.000. **3.** Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt voor productieve investeringen verhoogd met 15 procentpunten indien: a. a. subsidie wordt verstrekt die verband houdt met een of meer specifieke milieu- en klimaat gerelateerde doelstellingen als vermeld in artikel 14, derde lid, onderdelen e, f en g van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, of met dierenwelzijn als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. b. subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. **4.** De subsidie voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste € 600.000 per landbouwonderneming per investering, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming. ### Artikel 2.25.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 2.25.6 **1.** Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten wordt uiterlijk binnen 6 maanden na de subsidieverlening gestart. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar na de datum van subsidieverlening. ### Artikel 2.25.7 De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdelen b en d, geen subsidie wordt aangevraagd of niet-subsidiabele kosten worden opgevoerd; b. b. aan een aanvraag in totaal minder dan 50 punten zijn toegekend op grond van artikel 2.25.8, eerste lid; c. c. aan een aanvraag 0 punten zijn toegekend op grond van artikel 2.25.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d; d. d. aan een aanvraag, na vermenigvuldiging met de desbetreffende wegingsfactor zoals bedoeld in artikel 2.25.8, derde lid, minder dan 6 punten zijn toegekend op grond van artikel 2.25.8, eerste lid, onderdeel e; e. e. de verlening van subsidie niet in overeenstemming zou zijn met de artikelen 14, 21, 32 of 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; f. f. de subsidie wordt verleend aan een grote onderneming, die geen onderzoeksorganisatie is; g. g. de subsidie minder bedraagt dan € 2.000.000; h. h. niet ten minste 40% van de subsidie ten goede komt aan de activiteit, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b. ### Artikel 2.25.8 **1.** De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. de mate van effectiviteit hoger is; b. b. de haalbaarheid hoger is; c. c. de mate van efficiëntie hoger is; d. d. de mate van innovatie hoger is; en e. e. de mate waarin land- of tuinbouwondernemingen actief bij de experimenteerlocatie betrokken zijn, hoger is. **2.** Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten minste nul en ten hoogste 5. **3.** Voor de rangschikking van een aanvraag wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk wegingsfactoren van respectievelijk 5, 4, 3, 3 en 2. **4.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate daaraan in totaal meer punten zijn toegekend. **5.** Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor. ### Artikel 2.25.9 **1.** Er is een Adviescommissie Experimenteerlocaties die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de rangschikkingscriteria en de toekenning van punten, bedoeld in artikel 2.25.8. **2.** De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste twaalf leden. **3.** De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste vijf jaar benoemd. ### Artikel 2.25.10 **1.** Indien voor een investering als bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding nog niet is gedaan ten tijde van de aanvraag, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen één jaar na de beschikking tot subsidieverlening via bescheiden aantoont dat de voor het betrokken investeringsproject benodigde vergunningen zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding is gedaan. **2.** De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening. **3.** De subsidieontvanger verstrekt de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, binnen één maand nadat de benodigde vergunningen zijn verleend of de omgevingsrechtelijke melding is gedaan, aan de minister. ### Artikel 2.25.11 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. a. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; b. b. een werkplan voor vijf jaren, gerekend vanaf de startdatum en een jaarplan voor komend jaar van realisatie; c. c. een begroting voor de gehele projectperiode gerekend vanaf de startdatum en een gespecificeerde begroting voor komend jaar van de realisatie; d. d. een beschrijving van de leden en werkwijze van de programmaraad of soortgelijke organisatiestructuur, die verantwoordelijk is voor de activiteitenplanning; e. e. onverminderd artikel 1.9, een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers. **3.** Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van: a. a. de visie en gebiedsgerichte benadering van de experimenteerlocatie, waaronder een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur, en de toekomstbestendige bedrijfssystemen en bijbehorende verdienmodellen die passend in het gebied kunnen opereren; b. b. de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit, natuur, concurrentievermogen of leefbaarheid; c. c. de wijze waarop de effecten van de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode op doelbereik gemonitord zullen worden; d. d. de wijze waarop resultaten uit praktijkproeven worden verspreid; e. e. de wijze van betrokkenheid van regionale stakeholders, specifiek land- of tuinbouwers, buiten het samenwerkingsverband bij de planning en uitvoering van beoogde activiteiten; f. f. de kansen en mogelijke risico’s van deelname aan praktijkproeven door leden van het samenwerkingsverband en derden en de wijze waarop deze risico’s gemitigeerd worden. **4.** De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, bevat ten minste een omschrijving van de wijze waarop ten aanzien van de deelnemers in het samenwerkingsverband wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten. ### Artikel 2.25.12 **1.** De penvoerder dient jaarlijks uiterlijk op 1 november een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en een planning voor het komende jaar. **2.** Een tussenrapportage en eindverslag bevatten ten minste de volgende gegevens: a. a. de behaalde (deel)resultaten van uitgevoerde praktijkproeven, de effecten van uitgevoerde praktijkproeven op het beoogde doelbereik en de geleerde lessen met betrekking tot gebiedsvisie op toekomstbestendige land- of tuinbouw; b. b. het aantal betrokken partijen, specifiek het aantal en type agrarische ondernemers, bij de uitvoering van praktijkproeven; c. c. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers; d. d. de wijze waarop invulling is gegeven aan regionale samenwerking en netwerkvorming; e. e. het aantal en soort investeringen en het gebruik hiervan. **3.** De resultaten en tussenresultaten van de praktijkproeven worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform vanaf de einddatum van de subsidie of vanaf de datum waarop informatie over de resultaten wordt gegeven aan leden van een specifieke organisatie. **4.** De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van de subsidie. **5.** Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform. **6.** De subsidieontvanger neemt binnen één jaar na de beschikking tot subsidieverlening deel aan het Nationaal Platform Experimenteerlocaties. ### Artikel 2.25.13 Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van: a. a. een afschrift van de factuur en het betalingsbewijs voor investeringen als bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c; b. b. een document waaruit blijkt of investeringen, en voor zover van toepassing, managementmaatregelen of een combinatie hiervan als bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, in gebruik zijn genomen. ### Artikel 2.25.14 De subsidie, bedoeld in artikel 2.25.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel a, door artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel b, door de artikelen 32 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid, onderdeel c, door de artikelen 14 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; d. d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.25.2, eerste lid onderdeel d, door artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. ### Artikel 2.25.15 Deze titel vervalt met ingang van 2 december 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.26. Sanering garnalenvisserij ### Artikel 2.26.1 **1.** In deze titel wordt verstaan onder: - *basisverordening:* verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354); - *CFR-nummer:* CFR (common fleet register)-nummer als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34); - *controleverordening:* verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PbEU 2009, L 343); - *eigenaar van een vissersvaartuig:* de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het eigendom heeft van een vissersvaartuig en onder wiens naam het in het visserijregister is ingeschreven; - *garnaal:* garnaal als bedoeld in artikel 1, onder u, van de Uitvoeringsregeling visserij; - *garnalenvergunning:* een vergunning als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij; - *gemeenschappelijk visserijbeleid:* gemeenschappelijk visserijbeleid als bedoeld in de basisverordening; - *logboekgegevens:* de gegevens die overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de controleverordening zijn verstrekt; - *schriftelijke toestemming:* schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Visserijwet 1963; - *verordening (EU) 2021/1139:* verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247); - *vis:* vis als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Visserijwet 1963; - *visserijactiviteit:* visserijactiviteit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 28, van de basisverordening; - *vismachtiging:* machtiging als bedoeld in artikel 7 van de controleverordening; - *visserijregister:* register als bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998; - *vissersvaartuig:* vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4 van de basisverordening, dat is ingeschreven in het visserijregister; - *visvergunning:* vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de controleverordening. - *zeedag:* zeedag als bedoeld in de bijlage bij artikel 1 van gedelegeerd besluit (EU) 2021/1167 van de Commissie van 27 april 2021 tot vaststelling van het meerjarenprogramma van de Unie voor de verzameling en het beheer van biologische, ecologische, technische en socio-economische gegevens in de visserij- en de aquacultuursector vanaf 2022 (PbEU 2021, L 253). ### Artikel 2.26.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor de definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten met dat vissersvaartuig, door sloop van dat vissersvaartuig. **2.** De subsidie wordt uitsluitend verleend indien: a. a. uit de logboekgegevens blijkt dat de totale hoeveelheid vis die met het vissersvaartuig in het kalenderjaar 2022, 2023 of 2024 is gevangen, uitgedrukt in kilogrammen levend gewicht, voor ten minste 70 procent uit garnalen bestaat. b. b. het vissersvaartuig op 1 januari 2024 stond geregistreerd in het visserijregister; c. c. het vissersvaartuig op 6 oktober 2025 in eigendom is van de subsidieaanvrager en nadien in zijn eigendom is gebleven; d. d. uit de logboekgegevens blijkt dat met het vissersvaartuig in de twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de aanvraag gedurende ten minste 58 dagen per jaar visserijactiviteiten zijn bedreven; e. e. op 6 oktober 2025 voor het vaartuig een garnalenvergunning geldt en deze garnalenvergunning nadien niet is gewijzigd of overgedragen; f. f. de op 6 oktober 2025 voor het vissersvaartuig geldende visvergunning, vismachtigingen en schriftelijke toestemmingen nadien niet zijn gewijzigd; g. g. de eigenaar heeft verklaard dat, ingeval de subsidie wordt verleend, hij voldoet aan de verplichtingen van artikel 2.26.9, dat de subsidie niet wordt besteed aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan artikel 18 van verordening (EU) 2021/1139, en dat hij ervan op de hoogte is dat: 1°. de garnalenvergunning, de visvergunning en de vismachtigingen die ten behoeve van het vissersvaartuig zijn verleend, overeenkomstig artikel 70, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij, onderscheidenlijk artikel 96, eerste lid, en artikel 100, eerste lid van de Uitvoeringsregeling zeevisserij worden ingetrokken; en 2°. de schriftelijke toestemmingen die voor het vissen met het vissersvaartuig zijn verleend worden ingetrokken; 1°. 1°. de garnalenvergunning, de visvergunning en de vismachtigingen die ten behoeve van het vissersvaartuig zijn verleend, overeenkomstig artikel 70, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij, onderscheidenlijk artikel 96, eerste lid, en artikel 100, eerste lid van de Uitvoeringsregeling zeevisserij worden ingetrokken; en 2°. 2°. de schriftelijke toestemmingen die voor het vissen met het vissersvaartuig zijn verleend worden ingetrokken; h. h. in het geval dat een pandrecht op een garnalenvergunning of vismachtiging is geregistreerd bij de minister, de pandhouder heeft verklaard dat de registratie van het pandrecht wordt beëindigd indien de subsidie verleend wordt. ### Artikel 2.26.3 **1.** De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het subsidiebedrag per zeedag, genoemd in bijlage 2.26, vermenigvuldigd met het hoogste aantal zeedagen per kalenderjaar dat blijkens de logboekgegevens met het vissersvaartuig in een van de kalenderjaren 2021, 2022, 2023 of 2024 is gemaakt, te verminderen met het bedrag per brutotonnage van het vaartuig, genoemd in bijlage 2.26, vermenigvuldigd met de brutotonnage van het vaartuig. **2.** De brutotonnage van het vissersvaartuig, bedoeld in het eerste lid, is de brutotonnage die op 6 oktober 2025 bij het vissersvaartuig was vermeld in het visserijregister. **3.** De subsidie wordt verminderd met de vergoeding die de subsidieontvanger, na aftrek van de sloopkosten, ontvangt van het sloopbedrijf voor het vissersvaartuig. **4.** Indien het vissersvaartuig verloren gaat op een tijdstip tussen het moment van subsidieverlening en het moment waarop het vissersvaartuig voor sloop wordt overgedragen aan het sloopbedrijf, wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag van de door de verzekering uitgekeerde vergoeding. ### Artikel 2.26.4 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 2.26.5 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is één jaar na de subsidieverlening. **2.** De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de subsidieaanvrager eenmaal met ten hoogste één jaar verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is. ### Artikel 2.26.6 Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening indien: a. a. hij het onaannemelijk acht dat de subsidieaanvrager tijdig zal voldoen aan de verplichtingen van artikel 2.26.9, eerste tot en met vierde, zevende en negende lid; b. b. het vaartuig op het moment van subsidieverlening niet staat ingeschreven in het visserijregister; c. c. het vaartuig op het moment van subsidieverlening niet in eigendom is van de subsidieaanvrager; d. d. de subsidieaanvrager op het moment van de subsidieverlening niet beschikt over een garnalenvergunning die ten behoeve van het vaartuig is verleend; e. e. toekenning van de subsidie leidt tot een schending van het toepasselijke Unierecht, waaronder situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader. ### Artikel 2.26.7 Een aanvraag voor subsidieverlening op grond van artikel 2.26.2 bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam van de eigenaar van een vissersvaartuig, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. het CFR-nummer van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd; d. d. de verklaring van de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.26.2, tweede lid, onderdeel g; e. e. logboekgegevens over de kalenderjaren 2021, 2022, 2023 en 2024, voor zover het vissersvaartuig gedurende die kalenderjaren of delen daarvan onder buitenlandse vlag heeft gevaren; en f. f. indien een pandrecht op een garnalenvergunning of vismachtiging is geregistreerd bij de minister, een verklaring als bedoeld in artikel 2.26.2, tweede lid, onderdeel h. ### Artikel 2.26.8 **1.** In afwijking van de artikelen 45 tot en met 47 van het besluit verstrekt de minister ambtshalve één voorschot. **2.** Het voorschot wordt ambtshalve verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. **3.** Het voorschot bedraagt 10% van het subsidiebedrag. ### Artikel 2.26.9 **1.** De subsidieontvanger is verplicht om vóór de aanvraag tot subsidievaststelling ervoor zorg te dragen dat: a. a. het vissersvaartuig is gesloopt; b. b. de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is doorgehaald overeenkomstig artikel 195 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek; c. c. het sloopbedrijf een sloopverklaring afgeeft waarvoor door de minister een model ter beschikking wordt gesteld; en d. d. overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, mededeling wordt gedaan dat het vissersvaartuig niet meer gebruikt wordt als vissersvaartuig en is gesloopt. **2.** De subsidieontvanger schrijft vanaf de dag dat de subsidie is aangevraagd tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de subsidievaststelling geen vissersvaartuig in het visserijregister in. **3.** In de termijn, genoemd in het tweede lid, verhoogt de subsidieontvanger niet de vangstcapaciteit van een ander vaartuig, vraagt hiervoor geen visvergunning aan en vraagt geen garnalenvergunning voor een ander vaartuig aan. **4.** Indien de subsidieontvanger deel uitmaakt van een groep, draagt de subsidieontvanger er tevens zorg voor dat de andere ondernemingen die deel uitmaken van die groep, of die binnen vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling deel uitmaken van die groep, tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid. **5.** De verplichtingen, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, berusten in het geval van opheffing van de rechtspersoon die de subsidieontvanger is, gedurende de in die leden genoemde periode, bij de uiteindelijk begunstigde of de uiteindelijk begunstigden van de subsidie. **6.** De verplichtingen, genoemd in het eerste lid, gelden niet in de situatie, bedoeld in artikel 2.26.10, vierde lid. **7.** De subsidieontvanger onthoudt zich tot vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling van gedragingen die leiden tot situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader. **8.** De verplichtingen van de artikelen 39 en 40 van het besluit zijn niet van toepassing. **9.** De subsidieontvanger besteedt de subsidie niet aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan de in artikel 18 van verordening (EU) 2021/1139 gestelde eisen. ### Artikel 2.26.10 **1.** Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van: a. a. de overeenkomst met het sloopbedrijf, waaruit blijkt welke vergoeding de subsidieontvanger, na aftrek van de sloopkosten, ontvangt van het sloopbedrijf voor het ter sloop overgedragen vissersvaartuig; b. b. een afschrift waaruit blijkt dat de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers is doorgehaald; en c. c. een sloopverklaring als bedoeld in artikel 2.26.9, eerste lid, onderdeel c. **2.** In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit behoeft de aanvraag niet vergezeld te gaan van een controleverklaring. **3.** De minister kan ten behoeve van de vaststelling van de subsidie bij de subsidieontvanger aanvullende informatie of bewijsstukken opvragen die nodig zijn om te beoordelen of voldaan is aan de bij deze regeling gestelde eisen. **4.** In afwijking van het eerste lid wordt, indien het vissersvaartuig verloren gegaan is op een tijdstip tussen het moment van subsidieverlening en het moment waarop het vissersvaartuig voor sloop wordt aangeboden, bij de aanvraag tot subsidievaststelling meegezonden: a. a. een bewijs van het verloren gaan van het vissersvaartuig meegezonden; b. b. een afschrift waaruit blijkt dat de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers is doorgehaald; en c. c. een verklaring van de verzekeringsmaatschappij omtrent de hoogte van de door de verzekering uitgekeerde vergoeding. ### Artikel 2.26.11 De subsidie, bedoeld in artikel 2.26.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de staatssteunmaatregel SA.117742 (2025/N). ### Artikel 2.26.12 Deze titel en bijlage 2.26 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 2.27. Afzet van biologische landbouwproducten ### Artikel 2.27.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *afzet van biologische landbouwproducten:* afzet van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 35, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw die van biologische productie afkomstig zijn zoals bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van Verordening (EU) 2018/848; a. *biologisch samenwerkingsverband:* een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, niet zijnde een operationele groep als bedoeld in artikel 5.6.1. van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021, dat: a. gericht is op het bevorderen van de biologische landbouw en van de afzet van biologische landbouwproducten; b. bestaat uit ten minste twee niet in een groep verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. is opgericht ten behoeve van de samenwerking als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; en d. voldoet aan artikel 32, zevende lid van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; a. a. gericht is op het bevorderen van de biologische landbouw en van de afzet van biologische landbouwproducten; b. b. bestaat uit ten minste twee niet in een groep verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; c. c. is opgericht ten behoeve van de samenwerking als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; en d. d. voldoet aan artikel 32, zevende lid van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; - *onderzoeksorganisatie:* organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; - *verordening (EU) 2018/848:* verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 (PbEU 2018, L 150); - *verordening (EU) 2021/2115:* verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435); - *verordening (EU) 1308/2013:* verordening (EU) 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347). ### Artikel 2.27.2 **1.** De Minister verleent op aanvraag van een penvoerder subsidie aan een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband voor de uitvoering van een project, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw dat gericht is op het vergroten van de afzet van biologische landbouwproducten. **2.** Een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie als bedoeld in het eerste lid in aanmerking, indien: a. a. de deelnemer een kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; b. b. de deelnemer overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is ingeschreven; c. c. de deelnemer gedurende de looptijd van de module aan ten hoogste twee projecten als bedoeld in het eerste lid deelneemt; d. d. aan de deelnemer ten hoogste twee maal subsidie op grond van het eerste lid is verstrekt. **3.** De penvoerder is deelnemer van het biologisch samenwerkingsverband. **4.** Indien in een biologisch samenwerkingsverband een landbouwer deelneemt, dient deze biologisch gecertificeerd te zijn als bedoeld in hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/848 dan wel in omschakeling naar biologische productie als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) 2018/848. **5.** Het project, bedoeld in het eerste lid draagt bij aan ten minste één van de doelstellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a, b, e of i, en aan de doelstelling bedoeld in artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) 2021/2115. ### Artikel 2.27.3 **1.** De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten per project doch ten minste € 100.000 en ten hoogste € 500.000 per project. **2.** Een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband dat in aanmerking komt voor subsidie ontvangt van de Minister ten minste € 25.000 per project. ### Artikel 2.27.4 **1.** Voor subsidie komen uitsluitend kosten ten behoeve van het project, bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, in aanmerking voor zover deze zien op: a. a. uitvoeringskosten, voor zover het de volgende activiteiten betreft: 1°. coördinatie van het biologisch samenwerkingsverband; 2°. operationele activiteiten die direct verbonden zijn aan de uitvoering van het project; 3°. projectmanagement en projectadministratie; 1°. 1°. coördinatie van het biologisch samenwerkingsverband; 2°. 2°. operationele activiteiten die direct verbonden zijn aan de uitvoering van het project; 3°. 3°. projectmanagement en projectadministratie; b. b. kosten voor de organisatie van promotie- en voorlichtingsacties die direct verbonden zijn aan de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, inhoudende: 1°. workshops, conferenties, of voorlichtingsacties gericht op vaardigheden van ondernemingen als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid onderdeel a, en 21, derde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; 2°. het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; of 3°. publicaties om biologische landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. 1°. 1°. workshops, conferenties, of voorlichtingsacties gericht op vaardigheden van ondernemingen als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid onderdeel a, en 21, derde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; 2°. 2°. het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; of 3°. 3°. publicaties om biologische landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. **2.** De kosten voor symbolische prijzen, als bedoeld in artikel 24, vierde lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen voor subsidie slechts in aanmerking indien de prijs werkelijk is uitgereikt en na voorlegging van een bewijs van die uitreiking. **3.** Voor subsidie komen niet in aanmerking: a. a. voorbereidingskosten, betreffende de oprichting van een biologisch samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan; b. b. certificeringskosten als bedoeld in artikel 34, zevende lid, van Verordening (EU) 2018/848. ### Artikel 2.27.5 De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 2.27.6 **1.** Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverstrekking. **2.** Het project is uiterlijk 3 jaar na subsidieverlening afgerond. ### Artikel 2.27.7 **1.** Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld middel. **2.** Door een biologisch samenwerkingsverband kan maximaal één aanvraag worden ingediend voor een project, bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid. ### Artikel 2.27.8 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, indien: a. a. de subsidie minder bedraagt dan € 100.000 per project; b. b. in de aanvraag onvoldoende is onderbouwd hoe het project bijdraagt aan het realiseren van verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten; c. c. op grond van: 1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, minder dan zeven punten zijn toegekend; 2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend; 3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend; 4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, minder dan vier punten zijn toegekend; 1°. 1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, minder dan zeven punten zijn toegekend; 2°. 2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend; 3°. 3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend; 4°. 4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, minder dan vier punten zijn toegekend; d. d. voor het project op grond van titel 5.6 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 reeds subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan; e. e. in het biologisch samenwerkingsverband een onderzoeksorganisatie deelneemt; f. f. indien de subsidie aan een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband op grond van artikel 2.27.4 minder bedraagt dan € 25.000 per project; g. g. met de uitvoering van het project is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend; h. h. het project betrekking heeft op de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder d en e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw waarbij er tussen de landbouwer en de consument meer dan één intermediair is; i. i. de verlening van subsidie in strijd zou zijn met de artikelen 206 tot en met 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013; j. j. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; k. k. de in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, bedoelde publicatie verwijst naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; l. l. de subsidie gebruikt wordt om de prijs van biologische landbouwproducten te verlagen. ### Artikel 2.27.9 **1.** De Minister kent aan een aanvraag, op basis van het bijbehorende projectplan, een aantal punten toe en dat is hoger naarmate: a. a. de impact op de afzet van biologische landbouwproducten door het project is onderbouwd; b. b. met het projectplan is onderbouwd hoe verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten wordt gerealiseerd; c. c. aan het samenwerkingsverband deelnemers deelnemen met expertise, kennis of ervaring met biologische landbouwproducten; d. d. is onderbouwd dat het project vernieuwend is. **2.** De Minister kent per criterium als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, ten minste één en ten hoogste tien punten toe. ### Artikel 2.27.10 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. **2.** Onverminderd het eerste lid, bevat een aanvraag voor subsidie ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. gegevens van de ondernemingen die geen aanvrager zijn en deelnemen in het samenwerkingsverband; d. d. een projectplan, inclusief beschrijving van het project, de beoogde activiteiten en activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de wijze van uitvoering daarvan, de rol en de taken van de bij de uitvoering van de betrokken partijen, een planning, de start- en einddatum, en een begroting; e. e. de samenwerkingsovereenkomst; f. f. een onderbouwing van hoe verbetering van de afzet van biologische producten met het project wordt beoogd en de te verwachten resultaten; g. g. een beschrijving van de expertise, kennis en ervaring van de deelnemers aan het biologisch samenwerkingsverband en hoe dit bijdraagt aan de te verwachten resultaten als bedoeld in onderdeel f; h. h. een beschrijving in hoeverre het project vernieuwend is ten opzichte van al bestaande initiatieven; i. i. bewijsstukken waarmee wordt aangetoond dat de activiteit als bedoeld in artikel 2.27.4, onderdeel b, daadwerkelijk zal plaatsvinden. **3.** De projectbegroting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, bevat ten minste: a. a. de omvang van de gevraagde subsidie per deelnemer in het biologisch samenwerkingsverband met, indien van toepassing, een overzicht van de uren die de deelnemer gaat besteden aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd: b. b. de totale kosten van het project: c. c. onderbouwde informatie over de wijze waarop de deelnemers van het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren. **4.** De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, bevat ten minste een overzicht van de aan het biologisch samenwerkingsverband deelnemende partijen en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemers, alsmede een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is om namens de deelnemers aan het biologisch samenwerkingsverband te handelen. **5.** Bij een aanvraag om subsidie wordt mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt gefinancierd. ### Artikel 2.27.11 **1.** In de in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, bedoelde publicatie mag niet worden verwezen naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; **2.** Als de activiteit als bedoeld in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, door producentengroeperingen en -organisaties wordt uitgevoerd, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde voor deelname zijn. **3.** Bijdragen van niet-leden in de administratiekosten van de betrokken producentengroepering of -organisatie als bedoeld in het derde lid, zijn beperkt tot de kosten van de uitvoering van de betreffende activiteit als bedoeld in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°. ### Artikel 2.27.12 De subsidie bedoeld in artikel 2.27.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw. ### Artikel 2.27.13 Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 2.28. Hygiënisatie- en drooginstallaties ### Artikel 2.28.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *benchmark:* het energiegebruik uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product per basistechniek zoals beschreven in bijlage 2.28.1; - *dierlijke meststoffen:* dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet; - *drooginstallatie:* een systeem voor mestbewerking, waarbij gebruik wordt gemaakt van een werkingsprincipe en basistechniek zoals beschreven in bijlage 2.28.1, tabel 2; - *definitieve erkenning:* definitieve erkenning bedoeld in artikel 44, tweede lid, van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009; - *energie uit hernieuwbare energiebronnen:* energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 109, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *hygiënisatie-installatie:* een systeem voor mestbewerking, waarbij gebruik wordt gemaakt van een werkingsprincipe en basistechniek zoals beschreven in bijlage 2.28.1, tabel 1; - *intermediaire onderneming:* onderneming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder o, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; - *leverancier van meststoffen:* leverancier van meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder u, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; - *mestbewerking:* het behandelen van dierlijke meststoffen waardoor de eigenschappen veranderen, maar het eindproduct een dierlijke meststof blijft; - *pluimveemest:* dierlijke mest van kalkoenen en kippen; - *voorwaardelijke erkenning:* voorwaardelijke erkenning bedoeld in artikel 44, tweede lid, van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009. ### Artikel 2.28.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject betreffende een investering of combinatie van investeringen die bestemd is respectievelijk zijn voor: a. a. de inrichting van een hygiënisatie-installatie; of b. b. de inrichting van een drooginstallatie. **2.** Een intermediaire onderneming dient maximaal één aanvraag gedurende de termijn als bedoeld in artikel 2.28.15 voor subsidie voor de uitvoering van een investeringsproject in. ### Artikel 2.28.3 **1.** De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten. **2.** Onverminderd het eerste lid bedraagt het subsidiebedrag minimaal € 60.000 en maximaal € 1.000.000 per investeringsproject. ### Artikel 2.28.4 **1.** Voor subsidie komen uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. **2.** Onverminderd het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: a. a. kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen; b. b. kosten voor het bouwrijp maken van de grond, inclusief de kosten voor de sloop van aanwezige bebouwing; c. c. advieskosten omtrent bouwtekeningen; en d. d. kosten voor het transport of anderszins voor de aan- of aanvoer van mestproducten. ### Artikel 2.28.5 **1.** De minister verdeelt het plafond voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a, en het plafond voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel b, op volgorde van rangschikking van de desbetreffende aanvragen. **2.** Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a, of artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel b, lager is dan het subsidieplafond dat voor de desbetreffende soort projecten is vastgesteld, wordt het voor het ene soort projecten overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor het andere soort projecten toegevoegd. **3.** Bij onderuitputting van beide subsidieplafonds wordt het overblijvende bedrag van het andere subsidieplafond toegevoegd aan het subsidieplafond van het project dat bezien over beide rangschikkingen de meeste punten heeft van de nog niet voor subsidie in aanmerking gekomen projecten. Bij een gelijk aantal punten van de hoogstgenoteerde projecten in elk van beide rangschikkingen, wordt het voor projecten als bedoeld in artikel 2.28.2 eerste lid, onderdeel b, overblijvende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor projecten, als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a. ### Artikel 2.28.6 **1.** Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd investeringsproject wordt gestart binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is één jaar. **3.** In uitzonderlijke gevallen kan de minister op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen tot een termijn van maximaal twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. ### Artikel 2.28.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien: a. a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject; b. b. de intermediaire onderneming niet beschikt over: 1°. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; 2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject; 1°. 1°. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; 2°. 2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject; c. c. het investeringsproject niet een werkingsprincipe of basistechniek betreft, zoals opgenomen in bijlage 2.28.1; d. d. de bewerkingscapaciteit door het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet toeneemt; e. e. de voor subsidie in aanmerking komende kosten lager zijn dan € 150.000; of f. f. uit de beschrijving van het mestbewerkingsproces blijkt dat de massa van te bewerken mest voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat. ### Artikel 2.28.8 **1.** De minister kent aan een investeringsproject een hoger aantal punten toe, naarmate: a. a. de kosteneffectiviteit van het investeringsproject hoger is; b. b. het energieverbruik van het investeringsproject lager is dan de benchmark; en. c. c. meer energie uit hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. **3.** Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 15, voor het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 4 en voor het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 1. **4.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het investeringsproject zijn toegekend. **5.** Indien onder het desbetreffende subsidieplafond aan twee of meer aanvragen voor een investeringsproject in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor onderdeel c van het eerste lid. ### Artikel 2.28.9 **1.** De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat hij gedurende de gehele looptijd van het investeringsproject: a. a. volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject; en b. b. met de door het investeringsproject te realiseren hygiënisatie- of drooginstallatie de massa van te bewerken mest niet voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat. **2.** De subsidieontvanger beschikt gedurende de gehele looptijd van het investeringsproject over: a. a. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; en b. b. de vergunningen, als bedoeld in artikel 2.28.7, onderdeel b, onder 2°. ### Artikel 2.28.10 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.28.2 bevat tenminste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie tenminste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de intermediaire onderneming, het nummer waarmee de intermediaire onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het IBAN nummer; en b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres. **3.** De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: a. a. een kopie van de vergunningen, bedoeld in artikel 2.28.7, onderdeel b, onder 2°.; b. b. een omschrijving van het investeringsproject; c. c. een beschrijving van het mestbewerkingsproces; d. d. een financieringsplan voor het investeringsproject; e. e. een begroting van het investeringsproject; en f. f. een beschrijving van de hoeveelheid ton bewerkt eindproduct per jaar vóór de aanvang van het investeringsproject. **4.** De beschrijving van het mestbewerkingsproces, bedoeld in het derde lid, onder c, dient te bestaan uit: a. a. een beschrijving van de soorten dierlijke meststoffen die worden bewerkt, waarbij de hoeveelheden dierlijke meststoffen in kilogram en in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar worden uitgedrukt, en indien van toepassing een beschrijving van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen; b. b. een beschrijving van het productieproces, waaronder: 1°. een toelichting op het gekozen werkingsprincipe en de gekozen basistechniek, die in bijlage 2.28.1 bij deze regeling zijn opgenomen; 2°. de volgorde waarin deze processtappen binnen het gekozen proces worden toegepast; 3°. een beschrijving van de hoeveelheid ton bewerkt eindproduct per jaar gedurende de realisatie van het investeringsproject; 4°. een massabalans betreffende water, droge stof, stikstof en fosfaat van de in- en uitvoerstromen voor het totale proces en voor elke processtap; en 5°. het energieverbruik uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product en een onderbouwing daarvan, inclusief documenten van de leverancier van de hygiënisatie- of drooginstallatie en documenten waarin wordt ingegaan op het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen en het verbruik daarvan door de intermediaire onderneming. 1°. 1°. een toelichting op het gekozen werkingsprincipe en de gekozen basistechniek, die in bijlage 2.28.1 bij deze regeling zijn opgenomen; 2°. 2°. de volgorde waarin deze processtappen binnen het gekozen proces worden toegepast; 3°. 3°. een beschrijving van de hoeveelheid ton bewerkt eindproduct per jaar gedurende de realisatie van het investeringsproject; 4°. 4°. een massabalans betreffende water, droge stof, stikstof en fosfaat van de in- en uitvoerstromen voor het totale proces en voor elke processtap; en 5°. 5°. het energieverbruik uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product en een onderbouwing daarvan, inclusief documenten van de leverancier van de hygiënisatie- of drooginstallatie en documenten waarin wordt ingegaan op het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen en het verbruik daarvan door de intermediaire onderneming. c. c. een beschrijving van de eindproducten van het productieproces, waarbij per eindproduct: 1°. een inschatting wordt gegeven van de hoeveelheden uitgedrukt in kilogram per kalenderjaar; en 2°. de samenstelling wordt uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar. 1°. 1°. een inschatting wordt gegeven van de hoeveelheden uitgedrukt in kilogram per kalenderjaar; en 2°. 2°. de samenstelling wordt uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar. **5.** Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid verklaart de intermediaire onderneming dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld. ### Artikel 2.28.11 Indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, verstrekt de minister de subsidieontvanger: a. a. een voorschot tot 50% van het subsidiebedrag na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening; b. b. een voorschot tot 75% van het subsidiebedrag na ontvangst van een document waaruit blijkt dat de hygiënisatie- of drooginstallatie in gerealiseerd, voorzien van de datum waarop de hygiënisatie- of drooginstallatie is gerealiseerd; en c. c. indien van toepassing, een voorschot tot 90% van het subsidiebedrag na ontvangst van de verkregen voorwaardelijk erkenning, als geen sprake is van een al bestaande definitieve erkenning waaronder de hygiënisatie- of drooginstallatie past. ### Artikel 2.28.12 Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval: a. a. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject; b. b. een document waaruit blijkt dat de hygiënisatie- of drooginstallatie in gebruik is genomen voorzien van de datum waarop de hygiënisatie- of drooginstallatie in gebruik is genomen; en c. c. de verkregen definitieve erkenning of een al bestaande definitieve erkenning. ### Artikel 2.28.13 **1.** In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan de minister een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd. **2.** Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de waarde van de met de subsidie verkregen eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de financiële vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat, in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen, wordt uitgegaan van het bedrag dat de instelling als schadevergoeding ontvangt. **3.** Toepassing van het eerste lid blijft achterwege, als het investeringsproject, na toestemming van de minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa om niet aan die rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen. ### Artikel 2.28.14 De subsidie, bedoeld in artikel 2.28.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 2.28.15 Deze titel en bijlage 2.28.1 vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ## Hoofdstuk 3. Innovatie en ondernemerschap ### Titel 3.1. Algemene bepaling ### Artikel 3.1.1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60. ### Titel 3.2. PPS-innovatie #### Paragraaf 3.2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 3.2.1 In deze titel wordt verstaan onder: a. *innovatieactiviteiten:* ondersteunende activiteiten, gericht op het betrekken van MKB-ondernemers bij een samenwerkingsproject of het stimuleren van de valorisatie van de kennis op het terrein van een PPS-programma, bestaande uit: a. netwerkactiviteiten, bestaande uit voor ieder openstaande masterclasses, workshops, conferenties of het delen of uitwisselen van informatie via een website om kennisdeling en het netwerken tussen MKB-ondernemers te bevorderen, of b. innovatieadviesdiensten, uitgezonderd opleiding, verstrekt aan een MKB-ondernemer door een innovatiemakelaar; a. a. netwerkactiviteiten, bestaande uit voor ieder openstaande masterclasses, workshops, conferenties of het delen of uitwisselen van informatie via een website om kennisdeling en het netwerken tussen MKB-ondernemers te bevorderen, of b. b. innovatieadviesdiensten, uitgezonderd opleiding, verstrekt aan een MKB-ondernemer door een innovatiemakelaar; - *innovatiemakelaar:* een verstrekker van innovatieadviesdiensten; a. *private inzet in natura:* op geld waardeerbare inbreng in een samenwerkingsproject die: a. niet direct of indirect afkomstig is van een onderzoeksorganisatie of een openbaar lichaam als bedoeld in de definitie van private bijdrage; en b. wordt berekend op basis van een voor de deelnemers aan een samenwerkingsproject gebruikelijke en controleerbare methode, die gebaseerd is op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de deelnemers aan een samenwerkingsproject stelselmatig toepassen; a. a. niet direct of indirect afkomstig is van een onderzoeksorganisatie of een openbaar lichaam als bedoeld in de definitie van private bijdrage; en b. b. wordt berekend op basis van een voor de deelnemers aan een samenwerkingsproject gebruikelijke en controleerbare methode, die gebaseerd is op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de deelnemers aan een samenwerkingsproject stelselmatig toepassen; - *KIA:* meerjarige kennis- en innovatieagenda waarin de ambities en doelen binnen het veld van publiek-private samenwerkingen op een specifiek terrein zijn beschreven, en die het vertrekpunt vormt voor verdere uitwerking van onderzoeksprogrammering en innovatieontwikkeling met onder andere onderzoeksorganisaties en ondernemingen; - *PPS-programmasubsidie:* subsidie aan een TKI ter uitvoering van een PPS-programma door middel van aanwending door het TKI van de ontvangen subsidie voor uitsluitend samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten die passen binnen het PPS-programma; a. *private bijdrage:* geldmiddelen, die niet direct of indirect afkomstig zijn van: a. een onderzoeksorganisatie met inbegrip van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, b. een openbaar lichaam; a. a. een onderzoeksorganisatie met inbegrip van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, b. b. een openbaar lichaam; a. *samenwerkingsproject:* project dat: a. in daadwerkelijke samenwerking plaatsvindt; b. door minimaal twee deelnemers waaronder een onderzoeksorganisatie en een ondernemer wordt uitgevoerd; en c. bestaat uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan; a. a. in daadwerkelijke samenwerking plaatsvindt; b. b. door minimaal twee deelnemers waaronder een onderzoeksorganisatie en een ondernemer wordt uitgevoerd; en c. c. bestaat uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan; - *TKI:* Topconsortium voor Kennis en Innovatie, zijnde een rechtspersoon die als zodanig is genoemd in de wet houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van het kalenderjaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 3.2.2, wordt ingediend; a. *PPS-programma:* op onderzoek en innovatie gericht meerjarig programma van een TKI dat van start gaat met ingang van de eerste januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag voor PPS-programmasubsidie betrekking heeft: a. dat weergeeft welke inhoudelijke koers het TKI wil voeren voor kennisontwikkeling en -toepassing in het kader van een KIA op het specifieke terrein waarop het TKI primair actief is en in voorkomend geval ook in het kader van een of meer andere KIA’s; en b. houdende de samenwerkingsprojecten en, in voorkomend geval, innovatieactiviteiten van het TKI die binnen dit programma passen. a. a. dat weergeeft welke inhoudelijke koers het TKI wil voeren voor kennisontwikkeling en -toepassing in het kader van een KIA op het specifieke terrein waarop het TKI primair actief is en in voorkomend geval ook in het kader van een of meer andere KIA’s; en b. b. houdende de samenwerkingsprojecten en, in voorkomend geval, innovatieactiviteiten van het TKI die binnen dit programma passen. #### Paragraaf 3.2.2. PPS-programmasubsidie ### Artikel 3.2.2 De minister verstrekt op aanvraag PPS-programmasubsidie aan een TKI. ### Artikel 3.2.3 De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.2.4 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor PPS-programmasubsidie indien: a. a. het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister onvoldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de KIA of KIA’s die het TKI ingevolge artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d, onder 1°, in het PPS-programma heeft aangewezen; b. b. Het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister kwalitatief onvoldoende is, gelet op de wijze van de uitwerking in het PPS-programma van de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d. ### Artikel 3.2.5 **1.** Het TKI wendt de PPS-programmasubsidie voor samenwerkingsprojecten zodanig aan dat: a. a. er geen overschrijding plaatsvindt van de aanmeldingsdrempel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor fundamenteel of industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; b. b. het samenwerkingsproject of een onderdeel hiervan waarvoor het TKI de aangevraagde PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden, niet reeds is gestart of niet zal starten voorafgaand aan die aanwending van de PPS-programmasubsidie door het TKI; c. c. wordt voldaan aan de voorwaarden in paragraaf 2.2.2, onderdeel 29, onder b, c of d, in samenhang met onderdeel 30, van de O&O&I-kaderregeling; d. d. het totale bedrag aan steun dat voor een deelnemer in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan: 1°. 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; 3°. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 1°. 1°. 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 2°. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; 3°. 3°. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; e. e. het totale bedrag dat voor een onderzoeksorganisatie in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van de onderzoeksorganisatie in de vorm van onafhankelijk uitgevoerd fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van die vormen van onderzoek, en deze niet-economische activiteiten in de boekhouding van deze onderzoeksorganisatie ook als zodanig zijn opgenomen; f. f. verzekerd is dat ondernemers en onderzoeksorganisaties onder transparante en redelijke voorwaarden in aanmerking komen voor deelname aan samenwerkingsprojecten die bijdragen aan het PPS-programma; g. g. de subsidie uitsluitend wordt aangewend indien het bestaan van het samenwerkingsproject, en de verschuldigdheid van private bijdragen en private inzet in natura daaraan, kan worden aangetoond aan de hand van een schriftelijke ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin tevens de wijze is beschreven waarop deelnemers aan het samenwerkingsproject zullen omgaan met de intellectuele eigendomsrechten die voortkomen uit dit project; en h. h. de subsidie uitsluitend wordt ingezet indien het samenwerkingsproject bijdraagt aan de Nederlandse kennisinfrastructuur. **2.** De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** Het percentage, genoemd in eerste lid, onderdeel d, onder 2°, wordt verhoogd met tien procentpunten, respectievelijk het percentage, genoemd in eerste lid, onderdeel d, onder 3°, wordt verhoogd met vijftien procentpunten, indien voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **4.** Het TKI wendt de PPS-programmasubsidie voor innovatieactiviteiten zodanig aan dat: a. a. bij netwerkactiviteiten: 1°. slechts aan derden verschuldigde kosten met betrekking tot de netwerkactiviteiten met PPS-programmasubsidie betaald worden; 2°. de opdrachtverlening door het TKI aan derden plaatsvindt op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven; en 3°. netwerkactiviteiten en hieruit voortkomende resultaten voor iedere MKB-ondernemer zonder onderscheid toegankelijk zijn, ofwel, indien de netwerkactiviteiten niet voortdurend en voor een ieder vrij toegankelijk zijn, per € 1.000 PPS-programmasubsidie minstens één MKB-ondernemer deelneemt aan de netwerkactiviteiten. 1°. 1°. slechts aan derden verschuldigde kosten met betrekking tot de netwerkactiviteiten met PPS-programmasubsidie betaald worden; 2°. 2°. de opdrachtverlening door het TKI aan derden plaatsvindt op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven; en 3°. 3°. netwerkactiviteiten en hieruit voortkomende resultaten voor iedere MKB-ondernemer zonder onderscheid toegankelijk zijn, ofwel, indien de netwerkactiviteiten niet voortdurend en voor een ieder vrij toegankelijk zijn, per € 1.000 PPS-programmasubsidie minstens één MKB-ondernemer deelneemt aan de netwerkactiviteiten. b. b. bij innovatieadviesdiensten: 1°. de door het TKI in te zetten innovatiemakelaars op basis van transparante en redelijke criteria geselecteerd worden; 2°. het totale bedrag aan PPS-programmasubsidie maximaal 100% bedraagt van de subsidiabele kosten verbonden aan een innovatieadviesdienst, uitgezonderd opleiding, met een maximum van € 10.000 per MKB-ondernemer over een periode van één jaar; 3°. het TKI van de in een kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie maximaal een bedrag van € 300.000 aanwendt voor innovatieadviesdiensten, of, indien 0,5% van de door het TKI in dat kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie een bedrag vertegenwoordigt van € 100.000 of meer, maximaal € 200.000 + 0,5% van die PPS-programmasubsidie; 4°. aan een MKB-ondernemer gedurende maximaal drie jaar innovatieadviesdiensten worden geleverd. 1°. 1°. de door het TKI in te zetten innovatiemakelaars op basis van transparante en redelijke criteria geselecteerd worden; 2°. 2°. het totale bedrag aan PPS-programmasubsidie maximaal 100% bedraagt van de subsidiabele kosten verbonden aan een innovatieadviesdienst, uitgezonderd opleiding, met een maximum van € 10.000 per MKB-ondernemer over een periode van één jaar; 3°. 3°. het TKI van de in een kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie maximaal een bedrag van € 300.000 aanwendt voor innovatieadviesdiensten, of, indien 0,5% van de door het TKI in dat kalenderjaar verleende PPS-programmasubsidie een bedrag vertegenwoordigt van € 100.000 of meer, maximaal € 200.000 + 0,5% van die PPS-programmasubsidie; 4°. 4°. aan een MKB-ondernemer gedurende maximaal drie jaar innovatieadviesdiensten worden geleverd. **5.** De subsidiabele kosten, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, onder 2°, zijn kosten als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **6.** Het TKI dat PPS-programmasubsidie ontvangt, neemt bij de aanwending van de PPS-programmasubsidie, indien van toepassing, de gemeenschappelijke ordening van de landbouwproducten in acht, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. **7.** De PPS-programmasubsidie wordt aangewend binnen zes jaar na verlening. ### Artikel 3.2.6 **1.** Een aanvraag voor PPS-programmasubsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor PPS-programmasubsidie ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. het bedrag aan PPS-programmasubsidie dat wordt aangevraagd; d. d. het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie wordt aangevraagd, waarin in ieder geval is beschreven: 1°. aan de verwezenlijking van welke KIA of KIA’s het PPS-programma bijdraagt en op welke wijze het PPS-programma daaraan bijdraagt; 2°. op welke wijze het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die passen binnen het PPS-programma en waarvoor het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie wil aanwenden; 3°. op welke wijze het TKI zich zal inspannen om de omvang van private bijdragen en private inzet in natura aan samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden, zo groot mogelijk te doen zijn; 4°. op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.2.10, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met het tweede lid van dat artikel; 5°. indien het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die niet alleen de kennisontwikkeling en -toepassing op het specifieke terrein van het TKI zelf raken, maar ook op het terrein van een of meer andere TKI’s en binnen andere KIA’s: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven; 6°. indien het TKI voornemens is om zich in te spannen om mkb-ondernemers aan te doen sluiten bij samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven; en 7°. indien het TKI voornemens is om PPS-programmasubsidie aan te wenden voor innovatieactiviteiten: welk deel van de totale programmasubsidie het TKI hiervoor wil aanwenden en voor welk type innovatieactiviteiten. 1°. 1°. aan de verwezenlijking van welke KIA of KIA’s het PPS-programma bijdraagt en op welke wijze het PPS-programma daaraan bijdraagt; 2°. 2°. op welke wijze het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die passen binnen het PPS-programma en waarvoor het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie wil aanwenden; 3°. 3°. op welke wijze het TKI zich zal inspannen om de omvang van private bijdragen en private inzet in natura aan samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden, zo groot mogelijk te doen zijn; 4°. 4°. op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan de verplichting, bedoeld in artikel 3.2.10, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met het tweede lid van dat artikel; 5°. 5°. indien het TKI voornemens is om samenwerkingsprojecten te identificeren of selecteren die niet alleen de kennisontwikkeling en -toepassing op het specifieke terrein van het TKI zelf raken, maar ook op het terrein van een of meer andere TKI’s en binnen andere KIA’s: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven; 6°. 6°. indien het TKI voornemens is om zich in te spannen om mkb-ondernemers aan te doen sluiten bij samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI PPS-programmasubsidie wil aanwenden: op welke wijze het TKI dit voornemen vorm wil geven; en 7°. 7°. indien het TKI voornemens is om PPS-programmasubsidie aan te wenden voor innovatieactiviteiten: welk deel van de totale programmasubsidie het TKI hiervoor wil aanwenden en voor welk type innovatieactiviteiten. ### Artikel 3.2.7 Uiterlijk 18 maanden na de startdatum van het PPS-programma waarvoor op grond van artikel 3.2.2 PPS-programmasubsidie is verleend, bepaalt het TKI voor welke samenwerkingsprojecten het de ontvangen PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden en verstrekt het TKI aan de minister, met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld, ten minste de volgende gegevens over elk van deze samenwerkingsprojecten: a. a. gegevens over elk van de deelnemers van het samenwerkingsverband dat het samenwerkingsproject uitvoert, waaronder de naam van de deelnemer, het nummer waarmee de deelnemer is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en een duiding van de rol van de deelnemer binnen het samenwerkingsproject; b. b. een samenvatting van de aard en strekking van het samenwerkingsproject, waaronder een korte beschrijving van het doel van het samenwerkingsproject, de wijze waarop dit bijdraagt aan de uitwerking van het PPS-programma, en de binnen het samenwerkingsproject te verrichten onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten; c. c. de beoogde startdatum en looptijd van het samenwerkingsproject; d. d. de omvang van de private bijdragen en private inzet in natura voor het samenwerkingsproject; e. e. een verklaring dat er een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst beschikbaar is of beschikbaar zal zijn, uiterlijk op het moment dat het TKI de ontvangen PPS-programmasubsidie daadwerkelijk aanwendt voor het desbetreffende samenwerkingsproject, uit welke samenwerkingsovereenkomst blijkt: 1°. op welk samenwerkingsproject de samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft; 2°. de omvang van private bijdragen en private inzet in natura per deelnemer aan dat samenwerkingsproject; en 3°. de wijze waarop deelnemers aan dat samenwerkingsproject zullen omgaan met intellectueel eigendom dat voorkomt uit dit project; 1°. 1°. op welk samenwerkingsproject de samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft; 2°. 2°. de omvang van private bijdragen en private inzet in natura per deelnemer aan dat samenwerkingsproject; en 3°. 3°. de wijze waarop deelnemers aan dat samenwerkingsproject zullen omgaan met intellectueel eigendom dat voorkomt uit dit project; f. f. een overzicht van de subsidiabele kosten per deelnemer van het samenwerkingsverband dat het samenwerkingsproject uitvoert, waarbij wordt aangegeven of de betreffende kosten betrekking hebben op fundamenteel onderscheidenlijk industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; g. g. de omvang van de PPS-programmasubsidie die het TKI aanwendt per deelnemer van het samenwerkingsverband dat het betreffende samenwerkingsproject uitvoert. ### Artikel 3.2.8 Onverminderd artikel 38 van het besluit, draagt het TKI zorg voor een administratie: a. a. waaruit op eenvoudige en duidelijke wijze kan worden afgeleid of en hoe de PPS-programmasubsidie wordt aangewend voor het uitvoeren van de in het PPS-programma opgenomen samenwerkingsprojecten en voor innovatieactiviteiten; en b. b. waaruit op eenvoudige wijze kennis genomen kan worden van de samenwerkingsovereenkomsten, bedoeld in artikel 3.2.7, onderdeel e. ### Artikel 3.2.9 De rapportage, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat ten minste actuele informatie over de voortgang van de uitvoering van het PPS-programma door het TKI, die ten minste een overzicht omvat van: 1°. 1°. de mate waarin de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie is of wordt aangewend, zijn gerealiseerd; 2°. 2°. de private bijdragen aan en de private inzet in natura voor deze projecten; en 3°. 3°. ingeval de PPS-programmasubsidie ook wordt aangewend voor innovatieactiviteiten: welke innovatieactiviteiten op het moment van rapportage gaande of gerealiseerd zijn en in welke mate, de aanleiding voor de desbetreffende innovatieactiviteit, alsmede de wijze waarop de desbetreffende innovatieactiviteit past binnen en een uitwerking vormt van de doelstellingen van het PPS-programma, zoals die in het PPS-programma verwoord zijn. ### Artikel 3.2.10 **1.** Het TKI zorgt dat op eenvoudige wijze voor het algemene publiek kenbaar is: a. a. het PPS-programma waarvoor PPS-programmasubsidie is verleend, uiterlijk twee weken na verlening van de programmasubsidie; b. b. actuele informatie over de samenwerkingsprojecten waarvoor de PPS-programmasubsidie wordt aangewend; en c. c. actuele informatie over de voorwaarden waaronder deelname door ondernemers en onderzoeksorganisaties aan samenwerkingsprojecten van het PPS-programma openstaat. **2.** De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, omvat ten minste een beschrijving van het onderzoek, de deelnemende ondernemers en onderzoeksorganisaties, de planning en voortgang, alsook de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de samenwerkingsprojecten worden opgedaan. ### Artikel 3.2.11 **1.** De aanvraag tot subsidievaststelling van PPS-programmasubsidie bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. gegevens over: 1°. de totale subsidiabele kosten, uitgesplitst per specifiek samenwerkingsproject, specifieke netwerkactiviteit of specifieke innovatieadviesdienst waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangewend; 2°. de omvang van de aanwending van de PPS-programmasubsidie per deelnemer in een samenwerkingsproject. 1°. 1°. de totale subsidiabele kosten, uitgesplitst per specifiek samenwerkingsproject, specifieke netwerkactiviteit of specifieke innovatieadviesdienst waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangewend; 2°. 2°. de omvang van de aanwending van de PPS-programmasubsidie per deelnemer in een samenwerkingsproject. **2.** Indien de aan een TKI verleende PPS-programmasubsidie € 125.000 of meer bedraagt, kan de aanvraag tot vaststelling van deze subsidie voor het deel van de subsidie dat is aangewend voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten, in afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, vergezeld gaan van een rapport van feitelijke bevindingen als bedoeld in artikel 50, zesde lid, van het besluit, dat met inachtneming van de voorschriften, gesteld in bijlage 3.2.1, is opgesteld. #### Paragraaf 3.2.3. Overige bepalingen PPS-programmasubsidie ### Artikel 3.2.12 De subsidie, bedoeld in artikel 3.2.2, bevat staatssteun met uitzondering van de subsidie die betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties en op netwerkactiviteiten, en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.2.13 Deze titel en bijlage 3.2.1 vervallen met ingang van 1 november 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.3. TKI MKB-versterking #### Paragraaf 3.3.1. Algemene bepalingen #### Paragraaf 3.3.2. Netwerkactiviteiten #### Paragraaf 3.3.3. Ondersteuning door innovatiemakelaars #### Paragraaf 3.3.4. Slotbepalingen ### Titel 3.4. MKB innovatiestimulering topsectoren #### Paragraaf 3.4.1. Algemene bepalingen ### Artikel 3.4.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *Adviesorganisatie:* organisatie, niet zijnde een kennisinstelling, die deskundigheid heeft op het gebied van de op grond van deze regeling te subsidiëren activiteiten, en die als bedrijfsactiviteit adviesopdrachten uitvoert; a. *kennisinstelling:* a. onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit; b. andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde: 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a, 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; d. rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b of c direct of indirect: 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft, 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of 3°. overwegende zeggenschap heeft; e. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met d; a. a. onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit; b. b. andere dan onder a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; c. c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde: 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a, 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; 1°. 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder a, 2°. 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; d. d. rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder a, b of c direct of indirect: 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft, 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of 3°. overwegende zeggenschap heeft; 1°. 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft, 2°. 2°. volledig aansprakelijk vennoot is of 3°. 3°. overwegende zeggenschap heeft; e. e. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder a tot en met d; - *MIT-haalbaarheidsproject:* een project dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie, of uit een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek; - *MIT-R&D-samenwerkingsproject:* project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband; - *MIT-R&D-samenwerkingsproject groot:* een MIT-R&D-samenwerkingsproject waarvan de subsidiabele kosten meer dan € 571.428 bedragen; - *MIT-R&D-samenwerkingsproject klein:* een MIT-R&D-samenwerkingsproject waarvan de subsidiabele kosten niet meer bedragen dan € 571.428; - *MIT-R&D-samenwerkingsverband:* verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, welk verband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een MIT-R&D-samenwerkingsproject. ### Artikel 3.4.2 **1.** De minister verstrekt op grond van deze titel op aanvraag subsidie voor activiteiten die passen binnen de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, die zijn opgenomen in bijlage 3.4.1. **2.** De minister verdeelt de aan deze activiteiten verbonden subsidieplafonds voor paragraaf 3.4.2 op volgorde van binnenkomst van de aanvragen en voor paragraaf 3.4.5 op volgorde van rangschikking van de aanvragen. **3.** Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor MIT-R&D-samenwerkingsprojecten klein lager is dan het maximaal beschikbare bedrag voor MIT-R&D-samenwerkingsprojecten klein, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het maximaal beschikbare bedrag voor MIT-R&D-samenwerkingsprojecten groot toegevoegd. **4.** Indien een aanvraag voor een subsidie voor een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject is ingediend bij een provinciebestuur en indien dat bestuur de aanvraag niet in behandeling kan nemen, neemt de minister de aanvraag in behandeling waarbij als datum van indiening de datum van indiening bij het provinciebestuur wordt gehanteerd. ### Artikel 3.4.3 **1.** Een aanvraag van een MKB-ondernemer voor een MIT-haalbaarheidsproject wordt afgewezen indien aan hem in hetzelfde kalenderjaar al subsidie is verstrekt op grond van deze titel voor een MIT-haalbaarheidsproject. **2.** Een aanvraag van een MKB-ondernemer voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt afgewezen indien aan hem in hetzelfde kalenderjaar al subsidie is verstrekt op grond van deze titel voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject. **3.** Een aanvraag voor een subsidie op grond van deze titel voor een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt afgewezen indien in hetzelfde kalenderjaar door een provincie of een samenwerkingsverband van provincies een subsidie voor een van de genoemde soorten projecten, waarop de aanvraag betrekking heeft, kan worden verstrekt of is verstrekt voor respectievelijk een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject. **4.** In afwijking van het derde lid wordt een aanvraag voor een subsidie voor een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkingsproject dat past binnen het subthema duurzame visserij en aquacultuur, dat is opgenomen in paragraaf 3.f van bijlage 3.4.1, afgewezen indien in hetzelfde kalenderjaar door een provincie of een samenwerkingsverband van provincies een subsidie is verstrekt voor een MIT-haalbaarheidsproject. ### Artikel 3.4.3a De aanvrager voegt bij de aanvraag een samenvatting van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd die door de minister kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties. #### Paragraaf 3.4.2. MIT-haalbaarheidsprojecten ### Artikel 3.4.4 Subsidie voor een haalbaarheidsproject wordt verleend aan een MKB-ondernemer. ### Artikel 3.4.5 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een MIT-haalbaarheidsproject uitvoert dat voor ten minste 60% bestaat uit een haalbaarheidsstudie en voor ten hoogste 40% uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. **2.** Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste € 20.000,–. **3.** De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten. **4.** De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor zover het kosten betreft voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, en de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor zover het kosten betreft voor een haalbaarheidsstudie. ### Artikel 3.4.6 **1.** Met de uitvoering van het haalbaarheidsproject wordt gestart binnen vier maanden na indiening van de subsidieaanvraag. **2.** Het haalbaarheidsproject wordt uitgevoerd binnen twaalf maanden na de start van het haalbaarheidsproject. ### Artikel 3.4.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. de voorgenomen activiteiten waarop het haalbaarheidsproject betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen; b. b. het haalbaarheidsproject onvoldoende inzicht geeft in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft. #### Paragraaf 3.4.3. MIT-kennisvouchers ##### Paragraaf 3.4.3.1. Verstrekking van een MIT-kennisvoucher aan MKB-ondernemers ### Artikel 3.4.8 Vervallen ### Artikel 3.4.9 Vervallen ### Artikel 3.4.10 Vervallen ### Artikel 3.4.11 Vervallen ### Artikel 3.4.12 Vervallen ##### Paragraaf 3.4.3.2. Verstrekking van subsidie aan kennisinstellingen ### Artikel 3.4.13 Vervallen ### Artikel 3.4.14 Vervallen ### Artikel 3.4.15 Vervallen #### Paragraaf 3.4.3a. MIT-innovatie-adviesprojecten ### Artikel 3.4.15a Vervallen ### Artikel 3.4.15b Vervallen ### Artikel 3.4.15c Vervallen ### Artikel 3.4.15d Vervallen #### Paragraaf 3.4.4. Hooggekwalificeerd personeel ### Artikel 3.4.16 Vervallen ### Artikel 3.4.17 Vervallen ### Artikel 3.4.18 Vervallen ### Artikel 3.4.19 Vervallen #### Paragraaf 3.4.5. MIT-R&D-samenwerkingsprojecten ### Artikel 3.4.20 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een MIT-R&D-samenwerkingsverband dat een MIT-R&D-samenwerkingsproject uitvoert. ### Artikel 3.4.21 De penvoerder is een onderneming die deelneemt aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband. ### Artikel 3.4.22 **1.** De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** De subsidie bedraagt voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject 35 procent van de subsidiabele kosten. **3.** Elke individuele deelnemer aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband neemt niet meer dan 70 procent van de voor subsidie in aanmerking komende kosten van het MIT-R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening. **4.** Het subsidiebedrag bedraagt ten hoogste € 350.000,–. **5.** Het subsidiebedrag bedraagt ten minste € 25.000 en ten hoogste € 100.000 per deelnemer aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband. **6.** In afwijking van het vijfde lid bedraagt het subsidiebedrag per deelnemer ten hoogste € 175.000, indien de subsidiabele kosten voor het MIT-R&D-samenwerkingsproject meer dan € 571.428 bedragen. ### Artikel 3.4.23 **1.** Met de uitvoering van het MIT-R&D-samenwerkingsproject wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieaanvraag. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is twee jaar. ### Artikel 3.4.24 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject indien: a. a. het niet voldoende bijdraagt aan de vernieuwing van producten, processen of diensten of wezenlijke nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten; b. b. het niet voldoende bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor de deelnemers in het samenwerkingsverband of de daarmee samenhangende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie; c. c. het niet voldoende positieve impact realiseert binnen een of meer van de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, genoemd in bijlage 3.4.1; d. d. de kwaliteit van het MIT-R&D-samenwerkingsverband ontoereikend is om het MIT-R&D-samenwerkingsproject uit te voeren; e. e. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is; f. f. het subsidiebedrag lager zou zijn dan € 50.000; g. g. na toepassing van artikel 3.4.25, eerste lid, minder dan tien punten voor één of meer criteria zijn toegekend; h. h. na toepassing van artikel 3.4.25, eerste lid, voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject minder dan vijftig punten zijn toegekend. ### Artikel 3.4.25 **1.** De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht; b. b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie; c. c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie; d. d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, genoemd in bijlage 3.4.1. **2.** Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de uitwerkingen van de Kennis en Innovatieagenda’s, genoemd in bijlage 3.4.1. **3.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe. **4.** voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 2, indien het project valt binnen: a. a. bijlage 3.4.1, onderdeel 6, sleuteltechnologieën 1.1, 2.2, 2.3, 2.7, 3.2, 4.1, 5 of 6.1; b. b. bijlage 3.4.1, onderdeel 7, sleuteltechnologieën 1, 2 en 3; of c. c. bijlage 3.4.1, onderdeel 7.a. **5.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. **6.** De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt. #### Paragraaf 3.4.6. MIT-innovatieprestatiecontracten ### Artikel 3.4.26 Vervallen #### Paragraaf 3.4.7. Slotbepalingen ### Artikel 3.4.27 **1.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van dit hoofdstuk uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. **2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. ### Artikel 3.4.28 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze titel ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie; d. d. een projectplan; e. e. een projectbegroting; f. f. een aanmelding en machtiging per deelnemer bij een haalbaarheidsstudie of R&D-samenwerkingsproject. **3.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling. ### Artikel 3.4.29 Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.4.30 Deze titel en bijlage 3.4.1 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.5. Connecting Europe Facility-projecten (CEF-projecten) ### Artikel 3.5.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *CEF:* Connecting Europe Facility; - *CEF-verordening:* Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 (PBEU 2021, L 249); - *backbonenetwerk:* backbonenetwerk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 137 ter, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; - *Europees goedkeuringsbesluit:* besluit van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de CEF-verordening, waarin is bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van de Europese Commissie; - *Europees CEF-project:* project dat is gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen op de deelgebieden, bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, en dat wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband, dat partij is bij een Europese subsidieovereenkomst; - *Europees samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband van juridische entiteiten; - *Europese subsidieaanvraag:* aanvraag voor een Europees goedkeuringsbesluit bij de Europese Commissie door de deelnemers in een Europees of Nederlands samenwerkingsverband; - *Europese oproep:* open competitieve oproep tot het indienen van Europese subsidieaanvragen betreffende voorstellen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de CEF-verordening; - *Europese subsidieovereenkomst:* subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de CEF-verordening, gesloten tussen de Europese Commissie en deelnemers uit een Europees of Nederlands samenwerkingsverband; - *juridische entiteit:* juridische entiteit die voor subsidie in aanmerking zou kunnen komen op grond van artikel 11 van de CEF-verordening; - *Nederlands samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde juridische entiteiten; - *onderzoeksinfrastructuur:* onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel gg, van het O&O&I-steunkader; - *onderzoeksorganisatie:* organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel ff, van het O&O&I-steunkader; - *werkprogramma:* werkprogramma als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de CEF-verordening. ### Artikel 3.5.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een in Nederland gevestigde juridische entiteit voor het uitvoeren van een Nederlands CEF-project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van de CEF-verordening op het deelgebied Quantum Communication Infrastructure uit het toepasselijke werkprogramma en de bijhorende Europese oproep betreffende CEF. **2.** Het Nederlandse CEF-project is een zelfstandig project dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit dan wel een deelproject of -projectonderdeel van een Europees CEF-project dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en omvat een samenhangend geheel van één of meer van de volgende activiteiten, voor zover deze zijn opgenomen in de Europese subsidieovereenkomst: a. a. economische activiteiten ten behoeve van de acties als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel d, van de CEF-verordening, die kunnen bestaan uit: 1°. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van economische onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert; 2°. de bouw of het upgraden van economische onderzoeksinfrastructuur, voor zover deze bestaat uit de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend kabelnetwerk of optische verbinding, ten behoeve van andere economische onderzoeksactiviteiten dan bedoeld onder 1°, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert, waaronder mede begrepen het door een onderneming uitvoeren van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie; 3°. investeringsactiviteiten betreffende een investering of combinatie van investeringen die betrekking hebben op de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk ten behoeve van de verbinding van Cloudinfrastructuren van bepaalde sociaal economische actoren of een onderzees kabelnetwerk, verricht door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert; 1°. 1°. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van economische onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert; 2°. 2°. de bouw of het upgraden van economische onderzoeksinfrastructuur, voor zover deze bestaat uit de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend kabelnetwerk of optische verbinding, ten behoeve van andere economische onderzoeksactiviteiten dan bedoeld onder 1°, uitgevoerd door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert, waaronder mede begrepen het door een onderneming uitvoeren van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie; 3°. 3°. investeringsactiviteiten betreffende een investering of combinatie van investeringen die betrekking hebben op de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk ten behoeve van de verbinding van Cloudinfrastructuren van bepaalde sociaal economische actoren of een onderzees kabelnetwerk, verricht door een subsidieontvanger die voor het uitvoeren van deze activiteiten als onderneming kwalificeert; b. b. niet-economische activiteiten ten behoeve van de acties als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel d, van de CEF-verordening, die kunnen bestaan uit: 1°. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van niet-economische onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert; 2°. de bouw of het upgraden van niet-economische onderzoeksinfrastructuur, voor zover deze bestaat uit de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend kabelnetwerk of optische verbinding ten behoeve van andere niet-economische onderzoeksactiviteiten dan bedoeld onder 1°, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert, waaronder mede begrepen het onafhankelijk uitvoeren van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. 1°. 1°. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met de bouw of het upgraden van niet-economische onderzoeksinfrastructuur ten behoeve hiervan, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert; 2°. 2°. de bouw of het upgraden van niet-economische onderzoeksinfrastructuur, voor zover deze bestaat uit de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend kabelnetwerk of optische verbinding ten behoeve van andere niet-economische onderzoeksactiviteiten dan bedoeld onder 1°, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert, waaronder mede begrepen het onafhankelijk uitvoeren van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. **3.** De subsidieontvanger, bedoeld in het tweede lid, is, overeenkomstig de voorwaarden uit het toepasselijke werkprogramma of de bijhorende Europese oproep: a. a. een in Nederland gevestigde juridische entiteit die de activiteiten van een Nederlands zelfstandig CEF-project, bedoeld in het tweede lid, uitvoert in een Nederlands samenwerkingsverband, dat partij is bij de Europese subsidieovereenkomst; b. b. een in Nederland gevestigde juridische entiteit die de activiteiten van een Nederlands CEF-deelproject of -projectonderdeel, bedoeld in het tweede lid, uitvoert in: 1°. een Europees samenwerkingsverband, dat partij is bij de Europese subsidieovereenkomst; of 2°. een Europees samenwerkingsverband en onderliggend Nederlands samenwerkingsverband, die partij zijn bij de Europese subsidieovereenkomst. 1°. 1°. een Europees samenwerkingsverband, dat partij is bij de Europese subsidieovereenkomst; of 2°. 2°. een Europees samenwerkingsverband en onderliggend Nederlands samenwerkingsverband, die partij zijn bij de Europese subsidieovereenkomst. **4.** Het derde lid is, in afwijking van artikel 3, tweede lid, van het besluit, tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. ### Artikel 3.5.3 **1.** De subsidie voor een Nederlands CEF-project bedraagt: a. a. voor economische activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a: 1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek; 2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur; 4°. het deel van de subsidiabele kosten dat niet gefinancierd wordt door de Europese Commissie op grond van de Europese subsidieovereenkomst of door andere derden, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk; 1°. 1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek; 2°. 2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 3°. 3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur; 4°. 4°. het deel van de subsidiabele kosten dat niet gefinancierd wordt door de Europese Commissie op grond van de Europese subsidieovereenkomst of door andere derden, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk; b. b. voor niet-economische activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b: 100% van de subsidiabele kosten. **2.** De subsidie bedraagt ten hoogste € 5.000.000 per Nederlands CEF-project. **3.** Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel de financiële bijdragen van de Europese Commissie of andere bestuursorganen aangemerkt als publieke cofinanciering en buiten beschouwing gelaten: a. a. indien de totale som van de door de minister, de Europese Commissie of andere bestuursorganen verstrekte subsidie voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet hoger ligt dan 100% van de subsidiabele kosten of, voor zover van toepassing, het maximum percentage of het bedrag dat is opgenomen in het toepasselijke werkprogramma; en b. b. indien het economische activiteiten bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft, en het deel van de door de minister of andere bestuursorganen verstrekte subsidie niet meer bedraagt dan de toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten en, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan de aan de ophoging verbonden voorwaarden, die zijn opgenomen in de volgende bepalingen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening: 1°. voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder II, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder III, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 3°. voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 4°. voor investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel y ter, en 52 ter, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. 1°. 1°. voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder II, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 2°. voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder III, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 3°. 3°. voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 4°. 4°. voor investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel y ter, en 52 ter, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.5.4 **1.** Voor subsidie komen in aanmerking: a. a. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, 26, vijfde lid, of 52 ter, tweede lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze zijn vermeld in de Europese subsidieovereenkomst en betrekking hebben op de economische activiteiten, bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a; en b. b. de redelijk gemaakte kosten die, onverminderd artikel 10, eerste lid, van het besluit, direct verbonden zijn met de uit te voeren activiteiten, voor zover deze zijn vermeld in de Europese subsidieovereenkomst en betrekking hebben op niet-economische activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b. **2.** In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit, kunnen onder de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, mede worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, voor zover de Europese Commissie hiermee heeft ingestemd in de subsidieovereenkomst. **3.** In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit berekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese subsidieaanvraag en wordt voldaan aan artikelen 16, 17, 18 en 19, van de CEF-verordening. ### Artikel 3.5.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.5.6 **1.** Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd Nederlands CEF-project wordt niet eerder gestart dan het tijdstip waarop de Europese subsidieaanvraag is ingediend bij de Europese Commissie. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is 42 maanden na subsidieverlening. ### Artikel 3.5.7 De minister rangschikt de aanvragen om subsidie betreffende een Nederlands CEF-project als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese of het betreffende zelfstandige Nederlandse CEF-project, na toepassing van de artikelen 8, vierde lid, en 14, eerste en zesde lid, van de CEF-verordening, hoger is gerangschikt door de Europese Commissie. ### Artikel 3.5.8 **1.** De subsidie voor een Nederlands CEF-project als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, wordt uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen één jaar na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening een ondertekend exemplaar van de Europese subsidieovereenkomst verstrekt is aan de minister door de betrokken subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in artikel 3.5.2, derde en vierde lid. **2.