--- titel: Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs (vervanging basisvorming door nieuwe regeling voor de onderbouw )(regeling onderbouw VO) bwb_id: BWBR0019918 type: wet status: geldend datum_inwerkingtreding: '2006-08-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0019918 citeertitel: Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs (vervanging basisvorming door nieuwe regeling voor de onderbouw )(regeling onderbouw VO) --- # Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs (vervanging basisvorming door nieuwe regeling voor de onderbouw )(regeling onderbouw VO) ### Artikel I Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs. ### Artikel II Wijzigt deze wet. ### Artikel IIa Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs (aanpassing profielen tweede fase vwo en havo). ### Artikel III Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 9b van de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit artikel bevoegd is voor een van de in dat artikel genoemde combinaties van vakken, blijft bevoegd voor de desbetreffende combinatie. ### Artikel IIIa Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs (decentralisatie vervangingsuitgaven en wachtgelduitgaven vo). ### Artikel IIIb Wijzigt de Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs (aanpassing profielen tweede fase vwo en havo). ### Artikel IIIc Indien toepassing wordt gegeven aan artikel IV, tweede volzin, onder 1, loopt de geldigheidsduur van beschikkingen afgegeven op grond van de beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, uitgebracht mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 8 december 2004 houdende mogelijkheden voor scholen om in het schooljaar 2005–2006 ervaring op te doen met vernieuwing van de onderbouw in het voortgezet onderwijs (vo) (Gele katern 2004, nr. 21) voor de onderdelen a en b tot het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 11c, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs. ### Artikel IIId Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit binnen vier jaar na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel H, van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van deze wet, voorzover het betreft lichamelijke opvoeding. In het evaluatierapport wordt in ieder geval aandacht besteed aan de omvang en schooltijd en aan de verdeling daarvan over de leerjaren voor verschillende groepen leerlingen en wordt de vraag beantwoord of lichamelijke opvoeding zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin voldoende is gewaarborgd. ### Artikel IIIe Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wijzigingen van artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het betreft vakoverstijgende programmaonderdelen, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen I tot en met III van deze wet in de praktijk. ### Artikel IV De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Daarbij kan tevens worden bepaald dat: 1. 1. aan de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 11b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, terugwerkende kracht wordt verleend tot en met 1 augustus 2006, en 2. 2. aan artikel IIIa terugwerkende kracht wordt verleend tot en met 1 januari 2006.