** De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening. ### Artikel 3.5.9 **1.** Indien in het Nederlandse CEF-project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur worden verricht ten behoeve van het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat, overeenkomstig artikel 26, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening: a. a. de toegang tot deze onderzoeksinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt; b. b. de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs. **2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kunnen ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur hebben gefinancierd preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, indien deze toegang evenredig is aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en deze gunstigere voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld. ### Artikel 3.5.10 **1.** Indien in het Nederlandse CEF-project economische investeringsactiviteiten betreffende een in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk worden verricht als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat: a. a. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project betreffende deze investeringsactiviteiten connectiviteitscapaciteiten mogelijk maakt die, overeenkomstig artikel 52 ter, derde lid, onderdeel d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, verder gaan dan de vereisten ten gevolge van bestaande wettelijke verplichtingen; b. b. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project betreffende deze investeringen, overeenkomstig artikel 52 ter, derde lid, onderdeel e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, leidt tot open wholesaletoegang voor derden, inclusief ontbundeling, onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, die in overeenstemming zijn met de artikelen 52, zevende en achtste lid, of 52 bis, achtste en negende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project, voor zover dit investeringen in het in Nederland uit te rollen deel van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk betreft, overeenkomstig artikel 52 ter, vierde lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, betrekking heeft op: 1°. de interconnectie van cloudinfrastructuren van sociaal-economische actoren die als overheidsdiensten of openbare of particuliere entiteiten belast zijn met de exploitatie van diensten van algemeen belang of van diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; 2°. een grensoverschrijdend traject in de uitrol van nieuwe grensoverschrijdende backbonenetwerken of een aanzienlijke upgrade van bestaande netwerken, waarbij de grens tussen twee of meer lidstaten van de Europese Unie wordt overschreden, of de grens tussen ten minste één lidstaat en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte wordt overschreden; 3°. ten minste twee in aanmerking komende sociaal-economische actoren als bedoeld onder 1° die elk in een andere lidstaat van de Europese Unie of in één lidstaat en één land van de Europese Economische Ruimte actief zijn; 4°. een aanzienlijke nieuwe investering in het backbonenetwerk die verder gaat dan marginale investeringen, waaronder mede begrepen marginale investeringen die louter verband houden met software upgrades of licenties; 5°. het aanbieden van symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste veelvouden van 10 Gbps; en 6°. het ondersteunen van de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur, uitsluitend indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt; 1°. 1°. de interconnectie van cloudinfrastructuren van sociaal-economische actoren die als overheidsdiensten of openbare of particuliere entiteiten belast zijn met de exploitatie van diensten van algemeen belang of van diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; 2°. 2°. een grensoverschrijdend traject in de uitrol van nieuwe grensoverschrijdende backbonenetwerken of een aanzienlijke upgrade van bestaande netwerken, waarbij de grens tussen twee of meer lidstaten van de Europese Unie wordt overschreden, of de grens tussen ten minste één lidstaat en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte wordt overschreden; 3°. 3°. ten minste twee in aanmerking komende sociaal-economische actoren als bedoeld onder 1° die elk in een andere lidstaat van de Europese Unie of in één lidstaat en één land van de Europese Economische Ruimte actief zijn; 4°. 4°. een aanzienlijke nieuwe investering in het backbonenetwerk die verder gaat dan marginale investeringen, waaronder mede begrepen marginale investeringen die louter verband houden met software upgrades of licenties; 5°. 5°. het aanbieden van symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste veelvouden van 10 Gbps; en 6°. 6°. het ondersteunen van de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur, uitsluitend indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt; d. d. het Nederlandse CEF-project en, voor zover van toepassing, het bijhorende Europese CEF-project, voor zover dit investeringen in het in Nederland uit te rollen deel van een onderzees kabelnetwerk betreft, overeenkomstig artikel 52 ter, vierde lid, onderdeel d, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, betrekking heeft op: 1°. een grensoverschrijdend traject van een onderzees kabelnetwerk waarbij de grens wordt overschreden tussen ten minste twee lidstaten van de Europese Unie dan wel tussen ten minste één lidstaat van de Europese Unie en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte; 2°. routes die niet reeds worden bediend door ten minste twee bestaande of geloofwaardig geplande backbone-infrastructuren; 3°. een aanzienlijke nieuwe investering in het onderzees kabelnetwerk door de aanleg van een nieuwe onderzeese kabel of een aansluiting op een bestaande onderzeese kabel, waarbij redundantiekwesties worden aangepakt en verder wordt gegaan dan marginale investeringen; 4°. het op betrouwbare wijze aanbieden van symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste 1 Gbps; en 5°. het ondersteunen van de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur, uitsluitend indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt; en 1°. 1°. een grensoverschrijdend traject van een onderzees kabelnetwerk waarbij de grens wordt overschreden tussen ten minste twee lidstaten van de Europese Unie dan wel tussen ten minste één lidstaat van de Europese Unie en ten minste één land van de Europese Economische Ruimte; 2°. 2°. routes die niet reeds worden bediend door ten minste twee bestaande of geloofwaardig geplande backbone-infrastructuren; 3°. 3°. een aanzienlijke nieuwe investering in het onderzees kabelnetwerk door de aanleg van een nieuwe onderzeese kabel of een aansluiting op een bestaande onderzeese kabel, waarbij redundantiekwesties worden aangepakt en verder wordt gegaan dan marginale investeringen; 4°. 4°. het op betrouwbare wijze aanbieden van symmetrische download- en uploadsnelheden van ten minste 1 Gbps; en 5°. 5°. het ondersteunen van de uitrol van nieuwe passieve infrastructuur, uitsluitend indien bestaande passieve infrastructuur niet opnieuw kan worden gebruikt; en e. e. het Nederlandse CEF-project kwalificeert als deelproject of projectonderdeel van een bijhorend Europees CEF-project indien dit nodig is om te voldoen aan één of meer voorwaarden als bedoeld in onderdelen a, b, c of d. **2.** De subsidieontvanger is niet verplicht te voldoen aan de voorwaarde, bedoeld, in het eerste lid, onderdeel d, onder 1°, indien de investering in een onderzees kabelnetwerk, overeenkomstig artikel 52 ter, vierde lid, onderdeel d, onder I, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, betrekking heeft op het aanbieden van wholesalediensten en het verbeteren van ondersteunende infrastructuur ten behoeve van de connectiviteit van Europese ultraperifere gebieden, overzeese gebieden of insulaire regio’s binnen ten minste één lidstaat van de Europese Unie. ### Artikel 3.5.11 **1.** Indien in het Nederlandse CEF-project niet-economische onderzoeksactiviteiten, bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b, door een subsidieontvanger die kwalificeert als onderzoeksorganisatie worden uitgevoerd binnen een Europees of Nederlands samenwerkingsverband waaraan één of meer ondernemingen deelnemen: a. a. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met deze ondernemingen; b. b. wordt voorafgaand aan de start van het Europese of Nederlandse CEF-project, doch uiterlijk zes maanden na subsidieverlening, een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het desbetreffende Europese of Nederlandse samenwerkingsverband over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; c. c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat: 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. 1°. 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 2°. 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 3°. 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. **2.** Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, in mindering worden gebracht. **3.** De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, stemt overeen met de marktprijs indien: a. a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen. **4.** De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. **5.** Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel. ### Artikel 3.5.12 Indien in het Nederlandse CEF-project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur worden verricht ten behoeve van het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onderdeel b, door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert, zijn de verplichtingen uit artikel 3.5.9 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het geval waarin deze onderzoeksorganisatie er zorg voor draagt dat van het aantal uren dat deze onderzoeksinfrastructuur jaarlijks in werking is: a. a. 100 procent wordt gebruikt voor het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten; of b. b. voor meer dan 80 procent wordt gebruikt voor het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten en, aanvullend, voor ten hoogste 20 procent voor het uitvoeren van economische onderzoeksactiviteiten, met dien verstande dat deze economische onderzoeksactiviteiten zuiver ondersteunend zijn en blijven aan de niet-economische onderzoeksactiviteiten door hiervoor precies dezelfde input te gebruiken als voor de niet-economische onderzoeksactiviteiten. ### Artikel 3.5.13 **1.** Onverminderd artikel 38 van het besluit wordt in de administratie van de subsidieontvanger een onderscheid gemaakt tussen economische en niet-economische activiteiten, die deze subsidieontvanger binnen het CEF-project uitvoert en de kosten en de financiering hiervan. **2.** In afwijking van artikel 39 van het besluit, brengt de subsidieontvanger aan de minister schriftelijk verslag uit over de voortgang of resultaten van het Europese CEF-project, overeenkomstig de wijze en frequentie waarop de subsidieontvanger daartoe jegens de Europese Commissie verplicht is op grond van artikel 21, derde lid, en 22, eerste lid, van de CEF-verordening. **3.** Gedurende de looptijd van het project tot en met vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling geven de subsidieontvangers, overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van de CEF-verordening, zichtbaarheid aan de financiering door de Europese Commissie en de minister. ### Artikel 3.5.14 **1.** Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidieverlening ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, indien van toepassing het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een verwijzing naar de passages uit de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover deze onvoldoende informatie bevat, een aanvullende omschrijving, waarin zich informatie bevindt over de werkzaamheden die door de subsidieaanvrager binnen het Europese en Nederlandse CEF-project worden uitgevoerd. **3.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een voor openbare publicatie geschikte Nederlandse samenvatting van de projectomschrijving, inclusief de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden binnen het Nederlandse CEF-project; b. b. een financieringsplan en begroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid; en 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse CEF-project financiert; en 1°. 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. 2°. een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid; en 3°. 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse CEF-project financiert; en c. c. een kopie van het Europese goedkeuringsbesluit. ### Artikel 3.5.15 **1.** Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, omvat: a. a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse CEF-project; b. b. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten. **2.** Met toepassing van artikel 50, zesde lid, van het besluit wordt de controleverklaring, bedoeld in artikel 50, tweede lid onderdeel c, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat vervangen door een kopie van een aan de Europese Commissie verstrekt exemplaar van een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde voorschriften. **3.** Indien het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in het tweede lid, niet aan de Europese Commissie verstrekt is voordat de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse CEF-project is ingediend of onvoldoende informatie bevat om de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse CEF-project te kunnen beoordelen, is het tweede lid niet van toepassing, met dien verstande dat in dat geval de aanvraag tot subsidievaststelling betreffende het Nederlandse CEF-project, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, vergezeld gaat van een controleverklaring als bedoeld in bijlage 1.3. ### Artikel 3.5.16 De subsidie, bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van de subsidie die bestemd is voor niet-economische activiteiten, bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid, onderdeel b, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.5.3, tweede lid, onderdeel a, onder 1°; b. b. artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 3.5.3, tweede lid, onderdeel a, onder 1° of 2°; c. c. artikel 52 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze subsidie bestemd is voor investeringsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.5.3, tweede lid, onderdeel a, onder 3°. ### Artikel 3.5.17 Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.6. Maritieme innovatieprojecten ### Artikel 3.6.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *maritieme maakindustrie:* sector waarin natuurlijke personen of rechtspersonen zich actief bezighouden met het ontwikkelen, ontwerpen, bouwen, verbouwen, onderhouden of repareren van schepen, drijvende structuren, scheepscomponenten of scheepssystemen, die geschikt zijn voor gebruik bij de scheepvaart, marine, havens, offshore, natte waterbouw of de toeleveranciers hiervan; - *maritieme onderneming:* onderneming als bedoeld in artikel 1 van het besluit, die een bijdrage kan leveren aan de doelstellingen en economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in artikel 3.6.2, eerste en tweede lid, onderdeel a, met uitzondering van onderzoeksorganisaties die economische activiteiten uitvoeren; - *onderzoeksorganisatie:* organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel ff, van het O&O&I-steunkader. ### Artikel 3.6.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een maritieme onderneming of onderzoeksorganisatie voor het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een maritiem innovatieproject, gericht op onderzoek of ontwikkeling ten behoeve van de maritieme maakindustrie, dat een bijdrage kan leveren aan de verwezenlijking van één of meer van de volgende doelen: a. a. het ontwikkelen van methoden, technieken of toepassingen dan wel het verwerven van kennis wat zou kunnen leiden tot het verminderen van emissies van gassen, stoffen, geur en onderwatergeluid en het verbeteren van de energie-efficiëntie, om uitstoot te verminderen respectievelijk energie te besparen bij het gebruik van een schip dan wel activiteiten die hiermee verband houden; b. b. het ontwikkelen van methoden, technieken of toepassingen dan wel het verwerven van kennis wat zou kunnen leiden tot het verbeteren van het veilig delen of slim gebruiken van maritieme data bij het gebruik van een schip dan wel activiteiten die hiermee verband houden gedurende de hele levenscyclus van het desbetreffende schip, waaronder mede begrepen het ontwikkelen van vernieuwende methoden of technieken op basis van Artificiële Intelligentie (AI); c. c. het ontwikkelen van methoden, technieken of toepassingen dan wel het verwerven van kennis wat zou kunnen leiden tot een veiliger en slimmer schip of drijvend object dan wel activiteiten die hiermee verband houden; d. d. het ontwikkelen van nieuwe of het doorontwikkelen van bestaande methoden, technieken of toepassingen voor het meer duurzaam, slim of circulair bouwen van schepen; of e. e. het ontwikkelen van vernieuwende maritieme methoden of technieken ter ondersteuning van het uitvoeren van duurzame economische activiteiten op zee, om duurzame economische groei op zee te vergroten. **2.** Een maritiem innovatieproject bevat een samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, waarbij deze activiteiten kunnen worden onderverdeeld in: a. a. ten minste economische onderzoeksactiviteiten, uitgevoerd door een maritieme onderneming of een onderzoeksorganisatie met het oog op de ontwikkeling of doorontwikkeling van methoden of technieken ten behoeve van het aanbieden van die methoden of technieken op de markt door de maritieme maakindustrie; en b. b. eventueel, niet-economische onderzoeksactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door een onderzoeksorganisatie met het oog op het verwerven van meer kennis en een beter inzicht. **3.** Het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste twee maritieme ondernemingen die subsidie ontvangen. **4.** Er wordt slechts één aanvraag om subsidieverlening ingediend per maritiem innovatieproject. ### Artikel 3.6.3 **1.** De subsidie voor een maritiem innovatieproject bedraagt: a. a. voor economische onderzoeksactiviteiten: 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 65% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; of 3°. 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; of 1°. 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 2°. 65% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; of 3°. 3°. 40% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; of b. b. voor niet-economische onderzoeksactiviteiten: 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. **2.** De percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3° worden opgehoogd met: a. a. 10 procentpunten, indien de kosten worden gemaakt en betaald door een middelgrote onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, respectievelijk 3°; b. b. 15 procentpunten, indien de kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming voor het uitvoeren van industrieel onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°; c. c. 20 procentpunten, indien de kosten worden gemaakt en betaald door een kleine onderneming voor het uitvoeren van experimentele ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°. **3.** De subsidie bedraagt niet meer dan 50% van de totale subsidiabele kosten van het maritiem innovatieproject, doch ten hoogste € 2.000.000 per maritiem innovatieproject. **4.** Onverminderd het eerste, tweede en derde lid kan ten hoogste 80% van de totale subsidie bestemd zijn voor één deelnemer in het samenwerkingsverband dat het maritiem innovatieproject uitvoert. ### Artikel 3.6.4 **1.** Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. **2.** Voor de toepassing van deze titel bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 80. **3.** Artikel 3.1.1 is niet van toepassing op deze titel. ### Artikel 3.6.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening. ### Artikel 3.6.6 **1.** Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd maritiem innovatieproject wordt gestart binnen uiterlijk zes maanden na de subsidieverlening, doch niet eerder dan het tijdstip waarop de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.6.12, eerste lid, aan de minister verstrekt is. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. ### Artikel 3.6.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie betreffende een maritiem innovatieproject: a. a. indien na toepassing van artikel 3.6.8, eerste en tweede lid, voor een criterium minder dan dertien punten zijn toegekend; b. b. indien de subsidiabele kosten van een maritiem innovatieproject minder dan € 250.000 bedragen; c. c. indien de te verlenen subsidie voor een deelnemer in het samenwerkingsverband minder dan € 50.000 zou bedragen; d. d. voor zover voor het uitvoeren van dezelfde activiteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, ten behoeve van dezelfde doelen, bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid: 1°. eerder subsidie verstrekt is aan een deelnemer uit het samenwerkingsverband op grond van deze titel; 2°. subsidie is of zou kunnen worden verstrekt op grond van de Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan. 1°. 1°. eerder subsidie verstrekt is aan een deelnemer uit het samenwerkingsverband op grond van deze titel; 2°. 2°. subsidie is of zou kunnen worden verstrekt op grond van de Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan. ### Artikel 3.6.8 **1.** De minister kent aan een aanvraag om subsidie betreffende een maritiem innovatieproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. het project meer bijdraagt aan de doelen, bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid; b. b. de kwaliteit van het projectplan en begroting van het maritiem innovatieproject beter is, blijkend uit: 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan; 2°. de wijze waarop zal worden omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het project; 3°. de mate van uitvoerbaarheid; 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; 1°. 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan; 2°. 2°. de wijze waarop zal worden omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het project; 3°. 3°. de mate van uitvoerbaarheid; 4°. 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; c. c. het samenwerkingsverband dat het maritiem innovatieproject uitvoert meer geschikt is om een innovatieproject uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen het samenwerkingsverband; 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling; 3°. een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten; 1°. 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen het samenwerkingsverband; 2°. 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling; 3°. 3°. een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten; d. d. de commerciële haalbaarheid van in dit maritiem innovatieproject behaalde resultaten naar verwachting groter is, blijkend uit ten minste de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen producten of diensten op de Nederlandse en internationale markt voor de maritieme maakindustrie. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijfentwintig punten toe. **3.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. ### Artikel 3.6.9 **1.** Er is een Adviescommissie Maritieme Innovatie, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de toekenning van punten aan maritieme innovatieprojecten op basis van de rangschikkingscriteria, genoemd in artikel 3.6.8, eerste lid. **2.** De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. **3.** De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste één jaar benoemd. ### Artikel 3.6.10 Bij het uitvoeren van de economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel a, in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid, worden: a. a. deze economische onderzoeksactiviteiten uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, overeenkomstig de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.6.12, eerste lid en wordt voldaan aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of b. b. de projectresultaten ruim verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.6.11 **1.** Bij het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel b, door een onderzoeksorganisatie in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid: a. a. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen, overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.6.12, eerste lid; en b. b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en c. c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat: 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. 1°. 1°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 2°. 2°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 3°. 3°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. **2.** Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, in mindering worden gebracht. **3.** De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, stemt overeen met de marktprijs indien: a. a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen. **4.** De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. **5.** Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel. ### Artikel 3.6.12 **1.** Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening wordt een samenwerkingsovereenkomst verstrekt aan de minister, die is gesloten tussen de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid, ten behoeve van de uitvoering van het maritiem innovatieproject waarin: a. a. wordt bepaald op welke wijze wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; b. b. wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan ten minste de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.6.10, en, voor zover van toepassing, de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.6.11. **2.** Onverminderd artikel 39 van het besluit verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het maritiem innovatieproject op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het maritiem innovatieproject, die gebruikt kunnen worden voor het monitoren van de voortgang van het project. **3.** Binnen één jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling maakt de subsidieontvanger de niet bedrijfsgevoelige kennis en de resultaten die met het maritiem innovatieproject zijn opgedaan, inclusief de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie over de eventueel ontwikkelde producten of diensten en mogelijke bijhorende vervolgstappen voor de doorontwikkeling hiervan, ten minste éénmalig openbaar via een daarvoor geschikte conferentie, publicatie, open access-repositories dan wel gratis of opensource-software. ### Artikel 3.6.13 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een samenvatting van de projectomschrijving en een lijst met deelnemers in het samenwerkingsverband dat het maritiem innovatieproject zal uitvoeren; d. d. gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.6.3, tweede lid, onderdelen a, b en c. **3.** De aanvraag om subsidie gaat vergezeld van: a. a. een projectomschrijving van het doel of doelen, deelgebieden en de activiteiten van het maritiem innovatieproject; b. b. een onderbouwde projectbegroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. de totaal te maken kosten bij de uitvoering van het maritiem innovatieproject, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid; 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren, voor zover deze kosten betrekking hebben op materialen of prototypes; 1°. 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. 2°. de totaal te maken kosten bij de uitvoering van het maritiem innovatieproject, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid; 3°. 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren, voor zover deze kosten betrekking hebben op materialen of prototypes; c. c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van een maritiem innovatieproject betrokken organisaties; d. d. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding, bedoeld in artikel 3.6.12, derde lid, zal plaatsvinden. ### Artikel 3.6.14 Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. a. een omschrijving van de projectresultaten van het maritiem innovatieproject; b. b. indien de omvang van de verleende subsidie per subsidieontvanger € 125.000 of meer bedraagt, een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten en een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid; c. c. indien de omvang van de verleende subsidie per subsidieontvanger € 50.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring betreffende werkelijke kosten en opbrengsten waarin wordt aangegeven: 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. 1°. 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; 2°. 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. ### Artikel 3.6.15 De subsidie, bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van de niet-economische onderzoeksactiviteiten, staatsteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.6.16 Deze titel vervalt met ingang van 24 oktober 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 3.7. Eurostarsprojecten ### Artikel 3.7.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *Eurostars High Level Group:* door de lidstaten die deelnemen aan het Eurostars Programma opgerichte samenwerkingsorgaan dat de rangschikking van internationale samenwerkingsprojecten door het Internationaal Evaluatie Panel goedkeurt; - *Eurostars Programma:* gezamenlijke Eurostars Programma van EUREKA en de Europese Unie, inhoudend een internationaal Europees stimuleringsprogramma voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader; - *Eurostarsproject:* internationaal samenwerkingsproject voor innovatieve ontwikkeling binnen het EUREKA-kader dat voldoet aan de criteria van het Eurostars Programma, waarvan de rangschikking door de Eurostars High Level Group is goedgekeurd, bestaande uit een samenhangend geheel van activiteiten van industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan; - *Internationaal Evaluatie Panel:* panel van onafhankelijke deskundigen dat binnen het Eurostars Programma de ingediende voorstellen voor internationale samenwerkingsprojecten voor innovatieve ontwikkeling beoordeelt en rangschikt; - *niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties:* industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten. ### Artikel 3.7.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan: a. a. een ondernemer die bijdraagt aan een Eurostarsproject; b. b. een onderzoeksorganisatie die bijdraagt aan een Eurostarsproject in een samenwerkingsverband; of c. c. indien twee of meer binnen Nederland gevestigde partijen bijdragen aan hetzelfde Eurostarsproject, een deelnemer in het door deze partijen gevormde samenwerkingsverband, die bijdraagt aan een Eurostarsproject. **2.** Een samenwerkingsverband bevat ten minste een ondernemer die bijdraagt aan een Eurostarsproject. **3.** De penvoerder van een samenwerkingsverband is een ondernemer die bijdraagt aan het Eurostarproject. ### Artikel 3.7.2a **1.** Het gesubsidieerde deel van het Eurostarsproject, bedoeld in artikel 3.7.2, valt volledig binnen de categorie industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, bedoeld in artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de in het eerste lid genoemde verordening. **3.** De voor subsidie in aanmerking komende kosten van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid ingedeeld. ### Artikel 3.7.3 **1.** De subsidie bedraagt: a. a. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; b. b. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties. **2.** Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt verhoogd met tien procentpunten, indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer. **3.** Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt verhoogd met vijftien procentpunten, indien het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.7.4 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.7.5 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar. ### Artikel 3.7.6 **1.** De minister beschikt afwijzend op een aanvraag indien: a. a. het Eurostarsproject een onvoldoende totaalscore heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel; b. b. het Eurostarsproject een onvoldoende score voor een criterium heeft gekregen van het Internationaal Evaluatie Panel; c. c. aannemelijk is dat het Eurostarsproject, voor zover het door een in Nederland gevestigde ondernemer of onderzoeksorganisatie wordt uitgevoerd, ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd; d. d. aannemelijk is dat het Eurostarsproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Eurostarsproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende parttijen in een ander deelnemend land. **2.** De minister beslist tevens afwijzend op een aanvraag voor zover het gevraagde subsidiebedrag hoger is als € 500.000. **3.** De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen c tot en met e en g, van het besluit zijn niet van toepassing. ### Artikel 3.7.7 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Eurostars High Level Group vastgestelde rangschikking. ### Artikel 3.7.8 In afwijking van artikel 39 van het besluit brengt de subsidieontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het Eurostarsproject. ### Artikel 3.7.9 **1.** De subsidieontvanger voert het Eurostarsproject in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland. **2.** Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden. ### Artikel 3.7.10 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2 ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, de grootte van de onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. de gegevens over het project, waaronder de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de locatie van het project, de start- en einddatum, een overzicht van de totale kosten van het project en de omvang van de gevraagde subsidie. **3.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2 bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie. ### Artikel 3.7.11 De subsidie, bedoeld in artikel 3.7.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.7.12 Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.8. Internationaal innoveren ### Artikel 3.8.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *AI-innovatieproject:* Artificial Intelligence (AI) innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; - *EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband:* samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een land dat deelneemt aan het EUREKA-netwerk; - *EUREKA-netwerkproject:* innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; - *Global Stars-innovatieproject:* innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een internationaal innovatiesamenwerkingsverband en dat voorzien is van een EUREKA-label; - *internationaal innovatiesamenwerkingsverband:* samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een land dat niet deelneemt aan het EUREKA-netwerk; - *ITEA4-innovatieproject:* innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een label van het EUREKA cluster ITEA4; - *Quantum-innovatieproject:* innovatieproject op het gebied van toegepaste quantum-technologieën dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; a. *TechBridge-innovatieproject:* innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband en ziet op een van de volgende technologieën: a. optical systems and integrated photonics; b. quantum technologies; c. process technology, including process intensification; d. biomolecular and cell technologies; e. imaging technologies; f. mechatronics and optomechatronics; g. artificial intelligence and data; h. energy materials; i. semiconductor technologies; of j. cybersecurity technologies; a. a. optical systems and integrated photonics; b. b. quantum technologies; c. c. process technology, including process intensification; d. d. biomolecular and cell technologies; e. e. imaging technologies; f. f. mechatronics and optomechatronics; g. g. artificial intelligence and data; h. h. energy materials; i. i. semiconductor technologies; of j. j. cybersecurity technologies; - *TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband:* samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd buiten Nederland; - *waterstof-innovatieproject:* innovatieproject dat zich richt op de infrastructuur voor het transport van waterstof dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een EUREKA-label; - *XECS-innovatieproject:* innovatieproject dat wordt uitgevoerd door een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband en is voorzien van een label van het EUREKA cluster XECS. ### Artikel 3.8.2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer: a. a. in een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een XECS-innovatieproject, een EUREKA-netwerkproject, een ITEA4-innovatieproject, AI-innovatieproject, Quantum-innovatieproject of een waterstof-innovatieproject; b. b. in een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Global Stars-innovatieproject; of c. c. in een Techbridge-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TechBridge-innovatieproject. ### Artikel 3.8.3 De penvoerder is een ondernemer. ### Artikel 3.8.4 **1.** De subsidie bedraagt: a. a. 50 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. b. 35 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en worden gemaakt door een ondernemer; c. c. 25 procent van de subsidiabele kosten van een innovatieproject voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling. **2.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onder b en c, worden verhoogd met 10 procentpunten indien subsidie wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer. **3.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EUREKA-netwerkproject meer bedraagt dan € 750.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. **4.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers in een EUREKA-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een XECS-innovatieproject, een ITEA4-innovatieproject of een AI-innovatieproject, meer bedraagt dan € 4.000.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. **5.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Global Stars-innovatieproject meer bedraagt dan € 350.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. **6.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een waterstof-innovatieproject meer bedraagt dan € 500.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. **7.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een internationaal innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van Quantum-innovatieproject meer bedraagt dan € 400.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. **8.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een TechBridge-innovatiesamenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TechBridge-innovatieproject meer bedraagt dan: a. a. € 300.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Verenigd Koninkrijk 2025; b. b. € 250.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall China, Next-Generation Battery Technologies; c. c. € 350.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall China, Circular Chemistry and Materials; d. d. € 700.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Photonics Integrated Circuits; e. e. € 1.000.000, indien het een TechBridge-innovatieproject betreft in het kader van de TechBridge-innovatiecall Duitsland, Quantum Technologies in Aerospace; wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. ### Artikel 3.8.4a Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.8.5 Geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager vóór indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.8.2, reeds gestart is met zijn deel van het XECS-innovatieproject, het EUREKA-netwerkproject, het Global Stars-innovatieproject, het ITEA4-innovatieproject, AI-innovatieproject, Quantum-innovatieproject, TechBridge-innovatieproject of een waterstof-innovatieproject. ### Artikel 3.8.6 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.8.7 **1.** Er is een Adviescommissie Internationaal Innoveren die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen d tot en met g, van het besluit en in artikel 3.8.9 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.8.10, voor aanvragen om subsidie voor AI-innovatieprojecten, ITEA4-innovatieprojecten en XECS-innovatieprojecten. **2.** De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijftien leden. **3.** De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar. ### Artikel 3.8.8 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is drie jaar. ### Artikel 3.8.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. a. indien van het innovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn; b. b. afkomstig van een overheid of overheidsinstelling, tenzij het een onderzoeksorganisatie betreft; c. c. indien, in het geval van een Global Stars-innovatieproject, aannemelijk is dat het Global Stars-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het Global Stars-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land; d. d. indien, in het geval van een waterstof-innovatieproject, aannemelijk is dat het waterstof-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het waterstof-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land; e. e. indien, in het geval van een TechBridge-innovatieproject, aannemelijk is dat het TechBridge-innovatieproject geen doorgang kan vinden om redenen die samenhangen met andere omstandigheden in de andere deelnemende landen van het TechBridge-innovatieproject of met financiële of technische problemen van een van de deelnemende partijen in een ander deelnemend land. ### Artikel 3.8.10 **1.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. a. een innovatieproject meer bijdraagt aan technologische vernieuwing of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie; b. b. de bijdrage aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van een innovatieproject, de nieuwheid van een samenwerkingsverband en de betrokkenheid van onderzoeksorganisaties groter zijn; c. c. de projectresultaten meer economische waarde creëren voor Nederland; d. d. meer wordt aangesloten bij de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn. **2.** Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. ### Artikel 3.8.11 Voor EUREKA-netwerkprojecten brengen de subsidieontvangers, in afwijking van artikel 39 van het besluit gezamenlijk steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van EUREKA-netwerkprojecten met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten. ### Artikel 3.8.12 **1.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatieonderzoek van de effecten van het door hem uitgevoerde innovatieproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. **2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de dag waarop subsidie wordt vastgesteld. ### Artikel 3.8.13 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2 ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie. **3.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2 bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie. ### Artikel 3.8.14 De subsidie, bedoeld in artikel 3.8.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.8.15 Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.9. Innovatiekredieten ### Artikel 3.9.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *certificeringstraject:* certificering op basis van de resultaten van uitvoerige beproevingen en berekeningen; a. *klinisch ontwikkelingsproject:* planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten of processen, die nieuw zijn voor Nederland, en a. aan de ontwikkeling van welke producten en processen klinische risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. welke producten of processen door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; a. a. aan de ontwikkeling van welke producten en processen klinische risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. b. welke producten of processen door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; - *klinisch risico:* risico voor het welslagen van het product of proces dat voortvloeit uit de noodzaak dat het nieuwe product of proces een testfase in de mens doorloopt; - *ontwikkelingsproject:* een technisch ontwikkelingsproject of een klinisch ontwikkelingsproject; - *opslag:* eenmalige en niet rentedragende opslag als bedoeld in artikel 3.9.8, vierde lid, in de vorm van een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig artikel 3.9.9, bepaald percentage van het bedrag dat in totaal is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet op het moment van subsidievaststelling; a. *technisch ontwikkelingsproject:* een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, die nieuw zijn voor Nederland, en a. waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; a. a. waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risico’s en daarmee samenhangende financiële risico’s zijn verbonden en b. b. welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming; - *uitstaand saldo:* totaalbedrag dat aan de subsidieontvanger is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet, verhoogd met de verschenen rente, bedoeld in artikel 3.9.8, tweede en derde lid, en, voor zover reeds van toepassing, met de opslag en verminderd met de betalingen, gedaan overeenkomstig artikel 3.9.8, vijfde lid. ### Artikel 3.9.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag ten behoeve van de financiering van een ontwikkelingsproject subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 42 van het besluit aan een ondernemer, die: a. a. een klinisch ontwikkelingsproject uitvoert, of b. b. een technisch ontwikkelingsproject uitvoert. **2.** In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het besluit kan ook subsidie worden verstrekt aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. ### Artikel 3.9.3 **1.** De subsidie heeft betrekking op experimentele ontwikkeling en bedraagt 25% van de subsidiabele kosten. **2.** Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met: a. a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of b. b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. **3.** Indien het project daadwerkelijke samenwerking behelst en voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het percentage verhoogd met: a. a. 5 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; of b. b. 15 procentpunten, indien de aanvrager een andere onderneming is. ### Artikel 3.9.4 **1.** Het maximum subsidiebedrag bedraagt: a. a. € 5.000.000 per subsidieontvanger die een klinisch ontwikkelingsproject uitvoert, of b. b. € 10.000.000 per subsidieontvanger die een technisch ontwikkelingsproject uitvoert. **2.** Indien door een ondernemer, dan wel door ondernemers die behoren tot eenzelfde groep, meer dan één ontwikkelingsproject wordt uitgevoerd en daarvoor subsidieaanvragen in het kader van deze titel zijn ingediend, wordt in een kalenderjaar aan die ondernemer, dan wel aan die ondernemers die tot eenzelfde groep behoren gezamenlijk, ten hoogste € 10.000.000 aan subsidie verleend. ### Artikel 3.9.4a Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.9.5 De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.9.6 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is vijf jaar. **2.** De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek met ten hoogste twee jaar verlengen indien sprake is van een technisch ontwikkelingsproject met een certificeringstraject. ### Artikel 3.9.7 **1.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. hij de subsidiabele kosten raamt op minder dan € 150.000; b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger het ontwikkelingsproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren; c. c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken; d. d. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieontvanger de subsidie terug kan betalen binnen de in artikel 3.9.8, vijfde lid, genoemde periode; e. e. van het ontwikkelingsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. **2.** De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel a, van het besluit is niet van toepassing. ### Artikel 3.9.8 **1.** De subsidieontvanger is verplicht de verstrekte subsidie volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terug te betalen aan de minister. **2.** De subsidieontvanger is verplicht over het uitstaande saldo, met uitzondering van de opslag, aan de minister jaarlijks een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig artikel 3.9.9, bepaald rentepercentage te betalen, dat op een ontwikkelingsproject van toepassing blijft tot aan de betalingsverplichtingen geheel is voldaan. **3.** De rente wordt aan het eind van elk kalenderjaar rentedragend bij het uitstaande saldo bijgeschreven. **4.** Onverminderd het tweede lid, is de subsidieontvanger eenmalig verplicht om aan de minister een bij de beschikking tot subsidieverlening, overeenkomstig artikel 3.9.9, bepaald opslagpercentage te betalen over het bedrag dat is uitbetaald als subsidie in de vorm van krediet. De opslag wordt aan het eind van het kalenderjaar waarin de subsidie is vastgesteld, bij het uitstaand saldo bijgeschreven. **5.** De subsidieontvanger is verplicht het uitstaande saldo binnen 10 jaar na vaststelling van de subsidie aan de minister te betalen. ### Artikel 3.9.9 Het rentepercentage, bedoeld in artikel 3.9.8, tweede lid, en het percentage van de opslag, worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld, waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen technische ontwikkelingsprojecten en klinische ontwikkelingsprojecten. ### Artikel 3.9.10 De minister kan besluiten dat de verstrekte subsidie in de vorm van krediet versneld of in een keer terugbetaald wordt, indien: a. a. de aandelen van de subsidieontvanger worden vervreemd; b. b. de resultaten van het project geheel of gedeeltelijk worden vervreemd. ### Artikel 3.9.11 **1.** Indien ontheffing is verleend op basis van artikel 37, derde lid, van het besluit, kan de minister op aanvraag van de subsidieontvanger het bedrag van een eerder voor een ontwikkelingsproject verleende subsidie verhogen tot maximaal het bedrag dat voor dat ontwikkelingsproject kan worden verkregen. **2.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt volgens eenzelfde procedure en volgens dezelfde criteria behandeld als een eerste aanvraag om subsidie voor een ontwikkelingsproject. ### Artikel 3.9.11a Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Zevende tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid en de Achtste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid. ### Artikel 3.9.12 **1.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde ontwikkelingsproject, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. **2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. ### Artikel 3.9.13 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.9.2 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.9.2 ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie; d. d. een businessplan, een projectplan en een financieel plan; e. e. de meest recente jaarrekening en openingsbalans. **3.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 3.9.2 bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie. ### Artikel 3.9.14 De subsidie, bedoeld in artikel 3.9.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.9.15 Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.10. Seed capital technostarters #### Paragraaf 3.10.1. Algemene bepalingen ### Artikel 3.10.1 **1.** In deze titel wordt verstaan onder: a. *achtergestelde vordering:* vordering van een startersfonds ten laste van een technostartersvennootschap: a. die het startersfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de technostartersvennootschap geld ter leen te verstrekken; b. die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in artikel 277, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan; d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; a. a. die het startersfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de technostartersvennootschap geld ter leen te verstrekken; b. b. die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in artikel 277, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; c. c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan; d. d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; - *beheerskosten:* alle kosten die een startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartersvennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingprijs van de participaties; - *converteerbare lening:* geldlening, steeds resulterend in een achtergestelde vordering, van het startersfonds aan een technostartersvennootschap die door het startersfonds geconverteerd kan worden in aandelen in het kapitaal van de technostartersvennootschap; - *desinvesteringsperiode:* periode waarbinnen het startersfonds de participaties vervreemdt of overdraagt; a. *dual-use technostarter:* technostarter wiens onderneming producten, processen of diensten ontwikkelt en levert, die voor militaire toepassingen kunnen worden ingezet, ook indien de technologie primair voor civiele toepassingen wordt ontwikkeld, en die zijn gebaseerd op een onderscheidende technische vinding met: a. civiele toepassingsmogelijkheden en, naar redelijke verwachting in de toekomst, militaire toepassingsmogelijkheden; of b. enkel militaire toepassingsmogelijkheden; a. a. civiele toepassingsmogelijkheden en, naar redelijke verwachting in de toekomst, militaire toepassingsmogelijkheden; of b. b. enkel militaire toepassingsmogelijkheden; - *eerste commerciële verkoop:* eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen; - *eHealth technostarter:* technostarter wiens onderneming producten, processen of diensten verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische of creatieve vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie onderscheidenlijk van een bestaande creatieve vinding onder meer op het gebied van ICT om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen of te verbeteren, en die bijdragen aan zelfregie, zelfredzaamheid of zelfzorg van de patiënt; - *eigen bijdragen:* particuliere geldelijke middelen die direct of indirect door de fondspartijen in een startersfonds zijn ingebracht en die door het startersfonds daadwerkelijk zijn of worden gebruikt voor het verkrijgen van participaties; - *fondsbeheerder:* feitelijke uitvoerder van een fondsplan, zijnde het startersfonds of een door het startersfonds daartoe gecontracteerde derde; - *fondspartij:* investeerder die eigen bijdragen inbrengt in een startersfonds en die tevens samen met de andere fondspartijen als direct of indirect aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het startersfonds; - *fondsperiode:* de periode bestaande uit de investeringsperiode en de desinvesteringsperiode, welke periodes gezamenlijk gelijk staan aan de looptijd van de lening van de Staat aan het startersfonds; - *fondsplan:* plan van een startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartersvennootschappen; - *informal investor:* een particulier die, al dan niet via een kapitaalvennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen; - *inkomsten:* alle op geld waardeerbare voordelen die een startersfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de technostartersvennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering; - *investeringsbudget:* geldelijke middelen die een startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen, bestaande uit de optelsom van de eigen bijdragen en het maximale bedrag van de geldlening, bedoeld in artikel 3.10.2, vierde lid; - *investeringsperiode:* periode gedurende welke een startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van nieuwe participaties; a. *participatie:* risicokapitaal in de vorm van: a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening, b. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering, of c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering; a. a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening, b. b. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering, of c. c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering; - *referentierente:* referentiepercentage als bedoeld in de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C14), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met 4 procentpunt; - *risicokapitaal:* risicofinancieringsinvestering als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; a. *startersfonds:* a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie; b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld, uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en c. waarin ten minste drie fondspartijen deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft; a. a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie; b. b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld, uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en c. c. waarin ten minste drie fondspartijen deelnemen respectievelijk samenwerken zonder dat twee of drie van hen tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft; a. *technostarter*: rechtspersoon die een onderneming drijft die: a. ten tijde van de eerste participatie op grond van deze titel minder dan zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt; b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en c. hetzij voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, d. hetzij deel uitmaakt van één van de creatieve sectoren en voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe creatieve vinding of op een nieuwe toepassing van een bestaande creatieve vinding; a. a. ten tijde van de eerste participatie op grond van deze titel minder dan zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt; b. b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en c. c. hetzij voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, d. d. hetzij deel uitmaakt van één van de creatieve sectoren en voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten – niet zijnde adviezen – verkoopt en levert, die zijn gebaseerd op een nieuwe creatieve vinding of op een nieuwe toepassing van een bestaande creatieve vinding; a. *technostartersvennootschap:* een technostarter die a. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap of in de vorm van een vennootschap met een afgescheiden vermogen waarin door een startersfonds een participatie verkregen kan worden, en b. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert, behoudens voor zover de onderneming behoort tot de economische sectoren van landbouw, visserij, aquacultuur of scheepsbouw of tot de EGKS-sectoren; a. a. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap of in de vorm van een vennootschap met een afgescheiden vermogen waarin door een startersfonds een participatie verkregen kan worden, en b. b. zijn primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland uitvoert, - *verkrijgingprijs:* deel van het investeringsbudget waarvoor een startersfonds een participatie heeft verkregen. **2.** Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een startersfonds. #### Paragraaf 3.10.2. Seed capital startersfondsen ### Artikel 3.10.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan. **2.** Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor eHealth technostarters, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan, waarbij minimaal 50 procent van het investeringsbudget bestemd is voor het verkrijgen van participaties in eHealth technostarters. **3.** Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor dual-use technostarters, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan, waarbij minimaal 75 procent van het investeringsbudget bestemd is voor het verkrijgen van participaties in dual-use technostarters. **4.** De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening. **5.** De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, verbonden kunnen zijn. ### Artikel 3.10.3 **1.** In de overeenkomst van geldlening wordt bepaald dat: a. a. de financier een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister; b. b. de financier geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan. **2.** In de overeenkomst van geldlening kunnen bepalingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. ### Artikel 3.10.4 De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt 50 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 12.000.000 per subsidieontvanger. ### Artikel 3.10.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.10.6 **1.** Er is een Adviescommissie seed capital technostarters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit en in artikel 3.10.7, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.10.8. **2.** De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste negen leden. **3.** De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. ### Artikel 3.10.7 **1.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt of over de middelen ter dekking van de beheerskosten; b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is; c. c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2°. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 5.000.000 bedraagt; 3°. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 2.500.000 bedraagt; 4°. de middelen die door een financier over een periode van twaalf maanden aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 2.500.000 bedragen; 5°. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget; 6°. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie; 7°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het einde van de fondsperiode ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 8°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 9°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 10°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 11°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien: – deze participatiemaatschappij een financier is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle financiers gezamenlijk in de technostartersvennootschap investeren, niet boven € 5.000.000 uitkomt; – deze participatiemaatschappij naar het oordeel van de Minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen, voor zover als gevolg van de nieuwe participatie door het startersfonds het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de technostartersvennootschap door alle participatiemaatschappijen en de financier gezamenlijk, niet boven € 5.000.000 uitkomt, of – deze participatiemaatschappij een informal investor is; 12°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1°. 1°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2°. 2°. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 5.000.000 bedraagt; 3°. 3°. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 2.500.000 bedraagt; 4°. 4°. de middelen die door een financier over een periode van twaalf maanden aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 2.500.000 bedragen; 5°. 5°. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget; 6°. 6°. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie; 7°. 7°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het einde van de fondsperiode ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 8°. 8°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 9°. 9°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 10°. 10°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 11°. 11°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien: – deze participatiemaatschappij een financier is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle financiers gezamenlijk in de technostartersvennootschap investeren, niet boven € 5.000.000 uitkomt; – deze participatiemaatschappij naar het oordeel van de Minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen, voor zover als gevolg van de nieuwe participatie door het startersfonds het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de technostartersvennootschap door alle participatiemaatschappijen en de financier gezamenlijk, niet boven € 5.000.000 uitkomt, of – deze participatiemaatschappij een informal investor is; – – deze participatiemaatschappij een financier is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle financiers gezamenlijk in de technostartersvennootschap investeren, niet boven € 5.000.000 uitkomt; – – deze participatiemaatschappij naar het oordeel van de Minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen, voor zover als gevolg van de nieuwe participatie door het startersfonds het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de technostartersvennootschap door alle participatiemaatschappijen en de financier gezamenlijk, niet boven € 5.000.000 uitkomt, of – – deze participatiemaatschappij een informal investor is; 12°. 12°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd; e. e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd; f. f. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. **2.** Artikel 23, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing. **3.** Indien een startersfonds een aanvraag die betrekking heeft op het uitvoeren van een fondsplan voor eHealth technostarters dan wel dual-use technostarters, onder zowel een generieke openstelling voor fondsplannen voor technostarters als onder een gelijktijdige specifieke openstelling voor fondsplannen voor eHealth technostarters respectievelijk dual-use technostarters heeft ingediend, en dit fondsplan op basis van de rangschikking en hoogte van het subsidieplafond bij beide openstellingen in aanmerking komt voor subsidiëring, beslist de minister afwijzend op de aanvraag onder de generieke openstelling. **4.** Indien sprake is van een specifieke openstelling voor fondsplannen voor dual-use technostarters, beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien de aanvraag, bedoeld in artikel 3.10.2, derde lid, niet aantoonbaar betrekking heeft op ten minste een van de volgende: a. a. technologiegebieden: 1°. intelligente systemen; 2°. sensoren; 3°. slimme materialen; 4°. ruimtetechnologie; 5°. quantum; of 1°. 1°. intelligente systemen; 2°. 2°. sensoren; 3°. 3°. slimme materialen; 4°. 4°. ruimtetechnologie; 5°. 5°. quantum; of b. b. Defensie-basisgebieden: 1°. cyber en elektronische oorlogsvoering; 2°. sensorsystemen; 3°. wapensystemen; 4°. platformsystemen; 5°. C3I en Digitalisering; 6°. bescherming; 7°. menselijk Presteren en Medicijnen; 8°. autonome en onbemande systemen; 9°. logistiek; 10°. Defensie-toepasbare sleuteltechnologieën en -methodologieën. 1°. 1°. cyber en elektronische oorlogsvoering; 2°. 2°. sensorsystemen; 3°. 3°. wapensystemen; 4°. 4°. platformsystemen; 5°. 5°. C3I en Digitalisering; 6°. 6°. bescherming; 7°. 7°. menselijk Presteren en Medicijnen; 8°. 8°. autonome en onbemande systemen; 9°. 9°. logistiek; 10°. 10°. Defensie-toepasbare sleuteltechnologieën en -methodologieën. ### Artikel 3.10.8 **1.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate: a. a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid. Dit blijkt uit: 1°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen op financieel gebied; 2°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen met betrekking tot business aspecten van technostarters; 3°. de omvang en toegevoegde waarde van relatienetwerk; 4°. de diversiteit in de samenstelling van het fondsmanagement; 1°. 1°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen op financieel gebied; 2°. 2°. de ervaring en deskundigheid van management en direct betrokkenen met betrekking tot business aspecten van technostarters; 3°. 3°. de omvang en toegevoegde waarde van relatienetwerk; 4°. 4°. de diversiteit in de samenstelling van het fondsmanagement; b. b. het fondsplan doelmatiger is ingericht en meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartervennootschappen. Dit blijkt uit: 1°. de kwaliteit van het plan en de mate van zekerheid dat het plan ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd; 2°. de prijskwaliteitsverhouding en efficiency; 3°. het financieel-economisch rendement; 1°. 1°. de kwaliteit van het plan en de mate van zekerheid dat het plan ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd; 2°. 2°. de prijskwaliteitsverhouding en efficiency; 3°. 3°. het financieel-economisch rendement; c. c. het fondsplan effectiever is in relatie tot de doelstelling van de regeling. Dit blijkt uit: 1°. de mate van maatschappelijk rendement; 2°. de mate waarin het fondsplan vernieuwend is. 1°. 1°. de mate van maatschappelijk rendement; 2°. 2°. de mate waarin het fondsplan vernieuwend is. **2.** Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. ### Artikel 3.10.9 De in artikel 30, eerste lid, van het besluit genoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden. ### Artikel 3.10.10 **1.** De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het besluit, verschilt al naar gelang de inkomsten door de financier worden ontvangen in één van de volgende perioden: a. a. periode A: vanaf het tot stand komen van deze overeenkomst van geldlening totdat het totaal van de door de financier uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdragen voor de verkregen participaties, gemeten aan het einde van de fondsperiode; b. b. periode B: vanaf het einde van periode A totdat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag, gemeten aan het einde van de fondsperiode; c. c. periode C: vanaf het einde van periode B tot het einde van de fondsperiode. **2.** De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het besluit, bedraagt: a. a. in periode A: 20 procent van de inkomsten; b. b. in periode B: 50 procent van de inkomsten; c. c. in periode C: 20 procent van de inkomsten. De percentages, bedoeld in de onderdelen a, b en c, worden naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan de helft van het investeringsbudget uitmaakt. **3.** De minister kan de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, per periode A, B en C, afwijkend vaststellen, indien de financier in strijd heeft gehandeld met hetgeen in deze regeling of in de overeenkomst tot geldlening, bedoeld in artikel 3.10.3, is bepaald. ### Artikel 3.10.11 Het model voor een overeenkomst van geldlening is opgenomen in bijlage 3.10.1. ### Artikel 3.10.12 **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.10.2, eerste, tweede of derde lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.10.2, eerste, tweede of derde lid, ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een fondsplan, inclusief de start- en einddatum en de omvang van de gevraagde subsidie; d. d. een financieel plan, waaronder de investeringsbegroting en een begroting van de beheerskosten; e. e. bewijsstukken, waaruit blijkt dat de aanvrager financiële toezeggingen heeft verkregen ter hoogte van minimaal vijftig procent van de som van de eigen bijdragen en de beheerskosten; en f. f. de juridische documentatie van het startersfonds. #### Paragraaf 3.10.3. Seed business angel fondsen ### Artikel 3.10.12a **1.** In deze paragraaf wordt verstaan onder: - *eigen bijdragen:* geldelijke middelen, met een minimum van € 100.000 per fondspartij, die door de fondspartijen in een seed business angel fonds zijn ingebracht en die door het seed business angels fonds daadwerkelijk zijn of worden gebruikt voor het verkrijgen van participaties; - *fondspartij:* investeerder die eigen bijdragen inbrengt in een seed business angel fonds en die tevens samen met ten minste één andere fondspartij als aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het seed business angel fonds; a. *seed business angel fonds:* a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en c. waarin ten minste twee fondspartijen die informal investor zijn deelnemen respectievelijk samenwerken, zonder dat zij tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft. a. a. kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, b. b. die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan technostartersvennootschappen teneinde winst te behalen, en c. c. waarin ten minste twee fondspartijen die informal investor zijn deelnemen respectievelijk samenwerken, zonder dat zij tot dezelfde groep behoren en zonder dat één van hen een economisch of juridisch meerderheidsbelang in het fonds heeft. **2.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder startersfonds: seed business angel fonds. **3.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen een seed business angel fonds. ### Artikel 3.10.12b **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een seed business angel fonds voor het uitvoeren van een fondsplan. **2.** De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening. **3.** De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden die zijn gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in het eerste lid, verbonden kunnen zijn. ### Artikel 3.10.12c De subsidievoorwaarden uit artikel 3.10.3 zijn van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds. ### Artikel 3.10.12d De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt maximaal 50 procent van het investeringsbudget. ### Artikel 3.10.12e Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 1.000.000 per subsidieontvanger. ### Artikel 3.10.12f **1.** In aanvulling op artikel 3.10.6 heeft een afvaardiging van de Adviescommissie seed capital technostarters tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 22 en 24 van het besluit en in artikel 3.10.12g. **2.** De afvaardiging, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit drie leden. ### Artikel 3.10.12g **1.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt of over de middelen ter dekking van de beheerskosten; b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is; c. c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1.° een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2.° de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 50.000 en ten hoogste € 500.000 bedraagt; 3.° de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 350.000 bedraagt; 4.° de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het eind van de fondsperiode ten hoogste 25 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 5.° voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 6.° de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 7.° de participaties verkregen worden in meerdere, van elkaar onafhankelijke technostartersvennootschappen; 8.° bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van participaties rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 9.° de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een andere participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien: – deze participatiemaatschappij een ander seed business angel fonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die de seed business angel fondsen gezamenlijk in de technostarter investeren niet boven de € 500.000 uitkomt; – deze participatiemaatschappij, niet zijnde een financier, risicokapitaal voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt; of – deze participatiemaatschappij een informal investor is; 10°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1.° 1.° een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2.° 2.° de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één technostartersvennootschap wordt geïnvesteerd, ten minste € 50.000 en ten hoogste € 500.000 bedraagt; 3.° 3.° de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap investeert, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 350.000 bedraagt; 4.° 4.° de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het eind van de fondsperiode ten hoogste 25 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 5.° 5.° voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 6.° 6.° de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 7.° 7.° de participaties verkregen worden in meerdere, van elkaar onafhankelijke technostartersvennootschappen; 8.° 8.° bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van participaties rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 9.° 9.° de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waaraan niet eerder door een andere participatiemaatschappij risicokapitaal is verstrekt, behoudens indien: – deze participatiemaatschappij een ander seed business angel fonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die de seed business angel fondsen gezamenlijk in de technostarter investeren niet boven de € 500.000 uitkomt; – deze participatiemaatschappij, niet zijnde een financier, risicokapitaal voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt; of – deze participatiemaatschappij een informal investor is; – – deze participatiemaatschappij een ander seed business angel fonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die de seed business angel fondsen gezamenlijk in de technostarter investeren niet boven de € 500.000 uitkomt; – – deze participatiemaatschappij, niet zijnde een financier, risicokapitaal voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt; of – – deze participatiemaatschappij een informal investor is; 10°. 10°. de financier uitsluitend vervolginvesteringen doet in een technostarter, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 21, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en, ingeval de desbetreffende technostarter ten tijde van de vervolginvestering zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op een producten- of dienstenmarkt, de financier tevens het minimale particuliere deelnemingspercentage, opgenomen in artikel 21, twaalfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bereikt, overeenkomstig artikel 21, twaalfde en dertiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd; e. e. het fondsplan onvoldoende bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartersvennootschappen; f. f. het fondsplan onvoldoende doelmatig is ingericht; g. g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd; h. h. de aanvrager onvoldoende relevante ervaring of deskundigheid heeft; i. i. de gedragslijn, bedoeld in artikel 3.10.12k, tweede lid, onvoldoende vertrouwen geeft dat hiermee belangenverstrengeling voorkomen kan worden; j. j. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. **2.** Artikel 23, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing. ### Artikel 3.10.12h De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.10.12ha De in artikel 30, eerste lid, van het besluit genoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden. ### Artikel 3.10.12i Artikel 3.10.10 is van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds. ### Artikel 3.10.12j Het model voor een overeenkomst is opgenomen in bijlage 3.10.2. ### Artikel 3.10.12k **1.** Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.10.12b, eerste lid, bevat de gegevens, bedoeld in artikel 3.10.12. **2.** In aanvulling op het eerste lid gaat de aanvraag voor subsidie vergezeld van een op schrift gestelde gedragslijn van het seed business angel fonds, waarin is opgenomen hoe het ontstaan van belangenverstrengeling wordt voorkomen en welke maatregelen in dit verband getroffen worden. #### Paragraaf 3.10.4. Slotbepalingen ### Artikel 3.10.12l **1.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en effecten van de door hem op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. **2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de dag, waarop subsidie wordt vastgesteld. ### Artikel 3.10.13 De subsidie, bedoeld in artikel 3.10.2 en artikel 3.10.12b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.10.13a De wijzigingen van artikel 3.10.7 en de artikelen 3 en 5 van bijlage 3.10.1 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen voor subsidie die in de periode 1 januari 2024 tot en met 1 april 2024 zijn ingediend op grond van artikel 3.10.2. ### Artikel 3.10.13b Vervallen ### Artikel 3.10.14 Deze titel, bijlage 3.10.1 en bijlage 3.10.2 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.11. Borgstelling MKB-kredieten ### Artikel 3.11.1 **1.** Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een bank en een door de minister aangewezen kredietverstrekker. **2.** Voor de toepassing van artikel 3.11.2, derde lid, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen en een door de minister aangewezen, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde, kredietverstrekker. **3.** In deze titel wordt verstaan onder: a. *innovatieve MKB-ondernemer:* MKB-ondernemer ten aanzien van wie de financier beschikt over: a. een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of b. een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer; a. a. een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of b. b. een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer; ### Artikel 3.11.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan: a. a. een bank voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten; b. b. een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in artikel 3.11.1, eerste lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten. **2.** De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst. **3.** In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan: a. a. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 3.11.1, tweede lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten; b. b. een door de minister aangewezen kredietverstrekker als bedoeld in artikel 3.11.1, tweede lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten. Artikel 3.11.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1, is niet van toepassing op de in dit lid bedoelde MKB-ondernemers. ### Artikel 3.11.3 **1.** Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die: a. a. een onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: 1°. de uitoefening van het bank, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen of 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; 1°. 1°. de uitoefening van het bank, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen of 2°. 2°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; b. b. een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg; c. c. een onderneming in stand houdt die actief is in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten, of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; 1°. 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. 2°. de primaire productie van landbouwproducten, of 3°. 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; d. d. een onderneming in stand houdt: 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt, of 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. 1°. 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt, of 2°. 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. **2.** In afwijking van het eerste lid kan een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die actief is in een van het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening uitgesloten sector, bedoeld in het eerste lid, onder c, wel voor subsidie in aanmerking komen, indien: a. a. de MKB-ondernemer ook actief is in één of meer van de sectoren of andere activiteiten verricht die onder de algemene de-minimisverordening vallen, en b. b. de financier aan de MKB-ondernemer door middel van de kredietovereenkomst de verplichting oplegt dat: 1°. de MKB-ondernemer de verleende subsidie uitsluitend zal gebruiken voor de financiering van activiteiten die zullen plaatsvinden binnen de sectoren die binnen het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen; 2°. de inrichting van de administratie van de MKB-ondernemer zodanig zal zijn dat voor zover de MKB-ondernemer activiteiten verricht die buiten het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen, deze activiteiten zowel financieel als administratief gescheiden worden uitgevoerd van de activiteiten dat met deze subsidie wordt ondersteund. 1°. 1°. de MKB-ondernemer de verleende subsidie uitsluitend zal gebruiken voor de financiering van activiteiten die zullen plaatsvinden binnen de sectoren die binnen het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen; 2°. 2°. de inrichting van de administratie van de MKB-ondernemer zodanig zal zijn dat voor zover de MKB-ondernemer activiteiten verricht die buiten het toepassingsgebied van de algemene de-minimisverordening vallen, deze activiteiten zowel financieel als administratief gescheiden worden uitgevoerd van de activiteiten dat met deze subsidie wordt ondersteund. **3.** Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten die direct verband houden met: 1°. 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer, of 3°. 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer. ### Artikel 3.11.4 **1.** Voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer dan wel een innovatieve MKB-ondernemer bedraagt het tarief, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit, eenmalig: a. a. 3,90 procent respectievelijk 5,55 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar; b. b. 4,25 procent respectievelijk 6,10 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan zes jaar, en c. c. 5,85 procent respectievelijk 8,35 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. **2.** In afwijking van het eerste lid, kan in een kredietovereenkomst waarvoor op of na 1 januari 2017 een aanvraag als bedoeld in artikel 3.11.2 wordt ingediend, worden gekozen voor een gespreide provisiebetaling, indien deze keuze betrekking heeft op alle bedrijfsborgstellingskredieten die onder de overeenkomst van borgtocht vallen. **3.** In afwijking van het eerste lid, bedraagt het tarief voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer die een groene investering doet, eenmalig: a. a. 2 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan zes jaar; en b. b. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. **4.** Voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer dan wel een innovatieve MKB-ondernemer bestaat de gespreide provisie, bedoeld in het tweede lid, uit: a. a. een afsluitprovisie van 2,35 procent respectievelijk 3,35 procent voor de afsluiting van de kredietovereenkomst, en b. b. een jaarlijkse provisie van 0,68 procent respectievelijk 1,03 procent van de door de minister actueel geregistreerde borgstellingsstand op 1 januari van ieder kalenderjaar na de afsluiting van de kredietovereenkomst. **5.** Indien het bedrijfsborgstellingskrediet waar de overeenkomst van borgtocht betrekking op heeft voor het einde van de bij de afsluiting van de kredietovereenkomst overeengekomen looptijd is afgelost, bedraagt de hoogte van de te betalen resterende provisie de som van de gespreide provisie die voor de resterende looptijd betaald had moeten worden. ### Artikel 3.11.5 **1.** Er is een Adviescommissie Borgstelling MKB-kredieten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een bedrijfsborgstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit. **2.** De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zeven leden. **3.** De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. ### Artikel 3.11.6 **1.** De minister verdeelt het subsidieplafond voor banken en kredietinstellingen in de zin van de Wet financiële markten BES door vaststelling van een maximumbedrag per bank respectievelijk kredietinstelling die zich bij de minister hebben aangemeld. **2.** De minister stelt het maximumbedrag per financier, als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve vast voor het voorgaande kalenderjaar. **3.** De minister verdeelt het subsidieplafond voor de door de minister aangewezen kredietverstrekkers, als bedoeld in artikel 3.11.1, eerste en tweede lid, op volgorde van binnenkomst van de meldingen, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van het model bedrijfsborgstellingsovereenkomst, zoals opgenomen in bijlage 3.11.3 ### Artikel 3.11.7 Er wordt borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag. ### Artikel 3.11.8 **1.** Het model voor de bedriijfsborgstellingsovereenkomst (één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 3.11.1 **2.** Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (meer dan één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 3.11.2 **3.** Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst met een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in artikel 3.2.2, eerste en tweede lid, is opgenomen in bijlage 3.11.3. ### Artikel 3.11.9 Een aanvraag voor een borgstelling als bedoeld in artikel 3.11.2, eerste en derde lid, bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet; d. d. een brief van DNB en AFM aan uw organisatie waaruit blijkt dat u aan de door hen gestelde eisen voldoet, dan wel dat deze eisen op u niet van toepassing zijn; e. e. een ondernemersplan; f. f. een uittreksel uit het Handelsregister; g. g. een volledige C.V. van steutelfunctionarissen. ### Artikel 3.11.10 **1.** Op aanvragen om subsidie die voor 1 januari 2015 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de bijlagen 3.11.1, 3.11.2 en 3.11.3, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. **2.** Op aanvragen om subsidie die voor 1 juli 2023 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de bijlagen 3.11.1, 3.11.2 en 3.11.3, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. ### Artikel 3.11.11 De subsidie, bedoeld in artikel 3.11.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.11.12 Deze titel en de bijlagen 3.11.1, 3.11.2 en 3.11.3 vervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.12. Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers (groeifaciliteit) ### Titel 3.13. Garantie ondernemingsfinanciering ### Artikel 3.13.1 **1.** In deze titel wordt verstaan onder: fundingkosten: kosten die de bank maakt om geld aan te trekken op de kapitaalmarkt; lening: een al dan niet achtergestelde lening van geld door een financier aan een ondernemer, welke lening: a. a. al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, b. b. niet converteerbaar is en c. c. is afgesloten met de afspraak dat de rente vast is, of een gedeelte van de rente vast is en een gedeelte van de rente flexibel is en gekoppeld is aan Euribor, met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten; liquiditeitsopslag: door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld. **2.** Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een bank. **3.** Voor de toepassing van artikel 3.13.2, tweede lid, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen. ### Artikel 3.13.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van acht jaar. **2.** De minister kan ook subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft verstrekt. ### Artikel 3.13.3 **1.** De financier verstrekt geen lening aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg. **2.** De financier verstrekt geen lening aan een instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet. ### Artikel 3.13.4 **1.** Er wordt garant gestaan voor 50 procent van het nog niet afgeloste deel van de lening. **2.** Indien de financier bij het verkrijgen van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze titel slechts van toepassing op het gedeelte van de verkregen lening dat onder de garantstelling is gebracht. ### Artikel 3.13.5 **1.** De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer verstrekte lening niet minder bedraagt dan € 1.500.000. **2.** De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte lening tezamen met a. a. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen of b. b. een of meer bankgarantiefaciliteiten als bedoeld in artikel 3.14.2 die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000. ### Artikel 3.13.6 **1.** Er is een Adviescommissie Kredietcommissie die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit. **2.** De commissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in artikel 3.13.9. **3.** De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vier leden. **4.** De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaar. ### Artikel 3.13.7 In bijlage 3.13.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen. ### Artikel 3.13.8 De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.13.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling indien: a. a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. b. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst zoals opgenomen in bijlage 3.13.1; c. c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst. ### Artikel 3.13.10 **1.** Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit, wordt voor de garantie op de verstrekte lening, berekend door alle door de financier over het gegarandeerde deel van de lening ontvangen inkomsten te verminderen met: a. a. een kwart procent per jaar voor beheerskosten, b. b. fundingkosten, vermeerderd met een liquiditeitsopslag en c. c. de afsluitprovisie. **2.** Indien de financier een hogere rating heeft dan A, wordt de liquiditeitsopslag vermeerderd met het verschil tussen het percentage uit de regeling voor staatsgaranties voor de uitgifte van schuldpapier van banken voor banken met een rating A en de werkelijke rating van de financier. **3.** Indien de afsluitprovisie meer bedraagt dan 0,5 procent van de lening, wordt het meerdere toegevoegd aan de in het eerste lid, aanhef, genoemde inkomsten. **4.** De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. ### Artikel 3.13.11 Een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van deze titel, bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet. ### Artikel 3.13.12 De subsidie, bedoeld in artikel 3.13.2 bevat geen staatssteun. ### Artikel 3.13.12a **1.** Met schriftelijke instemming van een financier zijn de wijzigingen van de artikelen 5, 8, 9, 12, 12a en 13 van bijlage 3.13.1 ingevolge de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 februari 2021, nr. WJZ/ 20257211, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met aanpassing van de garant- en borgstellingsmodules aan Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) (Stcrt. 2021, 6766) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.13.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. **2.** Met schriftelijke instemming van een financier is de wijzigingen van artikel 6, vierde lid, van bijlage 3.13.1 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 juni 2022, nr. WJZ/ 22203827, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de actualisatie van enkele subsidiemodules en de openstelling van subsidiemodule Eurostarsprojecten (Stcrt. 2022, 16518) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.13.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. ### Artikel 3.13.13 Deze titel en bijlage 3.13.1 vervallen met ingang van 1 juli 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.13a. Garantie ondernemingsfinanciering energietransitie financieringsfaciliteit ### Artikel 3.13a.1 Vervallen ### Artikel 3.13a.2 Vervallen ### Artikel 3.13a.3 Vervallen ### Artikel 3.13a.4 Vervallen ### Artikel 3.13a.5 Vervallen ### Artikel 3.13a.6 Vervallen ### Artikel 3.13a.7 Vervallen ### Artikel 3.13a.8 Vervallen ### Artikel 3.13a.9 Vervallen ### Artikel 3.13a.10 Vervallen ### Artikel 3.13a.11 Vervallen ### Artikel 3.13a.12 Vervallen ### Artikel 3.13a.13 Vervallen ### Titel 3.13b. Garantie ondernemingsfinanciering uitbraak coronavirus ### Artikel 3.13b.1 Vervallen ### Artikel 3.13b.2 Vervallen ### Artikel 3.13b.3 Vervallen ### Artikel 3.13b.4 Vervallen ### Artikel 3.13b.5 Vervallen ### Artikel 3.13b.6 Vervallen ### Artikel 3.13b.7 Vervallen ### Artikel 3.13b.8 Vervallen ### Artikel 3.13b.9 Vervallen ### Artikel 3.13b.10 Vervallen ### Artikel 3.13b.11 Vervallen ### Artikel 3.13b.12 Vervallen ### Artikel 3.13b.12a Vervallen ### Artikel 3.13b.13 Vervallen ### Titel 3.14. Garantstelling gericht op bankgaranties ### Artikel 3.14.1 **1.** In deze titel wordt verstaan onder: - *bankgarantie:* verplichting van een financier om aan een begunstigde, ten laste van een ondernemer, te behoeve van eigen activiteiten van die ondernemer, een bedrag te betalen, indien de begunstigde aanspraak maakt, uitgezonderd kredietgaranties; - *bankgarantiefaciliteit:* bedrag waarvoor een financier aan een begunstigde ten laste van een ondernemer bankgaranties kan afnemen die onder de garantstelling van de staat kunnen vallen; - *waarde van een bankgarantie:* hoogte van het bedrag waarop maximaal aanspraak kan worden gemaakt onder een afgegeven bankgarantie. **2.** Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen: a. a. een bank; b. b. een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. ### Artikel 3.14.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het afgeven van een bankgarantie. **2.** De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een vordering die een financier op een ondernemer krijgt uit hoofde van een betaling onder een bankgarantie die een financier op grond van een overeenkomst ten laste van een ondernemer heeft afgegeven voor de duur van minimaal zes maanden en maximaal 8 jaar. **3.** In afwijking van het tweede lid kan, indien een bankgarantie geen vaste looptijd heeft en het inroepen daarvan afhankelijk is van het zich voordoen van een bepaalde gebeurtenis, een financier een bankgarantie onder de garantstelling brengen onder de voorwaarde dat de gebeurtenis bij het aangaan van de bankgarantie zich naar verwachting niet meer dan 7 jaar na het afsluiten van de bankgarantiefaciliteit voordoet en dat de begunstigde een provincie, gemeente, openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen of een dienst, instelling of bedrijf van de rijksoverheid is. **4.** De garantstelling heeft slechts betrekking op bankgaranties die worden afgegeven nadat de minister desgevraagd een bankgarantiefaciliteit heeft goedgekeurd en voor zover deze faciliteit toereikend en geldig is. ### Artikel 3.14.3 **1.** De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg. **2.** De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet. ### Artikel 3.14.4 **1.** Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van een bankgarantie. **2.** Indien de financier bij het afgeven van een bankgarantie een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze titel slechts van toepassing op het gedeelte van de afgegeven bankgarantie dat onder de garantstelling is gebracht. ### Artikel 3.14.5 **1.** De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de door een financier ten laste van een ondernemer afgegeven bankgarantie niet minder bedraagt dan € 250.000. **2.** De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte bankgarantiefaciliteit tezamen met a. a. een of meer bankgarantiefaciliteiten, of b. b. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen als bedoeld in de artikelen 3.13.2, 3.13a.2 en 3.13b.2 die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.000. ### Artikel 3.14.6 De in artikel 3.13.6, eerste lid, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit indien met de financier nog geen garantstellingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in de titels 3.12 of 3.13 en de afwijzingsgronden voor aanvragen om een bankgarantiefaciliteit, bedoeld in artikel 3.14.9. ### Artikel 3.14.7 In bijlage 3.14.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van bankgaranties. ### Artikel 3.14.8 De minister verdeelt het subsidieplafond voor bankgarantiefaciliteiten op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.14.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit indien: a. a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. b. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst, met uitzondering van onderdelen f, h en i, zoals opgenomen in bijlage 3.14.1; c. c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst; d. d. het bedrag van een bankgarantiefaciliteit minder bedraagt dan € 1.500.000. ### Artikel 3.14.10 **1.** De financier is voor het verstrekken van een bankgarantiefaciliteit een eenmalige provisie van 0,25 procent van 50 procent van de bankgarantiefaciliteit verschuldigd. **2.** Voor zover de opbrengsten uit de provisie, bedoeld in het eerste lid, die de financier bij de onderneming in rekening brengt voor het verstrekken van de bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 0,5 procent van de bankgarantiefaciliteit, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. **3.** Voor zover de opbrengsten uit een eventuele bereidstellingsprovisie die een financier bij een onderneming in rekening brengt over het onbenutte deel van een bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 25 procent van een door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie op bankgaranties, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. **4.** Het tarief van de periodieke provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit, wordt voor de garantstelling op een afgegeven bankgarantie berekend over de waarde van de afgegeven bankgaranties op de eerste dag van het kwartaal en is gelijk aan de door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie over het door de staat gegarandeerde deel van de afgegeven bankgaranties met aftrek van 0,15 procent op jaarbasis als vergoeding voor de financier voor het beheer van de bankgarantiefaciliteit en met een minimum van 0,5 procent op jaarbasis. **5.** In afwijking van het vierde lid kan een financier eenmalig en vooraf aangeven de provisie per kwartaal te willen verrekenen op basis van een controleerbare opgave van de provisieberekening op dagbasis. **6.** De minister kan een hoger tarief voor de provisie, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. ### Artikel 3.14.11 **1.** Een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van deze titel, bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over de organisatie, waaronder de funding, de deskundigheid, het financieringsbeleid, het financieringsproces, het beheer, en het uitwinningsbeleid van krediet. **2.** Een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit op grond van deze titel, bevat in ieder geval: a. a. kerngegevens over de financier; b. b. kerngegevens over de ondernemer; c. c. een verklaring van de financier dat is voldaan aan de garantstellingsovereenkomst. ### Artikel 3.14.12 De subsidie, bedoeld in artikel 3.14.2 bevat geen staatssteun. ### Artikel 3.14.12a **1.** Met schriftelijke instemming van een financier zijn de wijzigingen van de artikelen 12, 13, 15, 15a en 16 van bijlage 3.14.1 ingevolge de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 februari 2021, nr. WJZ/ 20257211, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met aanpassing van de garant- en borgstellingsmodules aan Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176) (Stcrt. 2021, 6766) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.14.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. **2.** Met schriftelijke instemming van een financier is de wijzigingen van artikel 10, tweede lid, van bijlage 3.14.1 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 23 juni 2022, nr. WJZ/ 22203827, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022 in verband met de actualisatie van enkele subsidiemodules en de openstelling van subsidiemodule Eurostarsprojecten (Stcrt. 2022, 16518) eveneens van toepassing op een garantstellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 3.14.7, die voor de inwerkingtreding van de voornoemde regeling tot stand is gekomen tussen de betreffende financier en de Staat. ### Artikel 3.14.13 Deze titel en bijlage 3.14.1 vervallen met ingang van 1 juli 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.15. Beter Aanbesteden ### Artikel 3.15.1 Vervallen ### Artikel 3.15.2 Vervallen ### Artikel 3.15.3 Vervallen ### Artikel 3.15.4 Vervallen ### Artikel 3.15.5 Vervallen ### Artikel 3.15.6 Vervallen ### Artikel 3.15.7 Vervallen ### Artikel 3.15.8 Vervallen ### Artikel 3.15.9 Vervallen ### Artikel 3.15.10 Vervallen ### Artikel 3.15.11 Vervallen ### Artikel 3.15.12 Vervallen ### Titel 3.16. Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie #### Paragraaf 3.16.1. Algemene bepalingen ### Artikel 3.16.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *academische innovatieve starter:* innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een universiteit als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de Bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 4.1 van het Reglement NWO 2002, een onderzoeksinstituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, het Nederlands Kanker Instituut, het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen, onderzoekers van de Dubble-bundellijn bij de European Synchrotron Radiation Facility te Grenoble, Frankrijk, het Naturalis Biodiversity Center, of het Advanced Research Centre for NanoLithography, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende universiteit, het desbetreffende academisch ziekenhuis, de desbetreffende onderzoeksorganisatie of het desbetreffende onderzoeksinstituut; - *financier:* een (onderdeel met een afgescheiden boekhouding van een) kapitaalvennootschap, een vennootschap met een afgescheiden vermogen of een rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die, blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld, tot doel heeft het op provinciaal niveau verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; - *financieringsbudget:* geldelijke middelen die een financier beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor verrekening van de kosten, bedoeld in artikel 3.16.1h, bestaande uit de provinciale bijdrage en het bedrag van de geldlening, bedoeld in artikel 3.16.1c; - *financieringsplan:* een plan van een financier tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; - *haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter:* samenstel van activiteiten dat leidt tot een schriftelijk rapport met een inschatting van de commerciële en technische mogelijkheden van de door een TO2-starter voorgenomen activiteiten en de kansen voor de haalbaarheid van een vroegefasetraject; - *hbo-innovatieve starter:* innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een hogeschool als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende hogeschool; - *innovatieve starter:* innovatieve onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 80, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, die tevens starter is, als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van die verordening; - *kosten:* door een financier in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten te maken kosten, waaronder doch niet beperkt tot kosten voor door een financier in te zetten medewerkers en kosten voor door een financier in te schakelen externe deskundigen, welke kosten marktconform dienen te zijn; - *rekening:* rekening ten name van een financier welke uitsluitend wordt gebruikt voor alle betalingsverkeer dat op welke wijze dan ook verband houdt met het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; - *TO2-innovatieve starter:* innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, de Stichting Deltares, de Stichting Wageningen Research, de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland, de Stichting Maritiem Research Instituut Nederland of de Stichting Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende onderzoeksinstelling; - *toekomstige investeerder:* persoon die in het kader van een vernieuwingsfasetraject of een vroegefasetraject van plan is na uitvoering van het vernieuwingsfaseplan of het vroegefaseplan aan de aanvrager van de subsidie financiering te verstrekken voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan het bedrag van de maximale hoofdsom, bedoeld in de artikelen 3.16.3, 3.16.8 en 3.16.13, voor de fase na de vernieuwingsfase of de vroegefase; - *vernieuwingsfaseplan:* document waarin wordt uiteengezet op welke wijze en op welke termijn de MKB-ondernemer door experimentele ontwikkeling komt tot de ontwikkeling of de verdere ontwikkeling van een product, proces of dienst op basis waarvan de toekomstige investeerder definitief kan besluiten tot financiering van het vervolgtraject; - *vernieuwingsfasetraject:* samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vernieuwingsfaseplan; a. *vroegefaseplan:* document waarin: a. de aanvrager van de subsidie uiteenzet op welke wijze en op welke termijn een uitvinding, een resultaat van een onderzoek, een idee of een concept zo kan worden ontwikkeld dat de toekomstige investeerder in staat is te besluiten tot de voorgenomen financiering, of; b. indien het gaat om een uiteenzetting van een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter, de vragen van toekomstige financiers omtrent de ontwikkeling worden beantwoord zodat de toekomstige financiers over financiering kunnen besluiten; a. a. de aanvrager van de subsidie uiteenzet op welke wijze en op welke termijn een uitvinding, een resultaat van een onderzoek, een idee of een concept zo kan worden ontwikkeld dat de toekomstige investeerder in staat is te besluiten tot de voorgenomen financiering, of; b. b. indien het gaat om een uiteenzetting van een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter, de vragen van toekomstige financiers omtrent de ontwikkeling worden beantwoord zodat de toekomstige financiers over financiering kunnen besluiten; - *vroegefasetraject:* samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vroegefaseplan. ### Artikel 3.16.1a **1.** Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering MKB-ondernemers en innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in de artikelen 22 tot en met 24 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, en de artikelen 3.16.1e, 3.16.4 en 3.16.9. **2.** De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste twintig leden. **3.** De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. ### Artikel 3.16.1b **1.** Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters, hbo-innovatieve starters en TO2-innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en 3.16.11d en 3.16.14, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in de artikelen 3.16.11f en 3.16.17. **2.** De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste twintig leden. **3.** De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. #### Paragraaf 3.16.1a. Regionale financier ### Artikel 3.16.1c **1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een financier voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers, uitgezonderd MKB-ondernemers die werkzaam zijn in de visserij- en aquacultuursector, of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor verrekening van de kosten, bedoeld in artikel 3.16.1h. **2.** Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt gedurende een periode van ten hoogste drie jaar. Deze periode kan worden verlengd met maximaal drie jaar indien hier goed gemotiveerde redenen voor zijn. ### Artikel 3.16.1d **1.** De subsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van het financieringsbudget, doch ten minste € 1.000.000 en ten hoogste € 5.000.000 per subsidieontvanger. **2.** Het resterende financieringsbudget van ten minste 50 procent wordt door provinciale overheden ingebracht. ### Artikel 3.16.1e De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat provinciale overheden het resterende financieringsbudget van ten minste 50 procent daadwerkelijk inbrengen; b. b. indien een financieringsplan zich onvoldoende aantoonbaar richt op het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten; c. c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat een financier de capaciteiten heeft voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten en voor het beheer hiervan; d. d. indien door een financier onvoldoende de term ‘vroegefasefinanciering’ wordt gehanteerd; e. e. indien een financieringsplan onvoldoende aandacht besteedt aan het converteren van geldleningen gericht op het mogelijk maken van vervolgfinanciering; f. f. indien een financieringsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers, gelijk zijn aan: i. 35 procent van de door een MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 122.500, ii. 45 procent van de door een MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 157.500; 2°. geldleningen die worden verstrekt aan innovatieve starters, gelijk zijn aan het totaal van de door een innovatieve starter voorziene kosten voor een vroegefasetraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 450.000; 3°. ten aanzien van geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, een rentevoet wordt gehanteerd van 5 procent plus referentierente; 4°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, worden terugbetaald in zes jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste termijn in principe wordt afgelost drie jaar na ingang van de geldlening; 5°. aan MKB-ondernemers eenmaal of aan innovatieve starters tweemaal een jaar uitstel van de verplichting tot aflossing kan worden gegeven; 6°. bij beslissingen inzake het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters rekening wordt gehouden met het advies van een nader in te stellen onafhankelijk comité; 7°. geldleningen slechts worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 8°. geldleningen slechts worden verstrekt ten behoeve van financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten waarvan aannemelijk is dat een traject binnen 24 maanden is afgerond; 9°. de totale kosten die een financier maakt in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, ten hoogste 17 procent bedragen van het financieringsbudget; 1°. 1°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers, gelijk zijn aan: i. 35 procent van de door een MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 122.500, ii. 45 procent van de door een MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 157.500; i. i. 35 procent van de door een MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 122.500, ii. ii. 45 procent van de door een MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt, voorziene kosten van een vernieuwingstraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 157.500; 2°. 2°. geldleningen die worden verstrekt aan innovatieve starters, gelijk zijn aan het totaal van de door een innovatieve starter voorziene kosten voor een vroegefasetraject, doch ten minste € 50.000 en ten hoogste € 450.000; 3°. 3°. ten aanzien van geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, een rentevoet wordt gehanteerd van 5 procent plus referentierente; 4°. 4°. geldleningen die worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, worden terugbetaald in zes jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste termijn in principe wordt afgelost drie jaar na ingang van de geldlening; 5°. 5°. aan MKB-ondernemers eenmaal of aan innovatieve starters tweemaal een jaar uitstel van de verplichting tot aflossing kan worden gegeven; 6°. 6°. bij beslissingen inzake het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters rekening wordt gehouden met het advies van een nader in te stellen onafhankelijk comité; 7°. 7°. geldleningen slechts worden verstrekt aan MKB-ondernemers of innovatieve starters waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 8°. 8°. geldleningen slechts worden verstrekt ten behoeve van financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten waarvan aannemelijk is dat een traject binnen 24 maanden is afgerond; 9°. 9°. de totale kosten die een financier maakt in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters, ten hoogste 17 procent bedragen van het financieringsbudget; g. g. indien aan een financier voor het verstrekken van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters ten behoeve van de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten minder dan drie jaar geleden al subsidie is verstrekt; uitgezonderd is een aanvraag voor een tussentijdse ophoging van het financieringsbudget; h. h. indien met de uitvoering van het financieringsplan is begonnen voor de datum van de aanvraag. ### Artikel 3.16.1f De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.16.1g **1.** De financier is aan de Staat uitsluitend verschuldigd: a. a. 50 procent van de rente die op de rekening is aangewassen en te eniger tijd is bijgeschreven, en van de lopende rente bij beëindiging van de rekening; en b. b. 50 procent van alle opbrengsten die hij ontvangt uit de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters. **2.** Het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 50 procent van het financieringsbudget uitmaakt. ### Artikel 3.16.1h **1.** De door de financier te maken kosten in verband met de verstrekking van geldleningen aan MKB-ondernemers of innovatieve starters komen voor 50 procent voor rekening van de Staat en kunnen worden verrekend met de geldlening. **2.** Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 50 procent van het financieringsbudget uitmaakt. ### Artikel 3.16.1i De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt, binnen acht weken na die beschikking is ondertekend door de financier. #### Paragraaf 3.16.2. MKB-ondernemer ### Artikel 3.16.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 42 van het besluit aan een MKB-ondernemer, niet zijnde een MKB-ondernemer die werkzaam is in de visserij- en aquacultuursector, ten behoeve van de financiering van een vernieuwingsfasetraject. **2.** Bij zijn aanvraag legt de MKB-ondernemer een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 3.16.1 is opgenomen. ### Artikel 3.16.3 **1.** De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan: a. a. 35 procent van de door de MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 122.500; b. b. 45 procent van de door de MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 157.500. **2.** De kosten gemaakt door de MKB-ondernemer als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vernieuwingstraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45. ### Artikel 3.16.3a De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit bedraagt 24 maanden. ### Artikel 3.16.4 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. a. indien het vernieuwingsfasetraject geen experimentele ontwikkeling vormt; b. b. indien aannemelijk is dat de MKB-ondernemer de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; c. c. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vernieuwingsfaseplan het plan heeft opgevat de MKB-ondernemer te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; d. d. voor zover de begrote kosten van het vernieuwingsfasetraject hoger zijn dan € 450.000 of 1°. lager zijn dan € 142.000 indien de MKB-ondernemer een middelgrote onderneming in stand houdt, of 2°. lager zijn dan € 110.000 indien de MKB-ondernemer een kleine onderneming in stand houdt; 1°. 1°. lager zijn dan € 142.000 indien de MKB-ondernemer een middelgrote onderneming in stand houdt, of 2°. 2°. lager zijn dan € 110.000 indien de MKB-ondernemer een kleine onderneming in stand houdt; e. e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer een vernieuwingsfasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vernieuwingsfasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; f. f. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer de geldlening bedoeld in artikel 3.16.2, eerste lid, kan terugbetalen; g. g. indien voor het vernieuwingsfasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; h. h. indien voor het vernieuwingsfasetraject een geldlening bij een financier kan worden aangevraagd; i. i. indien met de uitvoering van het vernieuwingsfasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. ### Artikel 3.16.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.16.6 **1.** De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de MKB-ondernemer. **2.** De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. #### Paragraaf 3.16.3. Innovatieve starter ### Artikel 3.16.7 **1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een subsidie met een terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 42 van het besluit aan een innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. **2.** Bij zijn aanvraag legt de innovatieve starter een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 3.16.1 is opgenomen. ### Artikel 3.16.8 **1.** De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 450.000. **2.** De kosten gemaakt door de innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45. ### Artikel 3.16.8a De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit bedraagt 24 maanden. ### Artikel 3.16.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. a. indien aannemelijk is dat de innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. b. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vroegefaseplan het plan heeft opgevat de innovatieve starter te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; c. c. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 450.000 of lager zijn dan € 50.000; d. d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; e. e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter de geldlening bedoeld in artikel 3.16.7, eerste lid, kan terugbetalen; f. f. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; g. g. indien voor het vroegefasetraject een geldlening bij een financier kan worden aangevraagd; h. h. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. ### Artikel 3.16.10 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.16.11 **1.** De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de innovatieve starter. **2.** De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. #### Paragraaf 3.16.3a. Haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter ### Artikel 3.16.11a **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een TO2-innovatieve starter voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie TO2-innovatieve starter. **2.** Bij zijn aanvraag legt de TO2-innovatieve starter een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van TO2-innovatieve starter in artikel 3.16.1. ### Artikel 3.16.11b De subsidie bedraagt 100% van de kosten van de haalbaarheidsstudie doch ten hoogste € 40.000. ### Artikel 3.16.11c **1.** Met de uitvoering van de haalbaarheidsstudie wordt gestart binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend. **2.** De haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd binnen zes maanden na de start van de haalbaarheidsstudie. ### Artikel 3.16.11d De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft in technische of financiële zin onvoldoende risicovol zijn om de haalbaarheidsstudie te rechtvaardigen; b. b. de haalbaarheidsstudie naar verwachting onvoldoende inzicht zal geven in het commercieel perspectief en de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft; c. c. er op voorhand onvoldoende vertrouwen bestaat in het commercieel perspectief of de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteiten waarop de haalbaarheidsstudie betrekking heeft. ### Artikel 3.16.11e De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.16.11f **1.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 3.16.11d afwijzend is beslist, zodanig dat een aanvraag voor een haalbaarheidsstudie hoger gerangschikt wordt naarmate op voorhand: a. a. het commercieel perspectief van het voorgenomen vroegefasetraject groter wordt geacht; b. b. de kennisbasis en innovativiteit van het voorgenomen vroegefasetraject groter wordt geacht; c. c. de kwaliteit van de TO2-innovatieve starter en het team dat betrokken is bij het voorgenomen vroegefasetraject hoger wordt geacht; d. d. de kwaliteit van het voorgenomen vroegefasetraject hoger wordt geacht. **2.** Voor de rangschikking tellen de criteria, genoemd in het eerste lid, ieder voor 25 procent. #### Paragraaf 3.16.4. Academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter en TO2-innovatieve starter ### Artikel 3.16.12 **1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. **2.** Bij zijn aanvraag legt de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter: a. a. een rapport van een haalbaarheidsstudie over; b. b. een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter in artikel 3.16.1. **3.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies bedraagt 24 maanden. **4.** Geen subsidie wordt verstrekt: a. a. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. b. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. ### Artikel 3.16.13 **1.** De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 450.000. **2.** De kosten gemaakt door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 45. ### Artikel 3.16.14 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. a. indien aannemelijk is dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. b. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 450.000 of lager dan zijn € 50.000; c. c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen; d. d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter de geldlening, bedoeld in artikel 3.16.12, eerste lid, kan terugbetalen. ### Artikel 3.16.15 Vervallen ### Artikel 3.16.16 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.16.17 **1.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 3.16.14 afwijzend is beslist, zodanig dat een vroegefasetraject hoger gerangschikt wordt naarmate: a. a. het commercieel perspectief van het vroegefasetraject groter is; b. b. de kennisbasis en innovativiteit van het vroegefasetraject groter is; c. c. de kwaliteit van de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter en het team dat betrokken is bij het vroegefasetraject hoger is; d. d. de kwaliteit van het vroegefasetraject hoger is. **2.** Voor de rangschikking telt het criterium, genoemd in onderdeel a, voor 40 procent en de criteria, genoemd in de onderdelen b tot en met d, elk voor 20 procent. ### Artikel 3.16.18 **1.** De subsidieverlening aan een academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen acht weken na die beschikking is ondertekend door de academische innovatieve starter, hbo-innovatieve starter of TO2-innovatieve starter. **2.** De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. #### Paragraaf 3.16.5. Slotbepalingen ### Artikel 3.16.19 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. de kerngegevens en onderbouwing van het financieringsplan, vroegefaseplan of vernieuwingsfaseplan. ### Artikel 3.16.20 **1.** De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.16.1i, bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 3.16.1a en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel. **2.** De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.16.6 bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 3.16.2 en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel. **3.** De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 3.16.11 en 3.16.18 bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 3.16.3 en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van deze titel. ### Artikel 3.16.21 De subsidie, bedoeld in de artikelen 3.16.1c, 3.16.2, 3.16.7, 3.16.11a en 3.16.12 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 22 en 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.16.21a De wijzigingen van artikel 3.16.1e en artikel 3 in bijlage 3.16.1a ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen die in de periode 1 september 2024 tot en met 1 december 2024 zijn ingediend op grond van artikel 3.16.1c. ### Artikel 3.16.22 Deze titel en de bijlagen 3.16.1, 3.16.1a, 3.16.2 en 3.16.3 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.17. Opschaling supportprogramma’s startups en scale-ups ### Artikel 3.17.1 Vervallen ### Artikel 3.17.2 Vervallen ### Artikel 3.17.3 Vervallen ### Artikel 3.17.3a Vervallen ### Artikel 3.17.4 Vervallen ### Artikel 3.17.5 Vervallen ### Artikel 3.17.6 Vervallen ### Artikel 3.17.7 Vervallen ### Artikel 3.17.8 Vervallen ### Artikel 3.17.8a Vervallen ### Artikel 3.17.9 Vervallen ### Artikel 3.17.10 Vervallen ### Artikel 3.17.11 Vervallen ### Artikel 3.17.12 Vervallen ### Titel 3.18. Mijn digitale zaak ### Artikel 3.18.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *digitaliseringsscan:* vragenlijst, beschikbaar op de website www.mijndigitalezaak.nl, waarmee de ondernemer inzicht krijgt in hoe ver zijn of haar onderneming is in de toepassing van productiviteitsverhogende technologieën, en op grond waarvan de ondernemer persoonlijk digitaliseringsadvies krijgt; - *leverancier:* ondernemer, geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, die productiviteitsverhogende technologie levert; - *routekaart niveau 1:* in bijlage 3.18.1 opgenomen overzicht van alle digitaliseringsmogelijkheden voor aanvragers. ### Artikel 3.18.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer, die een kleine onderneming in stand houdt, voor het afnemen en implementeren van de in de routekaart niveau 1 opgenomen productiviteitsverhogende technologie, en het inwinnen van advies hierover, met als doel de productiviteit van de onderneming van de aanvrager te vergroten. **2.** De subsidie, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden aangevraagd voor een onderneming als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met d, van de algemene de-minimisverordening. **3.** Het tweede lid is niet van toepassing op een bedrijfsonderdeel van de in dat lid bedoelde onderneming, wanneer de economische activiteiten van dat bedrijfsonderdeel: a. a. voornamelijk zien op de verkoop van goederen aan particulieren; en b. b. vergeleken met de overige economische activiteiten van de onderneming van ondergeschikt belang zijn. ### Artikel 3.18.3 De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvrager. ### Artikel 3.18.4 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten ten behoeve van: a. a. het bij een leverancier aanschaffen van producten en diensten die zijn opgenomen in de routekaart niveau 1; b. b. het inwinnen van aankoopadvies met betrekking tot de producten en diensten, bedoeld in onderdeel a, tot een maximum van € 500. ### Artikel 3.18.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.18.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie maanden. ### Artikel 3.18.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. a. reeds op grond van deze titel subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager; b. b. de subsidieaanvrager nog geen inzicht heeft verkregen, door middel van een digitaliseringsscan, in hoe ver zijn of haar bedrijf is in de toepassing van productiviteitsverhogende technologieën; c. c. de ingediende offerte niet aansluit op de in de routekaart opgenomen digitaliseringsmogelijkheden; d. d. in de aanvraag kosten zijn opgenomen voor: 1°. aanschaf van hardware die geen verband houden met aangeschafte software opgenomen in de routekaart niveau 1; 2°. aankoopadvies dat door dezelfde partij wordt geleverd als waar een product wordt aangeschaft; 3°. social media abonnementen waarvoor betaald moet worden; 1°. 1°. aanschaf van hardware die geen verband houden met aangeschafte software opgenomen in de routekaart niveau 1; 2°. 2°. aankoopadvies dat door dezelfde partij wordt geleverd als waar een product wordt aangeschaft; 3°. 3°. social media abonnementen waarvoor betaald moet worden; e. e. de dienst die, of het product dat, vermeld wordt op de ingediende offerte, niet aansluit bij de diensten of producten die de leverancier normaliter levert; f. f. de subsidieaanvrager, die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 3.18.2, tweede lid, subsidie aanvraagt voor een economische activiteit, als bedoeld in artikel 3.18.2, derde lid, en deze subsidieaanvrager: 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of 2°. het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in artikel 3.18.2, derde lid, onderdeel b, bedoelde overige economische activiteiten. 1°. 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of 2°. 2°. het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in artikel 3.18.2, derde lid, onderdeel b, bedoelde overige economische activiteiten. g. g. de subsidiabele kosten minder dan € 1.000 bedragen. ### Artikel 3.18.8 De subsidieontvanger verleent gedurende twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.18.2, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. ### Artikel 3.18.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. **2.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. het resultaat van de voorgeschreven digitaliseringsscan in pdf formaat; b. b. een ingevulde vragenlijst ten behoeve van het doen van een nulmeting; c. c. een of meerdere op de datum van de subsidieaanvraag geldige offertes, behorende bij de afname van een product of een dienst opgenomen in de routekaart niveau 1, of het inwinnen van advies hierover. ### Artikel 3.18.10 **1.** De subsidie, bedoeld in artikel 3.18.2, wordt ambtshalve vastgesteld. **2.** De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht en de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. ### Artikel 3.18.11 De subsidie, bedoeld in artikel 3.18.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.18.12 Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2026 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd. ### Titel 3.18a. Mijn cyberweerbare zaak ### Artikel 3.18a.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *CyberVeilig Check tool:* vragenlijst, beschikbaar op de website www.digitaltrustcenter.nl, waarmee de ondernemer inzicht krijgt in welke maatregelen genomen kunnen worden om de cyberweerbaarheid van zijn onderneming te verhogen en op grond waarvan de ondernemer daaromtrent persoonlijk advies krijgt; - *leverancier:* ondernemer, geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, die producten of diensten levert om de cyberweerbaarheidsmaatregelen te kunnen nemen; - *tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen:* in bijlage 3.18a.1 opgenomen overzicht van alle cyberweerbaarheidsmaatregelen voor aanvragers. ### Artikel 3.18a.2 **1.** De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer, die een kleine onderneming in stand houdt, voor het afnemen en implementeren van in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen, met als doel de cyberweerbaarheid van de onderneming van de aanvrager te vergroten. **2.** De subsidie, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden aangevraagd voor een onderneming als bedoeld in artikel 1, onderdelen a tot en met d, van de algemene de-minimisverordening. **3.** Het tweede lid is niet van toepassing op een bedrijfsonderdeel van de in dat lid bedoelde onderneming, wanneer de economische activiteiten van dat bedrijfsonderdeel: a. a. voornamelijk zien op de verkoop van goederen aan particulieren; b. b. vergeleken met de overige economische activiteiten van de onderneming van ondergeschikt belang zijn. **4.** De kosten voor persoonsgebonden producten of diensten stemmen overeen met het aantal werkzame personen bij de onderneming ten behoeve waarvan de aanvraag is ingediend. ### Artikel 3.18a.3 De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.250 per aanvrager. ### Artikel 3.18a.4 **1.** Voor subsidie komen in aanmerking de kosten ten behoeve van het bij een leverancier afnemen en implementeren van producten en diensten die zijn opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen. **2.** Onverminderd het eerste lid, komen de kosten voor betaalde abonnementen en licenties behorend bij producten en diensten met een looptijd van meer dan één jaar met betrekking tot de in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen, uitsluitend voor een periode van één jaar voor subsidie in aanmerking. **3.** Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor: a. a. handmatige updates zonder structurele aanpak; b. b. algemene IT-beheercontracten zonder specifieke patchingsactiviteit; c. c. updates voor end-of-life software; d. d. cyberweerbaarheidsmaatregelen ten behoeve van websites, webshops, online platformen, betaalsystemen en cloudwerkplekken. ### Artikel 3.18a.5 De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.18a.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie maanden. ### Artikel 3.18a.7 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. a. reeds op grond van deze titel subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager; b. b. de subsidieaanvrager nog geen inzicht heeft verkregen in welke maatregelen genomen kunnen worden om de cyberweerbaarheid van zijn onderneming te verhogen; c. c. de ingediende factuur en het ingediende betaalbewijs geen betrekking hebben op het afnemen of implementeren van een product of een dienst opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen; d. d. de subsidieaanvrager bij de aanvraag niet heeft ingestemd met het verlenen van medewerking aan een evaluatie van de effecten van deze titel; e. e. de subsidieaanvrager, die een onderneming in stand houdt als bedoeld in artikel 3.18a.2, tweede lid, subsidie aanvraagt voor een economische activiteit, als bedoeld in artikel 3.18a.2, derde lid, en deze subsidieaanvrager: 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert ten opzichte van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of 2°. het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in artikel 3.18a.2, derde lid, onderdeel b, bedoelde overige economische activiteiten; 1°. 1°. voor die economische activiteit geen aparte boekhouding voert ten opzichte van de overige economische activiteiten van zijn onderneming; of 2°. 2°. het risico bestaat dat de subsidieaanvrager de verkregen subsidie ook aanwendt voor de in artikel 3.18a.2, derde lid, onderdeel b, bedoelde overige economische activiteiten; f. f. de subsidiabele kosten minder dan € 400 bedragen; g. g. het een aanvraag voor subsidie betreft voor in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen opgenomen maatregelen die voor 18 juli 2025 zijn afgenomen en geïmplementeerd; h. h. de dienst die, of het product dat, vermeld wordt op de ingediende factuur en het betaalbewijs, niet aansluit bij de diensten of producten die de leverancier normaliter levert; i. i. eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een dienst of product van dezelfde categorie cyberweerbaarheidsmaatregel. ### Artikel 3.18a.8 **1.** Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. **2.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. het resultaat van de ingevulde CyberVeilig Check tool in pdf formaat; b. b. een factuur met daarin ten minste de naam en het adres van de ondernemer en de leverancier van de producten en diensten die zijn opgenomen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen, een omschrijving van de afgenomen producten en diensten die te herleiden is naar de maatregelen in de tabel cyberweerbaarheidsmaatregelen, het bedrag, inclusief en exclusief BTW en de datum van betaling van het bedrag; c. c. een betaalbewijs in de vorm van een bankafschrift met daarin ten minste de tenaamstelling van de rekening, het rekeningnummer, het betaalde bedrag, betaaldatum en het rekeningnummer van de leverancier. ### Artikel 3.18a.9 De beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 3.18a.2, eerste lid, houdt tevens de beschikking tot subsidievaststelling in. ### Artikel 3.18a.10 De subsidie, bedoeld in artikel 3.18a.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.18a.11 Deze titel vervalt met ingang van 1 september 2028 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.19. Duurzame innovatieve scheepsbouw ### Artikel 3.19.1 In deze titel wordt verstaan onder: a. *drijvende en bewegende offshore-constructie:* constructie voor de exploratie, exploitatie of productie van hernieuwbare energie of winning van grond- en voedingsstoffen op zee of opslag van CO_2 in de zeebodem die: a. niet beschikt over eigen voortstuwing; en b. bedoeld is om meermaals op eigen drijfvermogen te worden verplaatst terwijl zij in bedrijf is; a. a. niet beschikt over eigen voortstuwing; en b. b. bedoeld is om meermaals op eigen drijfvermogen te worden verplaatst terwijl zij in bedrijf is; - *scheepsbouwinnovatieproject:* een project dat bestaat uit de experimentele ontwikkeling van nieuwe of verbeterde onderdelen bij de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie in vergelijking met die welke in de scheepsbouwsector gewoonlijk binnen de Europese Unie worden gebruikt of beschikbaar zijn en waarvan de implementatie of toepassing een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt; - *scheepswerf:* onderneming die schepen of drijvende en bewegende offshore-constructies ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust; a. *schip:* zichzelf voortstuwend zeeschip of binnenvaartschip dat is bestemd om voor commerciële doeleinden te worden gebruikt en tot één van de volgende categorieën behoort: a. zeeschepen of binnenvaartschepen, niet zijnde vissersvaartuigen, met een minimaal tonnage van 100 bruto ton, bestemd voor het vervoer van passagiers of goederen of voor het verrichten van een speciale dienst; b. sleepboten of veerponten met een minimaal vermogen van 365 kW. a. a. zeeschepen of binnenvaartschepen, niet zijnde vissersvaartuigen, met een minimaal tonnage van 100 bruto ton, bestemd voor het vervoer van passagiers of goederen of voor het verrichten van een speciale dienst; b. b. sleepboten of veerponten met een minimaal vermogen van 365 kW. ### Artikel 3.19.2 De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een scheepswerf voor een scheepsbouwinnovatieproject dat een bijdrage levert aan duurzame ontwikkeling op de gebieden, beschreven in bijlage 3.19.1, en gericht is op: a. a. de ontwikkeling en het ontwerp van een nieuwe scheepsklasse of een nieuwe klasse drijvende en bewegende offshore-constructies; b. b. de ontwikkeling van een nieuw onderdeel van een schip of drijvende en bewegende offshore-constructie dat als afzonderlijk element van het schip of de drijvende en bewegende offshore-constructie kan worden onderscheiden. ### Artikel 3.19.3 **1.** De subsidie bedraagt 25% van de subsidiabele kosten en bedraagt maximaal € 750.000. **2.** Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met: a. a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; b. b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. ### Artikel 3.19.4 **1.** Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** In afwijking van artikel 3.1.1 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14, van het besluit, voor deze titel € 80. ### Artikel 3.19.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.19.6 **1.** De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen 13 weken na de beschikking tot subsidieverlening aantoont dat: a. a. de opdrachtgever en de subsidieontvanger de overeenkomst tot de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waarvoor een scheepsbouwinnovatieproject wordt uitgevoerd hebben gesloten; b. b. de opdrachtgever ter uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, een of meer betalingen heeft gedaan, en c. c. de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, een volledige weergave vormt van de tussen subsidieontvanger en opdrachtgever gemaakte afspraken. **2.** Met de uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject wordt gestart op het moment dat aan de opschortende voorwaarde, genoemd in het eerste lid, is voldaan. **3.** De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening. **4.** De termijn bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is drie jaar na de subsidieverlening. **5.** De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het vierde lid, verlengen met een periode van maximaal twee jaar. ### Artikel 3.19.7 **1.** Er is een Adviescommissie duurzame scheepsbouw die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikelen 22 en 23 van het besluit en artikel 3.19.8, alsmede de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.19.9. **2.** De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. **3.** De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. ### Artikel 3.19.8 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien: a. a. tussen de subsidieontvanger en de opdrachtgever voor indiening van de aanvraag om subsidie een overeenkomst tot de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waarbij een scheepsbouwinnovatieproject wordt uitgevoerd is gesloten; b. b. van het scheepsbouwinnovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn; c. c. het scheepsbouwinnovatieproject niet leidt tot een voldoende mate van vernieuwing van een product; d. d. het scheepsbouwinnovatieproject onvoldoende bijdraagt aan duurzame ontwikkeling op de gebieden, beschreven in bijlage 3.19.1; e. e. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is; f. f. het scheepsbouwinnovatieproject een niveau van milieubescherming beoogt te bereiken dat niet verder gaat dan verplicht op grond van EU-rechtshandelingen; g. g. na toepassing van artikel 3.19.9, eerste lid, minder dan tien punten voor één of meer criteria zijn toegekend; h. h. na toepassing van artikel 3.19.9, eerste lid, minder dan zestig punten zijn toegekend. ### Artikel 3.19.9 **1.** De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. het innovatiegehalte van het scheepsbouwinnovatieproject hoger is; b. b. de bijdrage van het scheepsbouwinnovatieproject aan de verduurzaming van de scheepvaart groter is; c. c. de economische potentie en toepassingsmogelijkheden van het scheepsbouwinnovatieproject groter zijn; d. d. de kwaliteit van de aanvraag beter is. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe. **3.** Indien de minister in één kalenderjaar meer aanvragen van een aanvrager of aanvragers behorende tot één groep heeft ontvangen, wordt bij de tweede aanvraag vijf punten in mindering gebracht, bij de derde aanvraag tien punten en elke volgende aanvraag vijftien punten. **4.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het scheepsbouwinnovatieproject zijn toegekend. ### Artikel 3.19.10 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. gegevens over de bouw of verbouw van het schip of de bouw van de drijvende en bewegende offshore-constructie; d. d. een projectplan voor uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject; e. e. een verklaring van de scheepswerf en de opdrachtgever voor de bouw of verbouw van een schip of de bouw van een drijvende en bewegende offshore-constructie waaruit de intentie tot uitvoering van het scheepsbouwinnovatieproject blijkt; en f. f. gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.19.3, tweede lid, onderdelen a en b. ### Artikel 3.19.11 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten worden opgedaan na afloop van het scheepsbouwinnovatieproject openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. ### Artikel 3.19.12 De subsidie, bedoeld in artikel 3.19.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.19.13 Deze titel en bijlage 3.19.1 vervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.20. Omscholing naar ICT- en techniek-kansrijke beroepen ### Artikel 3.20.1 **1.** In deze titel wordt verstaan onder: - *arbeidsovereenkomst:* een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; - *brancheorganisatie:* een vereniging, opgericht voor 1 januari 2020, die belangen behartigt van haar leden, bestaande uit ondernemingen die tot eenzelfde bedrijfstak behoren; - *ICT- en techniek-kansrijk beroep:* een beroep dat past binnen de in bijlage 3.20 opgenomen lijst met kansrijke beroepen, dat valt binnen de beroepssegmenten techniek-industrie, techniek-bouw, techniek-auto en voertuigtechniek, techniek-installatietechniek of ICT; - *opleider:* een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich bij de uitoefening van zijn beroep of bedrijf bezighoudt met het geven van scholing; - *praktijkbegeleider:* een werknemer die zich bij de uitoefening van zijn beroep namens zijn werkgever bezighoudt met het geven van praktijkondersteuning; - *werknemer:* werknemer als bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; - *werkgever:* werkgever als bedoeld in artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. **2.** In aanvulling op het eerste lid wordt mede verstaan onder: a. a. werknemer: een natuurlijke persoon die voornemens is om in de hoedanigheid van werknemer een arbeidsovereenkomst te sluiten; b. b. werkgever: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is om in de hoedanigheid van werkgever een arbeidsovereenkomst te sluiten. ### Artikel 3.20.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een werkgever voor het faciliteren van een of meer omscholingstrajecten die zijn gericht op het verwerven van de benodigde competenties, kennis en ervaring door een of meer werknemers ten behoeve van de uitoefening van een ICT- en techniek-kansrijk beroep. **2.** Een omscholingstraject bevat een samenhangend geheel van activiteiten dat relevant is voor de adequate uitoefening van een ICT- en techniek-kansrijk beroep, bestaande uit: a. a. scholing via een opleiding, cursus, training, of andere vorm van kennisverwerving die door een opleider namens de werkgever wordt aangeboden aan de werknemer; en b. b. praktijkondersteuning via het inwerken, coachen, geven van feedback of andere vorm van ondersteuning door een praktijkbegeleider namens de werkgever aan de werknemer. **3.** Een subsidieaanvrager als bedoeld in het eerste lid dient per omscholingstraject een aanvraag voor subsidie in. ### Artikel 3.20.3 **1.** De subsidie bedraagt € 3.750 per omscholingstraject. **2.** Het totale bedrag aan de-minimissteun bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.20.4 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.20.5 **1.** Met een op grond van deze titel gesubsidieerd omscholingstraject wordt uiterlijk gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar. ### Artikel 3.20.6 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie indien: a. a. de werknemer: 1°. in een periode van minder dan twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor subsidie bij een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs het eindexamen heeft afgelegd; 2°. voor 1 juli 2022 werkzaam was in een ICT- en techniek-kansrijk beroep binnen een zelfde beroepsgroep, als bedoeld in bijlage 3.20; of 3°. voor 1 juli 2022 gestart is met het omscholingstraject waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft; 1°. 1°. in een periode van minder dan twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor subsidie bij een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs het eindexamen heeft afgelegd; 2°. 2°. voor 1 juli 2022 werkzaam was in een ICT- en techniek-kansrijk beroep binnen een zelfde beroepsgroep, als bedoeld in bijlage 3.20; of 3°. 3°. voor 1 juli 2022 gestart is met het omscholingstraject waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft; b. b. niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager voornemens is met de werknemer een arbeidsovereenkomst te sluiten of heeft gesloten voor ten minste: 1°. de looptijd van het omscholingstraject; en 2°. een periode van zes maanden na afronding van het omscholingstraject, in het geval de werknemer het omscholingstraject met een voldoende resultaat afrondt; 1°. 1°. de looptijd van het omscholingstraject; en 2°. 2°. een periode van zes maanden na afronding van het omscholingstraject, in het geval de werknemer het omscholingstraject met een voldoende resultaat afrondt; c. c. de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing niet: 1°. is opgenomen in het scholingsregister, bedoeld in artikel 21 van de Subsidieregeling STAP-budget; of 2°. leidt tot een door de overheid, branche of sector erkend certificaat; 1°. 1°. is opgenomen in het scholingsregister, bedoeld in artikel 21 van de Subsidieregeling STAP-budget; of 2°. 2°. leidt tot een door de overheid, branche of sector erkend certificaat; d. d. niet aannemelijk is dat de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning wordt aangeboden door een praktijkbegeleider die beschikt over de benodigde kennis en ervaring; e. e. op grond van deze titel voor hetzelfde omscholingstraject voor dezelfde werknemer, of in totaal voor ten minste zes omscholingstrajecten eerder subsidie is verstrekt aan de subsidieaanvrager; f. f. aan de subsidieaanvrager voor hetzelfde omscholingstraject voor dezelfde werknemer subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling praktijkleren of de Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector; of g. g. de subsidiabele kosten niet ten minste: 1°. € 1.000 zouden bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing; 2°. € 1.000 zouden bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning; of 3°. € 7.500 zouden bedragen voor het gehele omscholingstraject. 1°. 1°. € 1.000 zouden bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing; 2°. 2°. € 1.000 zouden bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning; of 3°. 3°. € 7.500 zouden bedragen voor het gehele omscholingstraject. ### Artikel 3.20.7 **1.** Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager, en het nummer waarmee de onderneming van de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. b. gegevens over de praktijkbegeleider en de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de desbetreffende persoon; c. c. een beknopte omschrijving en informatie betreffende: 1°. de inhoud van het omscholingstraject en het ICT- en techniek-kansrijke beroep waarop het omscholingstraject betrekking heeft, inclusief de functietitel van het ICT- en techniek-kansrijke beroep en de beroepsgroep, bedoeld in bijlage 3.20, waartoe dit ICT- en techniek-kansrijke beroep behoort; 2°. het opleidings- en arbeidsverleden van de werknemer, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, onderdeel a; 3°. het perspectief van de werknemer op een of meer arbeidsovereenkomsten bij de werkgever, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, onderdeel b; 4°. de in het kader van het omscholingstraject te volgen scholing, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, eerste lid, onderdeel c; en 5°. de aanwezigheid van de benodigde kennis en ervaring van de praktijkbegeleider, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, onderdeel d; 1°. 1°. de inhoud van het omscholingstraject en het ICT- en techniek-kansrijke beroep waarop het omscholingstraject betrekking heeft, inclusief de functietitel van het ICT- en techniek-kansrijke beroep en de beroepsgroep, bedoeld in bijlage 3.20, waartoe dit ICT- en techniek-kansrijke beroep behoort; 2°. 2°. het opleidings- en arbeidsverleden van de werknemer, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, onderdeel a; 3°. 3°. het perspectief van de werknemer op een of meer arbeidsovereenkomsten bij de werkgever, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, onderdeel b; 4°. 4°. de in het kader van het omscholingstraject te volgen scholing, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, eerste lid, onderdeel c; en 5°. 5°. de aanwezigheid van de benodigde kennis en ervaring van de praktijkbegeleider, voor zover relevant in verband met artikel 3.20.6, onderdeel d; d. d. een verklaring waaruit volgt dat de subsidiabele kosten ten minste: 1°. € 1.000 bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing; 2°. € 1.000 bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning; en 3°. € 7.500 bedragen voor het gehele omscholingstraject; 1°. 1°. € 1.000 bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende scholing; 2°. 2°. € 1.000 bedragen voor de bij het desbetreffende omscholingstraject behorende praktijkondersteuning; en 3°. 3°. € 7.500 bedragen voor het gehele omscholingstraject; e. e. een verklaring waaruit volgt dat voor hetzelfde omscholingstraject voor dezelfde werknemer geen subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling praktijkleren of de Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector; en f. f. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. **2.** Een aanvraag voor subsidie, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van: a. a. een verklaring van de werknemer waaruit volgt: 1°. wat de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de werknemer is; 2°. dat de werknemer niet in een periode van minder dan twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om subsidie bij een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs het eindexamen heeft afgelegd; 3°. dat de werknemer niet voor 1 juli 2022 werkzaam was in een ICT- en techniek-kansrijk beroep binnen een zelfde beroepsgroep als bedoeld in bijlage 3.20; 4°. dat de werknemer voornemens is om met de werkgever een arbeidsovereenkomst te sluiten respectievelijk dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor ten minste de looptijd van het omscholingstraject en een periode van zes maanden na afronding van het omscholingstraject, in het geval de werknemer het omscholingstraject met een voldoende resultaat afrondt; en 1°. 1°. wat de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de werknemer is; 2°. 2°. dat de werknemer niet in een periode van minder dan twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om subsidie bij een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs het eindexamen heeft afgelegd; 3°. 3°. dat de werknemer niet voor 1 juli 2022 werkzaam was in een ICT- en techniek-kansrijk beroep binnen een zelfde beroepsgroep als bedoeld in bijlage 3.20; 4°. 4°. dat de werknemer voornemens is om met de werkgever een arbeidsovereenkomst te sluiten respectievelijk dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor ten minste de looptijd van het omscholingstraject en een periode van zes maanden na afronding van het omscholingstraject, in het geval de werknemer het omscholingstraject met een voldoende resultaat afrondt; en b. b. een verklaring van een opleider, waaruit volgt: 1°. wat de gegevens van de opleider zijn, waaronder het post- en bezoekadres van de opleider en de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon bij de opleider; 2°. dat hij bekend is met de inschrijving van de desbetreffende medewerker voor de desbetreffende scholing; 3°. wat de subsidiabele kosten voor de desbetreffende scholing ten minste bedragen; en 4°. dat de werknemer niet voor 1 juli 2022 gestart is met het omscholingstraject waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft; 1°. 1°. wat de gegevens van de opleider zijn, waaronder het post- en bezoekadres van de opleider en de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de contactpersoon bij de opleider; 2°. 2°. dat hij bekend is met de inschrijving van de desbetreffende medewerker voor de desbetreffende scholing; 3°. 3°. wat de subsidiabele kosten voor de desbetreffende scholing ten minste bedragen; en 4°. 4°. dat de werknemer niet voor 1 juli 2022 gestart is met het omscholingstraject waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft; c. c. voor zover van toepassing, een verklaring van een brancheorganisatie waaruit volgt dat de desbetreffende scholing leidt tot een overheids-, branche- of sector-erkend certificaat als bedoeld in artikel 3.20.6, onderdeel c, subonderdeel 2°. ### Artikel 3.20.8 De subsidie, bedoeld in artikel 3.20.2, eerste lid, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.20.9 Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 3.21. Beleidsexperiment menselijk kapitaal ### Artikel 3.21.1 Vervallen ### Artikel 3.21.2 Vervallen ### Artikel 3.21.3 Vervallen ### Artikel 3.21.4 Vervallen ### Artikel 3.21.5 Vervallen ### Artikel 3.21.6 Vervallen ### Artikel 3.21.7 Vervallen ### Artikel 3.21.8 Vervallen ### Artikel 3.21.9 Vervallen ### Artikel 3.21.10 Vervallen ### Artikel 3.21.11 Vervallen ### Artikel 3.21.12 Vervallen ### Titel 3.22. Thematische Technology Transfer ### Artikel 3.22.1 **1.** In deze titel wordt verstaan onder: a. *achtergestelde vordering:* vordering van een thematisch technology transferfonds ten laste van een kennisstarter: a. die het thematisch technology transferfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de kennisstarter geld ter leen te verstrekken; b. die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in artikel 277, tweede lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan; d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; a. a. die het thematisch technology transferfonds heeft verkregen door in het kader van een participatie aan de kennisstarter geld ter leen te verstrekken; b. b. die met instemming van de crediteur een lagere rang inneemt dan alle andere, niet achtergestelde vorderingen op de debiteur als bedoeld in artikel 277, tweede lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek; c. c. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande niet achtergestelde vorderingen op de debiteur zijn voldaan; d. d. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; - *begeleidingskosten:* kosten die een thematisch technology transferfonds maakt voor de inhoudelijke begeleiding van kennisstarters; - *converteerbare lening:* geldlening, steeds resulterend in een achtergestelde vordering, van een thematisch technology transferfonds aan een kennisstarter die door het thematisch technology transferfonds geconverteerd kan worden in aandelen in het kapitaal van de kennisstarter; - *desinvesteringsperiode:* periode waarbinnen een thematisch technology transferfonds de participaties vervreemdt of overdraagt; - *eerste commerciële verkoop:* eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt, met uitsluiting van beperkte verkopen om de markt te testen; - *fondsbeheerder:* feitelijke uitvoerder van een fondsplan, zijnde een door het thematisch technology transferfonds daartoe gecontracteerde derde; - *fondspartij:* onafhankelijke particuliere investeerder die direct of indirect particuliere geldelijke middelen inbrengt in een thematisch technology transferfonds en die tevens direct of indirect als aandeelhouder, hoofdelijk aansprakelijk vennoot, lid of oprichter een belang heeft in het thematisch technology transferfonds; - *fondsperiode:* periode bestaande uit de investeringsperiode en de desinvesteringsperiode; - *fondsplan:* fondsplan als bedoeld in artikel 3.22.7, vierde lid; - *informal investor:* particulier die, al dan niet via een kapitaalvennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen; - *inkomsten:* op geld waardeerbare voordelen die een thematisch technology transferfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de desbetreffende kennisstarter is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering; - *investeringsbudget:* financiële middelen die een thematisch technology transferfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen; - *investeringsperiode:* periode gedurende welke een thematisch technology transferfonds activiteiten verricht ter verkrijging van nieuwe participaties; - *kennisoverdracht:* kennisoverdracht als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder w, van het O&O&I-steunkader; - *kennisoverdrachtplan:* kennisoverdrachtplan als bedoeld in artikel 3.22.7, derde lid; a. *kennisstarter:* **rechtspersoon die een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap en die: a. een substantieel deel van zijn activiteiten in Nederland uitvoert; b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en ten tijde van de eerste verstrekking van risicokapitaal door een thematisch technology transferfonds op grond van deze titel niet actief is en is geweest op een markt; en c. voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten, niet zijnde adviezen, verkoopt en levert of gaat verkopen en leveren, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, voortkomend uit onderzoek van een onderzoeksorganisatie; a. a. een substantieel deel van zijn activiteiten in Nederland uitvoert; b. b. voldoet aan de definitie van niet-beursgenoteerde kmo, bedoeld in artikel 2, onderdelen 2 en 76, en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en ten tijde van de eerste verstrekking van risicokapitaal door een thematisch technology transferfonds op grond van deze titel niet actief is en is geweest op een markt; en c. c. voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten, niet zijnde adviezen, verkoopt en levert of gaat verkopen en leveren, die zijn gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van bestaande technologie, voortkomend uit onderzoek van een onderzoeksorganisatie; - *managementkosten:* kosten die een thematisch technology transferfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met uitzondering van de begeleidingskosten en de verkrijgingprijs van de participaties; - * micro-organisme:* bacterie, schimmel of virus; - *netto-inkomsten:* **inkomsten van een thematisch technology transferfonds minus de eventuele marktconforme prestatieafhankelijke beloning voor de fondsbeheerder; - *onafhankelijke particuliere investeerder:* **onafhankelijke particuliere investeerder als bedoeld in artikel 2, onderdeel 72, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; a. *participatie:* risicokapitaal in de vorm van: a. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter die een thematisch technology transferfonds rechtstreeks van de kennisstarter heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening; b. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering; of c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering; a. a. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter die een thematisch technology transferfonds rechtstreeks van de kennisstarter heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een converteerbare lening; b. b. aandelen in het kapitaal van een kennisstarter als bedoeld onder a in combinatie met een achtergestelde vordering; of c. c. een uit een converteerbare lening voortvloeiende achtergestelde vordering; - *referentierente:* referentiepercentage als bedoeld in de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14), zoals laatstelijk vastgesteld voor Nederland, en vermeerderd met vier procentpunten; - *starter:* **natuurlijke persoon die voorbereidingen treft voor de oprichting van een kennisstarter; - *thematisch consortium:* **onderzoeksorganisatie met rechtspersoonlijkheid opgericht door ten minste drie onderzoeksorganisaties die niet tot dezelfde groep behoren ten behoeve van de uitvoering van een kennisoverdrachtplan; - *thematisch technology transferfonds:* kapitaalvennootschap, vennootschap met een afgescheiden vermogen, of rechtspersoon met een afgescheiden vermogen niet zijnde een vennootschap, ingericht naar het recht van één van de lidstaten van de Europese Unie, die blijkens de akte waarbij zijn statuten zijn vastgesteld of blijkens de overeenkomst waarbij hij is ingesteld uitsluitend tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan kennisstarters die actief zijn binnen één thema teneinde winst te behalen; - *thematisch technology transferplan:* thematisch technology transferplan als bedoeld in artikel 3.22.7, eerste lid, onderdeel d; - *TTT-samenwerkingsverband:* TTT-samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.22.2, tweede lid; - *validatieproject:* validatieproject als bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e; - * ziekteverwekker:* micro-organisme dat of parasiet die een infectieziekte kan veroorzaken; - *ziekteverwekkers met pandemisch potentieel:* ziekteverwekkers die wereldwijd een groot aantal mensen kunnen treffen en een grote bedreiging voor de volksgezondheid kunnen zijn. **2.** Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een thematisch technology transferfonds. ### Artikel 3.22.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan. **2.** Een TTT-samenwerkingsverband is een samenwerkingsverband dat bestaat uit: a. a. ten minste drie onderzoeksorganisaties of een thematisch consortium; en b. b. een thematisch technology transferfonds. **3.** De subsidie voor een onderzoeksorganisatie is bestemd voor het uitvoeren van de volgende activiteiten uit een kennisoverdrachtplan: a. a. activiteiten ter bevordering van aanwending van kennis binnen het thema waarover de betreffende onderzoeksorganisatie beschikt, met betrekking tot: 1°. het beoordelen in hoeverre deze kennis geschikt is voor economische of maatschappelijke benutting; 2°. het zoeken naar starters, kennisstarters, andere ondernemingen en maatschappelijke organisaties om de onder 1° bedoelde kennis toe te passen en het stimuleren van het gebruik van deze kennis, voor zover deze activiteiten niet bestaan uit advisering op individuele basis; 1°. 1°. het beoordelen in hoeverre deze kennis geschikt is voor economische of maatschappelijke benutting; 2°. 2°. het zoeken naar starters, kennisstarters, andere ondernemingen en maatschappelijke organisaties om de onder 1° bedoelde kennis toe te passen en het stimuleren van het gebruik van deze kennis, voor zover deze activiteiten niet bestaan uit advisering op individuele basis; b. b. het verwerven van rechten van intellectueel eigendom met het oog op het verlenen van gebruiksrechten of latere overdracht daarvan; c. c. activiteiten ten behoeve van het creëren van spin-offs; d. d. activiteiten gericht op: 1°. samenwerking en informatiedeling binnen het thematisch consortium of tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband; 2°. openbare bekendheid geven aan het thematisch consortium of aan de samenwerking tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband; 3°. brede verspreiding van de resultaten en tussenresultaten van de gesubsidieerde activiteiten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; 1°. 1°. samenwerking en informatiedeling binnen het thematisch consortium of tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband; 2°. 2°. openbare bekendheid geven aan het thematisch consortium of aan de samenwerking tussen de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband; 3°. 3°. brede verspreiding van de resultaten en tussenresultaten van de gesubsidieerde activiteiten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; e. e. het onfhankelijk uitvoeren van validatieprojecten die bestaan uit activiteiten gericht op het technisch of klinisch verbeteren van een product, procedé of dienst om de resultaten van deze activiteiten over te dragen voor bedrijfsmatige toepassing. **4.** De subsidie voor een thematisch technology transferfonds is bestemd voor: a. a. het verkrijgen van participaties in het kader van het uitvoeren van een fondsplan; en b. b. de in het kader van het fondsplan, bedoeld onder a, gemaakte managementkosten. **5.** De subsidie, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstrekt in de vorm van een geldlening op basis van een overeenkomst. **6.** De subsidie aan een onderzoeksorganisatie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking de overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen tussen de Staat en het thematisch technology transferfonds dat deelneemt aan het TTT-samenwerkingsverband. ### Artikel 3.22.2a **1.** Indien sprake is van een specifieke openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van dat thematisch technology transferplan. **2.** Een thematisch technology transferplan wordt geacht op pandemische paraatheid te zijn gericht als bedoeld in het eerste lid, indien dit plan gericht is op ontwikkelingen die bijdragen aan het bestrijden van infectieziekten die worden veroorzaakt door ziekteverwekkers met een pandemisch potentieel. **3.** Tot de in het tweede lid bedoelde ontwikkelingen waarop een thematisch technology transferplan voor pandemische paraatheid gericht dient te zijn, worden voor de toepassing van dit artikel uitsluitend de volgende ontwikkelingen gerekend: a. a. de ontwikkeling van nieuwe, respectievelijk doorontwikkeling van bestaande therapieën die inzetbaar zijn bij mensen en die zich richten op het verkleinen van de medische schade veroorzaakt door de in het tweede lid bedoelde infectieziekten; b. b. de ontwikkeling van nieuwe, respectievelijk doorontwikkeling van bestaande, breed inzetbare technologieën die kunnen bijdragen aan, ondersteuning geven aan of leiden tot een snelle, duurzame en flexibele ontwikkeling van de onder a bedoelde therapieën. **4.** De in het derde lid bedoelde therapieën kunnen onder meer bestaan uit geneesmiddelen en vaccins die profylactisch of therapeutisch kunnen worden ingezet. **5.** In het in het eerste lid bedoelde thematisch technology transferplan, gericht op pandemische paraatheid, wordt rekening gehouden met de opschaalbaarheid van de te ontwikkelen therapieën, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, alsook met de beschikbaarheid voor de Europese Unie van de grondstoffen die benodigd zijn voor deze therapieën en voor de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde technologieën. ### Artikel 3.22.2b **1.** Indien sprake is van een specifieke openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s, verstrekt de minister op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van dat thematisch technology transferplan. **2.** De minister verstrekt subsidie aan maximaal één TTT-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat aantoonbaar gericht is op dual-use en defensiethema’s. **3.** Een thematisch technology transferplan wordt geacht op dual-use en defensiethema’s te zijn gericht als bedoeld in het eerste lid, indien dit plan aantoonbaar gericht is op ontwikkelingen binnen uitsluitend de vijf door het Ministerie van Defensie vastgestelde Nationale Langetermijn Defensiethema’s en bovendien ten minste twee van de volgende thema’s omvat: a. a. slimme materialen; b. b. ruimtevaarttechnologie; c. c. quantumtechnologie; d. d. intelligente systemen; e. e. sensoren. ### Artikel 3.22.3 **1.** De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 3.125.000 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid. **2.** De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste € 32.500 per octrooiaanvraag. **3.** De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e, bedraagt ten hoogste € 25.000 per validatieproject. **4.** De geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, bedraagt maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 6.625.000. **5.** De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, bedraagt 100 procent van de managementkosten, doch ten hoogste € 250.000. ### Artikel 3.22.3a **1.** In afwijking van artikel 3.22.3, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, bedraagt de subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid als bedoeld in artikel 3.22.2a: a. a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, doch ten hoogste € 2.500.000 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid; b. b. ten hoogste € 32.000 per octrooiaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b; c. c. ten hoogste € 25.000 per validatieproject voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e; d. d. 100 procent van de managementkosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, doch ten hoogste € 200.000. **2.** In afwijking van artikel 3.22.3, vierde lid, bedraagt de geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid als bedoeld in artikel 3.22.2a, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 5.300.000. ### Artikel 3.22.3b **1.** In afwijking van artikel 3.22.3, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, bedraagt de subsidie voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s als bedoeld in artikel 3.22.2b: a. a. 100 procent van de subsidiabele kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, doch ten hoogste € 4.312.500 per aanvraag en maximaal de helft van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid; b. b. ten hoogste € 32.500 per octrooiaanvraag voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel b; c. c. ten hoogste € 25.000 per validatieproject voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel e; d. d. 100 procent van de managementkosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, doch ten hoogste € 300.000. **2.** In afwijking van artikel 3.22.3, vierde lid, bedraagt de geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s als bedoeld in artikel 3.22.2b, die op grond van de overeenkomst van geldlening geleend kan worden, maximaal 90 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 9.187.500. ### Artikel 3.22.4 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.22.5 **1.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. het thema waarop het thematisch technology transferplan gericht is, onvoldoende aantoonbaar sterk potentieel heeft, vanuit een excellente wetenschappelijke basis, voor innovaties van processen, producten of diensten met een hoge economisch en maatschappelijk toegevoegde waarde; b. b. het thematisch technology transferplan onvoldoende is onderbouwd; c. c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het thematisch technology transferplan naar behoren wordt uitgevoerd; d. d. uit de aanvraag niet of onvoldoende blijkt hoe de subsidieaanvragers zullen voldoen aan de toepasselijke subsidieverplichtingen, bedoeld in de artikelen 3.22.8 en 3.22.9; e. e. onvoldoende aannemelijk is dat het thematisch technology transferfonds gedurende de fondsperiode daadwerkelijk beschikt over de middelen die de fondspartij of fondspartijen aan het investeringsbudget bijdraagt of bijdragen; f. f. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen bij het thematisch technology transferfonds de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer hiervan op een wijze zoals bij participatiemaatschappijen gebruikelijk is; g. g. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad bij de uitvoering van het fondsplan; h. h. er sprake is van een gelijktijdige openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikelen 3.22.2, eerste lid, en 3.22.2a, eerste lid, en de aanvrager voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op pandemische paraatheid hiervoor een aanvraag doet op grond van artikel 3.22.2, eerste lid; i. i. er sprake is van een gelijktijdige openstelling voor het indienen van aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikelen 3.22.2, eerste lid, 3.22.2a, eerste lid, en artikel 3.22.2b, eerste lid, en de aanvrager voor het uitvoeren van een thematisch technology transferplan dat gericht is op dual-use en defensiethema’s hiervoor een aanvraag doet op grond van artikel 3.22.2, eerste lid of artikel 3.22.2a, eerste lid. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, voor het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, is zes jaar. **3.** Onverminderd het eerste en tweede lid beslist de minister afwijzend op het deel van een aanvraag dat ziet op subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, indien de subsidie voor deze activiteiten niet op grond van de algemene de-minimisverordening verstrekt kan worden. ### Artikel 3.22.6 **1.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. a. het kennisoverdrachtplan beter aansluit op één of meer van de volgende prioriteiten: 1°. optical systems and integrated photonics; 2°. kwantum technologies; 3°. process technology, including process intensification; 4°. biomolecular and cell technologies; 5°. imaging technologies; 6°. mechatronics and optomechatronics; 7°. artificial intelligence and data science; 8°. energy materials; 9°. semiconductor technologies; 10°. cybersecurity technologies; 1°. 1°. optical systems and integrated photonics; 2°. 2°. kwantum technologies; 3°. 3°. process technology, including process intensification; 4°. 4°. biomolecular and cell technologies; 5°. 5°. imaging technologies; 6°. 6°. mechatronics and optomechatronics; 7°. 7°. artificial intelligence and data science; 8°. 8°. energy materials; 9°. 9°. semiconductor technologies; 10°. 10°. cybersecurity technologies; b. b. het kennisoverdrachtplan meer gebaseerd is op een helder afgebakend thema, waar de meest relevante en excellente onderzoeksgroepen van de onderzoeksorganisaties binnen het thema aan verbonden zijn en het plan meer bijdraagt aan het realiseren van oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken en het creëren van economische impact; c. c. het thematisch consortium respectievelijk de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband meer in verbinding staat of staan met andere onderzoeksorganisaties of kennisinstellingen, kennisstarters, andere ondernemingen, investeerders en maatschappelijke organisaties rondom het thema; d. d. het aannemelijker is dat de in het kennisoverdrachtplan beschreven activiteiten bijdragen aan kennisoverdracht en met name het ontstaan van kennisstarters waarin onder andere door het thematisch technology transferfonds in het TTT-samenwerkingsverband met risicokapitaal geïnvesteerd kan worden; e. e. de kwaliteit van de uitvoering van het kennisoverdrachtplan hoger is, mede gelet op de samenstelling, competenties en het netwerk van het team dat het plan feitelijk uitvoert; f. f. het thematisch technology transferfonds meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid; g. g. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle kennisstarters; en h. h. het fondsplan doelmatiger is ingericht. **2.** Voor de rangschikking kent de Minister aan het in het eerste lid, onderdeel a, vermelde criterium maximaal twintig punten toe en aan de criteria genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met h, elk maximaal tien punten. **3.** In afwijking van het eerste en tweede lid is het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.22.2a en kent de Minister aan de overige criteria maximaal tien punten toe. **4.** Wanneer er sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.22.2b, eerste lid, geldt voor het eerste lid, onderdeel a, de volgende inhoud: a. a. het thematisch technology transferplan beter aansluit op één of meer van de door het Ministerie van Defensie vastgestelde Nationale Langetermijn Defensiethema’s als bedoeld in 3.22.2b, derde lid. ### Artikel 3.22.7 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel bevat ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvragers, waaronder de namen van de organisaties, de nummers waarmee de ondernemingen zijn geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, de post- en bezoekadressen en de rekeningnummers; b. b. gegevens over het thematisch technology transferfonds als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; d. d. een thematisch technology transferplan, bestaande uit een kennisoverdrachtplan en een fondsplan met dezelfde thematische focus, en een omschrijving van de samenhang tussen deze twee plannen; e. e. de gegevens en onderbouwing van het thematisch technology transferplan, waaronder de start- en einddata, de begrotingen en de omvang van de gevraagde subsidie; f. f. de de-minimisverklaring(en) van de fondspartij(en), ten behoeve van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b; g. g. een visie van het consortium op de principes die het consortium hanteert voor de omgang met intellectueel eigendom. Deze visie omvat in ieder geval een toelichting op hoe het consortium omgaat met de overdracht van intellectueel eigendom aan spin-offs. **2.** Indien een subsidieaanvrager een thematisch consortium is, bevat de aanvraag voor subsidie tevens: a. a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van de onderzoeksorganisaties die het thematisch consortium hebben opgericht; en b. b. de statuten van het thematisch consortium. **3.** Een kennisoverdrachtplan is een plan van het thematisch consortium respectievelijk de onderzoeksorganisaties in het TTT-samenwerkingsverband, dat bestaat uit een samenhangend geheel van activiteiten die kennisoverdracht bevorderen rondom een thema en dat een looptijd heeft van ten minste vijf jaar. In het kennisoverdrachtplan is tevens opgenomen: a. a. hoe wordt omgegaan met het verwerven en overdragen van rechten van intellectueel eigendom en het verlenen van gebruiksrechten en, in geval het TTT-samenwerkingsverband bestaat uit een thematisch technology transferfonds en drie of meer onderzoeksorganisaties, hoe de onderzoeksorganisaties de daadwerkelijke samenwerking zullen inrichten; en b. b. dat ten minste een derde van het subsidiebedrag als bedoeld in artikel 3.22.3, eerste lid, wordt gebruikt voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdelen c en e. **4.** Een fondsplan is een plan van het thematisch technology transferfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten, die bestaan uit het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties en het begeleiden van de kennisstarters. **5.** De ontvangers van de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, dienen uiterlijk 12 weken voorafgaand aan een nieuwe projectjaar een jaarplan in, dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten die gedurende het daarop volgende jaar worden verricht ter uitvoering van het kennisoverdrachtplan, inclusief een jaarbegroting. ### Artikel 3.22.8 **1.** Een onderzoeksorganisatie investeert alle winst uit de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, opnieuw in de primaire activiteiten, bedoeld in paragraaf 2.1.1, onderdeel 20, onder a, van het O&O&I-steunkader, van de onderzoeksorganisatie. **2.** Een onderzoeksorganisatie voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding. **3.** De activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, bevoordelen geen individuele bedrijven. **4.** Opdrachtverlening aan een derde voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, of een deel daarvan, vindt plaats op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven. **5.** De activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel a, onder 2°, zijn voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk. **6.** De activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdeel c, worden alleen binnen de onderzoeksorganisatie zelf uitgevoerd. **7.** De overdracht van of de verlening van gebruiksrechten voor de resultaten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, gebeurt tegen transparante voorwaarden en marktconforme tarieven, overeenkomstig paragraaf 2.2.2, onderdeel 30, van het O&O&I-steunkader. **8.** Indien uit de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, een kennisstarter ontstaat, informeert de onderzoeksorganisatie het thematisch technology transferfonds uit het TTT-samenwerkingsverband daarover uiterlijk bij oprichting van deze kennisstarter. **9.** De samenwerkende onderzoeksorganisaties, of het thematisch consortium, besteden ten minste een derde van het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 3.22.3, eerste lid, aan activiteiten als bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, onderdelen c en e. ### Artikel 3.22.9 **1.** Het thematisch technology transferfonds boekt een deel van de inkomsten uit participaties over aan de minister, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.22.10. **2.** Het thematisch technology transferfonds verricht geen andere activiteiten dan de uitvoering van het fondsplan. **3.** Het thematisch technology transferfonds doet uitsluitend vervolginvesteringen in een kennisstarter indien: a. a. het totale bedrag aan risicofinanciering, bedoeld in artikel 21, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden voor de desbetreffende kennisstarter; b. b. in de mogelijkheid van vervolginvesteringen is voorzien in het oorspronkelijke ondernemingsplan van de desbetreffende kennisstarter; c. c. de desbetreffende kennisstarter niet verbonden is geraakt in de zin van artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening, met een andere onderneming dan het thematisch technology transferfonds of een onafhankelijke particuliere investeerder die in het kader van artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening risicofinanciering verschaft, tenzij de nieuwe entiteit voldoet aan de definitie van kmo, bedoeld in artikel 2, onderdeel 2 en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en d. d. de desbetreffende kennisstarter: 1°. nog steeds niet actief is of is geweest op een markt; 2°. minder dan zeven jaar na zijn eerste commerciële verkoop actief is op een markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 40 procent bedraagt; of 3°. zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op de markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 60 procent bedraagt. 1°. 1°. nog steeds niet actief is of is geweest op een markt; 2°. 2°. minder dan zeven jaar na zijn eerste commerciële verkoop actief is op een markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 40 procent bedraagt; of 3°. 3°. zeven jaar of langer na de eerste commerciële verkoop actief is op de markt en het risicokapitaal dat het thematisch technology transferfonds verstrekt als hefboom dient voor aanvullende verstrekking van risicokapitaal door een of meer onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de desbetreffende kennisstarter, zodat bij de vervolginvestering het totale particuliere deelnemingspercentage minimaal 60 procent bedraagt. **4.** Het thematisch technology transferfonds stelt zeker dat het geld dat de kennisstarter verkrijgt als gevolg van een participatie niet wordt gebruikt om bestaande financiële verplichtingen te herfinancieren. **5.** In de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, kunnen verplichtingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. **6.** Een fondsplan van een thematisch technology transferfonds is gebaseerd op de uitgangspunten dat: a. a. het thematisch technology transferfonds participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk negen jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; b. b. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de fondsperiode in één kennisstarter wordt geïnvesteerd, ten minste € 25.000 en ten hoogste € 1.500.000 bedraagt; c. c. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die het thematisch technology transferfonds gedurende de investeringsperiode per kennisstarter investeert, over alle kennisstarters genomen ten hoogste € 750.000 bedraagt; d. d. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; e. e. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat aan het eind van de fondsperiode ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijs van alle participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; f. f. de participaties verkregen worden in kennisstarters waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; g. g. bij de beslissing van het thematisch technology transferfonds inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende kennisstarter; h. h. de participaties verkregen worden in kennisstarters waaraan niet eerder door een participatiemaatschappij risicokapitaal in de vorm van aandelen of een aan eigen vermogen gelijk te stellen lening is verstrekt, behoudens indien: 1°. deze participatiemaatschappij een ander thematisch technology transferfonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle thematisch technology transferfondsen gezamenlijk in de kennisstarter investeren, niet boven € 1.500.000 uitkomt; 2°. deze participatiemaatschappij, niet zijnde een thematisch technology transferfonds, een aan eigen vermogen gelijk te stellen lening voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt, voor zover het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de kennisstarter door alle participatiemaatschappijen en het thematisch technology transferfonds gezamenlijk het totale bedrag aan risicofinanciering, bedoeld in artikel 21, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet overschrijdt; 3°. deze participatiemaatschappij een informal investor is; 1°. 1°. deze participatiemaatschappij een ander thematisch technology transferfonds is en voor zover het totaal aan verkrijgingsprijzen van de participaties die alle thematisch technology transferfondsen gezamenlijk in de kennisstarter investeren, niet boven € 1.500.000 uitkomt; 2°. 2°. deze participatiemaatschappij, niet zijnde een thematisch technology transferfonds, een aan eigen vermogen gelijk te stellen lening voor Proof of Concept doeleinden heeft verstrekt, voor zover het totaal aan risicokapitaal dat verstrekt is aan de kennisstarter door alle participatiemaatschappijen en het thematisch technology transferfonds gezamenlijk het totale bedrag aan risicofinanciering, bedoeld in artikel 21, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening niet overschrijdt; 3°. 3°. deze participatiemaatschappij een informal investor is; i. i. de begeleidingskosten in totaal ten hoogste 10 procent bedragen van het investeringsbudget; j. j. de fondsbeheerder geen vergoeding voor de begeleiding van kennisstarters bedingt die hoger is dan hetgeen in de markt gebruikelijk is, waarbij de betrekking in ieder geval tijdelijk is en de vergoeding berekend is op basis van een uurtarief dat gebaseerd is op het gebruikelijk loon, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964; k. k. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een marktconforme prestatieafhankelijke beloning verkrijgt. **7.** Een thematisch technology transferfonds dient op verzoek van de Minister aan het einde van een projectjaar een overzicht in van kennisstarters waaraan risicokapitaal is verstrekt. Dit overzicht bevat ten minste de namen, KvK-nummers en postcodes van de betreffende kennisstarters. ### Artikel 3.22.10 **1.** De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het besluit, van het thematisch technology transferfonds aan de Staat bedraagt 90 procent van de netto-inkomsten. **2.** Dit percentage wordt naar rato verlaagd, indien de geldlening minder dan 90 procent van het investeringsbudget uitmaakt. ### Artikel 3.22.11 Het model voor de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, is opgenomen in bijlage 3.22.1. ### Artikel 3.22.12 **1.** De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, derde lid, bevat geen staatssteun. **2.** De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel a, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.22.13 **1.** De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat bij alle op het publiek gerichte voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen die betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteiten, duidelijk wordt gemaakt dat voor de desbetreffende activiteiten subsidie is verkregen van de minister. **2.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen met betrekking tot de gesubsidieerde activiteiten door de minister of een door de minister aangewezen derde. **3.** De verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden tot één jaar na de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. ### Artikel 3.22.14 Deze titel en bijlage 3.22.1 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.23. Venture Challenge ### Artikel 3.23.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *eigen bijdrage:* eigen bijdrage van de subsidieontvanger of subsidieontvangers in de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.23.5; - *innovatieadviesdienstverklaring:* verklaring van een deelnemer aan een Venture Challenge samenwerkingsverband of van een Venture Challenge startup waaruit blijkt dat subsidieverlening niet zal leiden tot overschrijding van het plafond voor innovatiediensten en diensten inzake innovatieondersteuning, bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *Venture Challenge programma:* in opdracht van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek georganiseerde innovatieadviesdienst als bedoeld in de artikelen 2, onderdeel 94, en 28, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, bestaande uit Venture Challenge bijeenkomsten waarin de deelnemende Venture Challenge teams onder begeleiding van ervaren business coaches, andere experts en ondernemers uit de sector werken aan het opzetten of aanscherpen van het venture plan van hun al dan niet toekomstige Venture Challenge startup en dit venture plan leren presenteren; - *Venture Challenge samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband, bestaande uit ten minste drie natuurlijke personen, waaronder in ieder geval de persoon die die de nieuwe technische vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie heeft ontdekt, en die voornemens zijn gezamenlijk een Venture Challenge startup op te richten; a. *Venture Challenge startup:* kleine onderneming of middelgrote onderneming die: a. ten tijde van de verstrekking van de subsidie op grond van deze titel niet actief is of is geweest op een markt; en b. erop gericht is een nieuw product of proces, of nieuwe dienst op de markt te brengen, gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie, voortkomend uit wetenschappelijk onderzoek; a. a. ten tijde van de verstrekking van de subsidie op grond van deze titel niet actief is of is geweest op een markt; en b. b. erop gericht is een nieuw product of proces, of nieuwe dienst op de markt te brengen, gebaseerd op een nieuwe technische vinding of een nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie, voortkomend uit wetenschappelijk onderzoek; a. *Venture Challenge team:* team van minimaal drie en maximaal vier natuurlijke personen, bestaande uit: a. de oprichter of oprichters en eventuele medewerkers of adviseurs van een Venture Challenge startup, waaronder in ieder geval de persoon die de nieuwe technische vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie heeft ontdekt; of b. de deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband; a. a. de oprichter of oprichters en eventuele medewerkers of adviseurs van een Venture Challenge startup, waaronder in ieder geval de persoon die de nieuwe technische vinding heeft gedaan of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie heeft ontdekt; of b. b. de deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband; a. *venture plan:* beschrijving van de commerciële potentie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup met het oog op exploitatie van de nieuwe technische vinding of de nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie en het aantrekken van financiers, inhoudend in ieder geval een beschrijving van: a. het probleem; b. de unieke oplossing die het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst biedt; c. het stadium van het ontwikkelingstraject van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst; d. de financieringsbehoefte en verwachte opbrengsten van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup; e. de belangrijkste risico’s en een plan van aanpak om deze risico’s te mitigeren. a. a. het probleem; b. b. de unieke oplossing die het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst biedt; c. c. het stadium van het ontwikkelingstraject van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst; d. d. de financieringsbehoefte en verwachte opbrengsten van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup; e. e. de belangrijkste risico’s en een plan van aanpak om deze risico’s te mitigeren. ### Artikel 3.23.2 **1.** Op aanvraag verstrekt de minister subsidie voor deelname van een Venture Challenge team aan het Venture Challenge programma aan de deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband of aan een Venture Challenge startup, dat of die erop gericht is een nieuw product of proces of een nieuwe dienst op de markt te brengen dat of die past binnen de doelstellingen van de topsector Life Sciences & Health. **2.** Een nieuw product of proces of een nieuwe dienst als bedoeld in het eerste lid, is een nieuw medicijn of nieuwe therapie, een nieuw diagnosticum, een nieuw medisch hulpmiddel, dan wel een nieuwe technologie die het ontdekken, ontwikkelen of het gebruik van medicijnen, therapieën, diagnostica of medische hulpmiddelen verbetert of mogelijk maakt. **3.** De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt, indien, na toepassing van de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en artikel 3.23.7, ten minste vijf subsidieaanvragen in aanmerking komen voor subsidie en deze aanvragen zijn ingediend gedurende de openstellingsperiode, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 16 van het besluit. ### Artikel 3.23.3 De subsidie, bedoeld in artikel 3.23.2, eerste lid, bedraagt de subsidiabele kosten verminderd met de eigen bijdrage. ### Artikel 3.23.4 In afwijking van artikel 10 van het besluit zijn de subsidiabele kosten alle kosten voor deelname van het Venture Challenge team aan het Venture Challenge programma, die verschuldigd zijn aan de derde die het Venture Challenge programma uitvoert. ### Artikel 3.23.5 De eigen bijdrage wordt bepaald aan de hand van de opgave, bedoeld in artikel 3.23.10, tweede lid, onderdeel c, van het aantal leden van het Venture Challenge team dat deelneemt aan het Venture Challenge programma, en is vastgesteld op: a. a. € 2000, bij deelname van drie leden; b. b. € 2500, bij deelname van vier leden. ### Artikel 3.23.6 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.23.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie, indien: a. a. de werking van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd is middels concrete, experimentele data; b. b. een duidelijk concurrentievoordeel voor de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup ontbreekt; c. c. de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup of het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst onvoldoende commerciële potentie heeft; d. d. er onvoldoende vertrouwen is dat bij elke Venture Challenge bijeenkomst minimaal twee leden van het Venture Challenge team aanwezig zijn; e. e. een of meerdere leden van het Venture Challenge team reeds eerder met dezelfde nieuwe technologische vinding of nieuwe toepassing van een reeds bestaande technologie mee hebben gedaan aan het Venture Challenge programma of een voorloper daarvan, zonder dat deze technologie of nieuwe toepassing sterk verbeterd is; f. f. er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de leden van het Venture Challenge team de capaciteiten hebben om een succesvolle Venture Challenge startup op te bouwen. ### Artikel 3.23.8 **1.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate: a. a. het commerciële perspectief van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst groter is; b. b. het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst meer vernieuwend is; c. c. de concurrentiepositie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup een beter perspectief heeft; d. d. de financieringspotentie van de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup groter is; e. e. de kwaliteit van het Venture Challenge team hoger is, gelet op de mate van complementariteit van de leden, de capaciteiten van de leden en de rolverdeling binnen het team; f. f. de toegevoegde waarde van deelname aan het Venture Challenge Programma voor de al dan niet toekomstige Venture Challenge startup groter is. **2.** Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid genoemde criteria even zwaar. ### Artikel 3.23.9 **1.** De subsidie wordt slechts aangewend ter dekking van de subsidiabele kosten van het Venture Challenge programma dat start op de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde datum. **2.** Aan iedere Venture Challenge bijeenkomst nemen minimaal twee en maximaal vier leden van het Venture Challenge team deel, doch nooit meer dan opgegeven bij de subsidieaanvraag. **3.** De leden van het Venture Challenge team houden de niet-openbare kennis van de andere deelnemende Venture Challenge teams, die gedeeld wordt tijdens het Venture Challenge programma, geheim. **4.** Indien de subsidieontvanger een Venture Challenge startup is, zorgt deze ervoor dat het Venture Challenge team voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid. ### Artikel 3.23.10 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. a. indien een subsidieaanvraag wordt gedaan door een Venture Challenge startup: 1°. gegevens over de Venture Challenge startup, waaronder de naam van de Venture Challenge startup, de grootte van de onderneming, het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres; 2°. gegevens van de leden van het Venture Challenge team en de contactpersoon, waaronder de namen, telefoonnummers en e-mailadressen; 1°. 1°. gegevens over de Venture Challenge startup, waaronder de naam van de Venture Challenge startup, de grootte van de onderneming, het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres; 2°. 2°. gegevens van de leden van het Venture Challenge team en de contactpersoon, waaronder de namen, telefoonnummers en e-mailadressen; b. b. indien een subsidieaanvraag wordt gedaan door deelnemers in een Venture Challenge samenwerkingsverband: 1°. gegevens over de deelnemers en de contactpersoon van de penvoerder, waaronder de namen, de namen van de organisaties waar zij werkzaam zijn, de post- en bezoekadressen, telefoonnummers en e-mailadressen; 2°. de werktitel van de toekomstige Venture Challenge startup; 1°. 1°. gegevens over de deelnemers en de contactpersoon van de penvoerder, waaronder de namen, de namen van de organisaties waar zij werkzaam zijn, de post- en bezoekadressen, telefoonnummers en e-mailadressen; 2°. 2°. de werktitel van de toekomstige Venture Challenge startup; c. c. een opgave van het aantal leden van het Venture Challenge team dat zal deelnemen aan de Venture Challenge bijeenkomsten, met een minimum van drie en een maximum van vier leden; d. d. een applicatieformulier, inhoudende: 1°. een korte beschrijving van de verbetering die het product, proces of de nieuwe dienst beoogd te bewerkstelligen; 2°. een korte beschrijving van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst en de achterliggende wetenschap of technologie en de mate waarin de werking van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst gevalideerd is middels concrete, experimentele data; 3°. een inschatting van de markt; 4°. een beschrijving van de uniciteit van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst; 5°. een beschrijving van het Venture Challenge team, waaruit in ieder geval de achtergrond van, de motivatie van en de rolverdeling binnen het team blijkt; 1°. 1°. een korte beschrijving van de verbetering die het product, proces of de nieuwe dienst beoogd te bewerkstelligen; 2°. 2°. een korte beschrijving van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst en de achterliggende wetenschap of technologie en de mate waarin de werking van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst gevalideerd is middels concrete, experimentele data; 3°. 3°. een inschatting van de markt; 4°. 4°. een beschrijving van de uniciteit van het nieuwe product of proces of de nieuwe dienst; 5°. 5°. een beschrijving van het Venture Challenge team, waaruit in ieder geval de achtergrond van, de motivatie van en de rolverdeling binnen het team blijkt; e. e. een opgave van beschikbaarheid voor een interview als bedoeld in het derde lid; f. f. de innovatieadviesdienstverklaring of, in geval van een Venture Challenge samenwerkingsverband, de innovatieadviesdienstverklaringen. **3.** Indien dit wenselijk wordt geacht voor de beoordeling van de aanvraag, kan een interview deel uitmaken van de aanvraagprocedure. ### Artikel 3.23.11 De subsidie, bedoeld in artikel 3.23.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.23.12 Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.24. Mkb-werkplaatsen ### Artikel 3.24.1 Vervallen ### Artikel 3.24.2 Vervallen ### Artikel 3.24.3 Vervallen ### Artikel 3.24.3a Vervallen ### Artikel 3.24.4 Vervallen ### Artikel 3.24.5 Vervallen ### Artikel 3.24.6 Vervallen ### Artikel 3.24.7 Vervallen ### Artikel 3.24.8 Vervallen ### Artikel 3.24.9 Vervallen ### Artikel 3.24.10 Vervallen ### Artikel 3.24.11 Vervallen ### Artikel 3.24.12 Vervallen ### Artikel 3.24.13 Vervallen ### Titel 3.25. High-performance computing-projecten (HPC-projecten) ### Artikel 3.25.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *Europees goedkeuringsbesluit:* besluit van de raad van bestuur van het financieringsorgaan waarin is bepaald dat een project in aanmerking kan komen voor een financiële bijdrage van het financieringsorgaan; - *Europees HPC-project:* project gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen op de deelgebieden betreffende HPC, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband; - *Europese subsidieaanvraag:* aanvraag voor een Europees goedkeuringsbesluit bij het financieringsorgaan door de deelnemers in een Europees samenwerkingsverband; - *Europese subsidieovereenkomst:* subsidieovereenkomst als bedoeld in artikel 33 van verordening (EU) 2021/695, gesloten tussen het financieringsorgaan en deelnemers uit een Europees samenwerkingsverband ten behoeve van de uitvoering van een Europees HPC-project; - *Europees samenwerkingsverband:* een samenwerkingsverband van onafhankelijke juridische entiteiten, dat voldoet aan artikel 22, tweede lid, van verordening (EU) 2021/695; - *financieringsorgaan:* de gemeenschappelijke onderneming HPC, in de gevallen dat deze op grond van artikel 33, eerste lid, van verordening (EU) 2021/1173 kwalificeert als financieringsorgaan als bedoeld in artikel 2, onderdeel 14, van verordening (EU) 2021/695; - *gemeenschappelijke onderneming HPC:* de Gemeenschappelijke onderneming Europese high-performance computing, bedoeld in artikel 1 van verordening (EU) 2021/1173; - *HPC:* high-performance computing; - *juridische entiteit:* juridische entiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) 2021/695; - *Nederlands samenwerkingsverband:* een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde onafhankelijke juridische entiteiten, dat onderdeel uitmaakt van een Europees samenwerkingsverband; - *verordening (EU) 2021/695:* verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PbEU 2021, L 170); - *verordening (EU) 2021/1173:* verordening (EU) 2021/1173 van de Raad van 13 juli 2021 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing en tot intrekking van verordening (EU) 2018/1488 (PbEU 2021, L 256; - *werkprogramma:* werkprogramma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 25, van verordening (EU) 2021/695. ### Artikel 3.25.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een Nederlands HPC-project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2021/1173, op een deelgebied, opgenomen in het toepasselijke werkprogramma betreffende HPC. **2.** Een Nederlands HPC-project is een deelproject of projectonderdeel van een Europees HPC-project en omvat een samenhangend geheel van activiteiten, opgenomen in een Europese subsidieovereenkomst, dat kan bestaan uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. **3.** De subsidieontvanger is een in Nederland gevestigde juridische entiteit uit een Europees samenwerkingsverband, die de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, zelfstandig of in een Nederlands samenwerkingsverband uitvoert en voor het uitvoeren van deze activiteiten partij is bij een Europese subsidieovereenkomst. **4.** Het derde lid is tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. ### Artikel 3.25.3 **1.** De subsidie voor een Nederlands HPC-project is gelijk aan de subsidie die door het financieringsorgaan verstrekt wordt op grond van de Europese subsidieovereenkomst. **2.** De som van de totale subsidie die door de minister en het financieringsorgaan aan een Nederlands HPC-project verstrekt wordt bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten. ### Artikel 3.25.4 **1.** Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van het Nederlandse HPC-project zoals vermeld in de Europese subsidieovereenkomst. **2.** In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit, kunnen onder de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, mede worden begrepen de kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, voor zover het financieringsorgaan hiermee heeft ingestemd in de subsidieovereenkomst. **3.** In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit berekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt in de Europese aanvraag, voor zover wordt voldaan aan de artikelen 35 en 36 van verordening (EU) 2021/695. ### Artikel 3.25.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.25.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar na subsidieverlening. ### Artikel 3.25.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, indien er geen Europese subsidieovereenkomst is gesloten. ### Artikel 3.25.8 De minister rangschikt de aanvragen om subsidie betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese HPC-project, na toepassing van artikelen 28, eerste lid, en 29, tweede lid, van verordening (EU) 2021/695, hoger is gerangschikt door het evaluatiecomité, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van verordening (EU) 2021/695. ### Artikel 3.25.9 **1.** Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidieverlening ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, indien van toepassing het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een verwijzing naar de passages uit de Europese subsidieovereenkomst of, voor zover deze onvoldoende informatie bevat, een aanvullende omschrijving, waarin zich informatie bevindt over de werkzaamheden die door de subsidieaanvrager binnen het Europese en Nederlandse HPC-project worden uitgevoerd. **3.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een voor openbare publicatie geschikte Nederlandse samenvatting van de projectomschrijving, inclusief de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse HPC-project; b. b. een financieringsplan en begroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid; en 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse HPC-project financiert; en 1°. 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. 2°. een beschrijving van de subsidiabele kosten die betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.25.2, tweede lid; en 3°. 3°. informatie over de wijze waarop de subsidieaanvrager zijn eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse HPC-project financiert; en c. c. een kopie van: 1°. het Europese goedkeuringsbesluit; en 2°. de ondertekende Europese subsidieovereenkomst. 1°. 1°. het Europese goedkeuringsbesluit; en 2°. 2°. de ondertekende Europese subsidieovereenkomst. ### Artikel 3.25.10 **1.** Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse HPC-project; b. b. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten. **2.** Onverminderd artikel 50, tweede lid van het besluit, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van de afschriften van alle tussenrapportages en het eindverslag betreffende het Europeese HPC-project, die door het Europese samenwerkingsverband verstrekt zijn aan het financieringsorgaan. ### Artikel 3.25.11 De subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.25.12 Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.26. Regeneratief geneeskundige onderzoeksprojecten ### Artikel 3.26.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *geneeskundig leverancier:* een in de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt die een bijdrage levert aan de ontwikkeling van producten of diensten op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden; - *regeneratief geneeskundige behandelmethode:* behandelmethode waarbij gebruik wordt gemaakt van het vermogen van het menselijk lichaam om geheel of gedeeltelijk van een bepaald soort ziekte of letsel te genezen door het herstellen, repareren of vervangen van cellen, weefsels of organen die beschadigd zijn door de desbetreffende ziekte of het desbetreffende letsel, waaronder mede begrepen het repareren van DNA en RNA; - *rentemededeling:* Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14/02); - *uitstaand saldo:* de som van de verschuldigde nog niet betaalde aflossing van de hoofdsom van de geldlening, eenmalige rente, de jaarlijkse basisrente en, voor zover van toepassing, de wettelijke rente, bedoeld in artikel 3.26.11, eerste lid; a. *wetenschappelijke instelling:* een in de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die zich op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie al ten minste voor een aaneengesloten periode van vijf jaar actief bezighoudt met het uitvoeren van onderzoeksprojecten op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden, waaronder tenminste worden begrepen: a. universiteiten, genoemd in onderdelen a en b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; b. academisch ziekenhuizen, genoemd in onderdeel j van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; en c. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd in artikel 1.2, onderdeel d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. a. a. universiteiten, genoemd in onderdelen a en b van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; b. b. academisch ziekenhuizen, genoemd in onderdeel j van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; en c. c. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd in artikel 1.2, onderdeel d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. ### Artikel 3.26.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een wetenschappelijke instelling of een geneeskundig leverancier voor het in een samenwerkingsverband uitvoeren van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject dat gericht is op het vergroten van de innovatiekracht van geneeskundig leveranciers en wetenschappelijke instellingen via het ontwikkelen van producten of diensten die vernieuwend zijn ten opzichte van de internationale stand van techniek op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden. **2.** Een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject als bedoeld in het eerste lid omvat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. **3.** Het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste: a. a. een wetenschappelijke instelling; en b. b. een geneeskundig leverancier, die als penvoerder van dit samenwerkingsverband optreedt en, voor zover deze een verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, heeft overgelegd, ten behoeve van de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, geen onderneming in stand houdt die actief is in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de algemene de-minimisverordening. 1°. 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de algemene de-minimisverordening. **4.** De subsidie aan de geneeskundig leverancier wordt verstrekt in de vorm van een geldlening, waarbij gebruik wordt gemaakt van de modelovereenkomst van geldlening, opgenomen in bijlage 3.26. **5.** Er wordt slechts één aanvraag om subsidie ingediend per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject. ### Artikel 3.26.3 **1.** De subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject bedraagt: a. a. voor de activiteiten van een wetenschappelijke instelling: 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek; 3°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 1°. 1°. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; 2°. 2°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek; 3°. 3°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; b. b. voor de activiteiten van een geneeskundig leverancier: 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze activiteiten betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. **2.** De subsidie bedraagt: a. a. indien geen verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, is overgelegd door een geneeskundig leverancier uit het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert: ten hoogste € 3.000.000 per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject; b. b. indien een verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, is overgelegd door een geneeskundig leverancier uit het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert: ten hoogste € 2.400.000 per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject of, in het geval dit bedrag zou leiden tot een bruto-subsidie-equivalent als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de algemene de-minimisverordening, die het toepasselijke de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening, zou overschrijden ten hoogste een bedrag per regeneratief geneeskundig onderzoeksproject dat niet zou leiden tot deze overschrijding. **3.** Onverminderd het eerste en tweede lid is ten minste 50% van de totale subsidie bestemd voor de activiteiten van één of meer geneeskundig leveranciers binnen het samenwerkingsverband, dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert. ### Artikel 3.26.4 Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject betrekking heeft op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. ### Artikel 3.26.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidie. ### Artikel 3.26.6 **1.** Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde regeneratief geneeskundig onderzoeksproject wordt gestart binnen uiterlijk 12 weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. ### Artikel 3.26.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. a. na toepassing van artikel 3.26.8, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend; b. b. de subsidiabele kosten minder dan € 500.000 bedragen; c. c. de te verlenen subsidie voor een subsidieaanvrager binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.26.2, derde lid, minder dan € 125.000 zou bedragen; d. d. aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.26.2, derde lid, een geneeskundig leverancier deelneemt: 1°. waaraan eerder subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject verstrekt is op grond van deze titel; of 2°. die al eerder tijdens de desbetreffende openstellingsperiode een subsidieaanvraag voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject heeft ingediend op grond van deze titel; 1°. 1°. waaraan eerder subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject verstrekt is op grond van deze titel; of 2°. 2°. die al eerder tijdens de desbetreffende openstellingsperiode een subsidieaanvraag voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject heeft ingediend op grond van deze titel; e. e. de activiteiten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject niet voor ten minste 10 procent bestaan uit fundamenteel onderzoek; f. f. de aanvraag, voor zover de subsidieaanvraag betrekking heeft op de activiteiten van een geneeskundig leverancier, activiteiten bevat die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; of 4°. het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen en diensten; 1°. 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; 3°. 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; of 4°. 4°. het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen en diensten; g. g. de geneeskundig leverancier, in het geval het een geneeskundig leverancier betreft die een verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26.12, tweede lid, onderdeel e, heeft overgelegd, een onderneming in stand houdt: 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt; of 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; 3°. die zich naar het op de rentemededeling gebaseerde oordeel van de minister bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van lager dan B. 1°. 1°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt; of 2°. 2°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; 3°. 3°. die zich naar het op de rentemededeling gebaseerde oordeel van de minister bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van lager dan B. ### Artikel 3.26.8 **1.** De minister kent aan een aanvraag om subsidie betreffende een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject meer bijdraagt aan het doel, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid; b. b. de kwaliteit van het projectplan van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject beter is, blijkend uit: 1°. de uitwerking van de aanpak en methodiek; 2°. de wijze waarop wordt omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject; 3°. de mate van uitvoerbaarheid; 1°. 1°. de uitwerking van de aanpak en methodiek; 2°. 2°. de wijze waarop wordt omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject; 3°. 3°. de mate van uitvoerbaarheid; c. c. het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject uitvoert meer geschikt is om een onderzoeksproject uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen het samenwerkingsverband; 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling; 3°. de mate van samenwerking van wetenschappelijke instellingen en geneeskundig leveranciers binnen het samenwerkingsverband; 1°. 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen het samenwerkingsverband; 2°. 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling; 3°. 3°. de mate van samenwerking van wetenschappelijke instellingen en geneeskundig leveranciers binnen het samenwerkingsverband; d. d. uit een quickscan op het te ontwikkelen product of te ontwikkelen dienst, bestaande uit een vroege Health Technology Assessment, volgt dat de impact van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject op een betere beheersing van de zorgkosten groter is, blijkend uit: 1°. de bijdrage aan het publieke belang van adequate, effectieve en efficiënte gezondheidzorg op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden; en 2°. de mate waarin er extern draagvlak bestaat voor het desbetreffende onderzoeksproject bij behandelend artsen of andere relevante potentiële gebruikers van het product of de dienst; 1°. 1°. de bijdrage aan het publieke belang van adequate, effectieve en efficiënte gezondheidzorg op het gebied van regeneratief geneeskundige behandelmethoden; en 2°. 2°. de mate waarin er extern draagvlak bestaat voor het desbetreffende onderzoeksproject bij behandelend artsen of andere relevante potentiële gebruikers van het product of de dienst; e. e. de commerciële haalbaarheid van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject naar verwachting groter is, blijkend uit ten minste: 1°. de omstandigheid dat de geneeskundig leverancier eerder actief is geweest op het gebied van de ontwikkeling van producten of diensten die een bijdrage leveren aan, dan wel kwalificeren als, een regeneratief geneeskundige behandelmethode, in het geval deze producten of diensten op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, ten minste klinisch getest zijn of worden op natuurlijke personen of toegepast worden bij de behandeling van patiënten; 2°. de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen producten of diensten op de Nederlandse en internationale markt; en 3°. de uitwerking en onderbouwing van de financieringsstructuur, waaronder mede begrepen de mate van zekerheid, kwaliteit en omvang van de financiering van het eigen aandeel in de kosten van het geneeskundig onderzoeksproject; 1°. 1°. de omstandigheid dat de geneeskundig leverancier eerder actief is geweest op het gebied van de ontwikkeling van producten of diensten die een bijdrage leveren aan, dan wel kwalificeren als, een regeneratief geneeskundige behandelmethode, in het geval deze producten of diensten op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, ten minste klinisch getest zijn of worden op natuurlijke personen of toegepast worden bij de behandeling van patiënten; 2°. 2°. de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen producten of diensten op de Nederlandse en internationale markt; en 3°. 3°. de uitwerking en onderbouwing van de financieringsstructuur, waaronder mede begrepen de mate van zekerheid, kwaliteit en omvang van de financiering van het eigen aandeel in de kosten van het geneeskundig onderzoeksproject; f. f. het project zich meer richt op regeneratief geneeskundige behandelmethoden op het gebied van orgaandonatie en transplantatie. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. **3.** De minister rangschikt de aanvragen om subsidie waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. ### Artikel 3.26.9 De subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, wordt uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, een ondertekend exemplaar van de hierbij gevoegde overeenkomst van geldlening verstrekt is aan de minister door de betrokken geneeskundig leverancier of geneeskundig leveranciers uit het samenwerkingsverband. ### Artikel 3.26.10 **1.** Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening wordt een samenwerkingsovereenkomst verstrekt aan de minister, die is gesloten tussen de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.26.2, derde lid, ten behoeve van de uitvoering van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject waarin: 1°. 1°. wordt bepaald op welke wijze wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; 2°. 2°. wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden betreffende daadwerkelijke samenwerking, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en 3°. 3°. wordt gewaarborgd dat binnen het samenwerkingsverband voldaan wordt aan de Principes voor Maatschappelijk Verantwoord Licentiëren (MVL). **2.** Onverminderd artikel 39 van het besluit verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang van de verrichte of te verrichten activiteiten of resultaten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, die gebruikt kunnen worden voor het monitoren van de voortgang van het project. **3.** Binnen twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling maakt de wetenschappelijke instelling de niet bedrijfsgevoelige kennis en de resultaten die met het project zijn opgedaan, inclusief de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie over de eventueel ontwikkelde producten of diensten en mogelijke bijhorende vervolgstappen voor de doorontwikkeling hiervan, ten minste éénmalig openbaar via een daarvoor geschikte conferentie, publicatie, open access-repositories dan wel gratis of opensource-software als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 3.26.11 **1.** Gedurende de looptijd van de lening is Leningnemer verplicht het volgende aan Leninggever te betalen: a. a. de aflossing van de hoofdsom van de geldlening; b. b. een eenmalige rente van 15 procent over de hoofdsom van de geldlening, die niet-rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin subsidievaststelling heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50 van het besluit; c. c. een jaarlijkse basisrente van 3 procent per jaar over de som van het verschuldigde nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de geldlening, die rentedragend bij het uitstaand saldo aanwast op de laatste dag van het kalenderjaar waarin niet voldaan is aan de bij deze rente horende betalingsverplichting uit de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van bijlage 3.26; en d. d. voor zover van toepassing, de bij te late betaling verschuldigde wettelijke rente. **2.** De betalingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats volgens een in de overeenkomst van geldlening vastgelegd schema, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van bijlage 3.26, doch uiterlijk binnen 14 jaar nadat de lening verstrekt is. ### Artikel 3.26.12 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over het project, die bestaan uit een samenvatting van de projectomschrijving en een lijst met deelnemers in het samenwerkingsverband dat het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject zal uitvoeren; d. d. gegevens over de grootte van de onderneming van de subsidieaanvrager, indien de subsidieaanvrager een geneeskundig leverancier is; e. e. een verklaring de-minimissteun van een geneeskundig leverancier, indien de geneeskundig leverancier de staatssteun, die met de subsidie verleend wordt, wil rechtvaardigen op grond van de algemene de-minimisverordening. **3.** De aanvraag om subsidie, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaat vergezeld van ten minste: a. a. een projectplan met projectomschrijving van de doelstellingen, beoogde tussenresultaten en de werkzaamheden binnen het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject; b. b. een financieringsplan, inclusief mijlpalenbegroting, waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. de totale kosten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, inclusief een beschrijving welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid; 3°. informatie over de wijze waarop elke deelnemer in het samenwerkingsverband zijn eigen aandeel in de projectkosten financiert; 1°. 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. 2°. de totale kosten van het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, inclusief een beschrijving welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid; 3°. 3°. informatie over de wijze waarop elke deelnemer in het samenwerkingsverband zijn eigen aandeel in de projectkosten financiert; c. c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject betrokken organisaties of personen; d. d. een quickscan op het te ontwikkelen product of te ontwikkelen dienst als bedoeld in artikel 3.26.8, eerste lid, onderdeel d; e. e. een businessplan van de desbetreffende geneeskundig leverancier dat de strategie en ontwikkelprioriteiten van de geneeskundig leverancier beschrijft en op welke termijn het met het project te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben; f. f. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding, bedoeld in artikel 3.26.10, derde lid, zal plaatsvinden. ### Artikel 3.26.13 Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. a. een omschrijving van de projectresultaten van het project; b. b. een omschrijving op welke wijze het project heeft bijgedragen aan de doelen, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid; c. c. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten en een beschrijving welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid. ### Artikel 3.26.14 De subsidie, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidie verstrekt is voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid, door: 1°. een wetenschappelijke instelling; of 2°. een geneeskundig leverancier, in het geval deze geen verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26,12, tweede lid, onderdeel e, heeft overgelegd; of 1°. 1°. een wetenschappelijke instelling; of 2°. 2°. een geneeskundig leverancier, in het geval deze geen verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26,12, tweede lid, onderdeel e, heeft overgelegd; of b. b. de Algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie verstrekt is voor de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.26.2, tweede lid, door een geneeskundig leverancier, in het geval deze een verklaring de-minimissteun als bedoeld in artikel 3.26,12, tweede lid, onderdeel e, heeft overgelegd. ### Artikel 3.26.15 Deze titel en bijlage 3.26 vervallen met ingang van 1 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 3.27. Important Projects of Common European Interest (IPCEI) ### Artikel 3.27.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *Europees belangrijk project:* project als bedoeld in paragraaf 3.1 van het IPCEI-steunkader dat is voorzien van een Europees goedkeuringsbesluit en wordt uitgevoerd door een Europees samenwerkingsverband; - *Europees goedkeuringsbesluit:* besluit waarin de Europese Commissie een project heeft gekwalificeerd als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang en overheidssteun voor één of meer ondernemingen die deelnemen aan het desbetreffende Europese samenwerkingsverband verenigbaar heeft verklaard met de interne markt, in de zin van artikel 107, derde lid, onderdeel b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; - *Europees samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband dat bestaat uit ondernemingen of onderzoeksorganisaties die overeenkomstig paragraaf 3.2.1, onderdeel 16, van het IPCEI-steunkader gevestigd zijn in ten minste vier landen die lid zijn van de Europese Unie of Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens gevallen waarin de aard van een Europees belangrijk project vestiging in een kleiner aantal lidstaten rechtvaardigt; a. *Europees matchmakingsproces:* interactief multilateraal en publiek-privaat proces: a. dat door een of meerdere lidstaten van de Europese Unie geïnitieerd is en plaatsvindt tussen lidstaten van de Europese Unie, eventueel met een of meer lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie, en op vrijwillige basis participerende ondernemingen; b. dat gericht is op het tot stand brengen van een Europees belangrijk project; a. a. dat door een of meerdere lidstaten van de Europese Unie geïnitieerd is en plaatsvindt tussen lidstaten van de Europese Unie, eventueel met een of meer lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie, en op vrijwillige basis participerende ondernemingen; b. b. dat gericht is op het tot stand brengen van een Europees belangrijk project; - *Europese notificatiefase:* fase waarin een Nederlands belangrijk project formeel bij de Europese Commissie wordt aangemeld om een Europees goedkeuringsbesluit te krijgen; - *Europese pre-notificatiefase:* fase waarin de Minister bij de Europese Commissie informeel een Nederlands belangrijk project onder de aandacht brengt om, voorafgaand aan een eventuele Europese notificatiefase, te verkennen of dit project in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit; - *financieringskloof:* financieringskloof als bedoeld in paragraaf 4.1, onderdeel 33, van het IPCEI-steunkader; - *Nederlands belangrijk project:* deelproject of projectonderdeel van een Europees belangrijk project; - *nul-scenario:* nul-scenario als bedoeld in paragraaf 4.1, onderdeel 31, van het IPCEI-steunkader; - *onderzoeksinfrastructuur:* onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 91, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *onderzoeksorganisatie:* organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader; - *waterstofproductie door elektrolyse:* productie van waterstof door middel van elektrolyse van water op basis van hernieuwbare elektriciteit. ### Artikel 3.27.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan één of meer in Nederland gevestigde ondernemingen of onderzoeksorganisaties uit een Europees samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Nederlands belangrijk project dat gericht is op het verwezenlijken van één of meer van de doelstellingen, bedoeld in paragraaf 3.2.1, onderdeel 14, van het IPCEI-steunkader, op het gebied van: a. a. cloud infrastructuur en services; b. b. micro-elektronica en halfgeleiders; c. c. waterstoftechnologie; d. d. waterstofproductie door elektrolyse; e. e. waterstofimport- en opslag; of f. f. waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport. **2.** Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, omvat een samenhangend geheel van activiteiten dat kan bestaan uit: a. a. onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit; b. b. industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderneming; c. c. niet-economisch industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie, onafhankelijk uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht; d. d. investeringen door een middelgrote of kleine onderneming voor de aanschaf of het gebruiksklaar maken van materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging van deze onderneming, waarbij bij het gebruik van immateriële activa wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 17, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming; f. f. proces- en organisatie-innovatie door een onderneming. **3.** Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, omvat een samenhangend geheel van activiteiten dat kan bestaan uit onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten, of infrastructuurprojecten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. **4.** Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, omvat een samenhangend geheel van infrastructuurprojectactiviteiten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. **5.** Een Nederlands belangrijk project als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, omvat een samenhangend geheel van activiteiten dat kan bestaan uit onderzoek en ontwikkeling en de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten door een onderneming die voor het verrichten van deze activiteiten als directe partner is vermeld in het Europees goedkeuringsbesluit. **6.** Voor zover dit uit het Europees goedkeuringsbesluit volgt of naar het oordeel van de minister passend is, kan de subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, aan een onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, e of f, aan een onderneming, bedoeld in het derde, vierde respectievelijk vijfde lid, worden verstrekt in de vorm van: a. a. een subsidie met terugbetalingsverplichting; of b. b. een geldlening. ### Artikel 3.27.3 **1.** De subsidie bedraagt voor een Nederlands belangrijk project: a. a. het in het Europees goedkeuringsbesluit opgenomen percentage van de nominale financieringskloof: 1°. voor zover de kosten betrekking hebben op onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; 2°. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft; 1°. 1°. voor zover de kosten betrekking hebben op onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; 2°. 2°. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft; b. b. 100% van de subsidiabele kosten of de contante waarde van de financieringskloof, afhankelijk van welke van deze bedragen het laagst is, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e respectievelijk f, betreft; c. c. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b; d. d. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b; e. e. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b; f. f. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economisch industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel c; g. g. 10% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op investeringen door een middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d; h. h. 20% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op investeringen door een kleine onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d; i. i. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e; j. j. 15% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f; k. k. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op proces- en organisatie-innovatie door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f. **2.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen c, d en e, worden verhoogd met: a. a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door deze middelgrote onderneming; b. b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door deze kleine onderneming. **3.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen c en d, worden verhoogd met 10 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje, of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **4.** De subsidie bedraagt per Nederlands belangrijk project ten hoogste het bedrag dat beschikbaar is op grond van het toepasselijke subsidieplafond en niet meer dan: a. a. het in het Europees goedkeuringsbesluit opgenomen maximum subsidiebedrag per subsidieaanvrager die het Nederlandse belangrijke project uitvoert: 1°. indien de activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; 2°. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f, betreft; 1°. 1°. indien de activiteiten bestaan uit onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; 2°. 2°. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f, betreft; b. b. € 15.000.000 per subsidieaanvrager, voor zover de activiteiten bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming of onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c; c. c. € 7.500.000 per subsidieaanvrager, voor zover de activiteiten bestaan uit: 1°. een haalbaarheidsstudie door een onderneming of onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c; 2°. het verrichten van investeringen door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d; of 3°. proces- en organisatie-innovatie door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f; 1°. 1°. een haalbaarheidsstudie door een onderneming of onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdelen b en c; 2°. 2°. het verrichten van investeringen door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d; of 3°. 3°. proces- en organisatie-innovatie door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f; d. d. € 20.000.000 per onderzoeksinfrastructuur van de subsidieaanvrager of het Nederlandse samenwerkingsverband, voor zover de activiteiten bestaan uit de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e. ### Artikel 3.27.4 Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking: a. a. de kosten, bedoeld in de bijlage bij het IPCEI-steunkader, voor zover deze zijn opgenomen in het Europees goedkeuringsbesluit en betrekking hebben op: 1°. onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; of 2°. een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f; 1°. 1°. onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; of 2°. 2°. een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f; b. b. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b; c. c. de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b; d. d. de kosten, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op investeringen door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d; e. e. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e; f. f. de kosten, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op proces- en organisatie-innovatie door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f. ### Artikel 3.27.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.27.6 **1.** Met de uitvoering van het op grond van deze titel gesubsidieerde Nederlands belangrijk project wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening en, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie of waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, betreft, voor 1 januari 2024. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is: a. a. zeven jaar voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van cloud infrastructuur en services, micro-elektronica en halfgeleiders, waterstoftechnologie, waterstofimport en -opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdelen a, b, c, e respectievelijk f; b. b. zes jaar voor Nederlandse belangrijke projecten op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d. **3.** De minister kan de termijn, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport en -opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e respectievelijk f, betreft, of onderdeel b, op verzoek verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend is. ### Artikel 3.27.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie indien: a. a. het project in onvoldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, blijkend uit de omstandigheid dat: 1°. het aannemelijk is dat in onvoldoende mate invulling wordt gegeven aan de doelstellingen en criteria, bedoeld in paragrafen 3.2.1, onderdelen 14, 15, 16, 18, 19 en 20, 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, en 3.3, onderdeel 26, van het IPCEI-steunkader; of 2°. na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend; 1°. 1°. het aannemelijk is dat in onvoldoende mate invulling wordt gegeven aan de doelstellingen en criteria, bedoeld in paragrafen 3.2.1, onderdelen 14, 15, 16, 18, 19 en 20, 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, en 3.3, onderdeel 26, van het IPCEI-steunkader; of 2°. 2°. na toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, en tweede lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend; b. b. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project: 1°. waarvoor niet op uiterlijk 11 juli 2021 om 18:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van cloud infrastructuur en services, 21 mei 2021 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van micro-elektronica en halfgeleiders of 22 september 2020 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van waterstoftechnologie, waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, b, c, d, e respectievelijk f, een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de Minister op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2021, 30783, Stcrt. 2021, 20378 respectievelijk Stcrt. 2020, 40723; of 2°. dat geen onderdeel uit heeft gemaakt van een Europees matchmakingsproces; 1°. 1°. waarvoor niet op uiterlijk 11 juli 2021 om 18:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van cloud infrastructuur en services, 21 mei 2021 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van micro-elektronica en halfgeleiders of 22 september 2020 om 17:00 uur voor projectactiviteiten op het gebied van waterstoftechnologie, waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, b, c, d, e respectievelijk f, een voorlopig projectvoorstel ingediend was bij de Minister op grond van de oproep, opgenomen in Stcrt. 2021, 30783, Stcrt. 2021, 20378 respectievelijk Stcrt. 2020, 40723; of 2°. 2°. dat geen onderdeel uit heeft gemaakt van een Europees matchmakingsproces; c. c. de subsidiabele kosten per Nederlands belangrijk project minder zouden bedragen dan € 5.000.000; d. d. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftechnologie of waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d: 1°. dat tijdens het toepasselijke Europees matchmakingsproces niet is ingedeeld binnen het thema technologie respectievelijk het thema decarbonisatie industrie; 2°. waarvoor de pre-notificatiefase nog niet gestart was op 31 augustus 2021; of 3°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; 1°. 1°. dat tijdens het toepasselijke Europees matchmakingsproces niet is ingedeeld binnen het thema technologie respectievelijk het thema decarbonisatie industrie; 2°. 2°. waarvoor de pre-notificatiefase nog niet gestart was op 31 augustus 2021; of 3°. 3°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; e. e. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e respectievelijk f: 1°. dat tijdens het toepasselijke Europees matchmakingsproces niet is ingedeeld binnen het thema opslag en infrastructuur respectievelijk het thema mobiliteit en transport; 2°. waarvoor de Europese pre-notificatiefase nog niet gestart was op 29 april 2022 respectievelijk 1 december 2022; of 3°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; 1°. 1°. dat tijdens het toepasselijke Europees matchmakingsproces niet is ingedeeld binnen het thema opslag en infrastructuur respectievelijk het thema mobiliteit en transport; 2°. 2°. waarvoor de Europese pre-notificatiefase nog niet gestart was op 29 april 2022 respectievelijk 1 december 2022; of 3°. 3°. waarvan de financieringskloof minder dan € 10.000.000 zou bedragen; f. f. de aanvraag betrekking heeft op een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, waarvoor het door middel van een mededeling van de Europese Commissie in de pre-notificatiefase duidelijk is geworden dat het desbetreffende project niet in aanmerking zou kunnen komen voor een Europees goedkeuringsbesluit; g. g. de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 per subsidieaanvrager zou bedragen; h. h. in onvoldoende mate is gewaarborgd dat de uitvoering van het Europese of Nederlandse belangrijke project door de betrokken partijen in overeenstemming zal zijn met: 1°. internationale en Europese verdragen, waaronder in ieder geval de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; of 2°. het recht van de Europese Unie, waaronder in ieder geval het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Verordening (EU) 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PbEU 2013, L 181), Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119), Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79 I), Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PbEU 2016, L 157) en Richtlijn 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PbEU 2016, L 194); 1°. 1°. internationale en Europese verdragen, waaronder in ieder geval de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; of 2°. 2°. het recht van de Europese Unie, waaronder in ieder geval het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Verordening (EU) 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PbEU 2013, L 181), Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119), Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79 I), Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PbEU 2016, L 157) en Richtlijn 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PbEU 2016, L 194); i. i. in het geval er sprake is van een Nederlands samenwerkingsverband waaraan een onderzoeksorganisatie deelneemt, de samenwerking tussen die onderzoeksorganisatie en de overige deelnemers in het samenwerkingsverband onvoldoende evenwichtig is, blijkend uit de omstandigheid dat de onderzoeksorganisatie meer dan 65 procent van de subsidiabele kosten maakt. ### Artikel 3.27.8 **1.** De minister kent aan een aanvraag om subsidie voor een Nederlands belangrijk project een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. de kwaliteit van het projectplan van het Nederlandse belangrijke project beter is, blijkend uit: 1°. een onderbouwing waaruit volgt op welke wijze de doelstellingen uit het Europese belangrijke project en bijbehorende doelstellingen van het Nederlandse belangrijke project, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, gerealiseerd zullen worden; 2°. een beschrijving van aanpak en methodiek van het Nederlandse belangrijke project, de projectactiviteiten, de uitvoerbaarheid van het project en de omgang met risico’s en intellectuele eigendomsrechten; 3°. een overzicht van de wijze waarop monitoring plaatsvindt en welke prestatie-indicatoren hierbij gehanteerd worden; 4°. de uitwerking van het financieringsplan en de begroting, waaronder begrepen de onderbouwing van de noodzakelijkheid van de benodigde subsidie per subsidieaanvrager, de mate waarin er een financieringskloof aanwezig is en uitwerking van het nul-scenario; 1°. 1°. een onderbouwing waaruit volgt op welke wijze de doelstellingen uit het Europese belangrijke project en bijbehorende doelstellingen van het Nederlandse belangrijke project, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, gerealiseerd zullen worden; 2°. 2°. een beschrijving van aanpak en methodiek van het Nederlandse belangrijke project, de projectactiviteiten, de uitvoerbaarheid van het project en de omgang met risico’s en intellectuele eigendomsrechten; 3°. 3°. een overzicht van de wijze waarop monitoring plaatsvindt en welke prestatie-indicatoren hierbij gehanteerd worden; 4°. 4°. de uitwerking van het financieringsplan en de begroting, waaronder begrepen de onderbouwing van de noodzakelijkheid van de benodigde subsidie per subsidieaanvrager, de mate waarin er een financieringskloof aanwezig is en uitwerking van het nul-scenario; b. b. de subsidieaanvrager die het Nederlandse belangrijke project zelfstandig uitvoert dan wel het Nederlandse samenwerkingsverband dat het Nederlandse belangrijke project uitvoert meer geschikt is om een Nederlands belangrijk project uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties aanwezig zijn; 2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het Nederlands belangrijke project binnen het Nederlands en Europees samenwerkingsverband en bij andere relevante partijen; 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager of deelnemers aan het samenwerkingsverband succesvolle ervaring hebben met de uitvoering van soortgelijke projecten dan wel samen met de deelnemers in het Europese en Nederlandse samenwerkingsverband een innovatieve samenstelling vormen en kleine en middelgrote ondernemingen en startups betrekken bij de uitvoering van het project; 4°. de kwaliteit van de projectorganisaties die aanwezig zijn bij de subsidieaanvrager dan wel in het Nederlands samenwerkingsverband; 5°. de binnen het Nederlands samenwerkingsverband gemaakte afspraken en overeengekomen werkwijze; 6°. de mate waarin de subsidieaanvrager de financiële draagkracht heeft om bij overschrijding van de in het financieringsplan begrote kosten het Nederlandse belangrijke project voor te zetten, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft; 1°. 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties aanwezig zijn; 2°. 2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het Nederlands belangrijke project binnen het Nederlands en Europees samenwerkingsverband en bij andere relevante partijen; 3°. 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager of deelnemers aan het samenwerkingsverband succesvolle ervaring hebben met de uitvoering van soortgelijke projecten dan wel samen met de deelnemers in het Europese en Nederlandse samenwerkingsverband een innovatieve samenstelling vormen en kleine en middelgrote ondernemingen en startups betrekken bij de uitvoering van het project; 4°. 4°. de kwaliteit van de projectorganisaties die aanwezig zijn bij de subsidieaanvrager dan wel in het Nederlands samenwerkingsverband; 5°. 5°. de binnen het Nederlands samenwerkingsverband gemaakte afspraken en overeengekomen werkwijze; 6°. 6°. de mate waarin de subsidieaanvrager de financiële draagkracht heeft om bij overschrijding van de in het financieringsplan begrote kosten het Nederlandse belangrijke project voor te zetten, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft; c. c. het Nederlandse belangrijke project technologisch meer vooruitstrevend is en een grotere impact heeft op de economie en samenleving blijkend uit de omstandigheid dat: 1°. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek; 2°. het project naar verwachting een grotere bijdrage zal leveren aan de doelstelling van het overkoepelende Europese belangrijk project; 3°. het project naar verwachting zal zorgen voor grotere positieve overloopeffecten en toepassingsmogelijkheden voor de Europese en Nederlandse markt en samenleving, waaronder mede begrepen de verwachte bijdrage aan brede welvaart, de productiviteit en het verdienvermogen van Nederlandse ondernemingen en overige publieke belangen; 4°. het project een grotere slagingskans heeft en een blijvend effect zal hebben; 1°. 1°. het project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek; 2°. 2°. het project naar verwachting een grotere bijdrage zal leveren aan de doelstelling van het overkoepelende Europese belangrijk project; 3°. 3°. het project naar verwachting zal zorgen voor grotere positieve overloopeffecten en toepassingsmogelijkheden voor de Europese en Nederlandse markt en samenleving, waaronder mede begrepen de verwachte bijdrage aan brede welvaart, de productiviteit en het verdienvermogen van Nederlandse ondernemingen en overige publieke belangen; 4°. 4°. het project een grotere slagingskans heeft en een blijvend effect zal hebben; d. d. de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, blijkend uit de hoogte van de gevraagde subsidie ten opzichte van andere financiële bijdragen aan het Nederlandse belangrijke project en de verhouding van de inzet van deze financiële middelen tot het beoogde resultaat, mede gelet op het nul-scenario van het Nederlandse belangrijke project; e. e. de hoogte van de gevraagde subsidie per megawatt waterstof output vermogen lager is, indien de aanvraag een Nederlandse belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. **3.** Voor de rangschikking van aanvragen om subsidie voor: a. a. een Nederlands belangrijk project op het gebied van cloud infrastructuur en services, micro-elektronica en halfgeleiders, waterstoftechnologie, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel a, b, c, e respectievelijk f wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen c en d, vermenigvuldigd met 2, waarna alle punten worden opgeteld; b. b. een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse als bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a en c, vermenigvuldigd met 2 en voor het eerste lid, onderdelen d en e, vermenigvuldigd met 2,5, waarna alle punten worden opgeteld. **4.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. ### Artikel 3.27.9 **1.** Indien in het Nederlandse belangrijke project niet-economisch onafhankelijk industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie wordt verricht in een Europees of Nederlands samenwerkingsverband: a. a. wordt voorafgaand aan de start van het Nederlandse belangrijke project een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; b. b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie: 1°. uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen; en 2°. in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en 1°. 1°. uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met ondernemingen; en 2°. 2°. in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en c. c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat: 1°. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van de activiteiten dragen; 2°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 3°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 4°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. 1°. 1°. de deelnemende ondernemingen de volledige kosten van de activiteiten dragen; 2°. 2°. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim mogen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; 3°. 3°. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of 4°. 4°. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. **2.** Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, in mindering worden gebracht. **3.** De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, stemt overeen met de marktprijs indien: a. a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding, om rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen. **4.** De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. **5.** Artikel 1.9 is niet van toepassing op deze titel. ### Artikel 3.27.10 **1.** Activiteiten in het Nederlandse belangrijke project worden overeenkomstig de in het Europese goedkeuringsbesluit opgenomen verplichtingen uitgevoerd: a. a. indien de activiteiten onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuurprojectactiviteiten in de sectoren milieu, energie of digitalisering betreffen en door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a, worden verricht; b. b. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, waterstofimport- en opslag of waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, e respectievelijk f, betreft. **2.** Indien in het Nederlandse belangrijke project activiteiten betreffende proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f, worden verricht, worden deze projectactiviteiten door de grote onderneming uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking met middelgrote en kleine ondernemingen, die ten minste 30% van de totale subsidiabele kosten dragen. **3.** Indien in het Nederlandse belangrijke project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e, worden verricht: a. a. worden deze projectactiviteiten door deze onderneming in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en b. b. draagt deze onderneming er zorg voor dat: 1°. de toegang tot deze onderzoeksinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt; 2°. de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs. 1°. 1°. de toegang tot deze onderzoeksinfrastructuur openstaat voor meerdere gebruikers en dat deze op transparante en niet-discriminerende basis verleend wordt; 2°. 2°. de vergoedingen die voor de exploitatie of het gebruik van de onderzoeksinfrastructuur worden berekend, overeenstemmen met de marktprijs. **4.** In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel b, subonderdeel 1°, kunnen ondernemingen die ten minste 10 procent van de investeringskosten van de onderzoeksinfrastructuur hebben gefinancierd preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, indien deze toegang evenredig is aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en deze gunstigere voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld. ### Artikel 3.27.11 **1.** Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. **2.** De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het Nederlandse belangrijke project jaarlijks een voortgangsrapportage over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. **3.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. **4.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. **5.** De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. **6.** In afwijking van het tweede en derde lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde en de openbare veiligheid: a. a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden; of b. b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het tweede of derde lid. ### Artikel 3.27.12 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over het Nederlandse belangrijke project, die bestaan uit een samenvatting van de projectomschrijving en, voor zover van toepassing, een lijst met deelnemers aan het samenwerkingsverband dat het Nederlandse belangrijke project zal uitvoeren en de activiteiten die iedere deelnemer in het samenwerkingsverband zal verrichten; d. d. gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 3.27.3, tweede lid, onderdelen a en b. **2.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een projectomschrijving van de doelstelling of doelstellingen en de werkzaamheden van het Nederlandse belangrijke project; b. b. een financieringsplan en begroting waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. de totale kosten van het Nederlandse belangrijke project, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid; 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het Europees of Nederlands samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse belangrijke project financieren; 4°. voor zover van toepassing, het nul-scenario, waaronder mede begrepen een beschrijving van de wijze van financiering voor de situatie waarin geen subsidie op grond van deze titel verstrekt zou worden; 5°. voor zover van toepassing, de aanwezige financieringskloof, waaronder, voor zover van toepassing, mede begrepen informatie over de verwachte opbrengsten gedurende de levensduur van een investering; 1°. 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. 2°. de totale kosten van het Nederlandse belangrijke project, inclusief een beschrijving van welk deel van de kosten betrekking heeft op één of meer van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid; 3°. 3°. informatie over de wijze waarop de deelnemers in het Europees of Nederlands samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten van het Nederlandse belangrijke project financieren; 4°. 4°. voor zover van toepassing, het nul-scenario, waaronder mede begrepen een beschrijving van de wijze van financiering voor de situatie waarin geen subsidie op grond van deze titel verstrekt zou worden; 5°. 5°. voor zover van toepassing, de aanwezige financieringskloof, waaronder, voor zover van toepassing, mede begrepen informatie over de verwachte opbrengsten gedurende de levensduur van een investering; c. c. documenten met daarin een beknopte beschrijving van de projectorganisatie en de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het Nederlandse belangrijke project betrokken organisaties of personen, voor zover deze relevant zijn voor de toepassing van artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid; d. d. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt. ### Artikel 3.27.13 Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. a. een omschrijving van de projectresultaten van het Nederlandse belangrijke project; b. b. op welke wijze het Nederlandse belangrijke project heeft bijgedragen aan de doelen op de gebieden, bedoeld in artikel 3.27.8, eerste lid, onderdeel a; c. c. een overzicht waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten; d. d. een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 3.27.9 en 3.27.10. ### Artikel 3.27.14 De subsidie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van niet-economisch industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderzoeksorganisatie, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23, 24 en 25, van het IPCEI-steunkader: 1°. voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuuractiviteiten op het gebied van milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; 2°. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft. 1°. 1°. voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op onderzoek en ontwikkeling, de eerste industriële toepassing van innovatieve producten of diensten of infrastructuuractiviteiten op het gebied van milieu, energie of digitalisering door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel a; 2°. 2°. indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofproductie door elektrolyse, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel d, betreft. b. b. paragraaf 3.2.3, onderdeel 25, van het IPCEI-steunkader, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstofimport- en opslag, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel e, betreft; c. c. paragraaf 3.2.3, onderdelen 22, 23 en 24, van het IPCEI-steunkader, indien het een Nederlands belangrijk project op het gebied van waterstoftoepassingen in mobiliteit en transport, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, onderdeel f, betreft; d. d. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie door een onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel b; e. e. artikel 17 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op investeringen door een middelgrote of kleine onderneming als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel d; f. f. artikel 26 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op de bouw of upgrading van onderzoeksinfrastructuur als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel e; g. g. artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidiabele activiteiten betrekking hebben op proces- en organisatie innovatie als bedoeld in artikel 3.27.2, tweede lid, onderdeel f. ### Artikel 3.27.15 Deze titel vervalt met ingang van 23 december 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 3.28. Programma Digitaal Europa ### Artikel 3.28.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *alliantie voor taaltechnologieën:* project inzake een alliantie voor taaltechnologieën zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming:* project inzake het beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *cybersecurity vaardigheden academie:* project inzake het opzetten van een vaardigheden-academie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Advanced Digital Skills bestrijkt; - *dataruimte voor de energie-industrie:* project inzake de EU-markt voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *dataruimte voor de Green Deal:* project inzake de implementatie van een dataruimte voor de Green Deal zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - * dataruimte voor de maakindustrie:* project inzake de dataruimte voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *dataruimte voor de maakindustrie (implementatie):* project inzake de implementatie van een dataruimte voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *digitaal product-paspoort:* project inzake ontwikkeling van een digitaal product-paspoort zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *Europese digitale-innovatiehub:* Europese digitale-innovatiehub als bedoeld in artikel 2, punt 5, van verordening (EU) nr. 2021/694, voor zover in Nederland gevestigd; - *gespecialiseerde Opleidingsprogramma's in Sleutelcapaciteitsgebieden:* project inzake het ontwikkelen van gespecialiseerde Opleidingsprogramma's in Sleutelcapaciteitsgebieden zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Advanced Digital Skills bestrijkt; - * grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten:* project inzake een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen:* project inzake de ontwikkeling van hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; - *implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren:* project inzake de implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; - *markt voor cloud-to-edge-diensten:* project inzake de EU-markt voor cloud-to-edge-diensten zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten:* project inzake ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten, inclusief European Digital Infrastructure Consortiums, zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Deployment and Best use bestrijkt; - *ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid:* project inzake de ondersteuning bij de implementatie van de NIS 2-richtlijn (richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (PbEU 2022, L 333)) en nationale cybersecurity strategieën zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; - *ontwikkeling van een Citiverse;* project inzake de ontwikkeling van een Citiverse zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *programma Digitaal Europa:* programma zoals vastgesteld bij verordening (EU) nr. 2021/694; - *referentie-implementaties van Europese cloud edge-diensten:* project inzake de referentie-implementaties van Europese cloud edge-diensten voor industriële Internet of Things Edge en Telecommunicatie edge zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - * test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie:* project inzake de test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling AI bestrijkt; - *toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid:* project inzake de ingebruikname van innovatieve cybersecurity oplossingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; - *veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid:* project inzake de Europese Cybersecurity Veerkracht, Coördinatie en Cybersecurity Ranges zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt; - *verordening (EU) nr. 2021/694:* verordening (EU) 2021/694 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PbEU 2021, L 166); - *versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen:* project inzake het versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen zoals omschreven in een op grond van artikel 24 van verordening (EU) nr. 2021/694 vastgesteld werkprogramma dat de specifieke doelstelling Cybersecurity bestrijkt. ### Artikel 3.28.2 **1.** De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een project binnen het programma Digitaal Europa aan een in Nederland gevestigde aanvrager die voor dat project een bijdrage ontvangt van de Europese Commissie, inzake: a. a. de markt voor cloud-to-edge-diensten; b. b. een Europese digitale-innovatiehub; c. c. een test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie; d. d. een dataruimte voor de maakindustrie; e. e. een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten; f. f. de ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid; g. g. het toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid; h. h. de veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid; i. i. een digitaal product-paspoort; j. j. de ontwikkeling van een Citiverse; k. k. hulpmiddelen voor naleving van CRA-vereisten en -verplichtingen; l. l. de implementatie van Post-Quantum Cryptografie in systemen in industriële sectoren; m. m. het versterken van de cybersecurity-capaciteiten van Europese MKB-ondernemingen in lijn met CRA-vereisten en -verplichtingen; n. n. gespecialiseerde opleidingsprogramma's in sleutelcapaciteitsgebieden; o. o. een cybersecurity vaardigheden academie; p. p. ondersteuning bij de implementatie van Multi-Landen Projecten; q. q. referentie-implementaties van Europese cloud edge diensten; r. r. een dataruimte voor de energie-industrie; s. s. een dataruimte voor de maakindustrie (implementatie); t. t. een dataruimte voor de Green Deal; u. u. een alliantie voor taaltechnologieën; of v. v. het beschikbaar maken van een hoog presterend open source Europees basismodel voor nauwkeurige afstemming. **2.** Het eerste lid is tevens van toepassing op een aanvraag van een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. **3.** Indien de aanvrager samenwerkt in een samenwerkingsverband dat een bijdrage van de Europese Commissie ontvangt, verstrekt de Minister uitsluitend subsidie indien de aanvrager het project, waarvoor overeenkomstig het eerste lid subsidie wordt gevraagd, zal uitvoeren met deelnemers in dat samenwerkingsverband. **4.** De Minister verstrekt geen subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub, indien het project dienstverlening aan overheden betreft. ### Artikel 3.28.3 **1.** De subsidie voor het uitvoeren van een project, niet zijnde een project inzake een Europese digitale-innovatiehub, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. **2.** De subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten. **3.** In afwijking van het eerste en tweede lid, bedraagt de subsidie voor een project, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekkingen hebben op experimentele ontwikkeling. **4.** De subsidie bedraagt ten hoogste: a. a. € 200.000 voor een aanvraag inzake de markt voor cloud-to-edge-diensten; b. b. € 1.636.418,80 voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub; c. c. € 5.000.000 voor een aanvraag inzake een test- en experimenteerfaciliteit voor de maakindustrie; d. d. € 200.000 voor een aanvraag inzake een dataruimte voor de maakindustrie; e. e. € 200.000 voor een aanvraag inzake een grootschalig proefproject voor cloud-to-edge-diensten; f. f. € 200.000 voor een aanvraag inzake de ondersteuning van het uitrollen van de NIS 2-richtlijn en nationale strategieën voor cyberveiligheid; g. g. € 200.000 voor een aanvraag inzake het toepassen van innovatieve oplossingen voor cyberveiligheid; h. h. € 200.000 voor een aanvraag inzake de veerkracht, coördinatie en oefenfaciliteiten in de EU voor cyberveiligheid; i. i. € 750.000 voor een aanvraag inzake een digitaal product-paspoort. **5.** In aanvulling op het derde lid bedraagt de subsidie, niet zijnde een subsidie aan een Europese digitale-innovatiehub als bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid onderdeel b, niet meer dan de bijdrage die de Europese Commissie reeds heeft verstrekt als onderdeel van het programma Digitaal Europa. ### Artikel 3.28.4 **1.** Voor subsidie komen in aanmerking de subsidiabele kosten waarvoor de Europese Commissie reeds een bijdrage heeft verstrekt als onderdeel van het programma Digitaal Europa. **2.** Voor subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, komen uitsluitend in aanmerking: a. a. de kosten, die betrekking hebben op een niet-economische activiteit; b. b. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel of industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; c. c. de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie; d. d. de kosten, bedoeld in artikel 27, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en e. e. de kosten bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit komen kosten in aanmerking voor subsidie die door de subsidieontvanger zijn gemaakt vóór indiening van de aanvraag voor subsidie, doch na indiening van de aanvraag voor de bijdrage van de Europese Commissie, indien de Europese Commissie de subsidieontvanger toestemming heeft verleend om het project te starten voordat de bijdrage van de Europese Commissie is vastgesteld. **4.** In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit berekent de aanvrager de subsidiabele kosten overeenkomstig de wijze die is gebruikt bij de aanvraag van de bijdrage van de Europese Commissie. ### Artikel 3.28.5 **1.** De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. **2.** De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Europese Commissie vastgestelde rangschikking. **3.** Indien de Europese Commissie uitsluitend samenwerkingsverbanden heeft gerangschikt, verdeelt de Minister het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de samenwerkingsverbanden, waarbij de aanvragen van de deelnemers van een samenwerkingsverband worden gerangschikt overeenkomstig de rangschikking van dat betreffende samenwerkingsverband. Indien bij deze verdeling een bedrag resteert, wordt dit verdeeld door het te verdelen over de deelnemers in het eerstvolgende gerangschikte samenwerkingsverband via een procentuele verlaging. ### Artikel 3.28.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar. ### Artikel 3.28.7 **1.** De subsidieverlening vindt plaats onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn verbonden aan de bijdrage van de Europese Commissie. **2.** De subsidieverlening voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub vindt plaats onder de voorwaarde dat de Europese digitale-innovatiehub de samenwerkingsplan, bedoeld in artikel 3.28.9, tweede lid, naleeft. ### Artikel 3.28.7a De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, draagt er zorg voor dat bij de levering van diensten aan ondernemingen de voorwaarden van hoofdstuk I en artikelen 25 en 28, van de algemene groepsvrijstellingsverordening worden nageleefd door deze ondernemingen. ### Artikel 3.28.7b De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, verleent, op verzoek van de minister, medewerking in verband met de verplichtingen die zijn opgenomen in hoofdstuk I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en draagt er zorg voor dat hij alle maatregelen neemt om die medewerking te kunnen verlenen. ### Artikel 3.28.8 **1.** Bijdragen van de Europese Commissie op grond van het programma Digitaal Europa blijven buiten beschouwing bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit. **2.** Onverminderd het eerste lid blijven subsidies van bestuursorganen voor een project inzake een Europese digitale-innovatiehub buiten beschouwing bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit. ### Artikel 3.28.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. de gegevens over het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waaronder: 1°. de start- en einddatum; 2°. de totale kosten; 3°. de omvang van de gevraagde subsidie en het samenwerkingsverband; 4°. een omschrijving van de subsidiabele activiteiten; en 5°. indien van toepassing: een voorlopige inschatting op welke wijze de staatssteun wordt gerechtvaardigd door een van de artikelen, bedoeld in artikel 3.28.10, derde lid; 1°. 1°. de start- en einddatum; 2°. 2°. de totale kosten; 3°. 3°. de omvang van de gevraagde subsidie en het samenwerkingsverband; 4°. 4°. een omschrijving van de subsidiabele activiteiten; en 5°. 5°. indien van toepassing: een voorlopige inschatting op welke wijze de staatssteun wordt gerechtvaardigd door een van de artikelen, bedoeld in artikel 3.28.10, derde lid; d. d. gegevens over de door de Europese Commissie verstrekte bijdrage voor het project, waaronder de subsidieovereenkomst; e. e. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Een aanvraag voor subsidie voor het uitvoeren van een project inzake een Europese digitale-innovatiehub bevat, onverminderd het eerste lid, ten minste een samenwerkingsplan tussen de Europese digitale-innovatiehubs die is gericht op effectieve samenwerking voor het bereiken van de doelstellingen van de subsidie en die ten minste: a. a. een samenwerkingsverband tussen de Europese digitale-innovatiehubs opricht; b. b. concrete gezamenlijke doelstellingen bevat; c. c. de afspraak bevat dat uitsluitend een in de overeenkomst aangewezen digitaal administratiesysteem wordt gebruikt voor het beheren van de gegevens over de diensten en van de afnemers van de diensten en voor het bijhouden van de financiële en organisatorische administratie; d. d. afspraken bevat over de uitwisseling van kennis en goede praktijken; e. e. afspraken bevat over hoe de Europese digitale-innovatiehubs elkaars diensten aanprijzen; f. f. de afspraak bevat om meerdere keren per jaar overleg te voeren over de samenwerking; g. g. afspraken bevat over de organisatie van activiteiten met meerdere Europese digitale-innovatiehubs samen. **3.** De aanvraag voor subsidievaststelling bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de Minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie. **4.** Met toepassing van artikel 50, zesde lid, van het besluit wordt de controleverklaring bij de aanvraag voor subsidievaststelling vervangen door een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde voorschriften. **5.** Het eindverslag dat de aanvraag voor subsidievaststelling vergezelt als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, is gelijk aan het eindverslag dat de subsidieontvanger voor het project heeft ingediend bij de Europese Commissie. ### Artikel 3.28.10 **1.** De subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, onderdelen a, d en e tot en met h, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. **2.** De subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, onderdelen b en c, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25, 27 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdelen i tot en met v, voor zover deze wordt verstrekt aan een onderneming, bevat staatssteun die wordt gerechtvaardigd door de artikelen 17, 18, 25, 26, 26 bis, 27, 28, 29 of 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, of de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.28.11 Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 3.29. Opschaling verduurzaamde PPS in het beroepsonderwijs ### Artikel 3.29.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *adviescommissie:* commissie als bedoeld in artikel 3.29.11; - *contextrijke infrastructuur:* inspirerende leer- en werkomgeving om in te leren aangeboden vanuit de verduurzaamde PPS; - *innovatie van de beroepspraktijk:* praktijk waarbij studenten projecten uitvoeren voor en met het bedrijfsleven en die bijdragen aan innovatievraagstukken met als doel om oplossingen aan te dragen die bij ondernemingen kunnen worden geïmplementeerd; - *loonverletkosten:* loonkosten voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever; - *ondernemersvereniging:* vereniging van ondernemers die krachtens haar statuten de gemeenschappelijke belangen behartigt van de aangesloten ondernemers; - *onderwijsinstelling:* instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft; - *project:* project als bedoeld in artikel 3.29.2, waarvoor op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt; - *verduurzaamde PPS:* verduurzaamde publiek-private samenwerking als bedoeld in artikel 3.29.3. ### Artikel 3.29.2 **1.** De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderwijsinstelling die verbonden is aan een verduurzaamde PPS of aan deelnemers van een verduurzaamde PPS voor een project, dat bestaat uit activiteiten die bijdragen aan een betere aansluiting van het onderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt door middel van of door in te zetten op: a. a. versterking van ketens en ecosystemen; b. b. talentontwikkeling van aankomende en huidige werknemers; c. c. een leven lang leren voor werknemers en werkzoekenden; d. d. innovatie van de beroepspraktijk; of e. e. een contextrijke infrastructuur. **2.** Het project is ten minste gericht op klimaat- en energietransitie of digitale transitie. **3.** De Minister verstrekt ambtshalve jaarlijks een voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. **4.** De hoogte van het voorschot bedraagt in het eerste en tweede jaar 27 procent van de maximale hoogte van de subsidie en in het derde en vierde jaar 23 procent. ### Artikel 3.29.3 **1.** Bij de uitvoering van het project werken onderwijsinstellingen en ondernemingen samen in een verduurzaamde PPS, die ten minste bestaat uit: a. a. een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; b. b. een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; c. c. een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs; d. d. twee ondernemersverenigingen die elk ten minste 25 ondernemingen vertegenwoordigen. **2.** De partijen in de verduurzaamde PPS hebben een stevig trackrecord en gezamenlijk een jaarlijks bereik van ten minste: a. a. 100 werknemers; b. b. 500 studenten; en c. c. 30 docenten of onderzoekers. ### Artikel 3.29.4 **1.** De subsidie bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten en is per aanvraag minimaal € 4 miljoen en maximaal € 9 miljoen. **2.** De verhouding subsidie ten opzichte van de totale kosten van het project bedraagt maximaal 42 procent. **3.** Ten minste 33 procent van de totale kosten van het project wordt gedragen door private partijen in de verduurzaamde PPS, niet zijnde de onderwijsinstellingen. ### Artikel 3.29.5 **1.** In afwijking van artikel 3.1.1 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14, van het besluit, voor deze titel € 80. **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de urenbijdrage van alle deelnemers aan het project. ### Artikel 3.29.6 Voor subsidie komen niet in aanmerking: a. a. kosten van reguliere activiteiten van de onderwijsinstelling die op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gefinancierd worden; b. b. kosten voor economische activiteiten; c. c. kosten van een onderneming voor de begeleiding van studenten of werknemers gedurende de beroepspraktijkvorming, beroepsbegeleidende leerweg, duale leerroute of stage en daarbij verstrekte vergoedingen aan studenten; d. d. kosten die een onderneming betaalt aan een onderwijsinstelling voor het afnemen van opleidingsactiviteiten of contractonderzoek; e. e. loonverletkosten. ### Artikel 3.29.7 **1.** De aanvraag om subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager of aanvragers, waaronder het post- en bezoekadres en het rekeningnummer van de aanvrager of aanvragers; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager of aanvragers, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. indien van toepassing: gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres; d. d. een regiovisie; e. e. een nulmeting; f. f. een plan van aanpak; g. g. een begroting; h. h. een samenwerkingsovereenkomst; i. i. een faseplan als bedoeld in artikel 3.29.12; j. j. een schriftelijke adhesiebetuiging van een provincie; en k. k. een publieksvriendelijke samenvatting van het plan van aanpak. **2.** De regiovisie bevat: a. a. een beschrijving van de regio waarop de subsidiabele activiteit is gericht; b. b. een analyse van de kwalitatieve en kwantitatieve vraag van de arbeidsmarkt naar gediplomeerden waar de activiteiten van de verduurzaamde PPS zich op richten; c. c. een overzicht van de relevante partijen in de regio en in de betreffende sector; d. d. een beschrijving van de wijze waarop wordt voortgebouwd op de regionale en sectorale agenda’s ten aanzien van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt die relevant zijn voor de verduurzaamde PPS; en e. e. een beschrijving van de afstemming met andere relevante partijen in de regio en in de betreffende sector die niet deelnemen aan de publiek private samenwerking. **3.** De nulmeting bevat een beschrijving van de situatie bij de startdatum van de uitvoering van de het project. **4.** Het plan van aanpak bevat: a. a. een beschrijving van het project en de daarmee beoogde doelstellingen in relatie tot de analyse uit de regiovisie; b. b. een planning over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd; c. c. de wijze waarop de aanvrager de partijen uit de verduurzaamde PPS betrekt bij de uitvoering van het project; en d. d. de wijze waarop de aanvrager of aanvragers het project na de subsidieperiode structureel inbedt en continueert binnen de verduurzaamde PPS. **5.** De begroting bevat: a. a. een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting; b. b. een overzicht van de financiële bijdrage en overige bijdragen in natura van de partijen uit de verduurzaamde PPS, waarbij voor de gehele projectperiode is aangegeven waaruit die bestaat en hoe deze verdeeld is over de partijen uit het samenwerkingsverband. **6.** De samenwerkingsovereenkomst is door de deelnemende partijen ondertekend en bevat ten minste afspraken over: a. a. de aard en de omvang van de verduurzaamde PPS en de verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden van de deelnemende partijen; b. b. de organisatie van periodiek overleg over de voortgang, financiering, monitoring en evaluatie van het project en de verslaglegging ervan; c. c. een analyse van de risico’s van de verduurzaamde PPS en een beschrijving van de wijze waarop deze potentiële risico’s worden aangepakt; d. d. de wijze waarop de voortgang van de verduurzaamde PPS door het samenwerkingsverband wordt geëvalueerd; e. e. de voortzetting van het samenwerkingsverband na afloop van het project; f. f. dat de partijen op verzoek van de subsidieontvanger meewerken aan rapportages en gegevens aanleveren die daarvoor noodzakelijk zijn. ### Artikel 3.29.8 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. **2.** Met de uitvoering van het project wordt uiterlijk bij aanvang van het school-, leer- of studiejaar 2023–2024 gestart. ### Artikel 3.29.9 De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 3.29.10 **1.** De Minister kent een aanvraag om subsidie een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. de regionale impact, uitgedrukt in procenten, groter is ten opzichte van de bestaande situatie, blijkend uit: 1°. de kwaliteit van de regiovisie, bedoeld in artikel 3.29.7, tweede lid; 2°. de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik voor ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten ten opzichte van de nulmeting; 1°. 1°. de kwaliteit van de regiovisie, bedoeld in artikel 3.29.7, tweede lid; 2°. 2°. de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik voor ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten ten opzichte van de nulmeting; b. b. de samenwerking en het draagvlak geschikter is om de doelen van het project te kunnen behalen, blijkend uit: 1°. de samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld; 2°. het draagvlak voor het project bij interne en externe stakeholders; 1°. 1°. de samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld; 2°. 2°. het draagvlak voor het project bij interne en externe stakeholders; c. c. de kwaliteit van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 3.29.7, vierde lid, groter is, door de inzichtelijkheid van de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het project, blijkend uit: 1°. het trackrecord van de verduurzaamde PPS; 2°. de wijze waarop de projectorganisatie is vormgegeven; 3°. de realiteitszin van doelstellingen en activiteitenplanning; 4°. dat op het niveau van het project aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie; 1°. 1°. het trackrecord van de verduurzaamde PPS; 2°. 2°. de wijze waarop de projectorganisatie is vormgegeven; 3°. 3°. de realiteitszin van doelstellingen en activiteitenplanning; 4°. 4°. dat op het niveau van het project aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie; d. d. de financiële middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, waarbij uit de begroting, bedoeld in artikel 3.29.7, vijfde lid, blijkt dat het project op een zo kostenefficiënt mogelijke manier wordt uitgevoerd; e. e. er voldoende aandacht is voor de verduurzaming van de activiteiten, blijkend uit de wijze waarop invulling is gegeven aan artikel 3.29.7, vierde lid, onderdeel d, en zesde lid, onderdeel e. **2.** De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. De Minister wijst een aanvraag af als niet elk onderdeel ten minste zes punten toegekend heeft gekregen. **3.** De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend. **4.** De criteria, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage 3.29.1 bij deze regeling is gevoegd. ### Artikel 3.29.11 **1.** Er is een adviescommissie die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.29.10. **2.** De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden. **3.** Als de commissie uit een even aantal leden bestaat, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem. **4.** De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar. **5.** De adviescommissie beoordeelt alleen aanvragen die volledig zijn. ### Artikel 3.29.12 **1.** De subsidieontvanger stelt voor elke twee jaar van de looptijd van het plan van aanpak een faseplan op dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten, inclusief het bereik van die activiteiten, die gedurende de desbetreffende jaren worden verricht ter uitvoering van het plan van aanpak, onder vermelding van de desbetreffende kosten. **2.** Het faseplan wordt uiterlijk in mei voor de start van het desbetreffende school-, leer- of studiejaar ingediend. Het faseplan voor de eerste twee jaar wordt bij de aanvraag ingediend. ### Artikel 3.29.13 **1.** De subsidieontvanger dient op een in de beschikking vastgelegde datum een voortgangsrapportage in. **2.** De voortgangsrapportage bevat in ieder geval: a. a. een overzicht van de mate waarin de activiteiten, bedoeld in artikel 3.29.2, zijn gerealiseerd; b. b. een overzicht van het bereikte aantal ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten; c. c. een beschrijving van de mate waarin de activiteiten tot dusver hebben bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen van het project, bedoeld in artikel 3.29.10, eerste lid, onderdeel a, en de voortgang daarvan; d. d. een actualisatie van de wijze waarop de verduurzaamde publiek-private samenwerking wordt voortgezet na afloop van de subsidieperiode. ### Artikel 3.29.14 **1.** De subsidieontvanger voert met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de subsidieontvanger naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verricht. **2.** De activiteiten bevoordelen geen individuele ondernemingen. **3.** De subsidieontvanger maakt alle resultaten van activiteiten voor een ieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk. **4.** De administratie wordt ten minste tien jaar na de datum van de betaling van de Minister aan de subsidieontvanger bewaard. **5.** De verduurzaamde PPS is een open netwerk, inhoudende in ieder geval dat geïnteresseerde partijen in de regio zich, onder transparante en redelijke voorwaarden, bij de verduurzaamde PPS kunnen aansluiten. **6.** De subsidieontvanger verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven. **7.** De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de effecten en resultaten van de subsidiabele activiteit. **8.** De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verleende subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. ### Artikel 3.29.15 Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. a. een omschrijving van de resultaten van het project; b. b. een beschrijving op welke wijze de doelstellingen van het project, bedoeld in artikel 3.29.10, eerste lid, onderdeel a, zijn behaald; c. c. een beschrijving op welke wijze het project heeft bijgedragen aan de doelen op de gebieden, bedoeld in artikel 3.29.2, eerste lid; d. d. een overzicht van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten; e. e. een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.29.14. ### Artikel 3.29.16 Deze regeling bevat geen staatssteun. ### Artikel 3.29.17 Deze titel en bijlage 3.29.1 vervallen met ingang van 1 september 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 3.30. Circular Plastics NL ### Artikel 3.30.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *Circular Plastics NL-project:* samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden en passen binnen een in bijlage 3.30.1 opgenomen onderwerp, waarbij die activiteiten gericht zijn op het bevorderen van recycling van plastic afval dat anders verbrand of gestort zou worden of op een minder milieuvriendelijke wijze verwerkt zou worden; - *Circular Plastics NL-onderzoeksproject:* Circular Plastics NL-project dat gericht is op onderzoek naar of ontwikkeling van processen, methodieken of technieken gericht op het verbeteren van ontwerp van materialen of producten; of gericht op het karakteriseren, sorteren en wassen van plasticafvalstromen of gericht op processen voor omzetting van plasticafvalstromen tot nieuwe grondstoffen om de efficiëntie van de recycling en de kwaliteit van het recyclaat te verhogen; - *Circular Plastics NL-showcase:* Circular Plastics NL-project gericht op het signaleren en wegnemen van knelpunten in een waardeketen van een materiaalstroom in een bepaalde (product)keten; - *CPNL-demonstratieproject:* een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland, eventueel gecombineerd met experimentele ontwikkeling in een andere vorm dan een pilot; - *demonstratieproject:* project als bedoeld in artikel 2, onderdeel 114 bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties:* industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten; - *overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties:* overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; - *overige projectactiviteiten:* activiteiten die bijdragen aan het doel van een Circular Plastics NL-project, bestaande uit brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; - *waardeketen:* opeenvolging van activiteiten waarbij in elke schakel van het proces een waardetoevoegende activiteit plaatsvindt. ### Artikel 3.30.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag aan een deelnemer in een samenwerkingsverband een subsidie voor het uitvoeren van een Circular Plastics NL-project. **2.** Een samenwerkingsverband bevat ten minste één onderneming. ### Artikel 3.30.3 **1.** De subsidie bedraagt voor een Circular Plastics NL-project: a. a. 50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. b. 25% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groesvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; c. c. 40% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een investering ten behoeve van hulpbronnenefficiëntie en een circulaire economie; d. d. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties; e. e. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisatie met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject; f. f. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten, met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject. **2.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, worden verhoogd met: a. a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of b. b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. **3.** De subsidie voor een Circular Plastics NL-project opgenomen in bijlage 3.30.1 bedraagt ten hoogste: a. a. € 1.500.000,– voor een onderzoeksproject; b. b. € 3.000.000,– voor een showcase in een pilotproject; c. c. € 7.500.000,– voor een showcase met een onderdeel investering in een CPNL-demonstratieproject. **4.** Onverminderd het derde en vierde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.30.4 **1.** Circular Plastics NL-showcases in een pilotproject of met een onderdeel investering in een CPNL-demonstratieproject, vallen onder één subsidieplafond. **2.** De Minister verdeelt het subsidieplafond: a. a. voor de groep Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten op volgorde van rangschikking van de aanvragen binnen de hiervoor bedoelde groep; b. b. voor de groep Circular Plastics NL-showcase projecten als bedoeld in het eerste lid op volgorde van rangschikking van de aanvragen binnen de hiervoor bedoelde groep. **3.** Per groep als bedoeld in het tweede lid wordt per onderwerp uit de desbetreffende groep subsidie verstrekt aan de hoogst gerangschikte aanvraag van het betreffende onderwerp. **4.** Indien na de toepassing van het derde lid er binnen de groep Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten of binnen de groep Circular Plastics NL-showcase projecten bedragen overblijven, worden die verdeeld op volgorde van rangschikking van de resterende aanvragen binnen de desbetreffende groep ongeacht het onderwerp. **5.** Indien na de toepassing van het vierde lid bedragen overblijven in één of in beide groepen, worden die, indien van toepassing na optelling van die bedragen, verdeeld op volgorde van rangschikking over de resterende aanvragen ongeacht uit welke groep en ongeacht het onderwerp. ### Artikel 3.30.5 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is 4 jaar voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject en 5 jaar voor een Circular Plastics NL-showcase. ### Artikel 3.30.6 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van artikel 3.30.7, eerste en tweede lid, niet aan elk criterium ten minste drie punten is toegekend. ### Artikel 3.30.7 **1.** De Minister kent een Circular Plastics NL-project een hoger aantal punten toe, naarmate: a. a. het Circular Plastics NL-project meer bijdraagt aan de doelstellingen van de subsidie, opgenomen in bijlage 3.30.1.; b. b. het Circular Plastics NL-project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en het de Nederlandse kennispositie meer versterkt; c. c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is; d. d. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet, het plan voor kennisverspreiding en de projectorganisatie; e. e. de kwaliteit van het samenwerkingsverband beter is. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. **3.** Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, d en e vermenigvuldigd met 20, voor het onderdeel b voor een Circular Plastics NL-showcase vermenigvuldigd met 10 en voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject vermenigvuldigd met 30, voor het onderdeel c voor een Circular Plastics NL-showcase vermenigvuldigd met 30 en voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject vermenigvuldigd met 10, en vervolgens opgeteld. **4.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. ### Artikel 3.30.8 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidieverlening: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres, c. c. een projectomschrijving die de kerngegevens over het Circular Plastics NL-project bevat; d. d. een begroting en financieringsplan waaruit in ieder geval de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren blijkt; e. e. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding en kennisdeling met de Stichting Circular Plastics NL en met partners in het Nationaal Groeifonds programma Circular Plastics NL plaatsvindt; f. f. een formulier waarin de deelnemers de penvoerder machtigen voor het indienen van de aanvraag; g. g. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert; h. h. voor zover het project investeringen voor een demonstratieproject bevat, een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van de Circular Plastics NL-showcase; i. i. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert. **3.** De subsidieontvanger verstrekt de minister gedurende de looptijd van het Circular Plastics NL-project jaarlijks een voortgangsrapportage. **4.** Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling. **5.** Tegelijk met de aanvraag tot subsidievaststelling voor een Circular Plastics NL-project geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag ten minste inzicht in de vervolgstappen die na afloop van het project worden gezet om te komen tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht of ontwikkeld is. ### Artikel 3.30.9 De subsidie, bedoeld in artikel 3.30.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. de artikelen 25 en 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen. ### Artikel 3.30.10 Deze titel en bijlage 3.30.1 vervallen met ingang van 1 september 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 3.31. Circular Batteries ### Artikel 3.31.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *batterij:* een elektrochemisch systeem dat energie opslaat en kan terug leveren als elektrische energie; het betreft alleen secundaire – opnieuw oplaadbare – batterijen, zonder verdere afbakening van hun chemische samenstelling; - *Circular Batteries-project:* samenhangend geheel van activiteiten behorende bij een onderwerp, omschreven in bijlage 3.31.1, waarbij partijen die onderdeel zijn van eenzelfde Circular Batteries-project tezamen de rollen vervullen die benoemd zijn in bijlage 3.31.1; - *NGF-programma MICB:* het Nationaal Groeifondsprogramma Material Independence and Circular Batteries, waaraan door het kabinet op 30 juni 2023 budget is toegekend, dan wel waarvoor budget is gereserveerd, zoals opgenomen in Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 812; - *niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties:* industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten; - *overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties:* overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit de brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; - *overige projectactiviteiten:* activiteiten die bijdragen aan het doel van een Circular Batteries-project, niet zijnde fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie. ### Artikel 3.31.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag aan een deelnemer in een samenwerkingsverband een subsidie voor het uitvoeren van een Circular Batteries-project. **2.** Een samenwerkingsverband bestaat uit: a. a. subsidieontvangers die activiteiten voor een project uitvoeren; of b. b. een subsidieontvanger of subsidieontvangers als bedoeld in onderdeel a, en partijen: 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico, activiteiten voor een project uitvoeren; of 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project. 1°. 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico, activiteiten voor een project uitvoeren; of 2°. 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project. **3.** Een samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat ten minste: a. a. één onderzoeksorganisatie en één onderneming; of b. b. twee ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn. ### Artikel 3.31.3 **1.** De subsidie bedraagt voor een Circular Batteries-project: a. a. voor zover de activiteiten worden uitgevoerd door een onderneming: 1°. 50 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; 2°. 25 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 3°. 100 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten; 1°. 1°. 50 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; 2°. 2°. 25 procent van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; 3°. 3°. 100 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten; b. b. 80 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties; c. c. 100 procent van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten of op overige projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties. **2.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, worden verhoogd met: a. a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; b. b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; c. c. 15 procentpunten, indien het Circular Batteries-project daadwerkelijke samenwerking behelst tussen een onderneming en één of meer onderzoeksorganisaties, waarbij deze organisaties ten minste 10 procent van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; met dien verstande dat de percentages niet meer bedragen dan 80 procent van de subsidiabele kosten. **3.** De subsidie voor een Circular Batteries-project bedraagt ten hoogste het bedrag van het subsidieplafond dat geldt voor het onderwerp waaronder het project valt. **4.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband per Circular Batteries-project meer bedraagt dan het maximum subsidiebedrag, bedoeld in het derde lid, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. **5.** De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten minste € 125.000. **6.** De subsidie voor overige projectactiviteiten bedraagt ten hoogste 5 procent van de totale subsidiabele kosten van het Circular Batteries-project, en niet meer dan € 300.000 per deelnemer van een samenwerkingsverband. **7.** Onverminderd het zesde lid, bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar. ### Artikel 3.31.4 **1.** Voor projectactiviteiten die bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor subsidie in aanmerking, voor zover de activiteiten nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten. **2.** Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten voor activiteiten, voor zover eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor soortgelijke activiteiten. ### Artikel 3.31.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen per onderwerp opgenomen in bijlage 3.31.1. ### Artikel 3.31.6 **1.** Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. ### Artikel 3.31.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. a. de aanvrager voornemens is het eigen aandeel in de projectkosten te financieren uit het deel van de aangevraagde subsidie voor subsidiabele kosten, waarvoor het uurtarief, bedoeld in artikel 3.1.1, wordt gehanteerd; b. b. de kwaliteit van Circular Batteries-project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; c. c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij onvoldoende is, waarbij onder de Nederlandse markt en maatschappij ook wordt verstaan de markt en maatschappij van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; d. d. sprake is van activiteiten die vallen onder artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en er onvoldoende sprake is van vernieuwing, blijkende uit een vernieuwende technologie of een vernieuwende toepassing van een bestaande technologie; e. e. het plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, van onvoldoende kwaliteit is. ### Artikel 3.31.8 **1.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie in het kader van het NGF-programma MICB van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in artikel 3.31.2, eerste lid, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. **2.** De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. **3.** De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het Circular Batteries-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het Circular Batteries-project worden opgedaan. **4.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het Circular Batteries-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. **5.** Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het Circular Batteries-project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken. **6.** Voor elk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.31.2, tweede lid, dient een samenwerkingsovereenkomst te worden overlegd aan de minister. ### Artikel 3.31.9 **1.** Een aanvraag om subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een projectplan met de kerngegevens over het Circular Batteries-project; d. d. een begroting en een mijlpalenbegroting, waarin een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie, de verwachte kosten en opbrengsten van de activiteiten per mijlpaal; 2°. de kosten en de financiële bijdrage per deelnemer; 3°. andere inkomsten, waaronder subsidies uit anderen hoofde, waarmee de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, worden gefinancierd en waarin een financieringsplan is opgenomen waaruit in ieder geval de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren blijkt; 1°. 1°. de omvang van de gevraagde subsidie, de verwachte kosten en opbrengsten van de activiteiten per mijlpaal; 2°. 2°. de kosten en de financiële bijdrage per deelnemer; 3°. 3°. andere inkomsten, waaronder subsidies uit anderen hoofde, waarmee de activiteiten waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, worden gefinancierd en waarin een financieringsplan is opgenomen waaruit in ieder geval de wijze waarop de deelnemers in het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren blijkt; e. e. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt; f. f. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, een verklaring de-minimissteun van elke onderneming van het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert. **2.** Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. a. een omschrijving van de activiteiten en een mijlpalenplanning en een omschrijving van de activiteiten en een mijlpalenplanning per deelnemer; b. b. een beschrijving van de deelnemers, waaronder de kennis, ervaring en capaciteiten van henzelf en van andere bij de uitvoering van de activiteiten betrokken partijen, voor zover die relevant is om de kwaliteit van de deelnemers te kunnen beoordelen. ### Artikel 3.31.10 De subsidie, bedoeld in artikel 3.31.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen. ### Artikel 3.31.11 Deze titel en bijlage 3.31.1 vervallen met ingang van 8 november 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 3.32. Biobased circular: testen van circulaire biopolyesters ### Artikel 3.32.1 In deze titel wordt verstaan onder: a. *BioBased Circular-testproject:* een project, dat bestaat uit het voorbereiden en uitvoeren van een praktijktest gericht op het onderzoeken van: a. de bioraffinage van suikers uit een of meerdere biogrondstoffen, voor omzetting in bouwstenen voor bestaande of nieuwe biogebaseerde polyesters; b. processen voor de productie van biogebaseerde polyesters uit bouwstenen als bedoeld in onderdeel a; c. de eigenschappen en prestaties van de biogebaseerde polyesters voor een beoogde verwerkingsmethode of toepassing in producten; d. de functionele, technische aspecten of de marktacceptatie van een eigen product gemaakt van biogebaseerde polyesters; of e. de mate waarin producten gemaakt van biogebaseerde polyesters recyclebaar of bioafbreekbaar zijn; a. a. de bioraffinage van suikers uit een of meerdere biogrondstoffen, voor omzetting in bouwstenen voor bestaande of nieuwe biogebaseerde polyesters; b. b. processen voor de productie van biogebaseerde polyesters uit bouwstenen als bedoeld in onderdeel a; c. c. de eigenschappen en prestaties van de biogebaseerde polyesters voor een beoogde verwerkingsmethode of toepassing in producten; d. d. de functionele, technische aspecten of de marktacceptatie van een eigen product gemaakt van biogebaseerde polyesters; of e. e. de mate waarin producten gemaakt van biogebaseerde polyesters recyclebaar of bioafbreekbaar zijn; - *biogebaseerde polyesters:* polyester kunststoffen gemaakt uit biogrondstoffen, waaronder bioPET, PEF, PLA, PHA en polyesterharsen en coatings; - *biogrondstoffen:* grondstoffen van plantaardige, dierlijke of microbiologische herkomst. ### Artikel 3.32.2 Subsidie op grond van deze titel kan worden aangevraagd door een onderneming actief in een circulaire waardeketen voor het uitvoeren van een BioBased Circular-testproject. ### Artikel 3.32.3 **1.** De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten. **2.** De subsidie bedraagt ten hoogste € 25.000. ### Artikel 3.32.4 **1.** Voor de subsidie komen in aanmerking de kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van een BioBased Circular-testproject. **2.** Voor de subsidie komen niet in aanmerking: a. a. kosten voor marketing- en salesactiviteiten; b. b. kosten van opleidingen. **3.** In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het besluit worden de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.32.2, berekend overeenkomstig artikel 14 van het besluit. ### Artikel 3.32.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 3.32.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is één jaar. ### Artikel 3.32.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. het BioBased Circular-testproject voor meer dan 50% van de subsidiabele kosten betrekking heeft op bureauonderzoek; b. b. op grond van deze titel in dezelfde openstellingsperiode reeds tweemaal subsidie is verleend aan de subsidieaanvrager; c. c. aan de subsidieaanvrager voor hetzelfde project subsidie is verleend op grond van de Tijdelijke subsidieregeling omschakeling naar verwerking circulaire plastics; d. d. aan de subsidieaanvrager of aan een onderneming in dezelfde groep voor hetzelfde project subsidie is verleend op grond van deze titel. ### Artikel 3.32.8 **1.** Indien de subsidieontvanger opdrachten verleent aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, vindt dit plaats op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven. **2.** De subsidieontvanger neemt de resultaten van het BioBased Circular-testproject op in een testverslag. **3.** Het testverslag bevat ten minste de volgende gegevens: a. a. projecttitel en projectperiode; b. b. datum uitvoering van de praktijktest; c. c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde praktijktest inclusief resultaten, inzichten en conclusie; d. d. beeldmateriaal waaruit blijkt dat de praktijktest is uitgevoerd. **3.** Het testverslag bedoeld in het tweede lid, blijft beschikbaar gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. ### Artikel 3.32.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres van de subsidieaanvrager, het rekeningnummer van de subsidieaanvrager en het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de functie, de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. **2.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een projectplan; b. b. een begroting; c. c. een of meerdere op de datum van de subsidieaanvraag geldige offertes die betrekking hebben op de kosten van het BioBased Circular-testproject, indien de subsidieontvanger opdrachten verleent aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan. **3.** Het projectplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in ieder geval de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de doelstellingen van het project, de start- en einddatum van het project en een beschrijving van de projectorganisatie. **4.** De begroting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat ten minste een overzicht van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten en de omvang van de gevraagde subsidie. ### Artikel 3.32.10 **1.** De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. **2.** De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht en de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. ### Artikel 3.32.11 Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 3.32.12 Deze titel vervalt met ingang van 15 februari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ## Hoofdstuk 4. Energie en klimaat ### Titel 4.1. Algemene bepalingen ### Artikel 4.1.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - *milieubescherming:* milieubescherming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 101, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties:* fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten; - *ondernemer in de landbouwsector:* ondernemer die activiteiten verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de bosbouwsector; a. *onderzoeksorganisatie:* organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader, bestaande uit: a. onder a, b, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs; b. andere dan onder subonderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk meerjarig door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; c. geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel a; of d. geheel of gedeeltelijk door een andere staat meerjarig gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel b. a. a. onder a, b, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs; b. b. andere dan onder subonderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk meerjarig door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; c. c. geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel a; of d. d. geheel of gedeeltelijk door een andere staat meerjarig gefinancierde onderzoeksorganisatie die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld onder subonderdeel b. ### Artikel 4.1.2 Vervallen ### Artikel 4.1.3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60. ### Titel 4.2. Topsector energieprojecten #### Paragraaf 4.2.1. Algemene bepalingen ### Artikel 4.2.1 **1.** Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten: a. a. subsidies op grond van: 1°. het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie; 2°. de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid of de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid; 1°. 1°. het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie; 2°. 2°. de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid of de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid; b. b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van: 1°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347); 2°. verordening (EU) 2019/856 van de Europese commissie van 26 februari 2019 houdende aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds (PbEU 2019, L 140/6); 3°. verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013; 1°. 1°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014 2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347); 2°. 2°. verordening (EU) 2019/856 van de Europese commissie van 26 februari 2019 houdende aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds (PbEU 2019, L 140/6); 3°. 3°. verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013; c. c. bijdragen van een managementautoriteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies die worden gefinancierd door de Europese Unie overeenkomstig de artikelen 92 bis en 92 ter van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013, L347). **2.** Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. ### Artikel 4.2.1a De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie op grond van deze titel, indien de aanvrager voornemens is het eigen aandeel in de projectkosten te financieren uit het deel van de aangevraagde subsidie voor subsidiabele kosten, waarvoor het uurtarief, bedoeld in artikel 4.1.3, wordt gehanteerd. ### Artikel 4.2.2 **1.** Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de verlening. **2.** Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. **3.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. **4.** Iedere publicatie door of met medewerking van de deelnemers in het project of hun medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, en voor zover van toepassing het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. ### Artikel 4.2.3 **1.** Een aanvraag om subsidie op grond van deze titel bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie op grond van deze titel ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over het project; d. d. informatie over de wijze waarop de aanvrager en indien van toepassing de deelnemers van een samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren; e. e. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is, inclusief een ingevuld door de minister beschikbaar gesteld beslisschema, tenzij de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is. **3.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling; d. d. indien de omvang van de vast te stellen subsidie € 25.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, waarin de subsidieontvanger aangeeft: 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. 1°. 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; 2°. 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. ### Artikel 4.2.4 De artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit zijn niet van toepassing op de subsidiabele kosten voor investeringen als bedoeld in de artikelen 26bis, 36, 38, 38bis, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarvoor op grond van deze titel subsidie wordt verleend. ### Artikel 4.2.5 **1.** Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het in de relevante paragraaf van deze titel genoemde maximum subsidiebedrag per project, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. **2.** Een samenwerkingsverband bestaat uit: a. a. subsidieontvangers die activiteiten voor een project uitvoeren, of b. b. een subsidieontvanger of subsidieontvangers, bedoeld in onderdeel a, en partijen: 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico activiteiten voor een project uitvoeren, of 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project. 1°. 1°. niet-zijnde subsidieontvangers, die voor eigen rekening en risico activiteiten voor een project uitvoeren, of 2°. 2°. niet-zijnde subsidieontvangers en niet-zijnde financiers, die voor eigen rekening en risico een bijdrage leveren aan de financiering van een project. ### Artikel 4.2.6 In afwijking van artikel 4.1.3 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14 van het besluit, voor de toepassing van deze titel € 80. ### Artikel 4.2.7 **1.** De paragrafen 4.2.2, 4.2.7, 4.2.10, 4.2.17 en 4.2.18, en de bijlagen 4.2.1, 4.2.6, 4.2.9 en 4.2.16, vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. **2.** Paragraaf 4.2.19 en bijlage 4.2.18 vervallen met ingang van 1 april 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die tijd zijn verleend. #### Paragraaf 4.2.2. Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) ### Artikel 4.2.8 In deze paragraaf wordt verstaan onder EKOO-project: project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, en niet primair uit een pilot of demonstratie. ### Artikel 4.2.9 **1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een EKOO-project dat past binnen één of meer innovatiethema’s van de onderdelen, opgenomen in bijlage 4.2.1. **2.** Een samenwerkingsverband bevat ten minste één onderneming. ### Artikel 4.2.10 **1.** De subsidie bedraagt voor een EKOO-project: a. a. voor zover dit betrekking heeft op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming: 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming; 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; 1°. 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming; 2°. 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; 3°. 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; b. b. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties. **2.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden verlaagd met 15 procentpunten indien niet voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De subsidie bedraagt ten hoogste: a. a. € 500.000 per EKOO-project dat past binnen onderdeel B of D, opgenomen in bijlage 4.2.1; b. b. € 750.000 per EKOO-project dat past binnen onderdeel A of C, opgenomen in bijlage 4.2.1. **4.** Onverminderd het derde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening maximaal € 300.000 over een periode van drie jaar. **5.** Onverminderd artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn de kosten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel, voor zover die betrekking hebben op activiteiten die nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten. ### Artikel 4.2.11 De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 4.2.12 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. **2.** In afwijking van het eerste lid is de termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit twee jaar voor EKOO-projecten die passen binnen Onderdeel D. Circulaire Economie, Innovatiethema 1. Circulaire economie anders dan circulaire plastics of biobased circular of Innovatiethema 2. Circulaire Plastics, opgenomen in bijlage 4.2.1. ### Artikel 4.2.13 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. na toepassing van artikel 4.2.14, eerste lid, minder dan 3 punten per criterium zijn toegekend; b. b. eerder op grond van deze titel een subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project. ### Artikel 4.2.14 **1.** De minister kent aan een EKOO-project een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. het EKOO-project meer bijdraagt aan de doelstelling van de subsidie, opgenomen in bijlage 4.2.1; b. b. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is; c. c. het EKOO-project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; d. d. de kwaliteit van het EKOO-project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. **3.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het EKOO-project zijn toegekend. **4.** Geen subsidie wordt verleend voor een EKOO-project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk EKOO-project. ### Artikel 4.2.14a Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft. ### Artikel 4.2.14b De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.9, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. #### Paragraaf 4.2.3. Hernieuwbare energietransitie (HER+) ### Artikel 4.2.15 Vervallen ### Artikel 4.2.16 Vervallen ### Artikel 4.2.17 Vervallen ### Artikel 4.2.18 Vervallen ### Artikel 4.2.19 Vervallen ### Artikel 4.2.20 Vervallen ### Artikel 4.2.21 Vervallen #### Paragraaf 4.2.4. Samenwerken Topsector Energie en Maatschappij ### Artikel 4.2.22 Vervallen ### Artikel 4.2.23 Vervallen ### Artikel 4.2.24 Vervallen ### Artikel 4.2.25 Vervallen ### Artikel 4.2.26 Vervallen ### Artikel 4.2.27 Vervallen ### Artikel 4.2.28 Vervallen ### Artikel 4.2.28a Vervallen #### Paragraaf 4.2.5. Carbon capture, utilisation and storage (CCUS) ### Artikel 4.2.29 Vervallen ### Artikel 4.2.30 Vervallen ### Artikel 4.2.31 Vervallen ### Artikel 4.2.32 Vervallen ### Artikel 4.2.33 Vervallen ### Artikel 4.2.34 Vervallen ### Artikel 4.2.35 Vervallen ### Artikel 4.2.35a Vervallen #### Paragraaf 4.2.6. Upstream Gas ### Artikel 4.2.36 Vervallen ### Artikel 4.2.37 Vervallen ### Artikel 4.2.38 Vervallen ### Artikel 4.2.39 Vervallen ### Artikel 4.2.40 Vervallen ### Artikel 4.2.41 Vervallen ### Artikel 4.2.42 Vervallen ### Artikel 4.2.42a Vervallen #### Paragraaf 4.2.7. Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) ### Artikel 4.2.43 In deze paragraaf wordt verstaan onder: - *MOOI-missie:* MOOI-missie Elektriciteit, MOOI-missie Gebouwde omgeving, MOOI-missie Industrie of MOOI-missie Systeemintegratie, opgenomen in bijlage 4.2.6; a. *MOOI-project:* samenhangend geheel van activiteiten bestaande uit: a. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, niet primair een pilot zijnde; of b. overige projectactiviteiten; a. a. industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, niet primair een pilot zijnde; of b. b. overige projectactiviteiten; - *overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties:* overige projectactiviteiten, onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bestaande uit de brede verspreiding van onderzoeksresultaten op een niet-exclusieve en niet-discriminerende basis; - *overige projectactiviteiten:* activiteiten die bijdragen aan het doel van een MOOI-project, niet zijnde fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een haalbaarheidsstudie; - *vooraanmelding:* vooraanmelding als bedoeld in artikel 21 van het besluit, die betrekking heeft op ten hoogste één subsidieaanvraag. ### Artikel 4.2.44 **1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een MOOI-project dat past binnen in elk geval één van de innovatiethema’s behorende bij één van de MOOI-missies. **2.** Een samenwerkingsverband bevat ten minste drie ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn, en die voor zover het gaat om overige projectactiviteiten niet actief zijn in: a. a. de sector visserij en aquacultuur; b. b. de primaire productie van landbouwproducten; of c. c. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening. **3.** In afwijking van het tweede lid, bevat een samenwerkingsverband ten minste twee ondernemingen die niet met elkaar in een groep verbonden zijn, indien het een MOOI-project binnen de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5, betreft. ### Artikel 4.2.45 **1.** De subsidie bedraagt voor een MOOI-project: a. a. voor zover deze betrekking heeft op industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of overige projectactiviteiten die uitgevoerd worden door een onderneming: 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming; 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; 1°. 1°. 40% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een grote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de grote onderneming; 2°. 2°. 50% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; 3°. 3°. 60% van de subsidiabele kosten indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming; b. b. 80% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten of op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties. **2.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden verlaagd met 15 procentpunten indien niet voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, aanhef en eerste of tweede streepje van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De subsidie bedraagt: a. a. ten minste € 25.000 per deelnemer in het samenwerkingsverband; en b. b. ten hoogste € 4.000.000 per MOOI-project. **4.** Onverminderd het derde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar. **5.** De subsidie voor overige projectactiviteiten bedraagt ten hoogste 5% van de totale subsidiabele kosten van het MOOI-project, en niet meer dan € 350.000 per MOOI-project. **6.** Onverminderd het vijfde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste € 300.000 over een periode van drie jaar. ### Artikel 4.2.46 **1.** Voor projectactiviteiten die bestaan uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor subsidie in aanmerking, voor zover de activiteiten nieuw, creatief, onzeker en systematisch zijn en leiden tot overdraagbare en reproduceerbare resultaten. **2.** Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten voor activiteiten, voor zover eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor soortgelijke activiteiten. ### Artikel 4.2.47 **1.** De minister verdeelt de subsidieplafonds van de MOOI-missies, op volgorde van rangschikking van de aanvragen. **2.** De resterende bedragen van de subsidieplafonds van de MOOI-missies, met uitzondering van de MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5, en MOOI-missie Koolstofverwijdering, die onvoldoende zijn om subsidie te verlenen aan het eerstvolgende MOOI-project in de rangschikking binnen de betreffende MOOI-missie, worden bij elkaar opgeteld. Het totale resterende bedrag wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van alle resterende MOOI-projecten binnen de MOOI-missies waarvan de resterende bedragen zijn opgeteld, waarbij per MOOI-missie voor maximaal één MOOI-project subsidie wordt verleend. ### Artikel 4.2.48 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. ### Artikel 4.2.49 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. een vooraanmelding niet uiterlijk is ingediend op: 1°. 17 april 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Systeemintegratie; 2°. 1 oktober 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5; of 3°. 16 april 2026 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 1, 2, 3 of 4, MOOI-missie Gebouwde Omgeving, MOOI-missie Industrie, innovatiethema 1 of 2, of MOOI-missie Koolstofverwijdering; 1°. 1°. 17 april 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Systeemintegratie; 2°. 2°. 1 oktober 2025 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 5; of 3°. 3°. 16 april 2026 vóór 17.00 uur voor de MOOI-missie Elektriciteit, innovatiethema 1, 2, 3 of 4, MOOI-missie Gebouwde Omgeving, MOOI-missie Industrie, innovatiethema 1 of 2, of MOOI-missie Koolstofverwijdering; b. b. na toepassing van artikel 4.2.49a, eerste en tweede lid, minder dan 6 punten per criterium zijn toegekend; c. c. in geval aan een samenwerkingsverband één of meer onderzoeksorganisaties deelnemen, de subsidiabele kosten voor meer dan 50 procent door de onderzoeksorganisatie of de onderzoeksorganisaties gezamenlijk worden gemaakt; d. d. de subsidiabele kosten minder dan € 2.000.000 bedragen; e. e. de aanvraag voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, activiteiten bevat die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; 1°. 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; f. f. het MOOI-project betrekking heeft op MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, opgenomen in bijlage 4.2.6, en slechts binnen één van de subthema’s daarvan past; g. g. het MOOI-project betrekking heeft op eerste generatie biogrondstoffen uit bestaande gewassen, passend binnen MOOI-missie Industrie, innovatiethema 3, subthema 3c, opgenomen in bijlage 4.2.6, en lager is gerangschikt dan een ander MOOI-project dat hier ook betrekking op heeft. ### Artikel 4.2.49a **1.** De minister kent aan een MOOI-project een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. het MOOI-project meer bijdraagt aan de doelstellingen van de subsidie, opgenomen in bijlage 4.2.6; b. b. het MOOI-project vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek en de Nederlandse kennispositie meer versterkt; c. c. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij groter is; d. d. de kwaliteit van het MOOI-project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; e. e. de kwaliteit van het samenwerkingsverband beter is, blijkend uit de samenstelling en de projectorganisatie. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe. **3.** Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en e, per criterium vermenigvuldigd met 22,5, voor de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d, per criterium vermenigvuldigd met 16,25, en vervolgens opgeteld. **4.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het MOOI-project zijn toegekend. **5.** Geen subsidie wordt verleend voor een MOOI-project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk MOOI-project. ### Artikel 4.2.49b **1.** Er is een Adviescommissie MOOI die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de vooraanmelding en de aanvraag om subsidie ten aanzien van de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 23, aanhef en onderdelen d en e, van het besluit, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 4.2.49a. **2.** De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste veertig leden. **3.** De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. ### Artikel 4.2.49c **1.** De vooraanmelding, bedoeld in artikel 4.2.49, onderdeel a, bevat ten minste een beknopte omschrijving van het beoogde MOOI-project waarin de volgende informatie wordt verstrekt: a. a. het innovatiethema of de innovatiethema’s behorende bij de MOOI-missie of MOOI-missies, opgenomen in bijlage 4.2.6, waaraan het MOOI-project invulling beoogt te geven en de wijze waarop deze invulling wordt gegeven; b. b. de met het MOOI-project beoogde resultaten; c. c. de beoogde uitvoerende partijen van het MOOI-project; d. d. de verwachte totale kosten van het MOOI-project; e. e. het subsidiebedrag dat naar verwachting nodig is om het MOOI-project te kunnen uitvoeren. **2.** Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie: a. a. gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op het percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 4.2.45, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° of 3°; b. b. een verklaring de-minimissteun: 1°. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert; 2°. indien de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema; 1°. 1°. voor zover het overige projectactiviteiten betreft die worden uitgevoerd door ondernemingen, van elke onderneming in het samenwerkingsverband die deze activiteiten uitvoert; 2°. 2°. indien de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema; c. c. het advies dat de adviescommissie MOOI op basis van de vooraanmelding heeft uitgebracht; d. d. een projectomschrijving van het MOOI-project dat ten minste de mijlpalen en beslismomenten over de doorgang van het MOOI-project bevat, inclusief meetbare indicatoren; e. e. een financieringsplan; f. f. een beknopte beschrijving van de kennis, ervaring en capaciteiten van de bij de uitvoering van het MOOI-project betrokken personen, die relevant is om de kwaliteit van het samenwerkingsverband te kunnen beoordelen; g. g. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt; h. h. bewijsstukken waaruit de inbreng van alle afzonderlijke deelnemers in een samenwerkingsverband voor de uitvoering van het desbetreffende MOOI-project volgt; i. i. indien het een aanvraag om subsidie voor een MOOI-project binnen MOOI-missie Systeemintegratie, opgenomen in bijlage 4.2.6, betreft dat geen betrekking heeft op alle innovatiethema’s van die missie, een onderbouwing dat het project in elk geval geen nadelige gevolgen heeft voor het andere innovatiethema of de andere innovatiethema’s van die missie waarop het project geen betrekking heeft. ### Artikel 4.2.49d Onverminderd artikel 4.2.2, tweede en derde lid, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het MOOI-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het MOOI-project worden opgedaan. ### Artikel 4.2.49e De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.44, eerste lid, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling; b. b. de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor de overige projectactiviteiten die worden uitgevoerd door ondernemingen of indien de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. #### Paragraaf 4.2.8. Waterstof ### Artikel 4.2.50 Vervallen ### Artikel 4.2.51 Vervallen ### Artikel 4.2.52 Vervallen ### Artikel 4.2.53 Vervallen ### Artikel 4.2.54 Vervallen ### Artikel 4.2.55 Vervallen ### Artikel 4.2.56 Vervallen ### Artikel 4.2.56a Vervallen #### Paragraaf 4.2.9. TSE Gebouwde omgeving ### Artikel 4.2.57 Vervallen ### Artikel 4.2.58 Vervallen ### Artikel 4.2.59 Vervallen ### Artikel 4.2.60 Vervallen ### Artikel 4.2.61 Vervallen ### Artikel 4.2.62 Vervallen ### Artikel 4.2.63 Vervallen ### Artikel 4.2.63a Vervallen ### Artikel 4.2.63b Vervallen #### Paragraaf 4.2.10. Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+) ### Artikel 4.2.64 In deze paragraaf wordt verstaan onder: - *afval:* afval als bedoeld in artikel 2, onderdeel 128 ter, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *andere producten, materialen of stoffen:* andere producten, materialen of stoffen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 128 octies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *biogene grondstoffen:* grondstoffen als bedoeld in artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b; - *CO2:* CO_2 of CO_2 equivalent; - *CO2-equivalent:* de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.2.9, onderdeel A, eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO_2; - *DEI+-pilot:* een project bestaande uit experimentele ontwikkeling waarbij een experimenteel prototype product, procedé of dienst wordt getest in een omgeving die representatief is voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan; a. *DEI+-project:* a. een DEI+-demonstratieproject; b. een DEI+-pilot; of c. een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject; a. a. een DEI+-demonstratieproject; b. b. een DEI+-pilot; of c. c. een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject; - *DEI+-demonstratieproject:* een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland, eventueel gecombineerd met experimentele ontwikkeling in een andere vorm dan een pilot of met demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties als bedoeld in thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B; - *DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject:* een project dat is gericht op het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *elektrolyser:* een installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse van water; - *hernieuwbare waterstof:* waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *meetprotocol:* document waarin de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden waterstof die een elektrolyser opwekt en de hoeveelheid elektriciteit die een elektrolyser verbruikt, beschreven zijn; - *meetrapport:* rapport dat alle meetgegevens van het desbetreffende kalenderjaar bevat; - *meetverantwoordelijke partij:* meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; - *NTA 8003:2017:* de Nederlands Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassingen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017; a. *productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit:* een of meerdere productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie: a. waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit ten behoeve van een op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit aangesloten elektrolyser; b. van een andere producent dan de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten en waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit; of c. van de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten; a. a. waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit ten behoeve van een op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit aangesloten elektrolyser; b. b. van een andere producent dan de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten en waarvoor overeenkomsten worden of zijn gesloten voor afname van elektriciteit; of c. c. van de subsidieaanvrager of subsidieontvanger waarop een elektrolyser met een directe lijn wordt of is aangesloten; - *Richtlijn hernieuwbare energie:* Richtlijn 2018/2001/EU van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L328); - *transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit:* transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet. ### Artikel 4.2.65 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een DEI+-project dat past binnen in elk geval één van de in bijlage 4.2.9, onderdeel B, opgenomen thema’s, en dat betrekking heeft op: a. a. experimentele ontwikkeling in overeenstemming met artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, die vernieuwend is en gericht op een experimenteel prototype product, procedé of dienst die of dat met de bestaande kennis en methoden niet kan worden ontwikkeld, waarvoor risico’s en onzekerheden bestaan over het te behalen resultaat en de daarvoor benodigde kosten of tijd, waarvan de uitvoering systematisch is en de opgedane kennis en resultaten overdraagbaar en reproduceerbaar zijn; b. b. het bouwen en upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur in overeenstemming met artikel 26bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. milieubescherming in overeenstemming met artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, in overeenstemming met artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; g. g. energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling in overeenstemming met artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; h. h. circulaire economie in overeenstemming met artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of i. i. lokale infrastructuur in overeenstemming met artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Subsidie voor het uitvoeren van een DEI+-project kan worden verstrekt aan: a. a. een onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren; b. b. een deelnemer in een samenwerkingsverband. **3.** Een samenwerkingsverband dat een DEI+-project uitvoert, bevat ten minste één onderneming. **4.** In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het besluit kan ook subsidie worden verstrekt aan: a. a. een onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren; b. b. een deelnemer in een samenwerkingsverband; die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. ### Artikel 4.2.66 **1.** De subsidie voor een DEI+-demonstratieproject bedraagt: a. a. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op experimentele ontwikkeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, tenzij deze niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, dan bedraagt de subsidie 80% van de subsidiabele kosten; b. b. ten aanzien van een investering voor milieubescherming, niet zijnde een investering met betrekking tot afvang, transport, hergebruik of opslag van CO_2: 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft; 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1°. 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft; 2°. 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. ten aanzien van een investering voor milieubescherming met betrekking tot afvang, transport, hergebruik of opslag van CO_2: 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1°. 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. ten aanzien van een investering in energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen: 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1°. 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 38bis, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. 45% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in de productie van hernieuwbare energiebronnen of hernieuwbare waterstof, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; g. g. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, niet zijnde een investering als bedoeld in onderdeel f, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; h. h. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; i. i. 40% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ten behoeve van een circulaire economie, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; j. j. 50% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in lokale infrastructuurvoorziening, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, maar niet meer dan het verschil tussen de subsidiabele kosten en de exploitatiewinst van de investering of maximaal € 11.000.000 indien dat lager is dan het verschil; k. k. 25% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op randvoorwaardelijke innovaties als bedoeld in thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, tot maximaal € 300.000 voor een onderneming die deze innovaties zelfstandig uitvoert of per deelnemer in een samenwerkingsverband over een periode van drie jaar. **2.** De subsidie voor een DEI+-pilotproject bedraagt 25% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, tenzij deze niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, dan bedraagt de subsidie 80% van de subsidiabele kosten. **3.** De subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject bedraagt 25% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 26bis, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **4.** De in het eerste lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1°, c, subonderdeel 1°, d subonderdeel 1°, e tot en met k, tweede en derde lid genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, en de in het eerste lid, onderdelen b, subonderdeel 2°, c, subonderdeel 2°, d, subonderdeel 2°, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. **5.** De in het eerste lid, onderdelen a, b, subonderdeel 1°, c, subonderdeel 1°, d, subonderdeel 1°, e tot en met k, tweede en derde lid genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, en de in het eerste lid, onderdelen b, subonderdeel 2°, c, subonderdeel 2°, d, subonderdeel 2°, genoemde percentages worden met 5 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming. **6.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, betreffen de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in een productie-installatie ten behoeve van uitsluitend de productie van hernieuwbare energiebronnen, die past binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B: a. a. de totale investeringskosten, indien ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen; b. b. het deel van de totale investeringskosten dat gelijk staat aan het deel van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen dat afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen, indien minder dan 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen. **7.** In afwijking van het eerste lid, onderdelen f en i, bedraagt de subsidie voor een DEI+-demonstratieproject dat betrekking heeft op een investering in een productie-installatie ten behoeve van zowel de productie van hernieuwbare energiebronnen als een circulaire economie, dat past binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, 40% van de subsidiabele kosten die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **8.** De subsidie bedraagt maximaal: a. a. € 30.000.000 per DEI+-demonstratieproject; b. b. € 25.000.000 per DEI+-pilot; c. c. € 25.000.000 per DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject. **9.** In afwijking van het achtste lid, bedraagt de subsidie maximaal: a. a. € 10.000.000 per DEI+-demonstratieproject dat past binnen subthema 2.5.2 Biobased Circular, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B; b. b. € 1.000.000 per DEI+-pilot die past binnen subthema 2.5.2 Biobased Circular, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B; c. c. € 1.000.000 per DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B. ### Artikel 4.2.67 De minister verdeelt het subsidieplafond per thema, zoals beschreven in bijlage 4.2.9, onderdeel B, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 4.2.68 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. ### Artikel 4.2.69 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. de kwaliteit van het DEI+-project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; b. b. de slaagkans van de innovatie in de Nederlandse markt en maatschappij onvoldoende is, waarbij onder de Nederlandse markt en maatschappij ook wordt verstaan de markt en maatschappij van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, tenzij het een aanvraag om subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject betreft; c. c. er onvoldoende sprake is van vernieuwing, blijkende uit een vernieuwende technologie of een vernieuwende toepassing van een bestaande technologie, tenzij het een aanvraag om subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject betreft; d. d. onvoldoende aannemelijk is dat een DEI+-project dat hergebruik van CO_2 betreft zonder subsidie niet tot stand zou komen, blijkend uit een beschrijving van de globale kosten en baten van het DEI+-project; e. e. in geval aan een samenwerkingsverband één of meer onderzoeksorganisaties deelnemen, de subsidiabele kosten voor meer dan 50 procent door de onderzoeksorganisatie of de onderzoeksorganisaties gezamenlijk worden gemaakt; f. f. het plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt, van onvoldoende kwaliteit is; g. g. de aanvraag een DEI+-project betreft met betrekking tot energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen als bedoeld in artikel 4.2.65, eerste lid, onderdeel e, om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn en het project niet minimaal achttien maanden voor de inwerkingtreding van de betreffende norm is voltooid; h. h. de aanvraag een DEI+-project betreft dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, en betrekking heeft op randvoorwaardelijke innovaties en deze is gedaan door een onderneming die dit DEI+-project zelfstandig uitvoert of één of meerdere deelnemers in een samenwerkingsverband die een onderneming in stand houdt dan wel houden, die actief is respectievelijk zijn in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; 1°. 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; i. i. de aanvraag een DEI+-project betreft met betrekking tot lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 4.2.65, eerste lid, onderdeel i, en de subsidiabele kosten daarvoor meer dan € 22.000.000 bedragen; j. j. de aanvraag een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, betreft, waarvoor: 1°. het nominaal thermisch ingangsvermogen van de productie-installatie minder dan 5 MW is; 2°. onvoldoende aannemelijk is dat alle in de productie-installatie te verwerken grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; 3°. onvoldoende aannemelijk is dat de in de productie-installatie te verwerken biogene grondstoffen voldoen aan artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b; of 4°. onvoldoende aannemelijk is dat ten minste 40% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen. 1°. 1°. het nominaal thermisch ingangsvermogen van de productie-installatie minder dan 5 MW is; 2°. 2°. onvoldoende aannemelijk is dat alle in de productie-installatie te verwerken grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; 3°. 3°. onvoldoende aannemelijk is dat de in de productie-installatie te verwerken biogene grondstoffen voldoen aan artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b; of 4°. 4°. onvoldoende aannemelijk is dat ten minste 40% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen. ### Artikel 4.2.70 **1.** Onverminderd artikel 4.2.3 bevat een aanvraag om subsidie: a. a. een projectomschrijving waaruit de CO_2-reductie in kilogrammen, berekend aan de hand van de referentieparkmethode, bedoeld in hoofdstuk 1 van bijlage 4.2.9, onderdeel B, die het DEI+-project realiseert ten opzichte van het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek, blijkt; b. b. een financieringsplan; c. c. een plan dat betrekking heeft op de wijze waarop de kennisverspreiding plaatsvindt; d. d. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het DEI+-project, indien het DEI+-project geen experimentele ontwikkeling betreft of het een DEI+-project betreft waarbij beoogd wordt dat een experimenteel prototype product, procedé of dienst ook na afloop van het DEI+-project in gebruik blijft; e. e. indien subsidie wordt aangevraagd voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B: 1°. een beschrijving van de wijze waarop bij de ontwikkeling van de beoogde producten, processen of diensten rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van grondstoffen en de effecten van grootschalige toepassing van die producten, processen of diensten op het milieu en de natuur; 2°. een verklaring de-minimissteun van de onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren of van elke onderneming in het samenwerkingsverband, als het DEI+-project betrekking heeft op randvoorwaardelijke innovaties; 1°. 1°. een beschrijving van de wijze waarop bij de ontwikkeling van de beoogde producten, processen of diensten rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van grondstoffen en de effecten van grootschalige toepassing van die producten, processen of diensten op het milieu en de natuur; 2°. 2°. een verklaring de-minimissteun van de onderneming die zelfstandig een DEI+-project zal uitvoeren of van elke onderneming in het samenwerkingsverband, als het DEI+-project betrekking heeft op randvoorwaardelijke innovaties; f. f. een mijlpalenbegroting, indien het aangevraagde subsidiebedrag € 2.000.000 of meer is; g. g. indien subsidie wordt aangevraagd voor een DEI+-pilot gericht op circulair ontwerpen dat past binnen thema 2.5 Circulaire economie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, een onderbouwing dat er partijen zijn die het product waarop het project is gericht, aan het einde van de technische levensduur daarvan kunnen repareren, hergebruiken of recyclen; h. h. een juridische organisatiestructuur van de groep waartoe de subsidieaanvrager behoort waaruit de aandelenverhouding of de afwijkende overwegende zeggenschap blijkt en de enkelvoudige jaarrapporten of geconsolideerde jaarrapporten van de in die groep verbonden ondernemingen die gebruikt zijn voor de invulling van het beslisschema, tenzij de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening is. **2.** Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. a. een algemene en technische omschrijving van de onderzochte en gebruikte installaties en infrastructuur; b. b. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het DEI+-project; c. c. een overzicht van de gemaakte kosten voor het DEI+-project, uitgesplitst conform de laatst door de minister goedgekeurde begroting. **3.** Tegelijkertijd met de aanvraag tot subsidievaststelling voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag ten minste inzicht in: a. a. de vervolgstappen die het samenwerkingsverband na afloop van het DEI+-project zet om te komen tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is; b. b. de verwachte kosten en prijsreductie ten opzichte van de referentie van het aardgasloos maken van een woning, wijk, of gebouw op basis van dit DEI+-project. **4.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.2 Bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, 2.3 Flexibilisering van het energiesysteem, 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving of 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, en dat uitsluitend indirect een bijdrage aan de CO_2-reductie levert, een beschrijving van hoe het DEI+-project bijdraagt aan de CO_2-reductie in Nederland tien jaar na de start van het project. ### Artikel 4.2.70a **1.** Onverminderd artikel 4.2.70 bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project binnen subthema 2.9.4 Productie van waterstof, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, waarbij wordt beoogd dat de elektrolyser na de subsidievaststelling in gebruik blijft: a. a. een gedetailleerd plan over de beoogde draaiuren en de hoeveelheid waterstofproductie per jaar gedurende de economische levensduur van de elektrolyser; b. b. een verklaring dat waterstof gedurende de economische levensduur van de elektrolyser enkel zal worden geproduceerd overeenkomstig artikel 36 of 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. een onderbouwing dat de elektrolyser alleen hernieuwbare waterstof zal produceren in dezelfde kalendermaand dat elektriciteit zal worden geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit en de elektrolyser daarbij in die kalendermaand niet meer elektriciteit zal verbruiken dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand zal produceren en een onderbouwing hoe deze temporele correlatie technisch wordt gewaarborgd; d. d. een onderbouwing dat de waterstof die wordt geproduceerd, gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO_2eq/MJ (2,256 tCO_2eq/tH_2), indien het productie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof of uitsluitend niet-hernieuwbare waterstof betreft; e. e. een verklaring dat de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarvoor een of meerdere afnameovereenkomsten voor hernieuwbare elektriciteit worden gesloten ten behoeve van de productie van hernieuwbare waterstof door een elektrolyser die op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit wordt aangesloten, zich in Nederland bevindt; f. f. een beschrijving van de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit, het vermogen daarvan en de voorziene datum van ingebruikname, indien het gaat om een elektrolyser die met een directe lijn wordt aangesloten. **2.** Indien een opslagfaciliteit deel zal uit maken van de elektrolyser, geldt het eerste lid, onderdeel c, niet voor de momenten dat de elektrolyser elektriciteit die afkomstig is van de opslagfaciliteit, zal verbruiken, indien de opslagfaciliteit: a. a. enkel zal worden geladen met elektriciteit in dezelfde kalendermaand dat er elektriciteit zal worden geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit; en b. b. met niet meer elektriciteit zal worden geladen in die kalendermaand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand zal produceren. **3.** In het geval van het tweede lid bevat een aanvraag om subsidie een onderbouwing van de wijze waarop technisch wordt gewaarborgd dat wordt voldaan het tweede lid, onderdelen a en b. ### Artikel 4.2.70b **1.** Onverminderd artikel 4.2.3, derde lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen subthema 2.9.4 Productie van waterstof, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, bij de aanvraag voor de subsidievaststelling per kalenderjaar voor de periode vanaf ingebruikname van de elektrolyser tot de aanvraag voor de subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister: a. a. de registratie van de draaiuren van de elektrolyser; b. b. de hoeveelheid elektriciteit die de elektrolyser heeft verbruikt ten behoeve van de waterstofproductie en de hoeveelheid waterstof die daarmee is geproduceerd aan de hand van meetgegevens die zijn gebaseerd op een meetprotocol en meetrapport die zijn goedgekeurd door een meetverantwoordelijke partij; c. c. een onderbouwing dat de elektrolyser alleen hernieuwbare waterstof heeft geproduceerd in dezelfde kalendermaand waarin elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit en de elektrolyser in die kalendermaand niet meer elektriciteit heeft verbruikt dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd; d. d. een of meerdere overeenkomsten voor de afname van elektriciteit van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit door de elektrolyser voor de productie van hernieuwbare waterstof, tenzij het gaat om een elektrolyser die met een directe lijn is aangesloten op een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit van de subsidieontvanger; e. e. een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO_2eq/MJ (2,256 tCO_2eq/tH_2), indien het productie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof of uitsluitend niet-hernieuwbare waterstof betreft; f. f. een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 100% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO_2eq/MJ (2,256 tCO_2eq/tH2), indien het productie van uitsluitend hernieuwbare waterstof betreft. **2.** In afwijking van het eerste lid, kan de subsidieontvanger een certificaat verstrekken dat is opgesteld met een door de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie erkend vrijwillig nationaal of internationaal systeem waarmee wordt bewezen dat: a. a. de waterstofproductie-installatie zodanig is ontworpen en de elektriciteits- en waterstofstromen zodanig worden gemeten en geadministreerd dat aantoonbaar volledig hernieuwbare waterstof kan worden geproduceerd; b. b. de te produceren waterstof als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt; en c. c. indien met de waterstofproductie-installatie ook niet-hernieuwbare waterstof zal worden geproduceerd, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan te produceren volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen tenminste 70% is ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO_2eq/MJ (2,256 tCO_2eq/tH2). **3.** Indien de minister een subsidie voor de exploitatie van een DEI+-project binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, verstrekt, is het eerste lid niet van toepassing vanaf de datum van het verstrekken van de exploitatiesubsidie. **4.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de elektrolyser niet in gebruik is genomen. **5.** Indien de elektrolyser van een pilotproject bij de aanvraag voor subsidievaststelling definitief buiten gebruik is gesteld, geldt het eerste lid niet. In dat geval verstrekt de aanvrager bij de aanvraag om subsidievaststelling een bewijs dat de elektrolyser definitief buiten gebruik is gesteld. **6.** Indien een opslagfaciliteit deel uitmaakt van de elektrolyser, geldt het eerste lid, onderdeel c, niet voor de momenten dat de elektrolyser elektriciteit die afkomstig is van de opslagfaciliteit, heeft verbruikt, indien de opslagfaciliteit: a. a. enkel is geladen met elektriciteit in dezelfde kalendermaand dat er elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit; en b. b. met niet meer elektriciteit is geladen in die kalendermaand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd. **7.** In het geval van het zesde lid verstrekt de subsidieontvanger bij een aanvraag voor subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister een onderbouwing van de wijze waarop technisch is gewaarborgd dat is voldaan het zesde lid, onderdelen a en b. ### Artikel 4.2.70c Onverminderd artikel 4.2.70 bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B: a. a. vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie; b. b. een verklaring dat alle in de productie-installatie te verwerken grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; c. c. een verklaring dat de in de productie-installatie te verwerken biogene grondstoffen voldoen aan artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b; d. d. een verklaring dat ten minste 40% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn uit biogene grondstoffen. ### Artikel 4.2.70d **1.** Onverminderd artikel 4.2.3, derde lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, bij de aanvraag voor de subsidievaststelling per kalenderjaar voor de periode vanaf ingebruikname van de productie-installatie tot de aanvraag voor de subsidievaststelling: a. a. de hoeveelheid, aard, verhouding en energetische waarde van de in de productie-installatie verwerkte grondstoffen en het percentage van de energetische waarde dat afkomstig is van biogene grondstoffen; b. b. een onderbouwing dat alle in de productie-installatie verwerkte grondstoffen kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; c. c. een onderbouwing dat de in de productie-installatie verwerkte biogene grondstoffen voldoen aan artikel 4.2.70e, derde lid, onderdeel b; d. d. een onderbouwing dat ten minste 40% van de energetische waarde van de in de productie-installatie verwerkte grondstoffen afkomstig is uit biogene grondstoffen; e. e. een jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring met betrekking tot de gegevens, bedoeld in de onderdelen a, c en d, en conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen afgegeven door een conformiteitsbeoordelingsinstantie die is erkend op grond van artikel 63a, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie of artikel 2 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen; f. f. een onderbouwing van de toepassing van de productie-installatie waaruit blijkt in welke verhouding die is gebruikt voor de productie van hernieuwbare energiebronnen en voor een circulaire economie. **2.** De subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, verstrekt per kalenderjaar gedurende vijf jaar na de subsidievaststelling jaarlijks voor 1 mei aan de minister de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e. **3.** De in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde jaarlijkse conformiteitsbeoordelingsverklaring wordt afgegeven op grond van een door de minister aangewezen verificatieprotocol dat op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is geplaatst. **4.** De in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen worden afgegeven op grond van een certificatieschema waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie heeft besloten dat deze accurate gegevens verschaft met het oog op de toepassing van artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie of op grond van een nationaal systeem, waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 30, zesde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie heeft besloten dat dit voldoet aan de in die richtlijn bepaalde voorwaarden, afhankelijk van de van toepassing zijnde criteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie. **5.** In afwijking van het vierde lid kunnen de conformiteitsbeoordelingsverklaringen per levering van biogene grondstoffen tevens worden afgegeven op grond van het verificatieprotocol, bedoeld in het derde lid, indien het biogene grondstoffen als bedoeld in de nummers 170 tot en met 179, 300 tot en met 329 en 410 van NTA 8003:2017 betreft. **6.** Artikel 14 van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen is van toepassing op het verificatieprotocol, bedoeld in het derde lid. ### Artikel 4.2.70e **1.** Onverminderd artikel 4.2.2, tweede en derde lid, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het DEI+-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het DEI+-project worden opgedaan. **2.** De subsidieontvanger doet tijdens de looptijd van het DEI+-project onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister van een wijziging in de wijze waarop de subsidieontvanger en indien van toepassing de deelnemers van een samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren, ten opzichte van de informatie waarop de subsidieverlening is gebaseerd. **3.** De productie-installatie waarop een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, betrekking heeft, wordt vanaf ingebruikname tot vijf jaar na de subsidievaststelling uitsluitend gebruikt voor verwerking van: a. a. grondstoffen die kwalificeren als afval dat niet hoogwaardiger kan worden verwerkt, of als andere producten, materialen of stoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden verwerkt; b. b. voor zover het biogene grondstoffen betreft, grondstoffen die voldoen aan: 1°. bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie; 2°. de duurzaamheidscriteria bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan; en 3°. de broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan, indien de biogene grondstoffen worden gebruikt ten behoeve van de productie van hernieuwbare energiebronnen; 1°. 1°. bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie; 2°. 2°. de duurzaamheidscriteria bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan; en 3°. 3°. de broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29 van de Richtlijn hernieuwbare energie en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan, indien de biogene grondstoffen worden gebruikt ten behoeve van de productie van hernieuwbare energiebronnen; c. c. grondstoffen waarvan de energetische waarde jaarlijks voor ten minste 40% afkomstig is uit biogene grondstoffen. ### Artikel 4.2.70f De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.65, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. de artikelen 25, 26bis, 36, 38, 38bis, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor randvoorwaardelijke innovaties voor een DEI+-project dat past binnen thema 2.7 Verduurzaming gebouwde omgeving, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B. #### Paragraaf 4.2.11. Systeemintegratie ### Artikel 4.2.71 Vervallen ### Artikel 4.2.72 Vervallen ### Artikel 4.2.73 Vervallen ### Artikel 4.2.73a Vervallen ### Artikel 4.2.74 Vervallen ### Artikel 4.2.75 Vervallen ### Artikel 4.2.76 Vervallen ### Artikel 4.2.77 Vervallen ### Artikel 4.2.77a Vervallen ### Artikel 4.2.77b Vervallen ### Artikel 4.2.77c Vervallen #### Paragraaf 4.2.12. Energiebesparing industrie: joint industry projects ### Artikel 4.2.78 Vervallen ### Artikel 4.2.79 Vervallen ### Artikel 4.2.80 Vervallen ### Artikel 4.2.81 Vervallen ### Artikel 4.2.82 Vervallen ### Artikel 4.2.83 Vervallen ### Artikel 4.2.84 Vervallen ### Artikel 4.2.84a Vervallen #### Paragraaf 4.2.13. Wind op zee: R&D-projecten ### Artikel 4.2.85 Vervallen ### Artikel 4.2.86 Vervallen ### Artikel 4.2.87 Vervallen ### Artikel 4.2.88 Vervallen ### Artikel 4.2.89 Vervallen ### Artikel 4.2.90 Vervallen ### Artikel 4.2.91 Vervallen ### Artikel 4.2.91a Vervallen #### Paragraaf 4.2.14. EnerGO: compacte conversie en opslag ### Artikel 4.2.92 Vervallen ### Artikel 4.2.93 Vervallen ### Artikel 4.2.94 Vervallen ### Artikel 4.2.95 Vervallen ### Artikel 4.2.96 Vervallen ### Artikel 4.2.97 Vervallen ### Artikel 4.2.98 Vervallen ### Artikel 4.2.98a Vervallen #### Paragraaf 4.2.15. Smart grids ### Artikel 4.2.99 Vervallen ### Artikel 4.2.100 Vervallen ### Artikel 4.2.101 Vervallen ### Artikel 4.2.102 Vervallen ### Artikel 4.2.103 Vervallen ### Artikel 4.2.104 Vervallen ### Artikel 4.2.105 Vervallen ### Artikel 4.2.105a Vervallen #### Paragraaf 4.2.16. Energiebesparing industrie: Early adopterprojecten ### Artikel 4.2.106 Vervallen ### Artikel 4.2.107 Vervallen ### Artikel 4.2.108 Vervallen ### Artikel 4.2.109 Vervallen ### Artikel 4.2.110 Vervallen ### Artikel 4.2.111 Vervallen ### Artikel 4.2.111a Vervallen ### Artikel 4.2.111b Vervallen #### Paragraaf 4.2.17. TSE Industrie studies ### Artikel 4.2.112 In deze paragraaf wordt verstaan onder: - *CO2:* CO_2 of CO_2-equivalent; - *CO2-equivalent:* de hoeveelheid CH_4, N_2O, HFK’s, PFK’s en SF_6 die eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO_2; - *demonstratieproject:* een project bestaande uit de demonstratie van apparaten, systemen of technieken die een technisch en economisch risico inhouden, en die voor Nederland nieuw zijn of waarvan de toepassing nieuw is voor Nederland; - *haalbaarheidsstudie:* onderzoek en analyse van het potentieel van een pilotproject met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; - *milieustudie:* onderzoek en analyse van het potentieel van een demonstratieproject of een project met uitontwikkelde technologie met betrekking tot investeringen die nodig zijn om een hoger niveau van milieubescherming te bereiken en die binnen de reikwijdte van deel 7 van de algemene groepsvrijstellingsverordening passen, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; - *pilotproject:* een project bestaande uit experimentele ontwikkeling waarbij een experimenteel prototype product, procedé of dienst wordt getest in een omgeving die representatief is voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan; a. *TSE Industrie studie:* a. haalbaarheidsstudie; b. milieustudie; of c. vergelijkbare studie; a. a. haalbaarheidsstudie; b. b. milieustudie; of c. c. vergelijkbare studie; - *project met uitontwikkelde technologie:* een project bestaande uit een investering in technologie waarvan de werking reeds in één of meer demonstratieprojecten is bewezen; - *vergelijkbare studie:* onderzoek en analyse van het potentieel van een demonstratieproject of een project met uitontwikkelde technologie met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen, niet zijnde een milieustudie. ### Artikel 4.2.113 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een TSE Industrie studie die past binnen één van de in bijlage 4.2.16 opgenomen programmalijnen, aan: a. a. een onderneming die zelfstandig een TSE Industrie studie zal uitvoeren ten behoeve van de eventuele uitvoering van en investering in het project waar de studie op is gericht, door die onderneming zelf of een onderneming die deel uitmaakt van diens groep; b. b. een deelnemer in een samenwerkingsverband dat ten minste één onderneming bevat, die een TSE Industrie studie zal uitvoeren ten behoeve van de eventuele uitvoering van en investering in het project waar de studie op is gericht, door ten minste één van de ondernemingen van het samenwerkingsverband of een onderneming die deel uitmaakt van de groep van één van de ondernemingen. ### Artikel 4.2.114 **1.** De subsidie bedraagt voor een TSE Industrie studie 50% van de subsidiabele kosten. **2.** Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. **3.** Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming. **4.** De subsidie bedraagt maximaal: a. a. € 4.000.000 voor een milieustudie of haalbaarheidsstudie; b. b. € 300.000 per onderneming die deze studie zelfstandig uitvoert of per deelnemer in een samenwerkingsverband over een periode van drie jaar voor een vergelijkbare studie. ### Artikel 4.2.114a **1.** In geval van een haalbaarheidsstudie komen de kosten als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking. **2.** In geval van een milieustudie komen de kosten als bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking. **3.** In geval van een vergelijkbare studie komen de kosten van de studie in aanmerking voor subsidie. **4.** In geval van een milieustudie of een vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie komen de kosten, bedoeld in het tweede respectievelijk het derde lid, voor subsidie in aanmerking, voor zover het gaat om kosten die zijn verschuldigd aan een derde die niet tot dezelfde groep behoort als de aanvrager. ### Artikel 4.2.115 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 4.2.116 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is: a. a. één jaar voor TSE Industrie studies waarvoor de subsidie maximaal € 1.000.000 bedraagt; b. b. twee jaar voor TSE Industrie studies waarvoor de subsidie meer dan € 1.000.000 bedraagt. ### Artikel 4.2.117 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. de kwaliteit van het project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met de risico’s, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; b. b. in onvoldoende mate is voorzien in een kwalitatief goede kennisverspreiding; c. c. in geval van een samenwerkingsverband, de samenwerking onvoldoende evenwichtig is, blijkend uit: 1°. de verdeling van de kosten tussen de deelnemers, of 2°. de verhouding tussen private en publieke financiering van het project; 1°. 1°. de verdeling van de kosten tussen de deelnemers, of 2°. 2°. de verhouding tussen private en publieke financiering van het project; d. d. het projectplan niet in voldoende mate de vervolgstappen beschrijft die na afloop van het project bij een positief resultaat gezet zullen gaan worden om tot uitvoering en implementatie van hetgeen onderzocht is te komen; e. e. de aanvraag betrekking heeft op een vergelijkbare studie en deze is gedaan door een onderneming die deze studie zelfstandig uitvoert of één of meerdere deelnemers in een samenwerkingsverband die een onderneming in stand houdt dan wel houden, die actief is respectievelijk zijn in: 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; 1°. 1°. de sector visserij en aquacultuur; 2°. 2°. de primaire productie van landbouwproducten; of 3°. 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de situaties, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de algemene de-minimisverordening; f. f. de aanvraag betrekking heeft op een vergelijkbare studie en deze ziet op activiteiten die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; 1°. 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer; g. g. de aanvraag betrekking heeft op een milieustudie of een vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie waarvoor de te verlenen subsidie minder dan € 25.000 zou bedragen; h. h. de subsidiabele kosten voor meer dan 50% bestaan uit kosten voor testwerkzaamheden ter beantwoording van haalbaarheidsvragen; i. i. de aanvraag betrekking heeft op een milieustudie of vergelijkbare studie naar een project met uitontwikkelde technologie en onvoldoende aannemelijk is dat de terugverdientijd van de te onderzoeken investering meer dan vijf jaar zou zijn. ### Artikel 4.2.117a **1.** Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie voor een vergelijkbare studie ten minste een verklaring de-minimissteun van een onderneming die deze studie zelfstandig uitvoert of van elke deelnemer in het samenwerkingsverband dat een vergelijkbare studie uitvoert. **2.** Tegelijkertijd met de aanvraag tot subsidievaststelling, geeft de subsidieontvanger door middel van een verslag tenminste inzicht in: a. a. de vervolgstappen die het samenwerkingsverband gaat zetten na afloop van het project om tot uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is te komen; b. b. de verwachte CO_2-reductie die zou ontstaan bij uitvoering en implementatie in de markt van wat onderzocht is. ### Artikel 4.2.118 Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a van het besluit, geeft in ieder geval inzicht in: a. a. de financiële of economische kansen, inclusief een of meer mogelijke verdienmodellen die noodzakelijk zijn om het concept of de technologie succesvol toe te kunnen passen; b. b. de niet-technologische factoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het concept of de technologie in de markt en de wijze waarop daarmee wordt omgegaan; c. c. de opschalingsmogelijkheden en het herhaalpotentieel van wat onderzocht is; d. d. indien het een haalbaarheidsstudie binnen programmalijn 1, opgenomen in bijlage 4.2.16, met betrekking tot afvang, transport, hergebruik en opslag van CO_2 betreft, voor zover van toepassing, een algemene en technische omschrijving van de onderzochte installaties en infrastructuur, een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het onderzochte project, de investeringskosten per component van het onderzochte project, de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, inclusief risico-opslag, en een overzicht van alle kosten en baten. ### Artikel 4.2.119 **1.** De subsidie voor een milieustudie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** De subsidie voor de haalbaarheidsstudies bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De subsidie voor een vergelijkbare studie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. #### Paragraaf 4.2.18. Horizon Europe Partnership (HEP) ### Artikel 4.2.120 In deze paragraaf wordt verstaan onder: - *HEP-call:* gezamenlijke oproep van deelnemende lidstaten voor aanvragen voor HEP-projecten, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 16 van het besluit, gedurende de daarin genoemde openstellingsperiode; - *HEP-project:* internationaal project bestaande uit fundamenteel onderzoek voor zover het niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties betreft, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat is ingediend op grond van een HEP-call; - *internationale expert-panel:* panel als bedoeld in de HEP-call, dat de HEP-projecten beoordeelt; - *internationale rangschikking:* rangschikking van de aanvragen voor een HEP-project door het internationale expert-panel; - *internationale voorselectie:* voorselectie van de conceptaanvragen voor een HEP-project door de lidstaten als bedoeld in de HEP-call. ### Artikel 4.2.121 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van activiteiten in een HEP-project aan: a. a. een in Nederland gevestigde deelnemer aan een HEP-project, of b. b. een deelnemer in een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde deelnemers aan een HEP-project. ### Artikel 4.2.122 **1.** De subsidie bedraagt: a. a. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; b. b. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; c. c. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten door onderzoeksorganisaties. **2.** De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages worden met 20 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. **3.** De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages worden met 10 procentpunten verhoogd, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming. **4.** Onverminderd het tweede en derde lid, worden de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde percentages voor ondernemingen met 10 procentpunten verhoogd, indien het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek. **5.** Het maximale subsidiebedrag is het maximale subsidiebedrag, bedoeld in de HEP-call. **6.** Onverminderd het vijfde lid bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening maximaal € 300.000 over een periode van drie jaar. ### Artikel 4.2.123 De minister verdeelt het subsidieplafond per HEP-call op volgorde van de internationale rangschikking. ### Artikel 4.2.124 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is de termijn, genoemd in de HEP-call. ### Artikel 4.2.125 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. het HEP-project in de internationale voorselectie wordt afgewezen; b. b. het HEP-project in de internationale rangschikking een lager aantal punten krijgt toegekend dan het minimaal aantal punten, genoemd in de HEP-call; c. c. het HEP-project in de internationale rangschikking niet aanbevolen wordt voor financiering; d. d. het HEP-project niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de HEP-call. ### Artikel 4.2.126 Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft. ### Artikel 4.2.127 **1.** De subsidieontvanger voldoet aan voorwaarden en verplichtingen die zijn opgenomen in de HEP-call. **2.** In afwijking van artikel 4.2.2, vierde lid, wordt iedere publicatie door of met medewerking van de in Nederland gevestigde deelnemers in het project of diens medewerkers voorzien van de vermelding dat het een HEP-project betreft en van de naam van de HEP-call. ### Artikel 4.2.128 De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.121, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door: a. a. artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. artikel 3 van de algemene de-minimisverordening, voor zover de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening. #### Paragraaf 4.2.19. TSH Vliegtuigmaakindustrie ### Artikel 4.2.129 In deze paragraaf wordt verstaan onder: – – *internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en ten minste één van de partijen een ondernemer of onderzoeksorganisatie is die is gevestigd in een strategisch partnerland en bijdraagt aan de doelstellingen passend binnen de in bijlage 4.2.18 opgenomen beschrijving; – – *klimaatakkoord:* klimaatakkoord van 28 juni 2019, zoals opgenomen in de Kamerstukken II 2018/19, 32 813, nr. 342; – – *strategisch partnerland:* landen waarmee Nederland een strategische samenwerking heeft op het gebied van duurzame luchtvaart: a. Brazilië; b. Canada; c. de landen van de Europese Unie; d. het Verenigd Koninkrijk; en e. de Verenigde Staten van Amerika; a. a. Brazilië; b. b. Canada; c. c. de landen van de Europese Unie; d. d. het Verenigd Koninkrijk; en e. e. de Verenigde Staten van Amerika; – – *TSH Vliegtuigmaakindustrieproject:* project bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, dat past binnen de in bijlage 4.2.18 (TSH Vliegtuigmaakindustrieproject) opgenomen beschrijving. ### Artikel 4.2.130 **1.** De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband of een internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een TSH Vliegtuigmaakindustrieproject. **2.** Een samenwerkingsverband bevat tenminste één onderneming. ### Artikel 4.2.131 **1.** De subsidie bedraagt voor een TSH Vliegtuigmaakindustrieproject: a. a. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek; b. b. 50% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek; c. c. 25% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling; **2.** De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c, worden verhoogd met: a. a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of b. b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming. **3.** De subsidie bedraagt: a. a. ten minste: i. € 125.000 per deelnemer aan het samenwerkingsverband; of ii. € 125.000 per in Nederland gevestigde deelnemer aan het internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband; en i. i. € 125.000 per deelnemer aan het samenwerkingsverband; of ii. ii. € 125.000 per in Nederland gevestigde deelnemer aan het internationaal TSH vliegtuigmaakindustrie-samenwerkingsverband; en b. b. ten minste € 500.000 en maximaal € 4.000.000 per TSH Vliegtuigmaakindustrieproject. ### Artikel 4.2.132 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 4.2.133 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is 5 jaar. ### Artikel 4.2.134 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. na toepassing van artikel 4.2.135, eerste lid, minder dan 3 punten aan één van de criteria is toegekend; b. b. eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project; c. c. er geen afspraken zijn gemaakt over het intellectueel eigendom van het TSH Vliegtuigmaakindustrieproject. ### Artikel 4.2.135 **1.** De minister kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. het project meer bijdraagt aan de doelstelling van de subsidie, opgenomen in bijlage 4.2.18; b. b. de slaagkans van de innovatie in de internationale markt groter is; c. c. de bijdrage aan de Nederlandse economie groter is; d. d. het project meer bijdraagt aan versterking van de positie van Nederlandse partijen in samenwerking met strategische partnerlanden; e. e. de kwaliteit van het project beter is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico’s, de uitvoerbaarheid, het samenwerkingsverband en de deelnemende partijen; f. f. het project meer bijdraagt aan de realisatie van de klimaatdoelstellingen voor 2030 zoals vastgelegd in het klimaatakkoord. **2.** De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. **3.** De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. **4.** Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk project. ### Artikel 4.2.136 De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.130, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Titel 4.3. Risico’s dekken voor aardwarmte ### Artikel 4.3.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *aardwarmte:* aardwarmte in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Mijnbouwwet; - *aardwarmteproject:* mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte met een diepte van de top van de aquifer van ten minste 500 meter tot ten hoogste 3.500 meter, door het boren van een doublet of een half doublet; - *alternatiefwerkzaamheden:* activiteiten om het alternatief gebruik van een put met een lager dan verwacht gerealiseerd vermogen in MW mogelijk te maken; - *alternatief gebruik:* gebruik van een aardwarmteput voor andere doeleinden dan het overeenkomstig de aanvraag winnen en toepassen van aardwarmte; - *diep aardwarmteproject:* mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte vanaf ten minste 3.500 meter diepte van de top van de aquifer door het boren van een doublet of een half doublet; - *doublet:* productieput en injectieput; - *droge exploratieput:* put voor olie- of gasexploratie waar geen koolwaterstoffen in vrije fase zijn aangetroffen in de aquifer die gebruikt gaat worden voor de winning van aardwarmte; - *geologisch onderzoek:* geologisch onderzoek, inclusief het rapport opgesteld overeenkomstig het model in bijlage 4.3.1; a. *geologisch risico:* risico op een te laag gerealiseerd vermogen voor zover dit te wijten is aan specifieke aquifer parameters bestaande uit: a. de bruto aquiferdikte; b. de netto-bruto verhouding van de aquifer; c. de aquifer permeabiliteit; d. de diepte van de top van de aquifer; e. de saliniteit van het formatiewater; of f. de geothermische gradient; a. a. de bruto aquiferdikte; b. b. de netto-bruto verhouding van de aquifer; c. c. de aquifer permeabiliteit; d. d. de diepte van de top van de aquifer; e. e. de saliniteit van het formatiewater; of f. f. de geothermische gradient; - *gerealiseerde subsidiabele kosten:* rechtstreeks aan het aardwarmteproject toe te rekenen, door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde subsidiabele kosten; - *gerealiseerd vermogen:* uit de puttest gebleken werkelijke vermogen in MW, met een correctie op skin = 0; - *half-doublet:* eerste of tweede put van een doublet, of vervolgput; - *maximale subsidiebedrag:* in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, bestaande uit 85 procent van de verwachte subsidiabele kosten met een maximum van € 7.225.000 voor een aardwarmteproject en € 12.750.000 voor een diep aardwarmteproject; - *niet-geologische parameters:* niet-geologische parameters, genoemd in de tabel in hoofdstuk 1, paragraaf 1.1, van het geologisch onderzoek; - *puttest:* test van het vermogen van de put of putten met als resultaat meetreeksen plus interpretatie, uitgevoerd en geïnterpreteerd overeenkomstig bijlage 4.3.2; - *putstimulatie:* uitvoeren van technieken die leiden tot een verlaagde weerstand voor het toestromen van vloeistof van het reservoir naar de put of vice versa, zodat de productiviteit of injectiviteit van de put wordt verhoogd; - *restwaarde:* opbrengst van het project bij de economisch meest rendabele alternatieve toepassing gedurende 15 jaar; - *verbeterwerkzaamheden:* werkzaamheden aan de productieput, injectieput of pompinstallatie om het gerealiseerde vermogen van het doublet in MW te verhogen; - *vervolgput:* nieuwe put vanuit of naast een productie- of injectieput van een beëindigd of bestaand aardwarmteproject of diep aardwarmteproject die gebruikt wordt voor een bestaand of nieuw aardwarmteproject of diep aardwarmteproject; - *verwachte subsidiabele kosten:* in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiabele kosten; - *verwacht vermogen:* n de beschikking tot subsidieverlening vermelde verwacht vermogen in MW. ### Artikel 4.3.2 **1.** De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland uitvoert: a. a. een aardwarmteproject; b. b. een diep aardwarmteproject. **2.** De Minister verdeelt het subsidieplafond voor aardwarmteprojecten, respectievelijk het subsidieplafond voor diep aardwarmteprojecten, in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. **3.** Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, respectievelijk het eerste lid onderdeel b, lager is dan het subsidieplafond dat voor de desbetreffende soort projecten is vastgesteld, wordt het voor de ene soort project overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor de andere soort project toegevoegd. **4.** De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat door het geologische risico op het beoogde stratigrafische niveau op de beoogde locatie en bij de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde niet-geologische parameters, het gerealiseerd vermogen lager is dan het verwacht vermogen. ### Artikel 4.3.3 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is twee jaar. **2.** De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. uit het geologisch onderzoek blijkt dat de geschatte kans op het realiseren van het verwachte vermogen kleiner is dan 90 procent; b. b. op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie geen vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Mijnbouwwet is afgegeven voor het betreffende gebied; c. c. in het projectplan niet aannemelijk is gemaakt dat het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject binnen twee jaar na voltooiing van de boringen zal leiden tot de start van toepassing van aardwarmte in Nederland; d. d. het verwacht vermogen lager is dan 0,5 MW zonder putstimulatie bij aardwarmteprojecten met een diepte van de top van de aquifer van ten minste 500 meter tot ten hoogste 1.500 meter; e. e. het verwacht vermogen lager is dan 2 MW zonder putstimulatie voor de andere aardwarmteprojecten; f. f. bij een half doublet, als de gegarandeerde put de tweede put van een doublet of een vervolgput betreft, de resultaten van de eerste put aardwarmtewinning niet aannemelijk maken; g. g. bij een half doublet, als de gegarandeerde put de tweede put van een doublet betreft, de eerste put van een doublet geen droge exploratieput of geen bestaande aardwarmteput is. **3.** Bij de beoordeling van de aanvragen wint de Minister advies in van TNO. ### Artikel 4.3.4 **1.** De subsidie bedraagt maximaal € 11.050.000 per aardwarmteproject. **2.** De subsidie bedraagt maximaal € 18.700.000 per diep aardwarmteproject. **3.** Het subsidiebedrag wordt zodanig verminderd, dat de som van de volgende bedragen niet meer dan 95 procent van de gerealiseerde subsidiabele kosten bedraagt: – – het subsidiebedrag, – – het bedrag aan overige voor het betreffende project aan de subsidieontvanger verleende dan wel vastgestelde subsidies, en – – het bedrag waarop de subsidieontvanger voor het desbetreffende project op grond van een verzekering of garantstelling aanspraak kan doen. ### Artikel 4.3.5 **1.** De artikelen 10 tot en met 14 van het besluit zijn niet van toepassing. **2.** Bij een doublet komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: a. a. kosten boring productie- en injectieput; b. b. premie die door de subsidieontvanger krachtens artikel 4.3.10 wordt betaald; c. c. kosten op- en afbouwen boorinstallatie; d. d. kosten boormanagement en -toezicht; e. e. kosten locatie boorgereed maken; f. f. cuttings/spoeling afvoeren; g. g. kosten puttest en rapportage; h. h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat; i. i. additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar; j. j. additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar; k. k. onvoorziene kosten tot en met de realisatie van het doublet met inbegrip van de puttesten van het doublet. **3.** Bij een half-doublet komen de volgende kosten voor de subsidie in aanmerking: a. a. kosten boring gegarandeerde put; b. b. premie die door de subsidieontvanger krachtens artikel 4.3.10 wordt betaald; c. c. kosten op- of afbouwen boorinstallatie voor de gegarandeerde put; d. d. kosten boormanagement en -toezicht voor de realisatie van de gegarandeerde put met inbegrip van de puttest van deze put; e. e. kosten locatie boorgereed maken voor de gegarandeerde put; f. f. kosten cuttings/spoeling afvoeren van de gegarandeerde put; g. g. kosten puttest en rapportage van de gegarandeerde put; h. h. kosten voor de acquisitie van data ten behoeve van de geologische evaluatie van het boorgat van de gegarandeerde put; i. i. de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor de gegarandeerde put voor ten hoogste 15 jaar; j. j. de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor de gegarandeerde put voor ten hoogste 15 jaar; k. k. onvoorziene kosten bij de realisatie van de gegarandeerde put van het half doublet met inbegrip van de puttest van deze put. **4.** Indien subsidie wordt verstrekt voor een doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 500.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie of het dichten van de put of putten. **5.** Indien subsidie wordt verstrekt voor een half-doublet komt voor subsidie in aanmerking een vast bedrag van € 250.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie voor de gegarandeerde put of het dichten van deze put. **6.** Voor zover kosten uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd van overheidswege komen zij niet in aanmerking voor subsidie. **7.** Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit blijven buiten beschouwing: a. a. de subsidies op grond van: 1°. hoofdstuk 2 van bijlage 2 Marktintroductie energie-innovaties van de Regeling LNV-subsidies, 2°. de Unieke kansen regeling, 3°. de Subsidieregeling internationaal innoveren, 4°. hoofdstuk 3 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie, 5°. het Besluit stimulering duurzame energieproductie, 6°. paragraaf 4.2.10, Demonstratie energie-innovatie (DEI), 7°. paragraaf 4.2.3, Hernieuwbare energie, 8°. titel 2.3, Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw; en 1°. 1°. hoofdstuk 2 van bijlage 2 Marktintroductie energie-innovaties van de Regeling LNV-subsidies, 2°. 2°. de Unieke kansen regeling, 3°. 3°. de Subsidieregeling internationaal innoveren, 4°. 4°. hoofdstuk 3 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie, 5°. 5°. het Besluit stimulering duurzame energieproductie, 6°. 6°. paragraaf 4.2.10, Demonstratie energie-innovatie (DEI), 7°. 7°. paragraaf 4.2.3, Hernieuwbare energie, 8°. 8°. titel 2.3, Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw; en b. b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van: 1°. het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, 2°. het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, 3°. het meerjarenprogramma voor acties op energiegebied: ‘Intelligente energie- Europa’, 4°. het financieringsinstrument voor het Milieu: ‘Life’, 5°. Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (Pb EG 2003/L275), 6° Verordening (EG) nr. 1234 /2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) en Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347), 7°. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, 8°. INTERREG, 9°. de Europese Structuur- en Cohesiefondsen, en 10°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347). 1°. 1°. het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, 2°. 2°. het Kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, 3°. 3°. het meerjarenprogramma voor acties op energiegebied: ‘Intelligente energie- Europa’, 4°. 4°. het financieringsinstrument voor het Milieu: ‘Life’, 5°. 5°. Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (Pb EG 2003/L275), 6° 6° Verordening (EG) nr. 1234 /2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) en Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347), 7°. 7°. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, 8°. 8°. INTERREG, 9°. 9°. de Europese Structuur- en Cohesiefondsen, en 10°. 10°. verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347). **8.** Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. ### Artikel 4.3.6 **1.** Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een doublet geldt dat: a. a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste boring gelijk aan of meer dan 75% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project staakt, de subsidie op nihil wordt vastgesteld; b. b. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project voltooit, artikel 4.3.9 van toepassing is; c. c. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan 50%, maar minder dan 75% van het verwacht vermogen is en de subsidieontvanger het project na de eerste boring staakt, artikel 4.3.8 van toepassing is; d. d. indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring 50% of minder van het verwacht vermogen is, artikel 4.3.8 van toepassing is. **2.** De subsidieontvanger staakt het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject door eigen aangifte dan wel wordt geacht dit project te staken door niet binnen een jaar na voltooiing van de eerste boring het doublet te voltooien. ### Artikel 4.3.7 **1.** Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet en de gegarandeerde put de eerste put van het doublet is, geldt dat: a. a. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put gelijk aan of meer dan 75% van het verwacht vermogen is, de subsidie op nihil wordt vastgesteld indien de subsidieontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie; b. b. indien de subsidieontvanger na het boren van de eerste put overgaat tot het boren van het doublet en het plaatsen van een pompinstallatie, artikel 4.3.9 van toepassing is op de eerste put; c. c. indien het gerealiseerde vermogen van de eerste put minder dan 75% van het verwacht vermogen is, artikel 4.3.8 van toepassing is wanneer de subsidieontvanger niet overgaat tot het boren van het doublet. **2.** Indien subsidie is verstrekt voor het boren van een half doublet, en de gegarandeerde put de tweede put van het doublet, of een vervolgput is, is artikel 4.3.9 van toepassing op deze put. **3.** Artikel 4.3.6, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op een aardwarmteproject en een diep aardwarmteproject waarbij de subsidie is verstrekt voor het boren van een half-doublet. ### Artikel 4.3.8 **1.** De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule: Subsidiebedrag = e/f * (a – c + d) en maximaal: Subsidiebedrag = e/f * (a – b) In deze formules betekent: a: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten van de eerste boring, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, b: b: de restwaarde bij alternatief gebruik zonder alternatiefwerkzaamheden, c: c: de restwaarde bij alternatief gebruik na alternatiefwerkzaamheden, d: d: de additionele kosten voor de realisatie van alternatief gebruik voor ten hoogste 15 jaar, e: e: het maximale subsidiebedrag, f: f: de verwachte subsidiabele kosten. **2.** Indien de put definitief wordt afgedicht is de restwaarde nul. Indien de restwaarde negatief is wordt de restwaarde op nul gesteld. **3.** Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan bedraagt de subsidie ten hoogste 60 procent van het maximale subsidiebedrag. Indien subsidie is verstrekt voor een half-doublet dan bedraagt het subsidiebedrag ten hoogste het maximale subsidiebedrag. **4.** Indien de formule in het eerste lid een negatieve uitkomst oplevert wordt de subsidie op nul gesteld. **5.** Indien subsidie is verstrekt voor een doublet dan wordt de betaalde premie minus 5,95 procent van de tot en met de eerste boring gerealiseerde subsidiabele kosten gerestitueerd. ### Artikel 4.3.9 **1.** De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule: Subsidiebedrag = f/g * a * (1 – d / c) + f/g * e en maximaal: Subsidiebedrag = f/g * a * (1 – b / c) In deze formules betekent: a: a: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, b: b: het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden, c: c: het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking, d: d: het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden, e: e: de additionele kosten voor de verbeterwerkzaamheden voor ten hoogste 15 jaar, f: f: het maximale subsidiebedrag, g: g: de verwachte subsidiabele kosten. **2.** De subsidie wordt op nul gesteld indien het gerealiseerd vermogen in MW, zonder verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking. **3.** Indien het gerealiseerd vermogen in MW, na verbeterwerkzaamheden, meer bedraagt dan het verwacht vermogen in MW, zoals vermeld in de beschikking, wordt de term f/g * a (1 – d / c) in het eerste lid op nul gesteld. ### Artikel 4.3.10 **1.** De subsidieontvanger betaalt voorafgaand aan de start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject een premie van 7 procent van het maximale subsidiebedrag. **2.** Bij verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 8.500.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 505.750. **3.** Bij een diep aardwarmteproject en verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 15.000.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 892.500. ### Artikel 4.3.11 **1.** De subsidieontvanger start binnen twaalf maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject en meldt de datum van aanvang binnen twee dagen na aanvang aan de Minister. De Minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger uitstel verlenen. **2.** Het boorgereed maken van de locatie wordt aangemerkt als start van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject. ### Artikel 4.3.12 **1.** Een subsidieontvanger doet na de puttest of puttesten mededeling aan de Minister over: a. a. het al dan niet uitvoeren van op toename van het gerealiseerde vermogen respectievelijk verhoging van de restwaarde gerichte verbeter- of alternatiefwerkzaamheden; b. b. het al dan niet toepassen van een beter renderend alternatief gebruik van de put of putten. **2.** Aan vaststelling van de subsidie is de verplichting verbonden gedurende vijf jaar na vaststelling af te zien van werkzaamheden en van alternatief gebruik als bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 4.3.13 **1.** De subsidieontvanger verstrekt binnen acht weken na de boring van een put, de resultaten van deze puttest aan de Minister. **2.** De subsidieontvanger verstrekt binnen acht weken na verbeterwerkzaamheden, de resultaten van deze puttest aan de Minister. **3.** Het geologisch onderzoek en de puttest worden uitgevoerd door een ISO 9001 gecertificeerde instelling. **4.** De subsidieontvanger maakt de resultaten van het geologische onderzoek en het advies van TNO binnen acht weken na de start, bedoeld in artikel 4.3.11, eerste lid, openbaar. **5.** De subsidieontvanger maakt binnen vier weken na datum van de beschikking tot subsidievaststelling de resultaten openbaar van de puttest of puttesten, voor zover van toepassing het advies van TNO over de puttest of de puttesten, en overige onderzoeksresultaten die door de subsidieontvanger als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.3.5 worden aangemerkt. ### Artikel 4.3.14 **1.** De subsidieontvanger voltooit het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject uiterlijk twaalf maanden na de datum van aanvang van het aardwarmteproject of diep aardwarmteproject, bedoeld in artikel 4.3.11, eerste lid. **2.** De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt met twaalf maanden verlengd indien uit de mededeling, bedoeld in artikel 4.3.12, eerste lid, blijkt dat de subsidieontvanger verbeterwerkzaamheden of alternatiefwerkzaamheden wil uitvoeren. **3.** De Minister kan voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid. ### Artikel 4.3.15 De artikelen 45 tot en met 47 van het besluit zijn niet van toepassing. ### Artikel 4.3.16 **1.** Een aanvraag om subsidie op grond van artikel 4.2.3 bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag om subsidie op grond van artikel 4.2.3 ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over het project. **3.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de Minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling. ### Artikel 4.3.17 De subsidie, bedoeld in artikel 4.3.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 4.3.18 Deze titel en de bijlagen 4.3.1 en 4.3.2 vervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 4.4. Indirecte emissiekosten ETS ### Artikel 4.4.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *aanvraagjaar:* kalenderjaar waarin de aanvraag voor subsidie wordt ingediend; - *CO2:* CO_2 of CO_2-equivalent; - *CO2-emissiefactor:* 0,45 tCO_2/MWh; - *CO2-equivalent:* hoeveelheid CH_4, N_2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.4.3 eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO_2; - *CO2-reductieplan:* plan, bedoeld in artikel 4.4.8; - *efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik:* op Prodcom 8-niveau gedefinieerd productspecifiek elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh/ton output, dat wordt bereikt met de meest elektriciteitsefficiënte productiemethoden voor het beschouwde product. Voor producten in de in aanmerking komende bedrijfstakken waarvoor de uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit werd vastgesteld in punt 2 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59), worden de efficiëntiebenchmarks voor elektriciteitsverbruik binnen dezelfde systeemgrenzen vastgesteld, uitsluitend rekening houdend met het aandeel van elektriciteit voor de bepaling van het steunbedrag. De overeenkomstige elektriciteitsverbruikbenchmarks voor producten die vallen onder de in aanmerking komende bedrijfstakken, bedoeld in bijlage 4.4.1, zijn opgenomen in bijlage 4.4.2; - *EUA-termijnkoers:* gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse 1-jaarstermijnkoersen van EUA’s (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar t, zoals waargenomen op een Europese EUA koolstofbeurs van 1 januari tot en met 31 december in het kalenderjaar voorafgaand aan jaar t; - *fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik:* 80 procent van het werkelijke elektriciteitsverbruik. De fallback-efficiëntiebenchmark wordt vanaf aanvraagjaar 2023 jaarlijks met 1,09 procent verlaagd en wordt toegepast voor alle producten die onder de in aanmerking komende bedrijfstakken vallen, maar waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is gedefinieerd. - *indirecte emissiekosten ETS:* door elektriciteitsbedrijven doorberekende CO_2-kosten in de elektriciteitsprijzen als gevolg van deelname aan het Europese emissiehandelssysteem als bedoeld in Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU 2003, L275); - *inrichting:* elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht; - *jaar t:* kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt verstrekt; - *KvK-nummer:* nummer waarmee de subsidieaanvrager is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007; - *scope 1-emissie:* emissie door installaties die in eigendom zijn van of gecontroleerd worden door de inrichting; - *monitoringsrapportage:* rapportage, bedoeld in artikel 4.4.9; - *scope 2-emissie:* emissie die ontstaat door de opwekking van elektriciteit, warmte en koeling, en stoom in installaties die niet tot de inrichting behoren, maar wel door de inrichting worden gebruikt; - *werkelijk elektriciteitsverbruik:* werkelijke elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh, in de installatie in jaar t, bepaald ex post in jaar t+1; - *werkelijke output:* werkelijke productie van de installatie in jaar t, uitgedrukt in ton per jaar, bepaald ex post in jaar t+1. ### Artikel 4.4.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de indirecte emissiekosten aan een ondernemer die een inrichting drijft waar producten worden vervaardigd in bedrijfstakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een reëel koolstoflekkagerisico als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen doordat broeikasgasemissiekosten in de elektriciteitsprijzen worden doorberekend, bedoeld in bijlage 4.4.1. **2.** Het CO_2-reductieplan maakt vanaf aanvraagjaar 2023 deel uit van de aanvraag. **3.** De minister verstrekt ambtshalve een voorschot binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. **4.** De hoogte van het voorschot bedraagt 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. ### Artikel 4.4.3 **1.** De hoogte van de subsidie wordt bepaald door de kosten die in jaar t zijn gemaakt: a. a. voor elk product waarvoor een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, afzonderlijk berekend overeenkomstig de volgende formule: Ai * C_t * P_t–1 * E * AO_t In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een breuk; C_t: de CO_2-emissiefactor; P_t–1: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO_2); E: de toepasselijke productspecifieke efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik als omschreven in bijlage 4.4.2; AO_t: de werkelijke output in jaar t. b. b. voor producten waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsgebruik is vastgesteld, berekend overeenkomstig de volgende formule: Ai * C_t * P_t–1 * EF * AEC_t. In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een breuk; C_t: de CO_2-emissiefactor; P_t–1: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO_2); EF: de fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik in jaar t; AEC_t: het werkelijke elektriciteitsverbruik (MWh) in jaar t. **2.** De hoogte van het subsidiebedrag wordt verminderd met het bedrag in euro dat overeenkomt met de indirecte emissiekosten ETS van 1.000 MWh, berekend overeenkomstig de volgende formule: Ai *C_t *P_t–1 * EF *AEC. In deze formule betekent: Ai: de steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het derde lid, uitgedrukt als een percentage; C_t: de CO_2-emissiefactor; P_t–1: de EUA-termijnkoers in jaar t–1 (Euro/tCO_2); EF: de fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik in jaar t; AEC: 1.000 (MWh). **3.** De steunintensiteit in jaar t, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt 75 procent van de opgelopen indirecte kosten gemaakt in 2021 tot en met 2030. ### Artikel 4.4.4 In afwijking van de artikelen 10, eerste tot en met vijfde en zevende lid, en 11 tot en met 14 van het besluit komen de indirecte emissiekosten ETS in aanmerking voor subsidie voor zover deze indirecte emissiekosten: a. a. betrekking hebben op de vervaardiging van producten in bedrijfstakken, bedoeld in bijlage 4.4.1; b. b. niet het gevolg zijn van productieprocessen waarbinnen energiedragers worden verwerkt en worden geproduceerd met als doel meer dan 50 procent van de energiedragers te produceren met een fossiele oorsprong. ### Artikel 4.4.5 De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen. ### Artikel 4.4.6 **1.** De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a tot met h, van het besluit zijn niet van toepassing. **2.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. a. de subsidieaanvrager, indien van toepassing, niet voldoet aan zijn verplichting een energie-audit uit te voeren op grond van artikel 18 van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie; b. b. de subsidieaanvrager geen CO_2-reductieplan als bedoeld in artikel 4.4.2, tweede lid, heeft overgelegd; c. c. de subsidieaanvrager een CO_2-reductieplan heeft overgelegd dat niet voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 4.4.8, eerste en tweede lid; d. d. de subsidieaanvrager een of meer in het CO_2-reductieplan vastgestelde investeringen, die overeenkomstig het CO_2-reductieplan gepland stonden voor jaar t, niet of gedeeltelijk niet heeft gerealiseerd en geen argument hiervoor heeft aangeleverd dat de minister als valide aanmerkt; e. e. de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op productieprocessen waarbinnen energiedragers worden verwerkt en worden geproduceerd met als doel meer dan 50 procent van de energiedragers te produceren met een fossiele oorsprong. ### Artikel 4.4.7 **1.** Op een subsidie voor de indirecte emissiekosten ETS zijn de artikelen 37 tot en met 42 van het besluit niet van toepassing. **2.** De subsidieontvanger verstrekt, totdat een verzoek tot vaststelling is ingediend, jaarlijks een monitoringsrapportage, als bedoeld in artikel 4.4.9. **3.** De subsidieontvanger voert de CO_2-reducerende maatregelen uit overeenkomstig het in artikel 4.4.8 opgenomen CO_2-reductieplan. ### Artikel 4.4.8 **1.** Het CO_2-reductieplan bestaat uit een verkenning van de mogelijkheden om de absolute CO_2-emissie van de bestaande inrichting te reduceren en bevat een pakket aan technische voorzieningen waarmee tot en met 2030 de totale scope 1-emissie en scope-2 emissie van de inrichting met ten minste 3 procent per jaar wordt gereduceerd ten opzichte van de scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020. **2.** Het CO_2-reductieplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld standaardformulier en bevat in ieder geval: a. a. een beschrijving van de bedrijfsprocessen; b. b. een overzicht van de totale scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020 als gevolg van de bedrijfsprocessen; c. c. een CO_2-emissie onderverdeling naar de relevante onderdelen van het bestaande bedrijfsproces, die voor minimaal 90 procent dekkend is; d. d. een toelichting op de rekenmethodieken waarmee de CO_2-emissie is bepaald; e. e. een overzicht van de mogelijkheden tot en de kwantificering van CO_2-reductie; f. f. een raming van de te verwachten investeringskosten per technische voorziening, waarbij in totaal ten minste 50 procent van het subsidiebedrag wordt geïnvesteerd in projecten die leiden tot ten minste 3 procent reductie per jaar van de broeikasgasemissies van de inrichting; g. g. een plan van aanpak voor de planning en uitvoering van de in het plan benoemde technische voorzieningen waaruit blijkt dat voor de periode 2021–2025 ten minste 3 procent CO_2 emissiereductie per jaar waarvoor subsidie is verleend behaald wordt ten opzichte van het kalenderjaar 2020 met dien verstande dat de technische voorzieningen uiterlijk op 31 december 2030 zijn gerealiseerd. **3.** Indien uit het CO_2_-reductieplan blijkt dat het voldoen aan het tweede lid, onderdeel f, gedeeltelijk niet haalbaar is, kan de minister de mogelijkheid bieden om, onverminderd de uitvoering van de in het CO_2-reductieplan benoemde technische voorzieningen, een aanvullend plan op te stellen waarmee wordt zeker gesteld dat uiterlijk binnen twee jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de onderneming subsidie als bedoeld in artikel 4.4. aanvraagt ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik wordt ingevuld met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen die: a. a. wordt opgewekt binnen de inrichting of binnen een straal van 50 kilometer van de inrichting; of b. b. wordt ingekocht op basis van een contract dat specificeert dat de elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron afkomstig is. **4.** De minister biedt de mogelijkheid, genoemd in het derde lid, indien: a. a. de subsidieaanvrager beperkt financieel draagkrachtig is doordat de subsidieaanvrager de drie jaar voorafgaand aan het jaar van aanvraag verliesgevend was; b. b. de kosten voor het reduceren van één ton CO_2 gemiddeld meer dan 300 euro bedragen; of c. c. de subsidieaanvrager met zijn inrichting reeds een zeer efficiënt productieproces kent dat bij een jaarlijkse investering van minder dan 50 procent van het ontvangen subsidiebedrag in CO_2-reductiemaatregelen lager uitkomt dan 15 procent onder de toepasselijke benchmark voor kosteloze toewijzing in het EU-ETS. ### Artikel 4.4.9 **1.** De monitoringsrapportage bestaat uit een beschrijving van de uitvoering van het CO_2-reductieplan. **2.** De monitoringsrapportage wordt opgesteld met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld standaardformulier en bevat in ieder geval: a. a. de in jaar t uitgevoerde maatregelen en de daarbij behaalde CO_2-emissiereductie uitgedrukt in: 1°. tonnen CO_2; en 2°. een percentage van de vastgestelde totale CO_2-emissie in het kalenderjaar 2020; 1°. 1°. tonnen CO_2; en 2°. 2°. een percentage van de vastgestelde totale CO_2-emissie in het kalenderjaar 2020; b. b. een overzicht van de gedane investeringen ten aanzien van de in jaar t uitgevoerde maatregelen; c. c. een overzicht van de totaal behaalde CO_2-emissiereductie vanaf de start van de uitvoering van het CO_2-reductieplan; d. d. een overzicht van de totaal uitgekeerde subsidiebedragen voor de indirecte emissiekosten ETS; en e. e. een overzicht van het totaal aan gedane investeringen vanaf de start van de uitvoering van het CO_2-reductieplan. **3.** Indien artikel 4.4.8, derde lid, van toepassing is, bevat de monitoringsrapportage ook informatie over de voortgang of realisatie van het verminderen van het totaalgebruik van fossiele brandstoffen in de toeleveringsketen door ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik in te vullen met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen. ### Artikel 4.4.10 Indien de subsidieaanvrager na 2020 aanvangt met de vervaardiging van producten, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid, wordt in deze regeling voor ‘het kalenderjaar 2020’ telkens gelezen ‘het eerste jaar waarin de installatie onder ontwerpomstandigheden in bedrijf is geweest’. Indien de installatie slechts een deel van het jaar in bedrijf is geweest wordt de totale CO_2-emissie geëxtrapoleerd naar een volledig jaar. ### Artikel 4.4.11 **1.** Een aanvraag om subsidie op grond van artikel 4.4.2, bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het KvK-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over het project; d. d. een onderbouwing van de werkelijke output en het werkelijke elektriciteitsverbruik. **2.** Indien het subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en minder bedraagt dan € 125.000 overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag ten behoeve van de onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel een door een onafhankelijke deskundige derde, zijnde accountant, accountant-administratieconsulent of fiscaal adviseur, afgegeven verklaring hierover. Indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt overlegt de aanvrager hierover een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent. ### Artikel 4.4.12 **1.** De subsidieontvanger kan bij het indienen van de monitoringsrapportage, of uiterlijk 13 weken na 31 december 2030, een aanvraag doen tot vaststelling van de subsidie over een bepaald jaar. **2.** Indien de subsidieontvanger blijkens de monitoringsrapportage in een bepaald jaar met het pakket aan technische voorzieningen de totale scope 1-emissie en scope 2-emissie van de inrichting met ten minste 3 procent per jaar heeft gereduceerd ten opzichte van de scope 1-emissie en scope 2-emissie in het kalenderjaar 2020 en ten minste 50 procent van het subsidiebedrag in dat jaar heeft geïnvesteerd in projecten die hebben geleid tot deze reductie, danwel ingevolge artikel 4.4.8, derde lid, heeft aangetoond dat ten minste 30 procent van het elektriciteitsverbruik is ingevuld met elektriciteit uit koolstofvrije bronnen, stelt de minister de subsidie vast. **3.** In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, gaat de aanvraag niet vergezeld van een controleverklaring. ### Artikel 4.4.13 De subsidie, bedoeld in artikel 4.4.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.102626 (2022/N). ### Artikel 4.4.14 Deze titel en de bijlagen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3, vervallen met ingang van 31 december 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 4.5. Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) ### Artikel 4.5.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *aansluiting op een warmtenet:* individuele aansluiting op een warmtenet; a. * appartement: * a. deel van een gebouw waarop een appartementsrecht rust en waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht; b. woning in een gebouw, waarvoor een wooncoöperatie is opgericht; of c. woning in een gebouw van een woonvereniging; a. a. deel van een gebouw waarop een appartementsrecht rust en waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht; b. b. woning in een gebouw, waarvoor een wooncoöperatie is opgericht; of c. c. woning in een gebouw van een woonvereniging; - *biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal:* isolatiemateriaal waarvan ten minste 70% van de massa bestaat uit biobased materiaal als bedoeld in de EN16575:2014, genoemd in de environmental product declaration van de fabrikant en met een maximale milieukostenindicator van 1,9 bepaald bij de norm EN 15804+A2, genoemd in de categorie 1-kaart als bedoeld in de Nationale Milieudatabase van het betreffende product, bij een Rd-waarde van 3,5 m^2K/W; a. *blokaansluiting voor warmte:* a. voorziening voor de levering van warmte aan wooneenheden waarvan de bewoners niet individueel beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier of waarvan de bewoners beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier die de verhuurder is van wooneenheden die op de blokaansluiting zijn aangesloten, en tevens lid is van een vereniging van eigenaars, en warmte levert aan zijn eigen huurders en aan de andere leden van die vereniging; of b. aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Gaswet die is geregistreerd in het centraal aansluitingenregister, die in bedrijf is, en bestemd is voor de levering van gas aan twee of meer zelfstandige of onzelfstandige wooneenheden die niet individueel beschikken over een dergelijke aansluiting, ten behoeve van de productie van warmte met behulp van een individuele warmteproductie-installatie voor één wooneenheid waarvan de bewoner niet individueel beschikt over een overeenkomst met een warmteleverancier; a. a. voorziening voor de levering van warmte aan wooneenheden waarvan de bewoners niet individueel beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier of waarvan de bewoners beschikken over een overeenkomst met een warmteleverancier die de verhuurder is van wooneenheden die op de blokaansluiting zijn aangesloten, en tevens lid is van een vereniging van eigenaars, en warmte levert aan zijn eigen huurders en aan de andere leden van die vereniging; of b. b. aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Gaswet die is geregistreerd in het centraal aansluitingenregister, die in bedrijf is, en bestemd is voor de levering van gas aan twee of meer zelfstandige of onzelfstandige wooneenheden die niet individueel beschikken over een dergelijke aansluiting, ten behoeve van de productie van warmte met behulp van een individuele warmteproductie-installatie voor één wooneenheid waarvan de bewoner niet individueel beschikt over een overeenkomst met een warmteleverancier; - *bouwbedrijf:* bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie; - *bouwinstallatiebedrijf:* bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie; a. *eigenaar-bewoner:* natuurlijke persoon die: a. een woning in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd; of b. gerechtigde is in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd; a. a. een woning in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd; of b. b. gerechtigde is in de gemeente waar de hiervoor bedoelde persoon ingeschreven staat van een bestaand appartement en in dat appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement zal hebben, waarbij onder renovatie mede begrepen wordt de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd; - *EPREL:* productendatabank als bedoeld in artikel 12 van verordening (EU) nr. 2017/1369; - *etiket:* gedrukt etiket als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 811/2013, artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) nr. 812/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1254/2014; - *gebouw:* gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet of een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen; - *gedelegeerde verordening (EU) nr. 1254/2014:* verordening (EU) nr. 1254/2014 van de Commissie van 11 juli 2014 houdende aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de energie-etikettering van residentiële ventilatie-eenheden; - *GWP:* aardopwarmingsvermogen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1 van verordening (EU) nr. 2024/573; - *HR++ glas:* glas met een maximale U-waarde van 1,2 W/m2K; - *individuele aansluiting op een warmtenet:* individuele aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *isolerende kozijnpanelen:* kozijnpanelen met maximaal dezelfde U-waarde als de glassoort waarmee deze worden gecombineerd in kozijnen, met uitzondering van kozijnpanelen bij monumenten waarvoor in deze titel een U-waarde wordt vastgesteld; - *koopwoning:* woning van een eigenaar-bewoner; a. *meldcode:* code beschikbaar gesteld door de minister: a. per type en merk installatie voor de productie van duurzame energie; b. per soort isolatiemateriaal voor energiebesparende isolatiemaatregelen; c. per type en merk installatie voor ventilatie; a. a. per type en merk installatie voor de productie van duurzame energie; b. b. per soort isolatiemateriaal voor energiebesparende isolatiemaatregelen; c. c. per type en merk installatie voor ventilatie; a. *monument:* woning die zelfstandig of als onderdeel van een gebouw deel uitmaakt van cultureel erfgoed dat is ingeschreven als: a. rijksmonument in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet; b. gemeentelijk monument in een gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet; of c. provinciaal monument in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet; a. a. rijksmonument in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet; b. b. gemeentelijk monument in een gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet; of c. c. provinciaal monument in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet; - *prestatieverklaring:* prestatieverklaring of kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 1.8 van het Bouwbesluit 2012 of artikel 2.14 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving; - *productkaart:* productkaart als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 811/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 812/2013; - * raamoppervlakte: * de binnenwerkse maat, die wordt verkregen door het van binnenuit meten van de totale oppervlakte van kozijn en glas; - * ruimteverwarmingstoestel: * ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, van verordening (EU) nr  811/2013 of artikel 2, leden 17 of 18, van Verordening (EU) nr. 813/2013, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp; - * technische documentatie: * technische documentatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van verordening (EU) nr. 811/2013, artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van verordening (EU) nr. 812/2013, artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1254/2014 of productinformatie als bedoeld in bijlage II, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 813/2013; - *thermisch vermogen bij bivalente temperatuur:* thermisch vermogen bij bivalente temperatuur als bedoeld in tabel 8 van bijlage V van verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 2 van bijlage II van Verordening (EU) nr. 813/2013; - *thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur:* thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur als bedoeld in tabel 10 van bijlage VII van verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 4 van bijlage III van Verordening (EU) nr. 813/2013; - *thermische schil:* thermische schil als beschreven in ISSO 82.1, zesde druk; - *triple-glas:* glas met een maximale U-waarde van 0,7 W/m2K; - * vereniging van eigenaars: * vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; - *verordening (EU) nr. 305/2011:* verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEU 2011, L 88/5); - *verordening (EU) nr. 811/2013:* verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239); - *verordening (EU) nr. 812/2013:* verordening (EU) nr. 812/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees parlement en de Raad wat de energie-etikettering van waterverwarmingstoestellen, warmwatertanks en pakketten van waterverwarmingstoestellen en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239); - * verordening (EU) nr. 813/2013: * verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft (PbEU 2013, L 239); - *verordening (EU) nr. 2017/1369:* verordening (EU) nr. 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn (EU) nr. 2010/30; - *verordening (EU) nr. 2024/573:* verordening (EU) nr. 2024/573 van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2024 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 517/2014; - *warmteleverancier:* leverancier als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *warmtenet:* warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *waterverwarmingstoestel:* waterverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in artikel 2, onderdeel zeventien, van verordening (EU) nr. 812/2013; a. * woning: * a. gebouwde onroerende zaak die, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt, en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, dient hiervoor bedoelde onroerende zaak met een woonfunctie te zijn geregistreerd; of b. bestaand appartement dat, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, dient hiervoor bedoeld appartement met een woonfunctie te zijn geregistreerd; a. a. gebouwde onroerende zaak die, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt, en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, dient hiervoor bedoelde onroerende zaak met een woonfunctie te zijn geregistreerd; of b. b. bestaand appartement dat, alvorens investering als bedoeld in deze titel plaatsvindt, een zelfstandige woongelegenheid vormt en als zodanig bewoond is geweest, en is voorzien van een eigen toegang, keuken, bad of douche, en toilet. In de basisregistratie, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, dient hiervoor bedoeld appartement met een woonfunctie te zijn geregistreerd; - * wooncoöperatie: * wooncoöperatie als bedoeld in artikel 18a van de Woningwet; - * woonvereniging: * vereniging die eigenaar is van één of meer gebouwen en waarvan de leden het recht hebben om in een bepaalde woning die onderdeel uitmaakt van dat gebouw of die gebouwen te wonen. ### Artikel 4.5.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor een investering of combinatie van investeringen die bestemd is voor: a. a. de productie van duurzame energie; b. b. energiebesparende isolatiemaatregelen, of energiebesparende isolatiemaatregelen in combinatie met één ventilatiemaatregel; c. c. de aansluiting op een warmtenet; of d. d. de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken. **2.** Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt deze verstrekt aan een ondernemer, vereniging, stichting, verhuurder van een woning, zijnde een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, eigenaar-bewoner dan wel andere rechtspersoon of natuurlijke persoon ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van één of meer van de volgende installaties: a. a. een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel dat: 1°. is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp; 2°. een thermisch vermogen heeft van ten hoogste 400kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp; 3°. is voorzien van een etiket, een productkaart en de bijbehorende technische documentatie en is geregistreerd in EPREL indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen tot en met 70kW; 4°. is voorzien van technische documentatie, indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen van 71 kW tot ten hoogste 400kW; 5°. geen gezamenlijk thermisch vermogen heeft dat meer is dan 500kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp, indien sprake is van meerdere warmtepompen aangesloten op hetzelfde verwarmings- of afgiftesysteem; en 6°. een koudemiddel met een GWP kleiner dan 750 bevat, in geval van een split-warmtepomp als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 9, subonderdeel a van verordening (EU) nr. 2024/573 met een installatiedatum op of na 1 januari 2026; 1°. 1°. is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp; 2°. 2°. een thermisch vermogen heeft van ten hoogste 400kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp; 3°. 3°. is voorzien van een etiket, een productkaart en de bijbehorende technische documentatie en is geregistreerd in EPREL indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen tot en met 70kW; 4°. 4°. is voorzien van technische documentatie, indien sprake is van een installatie met een thermisch vermogen van 71 kW tot ten hoogste 400kW; 5°. 5°. geen gezamenlijk thermisch vermogen heeft dat meer is dan 500kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp, indien sprake is van meerdere warmtepompen aangesloten op hetzelfde verwarmings- of afgiftesysteem; en 6°. 6°. een koudemiddel met een GWP kleiner dan 750 bevat, in geval van een split-warmtepomp als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 9, subonderdeel a van verordening (EU) nr. 2024/573 met een installatiedatum op of na 1 januari 2026; b. b. een zonneboiler, waaronder begrepen een zonneboilercombi, bestaande uit een zonne-energie-installatie die: 1°. is bedoeld voor het maken van warm tapwater of voor het leveren van ruimteverwarming in combinatie met het maken van warm tapwater; 2°. een totale apertuuroppervlakte van ten hoogste 200 vierkante meter per verwarmings- of afgiftesysteem heeft; 3°. is voorzien van een productkaart en de bijbehorende technische documentatie; en 4°. is voorzien van een etiket, indien sprake is van een zonneboilercombi; 1°. 1°. is bedoeld voor het maken van warm tapwater of voor het leveren van ruimteverwarming in combinatie met het maken van warm tapwater; 2°. 2°. een totale apertuuroppervlakte van ten hoogste 200 vierkante meter per verwarmings- of afgiftesysteem heeft; 3°. 3°. is voorzien van een productkaart en de bijbehorende technische documentatie; en 4°. 4°. is voorzien van een etiket, indien sprake is van een zonneboilercombi; c. c. een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines in een daarvoor bestemd gebied: 1°. die wordt aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A; en 2°. waarvan het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m^2 is. 1°. 1°. die wordt aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A; en 2°. 2°. waarvan het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m^2 is. **3.** Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een koopwoning laten aanbrengen van isolatiemateriaal, dat is voorzien van een prestatieverklaring, voor één of meer van de typen energiebesparende isolatiemaatregelen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e, eventueel in combinatie met één van de typen ventilatiemaatregelen bedoeld in onderdeel f: a. a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie, waarbij: 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van het bestaande dak in de bestaande thermische schil dan wel, indien de zolder of vliering onverwarmd is, van ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande zolder- of vlieringvloer, wordt geïsoleerd; 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; en 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; 1°. 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van het bestaande dak in de bestaande thermische schil dan wel, indien de zolder of vliering onverwarmd is, van ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande zolder- of vlieringvloer, wordt geïsoleerd; 2°. 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; en 3°. 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; b. b. gevelisolatie, waarbij: 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van de binnen- of buitengevel van de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; en 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; 1°. 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van de binnen- of buitengevel van de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; en 2°. 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument is aangebracht na 31 december 2023 en een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; c. c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil door: 1°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K; 2°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K; 3°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K; 4°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K; 5°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2026, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K; 6°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m^2K of nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K, of triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn; of 7°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m^2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m^2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m^2K; 1°. 1°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K; 2°. 2°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K; 3°. 3°. het vervangen van ten minste 8 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K; 4°. 4°. het vervangen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte indien de maatregel is aangebracht na 31 december 2024, van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K; 5°. 5°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2026, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K; 6°. 6°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2023 van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m^2K of nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K, of triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn; of 7°. 7°. het vervangen of toevoegen van ten minste 3 vierkante meter van de oppervlakte, of raamoppervlakte van een monument indien een maatregel is aangebracht na 31 december 2025, van glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m^2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m^2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m^2K; d. d. spouwmuurisolatie, waarbij: 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van bestaande spouwmuren in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 1,1 m2K/W heeft; en 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; 1°. 1°. ten minste 10 vierkante meter van de oppervlakte van bestaande spouwmuren in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; 2°. 2°. het isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 1,1 m2K/W heeft; en 3°. 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; e. e. vloer- dan wel bodemisolatie, waarbij: 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande vloer of de bestaande bodem in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; 2°. het isolatiemateriaal een Rd- of Rbf-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft; en 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; 1°. 1°. ten minste 20 vierkante meter van de oppervlakte van de bestaande vloer of de bestaande bodem in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; 2°. 2°. het isolatiemateriaal een Rd- of Rbf-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft; en 3°. 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen; f. f. één ventilatiemaatregel geïnstalleerd op of na 1 januari 2026, niet zijnde een ruimteverwarmingstoestel of waterverwarmingstoestel als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, in combinatie met een aanvraag voor één of meer isolatiemaatregelen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e van dit lid, of in combinatie met één of meer isolatiemaatregelen als bedoeld in de onderdelen a tot en met e van dit lid die niet meer dan 24 maanden eerder zijn aangebracht en waarvoor subsidie is verstrekt, bestaande uit: 1°. een centrale CO_2 gestuurde mechanische luchtafvoer-unit, met een minimale capaciteit van 125 m^3/h, zoals geregistreerd in EPREL, aangestuurd met minimaal twee CO_2 sensoren en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie; 2°. een centrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning en een minimaal rendement van 85%, getest conform EN13141-7:2021, een minimale capaciteit van 125 m^3/h, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie; of 3°. een decentrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning door middel van een recuperatieve warmtewisselaar, een minimaal rendement van 80% getest conform EN13141-8:2022, een minimale capaciteit van 80 m^3/h, met gelijktijdige luchttoevoer en afvoer in de unit, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie. 1°. 1°. een centrale CO_2 gestuurde mechanische luchtafvoer-unit, met een minimale capaciteit van 125 m^3/h, zoals geregistreerd in EPREL, aangestuurd met minimaal twee CO_2 sensoren en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie; 2°. 2°. een centrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning en een minimaal rendement van 85%, getest conform EN13141-7:2021, een minimale capaciteit van 125 m^3/h, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie; of 3°. 3°. een decentrale balansventilatie-unit met warmteterugwinning door middel van een recuperatieve warmtewisselaar, een minimaal rendement van 80% getest conform EN13141-8:2022, een minimale capaciteit van 80 m^3/h, met gelijktijdige luchttoevoer en afvoer in de unit, zoals geregistreerd in EPREL en is voorzien van een etiket en de bijbehorende technische documentatie. **4.** Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van het door een warmteleverancier aansluiten van een bestaande koopwoning op een individuele aansluiting op een warmtenet. **5.** Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering die bestemd is voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt deze verstrekt aan een eigenaar-bewoner ten behoeve van het eenmalig aanschaffen van een nieuwe volledig elektrische kookvoorziening voor een woning die op een warmtenet is aangesloten. **6.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag van een provincie of gemeente die, of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen dat, optreedt als marktpartij of als eigenaar of huurder van een roerende of onroerende zaak, onder dezelfde voorwaarden als natuurlijke personen en rechtspersonen niet zijnde medeoverheden. **7.** Subsidie voor een installatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt aan natuurlijke personen uitsluitend verstrekt voor een installatie die bestemd is voor gebruik ten behoeve van een onderneming die door de desbetreffende natuurlijke persoon in stand wordt gehouden. **8.** Het rotoroppervlak per windturbine, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2°, wordt berekend door: a. a. het kwadraat van de diameter van de rotor in meters te delen door vier en vervolgens te vermenigvuldigen met pi (π), indien het een windturbine met een horizontale as betreft; of b. b. de diameter van de rotor in meters te vermenigvuldigen met de hoogte van de rotor in meters, indien het een windturbine met een verticale as betreft. ### Artikel 4.5.3 **1.** De subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, bedraagt voor: a. a. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd voor 1 januari 2025 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur: 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 2.100, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW; 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW; 1°. 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 2.100, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW; 3°. 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW; b. b. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2025 en voor 1 januari 2026 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur: 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.250, vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW; 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW; 1°. 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.250, vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW; 3°. 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 1 kW; c. c. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2026 en is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur: 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.025 vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 0 kW; 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.500, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 0 kW; 1°. 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW ontwerpvermogen en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 1.025 vermeerderd met € 225 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 0 kW; 3°. 3°. van 71 kW ontwerpvermogen of meer: € 1.500, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur hoger dan 0 kW; d. d. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2025 en waarvoor kan worden aangetoond dat deze is aangeschaft tussen 1 januari en 31 december 2024 de in onderdeel a genoemde bedragen; e. e. een verwarmingstoestel dat is geïnstalleerd op of na 1 januari 2024 en is uitgerust met een grond-waterwarmtepomp of met een water-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur: 1°. tot 1 kW grond-waterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. van 1 kW tot en met 10 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200; 3°. van meer dan 10 kW tot en met 70 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW; 4°. van 71 kW of meer: € 3.750, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW; 1°. 1°. tot 1 kW grond-waterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp ten behoeve van (tap)waterverwarming: € 500; 2°. 2°. van 1 kW tot en met 10 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200; 3°. 3°. van meer dan 10 kW tot en met 70 kW en behorend tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger: € 4.200, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW; 4°. 4°. van 71 kW of meer: € 3.750, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW; f. f. een zonneboiler als bedoeld in artikel 4.5.2., tweede lid, onderdeel b: 1°. € 1,02 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van de zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 vierkante meter; 2°. € 0,55 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van meer dan 5 tot ten hoogste 10 vierkante meter; 3°. € 0,28 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter; 1°. 1°. € 1,02 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van de zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 vierkante meter; 2°. 2°. € 0,55 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van meer dan 5 tot ten hoogste 10 vierkante meter; 3°. 3°. € 0,28 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter; g. g. een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c, € 140 per m^2 rotoroppervlak. **2.** De subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 1°, onderdeel c, subonderdeel 1° en onderdeel e, subonderdeel 1°, wordt verhoogd met: a. a. € 225, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van (tap)waterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+; b. b. € 450, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van (tap)waterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A++. **3.** Indien de warmtepomp tot en met 70 kW blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+++ of hoger, wordt de subsidie: a. a. bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, en onderdeel e, subonderdelen 2° en 3°, verhoogd met € 225; b. b. bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2 ^o en onderdeel c, subonderdeel 2°, verhoogd met € 200. **4.** De jaarlijkse zonne-energiebijdrage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt voor zonneboilers vastgesteld op: a. a. 2.799 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel L, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 vierkante meter; b. b. 4.427 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel XL, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 5 en ten hoogste 10 vierkante meter; c. c. het product van 1.293 kWh, het totale collectoroppervlak van alle collectoren volgens de productkaart, het collectorrendement volgens de productkaart, de instralingshoekmodifier volgens de productkaart en de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het vierde of vijfde lid, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 10 vierkante meter. **5.** Afhankelijk van de energie-efficiëntieklasse vermeld op het etiket of de energie-efficiëntieklasse vastgesteld volgens de methode, bedoeld in bijlage II, onderdeel 2, van verordening (EU) nr. 812/2013, bedraagt de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het derde lid, onderdeel c: a. a. 0,95 bij energie-efficiëntieklasse A+; b. b. 0,91 bij energie-efficiëntieklasse A; c. c. 0,86 bij energie-efficiëntieklasse B; d. d. 0,83 bij energie-efficiëntieklasse C; e. e. 0,81 bij energie-efficiëntieklasse D tot en met G. **6.** In afwijking van het zesde lid bedraagt de verliesfactor voor een warmwatertank met een volume van 2000 liter en meer 0,81. **7.** Voor zover de aanvraag voor subsidie betrekking of mede betrekking heeft op een tweede of volgende investering in een lucht-waterwarmtepomp met een vermogen > 1 kW als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, met een installatiedatum op of na 1 januari 2026 wordt per aanvrager als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, aanhef, per locatie als bedoeld in artikel 4.5.12, eerste lid, onderdeel b, het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d en de verhoging, bedoeld in het tweede en derde lid, slechts éénmaal verstrekt of niet nogmaals verstrekt indien dit reeds op eerdere aanvraag is verstrekt. ### Artikel 4.5.4 **1.** Indien een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, is aangebracht na 31 december 2023 en voor 1 januari 2025 bedraagt de subsidie voor: a. a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie: 1°. voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 15 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 1°. 1°. voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 15 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. 2°. voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; b. b. gevelisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel b, € 19 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; c. c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil, voor zover de totale subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 45 vierkante meter te isoleren raamoppervlakte, door het vervangen van, of in geval van monumenten toevoegen, van: 1°. glas, kozijnpanelen of deuren door HR ++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, € 23 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°; 3°. glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 3°, € 65,50 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°; 5°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 23 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°; 7°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6°, € 42,50 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°; 9°. triple-glas voor monumenten als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 65,50 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°; 1°. 1°. glas, kozijnpanelen of deuren door HR ++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, € 23 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 2°. 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°; 3°. 3°. glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 3°, € 65,50 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 4°. 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°; 5°. 5°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 23 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 6°. 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°; 7°. 7°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6°, € 42,50 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 8°. 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°; 9°. 9°. triple-glas voor monumenten als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 65,50 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 10°. 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°; d. d. spouwmuurisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel d, € 4 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; e. e. vloer- dan wel bodemisolatie via: 1°. het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte. 1°. 1°. het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. 2°. het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte. **2.** Indien een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdelen a tot en met e, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f, is aangebracht op of na 1 januari 2025 bedraagt de subsidie voor: a. a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie: 1°. voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 16,25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 3°. voor het isoleren van het bestaande dak in combinatie met het isoleren van bestaande zolder- of vlieringvloer binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 1°. 1°. voor het isoleren van het bestaande dak, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 16,25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. 2°. voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, € 4 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 3°. 3°. voor het isoleren van het bestaande dak in combinatie met het isoleren van bestaande zolder- of vlieringvloer binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 200 vierkante meter te isoleren oppervlakte; b. b. gevelisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel b, € 20,25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; c. c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil, voor zover de totale subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 45 vierkante meter te isoleren raamoppervlakte, door het vervangen van, of in geval van monumenten toevoegen, van: 1°. glas, kozijnpanelen of deuren door HR ++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 2°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°; 3°. glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, € 111 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°; 5°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°; 7°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6°, € 46 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°; 9°. triple-glas voor monumenten als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, € 111 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°; 11°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m^2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m^2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m^2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 7°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 12°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m^2K, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m^2K, bedoeld in subonderdeel 11°; 1°. 1°. glas, kozijnpanelen of deuren door HR ++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 2°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 2°. 2°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR++ glas, bedoeld in subonderdeel 1°; 3°. 3°. glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw kozijn, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, € 111 per vierkante meter van de te isoleren raamoppervlakte; 4°. 4°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°; 5°. 5°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 5°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 6°. 6°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, bedoeld in subonderdeel 5°; 7°. 7°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren met een U-waarde van ten hoogste 1,5W/m2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 6°, € 46 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 8°. 8°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K als bedoeld in subonderdeel 7°; 9°. 9°. triple-glas voor monumenten als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 4°, € 111 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 10°. 10°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen, € 45 per vierkante meter voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas als bedoeld in subonderdeel 9°; 11°. 11°. glas, kozijnpanelen of deuren door glas of voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m^2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m^2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m^2K als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 7°, € 25 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; 12°. 12°. glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen met een U-waarde van ten hoogste 3,0 W/m^2K, € 10 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door voor- of achterzetbeglazing met een U-waarde van ten hoogste 5,8 W/m^2K, bedoeld in subonderdeel 11°; d. d. spouwmuurisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel d, € 5,25 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 170 vierkante meter te isoleren oppervlakte; e. e. vloer- dan wel bodemisolatie via: 1°. het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 3°. het isoleren van de bestaande vloer in combinatie met het isoleren van de bestaande bodem binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte. 1°. 1°. het isoleren van de bestaande vloer, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 5,50 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 2°. 2°. het isoleren van de bestaande bodem, bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel e, € 3 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte; 3°. 3°. het isoleren van de bestaande vloer in combinatie met het isoleren van de bestaande bodem binnen de bestaande thermische schil een subsidie voor ten hoogste 130 vierkante meter te isoleren oppervlakte. **3.** De in het eerste en tweede lid genoemde subsidiebedragen worden verdubbeld indien: a. a. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op investeringen in ten minste twee typen energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid; b. b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op investeringen in tenminste één type energiebesparende isolatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, in combinatie met een investering in ten minste één installatie voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, dan wel in combinatie met een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in het vierde lid van dat artikel; c. c. aan de subsidieaanvrager reeds subsidie is verstrekt waarbij de bedragen zijn betrokken, bedoeld in het eerste en tweede lid, en hij daaropvolgend een subsidieaanvraag indient waardoor de combinatie van investeringen ontstaat als bedoeld in onderdelen a of b. De verdubbeling van de reeds vastgestelde subsidiebedragen maken in dit geval onderdeel uit van de vaststelling van laatstbedoelde aanvraag voor subsidie. **4.** Het derde lid is niet van toepassing indien er meer dan 24 maanden zijn verstreken tussen de installatie of het aanbrengen van de voorgaande investering waarvoor subsidie is verstrekt en de installatie of het aanbrengen van de daaropvolgende investering of investeringen waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft. **5.** Indien is geïnvesteerd in biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal wordt de op basis van het eerste en tweede lid berekende subsidie voor maatregelen die zijn aangebracht op of na 1 januari 2024 per vierkante meter vermeerderd met: a. a. € 5,– in geval van een investering in dakisolatie; b. b. € 1,50 in geval van een investering in zolder- of vlieringvloerisolatie; c. c. € 6,– in geval van een investering in gevelisolatie; d. d. € 1,50 in geval van een investering in spouwmuurisolatie; e. e. € 2,– in geval van een investering in vloerisolatie; f. f. € 1,– in geval van een investering in bodemisolatie. **6.** De in het vijfde lid genoemde bedragen worden niet meegenomen bij de in het derde lid genoemde verdubbeling van de subsidiebedragen. **7.** De subsidie voor een ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2. derde lid, onderdeel f, bedraagt € 400. ### Artikel 4.5.5 De subsidie voor een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, bedraagt voor een individuele aansluiting als bedoeld in dat artikellid € 3.775. ### Artikel 4.5.5a De subsidie, bedoeld in artikel 4.5.2, vijfde lid, bedraagt € 400. ### Artikel 4.5.6 **1.** Voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, die niet bestemd is voor een koopwoning van een eigenaar-bewoner, komen voor subsidie in aanmerking de bijkomende investeringskosten, bedoeld in artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Voor een investering voor de productie van duurzame energie, energiebesparende isolatiemaatregelen, de individuele aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, derde lid, vierde lid of vijfde lid, die bestemd is voor een koopwoning van een eigenaar-bewoner, komen, in afwijking van artikel 10, tweede lid, van het besluit, voor subsidie in aanmerking de kosten in verband met investeringen die vóór indiening van de aanvraag zijn gemaakt. ### Artikel 4.5.7 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 4.5.8 **1.** Indien de aanvraag voor subsidie is ingediend door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon, niet zijnde eigenaar-bewoner, is de termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, 24 maanden indien het een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, betreft. **2.** Geen subsidie wordt verstrekt voor een investering van een eigenaar-bewoner, indien de investering nog niet is geïnstalleerd, aangebracht of aangesloten op het moment van indiening van de subsidieaanvraag. ### Artikel 4.5.9 **1.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie, energiebesparende isolatiemaatregelen, de aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede, derde, vierde of vijfde lid, indien: a. a. ten aanzien van dezelfde investering dan wel een investering in een zelfde type energiebesparende isolatiemaatregel dan wel een ventilatiemaatregel eerder subsidie is verstrekt; b. b. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een bouwwerk met een bouwjaar na 1 januari 2019, tenzij een omgevingsvergunning voor dit bouwwerk kan worden overlegd die voor 1 juli 2018 is aangevraagd; c. c. een aanvraag voor subsidie van een eigenaar-bewoner later is ingediend dan 24 maanden na het installeren van een installatie voor de productie van duurzame energie, het aanbrengen van isolatiemateriaal, de aansluiting op een warmtenet of de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b, derde, vierde en vijfde lid; d. d. de aanvrager voor dezelfde investering op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een verzoek heeft ingediend bij de minister om een verklaring dat sprake is van een energie-investering als bedoeld in dat artikel; e. e. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een koopwoning met een blokaansluiting voor warmte. **2.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, indien: a. a. de installatie waar de investering betrekking op heeft is of wordt geïnstalleerd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit 2012 of afdeling 4.4 in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving; b. b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een gebruikte installatie; c. c. er geen aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet is ingediend, indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c, betreft; d. d. het een aanvraag voor subsidie betreft van een vereniging van eigenaars, verhuurder van een woning, niet zijnde een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, wooncoöperatie of woonvereniging voor de aanschaf en het laten installeren van installaties, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a en b; e. e. het een aanvraag van een ondernemer betreft voor een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, en het totale netto energieverbruik via de aansluiting waarop de installatie wordt aangesloten, zoals dat blijkt uit de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier, 50.000 KWh of 25.000 m^3 aardgasequivalent of hoger bedraagt en de locatie waarin de lucht-waterwarmtepomp is geïnstalleerd, aangesloten blijft op het gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet; f. f. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een lucht-waterwarmtepomp, grondwaterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2., tweede lid, onderdeel a, met een thermisch vermogen tussen 1 kW en 70 kW behorend tot een energie-efficiëntieklasse lager dan A++ en is aangebracht op of na 1 januari 2024. **3.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, of energiebesparende isolatiemaatregelen in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, indien: a. a. het een aanvraag betreft voor een koopwoning indien de koopwoning een appartement is waarvoor de vereniging van eigenaars al een subsidie heeft verkregen op grond van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars; b. b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering ten behoeve van het realiseren van een vergroting van het woonoppervlakte of wooninhoud, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1°. het realiseren van een nieuwe aanbouw; 2°. het realiseren van een nieuwe dakkapel; 3°. het betrekken van een aan- of inpandige garage bij de woning; of 4°. het vergroten van het bestaande dak, gevel, vloer of glasoppervlakte; 1°. 1°. het realiseren van een nieuwe aanbouw; 2°. 2°. het realiseren van een nieuwe dakkapel; 3°. 3°. het betrekken van een aan- of inpandige garage bij de woning; of 4°. 4°. het vergroten van het bestaande dak, gevel, vloer of glasoppervlakte; c. c. het een aanvraag betreft waarvoor subsidie verkregen is of verkregen kan worden op grond van de Subsidieregeling isolatie en ventilatie gebouwen, woonboten en woonwagens provincie Groningen en de gemeenten Aa en Hunze, Noordenveld en Tynaarlo. **4.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, indien: a. a. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering voor: 1°. een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, en niet kan worden aangetoond dat de gasaansluiting van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd is of wordt afgekoppeld; 2°. een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, van een appartement van een eigenaar-bewoner in een appartementencomplex en er voor dit appartementencomplex eerder subsidie is aangevraagd door een vereniging van eigenaars voor een investering voor een centrale aansluiting op een warmtenet; 1°. 1°. een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, en niet kan worden aangetoond dat de gasaansluiting van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd is of wordt afgekoppeld; 2°. 2°. een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, van een appartement van een eigenaar-bewoner in een appartementencomplex en er voor dit appartementencomplex eerder subsidie is aangevraagd door een vereniging van eigenaars voor een investering voor een centrale aansluiting op een warmtenet; b. b. voor een investering op grond van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen een aanvraag voor subsidie ingediend kan worden door: 1°. de subsidieaanvrager; 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging; 1°. 1°. de subsidieaanvrager; 2°. 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of 3°. 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging; c. c. de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, voor 1 januari 2022 heeft plaatsgevonden; d. d. het niet aannemelijk is dat de bestaande koopwoning, waarop de investering betrekking heeft, geen aansluiting op een warmtenet had voordat deze investering plaatsvond. **5.** De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken, bedoeld in artikel 4.5.2, vijfde lid, indien: a. a. niet kan worden aangetoond dat de woning op het moment van de aanvraag op een warmtenet aangesloten is; b. b. niet kan worden aangetoond dat de gasaansluiting van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd is verwijderd of er geen bevestiging van de netbeheerder kan worden verstrekt waaruit blijkt dat voor de bestaande koopwoning waarin de voorziening voor elektrisch koken wordt geïnstalleerd een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting; c. c. het niet gaat om de eenmalige aanschaf van een nieuwe volledig elektrische kookvoorziening; d. d. op grond van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen een aanvraag voor subsidie ingediend kan worden door: 1°. de subsidieaanvrager; 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging; 1°. 1°. de subsidieaanvrager; 2°. 2°. indien de subsidieaanvrager een lid van een vereniging van eigenaars is, de vereniging van eigenaars; of 3°. 3°. indien de subsidieaanvrager een lid van een wooncoöperatie of een woonvereniging is, de wooncoöperatie of woonvereniging; e. e. er reeds subsidie is verkregen op grond van deze titel voor de aansluiting op een warmtenet. **6.** Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op: a. a. aan eigenaar-bewoners verstrekte subsidies door gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; b. b. een tweede aanvraag voor de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een koopwoning laten aanbrengen van glasisolatie die door de eigenaar-bewoner is ingediend binnen 24 maanden nadat een bouwbedrijf de eerste glasisolatie in een koopwoning heeft aangebracht waarvoor subsidie op grond van deze titel is toegekend. **7.** Indien een aanvraag voor subsidie, die is ingediend binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is afgewezen in verband met de uitputting van het subsidieplafond, is de afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, niet van toepassing op een hernieuwde aanvraag voor subsidie voor dezelfde investering die binnen twaalf maanden na afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag wordt ingediend. **8.** De afwijzingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op een aanvraag die betrekking heeft op een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c. **9.** Het netto elektriciteitsverbruik, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt berekend door de hoeveelheid elektriciteit die volgens de in dat onderdeel genoemde jaarafrekening aan het net wordt onttrokken, indien van toepassing te verminderen met de hoeveelheid elektriciteit die volgens de in dat onderdeel genoemde jaarafrekening op het net wordt ingevoed. ### Artikel 4.5.9a Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, aan eigenaar-bewoners worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per investering kan worden verstrekt. ### Artikel 4.5.10 Voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, wordt de subsidie aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, verleend onder de opschortende voorwaarde dat: a. a. een overeenkomst wordt gesloten met een bouwinstallatiebedrijf of warmteleverancier in verband met de aanschaf van de installatie of installaties; b. b. de installatie of installaties waarop de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft, zijn geïnstalleerd. ### Artikel 4.5.11 **1.** Een installatie, waarop de investering voor de productie van duurzame energie, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, betrekking heeft, en waarvoor op grond van deze titel een subsidie is verleend, wordt niet binnen een jaar na de datum van de subsidievaststelling vervreemd. **2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de vervreemding van een installatie tezamen met de woning, het bedrijf of de grond waarin respectievelijk waarop de investering voor de productie van duurzame energie is geïnstalleerd. ### Artikel 4.5.12 **1.** Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, en voor zover van toepassing het Burgerservicenummer en de geboortedatum of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager; b. b. een vermelding van het adres van de locatie of locaties waarvoor een investering bestemd is en het soort locatie of locaties; c. c. de meldcode van de investering, en indien er geen meldcode beschikbaar is gesteld, een omschrijving van de investering; d. d. indien het een investering voor een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, het thermische vermogen bij bivalente of referentieontwerptemperatuur van deze installatie; e. e. indien het een investering voor een zonneboiler als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel b, betreft, de gegevens ten aanzien van de energetische opbrengst van deze installatie; f. f. indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een investering voor dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie in een koopwoning via het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel a, een verklaring van de eigenaar-bewoner dat de zolder of vliering onverwarmd is; g. g. indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, voor zover van toepassing, een verklaring van de eigenaar-bewoner of van de vereniging van eigenaars dat de bestaande koopwoning of het bestaande appartementencomplex, waarop de desbetreffende investering betrekking heeft, geen aansluiting op een warmtenet had voordat deze investering plaatsvond. **2.** De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een investering door een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, bevat, onverminderd het eerste lid, de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een investering door een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, gaat: a. a. indien het een investering voor een ruimteverwarmingstoestel als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, vergezeld van de volledige berekening volgens tabel 8 van verordening (EU) 811/2013 of tabel 2 van verordening (EU) 813/2013 en het type en vulgewicht van het koudemiddel; b. b. indien het een investering van een ondernemer in een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, en de aansluiting waarop de lucht-waterwarmtepomp is aangesloten een lager netto energieverbruik heeft dan 50.000 KWh en 25.000 m^3 aardgasequivalent, vergezeld van de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier; c. c. indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit via één of meer windturbines als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c, betreft, vergezeld van: 1°. een aanvraag van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2°. een document waarin aannemelijk wordt gemaakt dat het verwachte rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m^2 zal bedragen; 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie zal worden aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager. 1°. 1°. een aanvraag van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2°. 2°. een document waarin aannemelijk wordt gemaakt dat het verwachte rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m^2 zal bedragen; 3°. 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie zal worden aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager. **4.** De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een koopwoning van een eigenaar-bewoner, gaat vergezeld van de volgende documenten of gegevens: a. a. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf en de installatie of het aanbrengen van de investering voor een ruimteverwarmingstoestel, een waterverwarmingstoestel of een zonneboiler, als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdelen a of b, waaronder begrepen de door het bouwinstallatiebedrijf of bouwbedrijf getekende factuur in geval van contante betaling van de investeringen, waarop ten minste het betaalde bedrag, de begunstigde en betaaldatum vermeld wordt; b. b. indien het een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdelen a tot en met e, eventueel in combinatie met één ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f, betreft: 1°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de investering of investeringen heeft uitgevoerd, een omschrijving van het soort energiebesparende isolatiemaatregel en aanverwante werkzaamheden die door het bouwbedrijf uitgevoerd zijn, de naam, het type, het merk, de dikte en indien beschikbaar de meldcode, van het isolatiemateriaal dat gebruikt is en de plaats en bijhorende oppervlakte die in de desbetreffende koopwoning geïsoleerd is; 2°. ten minste één foto per energiebesparende isolatiemaatregel, genomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door het bouwbedrijf, met daarop zichtbaar de koopwoning; 3°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de ventilatiemaatregel heeft uitgevoerd, waaruit blijkt dat er is geïnvesteerd in een ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f; 1°. 1°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de investering of investeringen heeft uitgevoerd, een omschrijving van het soort energiebesparende isolatiemaatregel en aanverwante werkzaamheden die door het bouwbedrijf uitgevoerd zijn, de naam, het type, het merk, de dikte en indien beschikbaar de meldcode, van het isolatiemateriaal dat gebruikt is en de plaats en bijhorende oppervlakte die in de desbetreffende koopwoning geïsoleerd is; 2°. 2°. ten minste één foto per energiebesparende isolatiemaatregel, genomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door het bouwbedrijf, met daarop zichtbaar de koopwoning; 3°. 3°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de eigenaar-bewoner en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de ventilatiemaatregel heeft uitgevoerd, waaruit blijkt dat er is geïnvesteerd in een ventilatiemaatregel als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel f; c. c. indien het een investering voor glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, onderdeel c, betreft een kozijnstaat met daarin merk en type van het kozijn en het daarbij behorende frame, glas en binnenwerkse maten van het glas of de kozijnpanelen per kozijn; d. d. indien het een investering in een individuele aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, betreft: 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet; 2°. een bevestiging van de netbeheerder dat voor de woning een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting; 1°. 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet; 2°. 2°. een bevestiging van de netbeheerder dat voor de woning een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting; e. e. indien het gaat om een subsidie voor een investering die is bestemd voor de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, vijfde lid: 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet; 2°. een document waarmee kan worden aangetoond dat de gasmeter van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voor 2 april 2022 is verwijderd; 3°. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken. 1°. 1°. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat de koopwoning is aangesloten op een warmtenet; 2°. 2°. een document waarmee kan worden aangetoond dat de gasmeter van de bestaande koopwoning waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voor 2 april 2022 is verwijderd; 3°. 3°. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken. ### Artikel 4.5.13 **1.** Een aanvraag tot subsidievaststelling van een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager en voor zover van toepassing het Burgerservicenummer of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling, waaronder de locatie of locaties waar het project is uitgevoerd, en voor zover de investering betrekking heeft op de productie van duurzame energie, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, de omschrijving van de aard van de installaties die zijn geïnstalleerd. **2.** Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling van een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, vergezeld van: a. a. een factuur en betaalbewijs van de aanschaf en installatie van de investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, waaronder begrepen de door het bouwinstallatiebedrijf getekende factuur in geval van contante betaling van deze investeringen, waarop ten minste het betaalde bedrag, de begunstigde en betaaldatum vermeld wordt; b. b. indien het een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, betreft, een document waaruit blijkt dat een investering: 1°. in gebruik is genomen; 2°. voldoet aan de technische eisen; en 3°. is geïnstalleerd of aangebracht door een bouwinstallatiebedrijf; 1°. 1°. in gebruik is genomen; 2°. 2°. voldoet aan de technische eisen; en 3°. 3°. is geïnstalleerd of aangebracht door een bouwinstallatiebedrijf; c. c. indien het een investering van een ondernemer in een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel a, betreft en de aansluiting waarop de lucht-waterwarmtepomp is aangesloten een netto energieverbruik heeft van 50.000 KWh of 25.000 m^3 aardgasequivalent of hoger en de in artikel 4.5.12, derde lid, onderdeel c, bedoelde meest recente jaarafrekening niet bij de aanvraag tot subsidieverlening verstrekt is, een bevestiging van de netbeheerder dat voor de locatie waarin de luchtwaterwarmtepomp wordt geïnstalleerd een aanvraag is gedaan tot verwijdering van de gasaansluiting; d. d. indien het een investering voor een installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met één of meer windturbines als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, onderdeel c, betreft: 1°. een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2°. een document waaruit blijkt dat het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m^2 bedraagt; 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie is aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager. 1°. 1°. een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 2°. 2°. een document waaruit blijkt dat het rotoroppervlak per windturbine ten minste 50 m^2 bedraagt; 3°. 3°. een document waaruit blijkt dat de installatie is aangesloten op het openbare Nederlandse elektriciteitsnet via een aansluiting met ten hoogste een totale doorlaatwaarde van 3*80 A die op naam staat van de aanvrager. **3.** In het geval de subsidieontvanger een eigenaar-bewoner is, wordt op grond van de aanvraag voor subsidie en de documenten waardoor deze vergezeld gaat, bedoeld in artikel 4.5.12, eerste en vierde lid, de subsidie vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening. **4.** In het geval de subsidieontvanger geen eigenaar-bewoner is, wordt de subsidie niet ambtshalve vastgesteld. ### Artikel 4.5.14 **1.** De subsidie voor een investering voor de productie van duurzame energie, bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, bevat: a. a. mogelijk staatssteun die wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet zijnde eigenaar-bewoner; b. b. geen staatsteun, indien deze subsidie verstrekt wordt aan een eigenaar-bewoner. **2.** De subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen, aansluiting op een warmtenet en aanschaf van een voorziening voor elektrisch koken als bedoeld in artikel 4.5.2, derde, vierde en vijfde lid, bevat geen staatssteun. ### Artikel 4.5.15 Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 4.6. Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie ### Artikel 4.6.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *CO2:* CO_2 of CO_2-equivalent; - *CO2-equivalent:* de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.6.1 eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO_2; - *Referentie-investering:* investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met een in Nederland uit te voeren project, maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project. ### Artikel 4.6.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor investeringen in een project dat past binnen één of meer thema’s in bijlage 4.6.2 en dat betrekking heeft op: a. a. milieubescherming in overeenstemming met artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen in overeenstemming met artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, in overeenstemming met artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling in overeenstemming met artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. circulaire economie in overeenstemming met artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. lokale infrastructuur in overeenstemming met artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** De onderneming, bedoeld in het eerste lid, is een onderneming die: a. a. materiële goederen produceert waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep C; b. b. energie distribueert, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep D; of c. c. afval en afvalwater verwerkt, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2008, versie 2022, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E. ### Artikel 4.6.3 **1.** De subsidie bedraagt: a. a. ten aanzien van een investering voor milieubescherming: 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft; 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1°. 1°. 40% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en maximaal € 25.000.000 voor zover het specifieke infrastructuur en opslag als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft; 2°. 2°. 20% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 36, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. ten aanzien van een investering in energie-efficiëntiemaatregelen anders dan voor gebouwen: 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1°. 1°. 30% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. 2°. 15% van de subsidiabele kosten, indien die worden berekend in overeenstemming met artikel 38, achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen of uit hernieuwbare waterstof, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. 30% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. 40% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering ten behoeve van een circulaire economie, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. 50% van de subsidiabele kosten die betrekking hebben op een investering in lokale infrastructuurvoorziening, en die worden berekend in overeenstemming met artikel 56, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, maar niet meer dan het verschil tussen de subsidiabele kosten en de exploitatiewinst van de investering of maximaal € 11.000.000 indien dat lager is dan het verschil. **2.** Indien de aanvrager een middelgrote onderneming is, worden: a. a. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 1°, b, subonderdeel 1°, c, d, e en f, verhoogd met 10 procentpunten; b. b. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 2°, b, subonderdeel 2°, verhoogd met 5 procentpunten. **3.** Indien de aanvrager een kleine onderneming is, worden: a. a. de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 1°, b, subonderdeel 1°, c, d, e en f, verhoogd met 20 procentpunten; b. b. worden de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, subonderdeel 2°, b, subonderdeel 2°, verhoogd met 10 procentpunten. **4.** Op de subsidiabele kosten is artikel 10, derde lid, van het besluit niet van toepassing. **5.** In aanvulling op artikel 10, eerste lid, van het besluit komen niet in aanmerking de kosten die niet geactiveerd worden en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord. **6.** De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000.000 per project. ### Artikel 4.6.4 Vervallen ### Artikel 4.6.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 4.6.6 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar. **2.** Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening, overeenkomstig artikel 2, onder 23, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 4.6.7 **1.** De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. a. er onvoldoende vertrouwen is dat de terugverdientijd, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 3.84, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de investering meer dan vijf jaar zou zijn in het geval geen subsidie op grond van deze titel verleend zou worden; b. b. de te verlenen subsidie meer dan € 80 per ton CO_2-reductie van de totale hoeveelheid CO_2-reductie die het project in Nederland realiseert ten opzichte van de referentie-investering, zou bedragen gedurende vijftien jaar vanaf ingebruikname van de installatie of gedurende de levensduur van de installatie, indien deze korter is dan vijftien jaar; c. c. de kwaliteit van het project onvoldoende is, gelet op: 1°. de uitwerking van: – het projectplan; – de (mijlpalen)begroting; of – de exploitatieberekening; 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd; 3°. de uitvoerbaarheid; 4°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten en stakeholders die in het project vertegenwoordigd zijn; 5°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; 1°. 1°. de uitwerking van: – het projectplan; – de (mijlpalen)begroting; of – de exploitatieberekening; – – het projectplan; – – de (mijlpalen)begroting; of – – de exploitatieberekening; 2°. 2°. de mate waarin projectrisico’s worden geadresseerd; 3°. 3°. de uitvoerbaarheid; 4°. 4°. de onderbouwing dat alle benodigde partijen die een essentiële rol spelen in de keten en stakeholders die in het project vertegenwoordigd zijn; 5°. 5°. de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; d. d. de te verlenen subsidie minder dan € 125.000 voor een grote onderneming of minder dan € 30.000 voor een kleine of middelgrote onderneming zou bedragen; e. e. de aanvrager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het een project betreft ten behoeve van een investering in technologie die zich in soortgelijke projecten in de industrie bewezen heeft; f. f. voor het project op grond van artikel 4.2.65 een aanvraag om subsidie ingediend kan worden; g. g. de aanvraag een project betreft met betrekking tot lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 4.6.2, eerste lid, onderdeel f, en de subsidiabele kosten daarvoor meer dan € 22.000.000 bedragen. **2.** Bij de berekening van de terugverdientijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gebruikgemaakt van de methode die is opgenomen in bijlage XV van de Omgevingsregeling. **3.** In afwijking van het tweede lid kunnen bij de berekening van de terugverdientijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedrijfsspecifieke energieprijzen gehanteerd worden die afwijken van de standaardwaarden in bijlage XV van de Omgevingsregeling, indien de aanvrager aantoont dat hij deze bedrijfsspecifieke energieprijzen betaalt. ### Artikel 4.6.8 **1.** Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten: a. a. subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie; b. b. bijdragen van de Europese Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014–2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PbEU 2013, L 347). **2.** Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. ### Artikel 4.6.9 Een aanvraag om subsidie bevat tenminste: a. a. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; c. c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; d. d. een projectomschrijving die in ieder geval bevat: 1°. de CO_2-reductie in kilogrammen die het project in Nederland realiseert ten opzichte van de referentie-investering; 2°. een beschrijving van de referentie-investering; 3°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, inclusief een toelichting op het model exploitatieberekening, indien de aanvraag is gebaseerd op lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 1°. 1°. de CO_2-reductie in kilogrammen die het project in Nederland realiseert ten opzichte van de referentie-investering; 2°. 2°. een beschrijving van de referentie-investering; 3°. 3°. een onderbouwing van de voor het project benodigde investeringen, inclusief een toelichting op het model exploitatieberekening, indien de aanvraag is gebaseerd op lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. een financieringsplan, inclusief onderbouwing voor het investeringsproject, daaronder begrepen informatie over de wijze waarop de onderneming het eigen aandeel, uitgesplitst in vreemd vermogen en eigen vermogen, in de totale projectkosten financiert; f. f. een exploitatieberekening inclusief de financiële parameters van het project, zoals de terugverdientijd; g. g. een door de aanvrager in een door de minister beschikbaar gesteld model ingevulde begroting, bestaande uit: 1°. het overzicht van de werkelijke investeringskosten; 2°. een mijlpalenbegroting, indien het aangevraagde subsidiebedrag € 2.000.000 of meer is; 1°. 1°. het overzicht van de werkelijke investeringskosten; 2°. 2°. een mijlpalenbegroting, indien het aangevraagde subsidiebedrag € 2.000.000 of meer is; h. h. een verklaring dat de aanvrager niet op grond van bijlage VII of XIV van de Omgevingsregeling verplicht is de investering of onderdelen van de investering waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, uit te voeren; i. i. een beschrijving van de betekenis van de verwachte CO_2-reductie voor de uitstoot van stikstof in Nederland; j. j. een verklaring dat de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief een beslisschema, een organogram van de verbonden groep waaruit de aandelenverhoudingen blijken en enkelvoudige of geconsolideerde jaarcijfers van de groep die is gebruikt voor de invulling van het beslisschema. ### Artikel 4.6.10 **1.** Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten. **2.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. **3.** Artikel 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit is niet van toepassing. ### Artikel 4.6.11 De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval: a. a. het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarmee de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, dat in ieder geval, voor zover van toepassing, bevat: 1°. een algemene en technische omschrijving van de investeringen en aangeschafte en gebruikte installaties of infrastructuur; 2°. een berekening van de daadwerkelijk gerealiseerde CO_2-reductie in Nederland ten opzichte van de referentie-investering; 3°. een ingevuld, gewaarmerkt en gedateerd kostenoverzicht opgesteld door een accountant, inclusief dezelfde kostencomponenten als de (mijlpalen)begroting; 4°. indien het een investering voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling als bedoeld in artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een document waarin de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte in GJ is aangetoond; 5°. indien het een investering in lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een exploitatieberekening; 1°. 1°. een algemene en technische omschrijving van de investeringen en aangeschafte en gebruikte installaties of infrastructuur; 2°. 2°. een berekening van de daadwerkelijk gerealiseerde CO_2-reductie in Nederland ten opzichte van de referentie-investering; 3°. 3°. een ingevuld, gewaarmerkt en gedateerd kostenoverzicht opgesteld door een accountant, inclusief dezelfde kostencomponenten als de (mijlpalen)begroting; 4°. 4°. indien het een investering voor energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling als bedoeld in artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een document waarin de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte in GJ is aangetoond; 5°. 5°. indien het een investering in lokale infrastructuur als bedoeld in artikel 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft, een exploitatieberekening; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. c. indien de omvang van de vast te stellen subsidie € 30.000 tot € 125.000 bedraagt, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, die bevat: 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting, 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. 1°. 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting, 2°. 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 3°. 3°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is; 4°. 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is. ### Artikel 4.6.12 De subsidie, bedoeld in artikel 4.6.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 36, 38, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 4.6.13 Deze titel en bijlagen 4.6.1 en 4.6.2 vervallen met ingang van 1 augustus 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 4.7. Investeringssubsidie maakindustrie klimaatneutrale economie (IMKE) ### Artikel 4.7.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *BIPV-zonnepaneel:* zonnepaneel dat is geïntegreerd in een gebouw; - *elektrolyse-installatie:* een installatie voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse van water; - *essentiële onderdelen:* onderdelen die zijn ontworpen en voornamelijk worden gebruikt als directe input voor de productie van batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen; - *investeringsbesluit:* een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de subsidieontvanger het besluit tot het doen van de investering in de productielijn definitief heeft genomen; - *productielijn:* een samenhangend geheel van installaties die bestemd zijn voor de productie van een specifiek product of specifieke producten of voor de terugwinning van grondstoffen; - *VIPV-zonnepaneel:* zonnepaneel dat is geïntegreerd in een voertuig. ### Artikel 4.7.2 Het doel van deze module is het stimuleren van investeringen in sectoren die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, voor de opschaling van de productie van relevante uitrusting daarvoor naar productie op commerciële schaal, en om te voorkomen dat nieuwe investeringen in deze sectoren worden verlegd naar derde landen buiten de Economische Europese Ruimte. ### Artikel 4.7.3 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming voor een project voor de realisatie van productielijnen voor batterijen, elektrolyse-installaties of zonnepanelen, bestaande uit een investering in: a. a. een nieuwe productielijn; b. b. de uitbreiding van de productiecapaciteit van een bestaande productielijn; c. c. de ombouw van een bestaande productielijn. **2.** Een productielijn voor batterijen als bedoeld in het eerste lid betreft: a. a. de productie van: 1°. bulkbatterijen, lithium-ion batterijen, natrium-ion batterijen, redox-flow batterijen of solid-state batterijen; 2°. essentiële onderdelen voor de batterijen, genoemd in subonderdeel 1°, namelijk anodes, cellen, coatingmaterialen, elektrolytmaterialen, kathodes, packs of stacks; 1°. 1°. bulkbatterijen, lithium-ion batterijen, natrium-ion batterijen, redox-flow batterijen of solid-state batterijen; 2°. 2°. essentiële onderdelen voor de batterijen, genoemd in subonderdeel 1°, namelijk anodes, cellen, coatingmaterialen, elektrolytmaterialen, kathodes, packs of stacks; b. b. de productie of terugwinning van gerelateerde kritieke grondstoffen als bedoeld in Bijlage IV van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die nodig zijn voor de productie van de batterijen, genoemd in onderdeel a, subonderdeel 1°, of voor de productie van de essentiële onderdelen, genoemd in onderdeel a, subonderdeel 2°. **3.** Een productielijn voor elektrolyse-installaties als bedoeld in het eerste lid betreft de productie van: a. a. elektrolyse-installaties; b. b. essentiële onderdelen voor elektrolyse-installaties, namelijk anodes, bipolaire platen, diafragma’s, drukregulatoren, kathodes, kleinschalige waterstofopslag, membranen, temperatuurregulatoren, vermogenelektronica, warmtewisselaars, waterpompsystemen, waterstofcompressoren, waterstofdetectiesystemen, waterstofzuiveringssystemen of waterzuiveringssystemen. **4.** Een productielijn voor zonnepanelen als bedoeld in het eerste lid betreft de productie van: a. a. BIPV-zonnepanelen of VIPV-zonnepanelen op basis van heterojunctionzonnecellen of perovskietzonnecellen; b. b. zonnepanelen die circulair, lichtgewicht of flexibel, en PFAS-vrij zijn; c. c. essentiële onderdelen voor de zonnepanelen, genoemd in onderdeel a of b, namelijk heterojunctionzonnecellen, perovskietfolies, perovskietzonnecellen of tandemzonnecellen. ### Artikel 4.7.4 **1.** De subsidie bedraagt 15 procent van de subsidiabele kosten. Indien het project een investering in een productielijn betreft in een steungebied dat overeenkomstig artikel 107, derde lid, onderdeel c, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de regionale steunkaart van Nederland is aangewezen, bedraagt de subsidie 20 procent van de subsidiabele kosten. **2.** Het in het eerste lid genoemde percentage wordt verhoogd met: a. a. 20 procentpunten, indien de investering wordt gedaan door een kleine onderneming; b. b. 10 procentpunten, indien de investering wordt gedaan door een middelgrote onderneming. **3.** De subsidie bedraagt ten hoogste: a. a. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor batterijen € 20.000.000 per onderneming; b. b. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor elektrolyse-installaties € 50.000.000 per onderneming; c. c. voor een project met betrekking tot de investering in een productielijn voor zonnepanelen € 25.000.000 per onderneming. **4.** De totale maximale subsidie op grond van deze titel voor één onderneming bedraagt € 150.000.000. Indien het investeringen in een steungebied als bedoeld in het eerste lid betreft, bedraagt de totale maximale subsidie op grond van deze titel voor één onderneming € 200.000.000. ### Artikel 4.7.5 **1.** Voor subsidie komen in aanmerking alle investeringskosten in materiële en immateriële activa die strikt noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. **2.** Investeringskosten in immateriële activa zijn subsidiabel, indien die activa: a. a. verbonden blijven met het betrokken gebied waar het project wordt uitgevoerd, en niet naar andere gebieden worden overgebracht; b. b. voornamelijk worden gebruikt in de vestiging van de subsidieontvanger waar de realisatie van de productielijn plaatsvindt; c. c. afschrijfbaar zijn; d. d. op marktvoorwaarden worden aangekocht van derden zonder banden met de koper; e. e. worden opgenomen in de activa van de subsidieontvanger; en f. f. gedurende ten minste vijf jaar voor grote ondernemingen en drie jaar voor kleine of middelgrote ondernemingen na de voltooiing van het project verbonden blijven met het project waarvoor de subsidie wordt verleend. **3.** Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor: a. a. het vervangen van installaties van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, tijdens de periode vanaf de start van het project tot: 1°. vijf jaar na de voltooiing van het project in het geval het een grote onderneming betreft; of 2°. drie jaar na de voltooiing van het project in het geval het een kleine of middelgrote onderneming betreft; 1°. 1°. vijf jaar na de voltooiing van het project in het geval het een grote onderneming betreft; of 2°. 2°. drie jaar na de voltooiing van het project in het geval het een kleine of middelgrote onderneming betreft; b. b. de vergemakkelijking van de verplaatsing van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte. **4.** Artikel 10, derde lid, van het besluit is niet van toepassing op de subsidiabele kosten. ### Artikel 4.7.6 De minister verdeelt de afzonderlijke subsidieplafonds voor de productielijnen voor batterijen, elektrolyse-installaties en zonnepanelen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 4.7.7 **1.** De subsidieontvanger start met de uitvoering van het project binnen zes maanden na de subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vijf jaar. **3.** De minister kan de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, op verzoek van de subsidieontvanger verlengen. ### Artikel 4.7.8 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. a. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; b. b. onomkeerbare investeringsverplichtingen voor de productielijn zijn aangegaan voor de datum waarop de aanvraag is ingediend; c. c. met de in het projectplan opgenomen activiteiten is gestart voor de datum waarop de aanvraag is ingediend; d. d. er een concreet risico bestaat dat het project niet binnen de Europese Economische Ruimte wordt uitgevoerd; e. e. de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een daarmee vergelijkbare productielijn, in de twee jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag heeft verplaatst tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte naar de vestiging waar de realisatie van de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, moet plaatsvinden; f. f. er een concreet risico bestaat dat de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, of een daarmee vergelijkbare productielijn zal verplaatsen tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte binnen twee jaar na de voltooiing van het project; g. g. het plan voor kennisverspreiding van onvoldoende kwaliteit is. ### Artikel 4.7.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens opgenomen in bijlage 4.7.1. **2.** Een aanvraag om subsidievaststelling bevat: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie; c. c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling; d. d. een verklaring dat de subsidieaanvrager de productielijn waarvoor de subsidie is verleend, of een daarmee vergelijkbare productielijn niet zal verplaatsen tussen lidstaten binnen de Europese Economische Ruimte binnen twee jaar na de voltooiing van het project. ### Artikel 4.7.10 **1.** De subsidieontvanger verstrekt onverwijld na het nemen van het investeringsbesluit een afschrift hiervan aan de minister. **2.** De subsidieontvanger handhaaft de investering in de productielijn in het betrokken gebied gedurende ten minste vijf jaar na de voltooiing van het project in het geval het een grote onderneming betreft, en drie jaar na de voltooiing van het project in het geval het een kleine of middelgrote onderneming betreft. **3.** Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. **4.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. **5.** Iedere publicatie door of met medewerking van de subsidieontvanger of diens medewerkers wordt voorzien van de vermelding dat het project wordt uitgevoerd met subsidie van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. **6.** Onverminderd het derde en vierde lid verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. **7.** Artikel 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit zijn niet van toepassing op de administratie van de subsidieontvanger. ### Artikel 4.7.11 **1.** Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten: a. a. subsidie voor een TSE Industrie studie op grond van artikel 4.2.113; b. b. subsidie van de Europese Commissie. **2.** Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. ### Artikel 4.7.12 De subsidie, bedoeld in artikel 4.7.3, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door paragraaf 2.8, onderdeel 85, van het tijdelijk crisiskader. ### Artikel 4.7.13 Deze titel en bijlage 4.7.1 vervallen met ingang van 19 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 4.8. Energie-efficiëntieplannen ### Artikel 4.8.1 Vervallen ### Artikel 4.8.2 Vervallen ### Artikel 4.8.3 Vervallen ### Artikel 4.8.4 Vervallen ### Artikel 4.8.5 Vervallen ### Artikel 4.8.6 Vervallen ### Artikel 4.8.7 Vervallen ### Artikel 4.8.8 Vervallen ### Artikel 4.8.9 Vervallen ### Artikel 4.8.10 Vervallen ### Titel 4.9. Gasopslagprojecten ### Artikel 4.9.1 Vervallen ### Artikel 4.9.2 Vervallen ### Artikel 4.9.3 Vervallen ### Artikel 4.9.4 Vervallen ### Artikel 4.9.5 Vervallen ### Artikel 4.9.6 Vervallen ### Artikel 4.9.7 Vervallen ### Artikel 4.9.8 Vervallen ### Artikel 4.9.9 Vervallen ### Artikel 4.9.10 Vervallen ### Artikel 4.9.11 Vervallen ### Artikel 4.9.12 Vervallen ### Artikel 4.9.13 Vervallen ### Artikel 4.9.14 Vervallen ### Titel 4.10. Warmtenetten Investeringssubsidie ### Artikel 4.10.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *aansluiting op een warmtenet:* individuele of centrale aansluiting op een warmtenet; - *afleverset voor warmte:* als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *binneninstallatie:* als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *blokaansluiting:* centrale aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *energie-efficiënt warmtenet:* energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (PbEU 2023, L 231); - *financieringsbesluit:* een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over een sluitende financiering voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; - *gebouw:* gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet; - *grootverbruikersaansluiting:* een aansluiting van meer dan 100 kilowatt, niet zijnde een blokaansluiting; - *individuele aansluiting op een warmtenet:* individuele aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *investeringsbesluit:* een door een daartoe bevoegd persoon ondertekend document waaruit blijkt dat de aanvrager het besluit tot het doen van de investering voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet, als bedoeld in artikel 4.10.2, eerste en tweede lid, heeft genomen; - *ketenpartner:* partij die bij het project, bedoeld in artikel 4.10.2, eerste lid, een essentiële rol speelt in de keten van warmtelevering; - *kleinverbruikersaansluiting:* een individuele aansluiting van een bestaand gebouw op een warmtenet van maximaal 100 kilowatt met een individuele afleverset voor warmte of een warmtepomp die gecombineerd is met de functie van een afleverset; - *kostencomponenten:* loonkosten, investeringen in primaire netten, investeringen in overdrachtstations, investeringen in secundaire netten, investeringen in thermische opslag, investeringen in aansluitingen en kosten derden; - *levering van warmte:* de aflevering van warmte aan verbruikers; - *primair warmtenet:* het transportnet waarmee warmte vanuit de primaire warmtebron wordt getransporteerd naar een secundair warmtenet of rechtstreeks naar de verbruiker; - *projectgebied:* geografisch aaneengesloten gebied waarbinnen het aan te leggen energie-efficiënte warmtenet warmte kan leveren; - *secundair warmtenet:* van het primaire warmtenet of van de bron door middel van een onderstation of warmteoverdrachtstation afgescheiden deel van het warmtenet ten behoeve van het transport van warmte naar verbruikers; - *thermische opslag:* opslag als bedoeld in artikel 2, onder 130 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; - *warmte:* thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarming of verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van transport van water; - *warmtebron:* installatie waar thermische energie vrijkomt of thermische energie vrijgemaakt wordt; - *warmtenet:* warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet; - *wijkdistributienet:* het secundaire warmtenet met inbegrip van het daarbij behorende onderstation of warmteoverdrachtstation en de daaraan gekoppelde aansluitingen. ### Artikel 4.10.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een energie-efficiënt wijkdistributienet, al dan niet samen met een daaraan gekoppeld primair warmtenet of systeem voor thermische opslag. **2.** Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van de investering in een project dat is gericht op de aanleg of uitbreiding van een energie-efficiënt warmtenet, mits: a. a. de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte vanaf de einddatum van het project lager is dan 25 kg CO_2 per eenheid geleverde warmte in GJ; b. b. het warmtenet zorg draagt voor de levering van warmte aan ten minste 250 kleinverbruikersaansluitingen of woningen achter een blokaansluiting, verspreid over ten minste 5 gebouwen; en c. c. de dimensionering aansluit op de voorziene warmtebehoefte in het projectgebied, indien het project mede betrekking heeft op een primair warmtenet. ### Artikel 4.10.3 **1.** De subsidie bedraagt ten hoogste 30% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000.000 per project als bedoeld in artikel 4.10.2, met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd met: a. a. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is; b. b. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is. **2.** Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de aanleg of uitbreiding van één of meer wijkdistributienetten als bedoeld in artikel 4.10.2, eerste lid, niet meer dan de optelsom van het aantal in de wijkdistributienetten te realiseren kleinverbruikersaansluitingen voor bestaande bouw maal € 7.000. **3.** Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de aanleg of uitbreiding van een primair warmtenet of een systeem voor thermische opslag, niet meer dan de optelsom van het aantal te realiseren kleinverbruikersaansluitingen voor bestaande bouw maal € 4.000. **4.** De maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de vorige leden, is inclusief de loonkosten en kosten derden. **5.** Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen of van een ander bestuursorgaan, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing bij de berekening van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per project kan worden verstrekt. ### Artikel 4.10.4 **1.** Voor subsidie komen de investeringskosten, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking. **2.** In aanvulling op het eerste lid komen voor subsidie alleen de kosten in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op investeringen: a. a. in het warmtenet ten behoeve van levering van warmte aan kleinverbruikersaansluitingen in de bestaande bouw; en b. b. in het warmtenet tot aan de gevel van een object met een blokaansluiting; en c. c. in een systeem voor thermische opslag, indien deze gebruik maakt van bewezen technieken en thermische energie opslaat en levert aan het energie-efficiënte warmtenet. **3.** De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: a. a. kosten ten behoeve van investeringen in een warmtebron, warmtepomp of een binneninstallatie; b. b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord; c. c. kosten ten behoeve van een investering in onderdelen die uitsluitend ten behoeve van grootverbruikers, proceswarmte of nieuwbouw worden aangelegd. **4.** Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in artikel 14 van het besluit, aangewezen. Het vast uurtarief bedraagt € 65,–. **5.** Op de subsidiabele kosten is artikel 10, derde lid, van het besluit niet van toepassing. ### Artikel 4.10.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. ### Artikel 4.10.6 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar. **2.** De subsidieontvanger start binnen zes maanden na subsidieverlening met het maken van kosten die op grond van deze regeling voor subsidie in aanmerking komen. **3.** De subsidieontvanger neemt uiterlijk één jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en doet hiervan onverwijld melding aan de minister. **4.** De subsidieontvanger verstrekt uiterlijk drie jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot het aanleggen of uitbreiden van een energie-efficiënt warmtenet, met dien verstande dat: a. a. indien er sprake is van deelopdrachten, de eerste deelopdracht voor een substantieel deel van de totale subsidiabele investeringskosten wordt verstrekt, en b. b. de subsidieontvanger onverwijld een afschrift hiervan verstrekt aan de minister na verstrekking van de opdracht of na verstrekking van elk van de deelopdrachten. **5.** De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, verlengen, indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is. ### Artikel 4.10.7 De minister besluit afwijzend op een aanvraag, indien: a. a. ten aanzien van hetzelfde project eerder subsidie is verstrekt op grond van artikel 4.10.2, eerste lid, tenzij de eerdere subsidie onherroepelijk is ingetrokken dan wel vastgesteld; b. b. de kwaliteit van het project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van het projectplan, het voorlopig ontwerp en de exploitatieberekening, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de aantoonbaarheid dat alle benodigde ketenpartners en stakeholders in het project vertegenwoordigd zijn of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet; c. c. niet met gebruikmaking van het door de minister vastgestelde model, bedoeld in artikel 7a, vierde lid, van de Warmteregeling, kan worden aangetoond dat het project voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 4.10.2, tweede lid, onderdeel a per geleverde GJ ligt; d. d. onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde verbruikers bij de realisatie warmte via het aan te leggen warmtenet af zullen nemen; e. e. het niet aannemelijk wordt geacht dat wordt voldaan aan de termijnen genoemd in artikel 4.10.6; f. f. niet aannemelijk is gemaakt dat het aan te leggen of uit te breiden energie-efficiënte warmtenet bij subsidievaststelling in gebruik wordt genomen. ### Artikel 4.10.8 **1.** Onder essentiële wijziging als bedoeld in artikel 37, derde lid, van het besluit wordt in ieder geval begrepen: a. a. het niet uitvoeren van activiteiten waarvoor subsidie is ontvangen; b. b. werkelijke investeringskosten die lager zijn dan de bij subsidieverlening begrote investeringskosten; **2.** In afwijking van artikel 37, derde lid, van het besluit, is een voorafgaand verzoek tot ontheffing niet vereist, maar volstaat een melding wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. **3.** De subsidieontvanger verleent op verzoek van de minister medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. **4.** De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het project jaarlijks een voortgangsrapportage, inclusief financiële gegevens, over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan. **5.** De informatie, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een elektronisch formulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. **6.** Artikel 38, eerste lid, onderdeel b, van het besluit is niet van toepassing. ### Artikel 4.10.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 4.10.2, eerste lid, bevat tenminste: a. a. de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; c. c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; d. d. gegevens over de grootte van de onderneming van de aanvrager, indien de aanvrager aanspraak wil maken op een verhoogd percentage aan subsidie voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 4.10.3, eerste lid, onderdeel a of b. **2.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een projectplan, bestaande uit: 1°. een omschrijving van het project gericht op de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; 2°. een omschrijving van het projectgebied waar het warmtenet wordt gerealiseerd en de daarop aan te sluiten bebouwing die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in onderdeel 3, van bijlage 4.10.1; 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat: − de dimensionering van het primaire warmtenet aansluit op de voorziene warmtebehoefte binnen het projectgebied en voldoet aan de eisen, bedoeld in onderdeel 3 van bijlage 4.10.1; − indien het project tevens de aanleg van een systeem voor thermische opslag betreft, deze bijdraagt aan de energie-efficiënte werking van het warmtenet, gegeven de capaciteit van de thermische opslag in MW of m^3; 4°. een onderbouwing van en toelichting op de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde investeringen, waaronder: een toelichting op de model exploitatieberekening, bedoeld in het tweede lid, onder b; 5°. een omschrijving van de planning van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet inclusief mijlpalen en meetbare indicatoren; 6°. een onderbouwing van de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied; 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en overdrachtstations op het gebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging; 8°. een beschrijving van de juridische risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het warmtenet, gescoord op de kans dat dit zich zal voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor de aanleg van leidingdelen en overdrachtstations of, indien deze nog moet worden aangelegd, de warmtebron. 9°. een getalsmatige onderbouwing van de volloop en van de aantallen en de omschrijving van de grootverbruikersaansluitingen en de aansluitingen in nieuwbouw, overeenkomstig onderdeel 3 van bijlage 4.10.1, waarbij de getalsmatige onderbouwing aansluit op de getallen die in de exploitatieberekening worden gebruikt; 10°. een met stukken onderbouwde beschrijving van de wijze waarop bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het project en de verwachte effecten hiervan op de volloop; 11°. een beschrijving van de wijze waarop het projectplan aansluit op het gemeentelijk beleid ten aanzien van de warmtetransitie; 12°. indien wordt afgeweken van de uitgangspunten van het model zoals opgenomen in onderdeel 2, van bijlage 4.10.1, een onderbouwing hiervan. 1°. 1°. een omschrijving van het project gericht op de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet; 2°. 2°. een omschrijving van het projectgebied waar het warmtenet wordt gerealiseerd en de daarop aan te sluiten bebouwing die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in onderdeel 3, van bijlage 4.10.1; 3°. 3°. een onderbouwing waaruit blijkt dat: − de dimensionering van het primaire warmtenet aansluit op de voorziene warmtebehoefte binnen het projectgebied en voldoet aan de eisen, bedoeld in onderdeel 3 van bijlage 4.10.1; − indien het project tevens de aanleg van een systeem voor thermische opslag betreft, deze bijdraagt aan de energie-efficiënte werking van het warmtenet, gegeven de capaciteit van de thermische opslag in MW of m^3; − − de dimensionering van het primaire warmtenet aansluit op de voorziene warmtebehoefte binnen het projectgebied en voldoet aan de eisen, bedoeld in onderdeel 3 van bijlage 4.10.1; − − indien het project tevens de aanleg van een systeem voor thermische opslag betreft, deze bijdraagt aan de energie-efficiënte werking van het warmtenet, gegeven de capaciteit van de thermische opslag in MW of m^3; 4°. 4°. een onderbouwing van en toelichting op de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde investeringen, waaronder: een toelichting op de model exploitatieberekening, bedoeld in het tweede lid, onder b; 5°. 5°. een omschrijving van de planning van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet inclusief mijlpalen en meetbare indicatoren; 6°. 6°. een onderbouwing van de voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet benodigde gebiedsgebonden maatregelen en de effecten van de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet op het openbaar gebied; 7°. 7°. de resultaten van een risico-inventarisatie van de ondergrond waaruit, gescoord op kans en impact, blijkt welke risico’s zich kunnen voordoen bij het aanleggen van de leidingdelen en overdrachtstations op het gebied van in ieder geval drukte in de ondergrond, complexe kruisingen, archeologie, explosieven, bomen en bodemverontreiniging; 8°. 8°. een beschrijving van de juridische risico’s die zich kunnen voordoen bij het aanleggen of uitbreiden en exploiteren van het warmtenet, gescoord op de kans dat dit zich zal voordoen en de impact hiervan op de haalbaarheid van het project, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de benodigde vergunningen voor de aanleg van leidingdelen en overdrachtstations of, indien deze nog moet worden aangelegd, de warmtebron. 9°. 9°. een getalsmatige onderbouwing van de volloop en van de aantallen en de omschrijving van de grootverbruikersaansluitingen en de aansluitingen in nieuwbouw, overeenkomstig onderdeel 3 van bijlage 4.10.1, waarbij de getalsmatige onderbouwing aansluit op de getallen die in de exploitatieberekening worden gebruikt; 10°. 10°. een met stukken onderbouwde beschrijving van de wijze waarop bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het project en de verwachte effecten hiervan op de volloop; 11°. 11°. een beschrijving van de wijze waarop het projectplan aansluit op het gemeentelijk beleid ten aanzien van de warmtetransitie; 12°. 12°. indien wordt afgeweken van de uitgangspunten van het model zoals opgenomen in onderdeel 2, van bijlage 4.10.1, een onderbouwing hiervan. b. b. een door de aanvrager ingevuld model exploitatieberekening, inclusief mijlpalenbegroting, in overeenstemming met onderdelen 1, 2 en 4 van bijlage 4.10.1, van de subsidiabele kosten, en financieringsplan zoals beschikbaar gesteld door de minister, bestaande uit; 1° een exploitatieberekening inclusief de parameters van het warmtenet, de investeringskosten per kostencomponent van het warmtenet, de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, informatie over de verwachte subsidiabele investeringskosten en baten gedurende de levensduur van een investering; 2° een mijlpalenbegroting inclusief de subsidiabele investeringskosten op basis van de kostenraming voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet en de opbrengsten uit subsidies en aansluitbijdragen. De totale subsidiabele investeringskosten moeten worden uitgesplitst naar de kostencomponenten en naar de kosten voor een primair warmtenet en wijkdistributienetten in overeenstemming met onderdeel 4 van bijlage 4.10.1; 3° een financieringsplan voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet met informatie over de wijze waarop de onderneming het eigen aandeel, uitgesplitst in vreemd vermogen en eigen vermogen, in de totale projectkosten gaat financieren; 1° 1° een exploitatieberekening inclusief de parameters van het warmtenet, de investeringskosten per kostencomponent van het warmtenet, de kostenopbouw toegespitst op de verschillende kostencomponenten, informatie over de verwachte subsidiabele investeringskosten en baten gedurende de levensduur van een investering; 2° 2° een mijlpalenbegroting inclusief de subsidiabele investeringskosten op basis van de kostenraming voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet en de opbrengsten uit subsidies en aansluitbijdragen. De totale subsidiabele investeringskosten moeten worden uitgesplitst naar de kostencomponenten en naar de kosten voor een primair warmtenet en wijkdistributienetten in overeenstemming met onderdeel 4 van bijlage 4.10.1; 3° 3° een financieringsplan voor de aanleg of uitbreiding van het warmtenet met informatie over de wijze waarop de onderneming het eigen aandeel, uitgesplitst in vreemd vermogen en eigen vermogen, in de totale projectkosten gaat financieren; c. c. een voorlopig ontwerp, definitief ontwerp of bouwbestek met daarop aangegeven de afbakening van het aansluitgebied met de leidingen en het type gebouwen die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in onderdeel 3, van bijlage 4.10.1; d. d. de voor het project benodigde vergunning of de door de gemeente voor het project verstrekte concessie, indien aanwezig; e. e. een onderbouwing van de wijze waarop de aanvrager het eigen aandeel voor de aanleg of uitbreiding van het energie-efficiënte warmtenet gaat financieren. f. f. kostenramingen, kostencalculaties of offertes, die te herleiden zijn naar en aansluiten op de investeringskosten van de kostencomponenten; en ### Artikel 4.10.10 **1.** De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend, bevat in ieder geval: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. een overzicht waarin de totale subsidiabele kosten van de activiteiten zijn opgenomen, inclusief een kostenopbouw die is toegespitst op de verschillende kostencomponenten in een door de minister beschikbaar gesteld model; en c. c. de omvang van de vast te stellen subsidie; d. d. een opgave van het voordeel dat is genoten op grond van de Uitvoeringsregeling Energie investeringsaftrek 2001; e. e. een eindverslag. **2.** Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. a. de tekeningen van het gerealiseerde warmtenet; b. b. een overzicht van de gerealiseerde aansluitingen en verwachte aansluitingen binnen vijf jaar na de einddatum van het project; c. c. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject en de afwijkingen; d. d. de opschalingsmogelijkheden van het warmtenet; e. e. een document waaruit blijkt dat het warmtenet in gebruik is genomen; f. f. een document waarin de broeikasgasuitstoot van de geleverde warmte in GJ is aangetoond, met behulp van het door de minister beschikbaar gestelde model; en g. g. documenten waaruit blijkt dat particuliere woningeigenaren, zoals opgegeven in het projectplan, een aanbod hebben ontvangen tot aansluiting op het warmtenet. **3.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project wordt opgedaan na afloop van het project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. ### Artikel 4.10.11 De subsidie, bedoeld in artikel 4.10.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 4.10.12 Deze titel en bijlage 4.10.1 vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 4.11. Beperking ammoniakemissie bij industriële piekbelasters ### Artikel 4.11.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *depositiejaarvracht:* optelsom van de totale stikstofvracht, uitgedrukt in mol per jaar, afkomstig van emissiestromen van industriële ondernemingen, op alle overbelaste en stikstofgevoelige hexagonen boven de kritische depositiewaarde van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer rond de bedrijfslocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; - *emissiejaarvracht:* vergunde emissiejaarvracht, zijnde de maximale hoeveelheid ammoniak en stikstofoxiden, die in een jaar door de betreffende fabrieksinstallatie, waarop de nageschakelde installatie wordt aangesloten, mag worden geëmitteerd naar de lucht; - *emissiestroom:* hoeveelheid chemische verbindingen, waaronder zowel verontreinigende stoffen als lucht, die uit de installatie vrijkomt en wordt geëmitteerd naar de lucht; - *industriële onderneming:* onderneming die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als een industriële onderneming is geclassificeerd met een Standaard Bedrijfsindeling code C – Industrie, zoals gedefinieerd in de Standaard Bedrijfsindeling 2025, versie maart 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek en, tenzij onderdeel van een vergunning-groep, tevens verplicht is om een PRTR-verslag op te stellen; - *nageschakelde installatie:* installatie die in staat is om een gewenste hoeveelheid van een bepaalde stof uit de emissiestroom van een industrieel proces af te vangen; - *Natura 2000-gebied:* Natura 2000-gebied als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - *natuurvergunning:* omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet; - *PRTR-verslag:* rapportage aan het bevoegde gezag als bedoeld in artikel 5 van verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU 2006, L 33); - *stikstofoxiden:* stikstofoxideverbindingen NO en NO_2; - *vergunning-groep:* groep van rechtspersonen die milieubelastende activiteiten onderneemt die in overeenstemming met artikel 5.7 van de Omgevingswet binnen één omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit worden gereguleerd en waarvoor de verplichting geldt dat een van de rechtspersonen binnen de groep een PRTR-verslag opstelt voor de groep; - *vermeden emissiejaarvracht:* emissie van ammoniak en stikstofoxiden die jaarlijks wordt voorkomen door het plaatsen en benutten van een nageschakelde installatie die op de gehele, of een gedeelte van de lucht emissiestroom van de industriële onderneming werkzaam is, en die bestaat uit de emissiejaarvracht vermenigvuldigd met de bij aanvraag opgegeven verwijderingsefficiëntie; - *verwijderingsefficiëntie:* percentage van stikstofoxiden en ammoniak dat, ten opzichte van de oorspronkelijke emissiestroom, door de nageschakelde installatie uit de emissiestroom verwijderd wordt; - *werkelijke investeringskosten:* investeringskosten die werkelijk gemaakt worden tijdens de uitvoering van een project voor de aanschaf en het installeren van een nageschakelde installatie met als doel het afvangen van ammoniak uit de emissiestroom; - *ZZS:* zeer zorgwekkende stof als bedoeld in artikel 5.22a van het Besluit activiteiten leefomgeving. ### Artikel 4.11.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag eenmalig subsidie aan een industriële onderneming, of een industriële onderneming die behoort tot een vergunning-groep, voor een project waarmee een nageschakelde installatie aangeschaft, geïnstalleerd en continu gebruikt wordt om ammoniak uit de emissiestroom af te vangen. **2.** In aanvulling op het eerste lid mag de aanvrager, bij het opgeven van de vermeden emissiejaarvracht, naast ammoniak, ook stikstofoxiden meerekenen, en wel tot een maximum van 40 procent van de stikstofatomen **3.** De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op één of meerdere nageschakelde installaties waarbij geldt dat: a. a. bij de nageschakelde installatie meerdere emissiepunten naar de installatie mogen worden geleid; of b. b. de nageschakelde installatie een additionele component mag bevatten die een behandeling van vloeistoffen uit de nageschakelde installatie bewerkstelligt, waardoor eventuele afwenteleffecten van de nageschakelde installatie kunnen worden voorkomen. ### Artikel 4.11.3 De subsidiabele kosten bedragen het door de aanvrager gevraagde subsidiebedrag voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4.11.2. Het gevraagde subsidiebedrag kan nooit meer dan de werkelijke investeringskosten bedragen. ### Artikel 4.11.4 **1.** De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 30 miljoen. **2.** Indien de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie van de voltooide installatie in negatieve zin groter is dan 3 procent ten opzichte van de bij de aanvraag opgegeven verwijderingsefficiëntie dan wordt naar rato het subsidiebedrag bij de subsidievaststelling lager vastgesteld. ### Artikel 4.11.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 4.11.6 De rangschikking vindt plaats op grond van de verhouding tussen het gevraagde subsidiebedrag en het aantal kilogrammen vermeden emissiejaarvracht met dien verstande dat hoe lager het gevraagde subsidiebedrag per kilo vermeden emissiejaarvracht is, des te hoger de aanvraag wordt gerangschikt. ### Artikel 4.11.7 **1.** Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is de periode van de datum van aanvang van het project tot en met 31 december 2028. ### Artikel 4.11.8 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. a. de industriële onderneming niet zelfstandig verplicht is om een PRTR-verslag op te stellen tenzij deze onderneming onderdeel is van een vergunning-groep en voor of namens de vergunning-groep een PRTR-verslag dient te worden opgesteld; b. b. de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minder dan 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfslocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019, tenzij deze onderneming onderdeel is van een vergunning-groep die een depositiejaarvracht had van meer dan 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; c. c. het door de subsidieaanvrager gevraagde subsidiebedrag hoger is dan de werkelijke investeringskosten die opgenomen zijn in de kostenbegroting; d. d. het gedeelte van de voorgestelde nageschakelde installatie, dat de ammoniak en stikstofoxiden afvangt uit de emissiestroom, een lager niveau dan Technologie Readiness Level 9 (implementatiefase) heeft; e. e. de subsidie wordt aangevraagd voor een investering die verplicht is op grond van een wettelijk voorschrift of een geldende Unienorm als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. voor het uitvoeren van het project, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, vergunningen noodzakelijk zijn die niet zijn of kunnen worden verleend; g. g. het ingediende projectplan onvolledig is of van onvoldoende kwaliteit. ### Artikel 4.11.9 **1.** Onverminderd artikel 39 van het besluit verschaft de subsidieontvanger op verzoek van de minister inlichtingen omtrent de voortgang of resultaten van het project. **2.** In het geval er activiteiten door derden worden uitgevoerd, dient opdrachtverlening aan deze derden plaats te vinden op basis van marktconforme tarieven. **3.** De subsidieontvanger gebruikt stikstofdepositieruimte die is vrijgemaakt door de ingebruikname van de nageschakelde installatie niet voor eigen activiteiten op de locatie. **4.** De subsidieontvanger stelt stikstofdepositieruimte die is vrijgemaakt door de ingebruikname van de nageschakelde installatie niet ter beschikking voor andere activiteiten. **5.** De subsidieontvanger komt de toezeggingen na die zijn opgenomen in de verklaringen, bedoeld in artikel 4.11.10, onderdelen d tot en met f. ### Artikel 4.11.10 Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en gaat daarnaast vergezeld van: a. a. een ingevuld projectformulier met daarin de volgende informatie: 1°. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; 2°. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; 3°. de locatie van het project; 4°. de naam van het project; 5°. de start- en einddatum van het project; 1°. 1°. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; 2°. 2°. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; 3°. 3°. de locatie van het project; 4°. 4°. de naam van het project; 5°. 5°. de start- en einddatum van het project; b. b. een kostenbegroting met daarin opgenomen; 1°. een begroting van de werkelijke investeringskosten. De kosten worden ingeschat met een nauwkeurigheid die passend is bij een conceptuele studie; 2°. een begroting per mijlpaal van de subsidiabele kosten. Deze begroting per mijlpaal bevat in ieder geval de mijlpalen met onderliggende activiteiten: mijlpalen en de kosten, inclusief onderbouwing, uiteengezet in de looptijd van het project; 3°. een effectiviteitsberekening van de kosten, waarin de volgende waarden opgegeven worden: − het gevraagde subsidiebedrag; − de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie; − de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie; 1°. 1°. een begroting van de werkelijke investeringskosten. De kosten worden ingeschat met een nauwkeurigheid die passend is bij een conceptuele studie; 2°. 2°. een begroting per mijlpaal van de subsidiabele kosten. Deze begroting per mijlpaal bevat in ieder geval de mijlpalen met onderliggende activiteiten: mijlpalen en de kosten, inclusief onderbouwing, uiteengezet in de looptijd van het project; 3°. 3°. een effectiviteitsberekening van de kosten, waarin de volgende waarden opgegeven worden: − het gevraagde subsidiebedrag; − de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie; − de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie; − − het gevraagde subsidiebedrag; − − de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie; − − de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie; c. c. een projectplan waarin een omschrijving van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd is opgenomen en de wijze waarop het project voldoet aan de eisen opgenomen in deze titel. De omschrijving bevat tevens: 1°. een onderbouwing van de gekozen technologische oplossing; 2°. aanvullende informatie die onderbouwt dat de hoofdcomponent van de voorgestelde nageschakelde installatie een Technology Readiness Level 9 heeft; 3°. een opgave van de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie in kg/jaar ammoniak en stikstofoxiden. Indien de vergunde waarde bestaat uit een concentratie, dan dient de aanvrager een berekening van de emissiejaarvracht op te geven gebaseerd op representatieve maximale draaiuren zoals gebruikt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Indien voor de betreffende fabrieksinstallatie geen emissiewaarde in de vergunning is bepaald, dient de aanvrager een technische onderbouwing te verschaffen waarbij aannemelijk wordt gemaakt welk deel van de vergunning van toepassing is op de installatie. In dat geval is een verklaring van het bevoegd gezag vereist waarin wordt verklaard dat deze opgave aannemelijk is; 4°. een opgave van de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie en een technische toelichting op de daaruit volgende vermeden emissiejaarvracht; 5°. informatie van een leverancier die de opgegeven verwijderingsefficiëntie kan onderbouwen. In afwezigheid van een externe leverancier dient een technische onderbouwing van de verwijderingsefficiëntie te worden verstrekt; 6°. een omschrijving van de wijze en de volgorde waarop het project uitgevoerd wordt en welke onderdelen van het project door derden zullen worden uitgevoerd. Deze omschrijving dient verduidelijkt te worden met schetsmateriaal en verduidelijkende foto’s van de locatie waar de nageschakelde installatie geplaatst zal worden; 7°. een opgave waardoor aannemelijk is, bijvoorbeeld door verwijzing naar het RIVM-briefrapport 2023-0313 of door overlegging van een volledige berekening in de actuele versie van AERIUS-Check, dat: − de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfs- of clusterlocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; of − de vergunning-groep waarvan de onderneming van de subsidieaanvrager deel uitmaakt, een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; 1°. 1°. een onderbouwing van de gekozen technologische oplossing; 2°. 2°. aanvullende informatie die onderbouwt dat de hoofdcomponent van de voorgestelde nageschakelde installatie een Technology Readiness Level 9 heeft; 3°. 3°. een opgave van de vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie in kg/jaar ammoniak en stikstofoxiden. Indien de vergunde waarde bestaat uit een concentratie, dan dient de aanvrager een berekening van de emissiejaarvracht op te geven gebaseerd op representatieve maximale draaiuren zoals gebruikt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Indien voor de betreffende fabrieksinstallatie geen emissiewaarde in de vergunning is bepaald, dient de aanvrager een technische onderbouwing te verschaffen waarbij aannemelijk wordt gemaakt welk deel van de vergunning van toepassing is op de installatie. In dat geval is een verklaring van het bevoegd gezag vereist waarin wordt verklaard dat deze opgave aannemelijk is; 4°. 4°. een opgave van de verwijderingsefficiëntie van de voorgestelde nageschakelde installatie en een technische toelichting op de daaruit volgende vermeden emissiejaarvracht; 5°. 5°. informatie van een leverancier die de opgegeven verwijderingsefficiëntie kan onderbouwen. In afwezigheid van een externe leverancier dient een technische onderbouwing van de verwijderingsefficiëntie te worden verstrekt; 6°. 6°. een omschrijving van de wijze en de volgorde waarop het project uitgevoerd wordt en welke onderdelen van het project door derden zullen worden uitgevoerd. Deze omschrijving dient verduidelijkt te worden met schetsmateriaal en verduidelijkende foto’s van de locatie waar de nageschakelde installatie geplaatst zal worden; 7°. 7°. een opgave waardoor aannemelijk is, bijvoorbeeld door verwijzing naar het RIVM-briefrapport 2023-0313 of door overlegging van een volledige berekening in de actuele versie van AERIUS-Check, dat: − de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfs- of clusterlocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; of − de vergunning-groep waarvan de onderneming van de subsidieaanvrager deel uitmaakt, een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; − − de industriële onderneming van de subsidieaanvrager een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van de bedrijfs- of clusterlocatie, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; of − − de vergunning-groep waarvan de onderneming van de subsidieaanvrager deel uitmaakt, een depositiejaarvracht had van minstens 2500 mol/jaar op overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km, gebaseerd op emissiegegevens in 2019; d. d. een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat hij instemt met het aanpassen van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit tot een maximum-emissiejaarvracht NH_3, en indien van toepassing NO_x, die gebaseerd wordt op de gerealiseerde emissiereductie; e. e. een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat hij ermee instemt dat de natuurvergunning bij de eerste revisie op grond van artikel 5.43 van de Omgevingswet, of andere wijziging, zodanig wordt aangepast dat de emissiejaarvracht wordt aangepast aan de waarde die naar aanleiding van het onderhavige project is vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit; f. f. voor zover sprake is van een situatie waarbij de aanvrager zijn industriële onderneming voert op grond van een natuurvergunning verleend aan een andere rechtspersoon: een verklaring, ondertekend door zowel de aanvrager als deze rechtspersoon, houder van de betreffende omgevingsvergunning, dat zij zich beiden committeren aan de inhoud van de verklaring, bedoeld in onderdeel e, en de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.11.9, derde en vierde lid; g. g. een verklaring van het bevoegd gezag: 1°. dat het project niet wettelijk kan worden afgedwongen; 2°. met daarin opgenomen een inschatting van het risico dat voor het project geen vergunning kan worden afgegeven; 3°. dat er geen bron maatregel binnen het productieproces voorhanden is waarbij een navenant grote vermindering van ZZS-emissies behaald kan worden, voor zover er sprake is van ZZS-emissie; 4°. dat zij positief oordelen over de afvoer van de toekomstige afvalstromen, waarbij eventuele afwenteleffecten op een goede manier worden voorkomen of opgelost; 5°. waaruit blijkt dat de door de onderneming opgegeven vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie juist of aannemelijk is. 1°. 1°. dat het project niet wettelijk kan worden afgedwongen; 2°. 2°. met daarin opgenomen een inschatting van het risico dat voor het project geen vergunning kan worden afgegeven; 3°. 3°. dat er geen bron maatregel binnen het productieproces voorhanden is waarbij een navenant grote vermindering van ZZS-emissies behaald kan worden, voor zover er sprake is van ZZS-emissie; 4°. 4°. dat zij positief oordelen over de afvoer van de toekomstige afvalstromen, waarbij eventuele afwenteleffecten op een goede manier worden voorkomen of opgelost; 5°. 5°. waaruit blijkt dat de door de onderneming opgegeven vergunde emissiejaarvracht van de betreffende fabrieksinstallatie juist of aannemelijk is. ### Artikel 4.11.11 Het voortgangsverslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een schriftelijk verslag omtrent de uitvoering van het project met inbegrip van een vergelijking van de daadwerkelijke uitvoering met de omschrijving, planning en kosten van het project in het projectplan. Hierbij worden veranderingen in zowel materiële als financiële zin toegelicht. ### Artikel 4.11.12 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van: a. a. een gespecificeerde opgave van alle werkelijke investeringskosten, opgesteld conform de ingediende begroting ten tijde van de subsidieaanvraag; b. b. een opgave van de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie van de geïnstalleerde nageschakelde installatie middels een eindmeting. De eindmeting vindt plaats volgens de geldende wettelijke voorschriften voor het doen van emissiemetingen ten behoeve van omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd meetplan; c. c. een verklaring van het bevoegd gezag: 1°. dat de opgave van de verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b, juist is; 2°. dat de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van de betreffende fabrieksinstallatie naar aanleiding van het project is geactualiseerd op basis van de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b. 1°. 1°. dat de opgave van de verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b, juist is; 2°. 2°. dat de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van de betreffende fabrieksinstallatie naar aanleiding van het project is geactualiseerd op basis van de gerealiseerde verwijderingsefficiëntie, bedoeld in onderdeel b. ### Artikel 4.11.13 De subsidie, bedoeld in artikel 4.11.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. ### Artikel 4.11.14 Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. ### Titel 4.12. Flexibel elektriciteitsverbruik (Flex-e) ### Artikel 4.12.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *aangeslotene:* aangeslotene als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; - *energieadviseur:* onderneming die energieadvies verleent of gaat verlenen aan een aanvrager; - *flexibiliteitsmaatregel:* maatregel die de mogelijkheid van een aangeslotene om zijn verbruikspatronen van elektriciteit te beïnvloeden vergroot; - *flexibiliteitsscan:* verkennende studie die inzicht geeft in het huidige en toekomstige profiel van de elektriciteitsvraag van een aangeslotene en de flexibiliteitsmaatregelen die kunnen worden getroffen; - *haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen:* studie die inzicht geeft in het huidige en toekomstige profiel van de elektriciteitsvraag van een aangeslotene en in de technische haalbaarheid en de kosten van flexibiliteitsmaatregelen; - *vestiging:* locatie waar door een onderneming of instelling een economische activiteit wordt uitgeoefend. ### Artikel 4.12.2 **1.** De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aangeslotene voor de volgende activiteiten: a. a. het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, opgesteld overeenkomstig bijlage 4.12.1; b. b. het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen, opgesteld overeenkomstig bijlage 4.12.2; c. c. het realiseren van een of meer flexibiliteitsmaatregelen, zijnde: 1°. meet- en regeltechniek die processen of installaties dusdanig aan kunnen sturen dat het profiel van de elektriciteitsvraag beïnvloed wordt, zoals sensoren, regelaars en meters die input leveren aan de regeltechniek en kleppen, switches en andere sturingsmechanismen die vallen onder regeltechniek; 2°. energieopslag die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert; 3°. energieconversie die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert, met uitzondering van energieconversie die wordt gevoed met fossiele brandstoffen; 4°. opslag of buffercapaciteit van een product of halffabricaat waarmee het productieproces flexibeler gemaakt kan worden. 1°. 1°. meet- en regeltechniek die processen of installaties dusdanig aan kunnen sturen dat het profiel van de elektriciteitsvraag beïnvloed wordt, zoals sensoren, regelaars en meters die input leveren aan de regeltechniek en kleppen, switches en andere sturingsmechanismen die vallen onder regeltechniek; 2°. 2°. energieopslag die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert; 3°. 3°. energieconversie die het profiel van de elektriciteitsvraag kan beïnvloeden op een manier die de afnamecongestie vermindert, met uitzondering van energieconversie die wordt gevoed met fossiele brandstoffen; 4°. 4°. opslag of buffercapaciteit van een product of halffabricaat waarmee het productieproces flexibeler gemaakt kan worden. **2.** De aanvrager, bedoeld in het eerste lid: a. a. is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en b. b. beschikt over een gecontracteerd transportvermogen voor afname groter dan of gelijk aan 100 kW, waarbij geldt dat de aansluiting waarop het contract van toepassing is zich bevindt in een door een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet uitgeroepen gebied met afnamecongestie. ### Artikel 4.12.3 De subsidie bedraagt per aanvraag: a. a. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan: 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000; b. b. voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: 50% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 10.000 en tot een maximum van € 125.000; c. c. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen: 35% van de subsidiabele kosten vanaf een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 300.000. ### Artikel 4.12.4 **1.** Voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Voor het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** Voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen komen alleen in aanmerking de aanschaf- en installatiekosten. **4.** Voor subsidie komen niet in aanmerking: a. a. kosten voor eigen personeel van de aanvrager; b. b. reguliere exploitatiekosten, waaronder beheer- en onderhoudskosten; c. c. kosten voor het verzwaren of aanleggen van een aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet. ### Artikel 4.12.5 **1.** De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. **2.** Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan de subsidieplafonds voor projecten als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b of c, toegevoegd op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, ongeacht of de aanvraag binnen onderdeel b of c valt. ### Artikel 4.12.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is: a. a. 1 jaar na subsidieverlening voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan of een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen; b. b. 2 jaar na subsidieverlening voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen. ### Artikel 4.12.7 De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien: a. a. er geen sprake is van afnamecongestie in het gebied waar de aansluiting van de aanvraag zich bevindt; b. b. op de aansluiting van de aanvraag geen gecontracteerd transportvermogen voor afname groter dan of gelijk aan 100 kW van toepassing is; c. c. de voorgestelde activiteit betrekking heeft op een aansluiting buiten Nederland; d. d. de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een andere aansluiting dan in de aanvraag staat beschreven; e. e. de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een vestiging met als primaire bedrijfsactiviteit het opwekken van energie of het aanbieden van energieopslag- of balanceringsdiensten; f. f. redelijkerwijs te verwachten is dat de voorgestelde activiteit leidt tot een toename van het gebruik van fossiele energie door de aanvrager; g. g. de voorgestelde activiteit plaatsvindt bij een aansluiting of vestiging waarvoor op grond van deze titel reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde soort activiteit; h. h. de voorgestelde activiteit betrekking heeft op een aansluiting of vestiging waarvoor op grond van deze titel reeds subsidie is verstrekt voor een activiteit en deze activiteit nog niet gerealiseerd is; i. i. de ingehuurde energieadviseur een moeder- of dochteronderneming betreft van de aanvrager; j. j. de energieadviseur aan wie de aanvrager de opdracht heeft gegeven een flexibiliteitsscan of haalbaarheidsstudie naar flexibiliteitsmaatregelen uit te voeren zelf aanbieder is van flexibiliteitsmaatregelen of onderdelen daarvan; k. k. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, redelijkerwijs te verwachten is dat de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel congestie op het elektriciteitsnet verergert; l. l. voor het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel een laadpaal voor elektrische voertuigen betreft, of primair is gericht op energiebesparing of energie-opwekking. ### Artikel 4.12.8 **1.** De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a en b, bewaart een kopie van de flexibiliteitsscan of de haalbaarheidsstudie voor ten minste vier jaar. **2.** De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, houdt een gerealiseerde flexibiliteitsmaatregel ten minste vier jaar in gebruik. **3.** De ontvanger van subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, levert gedurende deze periode flexibiliteit conform de overeenkomst met de transmissie- of distributiesysteembeheerder bedoeld in artikel 4.12.9, tweede lid, onderdeel b. **4.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. Deze verplichting geldt gedurende vijf jaar na de dag waarop subsidie wordt vastgesteld. ### Artikel 4.12.9 **1.** Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 4.12.2, eerste lid, bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de aanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, de van toepassing zijnde SBI-code of SBI-codes van de aanvrager, het post- en bezoekadres van de onderneming of de instelling, het adres van de vestiging waarop de aanvraag betrekking heeft en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon voor de aanvraag, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. gegevens over de aansluiting waarop de aanvraag betrekking heeft en, indien aanwezig bij dezelfde vestiging, andere aansluitingen voor elektriciteitsafname, waaronder de EAN-code en een kopie van de aansluit- en transportovereenkomst met een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; d. d. een door beide partijen getekende offerte of opdracht voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, waarin is opgenomen dat deze offerte of opdracht alleen geldig is als op grond van deze titel subsidie wordt verleend; en e. e. voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan of een haalbaarheidsstudie naar flexibiliteitsmaatregelen, gegevens over de energieadviseur, waaronder de bedrijfsnaam van de energieadviseur en het nummer waarmee de energieadviseur is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. **2.** Een aanvraag voor subsidie voor het uitvoeren van een flexibiliteitsmaatregel bevat tevens: a. a. een verslag waarin het verwachte effect van de voorgestelde flexibiliteitsmaatregel op het energievraagprofiel beschreven wordt en waarin in ieder geval is opgenomen: 1°. een kwalitatieve beschrijving van de flexibiliteitsmaatregel; 2°. het jaarprofiel, maandprofiel, weekprofiel en dagprofiel op kwartierbasis van de elektriciteitsvraag van de vestiging van een representatief jaar van de afgelopen drie jaren; 3°. een kwantitatieve inschatting voor de flexibiliteitsmaatregel van de elementen bedoeld in bijlage 4.12.1., artikel 5, onderdelen a tot en met f. 1°. 1°. een kwalitatieve beschrijving van de flexibiliteitsmaatregel; 2°. 2°. het jaarprofiel, maandprofiel, weekprofiel en dagprofiel op kwartierbasis van de elektriciteitsvraag van de vestiging van een representatief jaar van de afgelopen drie jaren; 3°. 3°. een kwantitatieve inschatting voor de flexibiliteitsmaatregel van de elementen bedoeld in bijlage 4.12.1., artikel 5, onderdelen a tot en met f. b. b. een kopie van een congestiemanagementcontract met een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, die betrekking heeft op de aansluiting van de aanvraag; en c. c. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. **3.** Indien voor dezelfde vestiging reeds subsidie is verstrekt voor het uitvoeren van een flexibiliteitsscan, het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen of het realiseren van flexibiliteitsmaatregelen, bevat een aanvraag voor subsidie tevens onderscheidenlijk een kopie van de flexibiliteitsscan, een kopie van de haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen of een kopie van het eindverslag bedoeld in artikel 4.12.10, onderdeel b, onder 1°. ### Artikel 4.12.10 **1.** Een aanvraag tot subsidievaststelling bevat: a. a. voor een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen: indien de aanvraag van subsidie ten minste € 25.000 bedraagt een kopie van de haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen; b. b. voor een flexibiliteitsmaatregel: 1°. een eindverslag, dat aantoont dat de flexibiliteitsmaatregel waarvoor subsidie is verstrekt binnen 2 jaar operationeel is, gerekend vanaf het moment van de subsidieverlening, en in ieder geval foto’s bevat van de geïnstalleerde maatregelen waarop het serienummer zichtbaar is; 2°. een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 50, derde lid, van het besluit. 1°. 1°. een eindverslag, dat aantoont dat de flexibiliteitsmaatregel waarvoor subsidie is verstrekt binnen 2 jaar operationeel is, gerekend vanaf het moment van de subsidieverlening, en in ieder geval foto’s bevat van de geïnstalleerde maatregelen waarop het serienummer zichtbaar is; 2°. 2°. een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 50, derde lid, van het besluit. **2.** In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit gaat een aanvraag niet vergezeld van een controleverklaring. ### Artikel 4.12.11 **1.** De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel a, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **3.** De subsidie, bedoeld in artikel 4.12.2, eerste lid, onderdeel c, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening of, in voorkomend geval, door de landbouw de-minimisverordening of verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector. ### Artikel 4.12.12 Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 4.13. Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie (NIKI) ### Artikel 4.13.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *accountant:* een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep; - *bod:* de subsidie-intensiteit die is opgenomen in de subsidieaanvraag; - *CO2:* CO_2 of CO_2-equivalent; - *CO2-equivalent:* de hoeveelheid CH4, N2O, HFK’s, PFK’s en SF6, die overeenkomstig de factoren in bijlage 4.13.1, onderdeel A, eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa eenheid CO_2; - *CO2-emissie:* de optelsom van broeikasgasemissies naar de atmosfeer, uitgedrukt in CO_2-equivalenten; - *CO2-emissiereductie:* de vermindering in uitstoot van broeikasgassen naar de atmosfeer; - *NIKI CO2-emissiereductiemethode:* de rekenmethode die is opgenomen in bijlage 4.13.2; - *dispensatierecht:* een overdraagbaar recht om gedurende het kalenderjaar een emissie van één ton CO_2-equivalent in de lucht te veroorzaken in het kalenderjaar waarin die uitstoot plaatsvindt zonder toepassing van het tarief, genoemd in artikel 71p, eerste lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag; - *exploitatieactiviteiten:* activiteiten die zien op exploitatie van de NIKI-installatie of -installaties na ingebruikname; - *exploitatiefase:* de exploitatie van de NIKI-installatie of -installaties gedurende de looptijd van het NIKI-project; a. *industriële onderneming:* een commerciële organisatie die: a. materiële goederen produceert, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep C; b. afvalwater inzamelt en behandelt, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 37; of c. doet aan terugwinning uit afval, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 38.2; a. a. materiële goederen produceert, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep C; b. b. afvalwater inzamelt en behandelt, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 37; of c. c. doet aan terugwinning uit afval, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 38.2; - *investeringsactiviteiten:* activiteiten die nodig zijn om tot ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties te komen; - *NIKI-installatie:* een productie-installatie die in het NIKI-project wordt aangepast of gebouwd om CO_2-emissies te verminderen. De NIKI-installatie betreft alleen de productie-installatie van de aanvrager, geen onderdelen van de voorgaande of navolgende stappen in de productieketen; - *NIKI-product:* een meetbare eenheid die in de NIKI-installatie of -installaties wordt geproduceerd, die fysiek getransporteerd kan worden, de poort van de productielocatie kan verlaten, economisch verhandelbaar is en een bron van opbrengsten is voor de industriële onderneming. CO_2 wordt, ook als aan deze voorwaarden wordt voldaan, niet gezien als NIKI-product; - *NIKI-project:* een samenhangend geheel van activiteiten uitgevoerd in Nederland door een industriële onderneming waarbij een investering in een NIKI-installatie of -installaties plaatsvindt, dat binnen tien jaar na ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties leidt tot een CO_2-emissiereductie van minimaal 100.000 ton CO_2 ten opzichte van het referentieproduct of de referentieproducten en dat past binnen de in bijlage 4.13.1, onderdeel B, opgenomen omschrijving; - *NIKI-rekenmethode:* de rekenmethode die is opgenomen in bijlage 4.13.3; - *overtollige dispensatierechten:* het overschot aan dispensatierechten dat toe te schrijven is aan het NIKI-project en verhandeld zou kunnen worden; - *opt out-regeling:* het krijgen van toestemming om, bij wijze van uitzondering, niet deel te nemen aan het Europese emissiehandelssysteem, hoewel de installatie wel aan een van de deelnamecriteria voldoet; - *productievolume:* de totale hoeveelheid van NIKI-producten die door de NIKI-installatie of -installaties binnen de exploitatiefase, na ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties, worden vervaardigd; - *referentieproduct:* een verhandelbaar product dat in de markt wordt vervangen door een NIKI-product. De aanvrager wijst een referentieproduct aan dat dezelfde functie vervult als het NIKI-product, waarbij het niet noodzakelijkerwijs fysiek hetzelfde hoeft te zijn; - *subsidie-intensiteit:* het bedrag in euro’s subsidie per ton CO_2-emissiereductie. ### Artikel 4.13.2 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van een NIKI-project aan een ondernemer die een industriële onderneming drijft en die zelfstandig het NIKI-project zal uitvoeren. ### Artikel 4.13.3 **1.** De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. **2.** De subsidie voor een NIKI-project bedraagt minimaal € 30.000.000 en bedraagt ten hoogste het bedrag van het subsidieplafond. **3.** In afwijking van het tweede lid, kan de subsidie voor een NIKI-project minder dan € 30.000.000 bedragen, indien door toekenning van hoger gerangschikte aanvragen een restbudget van minder dan € 30.000.000 overblijft. ### Artikel 4.13.4 De subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode. ### Artikel 4.13.5 **1.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is veertien jaar. **2.** Met de uitvoering van de investeringsactiviteiten wordt gestart binnen twaalf maanden na de beschikking tot subsidieverlening. **3.** De subsidieontvanger neemt de NIKI-installatie of -installaties uiterlijk binnen vier jaar na de start van het NIKI-project in gebruik. **4.** De exploitatieactiviteiten duren tien jaar na de ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties. **5.** Op verzoek van de subsidieontvanger kan de minister de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen met zes maanden. Daarnaast kan de minister de termijn bedoeld in het derde lid verlengen met twaalf maanden. Verlenging geschiedt slechts indien dit naar oordeel van de minister passend en geboden is. ### Artikel 4.13.6 Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit, beslist de minister afwijzend op een aanvraag, indien: a. a. de subsidieverlening in strijd is met het klimaat, milieu- en energiesteunkader; b. b. de subsidieaanvrager geen investeerder is in de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie wordt aangevraagd; c. c. de investeringskosten minder bedragen dan twintig procent van de volgende som: investeringskosten + verdisconteerde exploitatiekosten – verdisconteerde operationele voordelen; d. d. de haalbaarheid, bestaande uit financiële, technische, operationele en markt-haalbaarheid, van het NIKI-project onvoldoende is, blijkend uit de beoordeling van het ingediende projectplan en de vereiste bijlagen, bedoeld in artikel 4.13.10, tweede lid; e. e. binnen het NIKI-project een techniek is gedefinieerd: 1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en 2°. waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in artikel 4.13.4, van het NIKI-project bedragen; 1°. 1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en 2°. 2°. waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in artikel 4.13.4, van het NIKI-project bedragen; f. f. door de aanvrager voor een techniek die binnen het NIKI-project is gedefinieerd subsidie aangevraagd is op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie; g. g. het bod meer dan € 300/ton CO_2 bedraagt; h. h. de opgevoerde kosten niet aannemelijk zijn; i. i. een ongeschikt referentieproduct is gekozen; j. j. de berekening van de CO_2-emissiereductie: 1°. niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO_2-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager; 2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen; 1°. 1°. niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO_2-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager; 2°. 2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen; k. k. subsidie wordt aangevraagd voor een investering in een NIKI-installatie of -installaties die: 1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of 2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast; 1°. 1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of 2°. 2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast; l. l. het niet aannemelijk is dat de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie is aangevraagd na tien jaar exploitatie zonder subsidie operationeel blijft respectievelijk blijven; m. m. het NIKI-project niet past in een reeks activiteiten die uiterlijk in 2050 bij de aanvrager zal leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie blijkend uit het klimaatplan, bedoeld in artikel 4.13.10, derde lid; n. n. het NIKI-project niet voldoet aan het principe van Do No Significant Harm; o. o. het NIKI-project hoofdzakelijk gericht is op de aanleg van infrastructuur; p. p. het NIKI-project gericht is op de productie van energie uit warmtekrachtkoppeling; q. q. binnen het NIKI-project fossiele brandstoffen worden ingezet in het kader van een nieuwe installatie. Uitgezonderd zijn investeringen in het gebruik van aardgas, als de investering bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelstelling van de Europese Unie voor 2030 en de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie tegen 2050; r. r. het NIKI-product voor meer dan tien procent van de totale uitgaande massa van het productieproces als brandstof wordt ingezet. Indien de productie van het NIKI-product volledig gebaseerd is op koolstof die gewonnen is uit Direct Air Capture, mag meer dan tien procent van de productie output als synthetische brandstof worden ingezet. ### Artikel 4.13.7 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate het bod lager is. ### Artikel 4.13.8 **1.** De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de resultaten van het NIKI-project door middel van: a. a. een jaarlijkse rapportage ten aanzien van de activiteiten, bedoeld in artikel 4.13.11, op een door de minister bepaald moment, op basis van de mijlpalen van de investeringsactiviteiten; b. b. een jaarlijkse rapportage ten aanzien van de activiteiten tijdens de exploitatiefase, bedoeld in artikel 4.13.12, op een door de minister bepaald moment, op basis van een herberekening van de benodigde subsidie, in overeenstemming met de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode. **2.** Indien de subsidieontvanger ten tijde van de rapportage, bedoeld onder het eerste lid, onderdeel b, een exploitant van een industriële installatie als bedoeld in artikel 71h, onderdeel g, in samenhang met de artikelen 71i en 71k, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag is, bevat de rapportage tevens: a. a. een verklaring dat de subsidieontvanger gebruik heeft gemaakt van de opt out-regeling voor de NIKI-installatie of -installaties; of b. b. een verklaring dat de subsidieontvanger in het voorafgaande jaar geen overtollige dispensatierechten heeft verhandeld, een herberekening van het aantal overtollige dispensatierechten over de voorafgaande heffingsperiode en een verklaring dat de overtollige dispensatierechten niet zal verhandelen in de resterende exploitatieperiode. **3.** Indien uit de jaarlijkse rapportage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, blijkt dat het aantal overtollige dispensatierechten in het voorgaande kalenderjaar geheel of voor een gedeelte is verhandeld, wordt per verhandeld overtollig dispensatierecht het in dat kalenderjaar geldende tarief, bedoeld in artikel 71p, eerste lid, onder a van de Wet belastingen op milieugrondslag, in mindering gebracht op het subsidiebedrag. **4.** De rapportage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gaat op verzoek van de minister of in ieder geval eens per vijf jaar, vergezeld van een rapport van feitelijke bevindingen opgesteld door een accountant over de productieoutput van de NIKI-installatie of -installaties, de kostprijs en de marktprijs van de producten. **5.** Een verzoek met betrekking tot een essentiële wijziging als bedoeld in artikel 37, derde lid, van het besluit gaat vergezeld van een beschrijving van de essentiële wijziging, inclusief argumentatie waarom deze wijziging noodzakelijk is binnen het NIKI-project. **6.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde NIKI-project, bedoeld in artikel 4.13.1, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. **7.** De subsidieontvanger is eigenaar van de NIKI-installatie of -installaties waarin wordt geïnvesteerd en blijft eigenaar gedurende de investerings- en exploitatiefase. ### Artikel 4.13.9 Indien reeds energie-investeringsaftrek, bedoeld in artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan is volgens de toepasselijke Europese steunkaders. ### Artikel 4.13.10 **1.** De aanvraag voor subsidie bevat: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de industriële onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. de locatie waar de NIKI-installatie wordt geplaatst; d. d. stukken waaruit blijkt dat de basic engineering is afgerond; e. e. een projectplan; f. f. een klimaatplan; g. g. het bod. **2.** Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, bevat in ieder geval de volgende onderdelen: a. a. een beschrijving van het NIKI-project, inclusief een planning met mijlpalenbegroting en de go-no go momenten in de fase tot de start van het NIKI-project, onderbouwd met stukken; b. b. een beschrijving van de technische haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief de energie- en massabalans van het productieproces met de NIKI-installatie of -installaties en, indien van toepassing, referentie-installatie of -installaties; c. c. een beschrijving van de financiële haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief: 1°. een prognose van de productieoutput gedurende tien jaar; 2°. een begroting waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen met daarbij een onderbouwing van de toegepaste referentie en een onderbouwing van de productieoutput van de NIKI-installatie of -installaties, de kostprijs en de marktprijs van de producten, gebruikmakend van de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode; en 3°. informatie over de wijze waarop de aanvrager het eigen aandeel in de projectkosten financiert; 1°. 1°. een prognose van de productieoutput gedurende tien jaar; 2°. 2°. een begroting waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen met daarbij een onderbouwing van de toegepaste referentie en een onderbouwing van de productieoutput van de NIKI-installatie of -installaties, de kostprijs en de marktprijs van de producten, gebruikmakend van de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode; en 3°. 3°. informatie over de wijze waarop de aanvrager het eigen aandeel in de projectkosten financiert; d. d. een beschrijving van de markthaalbaarheid van het NIKI-project inclusief een marktonderzoek; e. e. een beschrijving van de operationele haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief de juridische vereisten; f. f. een onderbouwing van de CO_2-emissiereductie die met het NIKI-project wordt gerealiseerd, gebruikmakend van de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO_2-emissiereductiemethode; g. g. een analyse van risico’s en mitigerende maatregelen voor het gehele NIKI-project, bestaande uit ten minste, maar niet uitsluitend, de technische, financiële en operationele haalbaarheid en een gevoeligheidsanalyse van de CO_2-emissiereductie berekening. **3.** Het klimaatplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, bevat in ieder geval een beschrijving hoe het NIKI-project past binnen de investeringsagenda en vervolgstappen van de aanvrager die leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie in 2050, inclusief: a. a. de te zetten vervolgstappen die de aanvrager na afloop van het NIKI-project verwacht te zetten; b. b. de stappen die de aanvrager al heeft ondernomen om het finale energieverbruik van het productieproces te minimaliseren; en c. c. de stappen die gedurende de operationele fase nog genomen zullen worden. **4.** Indien de aanvrager een exploitant van een industriële installatie als bedoeld in artikel 71h, onderdeel g, in samenhang met de artikelen 71i en 71k, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag is, bevat het klimaatplan, bedoeld in het derde lid, tevens: a. a. een verklaring dat de aanvrager gebruik heeft gemaakt van de opt out-regeling voor de NIKI-installatie of -installaties; of b. b. een verklaring dat de aanvrager tijdens de exploitatiefase geen overtollige dispensatierechten zal verhandelen en een berekening waarin de aanvrager het aantal overtollige dispensatierechten over de exploitatieperiode aannemelijk maakt. **5.** De informatie, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel c, sub 2, gaat vergezeld van een rapportage van een accountant op basis van Standaard 3400 van de Nederlandse Beroepsorganisatie van accountants. ### Artikel 4.13.11 **1.** Een voorschot voor investeringsactiviteiten wordt verstrekt conform artikel 46, zesde lid, van het besluit. **2.** In afwijking van artikel 46, vierde lid, van het besluit, bedraagt het voorschot: a. a. 40 procent van het maximaal verleende subsidiebedrag; of b. b. de totale investeringskosten conform de goedgekeurde begroting van het NIKI-project, afhankelijk van welk van deze bedragen het laagst is. ### Artikel 4.13.12 Een voorschot voor exploitatieactiviteiten wordt verstrekt conform artikel 46, zevende lid, van het besluit. ### Artikel 4.13.13 **1.** Het voorschot, bedoeld in artikel 4.13.12, kan binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar worden bijgesteld aan de hand van de jaarlijkse rapportage, bedoeld in artikel 4.13.8, eerste lid, onderdeel b, conform de op het moment van indiening van de aanvraag NIKI-rekenmethode, rekening houdend met het gerealiseerde productievolume. **2.** Indien de som van de bedragen die in het voorgaande kalenderjaar zijn verstrekt, minder bedraagt dan het op grond van het eerste lid bijgestelde voorschot, wordt het tekort aan verstrekte bedragen verrekend. De minister verstrekt het te weinig betaalde bedrag binnen zes weken na de datum van de bijstelling aan de subsidieontvanger, met dien verstande dat het maximaal te verstrekken voorschotbedrag voor de totale subsidieperiode niet wordt overschreden. **3.** Indien de som van de bedragen die in een kalenderjaar zijn verstrekt, meer bedraagt dan het op grond van het eerste lid bijgestelde voorschot, wordt het teveel aan verstrekte bedragen verrekend. De minister brengt het te veel betaalde bedrag aan verstrekte bedragen in mindering op het eerstvolgende toekomstig te verstrekken bedragen en vervolgens op zoveel maandelijkse bedragen als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen. Indien er geen maandelijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt een teveel betaald voorschot teruggevorderd. **4.** De bijstelling, bedoeld in het derde lid, bedraagt 60 procent van het verschil tussen het herrekende benodigde steunbedrag conform de NIKI-rekenmethode, rekening houdend met het gerealiseerde productievolume. ### Artikel 4.13.14 Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarmee de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval: a. a. een algemene en technische omschrijving van de aangeschafte en gebruikte installaties en infrastructuur op de productielocatie; b. b. een actuele berekening van de benodigde subsidie conform de op het moment van indiening van de subsidieaanvraag geldende NIKI-rekenmethode; en c. c. een berekening van de gerealiseerde CO_2-emissiereductie op basis van de bij aanvraag berekende CO_2-emissiereductie per vollastuur en de totale productieoutput gedurende de exploitatiefase. ### Artikel 4.13.15 **1.** Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten. **2.** De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het NIKI-project worden opgedaan na afloop van het NIKI-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag. **3.** De minister kan de jaarlijkse rapportage, bedoeld in artikel 4.13.8, eerste lid, gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het NIKI-project worden opgedaan. ### Artikel 4.13.16 De subsidie, bedoeld in artikel 4.13.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.103901 (2025/N). ### Artikel 4.13.17 Deze titel en bijlages 4.13.1, 4.13.2 en 4.13.3 vervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op aanvragen die voor deze datum zijn ingediend. ## Hoofdstuk 4a. Telecommunicatie ### Titel 4a.1. Verbetering telecommunicatievoorzieningen Caribisch Nederland ### Artikel 4a.1.1 Vervallen ### Artikel 4a.1.2 Vervallen ### Artikel 4a.1.3 Vervallen ### Artikel 4a.1.4 Vervallen ### Artikel 4a.1.5 Vervallen ### Artikel 4a.1.6 Vervallen ### Artikel 4a.1.7 Vervallen ### Artikel 4a.1.8 Vervallen ### Artikel 4a.1.9 Vervallen ### Artikel 4a.1.10 Vervallen ### Artikel 4a.1.11 Vervallen ### Titel 4a.2. Versterking cyberweerbaarheid ### Artikel 4a.2.1 In deze titel wordt verstaan onder niet-vitale onderneming: onderneming die geen product of dienst aanbiedt waarvan de beschikbaarheid en de betrouwbaarheid van vitaal belang zijn voor de Nederlandse samenleving. ### Artikel 4a.2.2 **1.** De minister verleent op aanvraag subsidie voor de uitvoering van een cyberweerbaarheidsplan aan: a. a. een rechtspersoon die de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen, behartigt, of b. b. een deelnemer aan een samenwerkingsverband dat de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen behartigt. **2.** Het cyberweerbaarheidsplan: a. a. strekt tot versterking van de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen in Nederland; b. b. wordt uitgevoerd door, of in samenwerking met, ten minste twee niet in een groep verbonden niet-vitale ondernemingen; c. c. is gebaseerd op een integrale visie ten aanzien van de ambitie om de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen duurzaam te versterken; en d. d. heeft een looptijd van ten minste één en ten hoogste drie jaar. **3.** Het cyberweerbaarheidsplan bestaat uit een samenhangend geheel van ten minste twee van de volgende activiteiten: a. a. het vormen of in stand houden van een netwerk voor de versterking van niet-vitale ondernemingen met behulp waarvan contacten worden onderhouden met relevante derden, alsmede het door derden laten uitvoeren van netwerkactiviteiten ten behoeve van niet-vitale ondernemingen; b. b. het stimuleren van bewustwording van cyberweerbaarheid bij niet-vitale ondernemingen; c. c. het geven van inzicht in digitale kwetsbaarheden van niet-vitale ondernemingen; d. d. het verrichten van diensten voor niet-vitale ondernemingen om de cyberweerbaarheid van de desbetreffende ondernemingen te versterken; e. e. het anderszins versterken van de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen. **4.** Een samenwerkingsverband bevat maximaal acht deelnemers en de penvoerder is een ondernemer. **5.** In aanvulling op het eerste lid kan de Minister ook subsidie op aanvraag verlenen aan: a. a. een rechtspersoon die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen, behartigt, of b. b. een deelnemer aan een samenwerkingsverband die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen behartigt. ### Artikel 4a.2.3 De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 150.000 per cyberweerbaarheidsplan. ### Artikel 4a.2.4 **1.** In afwijking van artikel 11 van het besluit worden de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4a.2.2, derde lid, berekend overeenkomstig artikel 14 van het besluit. **2.** Voor de toepassing van deze titel bedraagt het vaste uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het besluit, € 80. ### Artikel 4a.2.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. ### Artikel 4a.2.6 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar, en wordt gerekend vanaf de aanvang van de activiteiten, bedoeld in artikel 4a.2.2. ### Artikel 4a.2.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. a. door de subsidieaanvrager niet aannemelijk wordt gemaakt dat uitvoering van het cyberweerbaarheidsplan leidt tot een duurzaam netwerk voor de versterking van de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen; b. b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat uitvoering van het cyberweerbaarheidsplan een bijdrage levert aan de versterking van de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen; c. c. het netwerk voor de versterking van de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen niet openstaat voor nieuwe toetreders; d. d. in het cyberweerbaarheidsplan activiteiten zijn opgenomen die bestaan uit: 1°. het ontwikkelen van hardware of software om de cyberweerbaarheid van ondernemingen te versterken, of het aanschaffen daarvan anders dan voor het verwerken of delen van informatie voor de versterking van cyberweerbaarheid; 2°. het continu op afstand monitoren van de cybersecurity van ondernemingen om aanvallen op de IT-infrastructuur te voorkomen, af te weren, op te sporen of op te lossen; of 3°. het adviseren van ondernemingen die door een cybersecurityincident zijn getroffen, over het oplossen van het incident; 1°. 1°. het ontwikkelen van hardware of software om de cyberweerbaarheid van ondernemingen te versterken, of het aanschaffen daarvan anders dan voor het verwerken of delen van informatie voor de versterking van cyberweerbaarheid; 2°. 2°. het continu op afstand monitoren van de cybersecurity van ondernemingen om aanvallen op de IT-infrastructuur te voorkomen, af te weren, op te sporen of op te lossen; of 3°. 3°. het adviseren van ondernemingen die door een cybersecurityincident zijn getroffen, over het oplossen van het incident; e. e. meer dan 25 procent van de kosten voor de uitvoering van het cyberweerbaarheidsplan bestaat uit het aanschaffen van hardware en software voor het verwerken of delen van informatie voor de versterking van cyberweerbaarheid; f. f. eerder op grond van deze titel aan de subsidieaanvrager of een deelnemer aan het desbetreffende samenwerkingsverband subsidie is verstrekt voor een soortgelijk cyberweerbaarheidsplan; g. g. na toepassing van artikel 4a.2.9, eerste lid, minder dan zestig punten zijn toegekend. ### Artikel 4a.2.8 **1.** Er is een Adviescommissie cyberweerbaarheid die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en artikel 4a.2.7, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 4a.2.9, eerste lid. **2.** De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zeven leden. **3.** De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste één jaar benoemd. ### Artikel 4a.2.9 **1.** De minister kent aan een cyberweerbaarheidsplan een hoger aantal punten toe, naarmate: a. a. het cyberweerbaarheidsplan een grotere bijdrage levert aan het versterken van de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen, waardoor maatschappelijke en economische schade kan worden beperkt; b. b. het netwerk waarbinnen het cyberweerbaarheidsplan wordt uitgevoerd: 1˚. in hogere mate aantoonbaar tot doel heeft en door de samenstelling van het netwerk geschikt is om de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen duurzaam te versterken; 2˚. een groter netwerk kan vormen waarbinnen ervaring en kennis over cyberweerbaarheid aanwezig is en wordt uitgewisseld; 1˚. 1˚. in hogere mate aantoonbaar tot doel heeft en door de samenstelling van het netwerk geschikt is om de cyberweerbaarheid van niet-vitale ondernemingen duurzaam te versterken; 2˚. 2˚. een groter netwerk kan vormen waarbinnen ervaring en kennis over cyberweerbaarheid aanwezig is en wordt uitgewisseld; c. c. het cyberweerbaarheidsplan innovatiever is, blijkende uit de mate waarin het cyberweerbaarheidsplan best practices of blauwdrukken oplevert, of de mate waarin het plan complementair is aan eerder uitgevoerde plannen. **2.** Het aantal punten bedraagt bij de onderdelen a en b van het eerste lid ten minste één en ten hoogste veertig punten, en bij onderdeel c van het eerste lid ten minste één en ten hoogste twintig punten. **3.** De minister rangschikt de aanvragen, waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate in totaal meer punten aan het cyberweerbaarheidsplan zijn toegekend. **4.** Geen subsidie wordt verleend voor een cyberweerbaarheidsplan dat lager is gerangschikt dan een soortgelijk cyberweerbaarheidsplan. ### Artikel 4a.2.10 **1.** Gedurende de uitvoering van het cyberweerbaarheidsplan verstrekt de subsidieontvanger jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de uitvoering van het cyberweerbaarheidsplan worden opgedaan. **2.** De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem uitgevoerde activiteiten, bedoeld in artikel 4a.2.2, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. **3.** Onverminderd het eerste lid verleent de subsidieontvanger medewerking aan de verdere verspreiding van ervaringen en resultaten van het cyberweerbaarheidsplan door de minister of door een door de minister aangewezen derde. **4.** De verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden tot drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. ### Artikel 4a.2.11 **1.** Indien de aanvrager een mkb-ondernemer betreft bevat een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 4a.2.2. ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. **2.** Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 4a.2.2 ten minste: a. a. een verklaring de-minimissteun; b. b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer; c. c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; d. d. een begroting waarin de totale kosten van de uitvoering van het cyberweerbaarheidsplan en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen; e. e. een cyberweerbaarheidsplan met daarin ten minste opgenomen: 1°. een zo concreet en expliciet mogelijke beschrijving van de aanleiding en de doelstelling van het cyberweerbaarheidsproject, inclusief: – een plan van aanpak; – welke resultaten worden opgeleverd; en – de financiële haalbaarheid van het project; 2°. een inschatting en een beschrijving van de organisatorische en juridische uitdagingen, en risico’s, van het cyberweerbaarheidsproject. In de beschrijving wordt tevens ingegaan op hoe deze uitdagingen en risico’s vooraf inzichtelijk zijn gemaakt, wie de probleemeigenaren zijn, en hoe de risico’s gemitigeerd worden tijdens het uitvoeren en doorlopen van het cyberweerbaarheidsproject; 3°. een beschrijving van de kwaliteit van de samenwerking tussen de verschillende deelnemers aan het cyberweerbaarheidsproject waarin de volgende onderdelen terugkomen: – de mate van de capaciteiten en de complementariteit van de deelnemers en of de deelnemers voldoende middelen hebben om deel te nemen aan het cyberweerbaarheidsproject; – de kwaliteit van de projectorganisatie; – de organisaties die betrokken zijn als projectpartner, en de belangrijkste stakeholders, en hoe het project aansluit bij de doelstellingen van de betrokken organisaties; – de concrete bijdragen en activiteiten die de verschillende projectpartners binnen dit project leveren, per projectpartner beschreven; en – of er afspraken zijn gemaakt rondom het intellectueel eigendom van het cyberweerbaarheidsproject na afloop van de subsidie; 4°. een beschrijving van de schaalbaarheid van het cyberweerbaarheidsproject waarin ten minste het volgende wordt opgenomen: – op welke wijze de doorontwikkeling en opschaling van de gevonden oplossing, ontwikkelde dienst of product, na afloop van de subsidie zal plaatsvinden; – hoe het cyberweerbaarheidsproject na afloop van de subsidie verder opgeschaald wordt om de cyberweerbaarheid van Nederlandse bedrijven en organisaties te vergroten; 1°. 1°. een zo concreet en expliciet mogelijke beschrijving van de aanleiding en de doelstelling van het cyberweerbaarheidsproject, inclusief: – een plan van aanpak; – welke resultaten worden opgeleverd; en – de financiële haalbaarheid van het project; – – een plan van aanpak; – – welke resultaten worden opgeleverd; en – – de financiële haalbaarheid van het project; 2°. 2°. een inschatting en een beschrijving van de organisatorische en juridische uitdagingen, en risico’s, van het cyberweerbaarheidsproject. In de beschrijving wordt tevens ingegaan op hoe deze uitdagingen en risico’s vooraf inzichtelijk zijn gemaakt, wie de probleemeigenaren zijn, en hoe de risico’s gemitigeerd worden tijdens het uitvoeren en doorlopen van het cyberweerbaarheidsproject; 3°. 3°. een beschrijving van de kwaliteit van de samenwerking tussen de verschillende deelnemers aan het cyberweerbaarheidsproject waarin de volgende onderdelen terugkomen: – de mate van de capaciteiten en de complementariteit van de deelnemers en of de deelnemers voldoende middelen hebben om deel te nemen aan het cyberweerbaarheidsproject; – de kwaliteit van de projectorganisatie; – de organisaties die betrokken zijn als projectpartner, en de belangrijkste stakeholders, en hoe het project aansluit bij de doelstellingen van de betrokken organisaties; – de concrete bijdragen en activiteiten die de verschillende projectpartners binnen dit project leveren, per projectpartner beschreven; en – of er afspraken zijn gemaakt rondom het intellectueel eigendom van het cyberweerbaarheidsproject na afloop van de subsidie; – – de mate van de capaciteiten en de complementariteit van de deelnemers en of de deelnemers voldoende middelen hebben om deel te nemen aan het cyberweerbaarheidsproject; – – de kwaliteit van de projectorganisatie; – – de organisaties die betrokken zijn als projectpartner, en de belangrijkste stakeholders, en hoe het project aansluit bij de doelstellingen van de betrokken organisaties; – – de concrete bijdragen en activiteiten die de verschillende projectpartners binnen dit project leveren, per projectpartner beschreven; en – – of er afspraken zijn gemaakt rondom het intellectueel eigendom van het cyberweerbaarheidsproject na afloop van de subsidie; 4°. 4°. een beschrijving van de schaalbaarheid van het cyberweerbaarheidsproject waarin ten minste het volgende wordt opgenomen: – op welke wijze de doorontwikkeling en opschaling van de gevonden oplossing, ontwikkelde dienst of product, na afloop van de subsidie zal plaatsvinden; – hoe het cyberweerbaarheidsproject na afloop van de subsidie verder opgeschaald wordt om de cyberweerbaarheid van Nederlandse bedrijven en organisaties te vergroten; – – op welke wijze de doorontwikkeling en opschaling van de gevonden oplossing, ontwikkelde dienst of product, na afloop van de subsidie zal plaatsvinden; – – hoe het cyberweerbaarheidsproject na afloop van de subsidie verder opgeschaald wordt om de cyberweerbaarheid van Nederlandse bedrijven en organisaties te vergroten; f. f. een planning van de uitvoering van de activiteiten in het cyberweerbaarheidsplan; g. g. een samenvatting van het cyberweerbaarheidsplan die door de minister kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties. **3.** De aanvraag voor de vaststelling van de subsidie bevat ten minste: a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager en het door de minister verstrekte referentienummer; b. b. de omvang van de vast te stellen subsidie en de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling; c. c. een samenvatting van de resultaten van het cyberweerbaarheidsplan die door de minister kan worden gebruikt in voor ieder toegankelijke publicaties. ### Artikel 4a.2.12 De subsidie, bedoeld in artikel 4a.2.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening, of, indien de subsidie wordt verleend aan een mkb-ondernemer, door artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor zover het consultancysteun betreft en de algemene de-minimisverordening voor zover het steun voor overige activiteiten betreft. ### Artikel 4a.2.13 Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ### Titel 4a.3. Cyberbeveiligingsinnovatieprojecten ### Artikel 4a.3.1 In deze titel wordt verstaan onder: - *cyberbeveiliging:* cyberbeveiliging als bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van verordening (EU) 2021/694; - *Europees samenwerkingsverband:* een samenwerkingsverband van onafhankelijke juridische entiteiten; - *juridische entiteit:* juridische entiteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van verordening (EU) 2021/694, die voor subsidie in aanmerking zou kunnen komen op grond van artikel 18 van verordening (EU) 2021/694; - *Nederlands samenwerkingsverband:* een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde onafhankelijke juridische entiteiten; - *verordening (EU) 2021/694:* verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PbEU 2021 L 166/1). ### Artikel 4a.3.2 **1.** De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een cyberbeveiligingsinnovatieproject dat gericht is op de verwezenlijking van één of meer van de operationele doelstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening (EU) 2021/694 op de volgende deelgebieden: a. a. het bevorderen van crypto-agility, waaronder mede begrepen het ontwikkelen van vernieuwende methoden of technieken ten behoeve van het beheer en de vernieuwing van cryptografische middelen binnen de organisatie van de mogelijke afnemers van de subsidieaanvrager, bestaande uit onder meer algoritmes, sleutels en certificaten, in het belang van de nationale cyberveiligheid; b. b. het vereenvoudigen en meer kostenefficiënt maken van cyberbeveiligingsoplossingen, waaronder mede begrepen het ontwikkelen of doorontwikkelen van vernieuwende respectievelijk bestaande methoden of technieken dan wel de opschaling hiervan ten behoeve van het binnen de organisatie van de subsidieaanvrager geautomatiseerd kunnen detecteren van cyberdreigingen, controleren van codes van software, versleutelen van data en elektronische communicatie, netwerk- en toegangsbeveiliging en verbetering hiervan via zelflerende systemen. **2.** Een cyberbeveiligingsinnovatieproject bevat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of procesinnovatie. **3.** De subsidieontvanger is een in Nederland gevestigde juridische entiteit, die de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, zelfstandig dan wel in een Nederlands of Europees samenwerkingsverband uitvoert, en ten behoeve van de uitvoering van deze activiteiten geen onderneming in stand houdt die actief is in: a. a. de sector visserij en aquacultuur; b. b. de primaire productie van landbouwproducten; of c. c. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de gevallen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 4a.3.3 **1.** De subsidie bedraagt voor een cyberbeveiligingsinnovatieproject: a. a. 70% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten binnen het deelgebied ‘het bevorderen van crypto-agility’; b. b. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten binnen het deelgebied ‘het vereenvoudigen en meer kostenefficiënt maken van cyberbeveiligingsoplossingen’. **2.** De subsidie per cyberbeveiligingsinnovatieproject bedraagt ten hoogste € 100.000. **3.** Het totale bedrag aan de-minimissteun per subsidieontvanger bedraagt niet meer dan het maximumbedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 4a.3.4 **1.** Voor subsidie komen in aanmerking: a. a. personeelskosten, waaronder mede begrepen de kosten verbonden aan de inzet van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel; b. b. kosten van de aanschaf en het gebruiksklaar maken van apparatuur en uitrusting; c. c. kosten van contractonderzoek, consultancy of gelijkwaardige diensten; d. d. kosten voor het gebruik van onderzoek-, simulatie- of testfaciliteiten of materialen. **2.** In afwijking van artikel 11, eerste lid, onderdelen a en b, van het besluit berekent de subsidieaanvrager de subsidiabele kosten uitsluitend overeenkomstig de vaste-uurtarief-systematiek, opgenomen in artikel 14 van het besluit. **3.** Voor de toepassing van deze titel bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het besluit, € 60. ### Artikel 4a.3.5 De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening. ### Artikel 4a.3.6 **1.** Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd cyberbeveiligingsinnovatieproject wordt gestart uiterlijk één maand na subsidieverlening. **2.** De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is één jaar na subsidieverlening. ### Artikel 4a.3.7 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een cyberbeveiligingsinnovatieproject indien: a. a. na toepassing van artikel 4a.3.8, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, en tweede lid, minder dan drie punten per criterium zijn toegekend; b. b. de te verlenen subsidie: 1°. minder dan € 60.000 voor het cyberbeveiligingsinnovatieproject zou bedragen; of 2°. minder dan € 25.000 voor een subsidieaanvrager zou bedragen, in het geval het cyberbeveiligingsinnovatieproject wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband; 1°. 1°. minder dan € 60.000 voor het cyberbeveiligingsinnovatieproject zou bedragen; of 2°. 2°. minder dan € 25.000 voor een subsidieaanvrager zou bedragen, in het geval het cyberbeveiligingsinnovatieproject wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband; c. c. de subsidieaanvrager in de afgelopen drie volledige kalenderjaren niet actief zijn beroep of bedrijf heeft uitgeoefend in Nederland, waaronder mede begrepen geen producten of diensten heeft aangeboden op de Nederlandse markt; d. d. het cyberbeveiligingsinnovatieproject uitsluitend gericht is op het verhogen van de cyberweerbaarheid binnen de organisatie van de subsidieaanvrager; of e. e. de aanvraagactiviteiten bevat die direct verband houden met: 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer. 1°. 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen; 2°. 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of 3°. 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer. ### Artikel 4a.3.8 **1.** De Minister kent aan een aanvraag om subsidieverlening betreffende een cyberbeveiligingsinnovatieproject een hoger aantal punten toe naarmate: a. a. het project meer bijdraagt aan de doelen en het toepasselijke deelgebied, bedoeld in artikel 4a.3.2, eerste lid; b. b. de kwaliteit van het projectplan en begroting van het cyberbeveiligingsinnovatieproject beter is, blijkend uit: 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan; 2°. de wijze waarop zal worden omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het project; 3°. de mate van uitvoerbaarheid en verwachte haalbaarheid van de projectplanning; en 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; 1°. 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan; 2°. 2°. de wijze waarop zal worden omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het project; 3°. 3°. de mate van uitvoerbaarheid en verwachte haalbaarheid van de projectplanning; en 4°. 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet; c. c. de aanvrager die of het samenwerkingsverband dat het cyberbeveiligingsinnovatieproject uitvoert meer geschikt is om het project uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband; 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het project, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling binnen de subsidieaanvrager respectievelijk binnen het samenwerkingsverband; 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband beschikt over bewezen expertise van het uitvoeren van dergelijke projecten en het toepassingsgebied van de te ontwikkelen of door te ontwikkelen methode of techniek; en 4°. voor zover van toepassing, een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten en deelname van een potentiële gebruiker van de te ontwikkelen of de door te ontwikkelen methoden of technieken; en 1°. 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband; 2°. 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het project, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling binnen de subsidieaanvrager respectievelijk binnen het samenwerkingsverband; 3°. 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband beschikt over bewezen expertise van het uitvoeren van dergelijke projecten en het toepassingsgebied van de te ontwikkelen of door te ontwikkelen methode of techniek; en 4°. 4°. voor zover van toepassing, een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten en deelname van een potentiële gebruiker van de te ontwikkelen of de door te ontwikkelen methoden of technieken; en d. d. de impact van het project op de markt groter is, blijkend uit ten minste de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de Nederlandse en internationale markt, de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen cyberbeveiligingssectoren en de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd op het gebied van cyberbeveiliging. **2.** De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe. **3.** De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend. **4.** Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een project met soortgelijke activiteiten. ### Artikel 4a.3.9 Vervallen ### Artikel 4a.3.10 Vervallen ### Artikel 4a.3.11 Vervallen ### Artikel 4a.3.12 **1.** Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste: a. a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; b. b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres; c. c. kerngegevens over het cyberbeveiligingsinnovatieproject, die bestaan uit een voor openbare publicatie geschikte samenvatting van de projectomschrijving en, voor zover van toepassing, een lijst met deelnemers in het Nederlandse of Europese samenwerkingsverband dat het cyberbeveiligingsinnovatieproject zal uitvoeren; d. d. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager. **2.** De aanvraag gaat vergezeld van: a. a. een projectplan met daarin een projectomschrijving van de doelen, de deelgebieden en de activiteiten, bedoeld in artikel 4a.2.2, eerste en tweede lid, van het cyberbeveiligingsinnovatieproject; b. b. een projectbegroting waarin per projectfase en deelnemer een omschrijving wordt gegeven van: 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. de totale subsidiabele kosten van het cyberbeveiligingsinnovatieproject en op welke activiteiten als bedoeld in artikel 4a.3.2, tweede lid, deze kosten betrekking hebben; 1°. 1°. de omvang van de gevraagde subsidie; 2°. 2°. de totale subsidiabele kosten van het cyberbeveiligingsinnovatieproject en op welke activiteiten als bedoeld in artikel 4a.3.2, tweede lid, deze kosten betrekking hebben; c. c. een beknopte beschrijving van de competenties van de bij de uitvoering van het cyberbeveiligingsinnovatieproject betrokken organisaties of personen; d. d. een beknopte beschrijving van de strategie en ontwikkelprioriteiten van de subsidieaanvrager en op welke termijn het te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben; e. e. de meest recente jaarrekening of, voor zover van toepassing, andere vergelijkbare documenten waaruit de financiële situatie van de subsidieaanvrager kan worden afgeleid; f. f. een door de Minister beschikbaar gesteld ingevuld formulier, waaruit volgt dat de subsidieaanvrager niet in een groep verbonden is met één of meer andere juridische entiteiten die niet zijn gevestigd in één van de landen als bedoeld in artikel 18 van verordening (EU) 2021/694. ### Artikel 4a.3.13 Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval: a. a. een omschrijving van de projectresultaten van het cyberbeveiligingsinnovatieproject; b. b. op welke wijze het cyberbeveiligingsinnovatieproject heeft bijgedragen aan de doelen en deelgebieden, bedoeld in artikel 4a.3.2, eerste lid. ### Artikel 4a.3.14 De subsidie, bedoeld in artikel 4a.3.2, eerste lid, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening. ### Artikel 4a.3.15 Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend. ## Hoofdstuk 5. Slotbepalingen ### Artikel 5.1 **1.** De Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen wordt ingetrokken. **2.** De Subsidieregeling sterktes in innovatie wordt ingetrokken. **3.** De Subsidieregeling innoveren wordt ingetrokken. **4.** De Subsidieregeling energie en innovatie wordt ingetrokken. **5.** De Regeling steunintensiteit wordt ingetrokken. **6.** De Regeling sterktes in de regio wordt ingetrokken. ### Artikel 5.2 Wijzigt de Regeling LNV-subsidies. ### Artikel 5.3 **1.** Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip. **2.** Op subsidies die vóór 1 januari 2015 zijn verleend en op subsidies die vóór 1 januari 2015 zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde vóór dat tijdstip. ### Artikel 5.4 Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt. ### Artikel 5.5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat titel 2.2 terugwerkt tot en met het tijdstip waarop de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 juni 2014, nr. WJZ / 14104248, houdende wijziging van de Regeling LNV-subsidies in verband met de openstelling van de mogelijkheid van subsidies ten behoeve van de verduurzaming van de veehouderij in werking is getreden. ### Artikel 5.6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. ## Bijlage 1.1. behorende bij Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld in overeenstemming met de Nederlandse Standaard 4400N ‘Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden’. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek. ^1Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit nationale EZ subsidies). ^1Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten. ^2Van *buitensporige uitgaven* is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. *Roekeloze uitgaven* betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. ^3Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten. ^4Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden. ## Bijlage 1.2. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 1.3. behorende bij ## Bijlage 2.2. behorende bij Vervallen ## Bijlage 2.2.1. behorende bij Vervallen ## Bijlage 2.2.2. behorende bij Vervallen ## Bijlage 2.2.3. behorende bij Vervallen ## Bijlage 2.3.1. behorende bij ## Bijlage 2.4.1. behorende bij Vervallen ## Bijlage 2.5.1. behorende bij **Overeenkomst tussen**: hierna samen te noemen: Partijen. Partijen zijn het volgende overeengekomen: ## Bijlage 2.6.1. , behorende bij de Vervallen ## Bijlage 2.15.1. behorende bij Vervallen ## Bijlage 2.18.1. bij ## Bijlage 2.22. als bedoeld in Vervallen ## Bijlage 2.23.1. behorende bij ## Bijlage 2.24. behorende bij Het begrip domein, aangeduid in artikel 2.24.1 van artikel I, heeft betrekking op de volgende maatschappelijke domeinen: ## Bijlage 2.25. behorende bij Deelnemers in een samenwerkingsverband dat het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten heeft liggen in een of meer van de volgende postcodegebieden, kunnen een subsidieaanvraag indienen: 1026 1027 1028 112x 113x 114x 115x 13xx 14xx 16xx 17xx 18xx 19xx 298x 299x 316x 317x 32xx 33xx 389x 391x 392x 394x 395x 396x 397x 398x 399x 40xx 41xx 42xx 43xx 44xx 45xx 46xx 473x 474x 475x 476x 477x 478x 479x 49xx 514x 515x 516x 522x 523x 524x 525x 530x 531x 532x 533x 535x 536x 537x 539x 607x 61xx 62xx 63xx 64xx 65xx 774x 775x 776x 78xx 79xx 820x 821x 822x 823x 824x 825x 826x 83xx 84xx 85xx 86xx 87xx 88xx 89xx 90xx 91xx 92xx 93xx 94xx 95xx 96xx 97xx 98xx 99xx ## Bijlage 2.26. behorende bij ## Bijlage 2.28.1. bij *Bijlage bij Subsidieregeling hygiënisatie- en drooginstallaties* *In de tabellen 1 en 2 zijn de verschillende werkingsprincipes en de daarbij behorende basistechnieken opgenomen. Elk werkingsprincipe, waarbij gebruik wordt gemaakt van één in tabel 1 of tabel 2 vermelde basistechniek, leidt tot de inrichting van een hygiënisatie-installatie dan wel drooginstallatie, zoals gedefinieerd in titel 2.28. van deze regeling. In de rechterkolom van deze tabellen is de voor het energieverbruik bijbehorende benchmark opgenomen. De benchmark is uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product.* ^1 Een gevalideerde techniek in de zin van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 die door een intermediaire onderneming wordt gebruikt. ^1 Een gevalideerde techniek in de zin van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 die door een intermediaire onderneming wordt gebruikt. ## Bijlage 3.2.1. behorende bij ## Bijlage 3.4.1. behorende bij ## Bijlage 3.6. behorende bij Vervallen ## Bijlage 3.6.1. , behorende bij de Vervallen ## Bijlage 3.6.2. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 3.6.3. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 3.10.1. behorende bij ## Bijlage 3.10.1a. behorende bij Vervallen ## Bijlage 3.10.2. behorende bij ## Bijlage 3.11.1. behorende bij ## Bijlage 3.11.2. behorende bij ## Bijlage 3.11.3. behorende bij ## Bijlage 3.13.1. behorende bij ## Bijlage 3.13a.1. behorende bij Vervallen ## Bijlage 3.13b.1. behorende bij de artikelen Vervallen ## Bijlage 3.14.1. behorende bij ## Bijlage 3.15.1. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 3.16.1. behorende bij ## Bijlage 3.16.1a. behorende bij ## Bijlage 3.16.2. behorende bij ## Bijlage 3.16.3. behorende bij de ## Bijlage 3.18.1. behorende bij ## Bijlage 3.18a.1. behorende bij ## Bijlage 3.19.1. behorende bij Een scheepsbouwinnovatieproject levert een bijdrage aan duurzame ontwikkeling op één of meerdere van de volgende gebieden: ## Bijlage 3.20. behorende bij ## Bijlage 3.21.1. Behorende bij Vervallen ## Bijlage 3.22.1. behorende bij ## Bijlage 3.25.1. behorende bij de Vervallen ## Bijlage 3.26. Modelovereenkomst van geldlening behorende bij *De ondergetekenden:* hierna tezamen ook genoemd: Partijen; *hebben het volgende overwogen:* *Partijen komen het volgende overeen:* ## Bijlage 3.29.1. behorend bij In de regiovisie zijn onderbouwde keuzes gemaakt voor de afbakening van de regio. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de regiovisie hoger is, blijkend uit onder andere: *De doelstellingen van het project vloeien voort uit de regiovisie en de nulmeting en de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) ten opzichte van de bestaande situatie zijn groot.* Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend indien de doelstellingen van het project (meer) ambitieus zijn qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) en de verwachtte regionale impact, relatief gezien, groter is ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan blijken uit: *Er is een gedragen samenwerking tussen de partners in het samenwerkingsverband.* De samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld zijn duidelijk weergegeven (denk aan: welke partners maken wel of niet deel uit van de verduurzaamde PPS en waarom? Wordt er gewerkt met een groeimodel?). Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de samenwerking meer vertrouwen geeft in een succesvolle en verduurzaamde uitvoering van het plan van aanpak, blijkend uit onder andere: *Er is draagvlak voor het plan bij interne en externe stakeholders.* Het draagvlak onder externe stakeholders wordt inzichtelijk gemaakt. Externe stakeholders zijn partners van de aanvrager uit de regio. Het gaat hier bijvoorbeeld om andere mbo-instellingen, scholen in het voorgezet onderwijs, hogescholen, regionale overheden, werkgevers en andere arbeidsorganisaties. Interne stakeholders zijn in ieder geval (vertegenwoordigers van) studenten, docenten en bij de PPS betrokken relevante partijen, zoals arbeidsorganisaties en ondernemingen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate het draagvlak van het project onder interne en externe stakeholders groter is, blijkend uit: *De partners hebben een stevig trackrecord.* De partners hebben een trackrecord van effectieve en verduurzaamde samenwerking en van substantieel bereik van ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de basis substantieel en robuust is. *De organisatie is zodanig ingericht dat een succesvolle uitvoering van het plan van aanpak mogelijk is.* Het plan van aanpak toont aan dat er een deskundige (project)organisatie wordt ingericht voor de uitvoering van het project, inclusief sturing op een efficiënte inzet van middelen, samenwerking, planning, evaluatie en communicatie. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de voorgestelde organisatie hoger is, blijkend uit onder andere: *De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar binnen de gehele projectperiode.* De uitvoerbaarheid en haalbaarheid van het project zijn inzichtelijk gemaakt in een faseplan (inclusief taakverdeling tussen de partners) voor de eerste twee jaar van de projectperiode en een globale activiteitenplanning voor overige jaren van de projectperiode. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de het faseplan groter is, blijkend uit onder andere: *De project gerelateerde risico’s en de beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht.* Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan de mogelijke risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de risico’s worden beschreven en ondervangen in het plan van aanpak, blijkend uit: *Er is voldoende aandacht voor evaluatie en bijsturing.* Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing, blijkend uit: *Uit het project blijkt dat er aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project).* Uit het plan van aanpak blijkt dat systematische reflectie plaatsvindt met alle organisatiegeledingen op de voortgang in processen, activiteiten en effecten. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project), blijkend uit: Er is een realistische begroting van het project, die inzichtelijk en evenwichtig is. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de begroting realistischer is, blijkend uit onder andere: *De doelstellingen worden op een zo kostenefficiënt mogelijke manier bereikt.* Uit de aanvraag blijkt dat de middelen (geld, tijd en mankracht) zo efficiënt mogelijk worden ingezet om maximale resultaten te bereiken. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de doelstellingen van de verduurzaamde PPS zo efficiënt mogelijk worden bereikt, blijkend uit onder andere: *De vereiste cofinanciering is aangetoond.* Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de cofinanciering beter is geborgd voor de gehele subsidieperiode, blijkend uit onder andere: Er voldoende aandacht wordt besteed aan de verduurzaming van de activiteiten, zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet. Uit het plan van aanpak en de meerjarenbegroting blijkt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan toekomstverkenningen zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate er een heldere beschrijving van concrete activiteiten is waaruit blijkt dat de partners in de projectperiode verduurzamingsmogelijkheden en verdienmodellen gaan verkennen. ## Bijlage 3.30.1. behorende bij de ## Bijlage 3.31.1. behorende bij ## Bijlage 4.2.1. behorende bij ## Bijlage 4.2.2. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.3. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.4. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.5. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.6. behorende bij ## Bijlage 4.2.7. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.8. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.9. behorende bij ## Bijlage 4.2.10. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.11. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.12. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.13. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.14. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.15. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.16. behorende bij ## Bijlage 4.2.17. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.2.18. behorende bij ## Bijlage 4.3.1. behorend bij ## Bijlage 4.3.2. behorend bij ## Bijlage 4.4.1. behorende bij de ## Bijlage 4.4.2. behorende bij de ## Bijlage 4.4.3. behorende bij ## Bijlage 4.5.1. , behorend bij Vervallen ## Bijlage 4.6.1. behorende bij ## Bijlage 4.6.2. behorende bij ## Bijlage 4.7.1. behorende bij ## Bijlage 4.8.1. , behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.9.1. behorende bij Vervallen ## Bijlage 4.10.1. behorende bij ## Bijlage 4.12.1. behorende bij Een flexibiliteitsscan bevat ten minste de informatie die in deze bijlage is beschreven. Daarnaast dient de energieadviseur die de flexibiliteitsscan opstelt ten minste één bezoek te hebben gebracht aan de locatie waar de flexibiliteitsscan wordt uitgevoerd. De energieadviseur kan in het rapport gegevens of conclusies uit eerder uitgevoerde onderzoeken gebruiken, als die inzicht geven in het potentiële flexibele vermogen van de aanvrager. Voorbeelden van zulke onderzoeken zijn een EED-audit, energietransitieplan, elektrificatieplan of verduurzamingsplan. ## Bijlage 4.12.2. behorende bij Een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen bevat ten minste de informatie die in deze bijlage is beschreven. Daarnaast dient de energieadviseur die de haalbaarheidsstudie opstelt ten minste één bezoek te hebben gebracht aan de locatie waar de haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd. De energieadviseur kan in het rapport gegevens of conclusies uit eerder uitgevoerde onderzoeken gebruiken, als die inzicht geven in het potentiële flexibele vermogen van de aanvrager. Voorbeelden van zulke onderzoeken zijn een EED-audit, energietransitie-plan, elektrificatieplan of verduurzamingsplan. ## Bijlage 4.13.1. behorende bij ## Bijlage 4.13.2. behorende bij Deze bijlage beschrijft de methode voor het bepalen van de reductie in broeikasgasemissies naar de atmosfeer van een NIKI-project. Als aanvrager van een NIKI-project bent u verplicht om deze methode toe te passen om de emissiereductie2Met ‘emissie’ of ‘emissiereductie’ worden in dit document altijd de emissie van broeikasgassen naar de atmosfeer en de reductie van deze broeikasgasemissies bedoeld. van uw NIKI-project te bepalen. Ondernemingen reduceren door het uitvoeren van NIKI-projecten emissies van broeikasgassen, uitgedrukt in CO_2-eq door NIKI-producten te vervaardigen, die tijdens hun levenscyclus minder emissies naar de atmosfeer veroorzaken dan producten die ze in de markt vervangen. De NIKI CO_2-emissiereductiemethode houdt rekening met emissies die in verschillende fasen van de levenscyclus van een product ontstaan en de emissiereducties die in deze fasen kunnen worden behaald. Het Europese Innovation Fund (IF) is op dezelfde gedachte gebaseerd. De NIKI CO_2-emissiereductiemethode is dan ook geïnspireerd op de IF-methodiek. De methode is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen van emissies. Een NIKI-aanvraag bestaat uit verschillende onderdelen. U dient onder andere een projectplan in, met daarin een beschrijving van de activiteiten binnen het project, de installatie of installaties die u van plan bent te bouwen of aan te passen, en de NIKI-producten die u daarmee beoogt te produceren. Het projectplan vormt tevens de basis voor het toepassen van zowel de NIKI rekenmethode als de NIKI CO_2-emissiereductiemethode. Dit document beschrijft de NIKI CO_2-emissiereductiemethode en dient als instructie om de methode correct toe te passen. Naast dit document zal voor het voorbereiden van NIKI-aanvragen een NIKI rekenmodel CO_2-emissiereductie gepubliceerd worden, die zorgt voor een uniforme wijze van indienen. Dit rekenmodel zal tegelijk met de publicatie van de regeling in de Staatscourant worden gepubliceerd op de site van RVO. U dient het ingevulde rekenmodel bij uw aanvraag in. De emissies van alle bekende broeikasgassen worden in deze methode meegenomen, zie ook bijlage 1 van de NIKI-regeling. De eenheid waarin de emissies worden uitgedrukt is tonnen koolstofdioxide equivalenten (ton CO_2-eq.). Waar we in de tekst van CO_2 spreken kan dit ook andere broeikasgassen betreffen. U hanteert in uw NIKI-aanvraag een onderbouwde prognose van de totale productie tijdens de exploitatiefase voor het berekenen van de totale emissiereductie van uw NIKI-project. U berekent hieruit tevens de emissiereductie per eenheid NIKI-product. NIKI-projecten hebben een exploitatiefase van 10 jaar na ingebruikname van de installatie. In deze periode zal het NIKI-product vervaardigd worden. U rapporteert tijdens de projectuitvoering over de bereikte emissiereductie op basis van de daadwerkelijke productieoutput van de NIKI-installatie, en de emissiereductie per eenheid NIKI-product uit uw aanvraag. Het uit te keren voorschot op de subsidie wordt mede op de bereikte emissiereductie gebaseerd. In onderstaande tabel staan de definities van belangrijke begrippen in deze methode, voor zover deze niet al zijn opgenomen in de regelingstekst. De begrippen zijn niet alfabetisch gerangschikt, maar worden in een volgorde behandeld die bijdraagt aan het begrijpen van de samenhang tussen de begrippen. Om de leesbaarheid te bevorderen zullen we in dit document enkele begrippen in enkelvoud gebruiken. Dus, waar we bijvoorbeeld van product, installatie, input of referentieproces spreken, kan dit ook meerdere producten etc. betreffen. Het vertrekpunt voor de-emissiereductiemethode is het NIKI-product, dat in het NIKI-project wordt vervaardigd. In het projectplan beschrijft u alle producten en productieprocessen. Voor de berekening van de CO_2-emissiereductie worden de emissies van NIKI-producten vergeleken met referentieproducten. De CO_2-emissiereductie door het NIKI-project berekent u door het verschil tussen de emissies van het referentieproduct en de emissies van het NIKI-product, gesommeerd over de productieoutput gedurende de exploitatiefase. De formule is opgenomen in figuur 1. *[afbeelding]* Een NIKI-installatie kan een of meerdere producten vervaardigen. Voor elk product wijst u een referentieproduct aan dat dezelfde functie vervult. De producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten, de referentieproducten vormen samen de referentie. *Voorbeeld: Een aanvrager heeft een NIKI-project met een bioraffinaderij. Deze raffinaderij maakt uit een biogene koolstofstroom (bio)gas, (bio)benzine, (bio)diesel, (bio)nafta en (bio)stookolie. Deze 5 producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten binnen deze aanvraag.* Een referentieproduct hoeft niet noodzakelijkerwijs fysiek hetzelfde te zijn als het NIKI-product. Als de producten fysiek van elkaar verschillen en er meer of minder geproduceerd moet worden om dezelfde functie te vervullen, dan wordt hiervoor gecorrigeerd met de correctiefactor *cffunctie*. De CO_2-emissies van het NIKI-project en de referentie worden bepaald door de emissies gedurende de levenscyclus van de producten vast te stellen. De levenscyclus van het product bestaat uit verschillende levenscyclusfasen. Welke fasen worden meegenomen, wordt vastgelegd als systeemgrens. De totale emissie van een NIKI-product is de sommatie van de emissies van de afzonderlijke levenscyclusfasen. In de NIKI CO_2-emissiereductiemethode worden de volgende levenscyclusfasen meegenomen: De procesgrens geeft aan met welke stap het productieproces van het NIKI-product in de NIKI-installatie start en eindigt. Dit bepaalt waar de levenscyclusfase proces begint, en welke inputs daarbij horen. Als u een referentieproces moet definiëren, bepaalt u ook hiervan een procesgrens. U stelt een massa- en energiebalans op van het productieproces van het NIKI-product. Hiermee maakt u de in- en uitgaande massa- en energiestromen inzichtelijk, die nodig zijn voor het vervaardigen van het product, zie figuur 2. Ook berekent u een koolstofbalans. Deze massa- en energiebalans dienen als basis voor het toekennen van CO_2-emissies aan de verschillende stromen. *[afbeelding]* Voor alle levenscyclusfasen bepaalt u de emissies naar de atmosfeer. Dit doet u voor het NIKI-product op basis van de massa- en energiebalans in combinatie met emissiefactoren en informatie over de emissies tijdens verbranding of einde levensduur. Om de emissies te bepalen, moet u geschikte emissiefactoren selecteren. De NIKI CO_2-emissiereductiemethode schrijft een hiërarchie voor in de keuze van emissiefactoren uit verschillende bronnen. Deze emissiefactoren worden vermenigvuldigd met de hoeveelheden van de verschillende massa- en energiestromen die uit de massa- en energiebalans zijn gebleken. Voor het bepalen van de emissies van het referentieproduct zijn er twee routes: U gebruikt het NIKI rekenmodel CO_2-emissiereductie om de totale CO_2-emissiereductie te berekenen en de gemaakte keuzes kunt verantwoorden. ‘Transport en gebruik’ van NIKI-producten is geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO_2-emissiereductiemethode. Echter is het in sommige gevallen mogelijk dat het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten in deze levenscyclusfase additionele emissies veroorzaakt. Omdat dit buiten de systeemgrens valt, wordt dit niet meegenomen in het bepalen van de totale emissiereductie. Neveneffecten mogen echter niet groter zijn dan de totale emissiereductie van het NIKI-project. Dit dient door u te worden vastgesteld conform hoofdstuk 8 stap 7 ‘Controle op negatieve neveneffecten’. U doorloopt aan de hand van deze methode zeven stappen om de CO_2-emissiereductie van uw NIKI-project te bepalen. De zeven stappen zijn als volgt: Deze stappen worden in de komende hoofdstukken toegelicht. ## Bijlage 4.13.3. behorende bij